Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Bodegraven-Reeuwijk

Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk houdende nadere regels en beleidsregels ter uitvoering van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Bodegraven-Reeuwijk 2017 en de Verordening jeugdhulp Bodegraven-Reeuwijk 2015 (Nadere regels en beleidsregels sociaal domein 2019)

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieBodegraven-Reeuwijk
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingBesluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk houdende nadere regels en beleidsregels ter uitvoering van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Bodegraven-Reeuwijk 2017 en de Verordening jeugdhulp Bodegraven-Reeuwijk 2015 (Nadere regels en beleidsregels sociaal domein 2019)
CiteertitelNadere regels en beleidsregels sociaal domein 2019
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerpmaatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/Bodegraven-Reeuwijk/CVDR456301/CVDR456301_2.html
  2. http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/Bodegraven-Reeuwijk/CVDR350890/CVDR350890_1.html

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

25-03-2019Art. 11

05-02-2019

gmb-2019-60074

07-03-201901-01-201925-03-2019Nieuwe regeling

05-02-2019

gmb-2019-51736

Tekst van de regeling

Intitulé

Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk houdende nadere regels en beleidsregels ter uitvoering van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Bodegraven-Reeuwijk 2017 en de Verordening jeugdhulp Bodegraven-Reeuwijk 2015 (Nadere regels en beleidsregels sociaal domein 2019)

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk;

 

overwegende, dat zij op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Bodegraven-Reeuwijk 2017 en de Verordening jeugdhulp Bodegraven-Reeuwijk 2017 nadere regels kunnen vaststellen over de in die verordeningen met name genoemde onderwerpen;

 

dat een bestuursorgaan op grond van artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht beleidsregels kan vaststellen met betrekking tot een hem toekomende bevoegdheid;

 

gelet op de artikelen 7, vierde lid, aanhef en onder j, 8a vierde lid, 12 en 13 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Bodegraven-Reeuwijk 2017 en de artikelen 2, derde lid en 8, tweede en derde lid, van de Verordening Jeugdhulp Bodegraven-Reeuwijk 2015;

 

gelet op Titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht;

 

besluit:

 

vast te stellen de volgende

 

Nadere regels en beleidsregels sociaal domein 2019

Artikel 1. Begripsbepalingen
  • a.

    Sociaal netwerk: Tot het sociaal netwerk behoren personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de inwoner met een persoonsgebonden budget een sociale relatie onderhoudt, hiertoe worden gerekend familileden, huisgenoten, echtgenoot of voormalige echtgenoot of mantelzorgers dan wel personen met wie de cliënt regelmatig contacten onderhoudt, zoals bijvoorbeeld buren en medeleden van een vereniging.

  • b.

    VAR wuo: Verklaring arbeidsrelatie, winst uit onderneming, een document van de Belastingdienst.

  • c.

    Zorgovereenkomst: overeenkomst waarin afspraken tussen ondersteuner en/of zorgverlener en de inwoner met een persoonsgebonden budget worden vastgelegd volgens het model van de Sociale Verzekeringsbank dan wel diens rechtopvolger.

  • d.

    Declarabel uur: Alleen direct cliëntgebonden uren zijn declarabel. Hieronder wordt verstaan uren besteed aan werkzaamheden in direct contact met de budgethouder en die bestaan uit werkzaamheden zoals omschreven in het ondersteuningsplan. Onder "direct contact" wordt verstaan persoonlijk of telefonisch contact of schriftelijk contact (inclusief e-mail). De kosten van indirect cliëntgebonden en niet cliëntgebonden uren zijn opgenomen in het uurtarief.

  • e.

    Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

  • f.

    Ondersteuner: de persoon die ondersteuning, zorg en/of hulp verleent aan de inwoner met een persoonsgebonden budget.

  • g.

    Ondersteuning: ondersteuning die wordt geboden op grond van de Wmo.

  • h.

    Jeugdhulp: zorg en/of hulp die wordt geboden op grond van de Jeugdwet.

Artikel 2. Inzet persoonsgebonden budget
  • 1.

    Een persoonsgebonden budget kan worden ingezet voor de vormen van ondersteuning en/of jeugdhulp die door beroepskrachten worden uitgevoerd, tenzij dit in de Wmo en/of Jeugdwet is uitgesloten.

  • 2.

    Indien de ondersteuning en/of de jeugdhulp door een persoon uit het sociale netwerk wordt verleend zijn de ondersteuning en/of jeugdhulp beperkt tot die activiteiten die de gebruikelijke zorg overstijgen.

  • 3.

    De kosten van tussenpersonen of belangenbehartigers, bemiddeling, administratie, lidmaatschappen, verlofdagen en feestdagenuitkering komen niet in aanmerking voor vergoeding uit het persoonsgebonden budget.

  • 4.

    Kosten voor woon- werkverkeer voor de ondersteuner, zorg- en of hulpverlener voor ondersteuning, zorg en/of hulp op de woonlocatie van de inwoner met een persoonsgebonden budget zijn in het toegekende tarief inbegrepen en kunnen vanuit het verstrekte budget via de Sociale Verzekeringsbank, of diens rechtsopvolger, worden gedeclareerd.

  • 5.

    Op het persoonsgebonden budget is geen verantwoordingsvrij bedrag van toepassing.

Artikel 3. Verplichtingen persoonsgebonden budget

  • 1.

    Bij de aanvraag wordt een plan overlegd over de besteding van het persoonsgebonden budget en hoe deze toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede ondersteuning en/of jeugdhulp in te kopen. In dit plan worden de volgende zaken vastgelegd:

    • a.

      reden waarom een persoonsgebonden budget wordt gewenst (Wmo) dan wel waarom een verstrekking in natura niet passend is (Jeugdwet);

    • b.

      korte situatieschets;

    • c.

      doelen;

    • d.

      inhoud van de ondersteuning en/of jeugdhulp;

    • e.

      soort en omvang van de ondersteuning en/of jeugdhulp;

    • f.

      de ondersteuner, hulpverlener en/of zorgverlener die diensten verleent binnen de Jeugdwet en niet verbonden is aan een professionele organisatie dient een verklaring omtrent gedrag (VOG) te overleggen waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van de functie, dat hij ingezetene is van Nederland en dat hij beschikt over een burgerservicenummer (BSN).

  • 2.

    Indien er sprake is van ondersteuning en/of jeugdhulp door een persoon uit het sociaal netwerk dient uit het plan zoals bedoeld in lid 1 te blijken dat deze in staat is de gevraagde ondersteuning en/of jeugdhulp gedurende de afgesproken periode te leveren en hoe, indien nodig, vervanging geregeld is bij vakantie of ziekte. Tevens dient deze persoon daarin aan te geven dat de ondersteuning en/of jeugdhulp aan de belanghebbende voor hem niet tot overbelasting leidt.

  • 3.

    Indien binnen drie maanden na toekenning het persoonsgebonden budget niet wordt ingezet wordt het besluit tot toekenning ingetrokken tenzij voor het niet inzetten van het toegekende budget gegronde redenen zijn.

  • 4.

    Voor het uitbetalen van een persoonsgebonden budget gelden de voorwaarden die de Sociale Verzekeringsbank, of diens rechtsopvolger, stelt aan de betaling van een persoonsgebonden budget.

Artikel 4. Verplichtingen budget hulpmiddelen of woningaanpassing

Bij het verlenen van een persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen of woningaanpassing gelden de volgende verplichtingen:

  • 1.

    de voorziening moet voldoen aan het programma van eisen dat is opgesteld door de gemeente en, indien van toepassing, aan het Kwaliteiten Bruikbaarheids Onderzoek van Hulpmidden keurmerk en/of komt voor op de lijsten van het TNO-keurmerk dan wel een gelijkwaardig keurmerk goedgekeurde hulpmiddelen;

  • 2.

    in geval van een rolstoel- of vervoersmiddel wordt de voorziening ingekocht bij een leverancier die erkend is volgens de Erkenningsregeling Revalidatietechnisch Bedrijf en voldoet deze aan de eisen van de Revakeur;

  • 3.

    de cliënt overlegt ten behoeve van de uitbetaling van het persoonsgebonden budget een originele nota waaruit de kosten blijken;

  • 4.

    de gemeente gaat over tot uitbetaling van eenmalige persoonsgebonden budgetten en accepteert in dat kader het mandaat- en volmachtverlening 2016 van de Sociale Verzekeringsbank.

