Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Gemeente Apeldoorn

Verordening voor kamerverhuurpanden 2009 (versie 4/3e wijziging)

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente Apeldoorn
Officiële naam regelingVerordening voor kamerverhuurpanden 2009 (versie 4/3e wijziging)
CiteertitelVerordening voor kamerverhuurpanden (versie 4/3e wijziging)
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpvolkshuisvesting en woningbouw
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Huisvestingswet, art. 2

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

05-09-201401-07-2015artikel 2.3 en 4.1

17-07-2014

Officiele bekendmakingen d.d. 29-08-2014

raadsvoorstel 95-2014
22-12-201105-09-2014artikel 2.3

08-12-2011

Apeldoorns Stadsblad d.d. 14 december 2011

raadsvoorstel 132-2011
12-05-201122-12-2011artikel 2.2, zesde lid

14-04-2011

Apeldoorns Stadsblad d.d. 4 mei 2011

raadsvoorstel 32-2011
22-05-200912-05-2011nieuwe regeling

18-12-2008

Apeldoorns Stadsblad d.d. 2009-04-29

raadsvoorstel 110-2008

Tekst van de regeling

Intitulé

VERORDENING VOOR KAMERVERHUURPANDEN 2009

De raad van de gemeente Apeldoorn;

overwegende dat het noodzakelijk is om, met het oog op het behoud en de samenstelling van de

woonruimtevoorraad en de bescherming van het woon- en leefmilieu, de omzetting van woonruimte te regelen en/of een kamerverhuurpand te exploiteren;

gelezen het voorstel van het college d.d.15 december 2008, nr. 110-2008;

gelet op artikel 2 van de Huisvestingswet;

BESLUIT:

vast te stellen de navolgende Verordening voor kamerverhuurpanden.

HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    college: het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn;

  • b.

    eigenaar: degene die bevoegd is tot het in gebruik geven van woonruimte of een gebouw. Onder ‘eigenaar in de zin van het Burgerlijk Wetboek’ wordt in deze verordening en de daarop berustende bepalingen mede verstaan: de erfpachter, vruchtgebruiker, gerechtigde tot een appartementsrecht als bedoeld in artikel 106 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, of degene aan wie door een rechtspersoon het gebruiksrecht van een woonruimte is verleend;

  • c.

    huishouden: een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die een gemeenschappelijke huishouding voeren;

  • d.

    woonruimte: besloten ruimte die, al dan niet samen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden;

  • e.

    zelfstandige woonruimte: woonruimte die een eigen toegang heeft en die door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte;

  • f.

    kamerverhuurpand: gebouw of een deel van een gebouw met, of geschikt te maken voor drie of meer kamers, niet vallende onder het begrip logiesgebouw en/of logiesverblijf als bedoeld in het Bouwbesluit, welke kamers als hoofdverblijf apart zijn of kunnen worden bewoond door niet in het verband van een huishouden levende personen. Begeleid wonen wordt niet beschouwd als kamerverhuurpand;

  • g.

    onzelfstandige woonruimte: een verblijfsruimte die door de aard van de inrichting en gebruik, het privé-domein is van een bewoner die daarbij is aangewezen op het gebruik van gemeenschappelijke voorzieningen. Begeleid wonen valt niet onder deze definitie;

  • h.

    gemeenschappelijke voorzieningen: ruimten, opstelplaatsen, aansluitingen, installaties, apparatuur en dergelijke die gebruikt kunnen worden door de bewoners van drie of meer onzelfstandige woonruimtes;

  • i.

    omzetting: het omzetten van een zelfstandige woonruimte in een onzelfstandige woonruimte;

  • j.

    huurprijs: de prijs die bij huur en verhuur is verschuldigd voor het enkele gebruik van een woonruimte, uitgedrukt in een bedrag per maand;

  • k.

    bewoning: met bestemming tot bewoning wordt bedoeld dat men daar permanent woont en daar zijn hoofdverblijf heeft, zoals bedoeld in de Wet gemeentelijke basisadministratie;

  • l.

    omzettingsvergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 30, eerste lid, sub c, van de Huisvestingswet;

  • m.

    buurtindeling: de indeling volgens de CBS wijk- en buurtindeling van de gemeente Apeldoorn;

  • n.

    gebruiksoppervlaktemaat: de maat van de gebruiksoppervlakte als bedoeld in NEN 2580;

  • o.

    bijzonder woningcomplex: samengesteld geheel van tenminste drie zelfstandige en/of onzelfstandige woonruimtes;

  • p.

    buurt: deel van een wijk volgens de wijk- en buurtindeling van de gemeente Apeldoorn, laatstelijk vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 29 november 2001.

