Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Bodegraven-Reeuwijk

Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk houdende nadere regels ter uitvoering van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Bodegraven-Reeuwijk 2020 en de Verordening jeugdhulp Bodegraven-Reeuwijk 2020 (Nadere regels sociaal domein 2020)

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieBodegraven-Reeuwijk
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingBesluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk houdende nadere regels ter uitvoering van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Bodegraven-Reeuwijk 2020 en de Verordening jeugdhulp Bodegraven-Reeuwijk 2020 (Nadere regels sociaal domein 2020)
CiteertitelNadere regels sociaal domein 2020
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpalgemeen
Eigen onderwerpjeugdzorg, maatschappelijke ondersteuning

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015
  2. https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/Bodegraven-Reeuwijk/630754/CVDR630754_1.html

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

09-04-202001-01-2020Art. 2

24-03-2020

gmb-2020-92623

01-01-202009-04-2020Nieuwe regeling

17-12-2019

gmb-2019-316726

Z/19/85974

Tekst van de regeling

Intitulé

Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk houdende nadere regels ter uitvoering van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Bodegraven-Reeuwijk 2020 en de Verordening jeugdhulp Bodegraven-Reeuwijk 2020 (Nadere regels sociaal domein 2020)

 

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk;

 

gelet op de artikelen 7, vierde lid, onder i, 8, derde lid en 13 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2020;

 

gelet op de artikelen 2, derde lid, 5, zevende lid en 10, zevende lid, van de Verordening jeugdhulp Bodegraven-Reeuwijk 2020;

 

besluit:

 

vast te stellen de volgende

 

Nadere regels sociaal domein 2020

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze nadere regels wordt verstaan onder:

  • -

    declarabele uren: direct cliëntgebonden uren, zijnde uren besteed aan werkzaamheden in direct contact met de budgethouder en die bestaan uit werkzaamheden zoals omschreven in het ondersteuningsplan; onder “direct contact” wordt verstaan persoonlijk of telefonisch contact of schriftelijk contact (inclusief e-mail); de kosten van indirect cliëntgebonden en niet cliëntgebonden uren zijn opgenomen in het uurtarief;

  • -

    jeugdhulp: ondersteuning en/of hulp en/of zorg die wordt geboden op grond van de Jeugdwet;

  • -

    ondersteuner: de persoon die ondersteuning en/of hulp en/of zorg verleent aan de inwoner met een persoonsgebonden budget en met wie een zorgovereenkomst is gesloten;

  • -

    ondersteuning: ondersteuning die wordt geboden op grond van de Wmo;

  • -

    persoonsgebonden budget: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet;

  • -

    sociaal netwerk: tot het sociaal netwerk behoren personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de inwoner met een persoonsgebonden budget een sociale relatie onderhoudt, waartoe worden gerekend familieleden, huisgenoten, echtgenoot of voormalige echtgenoot of mantelzorgers dan wel personen met wie de cliënt regelmatig contacten onderhoudt, zoals bijvoorbeeld buren en medeleden van een vereniging;

  • -

    Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • -

    zorgovereenkomst: overeenkomst waarin afspraken tussen ondersteuner en/of zorgverlener en de inwoner met een persoonsgebonden budget worden vastgelegd volgens het model van de Sociale Verzekeringsbank.

 

Artikel 2. Hoogte persoonsgebonden budget ondersteuning en/of hulp en/of zorg

  • 1.

    De hoogte van het tarief voor de declarabele uren is afhankelijk van de omvang van de kosten met een maximum van:

    • a.

      voor hulp bij het huishouden:

      • € 27,00 per uur in de periode 1 januari 2020 tot en met 12 juli 2020;

      • € 27,60 per uur in de periode 13 juli 2020 tot en met 31 december 2020;

    • b.

      € 51,00 per uur voor begeleiding;

    • c.

      € 58,80 per uur voor begeleiding specialistisch;

    • d.

      € 64,80 per uur voor begeleiding intensief;

    • e.

      € 31,67 per dagdeel voor dagbesteding doorlopend (licht);

    • f.

      € 50,48 per dagdeel voor dagbesteding doorlopend specialistisch (zwaar);

    • g.

      € 40,50 per dagdeel voor dagbesteding ontwikkelgericht;

    • h.

