Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Gemeente Apeldoorn

UITVOERINGSREGELING ALGEMENE SUBSIDIEVERORDENING 2008

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente Apeldoorn
Officiële naam regelingUITVOERINGSREGELING ALGEMENE SUBSIDIEVERORDENING 2008
CiteertitelUitvoeringsregeling Algemene subsidieverordening
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Algemene subsidieverordening

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-03-200801-03-2014Onbekend

25-02-2008

Apeldoorns Stadsblad, 2008-04-09

collegevoorstel 003875686

Tekst van de regeling

Intitulé

UITVOERINGSREGELING ALGEMENE SUBSIDIEVERORDENING 2008

HOOFDSTUK 1 STRUCTURELE SUBSIDIES

TITEL 1 ALGEMEEN DEEL - AANVULLENDE BEPALINGEN OP TITEL 4.2 VAN DE AWB

Artikel 1 Meerjarigheid
  • 1 Subsidieverstrekking vindt plaats voor een tijdvak van ten hoogste een boekjaar.

  • 2 Tenzij bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening anders is bepaald, stelt de subsidieontvanger het boekjaar gelijk aan het kalenderjaar.

  • 3 Indien door de raad een subsidieperspectief is vastgesteld voor een termijn van twee, drie of ten hoogste vier boekjaren, vindt subsidieverlening en -vaststelling jaarlijks plaats.

  • 4 Bij de vaststelling van het subsidieperspectief kan worden bepaald of en zo ja hoe de subsidie jaarlijks wordt aangepast aan het door de raad vastgestelde loon- en prijspeil.

Artikel 2 Prestatieafspraken
  • 1 Het college kan ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Awb sluiten, waarin prestatieafspraken worden vastgelegd.

  • 2 Het college is bevoegd tot het maken van prestatieafspraken binnen de door de raad gestelde kaders.

Artikel 3 Termijnen
  • 1 Voor zover niet bij specifieke regeling anders is bepaald, moet een aanvraag tot subsidieverlening voor 1 mei van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd schriftelijk worden ingediend bij het college.

  • 2 Voor zover niet bij specifieke regeling anders is bepaald, moet een aanvraag tot subsidievaststelling voor 1 mei van het jaar volgend op het jaar waarvoor die subsidie is verleend schriftelijk worden ingediend bij het college.

Artikel 4 Vermogensvorming

Onverminderd het bepaalde in artikel 12 van de verordening kan het college regels stellen over het vormen van bestemmingsreserves en voorzieningen, voor zover passend binnen het doel van subsidieverstrekking.

Artikel 5 Inrichting administratie
  • 1 De administratie moet zodanig zijn ingericht, dat te allen tijde een overzicht kan worden verkregen van de bezittingen, de schulden, het eigen vermogen, de financiële resultaten en de activiteiten van de subsidieontvanger.

  • 2 De subsidieontvanger houdt de administratieve gegevens ten minste de bewaartermijn genoemd in Boek 2, Titel 9, van het Burgerlijk Wetboek beschikbaar.

  • 3 Door het college aangewezen ambtenaren of derden deskundigen hebben desgevraagd inzage in de boeken en bescheiden van de subsidieontvanger, daaronder begrepen adviezen van externe deskundigen. Zij ontvangen alle inlichtingen die voor een juiste uitoefening van hun functie in het algemeen en voor de beoordeling van de producten en de uitvoering van de activiteiten, alsmede de besteding van financiële middelen van de subsidieontvanger in het bijzonder nodig zijn.

  • 4 De in het derde lid bedoelde personen hebben de bevoegdheid tot inspectie van de verrichte werkzaamheden van de controlerend accountant van de subsidieontvanger. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat haar accountant hiermee instemt.

TITEL 2 SPECIFIEK DEEL - SUBSIDIEVORMEN

A BUDGETSUBSIDIES
Artikel 6 Subsidievorm
  • 1 Een budgetsubsidie is een aan een subsidieontvanger beschikbaar te stellen vooraf bepaald bedrag van minimaal € 200.000,-- voor de uitvoering van vooraf overeengekomen activiteiten en de realisering van vooraf overeengekomen prestaties.

  • 2 De kaders voor de budgetsubsidieafspraken worden door de raad voor een periode van tenminste twee en maximaal vier jaar vastgesteld.

  • 3 Het college en de subsidieontvanger sluiten de in artikel 3, vierde lid, onder d, van de verordening genoemde overeenkomst.

Artikel 7 Aanvraag
  • 1 In het in artikel 9, derde lid, onder a, van de verordening genoemde activiteitenplan wordt omschreven voor welke activiteiten en/of prestaties subsidie wordt aangevraagd, alsmede op welke wijze de gevraagde subsidie naar de activiteiten of producten wordt toegerekend.

  • 2 In de in artikel 9, derde lid, onder b, van de verordening genoemde begroting worden de volgende kostensoorten onderscheiden: personeelskosten, huisvestingskosten, materiële kosten en onderhoudskosten.

  • 3 Naar aanleiding van de subsidieaanvraag vindt overleg plaats met de subsidieaanvrager.