Artikel 1.2 Werkingsgebied

Het bepaalde in deze verordening is van toepassing op alle woonruimte in bestaande en nieuwe gebouwen in de gemeente Apeldoorn, met uitzondering van die gebieden binnen de gemeente Apeldoorn waar een bestemmingsplan geldt met een specifieke regeling voor kamerverhuur-panden.

HOOFDSTUK 2 Omzettingsvergunning

Artikel 2.1 Vergunningvereiste

Met het oog op het behoud en/of de samenstelling van de woonruimtevoorraad is het verboden om een zelfstandige woonruimte, gelegen in het in artikel 1.2 genoemde werkingsgebied, zonder vergunning van het college om te zetten in drie of meer onzelfstandige woonruimtes, dan wel zelfstandige woonruimte als kamerverhuurpand te exploiteren of te doen exploiteren.

Artikel 2.2 Aanvragen voor een omzettingsvergunning

  • 1. De aanvraag voor een omzettingsvergunning wordt door de eigenaar in drievoud ingediend bij het college op een door het college vastgesteld formulier.

  • 2. Bij de aanvraag worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

    • a.

      bewijs van eigendom van de woonruimte en, voor zover van toepassing, bewijs dat de aanvrager gerechtigd is tot de gevraagde omzetting;

    • b.

      een plattegrond van de bestaande situatie, voorzien van gebruiksoppervlaktematen;

    • c.

      een plattegrond van de gewijzigde situatie, voorzien van gebruiksoppervlaktematen, waarbij is aangegeven welke ruimten als afzonderlijke woonruimte zullen worden gebruikt.

  • 3. Het college is bevoegd om in het belang van het nemen van een beslissing op de aanvraag voor een omzettingsvergunning aanvullende gegevens en bescheiden te vragen.

  • 4. Aan de aanvrager wordt binnen een week na de datum van ontvangst van de aanvraag een ontvangstbevestiging gestuurd, waarin de datum van ontvangst is vermeld.

  • 5. Van de in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde bevoegdheid om de aanvraag wegens onvolledigheid niet te behandelen, kan slechts gebruik worden gemaakt, indien de aanvrager binnen 4 weken na de ontvangst van de aanvraag in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen. De door het college ingevolge dat artikel te stellen termijn bedraagt 4 weken.

  • 6. De beschikking wordt genomen binnen 12 weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.

  • 7. Het college verleent de gevraagde omzettingsvergunning voor een in de beschikking aan te geven maximale termijn, die niet langer kan zijn dan vijf jaar en na verloop van een periode van vijf jaar, met inachtneming van artikel 2.3 van deze verordening, op aanvraag telkens met een nieuwe periode van maximaal vijf jaar kan worden verlengd.

  • 8. Bij het verlopen van de in het vorige lid genoemde periode vervalt de omzettingsvergunning van rechtswege.

  • 9. In de omzettingsvergunning vermeldt het college de volgende informatie:

    • a.

      het adres van de woonruimte waarop de vergunning betrekking heeft;

    • b.

      de eigenaar van de woonruimte waarop de vergunning betrekking heeft;

    • c.

      de woonruimte waarop de vergunning betrekking heeft;

    • d.

      het aantal onzelfstandige woonruimten dat gecreëerd mag worden.

  • 10. Aan een omzettingsvergunning worden in ieder geval de volgende voorschriften verbonden:

    • a.

      onverminderd het bepaalde in de Woningwet mogen er geen ingrijpende verbouwingen worden uitgevoerd die de geschiktheid om als woonruimte te kunnen dienen aantasten;

    • b.

      de vergunninghouder stelt het college in kennis van de feitelijke beëindiging van het gebruik waarvoor de omzettingsvergunning is verleend.

  • 11. Een omzettingsvergunning is gebonden aan de woonruimte waarvoor die vergunning is verleend en kan op verzoek van de eigenaar of een rechtverkrijgende worden overgeschreven op naam van een ander dan degene op wiens naam de vergunning is gesteld.

