Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Boxmeer

Nadere Regels Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Boxmeer 2018

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieBoxmeer
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingNadere Regels Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Boxmeer 2018
CiteertitelNadere Regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Boxmeer 2018
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpalgemeen
Eigen onderwerpZorg en gezondheid
Externe bijlageToelichting

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Onbekend

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-201801-01-2018Vervanging regeling 2017

13-03-2018

gmb-2018-67985

Z/17/665483 – D/18/687286

Tekst van de regeling

Intitulé

Nadere Regels Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Boxmeer 2018

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.

    Algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning

  • 2.

    Andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • 3.

    Bijdrage in de kosten: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de Wet;

  • 4.

    Cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2. eerste lid van de wet;

  • 5.

    Gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wet;

  • 6.

    Hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wet;

  • 7.

    Melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wet;

  • 8.

    Onderzoek: het onderzoek zoals bedoeld in artikel 7 van de Verordening

  • 9.

    Ondersteuningsplan HV: het ondersteuningsplan huishoudelijke verzorging zoals bedoeld in artikel 11 lid 4 van de Verordening.

  • 10.

    Persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 2 van de Wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen;

  • 11.

    Persoonsgebonden budget (Pgb): een maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet;

  • 12.

    Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt

  • 13.

    Voorliggende voorziening: al hetgeen tegemoetkomt aan de hulpvraag, al dan niet wettelijk, en voorgaat op een verstrekking van een maatwerkvoorziening;

  • 14.

    Verordening; Verordening Maatschappelijke Ondersteuning Gemeente 2018

  • 15.

    Ingezetene: cliënt die woonachtig is in de gemeente;

  • 16.

    Uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;

  • 17.

    Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

 

 

Hoofdstuk 2 Procedure melding, onderzoek en aanvraag

Artikel 2 Melding

  • 1.

    Een melding zoals bedoeld in artikel 2 van de Verordening is een verzoek waarin wordt gevraagd om maatschappelijke ondersteuning zoals bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de Wet.

  • 2.

    Na ontvangst van de melding wordt uiterlijk binnen 10 werkdagen een afspraak voor een gesprek gemaakt.

 

Artikel 3 Spoedprocedure

  • 1.

    Als er een melding wordt gemaakt van een situatie waarin direct maatschappelijke ondersteuning nodig is, wordt, in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek, een tijdelijke maatwerkvoorziening verstrekt.

  • 2.

    Gedurende deze periode wordt, indien er langer ondersteuning wordt gevraagd, het onderzoek uitgevoerd om zodoende te komen tot een definitief besluit over het al dan niet verstrekken van een maatwerkvoorziening.

 

Artikel 4 Cliëntondersteuning

  • 1.

    Het College informeert de cliënt over de mogelijkheid van cliëntondersteuning en waar deze verkregen kan worden

  • 2.

    Voor het onderzoek kan cliëntondersteuning ingezet worden om de hulpvraag helder te krijgen en mogelijke oplossingen te inventariseren.

  • 3.

    Als cliëntondersteuning heeft plaatsgevonden worden de resultaten hiervan meegenomen in het onderzoek.

Artikel 5 Algemene voorzieningen

Onder een algemene voorziening zoals bedoeld in de Wet, wordt in ieder geval doch niet limitatief verstaan:

  • een hulpmiddelenpool, zoals een rolstoel-, scootmobiel-, tillift- of fietspool;

  • de Regiotaxi, voor zover het openbaar vervoer betreft;

  • ondersteuning door zorgcoöperaties en andere wijk-, buurt- en dorpsinitiatieven;

  • laagdrempelige inloopvoorzieningen;

  • een time-out voorziening.

 

 

Hoofdstuk 3 Maatwerkvoorziening

Artikel 6 Beschikking huishoudelijke verzorging

Het ondersteuningsplan HV, zoals bedoeld in artikel 9 lid 4 van de Verordening, omvat tenminste afspraken over welke huishoudelijke activiteiten de zorgaanbieder overneemt en de frequentie daarvan. In bijlage 1 van deze nadere regels zijn aanvullende regels voor de maatwerkvoorziening huishoudelijke verzorging opgenomen.