Artikel 5. Hoogte persoonsgebonden budget
  • 1.

    De hoogte van het tarief voor de declarabele uren is afhankelijk van de omvang van de kosten met een maximum van:

    • a.

      € 25,80 per uur voor hulp bij het huishouden;

    • b.

      € 49,80 per uur voor begeleiding;

    • c.

      € 57,60 per uur voorbegeleiding specialistisch;

    • d.

      € 63,60 per uur voor begeleiding intensief;

    • e.

      € 30,87 per dagdeel voor dagbesteding doorlopend (licht);

    • f.

      € 49,21 per dagdeel voor dagbesteding doorlopend specialistisch (zwaar);

    • g.

      € 39,48 per dagdeel voor dagbesteding ontwikkelgericht;

    • h.

      € 148,62 per etmaal voor logeeropvang;

    • i.

      € 221,91 per etmaal voor logeeropvang intensief;

    • j.

      € 108,92 per etmaal voor logeerverblijf;

    • k.

      € 1,40 per kilometer + 6% btw met een minimum van € 10,00 per rit voor vervoer naar dagbesteding en groepsbehandeling met een taxi;

    • l.

      € 0,26 per kilometer voor vervoer door het sociaal netwerk naar dagbesteding en groepsbehandeling;

    • m.

      € 0,26 per kilometer voor vervoer door het sociaal netwerk naar voorzieningen anders dan dagbesteding en groepsbehandeling voor zover op jaarbasis meer dan 2000 kilometer wordt gereden en er geen andere oplossingen mogelijk zijn;

    • n.

      een persoonsgebonden budget voor overige producten wordt verstrekt conform bijlage 1.

  • 2.

    Het uurtarief voor het inhuren van iemand uit het sociale netwerk of een persoon die niet een opleiding tot het verlenen van ondersteuning heeft genoten bedraagt maximaal € 12,50 per uur (120% van het wettelijk minimumloon voor een werknemer van 23 jaar en ouder) voor een voorziening als bedoeld in lid 1 onder a en maximaal € 20,00 per uur (200% van het wettelijk minimumloon voor een werknemer van 23 jaar en ouder tot maximaal het tarief voor het sociaal netwerk dat gehanteerd wordt in de Wet Langdurige Zorg) voor een voorziening als bedoeld in lid 1 onder b en c.

Artikel 6. Hoogte budget hulpmiddelen

  • 1.

    De hoogte van het budget voor aanschaf van een geindiceerd hulpmiddel is gelijk aan de kostprijs van de goedkoopst adequate voorziening.

  • 2.

    Het budget kan zo nodig worden verhoogd met de kostprijs van individuele aanpassingen.

  • 3.

    Het persoonsgebonden budget wordt met 7% verhoogd voor de kosten van onderhoud, reparatie en eventuele aanvullende verzekering gedurende de gebruiksduur.

  • 4.

    De minimale gebruiksduur van een hulpmiddel is gesteld op 7 jaar, tenzij zich bijzondere omstandigheden voordoen.

  • 5.

    Het volledig toegekende budget (aanschaf, indivuele aanpassingen, onderhoud, reparatie en verzekering) wordt overgemaakt na ontvangst van de aanschafnota van het middel.

  • 6.

    Kosten van onderhoud, reparatie en verzekering behoeven geen verdere verantwoording.

Artikel 7. Budget woonvoorzieningen
  • 1.

    Als de kosten voor woonvoorzieningen en woningaanpassingen meer bedragen dan € 3.103,00 geldt het primaat van verhuizen.

  • 2.

    Alvorens het primaat toe te passen wordt een overweging gemaakt op de volgende aspecten:

    • *

      De aanwezigheid van een passende woning

    • *

      Kostenvergelijking tussen aanpassen en verhuizen

    • *

      De gezondheidssituatie van cliënt en huisgenoten

    • *

      De afstand tot voorzieningen waar cliënt gebruik van maakt

    • *

      De wil van cliënt om te gaan verhuizen

    • *

      De leeftijd van cliënt en huisgenoten

    • *

      In hoeverre is de huidige woning al aangepast?

    • *

      De medisch aanvaardbare termijn

    • *

      Sociale omstandigheden

    • *

      Afstemming met andere voorzieningen

    • *

      Werksituatie

    • *

      Eventuele stijging in de woonlasten

    • *

      Is de huidige woning eigendom van cliënt?

  • 3.

    De maximale vergoeding voor verhuiskosten bedraagt € 3.103,00.

  • 4.

    De verhuiskostenvergoeding wordt betaald op het moment dat overschrijving in de gemeentelijke basisregistratie personen heeft plaats gevonden.

  • 5.

    Het persoonsgebonden budget voor woningaanpassingen wordt betaald aan de cliënt dan wel op verzoek van de cliënt aan de eigenaar van de woning na overlegging van de nota en bedraagt maximaal 100% van de goedgekeurde offertekosten beoordeeld aan de hand van de in bijlage 3 opgenomen standaardprijslijst.

Artikel 8. Budget sportvoorziening

Het budget voor de aanschaf van een sportvoorziening bedraagt maximaal € 3.521,00. Het bedrag is bedoeld als tegemoetkoming in aanschaf (maximaal € 2.899,00) en onderhoud, keuring, reparatie (maximaal € 622,00) van een sportrolstoel of vergelijkbare voorziening voor een periode van ten minste 3 jaar.

Artikel 9. Budget vervoersvoorzieningen
  • 1.

    Voor een budget voor vervoersvoorzieningen geldt dat deze worden gebaseerd op een hoogte gelijk aan 2000 te rijden kilometers per jaar. De maximale hoogte is vastgesteld op:

    • a.

      voor het gebruik van een eigen auto, als de aanvrager geen gebruik kan maken van het collectief vervoer, geldt een normbedrag van € 1.014,00 op jaarbasis;

    • b.

      voor het gebruik van een taxi, als de aanvrager geen gebruik kan maken van het collectief vervoer en niet rolstoelgebonden is, geldt een budget van € 4.120,00 op jaarbasis;

    • c.

      voor het gebruik van een rolstoeltaxi, als de aanvrager geen gebruik kan maken van het collectief vervoer en rolstoelgebonden is, geldt een budget van € 5.033,00 op jaarbasis.

  • 2.

    Het in lid 1 onder a genoemde bedrag wordt in twee gelijke delen halfjaarlijks vooraf verstrekt.

  • 3.

    De in lid 1 onder b en c genoemde bedragen worden betaalbaar gesteld na ontvangst van de originele nota. Het uit te keren bedrag kan, indien gewenst, direct worden over gemaakt aan het taxibedrijf. Declaraties kunnen maandelijks worden ingediend.

  • 4.

    De hoogte van een budget voor het aanpassen van een eigen auto wordt bepaald aan de hand van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten.

  • 5.

    Als er sprake is van aanpassingskosten van de eigen auto geldt als afschrijvingstermijn van de voorziening ten minste zeven jaar. De opties met betrekking tot de uitrusting van de auto, zoals automatische transmissie, stuurbekrachtiging en airco, alsmede de kosten verbonden aan het overzetten van eerder verstrekte overzetbare voorzieningen zijn van vergoeding uitgesloten.

  • 6.

    Collectief vervoer bestaat uit een regiotaxipas waarmee tegen het zonetarief van het reguliere openbaar vervoer kan worden gereisd.

  • 7.

    Voor de sociaal begeleider van de gebruiker van het collectief vervoer gelden de volgende voorwaarden:

    • a.

      de sociaal begeleider mag geen Wmo-geïndiceerde zijn;

    • b.

      de sociaal begeleider dient zelfstandig te kunnen reizen en niet aan een rolstoel of scootmobiel gebonden te zijn;

    • c.

      er mag maximaal één sociaal begeleider per (enkele) rit meegaan;

    • d.

      de sociaal begeleider reist vanaf hetzelfde opstapadres naar dezelfde bestemming;

    • e.

      er mogen maximaal 20 enkele ritten per jaar worden gemaakt;

    • f.

      de rit van de sociaal begeleider wordt gelijktijdig geboekt met dezelfde reservering als de rit van de Wmo-pashouder.

  • 8.