Artikel 2.3 Gronden tot weigering van een omzettingsvergunning

  • 1. Het college weigert een vergunning, indien vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat verlening van de omzettingsvergunning leidt tot een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in het gebouw en in de omgeving van het gebouw. Hiervan is in ieder geval sprake indien:

    • a.

      meer dan 5% van de tot bewoning bestemde gebouwen in de buurten ‘Binnenstad’ en ‘De Haven’ en tenminste 1% van de tot bewoning bestemde gebouwen in de overige buurten volgens de CBS wijk- en buurtindeling van de gemeente Apeldoorn wordt gebruikt voor huisvesting als bedoeld in artikel 2.1, of

    • b.

      de aanvraag betrekking heeft op een pand dat, rondom dat pand gemeten vanaf de dichtstbijzijnde gevelwanden, is gelegen op minder dan vijftig meter van een geregistreerd kamerverhuurpand, rondom gemeten van gevel tot gevel,dan wel van een pand waarvoor een aanvraag tot registratie of omzettingsvergunning is ingediend.

  • 2. Het afstandscriterium zoals genoemd in het bepaalde als genoemd in het eerste lid, onder b, van dit artikel wordt niet toegepast in de buurten ‘Binnenstad’ en ‘De Haven’.

  • 3. Het college weigert een vergunning tevens, indien het beoogde gebruik in strijd is met het bepaalde in artikel 2.1, lid 1 onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 2.4 Bijzonder woningcomplex

Het college kan in afwijking van artikel 2.3 een omzettingsvergunning verlenen:

  • a.

    wanneer de aanvraag een bijzonder woningcomplex, als bedoeld onder artikel 1.1, onder o, betreft, en

  • b.

    de aanvraag alle ruimten van het bijzondere woningcomplex betreft.

Artikel 2.5 Intrekken van de omzettingsvergunning

  • 1. Het college kan de omzettingsvergunning intrekken indien:

    • a.

      de vergunning is verleend op grond van door de vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren;

    • b.

      de aan de vergunning verbonden voorwaarden en voorschriften niet worden nagekomen;

    • c.

      de vergunninghouder één jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning daarvan nog geen gebruik heeft gemaakt, of de woonruimte waarvoor de vergunning is verleend langer dan één jaar niet meer in gebruik is;

    • d.

      vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat handhaving van de vergunning zou leiden tot een verstoring van de openbare orde, veiligheid of gezondheid, dan wel een verstoring van een geordend woon- en leefmilieu van het gebouw waarop de vergunning betrekking heeft;

    • e.

      het aantal onzelfstandige woonruimten afwijkt van het in de aanvraag vermelde aantal.

  • 2. Het college gaat niet eerder tot intrekking van de vergunning over, voordat degene tegen wie het besluit tot intrekking wordt genomen bij aangetekende brief in kennis is gesteld dat het voornemens is, dat het de vergunning zal intrekken, indien voor een nader te bepalen datum niet zodanige maatregelen en/of voorzieningen zijn getroffen, dat alsnog aan de desbetreffende bepalingen van deze verordening wordt voldaan en hij/zij in de gelegenheid is gesteld zich door of namens het college te doen horen.

HOOFDSTUK 3 Verdere bepalingen

Artikel 3.1 Hardheidsclausule

Het college is bevoegd in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar zijn oordeel tot een bijzondere hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van de verordening.

Artikel 3.2 Strafbepaling

Hij of zij die handelt in strijd met het bepaalde in artikel 2.1 wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste vier maanden of geldboete van de derde categorie. De genoemde strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.

Artikel 3.3 Handhaving

  • 1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast de daartoe door het college aangewezen ambtenaren.

  • 2. Met de opsporing van de bij artikel 3.2 strafbaar gestelde feiten zijn, behalve de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering en de in artikel 75 van de Huisvestingswet aangewezen ambtenaren, belast de in het eerste lid genoemde ambtenaren, voor zover zij door de minister van justitie daartoe zijn aangewezen.

  • 3. De in het eerste lid genoemde ambtenaren hebben de bevoegdheden als genoemd in artikel 77 van de Huisvestingswet.

