Regeling vervallen per 01-01-2016

Gemeenschappelijke regeling IJSSELgemeenten

Geldend van 01-01-2016 t/m 31-12-2015

Intitulé

Gemeenschappelijke regeling IJSSELgemeenten

Gemeenschappelijke regeling IJSSELgemeenten

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel en Zuidplas;

overwegende,

dat de gemeenten Capelle aan den IJssel en Krimpen aan den IJssel op 4 oktober 2012 een bestuursconvenant zijn aangegaan waarin zij hebben afgesproken te gaan samenwerken op het gebied van de gemeentelijke bedrijfsvoering;

dat de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Capelle aan den IJssel en Krimpen aan den IJssel de gemeenschappelijke regeling IJSSELgemeenten zijn aangegaan en dat deze gemeenschappelijke regeling IJSSELgemeenten op 1 januari 2015 in werking is getreden;

het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Capelle aan den IJssel en Krimpen aan den IJssel heeft verzocht toe te mogen treden tot de gemeenschappelijke regeling IJSSELgemeenten en dat de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Capelle aan den IJssel en Krimpen aan den IJssel met dit verzoek hebben ingestemd;

dat het uit doelmatigheidsoverwegingen aan de orde is om ter uitvoering van dit besluit een gemeenschappelijke regeling aan te gaan en daarbij een bedrijfsvoeringsorganisatie in te stellen;

gelet op, de toestemmingsbesluiten, bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, van de gemeenteraden van Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel en Zuidplas;

de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Gemeentewet, de Algemene wet bestuursrecht en de Archiefwet 1995;

B e s l u i t e n:

Tot het treffen van de “Gemeenschappelijke regeling IJSSELgemeenten”

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    regeling: de gemeenschappelijke regeling IJSSELgemeenten;

  • b.

    deelnemer: het college van burgemeester en wethouders van respectievelijk Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel en Zuidplas;

  • c.

    wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen;

  • d.

    IJSSELgemeenten: de bedrijfsvoeringsorganisatie IJSSELgemeenten, als bedoeld in artikel 2;

  • e.

    provincie: de provincie Zuid-Holland;

  • f.

    gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van de provincie;

  • g.

    college: het college van burgemeester en wethouders;

  • h.

    gemeente: de gemeente Capelle aan den IJssel, respectievelijk Krimpen aan den IJssel, respectievelijk Zuidplas.

Hoofdstuk 2. De bedrijfsvoeringsorganisatie

Artikel 2. Bedrijfsvoeringsorganisatie

  • 1. Er is een bedrijfsvoeringsorganisatie als bedoeld in artikel 8, derde lid van de wet, genaamd IJSSELgemeenten.

  • 2. De bedrijfsvoeringsorganisatie is gevestigd te Capelle aan den IJssel.

Artikel 3. Bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie

  • 1. IJSSELgemeenten heeft een bestuur.

  • 2. Het bestuur van IJSSELgemeenten bestaat uit leden die per deelnemer door de deelnemer uit zijn midden worden aangewezen.

Hoofdstuk 3 Belang, taken en bevoegdheden

Artikel 4. Belang en doel

  • 1.

    De regeling wordt uitsluitend getroffen ter behartiging van de sturing en beheersing van ondersteunende processen en van uitvoeringstaken van de deelnemers.

  • 2.

    Doel van de regeling is het bewerkstelligen van een kwalitatief hoogwaardige en doelmatige uitvoering van de door de deelnemers aan IJSSELgemeenten opgedragen taken.

Artikel 5 Taken

  • 1. Aan IJSSELgemeenten worden binnen het belang, bedoeld in artikel 4, eerste lid, in ieder geval taken toegekend, overeenkomstig artikel 7, die betrekking hebben op de volgende vakgebieden:

    • a.

      Sociale Zaken;

    • b.

      ICT & Automatisering.

  • 2. Als IJSSELgemeenten de in het eerste lid opgenomen taken van de regeling gaat uitvoeren sluiten IJSSELgemeenten als opdrachtnemer en de gemeenten als opdrachtgevers een of meer meerjarige dienstverleningsovereenkomsten. Het bestuur kan daartoe een of meer modellen vaststellen voor de dienstverleningsovereenkomsten.

  • 3. De in het eerste lid genoemde taken kunnen worden uitgebreid met andere taken bij afzonderlijk eensluidend besluit van alle deelnemers en aanvaarding van de nieuwe taken door het bestuur.

  • 4. Capelle aan den IJssel en Krimpen aan den IJssel nemen het pakket aan taken, zoals genoemd in het eerste lid onder a en b af. Zuidplas neemt het pakket aan taken, zoals genoemd in het eerste lid onder a af.

Artikel 6. Algemene bevoegdheidstoedeling

De deelnemers dragen de bevoegdheden die hen bij of krachtens de wet zijn toegekend in mandaat op aan het bestuur, voor zover dit nodig is voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 5. Het bestuur kan daartoe een of meer modellen vaststellen voor de mandaatbesluiten.