Artikel 8 Verlening

Naast hetgeen daaromtrent is bepaald in de artikelen 4:30, 4:31 en 4:32 van de Awb, bevat het besluit tot subsidieverlening in ieder geval:

  • a.

    de activiteiten en prestaties waarvoor subsidie wordt verleend;

  • b.

    nadere eisen die worden gesteld aan de subsidieontvanger, tenzij het college oordeelt dat er geen nadere eisen behoeven te worden gesteld;

  • c.

    de wijze en de momenten waarop tussentijds informatie moet worden verstrekt over de stand van zaken van de uitvoering van het activiteitenplan;

  • d.

    de betaling en bevoorschotting van het subsidiebedrag;

  • e.

    criteria op basis waarvan de subsidie wordt vastgesteld.

Artikel 9 Verantwoording
  • 1 Met de subsidieontvanger worden afspraken gemaakt over de wijze waarop de subsidieontvanger het college tussentijds over de voortgang van de uitvoering van de overeenkomst informeert, alsmede over de momenten waarop en de onderwerpen waarover tussen hen overleg plaatsvindt.

  • 2 Een subsidieontvanger legt bij het verzoek tot vaststelling van de verleende subsidie binnen de in artikel 3, tweede lid, bepaalde termijn aan het college een verslag van de in het boekjaar verrichte activiteiten over. alsmede een door het bestuur gewaarmerkte jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 3 Het verslag moet een beschrijving van de gevolgde werkwijze en het behaalde resultaat bevatten.

  • 4 De jaarrekening omvat minimaal een staat van baten en lasten, een balans en toelichtingen daarop. De jaarrekening moet op dezelfde wijze zijn ingericht als de bij de aanvraag tot subsidie overgelegde begroting. De jaarrekening moet vergezeld gaan van een verklaring van getrouwheid en rechtmatigheid van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en van het accountantsrapport waarop de verklaring is gebaseerd.

Artikel 10 Vaststelling
  • 1 1Het college stelt aan de hand van de door de subsidieontvanger geleverde rapportages en bescheiden, alsmede van waarnemingen van daartoe door hem aangewezen ambtenaren, vast of de subsidieontvanger de activiteiten zowel naar aard, omvang als kwaliteit tot stand heeft gebracht zoals deze zijn vastgelegd in de beschikking tot subsidieverlening.

  • 2 Indien ten minste de activiteiten en/of prestaties tot stand zijn gebracht zoals deze zijn vastgelegd in de beschikking tot subsidieverlening en de in artikel 3, derde lid, onder c, van de verordening genoemde overeenkomst, wordt de subsidie vastgesteld op het bij de verlening aangegeven bedrag.

  • 3 Indien de activiteiten en/of prestaties zoals deze zijn vastgelegd in de beschikking tot subsidieverlening en de in artikel 3, derde lid, onder c, van de verordening genoemde overeenkomst niet of in mindere mate tot stand zijn gebracht, wordt de subsidie evenredig lager vastgesteld.

  • 4 Indien een besluit tot subsidievaststelling betrekking heeft op de vaststelling van een lager bedrag dan waarvoor subsidie is verleend als gevolg van omstandigheden die voor rekening van de subsidieontvanger behoren te komen en dat besluit gevolgen heeft die aantoonbaar niet door hem gedragen kunnen worden, kan daarmee in het besluit tot subsidievaststelling rekening worden gehouden.

Artikel 11 Bijzondere bepalingen
  • 1 Bij budgetsubsidies kunnen, ook bij volledige uitvoering van het activiteitenplan, aan de subsidie gerelateerde voordelige of nadelige verschillen ontstaan. Onverminderd het bepaalde in artikel 12 van de verordening vormt de subsidieontvanger daartoe een reserve.

  • 2 De subsidieontvanger respecteert de in artikel 7, tweede lid, onder c, van de verordening genoemde Governance Code.

B ACTIVITEITENSUBSIDIES
Artikel 12 Subsidievorm

Een structurele activiteitensubsidie is een aan een subsidieontvanger beschikbaar te stellen vooraf bepaald bedrag van minimaal € 10.000,-- voor de uitvoering van vooraf overeengekomen activiteiten.

Artikel 13 Aanvraag
  • 1 In het in artikel 9, derde lid, onder a, van de verordening genoemde activiteitenplan wordt omschreven voor welke activiteiten en/of prestaties subsidie wordt aangevraagd, alsmede op welke wijze de gevraagde subsidie naar de activiteiten of producten wordt toegerekend.

  • 2 In de in artikel 9, derde lid, onder b, van de verordening genoemde begroting worden de volgende kostensoorten onderscheiden: personeelskosten, huisvestingskosten, materiële kosten en onderhoudskosten.