    De gebruiker van het collectief vervoer moet in staat zijn zelfstandig te reizen. Wanneer dit niet mogelijk is omdat medische handelingen tijdens de rit nodig (kunnen) zijn en/of sprake is gedragsproblematiek die tijdens de rit om aandacht vraagt en/of de gebruiker als gevolg van de beperking, naar het oordeel van de gemeente, een onvoldoene beoordelingsvermogen heeft om voor de eigen veiligheid zorg te dragen wordt de gebruiker in staat gesteld gebruik te maken van het collectief vervoer door reizen onder (medische) begeleiding te indiceren.

Artikel 10. Regels voor bijdrage in de kosten op grond van artikel 8a van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Bodegraven-Reeuwijk 2017
  • 1.

    Voor hulp bij het huishouden in de vorm van zorg in natura wordt een bijdrage in de kosten opgelegd zolang hulp bij het huishouden wordt verstrekt. De "Kosten van de voorziening per 4 weken" worden als volgt vastgesteld: het aantal uren ontvangen ondersteuning in die 4 weken, vermenigvuldigd met € 22,50 per uur.

  • 2.

    Voor hulp bij het huishouden in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt een bijdrage in de kosten opgelegd over de periode waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. De "Kosten van de voorziening per 4 weken" worden als volgt vastgesteld: de hoogte van het periodieke persoonsgebonden budget omgerekend naar het bedrag per periode van 4 weken met een maximum van € 22,50 per uur.

  • 3.

    Voor begeleiding, begeleiding specialistisch, begeleiding intensief, dagbesteding doorlopend, dagbesteding doorlopend specialistisch, dagbesteding ontwikkelgericht en logeeropvang, logeeropvang intensief en logeerverblijf wordt een bijdrage in de kosten opgelegd gedurende de looptijd van de toegekende voorziening. De "Kosten van de voorziening per 4 weken" worden als volgt vastgesteld: het aantal uren/dagdelen/etmalen ontvangen ondersteuning vermenigvuldigd met het tarief zoals bedoeld in artikel 3 lid 1 met dien verstande dat voor de voorzieningen in artikel 3 lid 1 onder b, c en d een maximum wordt toegepast van € 45,00 per uur en voor de voorzieningen in artikel 3 lid 1 onder e, f en g een maximum wordt toegepast van € 30,00 per dagdeel.

  • 4.

    Voor begeleiding, begeleiding specialistisch, begeleiding intensief, dagbesteding doorlopend, dagbestedeing doorlopend specialistisch, dagbesteding ontwikkelgericht en logeeropvan, logeeropvang intesief en logeerverblijf in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt een bijdrage in de kosten opgelegd over de periode waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. De "Kosten van de voorziening per 4 weken" worden als volgt vastgesteld: de hoogte van het desbetreffende periodieke persoonsgebonden budget omgerekend naar het bedrag per periode van 4 weken met een maximum van € 45,00 per uur voor begeleiding, begeleiding specialistisch en begeleiding intensief en een maximum van € 30,00 per dagdeel voor dagbesteding doorlopend, dagbesteding doorlopend specialistisch en dagbesteding ontwikkelgericht.

  • 5.

    Voor periodiek toegekende voorzieningen die in bruikleen worden verstrekt wordt een bijdrage in de kosten opgelegd zolang de voorziening wordt gebruikt. Voor periodiek toegekende voorzieningen wordt een bijdrage in de kosten opgelegd per 4 weken met dien verstande dat per categorie voorziening de volgende maxima per 4 weken gelden:

     

    cat.7A-1 scootmobiel 12 km

    € 48,00

    cat.7B-1 scootmobiel 15 km

    € 57,00

    cat.7C-1 scootmobiel extra geveerd

    € 70,00

    cat.8V-1 3 wielfiets volwassenen

    € 37,00

    cat.9-1 scootmobiel 10 km

    € 40,00

    cat.10-1 duofiets/laag BTW tarief

    € 56,00

    cat.10-2 duofiets/hoog BTW tarief

    € 56,00

    cat.11-1 tandem/laag BTW tarief

    € 36,00

    cat.11-2 tandem/hoog BTW tarief

    € 36,00

    cat.12-1 handbike

    € 50,00

    cat.12-2 handbike elektrisch/trapondersteuning

    € 99,00

    cat.18-1 rolstoelfiets

    € 75,00

    cat.20-1 badlift

    € 11,00

    cat.21A-1 actieve lift

    € 39,00

    cat.21B-1 passieve lift

    € 46,00

    cat. 22 tot en met 24 en cat. 27-3 tot en met 27-6

    de werkelijke huurprijs op hele euro's naar beneden afgerond

  • 6.

    Voor individuele vervoersvoorzieningen, losse woonvoorzieningen en woonvoorzieningen zoals bedoeld in artikel 4 lid 2 en 3 en artikel 5 met uitzondering van de vergoeding voor verhuiskosten wordt een bijdrage in de kosten opgelegd. Deze bijdrage wordt opgelegd totdat de geldswaarde van de verstrekte voorziening volledig is terugbetaald.

  • 7.

    Voor het opleggen en innen van een eigen bijdrage geeft de gemeente de verleende ondersteuning door aan het Centraal Administratie Kantoor.

Artikel 11. Omvang hulp bij het huishouden

De omvang van de hulp bij het huishouden wordt vastgesteld met toepassing van onderstaande tabel:

 

Activiteiten

Aantal minuten

Maximale frequentie

Toelichting

Broodmaaltijden bereiden

15 minuten

1 x per dag

 

Maaltijden koken

30 minuten

1 x per dag

Enkel in een huishouden met kleine kinderen

 

 

 

 

Licht en zwaar huishoudelijk werk

105 uur per jaar

n.v.t.

Conform norm Utrecht wordt voor lichte en zware taken 105 uur per jaar verstrekt

 

 

 

 

Textielverzorging

60 minuten bij een eenpersoonshuishouden en 90 minuten bij een meerpersoonshuishouden

 

 

 

 

 

 

Verzorgen van kinderen

Maximaal 40 uur

 

 

 

 

 

 

Organisatie huishouden

60 minuten

 

 

 

 

 

 

Advies, instructie, aanleren

30 minuten

Maximaal 6 weken

Tijdelijkheid van belang

 

 

 

 

Psychosociale hulp

30 minuten

 

 

 

 

 

 

Algemene meerkosten

 

 

 

 

 

 

 

Aanwezigheid kinderen

15 minuten

Per kind van 6 jaar of jonger

 

Intensief gebruik of hoge vervuilingsgraad

60 minuten

 

Ook door ziekte (chemo, stoma etc.)

Specifieke problematiek

 

60 minuten

 

Ter opvang korting meest kwetsbaren

Artikel 12. Omvang gebruikelijke zorg bij hulp bij het huishouden

Van iedereen wordt verwacht dat deze bijdraagt aan het huishouden. Daar waar rollen veranderen is het aan de huisgenoten dit op te vangen. Gebruikelijke zorg heeft een verplichtend karakter. Zowel van volwassen als jonge huisgenoten wordt een bijdrage verlangd in het huishouden. Hierbij wordt wel rekening gehouden met de ontwikkelingsfase van kinderen.

 

Voor gezonde jonge huisgenoten geldt:

 

  • Huisgenoten tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan het huishouden.

  • Huisgenoten van 5 tot en met 12 jaar worden naar eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden (bv. opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen en kleding in de wasmand gooien).

  • Huisgenoten van 13 tot en met 17 jaar helpen bij lichte huishoudelijke werkzaamheden (bv. opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen, kleding in de wasmand gooien) en hun eigen kamer op orde houden (rommel opruimen, stofzuigen en bed verschonen).

  • Huisgenoten van 18 tot en met 22 jaar kunnen een eenpersoonshuishouden voeren. Dit wil zeggen; schoonhouden van sanitaire ruimte, keuken en één kamer, de was doen, boodschappen doen, maaltijd verzorgen, afwassen en opruimen. Indien nodig kan ook de opvang en/of verzorging van jongere gezinsleden tot hun taken behoren.

  • Huisgenoten vanaf 23 jaar kunnen de huishoudelijke taken volledig overnemen wanneer de cliënt uitvalt.

Redenen als "niet gewend zijn om" of "geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten" leiden niet tot verstrekking van hulp bij het huishouden.

