Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Assen

Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2015

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieAssen
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2015
CiteertitelVerordening parkeerbelasting 2015
Vastgesteld doorGemeenteraad
Onderwerpruimtelijke ordening, verkeer en vervoer
Eigen onderwerpverkeer en vervoer

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Artikel 225, Gemeentewet
  2. Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2014

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

NVT

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

10-10-2016Wijziging i.v.m. invoering digitaal vergunningparkeren

06-10-2016

Gemeenteblad, 21 november 2016

R 00580
27-03-201510-10-2016Nieuwe regeling

05-03-2015

Gemeenteblad, 26-03-2015

2015-R00096

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2015

De raad van de gemeente Assen;

Gelet op artikel 225 van de Gemeentewet en de Verordening op de heffing en invordering parkeerbelastingen 2014

b e s l u i t:

vast te stellen de volgende:

Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2015

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;

  • b.

    motorvoertuigen: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990 met inbegrip van brommobielen, zoals bedoeld in artikel 1 onder ia van het RVV 1990;

  • c.

    houder: degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren was ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens;

  • d.

    parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten, met inbegrip van verzamelparkeermeters, centrale computer, en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan;

  • e.

    Zone 01: het gebied Vaart NZ (het gedeelte tussen de Kolk en het Kanaal), Kanaal (het gedeelte tussen Weiersstraat en Vaart NZ), Alteveerstraat ZZ vanaf 29 tot Het Kanaal en Alteveerstraat NZ vanaf 41 tot Het Kanaal, Burgemeester Agterstraat en Weiersstraat (westzijde tussen Alteveerstraat en het Kanaal);

  • f.

    Zone 02: het gebied Vaart ZZ (tussen Gymnasiumstraat en Vaart ZZ huisnummer 149), Gymnasiumstraat, Emmastraat, Prinses Irenestraat, Nassaulaan, Hertenkamp, Van der Feltzpark en Beilerstraat (tussen Kerkplein en Hertenkamp);

  • g.

    Zone 03: het gebied: Zuidhaege, Oosterhoutstraat, Wilhelminastraat, Prinses Beatrixstraat, Prinses Beatrixhof, Prins Clausplantsoen, Esstraat, Parkstraat, Parkplein, Burgemeester Gratamastraat, Bosstraat, Burgemeester Jollesstraat, Beilerstraat (tussen Port Natalweg en Van der Feltzpark) Plataanweg, Vogelkerslaan, Meidoornlaan, Kastanjelaan, Iepenlaan, Gouverneur Hofstedelaan en Port Natalweg;

  • h.

    Zone 04: het gebied: Doevenkamp, Oranjestraat, Julianastraat, Prins Hendrikstraat en Hendrik de Ruiterstraat, Rolderstraat zuidzijde (gedeelte tussen Hendrik de Ruiterstraat en de Javastraat), Stationsstraat noordzijde thv pand Stationsstraat 27-35, Overcingellaan (deel Julianastraat – Stationsstraat);;

  • i.

    Zone 05: het gebied: Mr. P.J. Troelstralaan (tussen Vaart NZ en Nobellaan), Het Kanaal (tussen de Vaart NZ en de Nobellaan), Einsteinlaan, Sluisstraat, Vaart NZ (tussen Het Kanaal en Mr. P.J. Troelstralaan), Nobellaan (oneven nummers, tussen Het Kanaal en Mr. P.J. Troelstralaan);

  • j.

    Zone 06: het gebied: Het Kanaal (tussen de Nobellaan en Groningerstraat), Mr. P.J. Troelstralaan (tussen Nobellaan en Groningerstraat), Nobellaan (tussen Het Kanaal en Mr. Thorbeckelaan), Mr. P.J. Troelstralaan (tussen Nobellaan en Groningerstraat) Nansenstraat, Venestraat (tussen Het Kanaal en Thorbeckelaan) Dr. Schaepmanstraat, Prins Bernhardstraat, Mr. S. van Houtenstraat, J.H.A. Schaperstraat, Ingenieur J.W. Albardastraat, Doctor A. Kuyperstraat, Doctor H. Colijnstraat, Mr. Groen van Prinstererlaan (tussen Het Kanaal en Thorbeckelaan), Einthovenstraat, Schweitzerstraat, Molenstraat (tussen Het Kanaal en de Thorbeckelaan), Nobellaan (even nummers, tussen Het Kanaal en Thorbeckelaan).

  • k.

    Zone 07: het gebied: Het Kanaal (tussen Groningerstraat en Industrieweg), Anne de Vriesstraat, Jacob Catslaan, Huygensstraat, Bilderdijk Plantsoen, Vondellaan, Groningerstraat (tussen Het Kanaal en Fokkerstraat/Thorbeckelaan);

  • l.

    zone 8: Paul Krugerstraat tussen de Rolderstraat en de Nijlandstraat, Nijlandstraat tussen Jan Fabriciusstraat en de Paul Krugerstraat, Kloekhorsstraat tussen Jan Fabriciusstraat en de Paul Krugerstraat.

  • m.

    Zone Oost: het gebied Assen Oost tussen de spoorlijn-Rolderhoofdweg-Pelikaanstraat;

Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam "parkeerbelastingen" worden de volgende belastingen geheven:

  • a.

    een belasting ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op en bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze;

  • b.

    een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een motorvoertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.