Artikel 14 Verlening

Naast hetgeen daaromtrent is bepaald in de artikelen 4:30, 4:31 en 4:32 van de Awb, bevat het besluit tot subsidieverlening in ieder geval:

  • a.

    de activiteiten en prestaties waarvoor subsidie wordt verleend;

  • b.

    nadere eisen die worden gesteld aan de subsidieontvanger, tenzij het college oordeelt dat er geen nadere eisen behoeven te worden gesteld;

  • c.

    de wijze en de momenten waarop tussentijds informatie moet worden verstrekt over de stand van zaken van de uitvoering van het activiteitenplan;

  • d.

    de betaling en bevoorschotting van het subsidiebedrag;

  • e.

    criteria op basis waarvan de subsidie wordt vastgesteld.

Artikel 15 Verantwoording
  • 1 Het college en de subsidieontvanger kunnen afspraken maken over de wijze waarop de subsidieontvanger het college tussentijds informeert over de voortgang van de uitvoering van het activiteitenplan alsmede over de momenten waarop en de onderwerpen waarover tussen hen overleg plaats vindt.

  • 2 Een subsidieontvanger legt bij het verzoek tot vaststelling van een activiteitensubsidie van € 50.000,-- of meer binnen de in artikel 3, tweede lid, bepaalde termijn aan het college een verslag van de in het boekjaar verrichte activiteiten over, alsmede een door het bestuur gewaarmerkte jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek

  • 3 Het verslag zoals bedoeld in lid 2 moet een beschrijving van de gevolgde werkwijze en het behaalde resultaat bevatten.

  • 4 De jaarrekening omvat minimaal een staat van baten en lasten, een balans en toelichtingen daarop. De jaarrekening moet op dezelfde wijze zijn ingericht als de bij de aanvraag tot subsidie overgelegde begroting.

  • 5 Het college kan bepalen dat de jaarrekening vergezeld moet gaan van een beoordelingsverklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. In dat geval moet de jaarrekening tevens vergezeld gaan van het accountantsrapport waarop de verklaring is gebaseerd.

  • 6 Het college kan bepalen dat de jaarrekening vergezeld moet gaan van een rapport van specifieke werkzaamheden van een accountant.

  • 7 Het college kan op grond van artikel 14, sub b, bij de subsidieverlening bepalen, dat lid 5 of lid 6 van toepassing is op een activiteitensubsidie tot € 50.000,--.

Artikel 16 Vaststelling
  • 1 Het college stelt aan de hand van de door de subsidieontvanger geleverde rapportages en bescheiden, alsmede van waarnemingen van daartoe door hem aangewezen ambtenaren, vast of de subsidieontvanger de activiteiten zowel naar aard, omvang als kwaliteit tot stand heeft gebracht zoals deze zijn vastgelegd in de beschikking tot subsidieverlening.

  • 2 Indien ten minste de activiteiten tot stand zijn gebracht zoals deze zijn vastgelegd in de beschikking tot subsidieverlening wordt de subsidie vastgesteld op het bij de verlening aangegeven bedrag.

  • 3 Indien de activiteiten zoals deze zijn vastgelegd in de beschikking tot subsidieverlening niet of in mindere mate tot stand zijn gebracht, kan de subsidie evenredig lager worden vastgesteld.

  • 4 Alvorens een besluit tot subsidieverlaging conform het derde lid wordt genomen, vindt overleg plaats met de subsidieontvanger.

  • 5 Indien een besluit tot subsidievaststelling betrekking heeft op de vaststelling van een lager bedrag dan waarvoor subsidie is verleend als gevolg van omstandigheden die voor rekening van de subsidieontvanger behoren te komen en dat besluit gevolgen heeft die aantoonbaar niet door hem gedragen kunnen worden, kan daarmee in het besluit tot subsidievaststelling rekening worden gehouden.

Artikel 17 Bijzondere bepalingen

Bij activiteitensubsidies kunnen, ook bij volledige uitvoering van het activiteitenplan, aan de subsidie gerelateerde voordelige of nadelige verschillen ontstaan. Onverminderd het bepaalde in artikel 12 van de verordening kan de subsidieontvanger, voorafgaand aan de subsidievaststelling door het college, daartoe een reserve vormen.

C NORMSUBSIDIES
Artikel 18 Subsidievorm

Een structurele normsubsidie is een aan een subsidieontvanger beschikbaar te stellen vooraf bepaald bedrag voor de uitvoering van bepaalde activiteiten, dat op basis van een meetbare norm bepaald wordt binnen het daarvoor beschikbare subsidiebudget.

Artikel 19 Regeling, vaststelling norm
  • 1 Het college stelt in specifieke regelingen normen en/of de berekeningsmethode van de subsidie vast.

  • 2 Onverminderd het bepaalde in artikel 5, derde lid, van de verordening wordt in de in het eerste lid bedoelde regelingen bepaald op welke wijze de normbedragen worden geïndexeerd.

Artikel 20 Plafonds

Het college stelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van de verordening, per subsidieregeling subsidieplafonds en -bedragen vast.

Artikel 21 Aanvraag
  • 1 Het bepaalde in artikel 9, vierde lid, van de verordening, is niet van toepassing.

  • 2 In de in artikel 19, eerste lid, genoemde regelingen wordt bepaald op welke wijze en binnen welke termijn aanvragen tot subsidie kunnen worden ingediend.