Artikel 3.4 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 22 mei 2009.

Artikel 3.5 Leges

Voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omzettingsvergunning zijn leges verschuldigd. De leges staan opgenomen in de op het moment van indiening geldende tarieventabel op basis van de Legesverordening van de gemeente Apeldoorn.

HOOFDSTUK 4 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 4.1 Overgangsbepalingen

  • 1. Het gebruik als kamerverhuurpand, zoals dat aantoonbaar bestond op 1 januari 2008, mag worden voortgezet, indien voor dit gebruik binnen drie maanden na inwerkingtreding van deze verordening een vergunning wordt aangevraagd als bedoeld in artikel 2.1 van deze verordening totdat op deze aanvraag is beslist.

  • 2. Wanneer in een gebied door inwerkingtreding van een bestemmingsplan een specifieke regeling voor kamerverhuurpanden vervalt, mag het gebruik als kamerverhuurpand worden voortgezet indien:

    a. dit gebruik aantoonbaar bestond op het moment van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan;

    b. dit gebruik in overeenstemming was met het bestemmingsplan, waarin een specifieke regeling voor kamerverhuurpanden was opgenomen en

    c. binnen drie maanden na inwerkingtreding van dit bestemmingsplan een vergunning wordt aangevraagd als bedoeld in artikel 2.1 van deze verordening

  • 3. Aan de eigenaar van een kamerverhuurpand als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt geacht een tijdelijke vergunning te zijn verleend vanaf het moment van inwerkingtreding van deze verordening respectievelijk het bestemmingsplan, totdat op de aanvraag is beslist.

  • 4. Op de aanvraag als bedoeld in het eerste en tweede lid is het bepaalde in artikel 2.3, eerste lid, onder a en b, niet van toepassing.

  • 5. Het bepaalde in artikel 2.3, eerste lid, onder a en b, is evenmin van toepassing op een aanvraag om verlenging van een omzettingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, zevende lid, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een kamerverhuurpand als bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 4.2 Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening voor kamerverhuurpanden’.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering d.d. 18 december 2008

Gepubliceerd in het Apeldoorns Stadsblad d.d. 29 april 2009

Inwerking getreden d.d. 22 mei 2009

Gewijzigd bij besluit d.d. 14 april 2011  (art. 2.2, zesde lid)

Gepubliceerd in het Apeldoorns Stadsblad d.d. 4 mei 2011

Inwerking getreden d.d. 12 mei 2011

Gewijzigd bij besluit d.d. 8 december 2011  (art. 2.3)

Gepubliceerd in het Apeldoorns Stadsblad d.d. 14 december 2011

Inwerking getreden d.d. 22 december 2011

Gewijzigd bij besluit d.d. 17 juli 2014 (art. 2.3 en 4.1)

Bekend gemaakt via officiele bekendmakingen 29 augustus 2014

Inwerking getreden d.d. 5 september 2014

TOELICHTING VERORDENING VOOR KAMERVERHUURPANDEN

ALGEMEEN

De verordening voor kamerverhuurpanden is voor een groot deel gebaseerd op de model Huisvestingsverordening van de VNG. Ook is gebruik gemaakt van soortgelijke verordeningen zoals die gelden in de gemeenten Groningen, Leeuwarden, Zwolle, Deventer en Rotterdam. De Verordening voor kamerverhuurpanden vindt haar oorsprong in de Huisvestingswet.

Deze toelichting is bedoeld om de kenbaarheid van de verordening te vergroten.

In hoofdstuk 1 staan de begripsbepalingen en het werkingsgebied van deze verordening. De begripsbepalingen zijn de bepalingen zoals die in deze verordening worden gebruikt.

Het werkingsgebied betreft het gehele grondgebied van de gemeente Apeldoorn met uitzondering van die gebieden waar een bestemmingsplan geldt met een specifieke regeling voor kamerverhuurpanden. Een van de aanbevelingen uit de "evaluatie verordening voor kamerverhuurpanden" uit 2012 is het beëindigen van de uitzonderingspositie van kamerverhuurpanden in deze bestemmingsplannen, waardoor de verordening voor het hele grondgebied van Apeldoorn gaat gelden.