Artikel 3 Belastingplicht

  • 1.

    De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven van de degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd.

  • 2.

    Als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt mede aangemerkt:

    • a)

      degene die de belasting voldoet, dan wel te kennen geeft of heeft gegeven de belasting te willen voldoen;

    • b)

      zolang geen voldoening van de belasting genoemd in artikel 2, onderdeel a, heeft plaatsgevonden: de houder van het motorvoertuig, met dien verstande dat

      • ·

        1e als een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder van het motorvoertuig was, niet de houder maar de huurder wordt aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd;

      • ·

        2e als blijkt dat een ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven, die ander wordt aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd.

  • 3.

    De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt niet geheven van degene die op de voet van het tweede lid, onderdeel b, als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt aangemerkt, als deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het motorvoertuig heeft gebruik gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen.

  • 4.

    De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven van degene die de vergunning heeft aangevraagd en tevens kentekenhouder is.

Artikel 4 Vrijstelling

De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt niet geheven van gehandicapten die parkeren met gebruikmaking van een landelijke gehandicaptenparkeerkaart.

Artikel 5 Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak

De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel.

Artikel 6 Wijze van heffing

  • 1.

    De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte, en wel door middel van het, bij aanvang van het parkeren, op de door het college van burgemeester en wethouders voorgeschreven wijze betalen van geld met behulp van parkeerapparatuur en/of door middel van het al dan niet elektronisch in werking stellen van parkeerapparatuur. Van de verschuldigde belasting per tijdseenheid wordt op of via de parkeerapparatuur of in de daarbij geleverde gebruiksaanwijzing kennisgegeven. Ten aanzien van het hier voorafgaande bepaalde moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen één maand na het einde van het parkeren, indien het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een telefoon of ander communicatiemiddel inloggen op de centrale computer.

    • 2.

      De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. Voldoening via een daartoe afgegeven machtiging tot automatische incasso wordt met betalen gelijkgesteld.

    • 3.

      Indien de belastingplicht met betrekking tot de belasting als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, in de loop van het jaar waarvoor de vergunning is verleend, eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing over zoveel volle kalendermaanden als er in die periode na het tijdstip van de beëindiging van de belastingplicht nog resteren.

    • 4.

      Voor de ontheffing genoemd in het derde lid geldt dat geen teruggave plaatsvindt bij bedragen minder dan € 50,-.

    • 5.

      De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op het gestelde in dit artikel.

Artikel 7 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

    • 1.

      De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren, tenzij het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een telefoon of webbrowser inloggen op de centrale computer.

    • 2.

      De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.

    • 3.

      Indien de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, een jaartarief betreft en de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel volle maanden als er na het ontstaan van de belastingplicht in het jaar overblijven. Eindigt de belastingplicht van een jaartarief in de loop van het belastingjaar dan wordt ontheffing verleend over het aantal volle maanden dat in het jaar resteert na de beëindiging van de belastingplicht.

    • 4.

      Voor de ontheffing genoemd in het derde lid geldt dat geen teruggave plaatsvindt bij bedragen minder dan € 50,-.

Artikel 8 Wijze van heffing en termijnen van betaling

  • 1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald bij de aanvang van het parkeren.

    2. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen een maand na het einde van het parkeren, als het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een telefoon of via (een webbrowser) via internet inloggen op de centrale computer.

    3. Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald.

     

Artikel 9 Bevoegdheid tot aanwijzing parkeerplaatsen

De aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, mag worden geparkeerd geschiedt in alle gevallen door het college bij openbaar te maken besluit.

Artikel 10 Kosten

De kosten van de naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, bedragen € 58,00.

Artikel 11 Kwijtschelding

Bij de invordering van de parkeerbelastingen wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 12 Nadere regels

Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de parkeerbelasting.

Artikel 13 Inwerkingtreding, Overgangsbepaling en Citeertitel

  • 1.

    De "Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelasting 2014" van 6 november 2014, sindsdien gewijzigd wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2.

    Collegebesluiten die zijn genomen krachtens de in het vorige lid genoemde verordening worden geacht te berusten op deze verordening.

  • 3.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van bekendmaking.

  • 4.

    De tarieven bedoeld in Hoofdstuk I en II van de tarieventabel met het jaartal 2015 gelden vanaf 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 en worden geheven met ingang van 1 januari 2015.

  • 5.

    De in deze hoofdstukken genoemde tarieven met het jaartal 2016 gelden vanaf 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 en worden geheven met ingang van 1 januari 2016.

  • 6.

    De in deze hoofdstukken genoemde tarieven met het jaartal 2017 gelden vanaf 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 en worden geheven met ingang van 1 januari 2017.

  • 7.

    De in deze hoofdstukken genoemde tarieven met het jaartal 2018 gelden vanaf 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 en worden geheven met ingang van 1 januari 2018.

  • 8.

    Deze verordening wordt aangehaald als "Verordening parkeerbelastingen 2015".

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 5 maart 2015

De raad voornoemd,

M.L.J. Out, voorzitter

Mevrouw I. Rozema, griffier