Artikel 22 Verlening

Naast hetgeen daaromtrent is bepaald in de artikelen 4:30, 4:31 en 4:32 van de Awb, bevat het besluit tot subsidieverlening in ieder geval:

  • a.

    de activiteiten en prestaties waarvoor subsidie wordt verleend;

  • b.

    nadere eisen die worden gesteld aan de subsidieontvanger, tenzij het college oordeelt dat er geen nadere eisen behoeven te worden gesteld;

  • c.

    de wijze en de momenten waarop tussentijds informatie moet worden verstrekt over de stand van zaken van de uitvoering van het activiteitenplan;

  • d.

    de betaling en bevoorschotting van het subsidiebedrag;

  • e.

    de wijze waarop de subsidie is berekend.

Artikel 23 Verantwoording
  • 1 Met de subsidieontvanger kunnen afspraken worden gemaakt over de wijze waarop de subsidieontvanger het college over de voortgang van de uitvoering van de activiteiten informeert, alsmede over de momenten waarop en de onderwerpen waarover tussen hen overleg plaatsvindt.

  • 2 Het college bepaalt per specifieke regeling welke verantwoordingsstukken moeten worden overgelegd en binnen welke termijn.

Artikel 24 Vaststelling
  • 1 Het college stelt aan de hand van de in artikel 23 overgelegde verantwoordingsstukken vast of de subsidieontvanger de activiteiten zowel naar aard, omvang als kwaliteit tot stand heeft gebracht zoals deze zijn vastgelegd in de beschikking tot subsidieverlening.

  • 2 Indien ten minste de activiteiten tot stand zijn gebracht zoals deze zijn vastgelegd in de beschikking tot subsidieverlening wordt de subsidie vastgesteld op het bij de verlening aangegeven bedrag.

  • 3 Indien de activiteiten zoals deze zijn vastgelegd in de beschikking tot subsidieverlening niet of in mindere mate tot stand zijn gebracht, kan de subsidie evenredig lager worden vastgesteld.

  • 4 Alvorens een besluit tot subsidieverlaging conform het derde lid wordt genomen, vindt overleg plaats met de subsidieontvanger.

Artikel 25 Bijzondere bepalingen
  • 1 Bij in artikel 19, eerste lid bedoelde regelingen kan worden bepaald dat de subsidie kan worden verstrekt door middel van een enkele vaststelling als bedoeld in artikel 4:29 van de Awb.

  • 2 Indien de subsidie wordt verstrekt door middel van een enkele vaststelling, is het bepaalde in de artikelen 22 tot en met 24 niet van toepassing.

D WAARDERINGSSUBSIDIES
Artikel 26 Subsidievorm

Een structurele waarderingssubsidie is een aan een subsidieontvanger als blijk van waardering of aanmoediging beschikbaar te stellen vooraf bepaald bedrag voor de uitvoering van bepaalde activiteiten.

Artikel 27 Aanvraag

In afwijking van het bepaalde in artikel 9, vierde lid, van de verordening moet de subsidieaanvrager bij een volgende aanvraag voor een subsidie slechts het in artikel 9, derde lid, onder a en b, genoemde activiteitenplan en begroting indienen.

Artikel 28 Verstrekking

De subsidie wordt verstrekt door middel van een enkele vaststelling als bedoeld in artikel 4:29 van de Awb.

HOOFDSTUK 2 INCIDENTELE SUBSIDIES

TITEL 1 ALGEMEEN DEEL - AANVULLENDE BEPALINGEN OP TITEL 4.2 VAN DE AWB

Artikel 29 Termijnen
  • 1 Voor zover niet bij specifieke regeling anders is bepaald, moet een aanvraag tot subsidieverlening minimaal zestien weken voorafgaand aan de aanvang van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, schriftelijk worden ingediend bij het college.

  • 2 Voor zover niet bij specifieke regeling anders is bepaald, moet een aanvraag tot subsidievaststelling maximaal twaalf weken na beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd schriftelijk worden ingediend bij het college.

Artikel 30 Vermogensvorming

Indien activiteiten waarvoor een subsidie is aangevraagd betrekking hebben op perioden die meerdere boekjaren beslaan, wordt door de subsidieontvanger voor deze subsidies een aparte voorziening gevormd.

Artikel 31 Inrichting administratie
  • 1 De administratie moet zodanig zijn ingericht, dat te allen tijde een overzicht kan worden verkregen van de bezittingen, de schulden, het eigen vermogen, de financiële resultaten en de activiteiten van de subsidieontvanger.

  • 2 De subsidieontvanger houdt de administratieve gegevens ten minste de bewaartermijn genoemd in Boek 2, Titel 9, van het Burgerlijk Wetboek beschikbaar.

  • 3 Door het college aangewezen ambtenaren of derden deskundigen hebben desgevraagd inzage in de boeken en bescheiden van de subsidieontvanger, daaronder begrepen adviezen van externe deskundigen. Zij ontvangen alle inlichtingen die voor een juiste uitoefening van hun functie in het algemeen en voor de beoordeling van de producten en de uitvoering van de activiteiten, alsmede de besteding van financiële middelen van de subsidieontvanger in het bijzonder nodig zijn.