Artikel 7. Dienstverlening aan derden

  • 1. Voor zover de diensten vallen binnen het kader van de in artikel 5 vermelde taken, is IJSSELgemeenten tot een maximum van 20% van haar werktijd bevoegd tot het verrichten van diensten voor andere publiekrechtelijke rechtspersonen of overheidsgedomineerde privaatrechtelijke rechtspersonen. Met deze rechtspersonen en organisaties kunnen meerjarige dienstverleningsovereenkomsten afgesloten worden.

  • 2. IJSSELgemeenten zal dienstverleningsovereenkomsten, als bedoeld in het eerste lid, alleen aangaan indien de wederpartij voldoet aan de aanbestedingswetgeving bij de selectie van IJSSELgemeenten als opdrachtnemer.

Hoofdstuk 4. Het bestuur

Artikel 8. Samenstelling bestuur

Iedere deelnemer wijst uit zijn midden twee leden en twee plaatsvervangend leden aan als lid van het bestuur.

Artikel 9. Lidmaatschap bestuur

  • 1. De leden van het bestuur worden door en uit de colleges aangewezen voor de duur van de zittingsperiode van het college. Bij de aanvang van elke zittingsperiode vindt de aanwijzing plaats uiterlijk binnen zes weken na de eerste vergadering van de nieuw benoemde colleges.

  • 2. De leden van het bestuur treden af op de dag waarop de nieuw gekozen leden van het bestuur in functie treden.

  • 3. De leden van het bestuur treden af op het moment van verlies van het burgemeesterschap dan wel het wethouderschap.

  • 4. Het lid dat ter vervulling van een buiten de gewone tijd van aftreden opengevallen plaats tot lid van het bestuur is aangewezen, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, zou hebben moeten aftreden.

  • 5. Een lid van het bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Van dit ontslag stelt het lid de voorzitter van het bestuur, alsmede de voorzitter van het college dat hem heeft aangewezen, schriftelijk op de hoogte. Onverminderd het bepaalde in artikel 13, tweede lid, van de wet, behouden leden van het bestuur, die ontslag hebben genomen, hun lidmaatschap totdat onherroepelijk in hun opvolging is voorzien.

Artikel 10. Werkwijze bestuur

  • 1. Het bestuur vergadert tenminste tweemaal per jaar en voorts zo vaak als de voorzitter dit nodig oordeelt, dan wel tenminste twee leden van het bestuur dit, onder opgaaf van redenen, schriftelijk verzoeken. In het laatste geval vindt de vergadering plaats binnen twee weken.

  • 2. Voor de oproeping van de vergaderingen is artikel 19 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

  • 3. De secretarissen van de gemeenten wonen de vergaderingen van het bestuur bij. Zij kunnen deelnemen aan de beraadslagingen.

  • 4. De leden van het bestuur ontvangen voor hun werkzaamheden geen vergoeding in welke vorm dan ook.

Artikel 11. Stemverhouding

  • 1. Ieder lid van het bestuur heeft één stem.

  • 2. Voor zover bij of krachtens deze regeling niet anders is bepaald, worden besluiten van het bestuur bij volstrekte meerderheid genomen.

  • 3. De besluiten tot vaststelling van de begroting en de rekening, bedoeld in artikel 38, zesde lid, en artikel 39, tweede lid, en de besluiten tot benoeming en ontslag van de directeur, bedoeld in artikel 30, tweede en derde lid, worden bij unanimiteit genomen.

  • 4. De artikelen 28 tot en met 33 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing op besluiten van het bestuur, voor zover daarvan niet bij of krachtens de wet is afgeweken.

Artikel 12. Bevoegdheden van het bestuur

  • 1.

    Het bestuur heeft alle bevoegdheden die het bij of krachtens de Wet gemeenschappelijke regelingen en deze gemeenschappelijke regeling toekomt.

  • 2.

    Het bestuur vertegenwoordigt IJSSELgemeenten in en buiten rechte.

  • 3.

    Het bestuur is bevoegd te besluiten tot oprichting van en deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onder linge waarborgmaatschappijen.

.Artikel 13. Reglement van orde

  • 1.

    Het bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast.

  • 2.

    Dit reglement, alsmede een wijziging hiervan, wordt aan de deelnemers toegezonden.

Artikel 14 Inlichtingen en verantwoording

  • 1. Een lid van het bestuur geeft aan het college dat hem heeft aangewezen, op de in die gemeente gebruikelijke wijze alle inlichtingen die door het college of een of meer leden daarvan, worden verlangd.

  • 2. Een lid van het bestuur kan door het college dat hem heeft aangewezen op de in die gemeente gebruikelijke wijze ter verantwoording worden geroepen voor de wijze waarop het lid het college in dat bestuur vertegenwoordigt.

  • 3. Indien een lid van het bestuur niet meer het vertrouwen geniet van het college welk hem heeft aangewezen, kan deze hem als zodanig ontslaan.

  • 4. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de raad van de betreffende gemeente, onverminderd het bepaalde in artikel 169 van de Gemeentewet.

  • 5. Het bestuur geeft aan de raden van de gemeenten ongevraagd alle inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur van IJSSELgemeenten gevoerde en te voeren beleid nodig is.