De specifieke regeling voor kamerverhuur in bestemmingsplangebied De Parken is inmiddels vervallen. Op termijn gaat dit ook gebeuren voor het bestemmingsplangebied Loenen en Veldhuizen.

Hoofdstuk 2 (omzettingsvergunning) beoogt de concentratie van het aantal kamerverhuurpanden te reguleren. Doel van de regeling is te zorgen voor een spreiding van de kamerverhuurpanden, zodat door een redelijke geografische spreiding van de kamerverhuurpanden niet te veel druk op de leefbaarheid van bepaalde wijken, buurten en straten ontstaat.

Als leidend criterium is gekozen voor de wijk- en buurtindeling zoals die ook wordt toegepast in de systematiek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Door te kiezen voor regeling en registratie voor kamerverhuurpanden op buurtniveau wordt vooruitgelopen op de nieuwe verplichte basisregistratie Wet Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG) die naar verwachting medio 2009 in werking zal treden.

De regel dat niet meer dan 1% van de tot bewoning bestemde gebouwen (in de buurten ‘Binnenstad’ en ‘De Haven’ niet meer dan 5%) in een buurt in aanmerking komt voor een omzettingsvergunning en een afstand van minimaal vijftig/honderd meter tot een ander geregistreerd kamerverhuurpand moet worden aangehouden, voorkomt een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in een straat of buurt.

In hoofdstuk 3 (verdere bepalingen) staan de straf- en handhavingsbepalingen alsmede een hardheidsclausule. De hardheidsclausule biedt het college de mogelijkheid om in specifieke gevallen ten gunste van een aanvrager af te wijken van de verordening. Uiteraard dienen de belangen van derden-belanghebbenden daarbij niet uit het oog te worden verloren.

In hoofdstuk 4 staan de overgangs- en slotbepalingen. De overgangsbepaling (artikel 4.1) beschermt de rechten van bestaande kamerverhuurpanden. Dit zijn voor het grootste deel kamerverhuurpanden die al aanwezig waren ( op 1 januari 2008 ) voordat de verordening op 22 mei 2009 in werking trad.

Het overige deel zijn kamerverhuurpanden waarvoor in eerste instantie de verordening niet van toepassing was op grond van artikel 1.2 (werkingsgebied). Deze kamerverhuurpanden lagen in een gebied waarvoor in een bestemmingsplan een specifieke regeling voor kamerverhuur is opgenomen. Wanneer deze specifieke regeling in een nieuw bestemmingsplan vervalt, is de verordening vanaf dat moment van toepassing. Voor de al legaal aanwezige kamerverhuurpanden in zo’n gebied is in artikel 4.1 ook een overgangsregeling opgenomen.

Voor deze bestaande kamerverhuurpanden geldt ook een vergunningplicht op grond van de verordening. Hoofdstuk 2 “De Omzettingsvergunning” is op deze aanvragen - inclusief aanvragen tot verlenging - van overeenkomstige toepassing.

Omdat niet alle bestaande panden voldoen aan de afwegingscriteria met betrekking tot afstand en percentage zijn deze criteria (artikel 2.3, lid 1 onder a en b) niet van toepassing.

Dit biedt echter geen vrijbrief om eventueel door de bewoners van dit soort panden veroorzaakte overlast bij omwonenden te continueren. Om die reden zal (ook in dit soort situaties) een vergunning voor een periode van maximaal 5 jaar worden verleend. Door het vormen van een dossier kan, ingeval van overlast door de bewoners van een kamerverhuurpand, worden opgetreden tegen de eigenaar/exploitant van een kamerverhuurbedrijf.

ARTIKELGEWIJS

Artikel 1.1, onder e, zelfstandige woonruimte en artikel 1.1, onder g, onzelfstandige woonruimte.

Deze definities zijn opgenomen om een grens te kunnen trekken tussen (zelfstandige) woonruimte (die wél onder de werking van de verordening kan vallen) en voor inwoning bestemde woonruimte (die niet onder de werking van de verordening kan vallen). Het begrip zelfstandige woonruimte is hier gedefinieerd overeenkomstig de definitie zoals die staat in artikel 30, tweede lid, van de Huisvestingswet.

Artikel 1.1, onder f, kamerverhuurpand.