  • 4 De in het derde lid bedoelde personen hebben de bevoegdheid tot inspectie van de verrichte werkzaamheden van de controlerend accountant van de subsidieontvanger. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat haar accountant hiermee instemt.

Artikel 32 Plafonds

Indien subsidie wordt verleend op grond van een specifieke regeling, stelt het college subsidieplafonds en - bedragen vast.

TITEL 2 SPECIFIEK DEEL - SUBSIDIEVORMEN

A PROJECTSUBSIDIES
Artikel 33 Subsidievorm

Een projectsubsidie is een aan een subsidieontvanger op basis van een specifieke subsidieregeling beschikbaar te stellen vooraf bepaald bedrag voor het realiseren binnen een vooraf vastgestelde periode van een door het college vooraf goedgekeurd project.

Artikel 34 Aanvraag
  • 1 In het in artikel 9, derde lid, onder a, van de verordening genoemde activiteitenplan wordt omschreven voor welk project subsidie wordt aangevraagd.

  • 2 In het activiteitenplan wordt onverminderd het bepaalde in artikel 9, derde lid, onder a, van de verordening aangegeven wat de door de subsidieontvanger beoogde resultaten zijn, door wie het project wordt uitgevoerd, alsmede de tijdstippen waarop het project aanvangt en eindigt.

Artikel 35 Verlening

Naast hetgeen daaromtrent is bepaald in de artikelen 4:30, 4:31 en 4:32 van de Awb, bevat het besluit tot subsidieverlening in ieder geval:

  • a.

    de activiteiten en prestaties waarvoor subsidie wordt verleend;

  • b.

    nadere eisen die worden gesteld aan de subsidieontvanger, tenzij het college oordeelt dat er geen nadere eisen behoeven te worden gesteld;

  • c.

    de wijze en de momenten waarop tussentijds informatie moet worden verstrekt over de stand van zaken van de uitvoering van het activiteitenplan;

  • d.

    de betaling en bevoorschotting van het subsidiebedrag;

  • e.

    criteria op basis waarvan de subsidie wordt vastgesteld.

Artikel 36 Verantwoording
  • 1 Met de subsidieontvanger worden afspraken gemaakt over de wijze waarop de subsidieontvanger het college tussentijds over de voortgang van de uitvoering van de activiteitenplan informeert, alsmede over de momenten waarop en de onderwerpen waarover tussen hen overleg plaatsvindt.

  • 2 Een subsidieontvanger legt ter vaststelling van de verleende subsidie binnen de in artikel 3, tweede lid, bepaalde termijn aan het college een inhoudelijk en financieel verslag van het project over.

  • 3 Het verslag moet een beschrijving van de gevolgde werkwijze en het behaalde resultaat bevatten.

  • 4 Het financieel verslag moet op dezelfde wijze zijn ingericht als de bij de aanvraag tot subsidie overgelegde begroting.

  • 5 Het college kan op grond van artikel 35, sub b, bij de subsidieverlening nadere eisen stellen aan het financiële verslag van het project.

Artikel 37 Vaststelling
  • 1 Het college stelt aan de hand van de door de subsidieontvanger geleverde rapportages en bescheiden, alsmede van waarnemingen van daartoe door hem aangewezen ambtenaren, vast of de subsidieontvanger de activiteiten zowel naar aard, omvang als kwaliteit tot stand heeft gebracht zoals deze zijn vastgelegd in de beschikking tot subsidieverlening.

  • 2 Indien ten minste de activiteiten tot stand zijn gebracht zoals deze zijn vastgelegd in de beschikking tot subsidieverlening wordt de subsidie vastgesteld op het bij de verlening aangegeven bedrag.

  • 3 Indien de activiteiten zoals deze zijn vastgelegd in de beschikking tot subsidieverlening niet of in mindere mate tot stand zijn gebracht, kan de subsidie evenredig lager worden vastgesteld.

  • 4 Alvorens een besluit tot subsidieverlaging conform het derde lid wordt genomen, vindt overleg plaats met de subsidieontvanger.

  • 5 Indien een besluit tot subsidievaststelling betrekking heeft op de vaststelling van een lager bedrag dan waarvoor subsidie is verleend als gevolg van omstandigheden die voor rekening van de subsidieontvanger behoren te komen en dat besluit gevolgen heeft die aantoonbaar niet door hem gedragen kunnen worden, kan daarmee in het besluit tot subsidievaststelling rekening worden gehouden.

B ACTIVITEITENSUBSIDIES
Artikel 38 Subsidievorm

Een incidentele activiteitensubsidie is een aan een subsidieontvanger beschikbaar te stellen vooraf bepaald bedrag van minimaal € 10.000,-- voor de uitvoering van vooraf overeengekomen activiteiten.

Artikel 39 Aanvraag

Het bepaalde in artikel 9, vierde lid, van de verordening, is niet van toepassing.