 

In die situaties kan een tijdelijke indicatie afgegeven worden voor het aanleren hiervan. De taak wordt dan niet overgenomen maar via instructies gestuurd.

Artikel 13. Tegemoetkoming in de meerkosten voor personen met een beperking of chronische problemen

Ter tegemoetkoming van de meerkosten van een beperking of chronisch probleem biedt de gemeente aan minima via Ferm Werk een gemeentelijke collectieve ziektekostenverzekering op grond van de Participatiewet. Op grond van de Participatiewet wordt met betrekking tot het inkomen en het vermogen de doelgroep bepaald voor de collectieve ziektekostenverzekering en de doelgroep voor de premiekorting. Op grond van de Wmo wordt de doelgroep van personen met een beperking of chronisch probleem voor de extra premiebijdrage bepaald.

 

Een inwoner heeft recht op de extra premiebijdrage voor personen met een beperking of chronisch probleem als:

  • 1.

    deze op grond van de Participatiewet toetreedt tot de gemeentelijke collectieve ziektekostenverzekering voor minima en

  • 2.

    daarnaast sprake is van een voorziening op grond van de Wmo, een gehandicaptenparkeerkaart of gehandicaptenparkeerplaats, een uitkering krachtens de WAO ontvangt naar een percentage van 80% tot 100% of een IVA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) of op grond van de Wmo wordt aangemerkt als een persoon met een beperking waarbij aannemelijk is dat er sprake is van meerkosten als gevolg daarvan.

Artikel 14. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van deze nadere regels en beleidsregels, indien toepassing ervan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.

Artikel 15. Indexering

  • 1.

    Het college indexeert jaarlijks de bedragen genoemd in artikel 6, 7 en artikel 5 lid 4 conform de CPI-index van september van elk jaar.

  • 2.

    De indexering voor het jaar 2019 is vastgesteld op 1,9 %, waarbij bedragen op hele euro's naar boven worden afgerond.

  • 3.

    De bedragen genoemd in artikel 3, artikel 5 lid 1 en 2 en artikel 10 worden autonoom aangepast op basis van beleidsmatige overwegingen.

Artikel 16. Intrekking en overgangsrecht
  • 1.

    De Nadere regels en beleidsregelssociaal domein 2018 worden ingetrokken. 

  • 2.

    Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Nadere regels en beleidsregels sociaal domein 2018 totdat het college een nieuw besluit heeft genomen.

  • 3.

    Aanvragen die zijn ingediend onder de Nadere regels en beleidsregels sociaal domein 2018 maar waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze nadere regels en beleidsregels, worden afgehandeld krachtens deze nadere regels en beleidsregels.

  • 4.

    Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Nadere regels en beleidsregels sociaal domein 2018 wordt beslist met in achtneming van die nadere regels.

Artikel 17. Inwerkingtreding

Deze nadere regels en beleidsregels treden in werking met ingang van de dag na bekendmaking en werken terug tot en met 1 januari 2019.

Artikel 18. Citeertitel

Deze regels worden aangehaald als: Nadere regels en beleidsregels sociaal domein 2019.

 

Bodegraven, 5 februari 2019.

 

Burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk,

 

de secretaris,

drs. J.G. de Jager

 

de burgemeester,

mr. C. van der Kamp

 

Bijlage 1. Omvang pgb overige producten

 

 

  • Omschrijving

    Eenheid

    Tarief 2019

    Dagbesteding Kinderdagcentrum (KDC)

    dagdeel

    € 60,29

    BW verzilverd als dagbesteding doorlopend

    dagdeel

    € 30,87

    Gezinshuizen

    etmaal

    € 135,59

    PleegzorgPlus

    Traject

    n.t.b.

    Pleegzorg

    etmaal

    € 40,20

    Individuele behandeling

    uur

    € 94,20

    Individuele behandeling - zwaar

    uur

    € 120,00

    Individuele behandeling gedragswetenschapper

    uur

    € 110,40

    Jeugdhulp diagnostiek

    uur

    € 110,40

    Ambulante crisishulp

    uur

    € 123,00

    Groepsbehandeling

    dagdeel

    € 72,15

    Groepsbehandeling zwaar

    dagdeel

    € 83,37

    Groepsbehandeling Kinderdagcentrum (KDC)

    dagdeel

    € 92,08

    Behandelgroep verblijf

    etmaal

    € 211,13

    Behandelgroep verblijf crisis

    etmaal

    € 235,74

    Behandeling verblijf 3 milieusvoorzieining

    etmaal

    € 277,80

    Beschut Wonen t.b.v. zelfstandigheidstraining

    etmaal

    € 33,51

    Generalistische Basis-GGZ Kort

    stuk

    € 404,71

    Generalistische Basis-GGZ Middel

    stuk

    € 689,90

    Generalistische Basis-GGZ Intensief

    stuk

    € 1.045,30

    Generalistische Basis-GGZ Intensief Plus

    stuk

    € 1.505,23

    Generalistische Basis-GGZ Onvolledig Behandeltraject

    stuk

    € 165,18

    Intake, Anamnese, Diagnostiek en Behandeling

    stuk

    € 1.188,83

    Medicamenteuze behandeling

    stuk

    € 278,70

    Eenmalig consult voor medicatieadvies / medicatiebijstelling

    stuk

    € 44,83

    Jeugd-ggz behandeling specialistisch

    uur

    € 101,40

    Jeugd ggz behandeling hoog-specialistisch

    uur

    € 118,20

    Jeugd-ggz diagnostiek

    uur

    € 117,00

    Jeugd-ggz verblijf licht

    etmaal

    € 344,43

    Jeugd-ggz verblijf zwaar

    etmaal

    € 506,76

    Jeugd-ggz Verblijf zonder Overnachting (VZO)

    etmaal

    € 110,29

    Jeugd-ggz Consultatie

    stuk

    € 44,83

    Jeugd-ggz Beschikbaarheidscomponent voor 24-uurs crisiszorg

    stuk

    € 648,79

    Jeugd-ggz Crisis Behandeling

    uur

    € 118,20

    Jeugd-ggz Crisis Behandeling bij Verblijf

    uur

    € 118,20

    Jeugd GGZ Diagnostiek EED

    uur

    € 85,80

    Jeugd GGZ Behandeling EED

    uur

    € 84,00

 

Bijlage 2. Format Pgb-plan

 

 

Persoonlijk plan inzet PersoonsGebonden Buget Sociaal Domein [1][2]

 

 

  • 1.

    Gegevens budgethouder

     

    Naam

     

    Geboortedatum

     

    BSN

     

    Klantnummer SVB (indien u daar al klant bent)

     

     

     

     

  • 2.

    Vertegenwoordiger budgethouder (indien van toepassing)

     

    Is er sprake van wettelijke vertegenwoordiging?

     

    Ja: voogd, ouder, bewindvoerder, curator, mentor

     

    Nee, wat is uw relatie met de budgethouder?

     

    Handtekening machtiging cliënt om op te treden als vertegenwoordiger voor het pgb

     

     

     

     

  • 3.

    Gegevens vertegenwoordiger budgethouder(indien van toepassing)

     

    Naam

     

    Voorletters

     

    BSN

     

    Telefoon

     

    E-mail

     

     

     

     

  • 4.

    Ondertekening

     

    Dit zorg- en budgetplan is volledig en naar waarheid ingevuld. Dit zorg- en budgetplan is onderdeel van het ondersteuningsplan.

     

    Plaats

     

    Datum

     

    Handtekening budgethouder of vertegenwoordiger

     

     

     

    .......................................................................

     

     

     

     

  • 5.

    Zorgbeschrijving (gaat u kort in op onderstaande vragen)

     

    • a.

      Wmo: waarom kiest u ervoor om (delen van) de ondersteuning te ontvangen in de vorm van een pgb?

    • b.

      Jeugd: waarom voldoet een verstrekking in natura niet?

       

      Ga in op de volgende onderdelen:

      • -

        uw persoonlijke situatie

      • -

        uw motivering waarom u kiest voor een pgb

      • -

        wat u wil bereiken

      • -

        hoe de ondersteuning en/of jeugdhulp eruit gaat zien

         

         

         

         

         

         

         

         

         

         

         

         

         

         

         

         

         

         

         

         

         

         

         

         

         

         

         

         

         

     

  • 6.

    Bij wie bent u van plan om uw ondersteuning in te kopen met uw pgb?