      € 152,54 per etmaal voor logeeropvang;

    • i.

      € 227,64 per etmaal voor logeeropvang intensief;

    • j.

      € 111,73 per etmaal voor logeerverblijf;

    • k.

      € 1,40 per kilometer + 6% btw met een minimum van € 10,00 per rit voor vervoer naar dagbesteding en groepsbehandeling met een taxi;

    • l.

      € 0,26 per kilometer voor vervoer door het sociaal netwerk naar dagbesteding en groepsbehandeling;

    • m.

      € 0,26 per kilometer voor vervoer door het sociaal netwerk naar voorzieningen anders dan dagbesteding en groepsbehandeling voor zover op jaarbasis meer dan 2000 kilometer wordt gereden en er geen andere oplossingen mogelijk zijn.

  • 2.

    Een persoonsgebonden budget voor overige producten worden verstrekt conform bijlage 1.

  • 3.

    Het uurtarief voor het inhuren van iemand uit het sociale netwerk of een persoon die niet een opleiding tot het verlenen van ondersteuning heeft genoten bedraagt maximaal € 12,75 per uur (120% van het wettelijk minimumloon voor een werknemer van 23 jaar en ouder) bij inzet van een voorziening zoals bedoeld in het eerste lid, onder a, b en c.

 

Artikel 3. Hoogte budget hulpmiddelen

  • 1.

    De hoogte van het budget voor aanschaf van een geindiceerd hulpmiddel is gelijk aan de kostprijs van de goedkoopst adequate voorziening.

  • 2.

    Het budget kan zo nodig worden verhoogd met de kostprijs van individuele aanpassingen.

  • 3.

    Het persoonsgebonden budget wordt met 7% verhoogd voor de kosten van onderhoud, reparatie en eventuele aanvullende verzekering gedurende de gebruiksduur.

  • 4.

    De minimale gebruiksduur van een hulpmiddel is gesteld op 7 jaar, tenzij zich bijzondere omstandigheden voordoen.

  • 5.

    Het volledig toegekende budget (aanschaf, indivuele aanpassingen, onderhoud, reparatie en verzekering) wordt overgemaakt na ontvangst van de aanschafnota van het middel.

  • 6.

    Kosten van onderhoud, reparatie en verzekering behoeven geen verdere verantwoording.

 

Artikel 4. Hoogte budget verhuiskosten

De maximale vergoeding voor verhuiskosten bedraagt € 3.186,00.

 

Artikel 5. Hoogte budget woningaanpassing

  • 1.

    De hoogte van het budget voor aanpassing van de woning is gelijk aan de kostprijs van de goedkoopst adequate voorziening.

  • 2.

    Woningaanpassingen die periodiek onderhoud vergen, zoals trapliften en automatische deuropeners, komen in aanmerking voor een onderhoudscontract waarbinnen preventief onderhoud en reparatie zijn opgenomen.

  • 3.

    De inwoner kan de kosten van het onderhoudscontract jaarlijks declareren bij de gemeente.

  • 4.

    Het budget voor de woningaanpassing wordt overgemaakt na ontvangst van de nota van de aanpassing.

 

Artikel 6. Hoogte budget sportvoorziening

Het budget voor de aanschaf van een sportvoorziening bedraagt maximaal € 3.615,00. Het bedrag is bedoeld als tegemoetkoming in aanschaf (maximaal € 2.976,00) en onderhoud, keuring, reparatie (maximaal € 639,00) van een sportrolstoel of vergelijkbare voorziening voor een periode van ten minste 3 jaar.

 

Artikel 7. Hoogte budget vervoersvoorzieningen

Voor een budget voor vervoersvoorzieningen geldt dat deze wordt gebaseerd op een hoogte gelijk aan 2000 te rijden kilometers per jaar. De maximale hoogte is als volgt vastgesteld:

  • a.

    voor het gebruik van een eigen auto, als de aanvrager geen gebruik kan maken van het collectief vervoer, geldt een normbedrag van € 1.041,00 op jaarbasis;

  • b.

    voor het gebruik van een taxi, als de aanvrager geen gebruik kan maken van het collectief vervoer en niet rolstoelgebonden is, geldt een budget van € 4.230,00 op jaarbasis;

  • c.

    voor het gebruik van een rolstoeltaxi, als de aanvrager geen gebruik kan maken van het collectief vervoer en rolstoelgebonden is, geldt een budget van € 5.167,00 op jaarbasis.