Kamerverhuurpanden komen in vele soorten en maten voor. Daarom gelden er voor kamer-verhuurpanden extra eisen. Het gaat daarbij om panden bestaande uit drie of meer kamers, niet vallende onder het begrip logiesgebouw en/of logiesverblijf als bedoeld in het Bouwbesluit. Deze kamerverhuurpanden worden of kunnen als hoofdverblijf apart bewoond worden. De bewoners leven dus niet in gezinsverband. Voor elke bewoner of groep van bewoners is sprake van een apart huurcontract, een onderhuur situatie of een andere civielrechtelijke overeenkomst dan wel onderlinge verhouding op grond waarvan de bewoner het exclusieve gebruiksrecht heeft van één of meerdere ruimten die het privé-domein zijn van één bewoner. De kamer is daardoor vergelijkbaar met een kleine woning. Bij het beoordelen van wat het privé-domein van een bewoner is, is met name de aard van het gebruik en de inrichting van de ruimten maatgevend. Meestal is sprake van een zit-slaap-situatie en meestal zullen de ruimten afsluitbaar zijn.

Voor een situatie waarin ouders een woning kopen voor hun studerende kinderen en hierin tevens kamers worden verhuurd aan derden, zal een vergunning volgens deze verordening moeten worden aangevraagd.

Begeleid wonen: een woonvorm waarbij de begeleiding van bewoners door externen plaatsvindt, zodat zelfstandig wonen mogelijk wordt of blijft, valt niet onder de definitie van kamerverhuurpanden of onzelfstandige woonruimte. Ook woongroepen vallen in principe niet onder de strekking van deze verordening, mits een dergelijke groep kan aantonen dat men een langdurige, gemeenschappelijke huishouding voert. Hospita-situaties vallen in principe niet onder deze verordening, tenzij er drie of meer kamers worden verhuurd

Artikel 1.1, onder m, ‘buurtindeling’ en onder p, ‘buurt.

De wijk- en buurtindeling van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is een historisch verklaarbare indeling waarbij is uitgegaan van de per wijk uiteenlopende economische of sociale structuur en het aantal woonkernen of buurtschappen. De wijken in Apeldoorn zijn per wijk onderverdeeld in buurten. Deze indeling, die regelmatig wordt geactualiseerd (laatstelijk bij raadsbesluit van 29 november 2001), geeft inzicht in de geografische verspreiding van de bevolking en is topografisch gericht. De buurtindeling is opvraagbaar bij gemeente Apeldoorn en raadpleegbaar via de gemeentelijk internetsite.

Het CBS zal in de toekomst voor haar statistische werkzaamheden basisgegevens putten uit de te vormen Basisregistratie Adressen en Gebouwen. De hiervoor inmiddels door het parlement vastgestelde Wet Basis Registraties Adressen en Gebouwen zal naar verwachting medio 2009 in werking treden.

Artikel 1.1’, onder o, bijzonder wooncomplex.

Hiermee wordt bedoeld een samengesteld geheel van tenminste drie woningen. Gedacht moet hierbij worden aan een gebouw waar meerdere kamers kunnen worden verhuurd. Hierbij valt te denken aan een flatgebouw of een oud, groot fabrieks- of kantoorcomplex, dat uitstekend geschikt te maken is voor studentenhuisvesting. Deze speciale bepaling is opgenomen omdat vanwege de concentratie van kamerverhuurpanden in een dergelijk gebouw niet voldaan zou kunnen worden aan de gestelde afstandscriteria, terwijl het pand zich uitstekend leent voor bijvoorbeeld studentenhuisvesting.

Het college kan hiermee in afwijking van het bepaalde in artikel 2.3 van de verordening een omzettingsvergunning verlenen als de aanvraag een woningcomplex betreft. Wanneer het college van mening is, dat er geen ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in een straat of buurt ontstaat, kan de omzettingsvergunning afgegeven worden.

Artikel 1.2 Werkingsgebied.

Uitgangspunt bij het maken van deze verordening is geweest om hem van toepassing te laten zijn in de gehele gemeente Apeldoorn. Hierbij is ervan uitgegaan dat de bestemming ‘woondoeleinden’ in ieder nieuw te maken bestemmingsplan wordt gebruikt. Binnen de bestemming ‘woondoeleinden’ is de vestiging van een kamerverhuurpand in principe mogelijk.