     

    (indien u de zorg inkoopt bij nog meer hulpverleners, dan kunt u deze opnemen in een apart blad)

     

     

    Professionele hulpverlener 1

     

    Naam organisatie / hulpverlener

     

    Betreft: zorgorganisatie / ZZP-er / hulpverlener

     

    Er is een arbeidsovereenkomst afgesloten voor professionele ondersteuning

    ja / nee

     

    Activiteiten waarbij de zorgverlener ondersteunt / die de zorgverlener overneemt:

     

     

     

     

    Frequentie (aantal uur per week)

     

    Tarief per uur: €

     

     

    Professionele hulpverlener 2

     

    Naam organisatie / hulpverlener

     

    Betreft: zorgorganisatie / ZZP-er / hulpverlener

     

    Er is een arbeidsovereenkomst afgesloten voor professionele ondersteuning

    ja / nee

     

    Activiteiten waarbij de zorgverlener ondersteunt / die de zorgverlener overneemt:

     

     

     

     

    Frequentie (aantal uur per week)

     

    Tarief per uur: €

     

     

    Professionele hulpverlener 3

     

    Naam organisatie / hulpverlener

     

    Betreft: zorgorganisatie / ZZP-er / hulpverlener

     

    Er is een arbeidsovereenkomst afgesloten voor professionele ondersteuning

    ja / nee

     

    Activiteiten waarbij de zorgverlener ondersteunt / die de zorgverlener overneemt:

     

     

     

     

    Frequentie (aantal uur per week)

     

    Tarief per uur: €

     

     

    Particuliere hulpverlener 1

     

    Naam

     

    Adres

     

    BSN

     

    Wat is de relatie met de budgethouder?

     

    Welke ervaring / kwalificaties heeft uw informele / particuliere zorgverlener dat hij/zij in staat is om de ondersteuning te kunnen leveren:

     

     

     

     

    Activiteiten waarbij de zorgverlener ondersteunt / die de zorgverlener overneemt:

     

     

     

     

    Frequentie (aantal uur per week)

     

    Tarief per uur: €

     

     

    Particuliere hulpverlener 2

     

    Naam

     

    Adres

     

    BSN

     

    Wat is de relatie met de budgethouder?

     

    Welke ervaring / kwalificaties heeft uw informele / particuliere zorgverlener dat hij/zij in staat is om de ondersteuning te kunnen leveren:

     

     

     

     

    Activiteiten waarbij de zorgverlener ondersteunt / die de zorgverlener overneemt:

     

     

     

     

    Frequentie (aantal uur per week)

     

    Tarief per uur: €

  

[1] De ondersteuner die diensten verleent binnen de Jeugdwet en niet verbonden is aan een professionele organisatie dient een verklaring omtrent gedrag (VOG) bij te voegen waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van de functie, dat hij ingezetene is van Nederland en dat hij beschikt over een burgerservicenummer (BSN).

 

[2] Indien er sprake is van ondersteuning en/of jeugdhulp door een persoon uit het sociaal netwerk dient uit onderdeel 5 te blijken dat deze in staat is de gevraagde ondersteuning en/of jeugdhulp gedurende de afgesproken periode te leveren en hoe, indien nodig, vervanging geregeld is bij vakantie of ziekte. Tevens dient deze persoon daarin aan te geven dat de ondersteuning en/of jeugdhulp aan de belanghebbende voor hem niet tot overbelasting leidt.

 

Bijlage 3 Standaardprijslijst voor woningaanpassingen

 

Deze bedragen zijn exclusief BTW.

 

Uitgangspunt hierbij is een adequate voorziening, waarbij rekening is gehouden met het begrip sober en doelmatig/goedkoopst adequaat.

 

 

Voorziening

 

Materiaalprijs

Arbeid (tijd à € 41,60 per uur)

Totaal

Opklapbare beugel

 

€ 50,00

0,75 uur

€ 85,00

Wastafelcombinatie

 

€ 305,00

2,5 uur

€ 410,00

Antislip coating Slidex

 

Vloeroppervlak

 

 

Vloeroppervlak tot

5 m2

 

Vloeroppervlak van

5 m2 tot 10 m2

 

Incl. voorrijkosten

 

 

€ 370,00

 

 

€ 425,00

Aangepaste keuken

 

Voor het vervangen van een bestaande niet aangepaste keuken door een aangepaste keuken

Standaard

Keuken

 

Montagekosten

 

Meerprijs hittebestendig werkblad

 

Meerprijs mechanisch in hoogte

verstelbaar

 

Meerprijs elektrisch in hoogte

verstelbaar

 

Extra: hak- en breekwerk

 

€ 3.170,00

 

€ 460,00

 

€ 475,00

 

€ 3.550,00

 

 

€ 5.690,00

 

 

€ 600,00

Verwijderen bad

 

 

 

€ 2.300,00

Verwijderen douchebak

 

 

 

€ 750,00

Verbreden toegangsdeur met kozijn van buitenberging (voor stalling scootmobiel)

 

 

 

€ 1.790,00

Sproei-föhninstallatie Cymec

 

Cleanoset CS 05 aansluiting voor afstandsbediening

 

 

Incl. montagekosten

€ 800,00

 

€ 1.050,00

 

Bij het aanpassen c.q. vervangen van de keuken en badkamer wordt rekening gehouden met de algemeen gebruikelijk te achten levensduur. Voor een keuken wordt als algemeen gebruikelijke levensduur een termijn van 15 jaar gehanteerd en voor een badkamer een termijn van 20 jaar. Als de algemeen gebruikelijk te achten levensduur is bereikt dan is wat betreft vervanging sprake van een algemeen gebruikelijke renovatie. In dat geval komen alleen de meerkosten van de aan de beperking gerelateerde aanpassingen voor vergoeding in aanmerking. Indien vervanging binnen de hierboven genoemde termijnen plaatsvindt, wordt rekening gehouden met een afschrijvingspercentage. Voor de hoogte van de maatwerkvoorziening wordt rekening gehouden met de reeds verlopen afschrijvingsperiode.

 

In Rechtbank 's Gravenhage 07-03-2012, nr. AWB 11/4293 heeft het college de vervanging van een bad door een inloopdouche afgewezen omdat het bad van belanghebbende ten minste 29 jaar oud is en de vervanging door een douche een algemeen gebruikelijke renovatie betreft. De rechtbank acht dit standpunt niet onredelijk omdat belanghebbende bij vergoeding van de kosten wordt bevoordeeld ten opzichte van woningeigenaren zonder medische beperkingen die na verloop van tijd hun badkamer gaan renoveren. Dat de badkamer en het daarin aanwezige bad eventueel nog functioneel zijn, doet daar gezien het tijdsverloop en de afschrijftermijn, volgens de rechtbank, niet aan af. Bij het vaststellen van het afschrijvingspercentage heeft het college volgens de rechtbank in redelijkheid aansluiting kunnen zoeken bij de afschrijvingstermijnen die door de vereniging Overleg voorzitters huurcommissies zijn vastgesteld in hun Beleid huurverhoging na woningverbetering. Blijkens dit beleid is een badkamer na 20 jaar in beginsel volledig afgeschreven. De rechtbank acht deze termijn niet onredelijk. Er is dan sprake van een algemeen gebruikelijke renovatie.

 

Voor onderhoud en reparatie van woningaanpassingen geldt het volgende:

 

Jaarlijks preventief onderhoud vindt plaats bij: trapliften en automatische deuropeners.

 

In geval van storing komen de kosten van voorrijden, werkuren en onderdelen voor vergoeding in aanmerking. De inwoner aan wie de voorziening is toegekend kan de reparatie laten plaatsvinden. Het vervangen van batterijen en kosten die het gevolg zijn van een foutief gebruik door de inwoner komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Artikelsgewijze Toelichting

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

 

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Artikel 2. Inzet persoonsgebonden budget

 

Lid 1

 

Artikel 8.1.1 tweede lid Jeugdwet bepaalt dat een persoonsgebonden budget niet mogelijk is voor een minderjarige die kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering heeft gekregen of een jeugdige die is opgenomen in een gesloten accommodatie met een machtiging op grond van hoofdstuk 6 (Gesloten jeugdhulp bij ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen). Binnen de Wmo zijn geen voorzieningen uitgesloten van een persoonsgebonden budget.

