Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Gemeente Arnhem

Regeling secundaire voorzieningen voor raadsleden

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente Arnhem
Officiële naam regelingRegeling secundaire voorzieningen voor raadsleden
CiteertitelGriffie - Regeling secundaire voorzieningen voor raadsleden
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpbestuur en recht
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Regeling oorspronkelijk vastgesteld bij raadsbesluit van 28 maart 1994.

Gewijzigd op 05 september 1994.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Gemeentewet, art. 64f
  2. KB 01 november 1993 (Stbl. 584)

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

04-06-2002nieuwe regeling

03-06-2002

Arnhemse Koerier 13-06-2002

B&W 05-2002

Tekst van de regeling

Artikel 1 Uitkering

Het raadslid, dat ophoudt raadslid te zijn, heeft met ingang van de dag van aftreden recht op een uitkering, voor zover hij/zij alsdan niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en voor zover geen gelijktijdig recht bestaat op toepassing van de Uitkerings- en Pensioenverordening voor wethouders van de gemeente Arnhem.

Artikel 2 Hoogte en duur uitkering

1.De duur van de uitkering bedraagt 1,5 maand per vol jaar als raadslid met een maximumuitkeringsduur van twee jaar.

Tijd, die ligt voor een onderbreking, wordt niet betrokken bij de berekening van de duur van de uitkering.

  • 2.

    De uitkering vangt aan op de dag, volgend op die waarop het raadslidmaatschap is beëindigd.

  • 3.

    De uitkering bedraagt gedurende de eerste acht maanden 80%, gedurende de volgende acht maanden 70% en vervolgens 60% van de laatstelijk genoten tegemoetkoming voor werkzaamheden van raadsleden. Deze tegemoetkoming wordt aangepast overeenkomstig de voor raadsleden geldende indexering.

Artikel 3 Voortzetting uitkering bij aftreden als gevolg van invaliditeit

  • 1. Het raadslid dat genoodzaakt is het raadslidmaatschap te beëindigen als gevolg van invaliditeit, heeft na afloop van uitkering als bedoeld in artikel 2, lid 1 recht op een voortgezette uitkering voor de duur van de invaliditeit, doch voor niet langer dan twee jaar.

  • 2. De voortgezette uitkering bedraagt gedurende het eerste jaar 50% en gedurende het tweede jaar 40% van de laatstelijk genoten tegemoetkoming voor werkzaamheden van raadsleden. Deze tegemoetkoming wordt aangepast overeenkomstig de voor raadsleden geldende indexering.

  • 3. Burgemeester en wethouders kunnen een raadslid dat als gevolg van invaliditeit het raadslidmaatschap niet meer kan uitoefenen, verplichten zich aan een medisch onderzoek te onderwerpen ter beantwoording van de vraag of verband bestaat tussen de invaliditeit en het niet meer in staat zijn tot het verrichten van de werkzaamheden als raadslid.

Artikel 4 Korting wegens inkomsten

De inkomsten die het afgetreden raadslid geniet, worden met de (voortgezette) uitkering verrekend over de maand, waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben. Artikel 5 van de Uitkerings- en pensioenverordening voor wethouders van de gemeente Arnhem is daarbij van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5 Toekenning uitkering

  • 1. De uitkering wordt toegekend op schriftelijk verzoek van het afgetreden raadslid aan burgemeester en wethouders.

  • 2. Indien een schriftelijk verzoek om uitkering niet binnen één jaar na de mogelijke ingangsdatum daarvan is ingediend, vervalt het recht op uitkering.

  • 3. De uitkering wordt uitbetaald in maandelijkse termijnen.

Artikel 6 Afkoop uitkering

In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders op verzoek van het afgetreden raadslid een regeling met hem/haar treffen, waarbij de uitkering geheel of ten dele wordt vervangen door een afkoopsom.

Artikel 7 Einde uitkering

De uitkering eindigt:

  • a.

    met ingang van de dag, volgende op die, waarop het afgetreden raadslid is overleden;

  • b.

    met ingang van de dag, waarop het afgetreden raadslid de leeftijd van 65 jaar bereikt.

Artikel 8 Schorsing uitkering

  • 1. Burgemeester en wethouders kunnen de betaling van de uitkering schorsen, indien en voor zolang het afgetreden raadslid niet de mededeling of opgave doet als bedoeld in artikel 5, lid 7 van de Uitkerings- en pensioenverordening voor wethouders van de gemeente Arnhem.

  • 2. Indien de in het vorige lid bedoelde verplichting alsnog wordt nagekomen, wordt de uitkering over de tijd van schoring alsnog uitbetaald.

Artikel 9 Ouderdomspensioen en overlijdensuitkering

  • 1. Burgemeester en wethouders sluiten ten behoeve van de leden van de raad één of meer collectieve verzekeringen af, waarbij wordt voorzien in de opbouw van een ouderdomspensioen - tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd - en in geldelijke voorzieningen bij overlijden conform artikel 5 van het Rechtspositiebesluit wethouders van 22 maart 1994.

  • 2. De geldelijke voorzieningen bij overlijden, als bedoeld in het eerste lid, is ook van toepassing bij overlijden van een gewezen-raadslid tijdens een periode, gedurende welke een uitkering of pensioen krachtens deze regeling wordt ontvangen.

Artikel 10 Politieke molestverzekering

Burgmeester en wethouders sluiten ten behoeve van de leden van de raad een collectieve verzekering af voor politieke molestrisico's.

Artikel 10a

Het raadslid dat gekozen heeft voor het pseudo-werknemerschap in de zin van de Wet op de Loonbelasting, kan deelnemen aan de voor het personeel van de gemeente Arnhem geldende pc-privé-regeling.

Artikel 11 Hardheidsclausule

Burgemeester en wethouders kunnen in gevallen, waarin deze verordening niet of niet in redelijk voorziet een bijzondere voorziening treffen binnen de kaders van het KB van 1 november 1993, staatsblad 1993-584.

Artikel 12 Slotbepalingen

  • 1. Deze verordening heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 1991.

  • 2. Zodra de op de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers gebaseerde voorzieningen van kracht worden op raadsleden, vervallen de voorzieningen in deze verordening. Inmiddels ingegane aanspraken worden in dat geval vergolden voor zover die de voorzieningen krachtens genoemde wet te boven gaan.

  • 3. Deze verordening kan worden aangehaald als de "Regeling secundaire voorzieningen voor raadsleden".