Bij het maken van het bestemmingsplan ‘De Parken’ is rekening gehouden met het bijzondere karakter van het gebied. Ter bescherming van dat bijzondere karakter is dit bestemmingsplan vastgesteld. Met de bescherming van dit bestemmingsplan is destijds vooruit gelopen op een toekomstige aanwijzing van dit gebied als rijksbeschermd stadsgezicht op grond van de Monumentenwet 1988. Deze aanwijzing heeft inmiddels plaatsgevonden.

In het bestemmingsplan ‘De Parken’ is een specifieke aanduiding op de plankaart opgenomen voor kamerverhuurbedrijven. Alleen op die locaties waar deze aanduiding staat aangegeven, mag een kamerverhuurbedrijf zich vestigen. Op andere locaties dan de daartoe specifiek aangeduide plaatsen is volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan vestiging van een kamerverhuur-bedrijf niet mogelijk. Een aparte regeling in de vorm van een verordening voor kamerverhuur-panden is voor dit gebied niet nodig. De bestaande regeling voorziet hier al in.

Artikel 2.1 Vergunningvereiste.

In dit artikel staat dat zelfstandige woonruimte niet mag worden omgezet in drie of meer onzelfstandige woonruimten of in een kamerverhuurpand (vanaf drie zelfstandige woonruimten), zonder dat daarvoor een vergunning als bedoeld in deze verordening is verleend.

Een zelfstandige woonruimte is een volledige woonvoorziening, terwijl er bij onzelfstandige woonruimte gemeenschappelijk gebruik van basisvoorzieningen zoals douche, toilet en/of keuken plaatsvindt. Kenmerkend voor onzelfstandige woonruimte is, dat het doorgaans niet over een eigen toegang beschikt. In een kamerverhuurpand zijn drie of meer kamers verhuurd. Deze kamers kunnen een zelfstandig karakter alsmede een onzelfstandig karakter hebben.

Artikel 2.2 Aanvragen van een omzettingsvergunning.

Hier staan voornamelijk indieningsvereisten en procedurebepalingen met betrekking tot een aanvraag om een omzettingsvergunning.

Gezien de belangen van bewoners van kamerverhuurpanden alsmede gelet op de belangen van omwonenden is in het zevende lid bepaald, dat een omzettingsvergunning wordt verleend voor een periode van maximaal vijf jaar. Hierdoor kan voldoende toezicht worden gehouden op een goede naleving van de geldende voorschriften zowel met betrekking tot de (brand)veiligheid, als met betrekking tot eventuele overlast veroorzaakt door de bewoners van een kamerverhuurpand en kunnen zonodig tijdig maatregelen worden getroffen.

Artikel 2.3 Gronden tot weigering van een omzettingsvergunning.

Dit is een vangnetbepaling. Uitgangspunt is een goed woon- en leefmilieu. Wat onder ‘de omgeving van een gebouw’ moet worden verstaan is arbitrair, een besluit moet natuurlijk gedragen worden door zijn motivering.

In artikel 2.3 staan de afwegingscriteria waaraan een aanvraag om een omzettingsvergunning wordt getoetst. Als een aanvraag niet aan deze afwegingscriteria voldoet, zal dit leiden tot het nemen van een weigeringsbesluit op de aanvraag om een omzettingsvergunning.

Een omzettingsvergunning kan altijd worden geweigerd als dat leidt tot ontoelaatbare inbreuk op het woon- en leefmilieu en bovendien automatisch als sprake is wat onder a of b wordt omschreven. M.a.w. er is sprake van twee zelfstandige afwegingscriteria.

Een omzettingsvergunning kan altijd worden geweigerd als dat leidt tot ontoelaatbare inbreuk op het woon- en leefmilieu en bovendien automatisch als sprake is wat onder a of b wordt omschreven. M.a.w. er is sprake van twee zelfstandige afwegingscriteria.

Een omzettingsvergunning wordt tevens geweigerd indien het beoogde gebruik in strijd is met het geldende bestemmingsplan, beheersverordening , exploitatieplan,inpassingsplan of voorbereidingsbesluit zoals genoemd in artikel 2.1, lid 1 onder c van de Wabo. In de Apeldoornse praktijk zal echter het bestemmingsplan veelal de geldende planologische regeling zijn waaraan een aanvraag voor een omzettingsvergunning wordt getoetst.