 

Lid 2

 

Het betrekken van ondersteuning en/of jeugdhulp uit het sociale netwerk behoort tot de mogelijkheden. Het is daarbij wel van belang dat deze passend is. Er worden daarom een aantal voorwaarden gesteld alvorens dit wordt toegelaten:

 

  • *

    er is sprake van boven-gebruikelijke zorg;

  • *

    de inzet van het sociaal netwerk is aantoonbaar beter of minimaal gelijkwaardig aan professionele ondersteuning;

  • *

    de geboden ondersteuning en/of jeugdhulp is passend, adequaat en veilig;

  • *

    de zorgverlener, die daarnaast ook gebruikelijke hulp verleent, heeft aangegeven dat de zorgverlening voor hem niet tot overbelasting leidt.

In aanvulling op het voorgaande, wordt inzet van het sociaal netwerk uit een persoonsgebonden budget in ieder geval aantoonbaar beter geacht, indien één of meerdere van de volgende omstandigheden aan de orde zijn:

 

  • *

    de ondersteuning en/of jeugdhulp is vooraf niet goed in te plannen;

  • *

    de ondersteuning en/oj jeugdhulp moet op ongebruikelijke tijden geleverd worden;

  • *

    de ondersteuning en/of jeugdhulp moet op veel korte momenten per dag geboden worden;

  • *

    de ondersteuning en/of jeugdhulp moet op verschillende locaties worden geleverd;

  • *

    de ondersteuning en/of jeugdhulp moet 24 uur per dag en op afroep beschikbaar zijn;

  • *

    de ondersteuning en/of jeugdhulp moet vanwege de aard van de beperking worden geboden door een persoon met wie hij vertrouwd is en goed contact heeft.

Lid 3,4 en 5. 

 

Het tarief voor een persoonsgebonden budget is inclusief een aantal, eventueel, met het budget samenhangende kosten. In deze leden staan deze uitgeschreven. Deze komen niet apart voor een budget in aanmerking. Het tarief betreft een maximaal tarief van 100% van de tarieven in natura. De inwoner laat middels het pgb-plan zien welk tarief met de aanbieder is overeen gekomen. De hoogte van het budget volgt dit tarief maar is op een maximum gesteld.

 

Artikel 3. Verplichtingen persoonsgebonden budget

 

Van een aanvrager wordt verwacht dat die goed heeft nagedacht over de keuze voor de inzet van een persoonsgebonden budget. Dat wil zeggen niet alleen over de keuze zelf maar ook over de wijze waarop ondersteuning en/of jeugdhulp wordt verkregen en hoe kwaliteit wordt gewaarborgd.

 

De aanvrager moet daarom een plan indienen waarin de overwegingen zijn opgenomen. Het format van het plan is opgenomen in bijlage 2.

 

Met dit artikel is geregeld dat aangesloten wordt bij de voorwaarden van de Sociale Verzekeringsbank bij het betaalbaar stellen van een persoonsgebonden budget. Door het proces bij de SVB is het niet langer nodig dat de besteding van de genoemde budgetten achteraf worden verantwoord en gecontroleerd. De SVB geeft aan dat zij vooralsnog alleen pgb’s behandelen waar een arbeidsrelatie aan vast hangt. Bevoegdheden om éénmalige pgb’s te behandelen mandateren zij sinds 1 januari 2015 aan de gemeenten. Middels dit besluit wordt het mandaat aanvaard.

 

Artikel 4. Verplichtingen budget hulpmiddelen of woningaanpassing

 

Voor hulpmiddelen of woningaanpassing zijn verplichtingen opgenomen over de kwaliteit van de voorziening en over de eisen die aan een leverancier worden gesteld.

 

Artikel 5. Hoogte persoonsgebonden budget

 

In dit artikel zijn de uurtarieven voor ondersteuning en/of jeugdhulp opgenomen. Zo ook de tarieven voor het inhuren van een familielid, vrienden, kennissen. De hoogte van de persoonsgebonden budgetten zijn gelijk aan de feitelijke kosten maar maximaal 100% van het contractueel afgesproken tarief van zorg in natura dan wel gelieerd aan het wettelijk minimumloon.

 

Vervoersvoorziening

 

Een jeugdige of de ouder van een jeugdige die in behandeling is bij een GGZ instelling kan in aanmerkingkomen voor een vervoersvoorziening naar deze GGZ instelling, indien binnen een periode van 12 maanden meer dan 2.000 kilometer gereisd moet worden van en naar een specialistische behandeling in de GGZ en er niet een behandellocatie dichter in de buurt aanwezig is.

 

De gemeente kan met het beschikbaar stellen van een persoonsgebonden budget het vervoer vergoeden tot een vastgesteld maximum als de jeugdige of de ouder van de jeugdige bewust kiest voor een zorgaanbieder die verder weg is gevestigd waar er wel een vergelijkbaar zorgaanbod dichterbij beschikbaar is.

 

Vormen van vervoersvoorziening

 

Een vervoersvoorziening kan, ter beoordeling van het college, bestaan uit een vergoeding van de vervoerskosten (eigen vervoer of openbaar vervoer) of een taxivoorziening.

 

Wijze van aanvragen

 

De jeugdige of de ouder van de jeugdige dient via het sociaal team een onderbouwde aanvraag voorvervoer in. Daarbij dient deze aan te tonen dat voldaan wordt aan het afstandscriterium en het niet beschikbaar zijn van een behandellocatie in de buurt.

 

Wijze van vergoeden

 

De kosten voor eigen vervoer en openbaar vervoer worden achteraf vergoed op basis van een declaratie waarbij per reisbeweging de kilometers worden verantwoord of waarbij de reisbewijzen worden ingediend.

 

De kosten voor het taxivervoer worden rechtstreeks met de gecontracteerde taxivervoerder afgerekend.

 

Het staat de cliënt vrij om iemand in te huren voor ondersteuning en/of jeugdhulp. Dat kan iemand zijn uit het sociaal netwerk, maar ook de inzet van een professional (organisatie of ZZP’er). In de hoogte van de vergoeding zit een verschil. Een cliënt die met zijn persoonsgebonden budget een familielid, buurvrouw inhuurt wordt niet geconfronteerd met kosten van overhead. Het persoongebonden budget om vanuit het sociaal netwerk in te huren is dan ook lager. Uitbetaling vindt plaats per maand.

 

Op grond van de verordening wordt aangesloten bij de Wet minumloon. Met de tarieven wordt een percentage van dit minimumloon gehanteerd. Als het gaat om hulp bij het huishouden wordt een tarief van 120% van het minimumloon gehanteerd gelijk aan € 12,50 per uur voor 2019. Voor begeleiding wordt een tarief van 200% van het minimumloon gehanteerd met een maximum van het WLZ-tarief voor het sociaal netwerk gelijk aan € 20,00 per uur voor 2019 gelijk aan het AWBZ-tarief in 2014

 

Artikel 6. Hoogte budget hulpmiddelen

 

In dit artikel is de hoogte van het budget voor hulpmiddelen vastgelegd.

 

Artikel 7. Budget woonvoorzieningen

 

In het eerste lid en tweede lid is geregeld bij welk bedrag van de cliënt wordt gevraagd om te kijken naar een andere woning. Ook is geregeld welke vergoeding de cliënt maximaal kan verwachten wanneer tot verhuizen wordt overgegaan.

 

Uitbetaling vindt plaats nadat een overschrijving in de BRP heeft plaatsgevonden. De cliënt hoeft de kosten daarbij niet te verantwoorden.

 

De omvang van het budget is gemaximeerd en bedoeld als een tegemoetkoming in de werkelijke kosten. De omvang is gebaseerd op de volgende overwegingen.

 

  • 1.

    Kosten voor de eerste inschrijving bij Woningnet.

  • 2.

    Kosten voor de eerste inschrijving bij een woningcorporatie.

  • 3.

    De waarborgsom.

  • 4.

    Kosten van de verhuizing en/of de noodzakelijke opslag van de bestaande inboedel.

  • 5.

    De dubbele woonlasten (2e huur).

  • 6.

    Eenmalige materiaalkosten van witten, schilderen en behangen van de nieuwe woning.

  • 7.

    Eenmalige materiaalkosten voor het bedekken van de vloer.

  • 8.