  • 6. Het bestuur verstrekt aan de raden van de gemeenten alle inlichtingen die door een of meer leden van die raden worden verlangd.

  • 7. Het reglement van orde voor de vergaderingen van het bestuur regelt de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het in de vorige leden bepaalde.

Artikel 15. De voorzitter

Een lid van het bestuur, aangewezen door het college van Capelle aan den IJssel, is voorzitter van het bestuur.

Hoofdstuk 5 De secretaris

Artikel 16. Secretaris

  • 1. De directeur van IJSSELgemeenten treedt op als secretaris van het bestuur. Zijn plaatsvervanger treedt op als waarnemend secretaris.

  • 2. De secretaris is het bestuur behulpzaam bij de vervulling van zijn taak. Hij kan deelnemen aan de beraadslagingen in het bestuur.

  • 3. Alle stukken die van het bestuur uitgaan, worden door de secretaris mede ondertekend. Het bestuur kan de secretaris mandaat verlenen om namens het bestuur bepaalde besluiten te nemen en bepaalde stukken te ondertekenen.

Hoofdstuk 6. Ambtelijke organisatie

Artikel 17. Kaders ambtelijke organisatie

De kaders voor de ambtelijke organisatie van IJSSELgemeenten worden door het bestuur bepaald door het vaststellen van een organisatiebesluit en een bedrijfsplan.

Artikel 18. Organisatiestructuur

  • 1. IJSSELgemeenten heeft een ambtelijke organisatie, met aan het hoofd een directeur.

  • 2. De directeur evalueert periodiek de doeltreffendheid en doelmatigheid van de organisatiestructuur en rapporteert daarover aan het bestuur.

Artikel 19. Benoeming en ontslag personeel

  • 1. Het bestuur beslist met inachtneming van het bepaalde in artikel 25 over de benoeming en het ontslag van het personeel van IJSSELgemeenten.

  • 2. Op het personeel in dienst van IJSSELgemeenten zijn van overeenkomstige toepassing de arbeidsvoorwaarden op basis van de CAR-UWO en de vastgestelde rechtspositionele regelingen van de gemeente Capelle aan den IJssel, en tot 1 januari 2018 alle rechtspositionele regelingen van het overeengekomen Sociaal Plan IJsselgemeenten, tenzij de “Wet Normalisatie arbeidsvoorwaarden ambtenaren” eerder in werking treedt en de aanpassingen in de Cao zijn doorgevoerd.

  • 3. Waar in de in het tweede lid bedoelde regelingen wordt gesproken van 'gemeenteraad, college, burgemeester of hoofd van dienst' wordt voor de toepassing in het kader van deze gemeenschappelijke gelezen: bestuur onderscheidenlijk directeur.

  • 4. Bij de overgang van personeel van de deelnemende gemeenten naar IJSSELgemeenten, dragen de gemeentesecretarissen van de deelnemende gemeenten zorg voor de toepassing en uitvoering van het overeengekomen Sociaal Plan IJSSELgemeenten.

Artikel 20 Ondersteunende diensten

Voor de ondersteunende diensten, onder andere op het gebied van personeel en organisatie, financiële zaken, accommodatiebeheer en archiefbeheer wordt tot in ieder geval 1 januari 2018 gebruik gemaakt van faciliteiten die door de gemeente Capelle aan den IJssel ter beschikking worden gesteld. De gemeente Capelle aan den IJssel brengt de kosten daarvan in rekening bij IJSSELgemeenten. Hiervoor zal een aparte dienstverleningsovereenkomst worden opgesteld tussen IJSSELgemeenten en de gemeente Capelle aan den IJssel.

Artikel 21. Medezeggenschap en Georganiseerd overleg

Inzake de rechtspositie van de medewerkers van IJSSELgemeenten zal een platform voor structureel georganiseerd overleg worden ingesteld. Het bestuur zal hiervoor nadere regels vaststellen in de vorm van een Regeling Georganiseerd Overleg.

Hoofdstuk 7. Directeur

Artikel 22. Directeur

  • 1. Het bestuur benoemt, schorst of ontslaat de directeur.

  • 2. Tot uiterlijk 1 januari 2018 wordt door het bestuur uit de kring van de gemeentesecretarissen van de deelnemende gemeenten een directeur IJSSELgemeenten en een plaatsvervangend directeur benoemd.

Hoofdstuk 8. Financiële bepalingen

Artikel 23. Financiële administratie en controle

  • 1. Op het financieel beleid, het financieel beheer, de inrichting van de financiële organisatie en de controle daarop zijn de artikelen 212 en 213 Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Het bestuur stelt in dat kader de vereiste verordeningen vast, waarbij rekening gehouden wordt met de taken en de wijze van uitvoering daarvan zoals bepaald in artikel 5.

Artikel 24. Begrotingsjaar

Het begrotingsjaar loopt van 1 januari tot en met 31 december.

Artikel 25. Verdeling van de kosten

  • 1. De kosten die worden gemaakt voor de uitvoering van het hele takenpakket en de instandhouding van IJSSELgemeenten, worden via de afgesloten dienstverleningsovereenkomsten op basis van afname van producten en diensten in rekening gebracht bij de deelnemers en andere publiekrechtelijke rechtspersonen of overheidsgedomineerde privaatrechtelijke rechtspersonen als bedoeld in artikel 7, eerste lid.