 

Artikel 8. Bepaling omvang gebruikelijke zorg

Voor de bepaling van de omvang van gebruikelijke zorg op grond van de Jeugdwet, zoals bedoeld in artikel 5, zevende lid, van de Verordening jeugdhulp Bodegraven-Reeuwijk 2020, wordt de factsheet “Zorg voor kinderen met een intensieve zorgvraag, gebruikelijke zorg” gehanteerd zoals het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft uitgebracht in november 2016 en zoals opgenomen in bijlage 2 van deze Nadere Regels.

 

Artikel 9. Tegemoetkoming in de meerkosten voor personen met een beperking of chronische problemen

  • 1.

    Ter tegemoetkoming van de meerkosten van een beperking of chronisch probleem biedt de gemeente aan minima via Ferm Werk een gemeentelijke collectieve ziektekostenverzekering op grond van de Participatiewet. Op grond van de Participatiewet wordt met betrekking tot het inkomen en het vermogen de doelgroep bepaald voor de collectieve ziektekostenverzekering en de doelgroep voor de premiekorting. Op grond van de Wmo wordt de doelgroep van personen met een beperking of chronisch probleem voor de extra premiebijdrage bepaald.

  • 2.

    Een inwoner heeft recht op de extra premiebijdrage voor personen met een beperking of chronisch probleem als:

    • a.

      deze op grond van de Participatiewet toetreedt tot de gemeentelijke collectieve ziektekostenverzekering voor minima en

    • b.

      daarnaast sprake is van een voorziening op grond van de Wmo, een gehandicaptenparkeerkaart of gehandicaptenparkeerplaats, een uitkering krachtens de WAO ontvangt naar een percentage van 80% tot 100% of een IVA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) of op grond van de Wmo wordt aangemerkt als een persoon met een beperking waarbij aannemelijk is dat er sprake is van meerkosten als gevolg daarvan.

 

Artikel 10. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van deze nadere regels, indien toepassing ervan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.

 

Artikel 11. Indexering

  • 1.

    Het college indexeert jaarlijks de bedragen genoemd in artikel 4, 6 en 7 conform de CPI-index van september van elk jaar.

  • 2.

    De indexering voor het jaar 2020 is vastgesteld op 2,65%, waarbij bedragen op hele euro’s naar boven worden afgerond.

  • 3.

    De bedragen genoemd in artikel 2, eerste en derde lid, worden autonoom aangepast op basis van beleidsmatige overwegingen gebaseerd op contractuele afspraken met de aanbieders voor zorg in natura dan wel op basis van wetswijzigingen.

 

Artikel 12. Intrekking en overgangsrecht

  • 1.

    De Nadere regels en beleidsregels sociaal domein 2019 worden ingetrokken.

  • 2.

    Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Nadere regels en beleidsregels sociaal domein 2019 totdat het college een nieuw besluit heeft genomen.

  • 3.

    Aanvragen die zijn ingediend onder de Nadere regels en beleidsregels sociaal domein 2019 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze nadere regels, worden afgehandeld krachtens deze nadere regels.

  • 4.

    Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Nadere regels en beleidsregels sociaal domein 2019 wordt beslist met in achtneming van die nadere regels.

Artikel 13. Inwerkingtreding

Deze nadere regels treden in werking op 1 januari 2020.

 

Artikel 14. Citeertitel

Deze regels worden aangehaald als: Nadere regels sociaal domein 2020.

 

Bodegraven, 17 december 2019.

 

Burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk,

de secretaris,

drs. J.G. de Jager

 

de burgemeester,

mr. C. van der Kamp

 

Bijlage 1. Omvang persoonsgebonden budget overige producten

 

Omschrijving

Eenheid

Tarief 2020

 

 

 

Dagbesteding Kinderdagcentrum (KDC)

dagdeel

€ 61,58

 

 

 

BW verzilverd als dagbesteding doorlopend

dagdeel

€ 31,67

 

 

 

BW verzilverd als dagbesteding doorlopend specialistisch (zwaar)

dagdeel

€ 50,48

 

 

 

 

Gezinshuizen

etmaal

€ 139,09

 

 

 

PleegzorgPlus

Traject

n.t.b.