    Het arbeidsloon voor het opknappen van de nieuwe woning (verven en behangen), als u dat door een chronische ziekte, handicap of ouderdom niet zelf kunt doen.

 

In het vierde lid zijn de voor vergoeding in aanmerking te nemen kosten voor een woningaanpassing opgenomen. Daarbij gelden voor bouwkundige of woontechnische voorzieningen de volgende maximale bedragen:

 

  • a.

    € 1.020,00 voor een woonwagen;

  • b.

    € 1.020,00 voor een woonschip;

  • c.

    € 2.753,00 voor het bezoekbaar en/of logeerbaar maken van een woning.

 

Bij het vaststellen van de hoogte van het budget in de kosten van een woningaanpassing in de vorm van bouwkundige of woontechnische woonvoorziening wordt rekening gehouden met de volgende kostensoorten:

 

  • a.

    de aanneemsom (waarin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening;

  • b.

    de risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de risicoregeling woning- en utiliteitsbouw 1991;

  • c.

    als het noodzakelijk wordt geacht een architect in te schakelen: het architectenhonorarium tot ten hoogste 10% van de aanneemsom, met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald in de Rechtsverhouding opdrachtgever-architect, ingenieur en adviseur DNR 2011 en de kosten van het toezicht op de uitvoering, als dit noodzakelijk is, tot een maximum van 2% van de aanneemsom;

  • d.

    de leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening;

  • e.

    de verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare omzetbelasting;

  • f.

    het renteverlies in verband met het verrichten van noodzakelijke betaling aan derden voordat de bijdrage is uitbetaald, voor zover deze verband houdt met de bouw dan wel het treffen van de voorziening;

  • g.

    de kosten van het verwerven van extra bouwrijpe grond indien noodzakelijk als niet gebouwd kan worden binnen de oorspronkelijke kavel;

  • h.

    de door het college schriftelijk goedgekeurde kostenverhogingen die ten tijde van de raming van de kosten niet te voorzien waren;

  • i.

    de kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing;

  • j.

    de kosten van heraansluiting op de openbare nutsvoorziening;

  • k.

    de administratiekosten die de verhuurder maakt ten behoeve van het treffen van de bouwkundige voorziening, voor zover de kosten onder a tot en met j meer bedragen dan € 1.270,00 voor 10% van die kosten tot maximaal € 491,00;

  • l.

    voor kosten van het aanbrengen/aanhelen van tegelwerk bedraagt de maximale vergoeding € 20,40 per m2 voor wandtegels en € 30,00 per m2 voor vloertegels.

 

Als er sprake is van sanering van de vloerbedekking bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 36,07 per m2 (inclusief arbeid, noodzakelijke materialen en BTW). De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van de afschrijvingstermijn van het te vervangen artikel. De vergoeding bedraagt een percentage van de kosten te weten:

 

  • -

    100% indien als het artikel nieuwer is dan twee jaar;

  • -

    75% indien het artikel tussen de twee en vier jaar oud is;

  • -

    50% indien als het artikel tussen de vier en zes jaar oud is;

  • -

    25% indien als het artikel tussen de zes en acht jaar oud is.

 

De hoogte van de tegemoetkoming in de kosten in verband met huurderving is afhankelijk van de kale huur van de woonruimte met een maximum van € 654,00 per maand voor de duur van maximaal één jaar.

 

Als er sprake is van tijdelijke huisvesting is de hoogte van de vergoeding:

 

  • a.

    maximaal € 725,00 per maand bij een zelfstandige woonruimte;

  • b.

    maximaal € 397,00 per maand bij een niet-zelfstandige woonruimte.

Artikel 8. Budget sportvoorziening

 

De sportvoorziening neemt een bijzondere plek in in de regelgeving. Onder de Wet Voorzieningen Gehandicapten was de sportrolstoel in de gemeentelijke regelgeving opgenomen maar dit betrof begunstigend buitenwettelijk beleid. Onder de Wmo is de overweging op zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van doorslaggevend belang of een sportrolstoel of in bredere zin, een sportvoorziening, wordt verstrekt. Dit is lang niet altijd zo en moet telkens goed worden overwogen. Jurisprudentie is daarin van belang. Kosten kunnen enorm oplopen en het gebruik kan beperkt zijn. In dit artikel is in aansluiting op eerder geformuleerd beleid de hoogte van het budget voor een sportvoorziening bepaald.

 

Artikel 9. Budget vervoersvoorzieningen

 

In het eerste lid liggen bedragen vast voor een budget in de auto- en taxikosten. Een tegemoetkoming in de kosten voor gebruik van de eigen auto wordt alleen verstrekt wanneer er sprake is van een contra-indicatie voor het gebruik van het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer.

 

Het tweede en derde lid spreken voor zich.

 

Het vierde lid en vijfde lid gaan in op het onderwerp hoe om te gaan met een verzoek om aanpassing van een auto. Ook hiervoor komt men alleen in aanmerking wanneer er een contra-indicatie bestaat voor het gebruik van de het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer.

 

Het zesde lid houdt in dat elke inwoner gebruik mag maken van het collectief vervoer. Een inwoner met een Wmo-indicatie mag dit echter tegen een gereduceerd tarief doen. Er wordt van een pas-houder een bijdrage in de kosten gevraagd per zone. Deze bijdrage is gelijk aan de kosten van het regulier openbaar vervoer. Deze kosten worden als algemeen gebruikelijk gezien. Alleen de eerste zone kent ook een opstaptarief waardoor men dan voor 1 enkele zone 2x de bijdrage moet betalen. Alle zones daarna worden steeds verhoogd met het tarief voor 1 zone.

 

Het zevende lid regelt dat een inwoner met een Wmo-indicatie op jaarbasis ook op 20 enkele ritten een sociaal begeleider mag meenemen. De achterliggende gedachte bij het hanteren van een sociaal begeleider is dat de Wmo geïndiceerde zich op de plaats van bestemming kan laten begeleiden. Bijvoorbeeld bij ziekenhuisbezoek, bij het winkelen, bij bankzaken, etc.

 

Het achtste lid regelt wanneer een pashouder ook de aantekening krijgt voor (medische) begeleiding. Verplichte (medische) begeleiding is een geïndiceerde begeleider die op basis van een indicatie van de gemeente met de Wmo-reiziger mee moet reizen, omdat daartoe een medische en/of anderszins een noodzaak is vastgesteld door de gemeente. Indien deze indicatie is afgegeven, kan en mag deze Wmo-reiziger niet alleen reizen. De geïndiceerde begeleider is tenminste 12 jaar en in staat om de Wmo-reiziger adequaat te begeleiden tijdens de rit. De geïndiceerde (medisch) begeleider mag geen rolstoelgebruiker of scootmobielgebruiker zijn. De geïndiceerde (medisch) begeleider stapt zelfstandig op hetzelfde adres in en uit als de geïndiceerde begeleide reiziger. De geïndiceerde (medisch) begeleider betaalt geen reizigersbijdrage. De noodzaak tot begeleiding wordt in het pashoudersbestand geregistreerd.

 

Artikel 10. Regels voor bijdrage in de kosten op grond van artikel 8a van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Bodegraven-Reeuwijk 2017

 

Dit artikel is een uitwerking van het in de verordening opgenomen artikel "Regels voor bijdrage in de kosten”.

 

Er is voor een aantal producten maxima in de bepaling van de kostprijs van het product  aangegeven. Binnen de systematiek zoals gehanteerd in 2015 en 2016 gaan inwoners meer betalen voor hun ondersteuning wanneer de problematiek groter wordt. Immers, dan wordt de ondersteuning die wordt geboden duurder. Dit vergroot het risico dat inwoners met een groter wordende ondersteuningsbehoefte afhaken. Dit is niet wenselijk.

 

Daarnaast is een éénduidig systeem neergezet voor de aanlevering van de kostprijs voor een voorziening in bruikleen. Dit is vooral gedaan om het systeem te vereenvoudigen. Door de ingewikkeldheid van het eigen bijdrage systeem is het voor de consulenten vaak lastiger om de inwoner goed te informeren. Met deze aanpassing wordt dit eenvoudiger gemaakt. Hiermee ondervindt de inwoner ook niet langer financieel nadeel bij de overstap naar een andere leverancier.

 

Tevens is in dit artikel aangegeven hoe om wordt gegaan met de eigen bijdrage voor voorzieningen waar voor de gemeente periodiek een betaling aan vast zit.