  • 2. Tot de kosten van IJSSELgemeenten worden, naast de directe uitvoeringskosten, tevens gerekend de overheadkosten en de kapitaallasten.

Artikel 26. Verplichtingen

De deelnemers zorgen ervoor dat IJSSELgemeenten over voldoende middelen beschikt om aan al haar verplichtingen te kunnen voldoen.

Artikel 27. Startkapitaal

Het bestuur van IJSSELgemeenten kan aan toetredende deelnemers eenmalig een inbreng van startkapitaal vragen. De hoogte van het startkapitaal wordt door het bestuur vastgesteld.

Artikel 28. Kosten, verrekening, verdeling en facturering

  • 1. De door de deelnemers en andere publiekrechtelijke rechtspersonen of overheidsgedomineerde privaatrechtelijke rechtspersonen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, verschuldigde bedragen worden door IJSSELgemeenten periodiek gefactureerd, overeenkomstig de afgesloten dienstverleningsovereenkomst, en zijn door de deelnemers en de desbetreffende andere publiekrechtelijke rechtspersonen of overheidsgedomineerde privaatrechtelijke rechtspersonen bij vooruitbetaling verschuldigd.

  • 2. Het bestuur bepaalt elk jaar bij het vaststellen van de begroting voorlopig het aandeel van elke deelnemer in de voor het begrotingsjaar geraamde kosten.

Artikel 29. Financieel toezicht

Indien aan het bestuur van IJSSELgemeenten blijkt dat een gemeente weigert de uitgaven, bedoeld in artikel 25, 26, 27, 28 op de begroting te zetten, doet het bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 van de Gemeentewet.

Hoofdstuk 9. Kadernota, begroting en jaarverslag

Artikel 30. Kadernota en begroting

  • 1. Binnen de uitgangspunten van deze regeling stelt het bestuur jaarlijks voor 1 maart een kadernota vast voor de bedrijfsvoering van IJSSELgemeenten. Het bestuur zendt deze kadernota terstond na vaststelling ter kennisname aan de raden van de gemeenten.

  • 2. Het bestuur stelt elk jaar vóór 15 april een ontwerpbegroting en een toelichting van baten en lasten op voor het volgende kalenderjaar. De begroting is zodanig ingericht dat daaruit blijkt welke kosten verband houden met de uitvoering van het basistakenpakket en de instandhouding van IJSSELgemeenten.

  • 3. Het bestuur zendt de ontwerpbegroting acht weken voordat deze door het bestuur wordt vastgesteld, doch uiterlijk 1 mei, toe aan de raden en de colleges van de gemeenten.

  • 4. Indien het bestuur een groei in het benodigd budget voorziet ten gevolge van veranderd beleid, dan wordt dit door het bestuur toegelicht.

  • 5. De raden van de gemeenten kunnen binnen acht weken na toezending van de ontwerpbegroting het bestuur hun zienswijze schriftelijk doen blijken.

  • 6. Het bestuur stelt de begroting vóór 1 juli vast in het jaar voorafgaande aan het jaar waarover zij dient.

  • 7. Het bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval voor 15 juli, aan de raden en de colleges van de gemeenten en aan gedeputeerde staten.

  • 8. Het bestuur zendt ontwerpbegrotingswijzigingen acht weken voordat deze aan door het bestuur worden vastgesteld, toe aan de raden en de colleges van de gemeenten. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing. Het zevende lid is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de datum van 15 juli niet van toepassing is.

Artikel 31. Rekening van IJSSELgemeenten

  • 1. Het bestuur stelt elk jaar voor 15 april een voorlopige jaarrekening vast over het voorgaande jaar en zendt deze voorlopige jaarrekening aan de raden van de gemeenten.

  • 2. Het bestuur stelt elk jaar de jaarrekening met een bijbehorend verslag van het voorgaande jaar op.

  • 3. Het bestuur stelt de rekening vast in het jaar volgend op het jaar waarop de rekening betrekking heeft.

  • 4. Het bestuur zendt de rekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval voor 15 juli, aan de raden en de colleges van de gemeenten en aan gedeputeerde staten.

Hoofdstuk 10. Archiefbescheiden

Artikel 32. Archiefbescheiden

  • 1. Het bestuur stelt een archiefverordening vast.

  • 2. De archiefverordening van de regeling is van toepassing op de zorg voor de overgebrachte archiefbescheiden van de bestuursorganen van deze regeling.

Hoofdstuk 11. Geschillen, klachten en aansprakelijkheid

Artikel 33. Geschillenregeling

  • 1. Geschillen als bedoeld in artikel 28 van de wet worden eerst voorgelegd aan een geschillencommissie.

  • 2. Deze commissie bestaat uit drie personen, aan te wijzen door de partijen waartussen het geschil bestaat.

  • 3. De commissie hoort de bij het geschil betrokken bestuursorganen en brengt advies uit aan het bestuur over de mogelijkheden om partijen tot overeenstemming te brengen.