Artikel 40 Verlening

Naast hetgeen daaromtrent is bepaald in de artikelen 4:30, 4:31 en 4:32 van de Awb, bevat het besluit tot subsidieverlening in ieder geval:

  • a.

    de activiteiten en prestaties waarvoor subsidie wordt verleend;

  • b.

    nadere eisen die worden gesteld aan de subsidieontvanger, tenzij het college oordeelt dat er geen nadere eisen behoeven te worden gesteld;

  • c.

    de wijze en de momenten waarop tussentijds informatie moet worden verstrekt over de stand van zaken van de uitvoering van het activiteitenplan;

  • d.

    de betaling en bevoorschotting van het subsidiebedrag;

  • e.

    criteria op basis waarvan de subsidie wordt vastgesteld.

Artikel 41 Verantwoording
  • 1 1Met de subsidieontvanger worden afspraken gemaakt over de wijze waarop de subsidieontvanger het college tussentijds over de voortgang van de uitvoering van het activiteitenplan informeert, alsmede over de momenten waarop en de onderwerpen waarover tussen hen overleg plaatsvindt.

  • 2 Een subsidieontvanger legt bij het verzoek tot vaststelling van een incidenteel activiteitensubsidie van € 50.000,-- of meer binnen de in artikel 3, tweede lid, bepaalde termijn aan het college een verslag van de in het boekjaar verrichte activiteiten over, alsmede een door het bestuur gewaarmerkte jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek

  • 3 Het verslag moet een beschrijving van de gevolgde werkwijze en het behaalde resultaat bevatten.

  • 4 De jaarrekening omvat minimaal een staat van baten en lasten, een balans en toelichtingen daarop. De jaarrekening moet op dezelfde wijze zijn ingericht als de bij de aanvraag tot subsidie overgelegde begroting.

  • 5 Het college kan bepalen dat de jaarrekening vergezeld moet gaan van een beoordelingsverklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. In dat geval moet de jaarrekening tevens vergezeld gaan van het accountantsrapport waarop de verklaring is gebaseerd.

  • 6 Het college kan bepalen dat de jaarrekening vergezeld moet gaan van een rapport van specifieke werkzaamheden van een accountant.

  • 7 Het college kan op grond van artikel 40, sub b, bij de subsidieverlening bepalen, dat lid 5 of lid 6 van toepassing is op een incidenteel activiteitensubsidie tot € 50.000,--.

Artikel 42 Vaststelling
  • 1 Het college stelt aan de hand van de door de subsidieontvanger geleverde rapportages en bescheiden, alsmede van waarnemingen van daartoe door hem aangewezen ambtenaren, vast of de subsidieontvanger de activiteiten zowel naar aard, omvang als kwaliteit tot stand heeft gebracht zoals deze zijn vastgelegd in de beschikking tot subsidieverlening.

  • 2 Indien ten minste de activiteiten tot stand zijn gebracht zoals deze zijn vastgelegd in de beschikking tot subsidieverlening wordt de subsidie vastgesteld op het bij de verlening aangegeven bedrag.

  • 3 Indien de activiteiten zoals deze zijn vastgelegd in de beschikking tot subsidieverlening niet of in mindere mate tot stand is gebracht, kan de subsidie evenredig lager worden vastgesteld.

  • 4 Alvorens een besluit tot subsidieverlaging conform het derde lid wordt genomen vindt er overleg plaats met de subsidieontvanger.

  • 5 Indien een besluit tot subsidievaststelling betrekking heeft op de vaststelling van een lager bedrag dan waarvoor subsidie is verleend als gevolg van omstandigheden die voor rekening van de subsidieontvanger behoren te komen en dat besluit gevolgen heeft die aantoonbaar niet door hem gedragen kunnen worden, kan daarmee in het besluit tot subsidievaststelling rekening worden gehouden.

C NORMSUBSIDIES
Artikel 43 Subsidievorm

Een incidentele normsubsidie is een aan een subsidieontvanger beschikbaar te stellen vooraf bepaald bedrag voor de uitvoering van een bepaalde activiteit, die op basis van een meetbare norm bepaald wordt binnen het daarvoor beschikbare subsidiebudget.

Artikel 44 Regeling, vaststelling norm
  • 1 Het college stelt in specifieke regelingen normen en/of de berekeningsmethode van de subsidie vast.

  • 2 Onverminderd het bepaalde in artikel 5, derde lid, van de verordening wordt in de in het eerste lid bedoelde regelingen bepaald op welke wijze de normbedragen worden geïndexeerd.

Artikel 45 Plafonds

Het college stelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de verordening, per subsidieregeling subsidieplafonds en -bedragen vast.

Artikel 46 Aanvraag
  • 1 Het bepaalde in artikel 9, vierde lid, van de verordening, is niet van toepassing.

  • 2 In de in artikel 44, eerste lid, genoemde regelingen wordt bepaald op welke wijze en binnen welke termijn aanvragen voor subsidie kunnen worden ingediend.