 

Hiervoor zijn een paar hoofdlijnen aan te geven.

 

Voor het opleggen van een eigen bijdrage voor een voorziening in natura wordt het tarief gehanteerd dat gelijk is aan de tarieven voor persoonsgebonden budgetten bij inzet van een professionele organisatie (dus niet het tarief voor inzet van het sociaal netwerk). Door de tussenkomst van de SVB worden pgb’s vastgesteld over de toe te kennen periode (meestal per jaar tenzij de indicatie korter duurt). Voor het innen van de eigen bijdrage moet dit totale budget terug worden gerekend naar een bijdrage per periode van 4 weken.

 

Voor voorzieningen waarvoor per maand een tarief wordt betaald moet deze terug worden gerekend naar een bedrag per 4 weken.

 

Dit artikel geeft ook aan hoe wordt omgegaan met een voorziening die éénmalig wordt verstrekt maar wel is bedoeld om een bepaalde periode mee te overbruggen. De basis is dat de eigen bijdrage wordt geïnd totdat de voorziening is terugbetaald. Heeft de belanghebbende meerdere voorzieningen tegelijkertijd dan hanteert het CAK de volgende regel:

 

Het CAK int de eigen bijdrage over het eerste pgb of de eerste hulpmiddel & voorziening die is aangeleverd. Daarna volgen eventuele andere producten en als laatst eventuele zorg in natura.

 

Per 1 januari 2019 wordt een abonnementstarief voor de Wmo verwacht. In afwachting van de wetswijziging maakt dat naar verwachting voor het systeem van aanlevering niet uit voor het CAK. Artikel 10 is in afwachting van alle wijzigingen in landelijke regelgeving gehandhaafd.

 

Artikel 11. Omvang hulp bij het huishouden

 

Op 10 december 2018 heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan over het beleid hulp bij het huishouden zoals we dat in onze gemeente voeren. Althans uit de uitspraak blijkt dat het rapport van de gemeente Utrecht om te kunnen komen tot een objectieve en onafhankelijke onderbouwing van het beleid niet toepasbaar is op het beleid zoals we dat als gemeente voerde. Met ingang van 25 maart 2019 wordt het beleid rondom de hulp bij het huishouden daarom aangepast. Met ingang van deze datum wordt op het vlak van de lichte en zware huishoudelijke taken het beleid zoals Utrecht dat voert vanaf 2015 gehanteerd als het beleid van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk. Dat wil zeggen dat de gemeente een norm van 105 uur per jaar hanteert voor de lichte en zware taken. Het rapport van KPMG Plexus en Bureau HHM wordt daarvoor als objectieve onafhankelijke onderbouwing gehanteerd. Voor alle andere normen die in artikel 11 worden genoemd geldt het protocol van het CIZ als objectieve onafhankelijke onderbouwing.

 

De norm van 105 uur per jaar wordt om praktische, administratieve redenen aan de inwoner toegekend met een norm van 125 minuten per week. De huidige contractering laat het niet toe om met een jaarurennorm te werken waardoor declaratie door de aanbieder op onoverkomelijke problemen stuit. Met een indicatie van 125 minuten per week wordt de inwoner niet tekort gedaan.

 

Met ingang van 1 januari 2015 is bij de invoering van de Wmo 2015 in het kader van de hulp bij het huishouden een tabel opgenomen in de nadere regels en beleidsregels waarin normen voor de indicatiestelling worden genoemd. Conform regionale contractering biedt de gemeente Bodegraven-Reeuwijk hulp bij het huishouden aan als een maatwerkvoorziening. Contractueel is daarbij afgesproken dat gestreefd wordt naar een schoon en leefbaar huis waarbinnen in ieder geval zorg wordt gedragen voor het licht en zwaar huishoudelijk werk, de was, de maaltijden en het ramen zemen aan de binnenkant.

 

De tabel voor 2019 met de daarbij genoemde onderbouwing ziet er daarmee als volgt uit:

 

 

Activiteiten

Aantal minuten, gebaseerd op de omvang van de woning

Maximale frequentie

Norm CIZ protocol, gebaseerd op de omvang van de leefeenheid + omvang van de woning

Resultaat onderzoek Utrecht

Broodmaaltijden bereiden

 

 

15 minuten

Niet onderzocht

Maaltijden koken

 

 

30 minuten

Niet onderzocht

Licht en zwaar huishoudelijk werk

 

 

 

104,9 uur per jaar

Textielverzorging

 

 

60 tot 90 minuten per week

Niet onderzocht

Verzorgen van kinderen

 

 

Maximaal 40 uur

Niet onderzocht

Organisatie huishouden

60 minuten

In afwijking van CIZ protocol

30 minuten

Niet onderzocht

Advies, instructie, aanleren

 

Maximaal 6 weken

30 minuten

Niet onderzocht

Psychosociale hulp

 

 

30 minuten

Niet onderzocht

Algemene meerkosten

 

 

 

 

Aanwezigheid kinderen

15 minuten

Per kind van 6 jaar of jonger

 

Niet onderzocht

Intensief gebruik of hoge vervuilingsgraad

60 minuten

 

 

Niet onderzocht

Specifieke problematiek

60 minuten

 

 

Niet onderzocht

Voor de inhoudelijke werkzaamheden wordt aangesloten bij de werkzaamheden zoals Utrecht en het CIZ-protocol die verwoorden.

 

Licht huishoudelijk werk:

Stof afnemen droog, nat afnemen en opruimen.

 

Zwaar huishoudelijk werk:

Basis: stofzuigen, dweilen, badkamer schoonmaken, keukenblok schoonmaken en bed verschonen.

 

Incidenteel: Raambekleding wassen/schoonmaken, meubels schoonmaken, radiatoren reinigen, keukenapparatuur schoonmaken, binnen- en bovenzijde keukenkastjes afnemen, deuren, deurposten en tegelwanden afnemen, ramen zemen en trap stofzuigen.

 

Was:

Kleding en linnengoed sorteren en wassen in wasmachine.

Centrifugeren, ophangen, afhalen, dan wel drogen in droogmachine.

Vouwen, strijken bovenkleding, opbergen.

 

Ten slotte: het is te allen tijde van belang om voor ogen te houden dat er in deze nadere regels en beleidsregels wordt gesproken van een kadering waarin ‘regulier toe te passen normen’ zijn verwoord. Met behulp van het individuele gesprek wordt een afweging gemaakt in relatie tot die normen. Individuele afwijkingen zijn altijd mogelijk, mits beargumenteerd vanuit de feitelijk geconstateerde noodzakelijk geachte aspecten.

 

Artikel 12. Omvang gebruikelijke zorg bij hulp bij het huishouden

Spreekt voor zich.

 

Artikel 13. Tegemoetkoming in de meerkosten voor personen met een beperking of chronische problemen

De collectieve ziektekostenverzekering wordt uitgevoerd op basis van de Participatiewet door Ferm Werk. Om in aanmerking te komen voor de extra premiebijdrage moet gebruik worden gemaakt van de collectieve ziektekostenverzekering voor minima en de uitgebreide aanvullende verzekering die beschikbaar is. Ferm Werk verricht op basis van haar regels een inkomens- en vermogenstoets. De vermogensgrens wordt gelijk aan de grens die de Belastingdienst stelt om in aanmerking te komen voor de huurtoeslag. Vermogen verbonden in de eigen woning telt daarbij niet mee. De inkomensgrens wordt bepaald op 140% van de bijstandsnorm.

 

Inwoners met een inkomen tot 110% van de bijstandsnorm ontvangen van Ferm Werk een premiekorting van 15 euro per maand.

 

De omvang van de extra premiebijdrage voor personen met een beperking of chronisch probleem is met ingang van 1 januari 2018 € 260 per jaar. De inwoner kan op een aantal manieren bij Ferm Werk aantoonbaar maken dat hij/zij tot de doelgroep van personen met een beperking of chronisch probleem behoort. Inwoners die hier niet aan voldoen kunnen toch in aanmerking komen voor de extra premiebijdrage indien de Wmo consulent tot de beoordeling komt dat de inwoner een beperking of chronisch probleem heeft en aannemelijk is dat daar meerkosten aan zijn verbonden als gevolg hiervan.

 

Artikel 14. e.v.

Geen toelichting.