 

 

 

Pleegzorg

etmaal

€ 41,24

 

 

 

Individuele behandeling

Uur

€ 96,60

 

 

 

Individuele behandeling - zwaar

Uur

€ 123,00

 

 

 

Individuele behandeling gedragswetenschapper

uur

€ 112,80

 

 

 

Jeugdhulp diagnostiek

uur

€ 112,80

 

 

 

Ambulante crisishulp

uur

€ 126,00

 

 

 

Groepsbehandeling

dagdeel

€ 74,01

 

 

 

Groepsbehandeling zwaar

dagdeel

€ 85,52

 

 

 

Groepsbehandeling Kinderdagcentrum (KDC)

dagdeel

€ 94,46

 

 

 

Behandelgroep verblijf

etmaal

€ 216,58

 

 

 

Behandelgroep verblijf crisis

etmaal

€ 241,82

 

 

 

Behandeling verblijf 3 milieusvoorzieining

etmaal

€ 284,97

 

 

 

Beschut Wonen t.b.v. zelfstandigheidstraining

etmaal

€ 34,37

 

 

 

Generalistische Basis-GGZ Kort

stuk

€ 415,15

 

 

 

Generalistische Basis-GGZ Middel

stuk

€ 707,70

 

 

 

Generalistische Basis-GGZ Intensief

stuk

€ 1.072,27

 

 

 

Generalistische Basis-GGZ Intensief Plus

stuk

€ 1.544,06

 

 

 

Generalistische Basis-GGZ Onvolledig Behandeltraject

stuk

€ 169,44

 

 

 

Intake, Anamnese, Diagnostiek en Behandeling

stuk

€ 1.219,50

 

 

 

Medicamenteuze behandeling

stuk

€ 285,89

 

 

 

Eenmalig consult voor medicatieadvies / medicatiebijstelling

stuk

€ 45,99

 

 

 

Jeugd-ggz behandeling specialistisch

uur

€ 103,80

 

 

 

Jeugd ggz behandeling hoog-specialistisch

uur

€ 121,20

 

 

 

Jeugd-ggz diagnostiek

uur

€ 120,00

 

 

 

Jeugd-ggz verblijf licht

etmaal

€ 353,32

 

 

 

Jeugd-ggz verblijf zwaar

etmaal

€ 519,83

 

 

 

Jeugd-ggz Verblijf zonder Overnachting (VZO)

etmaal

€ 113,14

 

 

 

Jeugd-ggz Consultatie

stuk

€ 45,99

 

 

 

Jeugd-ggz Beschikbaarheidscomponent voor 24-uurs crisiszorg

Stuk

€ 665,53

 

 

 

Jeugd-ggz Crisis Behandeling

uur

€ 121,20

 

 

 

Jeugd-ggz Crisis Behandeling bij Verblijf

uur

€ 121,20

 

 

 

Jeugd GGZ Diagnostiek EED

uur

€ 87,60

 

 

 

Jeugd GGZ Behandeling EED

uur

€ 86,40

 

 

 

 

Bijlage 2. Bepaling omvang gebruikelijke zorg (artikel 5, zevende lid, van de Verordening jeugdhulp Bodegraven-Reeuwijk 2020 en artikel 8 van de nadere regels)

 

Bij de invulling van de vaststelling van gebruikelijke zorg op grond van de Verordening jeugdhulp Bodegraven-Reeuwijk 2020 wordt gebruik gemaakt van de factsheet “Zorg voor kinderen met een intensieve zorgvraag, gebruikelijke zorg” zoals het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft uitgebracht in november 2016.

 

Wat is gebruikelijke zorg?

 

Gebruikelijke zorg is de normale, dagelijkse zorg die ouders geacht worden aan hun kinderen te bieden. Voor kinderen geldt dat ouders hun minderjarige kinderen (tot 18 jaar) behoren te verzorgen, op te voeden en toezicht aan hen te bieden, ook als er sprake is van een kind met een ziekte, aandoening of beperking. Om deze reden worden handelingen die vallen onder gebruikelijke zorg in principe niet vergoed. Er is sprake van bovengebruikelijke zorg, als de voor het kind noodzakelijke zorg op het gebied van verzorging, verpleging en begeleiding uitgaat boven de zorg die een kind van dezelfde leeftijd zonder beperkingen redelijkerwijs nodig heeft. Dit kan betrekking hebben op de aard, frequentie en benodigde tijd voor deze handelingen.