  • 4. Na ontvangst van het advies treden de in het tweede lid bedoelde partijen nogmaals in overleg om te trachten tot een oplossing van het geschil te komen. Indien het overleg niet tot een oplossing leidt, is elk der partijen vrij om het geschil overeenkomstig het gestelde in artikel 28 van de wet, voor te leggen aan gedeputeerde staten.

  • 5. De kosten voor de geschillencommissie worden door IJSSELgemeenten en de betreffende deelnemer(s) ieder in gelijke delen gedragen.

Artikel 34. Klachtenregeling

  • 1. Overeenkomstig hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht kan een ieder bij het bestuur een klacht indienen over gedragingen van het bestuur van IJSSELgemeenten.

  • 2. Het bestuur stelt een interne klachtenregeling vast.

  • 3. De ombudsman van de gemeente Capelle aan den IJssel is bevoegd tot het afdoen van klachten.

Hoofdstuk 12. Toetreding, uittreding, wijziging en opheffen

Artikel 35. Toetreding

  • 1. Toetreding tot deze regeling kan plaatsvinden bij daartoe strekkende besluiten van alle deelnemers alsmede de potentiële deelnemer, indien van toepassing na verkregen toestemming.

  • 2. Het bestuur doet een voorstel tot toetreding en regelt daarbij de voorwaarden die aan de toetreding zijn verbonden.

  • 3. Het bestuur stelt een toetredingssom vast voor de toetreding.

  • 4. De toetreding gaat in op een in overleg tussen het bestuur en de toetredende deelnemer te bepalen tijdstip, dat niet ligt vóór het tijdstip waarop de in het eerste lid genoemde besluiten zijn genomen en bekendgemaakt.

  • 5. Van elk bericht van toetreding van een deelnemer wordt door het bestuur kennis gegeven aan gedeputeerde staten.

Artikel 36. Uittreding

  • 1. Iedere deelnemer kan besluiten tot uittreden. Een besluit tot uittreding kan niet eerder worden genomen dan drie jaar na het besluit tot het aangaan van dan wel toetreding tot deze regeling.

  • 2. Een uittredingsbesluit wordt van kracht twee kalenderjaren na het verstrijken van het jaar waarin het besluit tot uittreding is genomen.

  • 3. Alvorens een deelnemer tot een besluit tot uittreding komt, wordt over het voornemen daartoe eerst overleg met de andere deelnemers gevoerd.

  • 4. In het voornemen als bedoeld in het derde lid worden de motieven gegeven op grond waarvan de deelnemer wenst uit te treden.

  • 5. Het besluit als bedoeld in het eerste lid wordt terstond ter kennis gebracht van het bestuur.

  • 6. Het bestuur regelt de financiële verplichtingen alsmede de overige gevolgen van de uittreding. Tot deze financiële voorwaarden behoort de bepaling, dat een uittredende deelnemer nog twee jaar, vanaf het jaar van uittreding aan IJSSELgemeenten, een bijdrage in de jaarlijkse (vaste) exploitatielasten betaalt, waaronder de personele kosten, van IJSSELgemeenten. De bijdrage kan worden omgezet in een eenmalige uittredingssom.

  • 7. Een uittredende deelnemer kan geen recht doen gelden op de overdracht van enig eigendom van IJSSELgemeenten.

  • 8. Van elk definitief besluit tot uittreding wordt terstond kennis gegeven aan de overige deelnemers en gedeputeerde staten.

Artikel 37. Wijziging

  • 1. Een voorstel aan deelnemers tot wijziging van deze regeling kan worden gedaan door het bestuur of door tenminste twee deelnemers.

  • 2. De deelnemers dienen te besluiten tot wijziging van deze regeling, met inachtneming van artikel 1 van de wet.

  • 3. De wijziging van de regeling treedt niet eerder in werking dan nadat deze door de deelnemers bekend is gemaakt op de voor iedere deelnemer gebruikelijke wijze.

Artikel 38. Opheffing

  • 1. De regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkende besluiten van alle deelnemers.

  • 2. Het bestuur stelt, gehoord de raden van de deelnemers, binnen zes maanden na besluitvorming een liquidatieplan vast en regelt de vereffening van het vermogen.

  • 3. De organen van IJSSELgemeenten blijven, zo nodig, na het tijdstip van de opheffing in functie totdat de liquidatie is afgerond.

Hoofdstuk 13. Slotbepalingen

Artikel 39. Duur regeling

  • 1. Deze regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

  • 2. Het college van de gemeente Capelle aan den IJssel zendt de regeling, alsmede de wijzigingen daarvan, aan gedeputeerde staten.

  • 3. De deelnemers nemen de regeling op in het door hen bij te houden register, als bedoeld in artikel 27 van de wet.