Artikel 47 Verlening

Naast hetgeen daaromtrent is bepaald in de artikelen 4:30, 4:31 en 4:32 van de Awb, bevat het besluit tot subsidieverlening in ieder geval:

  • a.

    de activiteit waarvoor subsidie wordt verleend;

  • b.

    nadere eisen die worden gesteld aan de subsidieontvanger, tenzij het college oordeelt dat er geen nadere eisen behoeven te worden gesteld;

  • c.

    de wijze en de momenten waarop tussentijds informatie moet worden verstrekt over de stand van zaken van de uitvoering van het activiteitenplan;

  • d.

    de betaling en bevoorschotting van het subsidiebedrag;

  • e.

    de wijze waarop de subsidie wordt berekend.

Artikel 48 Verantwoording
  • 1 Met de subsidieontvanger kunnen afspraken worden gemaakt over de wijze waarop de subsidieontvanger het college over de voortgang van de uitvoering van de activiteiten informeert, alsmede over de momenten waarop en de onderwerpen waarover tussen hen overleg plaatsvindt.

  • 2 Het college bepaalt per specifieke regeling welke verantwoordingsstukken moeten worden overgelegd en binnen welke termijn.

Artikel 49 Vaststelling
  • 1 Het college stelt aan de hand van de in artikel 48 overgelegde verantwoordingsstukken vast of de subsidieontvanger de activiteiten zowel naar aard,omvang als kwaliteit tot stand heeft gebracht zoals deze zijn vastgelegd in de beschikking tot subsidieverlening.

  • 2 Indien ten minste de activiteiten tot stand zijn gebracht zoals deze zijn vastgelegd in de beschikking tot subsidieverlening wordt de subsidie vastgesteld op het bij de verlening aangegeven bedrag.

  • 3 Indien de activiteiten zoals deze zijn vastgelegd in de beschikking tot subsidieverlening niet of in mindere mate tot stand zijn gebracht, kan de subsidie evenredig lager worden vastgesteld.

  • 4 Alvorens een besluit tot subsidieverlaging conform het derde lid wordt genomen, vindt overleg plaats met de subsidieontvanger.

Artikel 50 Bijzondere bepalingen
  • 1 Bij in artikel 44, eerste lid, bedoelde regelingen kan worden bepaald dat de subsidie kan worden verstrekt door middel van een enkele vaststelling als bedoeld in artikel 4:29 van de Awb.

  • 2 Indien de subsidie wordt verstrekt door middel van een enkele vaststelling, is het bepaalde in de artikelen 48 en 49 niet van toepassing.

D WAARDERINGSSUBSIDIES
Artikel 51 Subsidievorm

Een incidentele waarderingssubsidie is een aan een subsidieontvanger als blijk van waardering of aanmoediging beschikbaar te stellen vooraf bepaald bedrag voor de uitvoering van een bepaalde activiteit.

Artikel 52 Aanvraag

Het bepaalde in artikel 9, vierde lid, van de verordening is niet van toepassing.

Artikel 53 Verstrekking

De subsidie wordt verstrekt door middel van een enkele vaststelling als bedoeld in artikel 4:29 van de Awb.

E INVESTERINGSSUBSIDIES
Artikel 54 Subsidievorm

Een investeringssubsidie is een aan een subsidieontvanger beschikbaar te stellen vooraf bepaald bedrag voor de aanschaf, bouw of verbouw van gebouwen of voor de aanschaf van andere kapitaalgoederen.

Artikel 55 Plafonds

Onverminderd het bepaalde in artikel 3, eerste lid, en artikel 5, tweede lid, van de verordening, kunnen ten aanzien van investeringssubsidies in specifieke regelingen subsidieplafonds en -bedragen worden vastgesteld.

Artikel 56 Aanvraag
  • 1 In het in artikel 9, derde lid, onder a, van de verordening genoemde activiteitenplan wordt omschreven voor de aanschaf, bouw of verbouw van welk(e) gebouw(en) of voor de aanschaf van welke kapitaalgoederen subsidie wordt aangevraagd.

  • 2 In het activiteitenplan wordt onverminderd het bepaalde in artikel 9, derde lid, onder a, van de verordening aangegeven wat de door de subsidieontvanger beoogde resultaten zijn, door wie het activiteitenplan wordt uitgevoerd, alsmede de tijdstippen waarop het de gesubsidieerde activiteiten aanvangen en eindigen.

Artikel 57 Verlening

Naast hetgeen daaromtrent is bepaald in de artikelen 4:30, 4:31 en 4:32 van de Awb, bevat het besluit tot subsidieverlening in ieder geval:

  • a.

    de activiteiten en prestaties waarvoor subsidie wordt verleend;

  • b.

    nadere eisen die worden gesteld aan de subsidieontvanger, tenzij het college oordeelt dat er geen nadere eisen behoeven te worden gesteld;

  • c.

    de wijze en de momenten waarop tussentijds informatie moet worden verstrekt over de stand van zaken van de uitvoering van het activiteitenplan;

  • d.

    de betaling en bevoorschotting van het subsidiebedrag;

  • e.

    criteria op basis waarvan de subsidie wordt vastgesteld.

Artikel 58 Verantwoording
  • 1 Met de subsidieontvanger worden afspraken gemaakt over de wijze waarop de subsidieontvanger het college tussentijds over de voortgang van de uitvoering van het activiteitenplan informeert, alsmede over de momenten waarop en de onderwerpen waarover tussen hen overleg plaatsvindt.

