Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Barendrecht

Verordening op de heffing en de invordering van staangeld op het woonwagencentrum 2020

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieBarendrecht
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening op de heffing en de invordering van staangeld op het woonwagencentrum 2020
CiteertitelVerordening Staangeld Woonwagencentrum 2020
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet
  2. artikel 156, tweede lid, van de Gemeentewet
  3. artikel 229, eerste lid, van de Gemeentewet
Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-2020Nieuwe regeling

17-12-2019

gmb-2019-314192

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening op de heffing en de invordering van staangeld op het woonwagencentrum 2020

De raad van de gemeente Barendrecht;

 

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 november 2019;

 

gelet op artikel 156, eerste en tweede lid, onderdeel h, en artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdeel a en b, van de Gemeentewet;

 

gezien het advies van de commissie Planning en Control van 25 november 2019;

BESLUIT:

vast te stellen de volgende verordening:

 

OP DE HEFFING EN DE INVORDERING VAN STAANGELD OP HET WOONWAGENCENTRUM 2020

Artikel 1. Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • -

    huurovereenkomst: de overeenkomst tussen de huurder en de verhuurder van de standplaats met toebehoren, waarin de huurbepalingen voor de standplaats zijn geregeld;

  • -

    standplaats: een standplaats als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, van de Wet op de huurtoeslag;

  • -

    woonwagen: een woonwagen als bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van de Wet op de huurtoeslag.

Artikel 2. Belastbaar feit

Onder de naam ‘staangeld’ wordt een recht geheven voor het hebben van een standplaats voor een woonwagen, daaronder begrepen de diensten die met de standplaats verband houden.

Artikel 3. Belastingplicht

Het recht als bedoeld in artikel 2 wordt geheven van degene die de standplaats heeft. Als degene die de standplaats heeft wordt aangemerkt de hoofdbewoner van de woonwagen. Wie als hoofdbewoner wordt aangemerkt wordt naar de omstandigheden beoordeeld.

Artikel 4. Vrijstelling

Het recht als bedoeld in artikel 2 wordt niet geheven zolang voor de standplaats een huurovereenkomst geldt.

Artikel 5. Belastingtarieven

Het recht als bedoeld in artikel 2 wordt geheven naar de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

Artikel 6. Belastingtijdvak

Het belastingtijdvak is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 7. Wijze van heffing

Het recht wordt geheven door middel van een kennisgeving of nota.

Artikel 8. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

  • 1.

    Het recht als bedoeld in artikel 2 is verschuldigd bij het begin van het belastingtijdvak of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

  • 2.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt, dan wel de vrijstelling genoemd in artikel 4 vervalt, is het recht verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat tijdvak verschuldigde recht als er in dat belastingtijdvak, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 3.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, dan wel de vrijstelling genoemd in artikel 4 van toepassing wordt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat belastingtijdvak verschuldigde recht als er in dat belastingtijdvak, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 9,--.

  • 4.

    Belastingbedragen van minder dan € 9,-- worden niet geheven.

Artikel 9. Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen c.q. nota’s worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er, met inbegrip van de maand van dagtekening van het aanslagbiljet, nog maanden in het belastingtijdvak overblijven. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van de aanslag, kennisgeving of nota en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

  • 2.

    In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt ingeval van dagtekening van de aanslag, kennisgeving of nota na het einde van het belastingtijdvak dat de aanslag, kennisgeving of nota moet worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de eerste maand volgend op de maand die in de dagtekening van de aanslag, kennisgeving of nota is vermeld.

  • 3.

    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 10. Kwijtschelding

Bij de invordering van staangeld wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 11. Machtiging tot overdracht van bevoegdheden

Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd tot het wijzigen van de tarieven die zijn opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    De ‘'Verordening staangeld woonwagencentrum Barendrecht 2019', laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 18 december 2018 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2.

    Indien de datum van inwerkingtreding van deze verordening ligt na de in het derde lid, genoemde datum van ingang van de heffing, blijft de in het eerste lid genoemde verordening gelden voor de in de tussenliggende periode plaatsvindende belastbare feiten voor zover de heffing van de rechten hiervoor in die periode plaatsvindt.

  • 3.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2020.

  • 4.

    Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening Staangeld Woonwagencentrum 2020'.

 

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 17 december 2019.

De griffier,

mw. mr. G.E.Figge

De voorzitter,

drs. J. vanBelzen

TARIEVENTABEL STAANGELD WOONWAGENCENTRUM 2020, BEHORENDE BIJ DE VERORDENING OP DE HEFFING EN DE INVORDERING VAN STAANGELD OP HET WOONWAGENCENTRUM 2020

 

  • 1.

    Tarieven

     

     

    2020

    1

    Het staangeld bedraagt per woonwagen per jaar

    € 585,10

     

    bedrag per maand

    € 48,70

     

     

     

    2

    Indien een berging/doucheruimte ontbreekt,

     

     

    bedraagt het staangeld per woonwagen per jaar

    € 303,90

     

    bedrag per maand

    € 25,40

  • 2.

    Inwerkingtreding

    • a.

      De datum van inwerkingtreding van deze tarieventabel is 1 januari 2020, of, indien dit later is, met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

    • b.

      De "tarieventabel staangeld woonwagencentrum 2019" wordt ingetrokken met ingang 1 januari 2020, met dien verstande dat zij van toepassing blijft voor gebruiksfeiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

    • c.

      Deze tarievenlijst wordt aangehaald als "tarieventabel staangeld woonwagencentrum 2020".

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 17 december 2019.

De griffier,

mw. mr. G.E.Figge

De voorzitter,

drs. J. vanBelzen