Artikel 40. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als Gemeenschappelijke regeling IJSSELgemeenten

Vastgesteld in de openbare vergadering van 15 december 2015,

de griffier, de voorzitter,

Toelichting GR IJSSELgemeenten

Algemene toelichting

De colleges van Capelle aan den IJssel en Krimpen aan den IJssel zijn met ingang van 1 januari 2015 de gemeenschappelijke regeling IJSSELgemeenten aangegaan (hierna: GR IJSSELgemeenten). Deze GR IJSSELgemeenten heeft bij oprichting de vorm gekregen van een gemeenschappelijk openbaar lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen (hierna: WGR), met een algemeen bestuur, dagelijks bestuur en een voorzitter. De GR IJSSELgemeenten oud voert krachtens mandaten, machtigingen en volmachten namens en voor de colleges en gemeenten ondersteunende processen en uitvoeringstaken uit op het terrein van sociale zaken en ICT en automatisering.

De colleges van Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel en Zuidplas zijn overeengekomen dat het college van Zuidplas per 1 januari 2016 toetreedt tot de GR IJSSELgemeenten en dat de GR IJSSELgemeenten voor Zuidplas uitsluitend taken op het terrein van sociale zaken zal uitvoeren. Dit onder de conditie dat het college van Zuidplas hetzelfde stemrecht (in aard en zwaarte) krijgt in het bestuur als de colleges van Capelle aan den IJssel en Krimpen aan den IJssel. Dit is geregeld in artikel 8 van de GR IJSSELgemeenten. De beperking van de taken van de GR IJSSELgemeenten voor de gemeente Zuidplas is expliciet geregeld in artikel 5, vierde lid, van de GR IJSSELgemeenten.

De voorgenomen toetreding van het college van Zuidplas heeft geleid tot een (beperkte) heroverweging van de gekozen rechtsvorm en bestuursstructuur van de GR IJSSELgemeenten. Tegen de achtergrond van de door een per 1 januari 2015 ontstane nieuwe voorziening in de Wgr hebben de deelnemers ervoor gekozen de rechtsvorm en bestuursstructuur van de GR IJSSELgemeenten te vereenvoudigen. Deze vereenvoudiging impliceert een wijziging inhoudende dat het gemeenschappelijk openbaar lichaam wordt omgevormd tot een bedrijfsvoeringsorganisatie als bedoeld in artikel 8, derde lid, Wgr. De bedrijfsvoeringsorganisatie beschikt over rechtspersoonlijkheid. Anders dan het gemeenschappelijk openbaar lichaam beschikt de bedrijfsvoeringsorganisatie slechts over één bestuursorgaan, te weten het bestuur. Door deze gewijzigde gemeenschappelijke regeling aan te gaan is de omvorming van het per 1 januari 2015 opgerichte gemeenschappelijk openbaar lichaam tot de bedrijfsvoeringsorganisatie juridisch automatisch geregeld. Dit betekent ook dat alle rechten en plichten die voor 1 januari 2016 door (bestuursorganen van) het gemeenschappelijk openbaar lichaam IJSSELgemeenten zijn aangegaan, vanaf 1 januari 2016 rusten op de bedrijfsvoeringsorganisatie IJSSELgemeenten. Hiermee is in juridische zin continuïteit in rechten en plichten geborgd.

De omvorming van het gemeenschappelijk openbaar lichaam tot een bedrijfsvoeringsorganisatie impliceert een wijziging in de bestuursstructuur, alsmede in besluitvormingsprocedures. Daar waar dat aan de orde is geweest, is dat expliciet in de artikelsgewijze toelichting toegelicht. Voor het overige is de toelichting op de GR IJSSELgemeenten slechts aangepast waar dat – gelet op de hiervoor beschreven wijziging – noodzakelijk was.

Met de inwerkingtreding van deze gewijzigde GR IJSSELgemeenten is een aantal bepalingen en artikelleden in de toenmalige GR IJSSELgemeenten komen te vervallen. In verband daarmee zijn de artikelen in deze gewijzigde GR IJSSELgemeenten hernummerd. Versie 4 september 2015.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

Dit artikel bevat enkele begripsbepalingen die in de gemeenschappelijke regeling gehanteerd worden. Deze zijn aanvullend op termen zoals deze in de Wgr, de Gemeentewet en de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) worden gebruikt.

Artikel 2

Dit artikel regelt in het eerste lid dat een bedrijfsvoeringsorganisatie wordt ingesteld. De bedrijfsvoeringsorganisatie is een van de samenwerkingsmogelijkheden die de Wet gemeenschappelijke regelingen biedt (art. 8, derde lid, Wgr).

Wanneer een bedrijfsvoeringsorganisatie wordt opgericht, moet de vestigingsplaats in de gemeenschappelijke regeling worden opgenomen (art. 10, derde lid, Wgr). Dat is in het tweede lid gebeurt. Deze vestigingsplaats bepaalt onder meer welke bestuursrechter bevoegd is kennis te nemen van beroep tegen besluiten die het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur onderscheidenlijk de voorzitter nemen (art. 8:7, eerste lid, Awb; behoudens de besluiten die in mandaat namens de deelnemers worden genomen, vgl. art. 10:2 Awb).

Artikel 3

Dit artikel bevestigt conform artikel 14a Wgr dat de bedrijfsvoeringsorganisatie een bestuur heeft dat bestaat uit leden die per deelnemende gemeente door het college uit zijn midden worden aangewezen.