 

Hoe wordt beoordeeld of er bij een handeling of bij toezicht sprake is van gebruikelijke zorg?

 

Er wordt naar een aantal criteria gekeken:

  • Leeftijd: jonge kinderen (gezond of met een aandoening) hebben meer zorg nodig van hun ouders dan oudere kinderen. Sommige handelingen zijn dus op jonge leeftijd nog gebruikelijke zorg maar worden op latere leeftijd als bovengebruikelijke zorg gezien. Voorbeeld: Veel kinderen van 4 jaar zijn overdag zindelijk en gaan zelf naar het toilet, maar het is niet ongewoon dat een kind van deze leeftijd hier stimulans, toezicht of hulp bij nodig heeft. Dit is dus gebruikelijke zorg.

  • Aard van de zorghandeling: gebruikelijke zorg bij kinderen kan ook handelingen omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen.Voorbeelden van handelingen die gebruikelijke zorghandelingen vervangen, zijn: het legen van een katheterzakje in plaats van verschonen; bij een kind met een verstandelijke beperking oefenen met het gebruik van pictogrammen in plaats van oefenen met topografie. Dit zijn dus voorbeelden van gebruikelijke zorg.

  • Frequentie: zorghandelingen die meelopen in het normale patroon van dagelijkse zorg voor een kind, zoals drie keer per dag eten, kunnen als gebruikelijke zorg worden aangemerkt. Bijvoorbeeld: bij een kind dat bij het ontbijt en het naar bed gaan medicatie aangereikt moet krijgen, loopt dit mee in het normale patroon van dagelijkse zorg voor een kind en wordt dit als gebruikelijke zorg aangemerkt. Bijvoorbeeld: zorghandelingen die niet meelopen in het normale patroon van dagelijkse zorg van ouders aan een kind, is het meerdere malen per nacht bieden van zorg van ouders aan een ouder kind. Dit is dus geen gebruikelijke zorg.

  • De tijd dat iemand met een zorghandeling bezig is: alle kinderen hebben tot een bepaalde leeftijd hulp nodig bij wassen en kleden, maar als deze handelingen veel meer tijd kosten vanwege bijvoorbeeld spasticiteit, wordt deze extra tijd niet als gebruikelijke zorg gezien.

  • Samenhangende beoordeling. De hiervoor genoemde criteria moeten telkens in samenhang en gelet op de omstandigheden van het kind worden beoordeeld. Voorbeeld: het geven van orale medicatie (aard) bij een kind van 9 jaar (leeftijd) is gebruikelijke zorg. Als de medicatie elke nacht (meerdere malen) moet worden toegediend, loopt dit niet mee in het dagelijkse patroon. Dan moet er beoordeeld worden of ouders hierdoor zodanig belast worden dat het niet meer redelijk is dit als gebruikelijke zorg te zien.

  • Ook voor zorghandelingen die een kind zelf kan uitvoeren (zelfzorg), kan geen zorg worden geïndiceerd. Voorbeeld: een kind van 14 met diabetes dat zelf zijn bloedsuiker kan prikken en insuline kan spuiten. Eventueel kan wel af en toe verpleging gewenst zijn om de kwaliteit van de zelfzorg te borgen. Wie beoordeelt of er sprake is van gebruikelijke zorg? Dat hangt af vanuit welke wet de zorg van het kind georganiseerd en gefinancierd wordt.

 

Kan bij overbelasting gebruikelijke zorg wel worden vergoed vanuit Jeugdwet?

 

De zorg voor een ziek kind kan voor de verzorgers zo zwaar worden dat er van overbelasting sprake is. In de meeste gevallen is de bovengebruikelijke zorg die geïndiceerd wordt voldoende om deze overbelasting te voorkomen. Maar soms blijkt deze geïndiceerde zorg niet voldoende te zijn. In zulke gevallen kan de gebruikelijke begeleiding zo nodig geheel of gedeeltelijk geïndiceerd worden. Ook kan er soms vanuit de Jeugdwet tijdelijke respijtzorg worden georganiseerd. Hierbij moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. De met de overbelasting gepaard gaande klachten moeten duidelijk beschreven worden. Soms kan het helpen om hierover contact op te nemen met bijvoorbeeld de huisarts om de ouder te helpen om een oordeel te vormen.