 

Artikel 7 Sportvoorzieningen als maatwerk

Het college biedt mogelijkheden voor de verstrekking van sporthulpmiddelen of andere sportvoorzieningen aan mensen met beperkingen. In bijlage 2 van deze nadere regels is een richtlijn voor de verstrekking van sportvoorzieningen als maatwerk opgenomen.

 

Artikel 8 Persoonsgebonden budget (Pgb)

Aan het verstrekken van een Persoonsgebonden budget (Pgb) zijn, naast de verplichtingen en voorwaarden zoals vermeld in artikel 2.3.6. van de Wet en artikel 11 van de Verordening de volgende aanvullende voorwaarden verbonden:

  • 1.

    De cliënt dient een gemotiveerd verzoek in om voor een Persoonsgebonden budget in aanmerking te komen

  • 2.

    De cliënt dient schriftelijke afspraken met de aanbieder te maken, waaruit in ieder geval blijkt dat het Persoonsgebonden budget veilig, doeltreffend en cliëntgericht wordt besteed

  • 3.

    De afspraken dienen in een zorgovereenkomst te worden opgenomen

  • 4.

    Een maatwerkvoorziening in de vorm van een verhuiskostenvergoeding of een sportvoorziening wordt enkel verstrekt in de vorm van een Persoonsgebonden budget.

  • 5.

    Bij het verstrekken van een Persoonsgebonden budget voor inzet van hulp vanuit het sociale netwerk moet tijdens het onderzoek door de cliënt worden aangetoond dat

    • a.

      Het aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is dan een maatwerkvoorziening in natura en;

    • b.

      er sprake is van overstijging van de gebruikelijke hulp en;

    • c.

      er sprake is van langdurige, omvangrijke en frequente ondersteuningsvraag

 

Artikel 9 Uitsluitingsgronden Persoonsgebonden budget (Pgb)

Naast de algemene uitsluitingsgronden voor een maatwerkvoorziening en de verplichtingen en voorwaarden zoals vermeld in artikel 11 lid 3 van de Verordening, gelden ten aanzien van het Persoonsgebonden budget de volgende specifieke uitsluitingsgronden:

  • 1.

    Indien het vermoeden bestaat dat de cliënt niet in staat is om zelf de besteding van het Persoonsgebonden budget of de verantwoording hiervoor te verzorgen.

  • 2.

    Indien de cliënt bij een eerder toegekende Persoonsgebonden budget zich niet aan de geldende regels en verantwoordelijkheden heeft gehouden en als dit verwijtbaar is.

  • 3.

    Er sprake is van een maatwerkvoorziening die naar verwachting binnen een kort tijdsbestek vervangen moet worden door een andere maatwerkvoorziening

  • 4.

    Een Persoonsgebonden budget voor inzet van hulp vanuit het sociaal netwerk niet aantoonbaar tot betere, effectievere en doelmatiger ondersteuning leidt, dan ondersteuning geleverd door een organisatie/instelling of een ZZP-er;

  • 5.

    De cliënt verzuimt schriftelijke afspraken te overleggen zoals bedoeld in Artikel 11, lid 3 sub a van de Verordening.

 

 

 

Artikel 10 De hoogte van het Persoonsgebonden budget

Naast de in artikel 11 lid 1 van de Verordening opgenomen bepalingen ten aanzien van de hoogte van het Persoonsgebonden budget gelden de volgende aanvullende bepalingen:

  • 1.

    In alle gevallen geldt dat het Persoonsgebonden budget toereikend moet zijn om de benodigde ondersteuning in te kunnen kopen.

  • 2.

    Het college hanteert bij het vaststellen van de hoogte van het Persoonsgebonden budget maximaal het tarief dat bij aanbesteding en gunning aan de zorgaanbieders tot stand is gekomen voor de desbetreffende geïndiceerde categorie.

  • 3.

    Om de hoogte van het Persoonsgebonden budget voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een verhuiskostenvergoeding of een sportvoorziening te kunnen bepalen, overlegt de cliënt tenminste 2 offertes.

  • 4.

    Het College kan bij de beoordeling van de offerte voor verhuiskosten de richtlijnen van het NIBUD hanteren.

  • 5.

    De hoogte van het Persoonsgebonden budget is een bruto budget.