Artikel 4

Een gemeenschappelijke regeling wordt getroffen ter behartiging van een of meerdere belangen van de betrokken gemeenten (art. 1, eerste lid, Wgr). De belangen waarvoor de gemeenschappelijke regeling wordt getroffen moeten in de gemeenschappelijke regeling zijn opgenomen (art. 10, eerste lid, Wgr). Artikel 4, eerste lid, benoemt dat belang. Het belang is met name bedoeld om de bevoegdheden van het bestuur van het gemeenschappelijk openbaar lichaam af te bakenen. Het belang is breed gehouden zodat het takenpakket in de toekomst uitgebreid kan worden. Dat gebeurt dan bij een aparte taakopdracht en overeenkomst (art. 5, derde lid), of middels wijziging van de gemeenschappelijke regeling. Ter verduidelijking van het belang van de bedrijfsvoeringsorganisatie is in het tweede lid van artikel 4 ook het doel van de gemeenschappelijke regeling ten aanzien van de opgedragen taken geformuleerd.

Artikel 5

Artikel 5, eerste lid benoemt de taken die bij aanvang worden opgedragen. Het tweede lid verplicht dat daarvoor meerjarige dienstverleningsovereenkomsten worden afgesloten tussen het openbaar lichaam en de betrokken gemeenten. In het midden is gelaten voor hoeveel jaar de dienstverleningsovereenkomst gesloten wordt, om te voorkomen dat een te rigide systeem ontstaat. Het derde lid regelt dat de deelnemende colleges de taken kunnen uitbreiden bij eensluidend besluit indien dat ook is aanvaard door het bestuur. Zij dienen dat besluit wel voor te hangen bij de gemeenteraden wanneer dit ingrijpende gevolgen voor de gemeentelijke organisatie heeft (art. 169, vierde lid, Gemeentewet). Het vierde lid regelt tenslotte dat IJSSELgemeenten voor Capelle aan den IJssel en Krimpen aan den IJssel alle in het eerste lid genoemde taken uitvoert en dat IJSSELgemeenten voor Zuidplas alleen de taken op het terrein van sociale zaken uitvoert.

Artikel 6

Dit artikel regelt dat de taken (en bevoegdheden) die aan het bestuur of de organisatie van de bedrijfsvoeringsorganisatie worden opgedragen in mandaat worden uitgeoefend (art. 10:3, eerste lid, Awb). Er worden zodoende geen bevoegdheden overgedragen (vgl. art. 10, tweede lid, en art. 10:13 e.v. Awb). Dat de taken in mandaat worden uitgeoefend betekent dat de colleges van burgemeester en wethouders ten volle (politiek en juridisch) verantwoordelijk blijven voor de besluitvorming (art. 10:1 en art. 10:2 Awb). Daartoe moeten zij inlichtingen krijgen van de gemandateerde(n) (art. 10:6, tweede lid, Awb). De colleges kunnen ieder afzonderlijk instructies geven (art. 10:6, tweede lid, Awb), ze kunnen de bevoegdheden zelf uitoefenen (art. 10:7 Awb, hetgeen voor het beslissen op mandaat ten zeerste is aan te raden) en ze kunnen als ultimum remedium het mandaatbesluit intrekken (art. 10:8, eerste lid, Awb).

Artikel 7

Dit artikel vloeit voort uit de Europese aanbestedingsrichtlijnen en de Aanbestedingswet 2012. De deelnemende gemeente(besture)n mogen aanbestedingsvrij diensten afnemen van het gemeenschappelijk openbaar lichaam omdat daarbij in beginsel sprake is van een zogenoemde inbesteding. Om daar aan te kunnen (blijven) voldoen is het van belang dat de deelnemers toezicht kunnen uitoefenen op de strategische beslissingen van de bedrijfsvoeringsorganisatie (hetgeen blijkens art. 12, derde lid, Richtlijn 2014/24/EU mogelijk is nu iedere deelnemer in het bestuur zit) en wanneer de bedrijfsvoeringsorganisatie ten minste 80% van zijn werkzaamheden verricht voor de deelnemende partijen. Wordt niet of niet langer aan deze eisen voldaan, dan kan niet langer aanbestedingsvrij gebruik worden gemaakt van de diensten van het gemeenschappelijk openbaar lichaam. Het eerste lid benadrukt dit. Het tweede lid vereist voorts dat ook eventuele derden aan de aanbestedingsregels voldoen, alvorens zij diensten kunnen afnemen van de bedrijfsvoeringsorganisatie.

Artikel 8

Bij een bedrijfsvoeringsorganisatie (een gemeenschappelijke regeling waaraan uitsluitend colleges van burgemeester en wethouders mogen deelnemen) zijn het de colleges van burgemeester en wethouders die uit hun midden leden voor het bestuur moeten aanwijzen (art. 14a Wgr). Hoeveel leden iedere deelnemer mag aanwijzen moet in de gemeenschappelijke regeling worden geregeld (art. 10, derde lid, jo. art. 14a jo art. 13, derde lid, Wgr). Er is voor gekozen dat iedere deelnemer zowel twee leden als twee plaatsvervangend lid aanwijst. De plaatsvervanger vervangt het lid bij afwezigheid.