 

Richtlijnen ten aanzien van gebruikelijke zorg van ouders voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen van het kind.

 

Kinderen van 0 tot 3 jaar

  • hebben bij alle activiteiten verzorging van een ouder nodig;

  • ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig;

  • zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen;

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

  • hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.  

 

Kinderen van 3 tot 5 jaar

  • kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer);

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

  • kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen;

  • hebben hulp, toezicht, stimulans en controle nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;

  • hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;

  • zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven;

  • hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.  

 

Kinderen van 5 tot 12 jaar

  • kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week;

  • kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is);

  • hebben toezicht, stimulans en controle nodig en vanaf 6 jaar tot 12 jaar geleidelijk aan steeds minder hulp nodig bij hun persoonlijke verzorging zoals het zich wassen en tanden poetsen;

  • hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie;

  • zjn overdag zindelijk, en ‘s nachts merendeels ook; ontvangen zonodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers;

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

  • hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan;

  • hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.  

 

Kinderen van 12 tot 18 jaar

  • hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;

  • kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;

  • kunnen vanaf 16 jaar een dag en/of een nacht alleen gelaten worden;

  • kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen;

  • hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig;

  • hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig;

  • hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding;

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen);

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

  • hebben tot 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Artikel 2. Hoogte persoonsgebonden budget ondersteuning en/of hulp en/of zorg

In dit artikel zijn de uurtarieven voor ondersteuning en/of jeugdhulp opgenomen. Zo ook de tarieven voor het inhuren van een familielid, vrienden, kennissen. De hoogte van de persoonsgebonden budgetten zijn gelijk aan de FEITELIJKE KOSTEN maar MAXIMAAL 100% van het contractueel afgesproken tarief van zorg in natura dan wel gelieerd aan het wettelijk minimumloon.

 

Vervoersvoorziening

Een jeugdige of de ouder van een jeugdige die in behandeling is bij een GGZ instelling kan in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening naar deze GGZ instelling, indien binnen een periode van 12 maanden meer dan 2.000 kilometer gereisd moet worden van en naar een specialistische behandeling in de GGZ instelling en er niet een behandellocatie dichter in de buurt aanwezig is.

De gemeente kan met het beschikbaar stellen van een persoonsgebonden budget het vervoer vergoeden tot een vastgesteld maximum als de jeugdige of de ouder van de jeugdige bewust kiest voor een zorgaanbieder die verder weg is gevestigd waar er wel een vergelijkbaar zorgaanbod dichterbij beschikbaar is.

 

Vormen van vervoersvoorziening

Een vervoersvoorziening kan, ter beoordeling van het college, bestaan uit een vergoeding van de vervoerskosten (eigen vervoer of openbaar vervoer) of een taxivoorziening.

 

Wijze van aanvragen

De jeugdige of de ouder van de jeugdige dient via het sociaal team een onderbouwde aanvraag voor vervoer in. Daarbij dient deze aan te tonen dat voldaan wordt aan het afstandscriterium en het niet beschikbaar zijn van een behandellocatie in de buurt.

 

Wijze van vergoeden

De kosten voor eigen vervoer en openbaar vervoer worden achteraf vergoed op basis van een declaratie waarbij per reisbeweging de kilometers worden verantwoord of waarbij de reisbewijzen worden ingediend.

 

De kosten voor het taxivervoer worden rechtstreeks met de gecontracteerde taxivervoerder afgerekend.

 

Het staat de cliënt vrij om iemand in te huren voor ondersteuning en/of jeugdhulp. Dat kan iemand zijn uit het sociaal netwerk, maar ook de inzet van een professional (organisatie of ZZP’er). In de hoogte van de vergoeding zit een verschil. Een cliënt die met zijn persoonsgebonden budget een familielid of buurvrouw inhuurt wordt niet geconfronteerd met kosten van overhead. Het persoongebonden budget om vanuit het sociaal netwerk in te huren is dan ook lager. Uitbetaling vindt plaats per maand.