 

Artikel 11 Uitbetaling van het Persoonsgebonden budget

  • 1.

    De Sociale Verzekeringsbank (SVB) voert namens het college de betalingen ten laste van het verstrekte Persoonsgebonden budget, alsmede het hiermee verbonden budgetbeheer, uit

  • 2.

    De uitbetaling vindt alleen plaats aan aanbieders dan wel hulpverleners waar de cliënt een contract mee heeft afgesloten.

 

Artikel 12 Kwaliteitseisen persoonsgebonden budget

Ter borging van de kwaliteit van de geleverde maatwerkvoorziening in de vorm van een Persoonsgebonden budget, gelden de volgende voorwaarden:

De cliënt maakt met de zorgaanbieder of hulpverlener van welke hij de maatwerkvoorziening inkoopt, schriftelijke afspraken over de kwaliteit in legt deze vast in het Pgb-plan.

Ten aanzien van de kwaliteit geldt dat een persoonsgebonden budget alleen wordt verstrekt indien de maatwerkvoorziening:

  • a.

    veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt gerealiseerd;

  • b.

    is afgestemd op de persoonlijke situatie en behoeften van de cliënt en zijn omgeving;

  • c.

    is afgestemd op andere vormen van ondersteuning en zorg, waaronder informele zorg;

  • d.

    wordt geleverd door personen die beschikken over de competenties en vaardigheden die nodig zijn om de gevraagde dienstverlening uit te voeren;

  • e.

    voldoet aan alle eisen die voortvloeien uit de van toepassing zijnde wet- en regelgeving.

Ten aanzien van de maatwerkvoorziening geldt dat:

  • a.

    een bewindvoerder niet als vertegenwoordiger kan worden aangemerkt indien hij uitsluitend zorgt voor de financiële regievoering van een cliënt;

  • b.

    het een cliënt niet is toegestaan de regie over het persoonsgebonden budget uit te besteden aan dezelfde organisatie of persoon die de maatwerkvoorziening levert.

Indien de maatwerkvoorziening, niet zijnde een hulpmiddel of woningaanpassing, wordt uitgevoerd door een andere zorgaanbieder dan een persoon uit het sociaal netwerk, gelden naast de eisen op grond van het tweede en derde lid de volgende specifieke eisen:

  • a.

    de cliënt en de zorgaanbieder maken gebruik van een Pgb-plan waarin doelen, afspraken en evaluatiemomenten worden vastgelegd. Het plan is afgestemd op door het college gestelde doelen en evaluatiemomenten. Uit het plan blijkt de betrokkenheid van de cliënt en het sociaal netwerk;

  • b.

    de zorgaanbieder werkt aantoonbaar aan kwaliteitsverbetering en doet op verzoek verslag aan het college van de voortgang van de ondersteuning;

  • c.

    er wordt gebruik gemaakt van een meldcode waarin wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden;

  • d.

    de zorgaanbieder meldt iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de levering van de voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar van de GGD Hart van Brabant;

  • e.

    de medewerkers en niet-incidentele vrijwilligers die ingezet worden bij de maatwerkvoorziening beschikken over een Verklaring omtrent gedrag (VOG) voor natuurlijke personen die niet eerder is afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop deze persoon voor de organisatie of ondernemer ging werken;

  • f.

    de zorgaanbieder houdt een klachtensysteem bij en neemt indien nodig aantoonbaar maatregelen.

Indien de maatwerkvoorziening, niet zijnde een hulpmiddel of woningaanpassing, wordt uitgevoerd door een persoon uit het sociaal netwerk, gelden naast de eisen op grond van het tweede en derde lid de volgende specifieke eisen:

  • a.

    de cliënt en de persoon die de maatwerkvoorziening uitvoert, maken gebruik van een Pgb-plan waarin doelen, afspraken en evaluatiemomenten worden vastgelegd. Het plan is afgestemd op door het college gestelde doelen en evaluatiemomenten. Uit het plan blijkt de betrokkenheid van de cliënt en het sociaal netwerk;

  • b.

    de persoon die de maatwerkvoorziening uitvoert doet op verzoek verslag aan het college van de voortgang van de ondersteuning;

  • c.

    de persoon die de maatwerkvoorziening uitvoert meldt iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de levering van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar van de GGD Hart van Brabant;

  • d.

    indien het college dit nodig acht in het kader van de veiligheid van de te leveren maatwerkvoorziening, kan het college bepalen dat de persoon die de maatwerkvoorziening uitvoert beschikt over een VOG voor natuurlijke personen die niet eerder is afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop deze persoon is gestart met het uitvoeren van de maatwerkvoorziening.