Indien een omzettingsvergunning slechts kan worden verleend na verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordt de aanvraag voor een omzettingsvergunning mede aangemerkt als een verzoek om zodanige omgevingsvergunning (afwijken van het bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan etc.).

De beslissing op een aanvraag voor een omzettingsvergunning wordt aangehouden, indien er geen gronden zijn de vergunning te weigeren, totdat op het verzoek om af te wijken van het geldende planologische regime is beslist.

Artikel 2.4 Bijzonder wooncomplex.

Zie toelichting bij artikel 1.1, onder o. Het gaat bij bijzondere wooncomplexen om een specifieke situatie die zich bij uitstek leent voor deze vorm van huisvesting, of speciaal daarvoor gecreëerd is. Juist deze bijzondere wooncomplexen zijn niet verenigbaar met de reguliere regeling in deze verordening. Om die reden is dit artikel in de verordening opgenomen.

Artikel 2.5 Intrekken van de omzettingsvergunning.

Onverminderd het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht biedt artikel 2.5 de mogelijkheid om een al verleende omzettingsvergunning weer in te trekken. De omstandigheden wanneer het college tot intrekking van een verleende omzettingsvergunning kan overgaan, staan genoemd in het eerste lid.

Hoofdstuk 3 Verdere bepalingen.

In dit hoofdstuk staan de gebruikelijke bepalingen om een gemeentelijke verordening te handhaven. Ook is de datum van het in werking treden van deze verordening bepaald.

Artikel 3.1 is een vangnetbepaling. Met behulp van deze bepaling kan de gemeente wellicht een oplossing bieden in toekomstige probleemsituaties waarin deze regeling wellicht niet voorziet).

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotbepalingen.

In de eerste twee leden van artikel 4.1 staat wanneer het gebruik van een bestaand kamerverhuurpand mag worden voortgezet .

Op grond van het eerste lid mag dit als kan worden aangetoond dat dit pand op 1 januari 2008 al als kamerverhuurpand in gebruik was en hiervoor binnen 3 maanden na inwerkingtreding van de verordening op 22 mei 2009 een aanvraag is ingediend tot het moment dat op deze aanvraag is beslist.

Op grond van het tweede lid mag dit als het om een kamerverhuurpand gaat waarvoor in eerste instantie de verordening niet van toepassing was op grond van artikel 1.2., maar waar door het vervallen van een specifieke regeling in het bestemmingsplan de verordening gaat gelden. Het gebruik van kamerverhuurpanden waarvan kan worden aangetoond dat ze legaal aanwezig waren ten tijde van inwerkingtreding van een dergelijk bestemmingsplan mogen worden voortgezet als binnen 3 maanden na inwerkingtreding een aanvraag wordt ingediend tot het moment dat op deze aanvraag is beslist. Met legaal aanwezig wordt bedoeld in overeenstemming met het bestemmingsplan, inclusief het overgangsrecht van dat plan, waarin nog een specifieke regeling voor kamerverhuur was opgenomen.

Het derde lid zorgt ervoor dat tussen het moment van inwerkingtreding van de verordening (eerste lid) dan wel het bestemmingsplan waarin niet langer een specifieke regeling voor kamerverhuur is opgenomen (tweede lid) en de beslissing op de aanvraag geen overtreding plaatsvindt van het verbod om zonder vergunning voor kamerverhuur een kamerverhuurpand te exploiteren (in artikel 2.1).

In het vierde en vijfde lid staat dat voor aanvragen en verlengingsaanvragen op grond van de overgangsbepaling de verordening van overeenkomstige toepassing is met uitzondering van de afwegingscriteria met betrekking tot afstand en het percentage genoemd in artikel 2.3, lid 1 onder a en b . Wel wordt een aanvraag op grond van de overgangsbepaling dus getoetst aan het criterium “ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu”. Wanneer aantoonbaar sprake is van overlast kan een vergunning om grond hiervan worden geweigerd. Ook wordt een vergunning op grond van de overgangsbepaling voor maximaal 5 jaar verleend.

Deze kamerverhuurpanden moeten tevens voldoen aan de geldende (brand)veiligheidseisen zoals die zijn vastgelegd in het Bouwbesluit 2012.