 

Op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Bodegraven-Reeuwijk 2020 en de Verordening jeugdhulp Bodegraven-Reeuwijk 2020 wordt aangesloten bij de Wet minumloon. Met de tarieven wordt een percentage van dit minimumloon gehanteerd. Met ingang van 1 januari 2020 wordt voor de inzet van het sociaal netwerk 1 tarief gehanteerd namelijk 120% van het minimumloon gelijk aan € 12,75 per uur voor 2020.

 

Artikel 3. Hoogte budget hulpmiddelen

In dit artikel is de hoogte van het budget voor overige voorzieningen vastgelegd.

 

Artikelen 4 en 5. Hoogte budget woonvoorzieningen

In artikel 4 is geregeld bij welk bedrag van de cliënt wordt gevraagd om te kijken naar een andere woning. Ook is geregeld welke vergoeding de cliënt maximaal kan verwachten wanneer tot verhuizen wordt overgegaan.

 

Uitbetaling vindt plaats nadat een overschrijving in de BRP heeft plaatsgevonden. De client hoeft de kosten daarbij niet te verantwoorden.

 

De omvang van het budget is gemaximeerd en bedoeld als een tegemoetkoming in de werkelijke kosten. De omvang is gebaseerd op de volgende overwegingen:

 

  • a.

    kosten voor de eerste inschrijving bij Woningnet;

  • b.

    kosten voor de eerste inschrijving bij een woningcorporatie;

  • c.

    de waarborgsom;

  • d.

    kosten van de verhuizing en/of de noodzakelijke opslag van de bestaande inboedel;

  • e.

    de dubbele woonlasten (2e huur);

  • f.

    eenmalige materiaalkosten van witten, schilderen en behangen van de nieuwe woning;

  • g.

    eenmalige materiaalkosten voor het bedekken van de vloer;

  • h.

    het arbeidsloon voor het opknappen van de nieuwe woning (verven en behangen), als u dat door een chronische ziekte, handicap of ouderdom niet zelf kunt doen. 

 

In artiekl 5 zijn de voor vergoeding in aanmerking te nemen kosten voor een woningaanpassing opgenomen. Daarbij gelden voor bouwkundige of woontechnische voorzieningen de volgende maximale bedragen:

 

  • a.

    € 1.020,00 voor een woonwagen;

  • b.

    € 1.020,00 voor een woonschip;

  • c.

    € 2.753,00 voor het bezoekbaar en/of logeerbaar maken van een woning. 

 

Bij het vaststellen van de hoogte van het budget in de kosten van een woningaanpassing in de vorm van bouwkundige of woontechnische woonvoorziening wordt rekening gehouden met de volgende kostensoorten:

 

 

  • a.

    de aanneemsom (waarin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening;

  • b.

    de risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de Risicoregeling Woning- en Utiliteitsbouw 1991;

  • c.

    als het noodzakelijk wordt geacht een architect in te schakelen: het architectenhonorarium tot ten hoogste 10% van de aanneemsom, met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald in de Rechtsverhouding opdrachtgever-architect, ingenieur en adviseur DNR 2011 en de kosten van het toezicht op de uitvoering, als dit noodzakelijk is, tot een maximum van 2% van de aanneemsom;

  • d.

    de leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening;

  • e.

    de verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare omzetbelasting;

  • f.

    het renteverlies in verband met het verrichten van noodzakelijke betaling aan derden voordat de bijdrage is uitbetaald, voor zover deze verband houdt met de bouw dan wel het treffen van de voorziening;

  • g.

    de kosten van het verwerven van extra bouwrijpe grond indien noodzakelijk als niet gebouwd kan worden binnen de oorspronkelijke kavel;

  • h.

    de door het college schriftelijk goedgekeurde kostenverhogingen die ten tijde van de raming van de kosten niet te voorzien waren;

  • i.

    de kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing;

  • j.

    de kosten van heraansluiting op de openbare nutsvoorziening;

  • k.

    de administratiekosten die de verhuurder maakt ten behoeve van het treffen van de bouwkundige voorziening, voor zover de kosten onder a tot en met j meer bedragen dan € 1.270,00 voor 10% van die kosten tot maximaal € 491,00. 