Het college kan periodiek onderzoek doen naar de voortgang van de resultaten en kwaliteit van de maatwerkvoorziening.

Bij een Persoonsgebonden budget hoger dan € 25.000, of een lager budget wanneer dat wenselijk geacht wordt, kan het college een aanvullend advies eisen van een inhoudelijk deskundige over het Pgb-plan en/of de uitvoering daarvan.

De kwaliteitseisen worden in de beschikking vastgelegd.

 

Artikel 13 Verantwoording van het Persoonsgebonden budget

  • 1.

    De verantwoording van het Persoonsgebonden budget wordt uitgevoerd door de Sociale Verzekeringsbank.

  • 2.

    Het college kan, in aanvulling op lid 1, een aanvullende controle uitvoeren op de rechtmatigheid en doelmatigheid van de besteding van het Persoonsgebonden budget.

  • 3.

    In de beschikking wordt opgenomen aan welke verantwoordingseisen voldaan moet worden.

Artikel 14 Bijdragen in de kosten

  • 1.

    De cliënt is een eigen bijdrage verschuldigd zolang hij gebruikt maakt van de maatwerkvoorziening, met inachtneming van het gestelde in artikel 2.1.4. lid 3 van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

  • 2.

    Met toepassing van artikel 16 lid 8 van de Verordening wordt de kostprijs voor de maatwerkvoorziening:

    • a.

      individuele ondersteuning, dagbesteding en/of kortdurend verblijf vastgesteld op € 150,-- per periode van 4 weken;

    • b.

      huishoudelijke verzorging geleverd door een door het college gecontracteerde aanbieder vastgesteld op € 23,11 per uur geleverde zorg.

Hoofdstuk 4 Mantelzorgwaardering

Artikel 15 Jaarlijkse waardering mantelzorgers

Met toepassing van artikel 23 van de Verordening is het jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente Boxmeer vastgelegd in het actuele beleidsplan “Mantelzorgbeleid Land van Cuijk”.

 

Hoofdstuk 5 Tegemoetkoming meerkosten

Artikel 16 tegemoetkoming meerkosten voor personen met een beperking of chronische, psychische of psychosociale problemen

Het college verstrekt geen tegemoetkoming in de meerkosten voor personen met een beperking of chronisch psychische of psychosociale probleem zoals bedoeld in artikel 2.1.7 van de Wet.

 

Hoofdstuk 6 Kwaliteit, inspraak en slotbepalingen

Artikel 17 Reële kostprijs bij diensten van derden

Bij een inschrijving met een derde, zoals bedoeld in artikel 18 lid 1 sub b van de Verordening, wordt aan deze derde de eis gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid van dat artikel.

Artikel 18 Meldingsregeling calamiteiten en geweld

Met inachtneming van artikel 19 van de Verordening kunnen naast de aanbieders ook anderen een calamiteit en/of geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de levering van een voorziening, melden aan de toezichthoudend ambtenaar.

Artikel 19 Betrekken van ingezetenen bij het beleid

Bij Verordening zijn regels gesteld in de “Verordening burgerparticipatie 2015” over het betrekken van ingezetenen bij het beleid, zoals bedoeld in artikel 22 van de Verordening.

 

Artikel 20 Inwerkingtreding

Deze “Nadere Regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Boxmeer 2018” treden met terugwerkende kracht in werking met ingang van 1 januari 2018.

 

Artikel 21 Intrekking oude beleidsregels en besluit

De Nadere Regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Boxmeer 2017 worden met ingang van 1 januari 2018 ingetrokken.

 

Artikel 22 Citeertitel

Deze nadere regels kunnen worden aangehaald als “Nadere Regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Boxmeer 2018. Deze nadere regels dienen in samenhang te worden gezien met de Verordening en de toelichting daarop als uitvloeisel van de Wet.