  • 2 Een subsidieontvanger legt ter vaststelling van de verleende subsidie binnen de in artikel 3, tweede lid, bepaalde termijn aan het college een verslag van de activiteiten over.

  • 3 Het verslag moet een beschrijving van de gevolgde werkwijze en het behaalde resultaat bevatten.

Artikel 59 Vaststelling
  • 1 1Het college stelt aan de hand van de door de subsidieontvanger geleverde rapportages en bescheiden, alsmede van waarnemingen van daartoe door hem aangewezen ambtenaren, vast of de subsidieontvanger de activiteiten zowel naar aard, omvang als kwaliteit tot stand heeft gebracht zoals deze zijn vastgelegd in de beschikking tot subsidieverlening.

  • 2 Indien ten minste de activiteiten tot stand zijn gebracht zoals deze zijn vastgelegd in de beschikking tot subsidieverlening wordt de subsidie vastgesteld op het bij de verlening aangegeven bedrag.

  • 3 Indien de activiteiten zoals deze zijn vastgelegd in de beschikking tot subsidieverlening niet of in mindere mate tot stand zijn gebracht, wordt de subsidie evenredig lager vastgesteld.

  • 4 Indien een besluit tot subsidievaststelling betrekking heeft op de vaststelling van een lager bedrag dan waarvoor subsidie is verleend als gevolg van omstandigheden die voor rekening van de subsidieontvanger behoren te komen en dat besluit gevolgen heeft die aantoonbaar niet door hem gedragen kunnen worden, kan daarmee in het besluit tot subsidievaststelling rekening worden gehouden.

HOOFDSTUK 3 SLOTBEPALING

Artikel 60 Citeertitel en inwerkingtreding

Deze uitvoeringsregeling kan worden aangehaald als de ‘Uitvoeringsregeling Algemene subsidieverordening’ en treedt in werking op 1 maart 2008.

Ondertekening

Aldus vastgesteld door het college d.d. 25 februari 2008

Gepubliceerd in het Apeldoorns Stadsblad d.d. 9 april 2008

Inwerking getreden d.d. 1 maart 2008

TOELICHTING UITVOERINGSREGELING ALGEMENE SUBSIDIEVERORDENING

ALGEMEEN

In de uitvoeringsregeling wordt onderscheid gemaakt tussen structurele en incidentele subsidies.

Structurele subsidies zijn subsidies die jaarlijks worden verleend voor dezelfde activiteiten aan dezelfde subsidieontvanger. Incidentele subsidies zijn subsidies die eenmalig worden verleend.

Zij zijn onderverdeeld in verschillende subsidievormen, zie tabel 1.

Tabel 1: overzicht subsidievormen
BudgetsubsidieProjectsubsidie
ActiviteitensubsidieActiviteitensubsidie
NormsubsidieNormsubsidie
WaarderingssubsidieWaarderingssubsidie
 Investeringsssubsidie

In hoofdstuk 1 worden eerst de algemene bepalingen die van toepassing zijn op structurele subsidies aangegeven en vervolgens de bepalingen per subsidievorm. Hetzelfde geldt voor incidentele subsidies in hoofdstuk 2.

Naarmate het gemeentelijk belang bij de gesubsidieerde activiteiten en het subsidiebedrag hoger zijn zal de gemeente meer sturen op de activiteiten. In dat geval zal de subsidieontvanger meer verantwoording moeten afleggen. De zwaarste subsidievorm waarbij de meeste verantwoording wordt gevraagd is budgetsubsidie. De lichtste vorm is de waarderingssubsidie. In de beschikking tot subsidieverlening zal nauwkeurig worden aangegeven of en zo ja welke eisen gesteld worden aan de subsidieontvanger. Dat geldt ook voor de soort accountantsverklaring die bij enkele subsidievormen verplicht is.

Om de administratieve lasten voor de subsidieontvanger te beperken zal zoveel mogelijk gewerkt worden met (voor een deel nog te ontwikkelen) standaardformulieren. Het streven is om op termijn te komen tot digitalisering van de aanvragen tot subsidieverlening en -vaststelling.

ARTIKELGEWIJS

HOOFDSTUK 1 Structurele subsidies

artikel 1 Meerjarigheid

lid 1

Een boekjaar is gelijk aan een kalenderjaar, dat wil zeggen van 1 januari tot en met 31 december.

lid 2

Een subsidieperspectief is het vooruitzicht op een subsidiebedrag in komende jaren.

artikel 2 Prestatieafspraken

Onder kaders wordt hier verstaan de door de raad aangegeven beleidsterreinen, activiteitensoorten, kostensoorten en begrotingsbedragen waarbinnen het college een subsidie kan verstrekken.

Artikel 4 Vermogensvorming

Een bestemmingsreserve is een reserve die wordt gevormd voor een vooraf bepaald doel (bijvoorbeeld groot onderhoud).

Artikel 18 Subsidievorm

Een meetbare norm is een norm die eenduidig is vast te stellen zoals het aantal m², het aantal leden enz.