 

Voor kosten van het aanbrengen/aanhelen van tegelwerk bedraagt de maximale vergoeding € 20,40 per m2 voor wandtegels en € 30,00 per m2 voor vloertegels.

 

Als er sprake is van sanering van de vloerbedekking bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 36,07 per m2 (inclusief arbeid, noodzakelijke materialen en BTW). De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van de afschrijvingstermijn van het te vervangen artikel. De vergoeding bedraagt een percentage van de kosten te weten:

 

 

  • -

    100% indien als het artikel nieuwer is dan twee jaar;

  • -

    75% indien het artikel tussen de twee en vier jaar oud is;

  • -

    50% indien als het artikel tussen de vier en zes jaar oud is;

  • -

    25% indien als het artikel tussen de zes en acht jaar oud is. 

 

De hoogte van de tegemoetkoming in de kosten in verband met huurderving is afhankelijk van de kale huur van de woonruimte met een maximum van € 654,00 per maand voor de duur van maximaal één jaar.

 

Als er sprake is van tijdelijke huisvesting is de hoogte van de vergoeding:

 

  • a.

    maximaal € 725,00 per maand bij een zelfstandige woonruimte;

  • b.

    maximaal € 397,00 per maand bij een niet-zelfstandige woonruimte. 

 

Artikel 6. Hoogte budget sportvoorziening

 

De sportvoorziening neemt een bijzondere plek in in de regelgeving. Onder de Wet voorzieningen gehandicapten was de sportrolstoel in de gemeentelijke regelgeving opgenomen maar dit betrof begunstigend buitenwettelijk beleid. Onder de Wmo is de overweging op zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van doorslaggevend belang of een sportrolstoel of in bredere zin, een sportvoorziening, wordt verstrekt. Dit is lang niet altijd zo en moet telkens goed worden overwogen. Jurisprudentie is daarin van belang. Kosten kunnen enorm oplopen en het gebruik kan beperkt zijn. In dit artikel is in aansluiting op eerder geformuleerd beleid de hoogte van het budget voor een sportvoorziening bepaald. 

 

Artikel 7. Hoogte budget vervoersvoorzieningen

 

In dit artikel liggen bedragen vast voor een budget in de auto- en taxikosten. Een tegemoetkoming in de kosten voor gebruik van de eigen auto wordt alleen verstrekt wanneer er sprake is van een contra-indicatie voor het gebruik van het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer. 

 

Artikel 8. Bepaling gebruikelijke zorg

 

Voor de uitleg van dit artikel is in deze regels een bijlage (bijlage 2) opgenomen. Er is geen verdere toelichting van toepassing.

 

Artikel 9. Tegemoetkoming in de meerkosten voor personen met een beperking of chronische problemen

 

De collectieve ziektekostenverzekering wordt uitgevoerd op basis van de Participatiewet door Ferm Werk. Om in aanmerking te komen voor de extra premiebijdrage moet gebruik worden gemaakt van de collectieve ziektekostenverzekering voor minima en de uitgebreide aanvullende verzekering die beschikbaar is. Ferm Werk verricht op basis van haar regels een inkomens- en vermogenstoets. Het is het voorstel van Ferm Werk om de regels om in aanmerking te komen voor een collectieve ziektekostenverzekering aan te passen met ingang van 1 januari 2020. De nadere regels op grond van de Wmo volgen dit beleid. Ferm Werk is van zins om de vermogenstoets los te laten en een inkomensgrens te gaan stellen van 120% van de bijstandsnorm.

 

De omvang van de extra premiebijdrage voor personen met een beperking of chronisch probleem is met ingang van 1 januari 2018 € 260 per jaar. De inwoner kan op een aantal manieren bij Ferm Werk aantoonbaar maken dat hij/zij tot de doelgroep van personen met een beperking of chronisch probleem behoort. Inwoners die hier niet aan voldoen kunnen toch in aanmerking komen voor de extra premiebijdrage indien de Wmo consulent tot de beoordeling komt dat de inwoner een beperking of chronisch probleem heeft en aannemelijk is dat daar meerkosten aan zijn verbonden als gevolg hiervan.

 

Artikel 10. e.v.

 

Geen toelichting.