Artikel 9

Artikel 14a jo. 13, tweede lid, Wgr bepaalt dat iemand die het lidmaatschap van het college verliest, van rechtswege ophoudt lid te zijn van het bestuur. Daarnaast geeft het vijfde lid ook een mogelijkheid van ontslagneming door het lid zelf, die pas ingaat wanneer in de opvolging is voorzien.

Artikel 10

Dit artikel bevat een nadere uitwerking van de (deels verplichte) artikelen 21, 22 en 23 van de Wgr. Het derde lid bevat een recht voor de gemeentesecretarissen om de vergaderingen van het bestuur bij te wonen en aan de beraadslagingen deel te nemen. Dat is expliciet opgenomen, nu de Wgr noch de Gemeentewet daarin voorziet.

Artikel 11

Uitgangspunt van de Wgr is dat ieder lid van het bestuur één stem heeft, maar de gemeenschappelijke regeling mag meervoudig stemrecht toekennen (art. 14a jo. 13, vierde lid, Wgr). Daarvan is geen gebruik gemaakt, dus ieder lid heeft één stem (lid 1). Uitgangspunt van de Wgr is voorts dat besluiten bij volstrekte meerderheid worden genomen, maar dat voor bepaalde besluiten een gekwalificeerde meerderheid kan worden geëist (art. 14a jo. art. 13, vierde lid, Wgr). Het tweede lid neemt dit uitgangspunt over, maar er zijn enkele uitzonderingen in het derde lid opgenomen, waarvoor unanieme besluitvorming geldt. Het vierde lid tenslotte herhaalt een verplichting uit artikel 22 Wgr.

Artikel 12

Dit artikel regelt de bevoegdheden van het bestuur van IJSSELgemeenten. Ter verduidelijking van het eerste lid bepaalt het tweede lid dat het bestuur IJSSELgemeenten als rechtspersoon in en buiten rechte vertegenwoordigt. De regeling voor de verlening van mandaat, volmacht en machtiging in de Awb stelt het bestuur in staat om andere personen bevoegd te maken namens het bestuur of de rechtspersoon IJSSELgemeenten in en buiten rechte op te treden. Dat behoeft derhalve niet nader in de GR IJSSELgemeenten geregeld te worden, maar mag worden geregeld bij besluit van het bestuur. Wel dient – gelet op het nieuw ingevoegde artikel 31a Wgr - in de GR IJSSELgemeenten uitdrukkelijk te worden geregeld dat de GR IJSSELgemeenten bevoegd is om te besluiten tot oprichting van en deelneming in privaatrechtelijke rechtspersonen. Dit artikellid is ingevoegd omdat met de inwerkingtreding van artikel 31a het ontbreken van een dergelijke bepaling zou betekenen dat de GR niet bevoegd zou zijn tot oprichting van en deelneming in privaatrechtelijke rechtspersonen. Dit zou dan een wijziging zijn ten opzichte van het regime van de GR IJSSELgemeenten dat gold tot 1 januari 2016.

Artikel 13

Het bestuur moet een reglement van orde vaststellen.

Artikel 14

Dit artikel regelt in de leden 1 tot en met 4 de inlichtingen- en verantwoordingsplicht van de individuele leden van het bestuur zoals die voortvloeien uit de artikel 16, 18 en 19 van de Wgr. Dit geldt voorts voor het ontslagrecht dat de colleges hebben ten aanzien van door hen aangewezen leden (art. 18 jo. art. 16, vijfde lid, Wgr). Ieder lid van het bestuur moet aan zowel het college dat hem heeft aangewezen als aan de raad van zijn gemeente verantwoording afleggen over hetgeen hij in het bestuur heeft gedaan. Daartoe moet hij ook alle inlichtingen verschaffen die één of meer leden van het college onderscheidenlijk de raad vragen. De leden 5 tot en met 7 bevat de inlichtingen- en verantwoordingsplicht van het bestuur (als orgaan van IJSSELgemeenten) aan de raden, overeenkomstig artikel 17 van de Wgr.

Artikel 15

De Wgr vereist niet dat het bestuur van een bedrijfsvoeringsorganisatie een voorzitter heeft. De Wgr staat bovendien niet toe dat, indien wordt gekozen om in de gemeenschappelijke regeling de functie van voorzitter van de bedrijfsvoeringsorganisatie te regelen, dat de voorzitter een bestuursorgaan is dat over eigen bevoegdheden mag beschikken. De GR IJSSELgemeenten bepaalt dat het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie een voorzitter heeft en dat deze functie wordt door een lid van het bestuur dat door het college van Capelle aan den IJssel is aangewezen.

Artikel 16

Dit artikel behandelt de rol en positie van de secretaris. De (algemeen) directeur is secretaris.

Artikel 17

Dit artikel regelt dat het bestuur de kaders stelt voor de ambtelijke organisatie in de vorm van een organisatiebesluit en een bedrijfsplan.

Artikel 18

De ambtelijke organisatie staat onder leiding van een directeur (eerste lid). Een bijzondere taak van de directeur is de periodieke evaluatie van de doeltreffendheid en doelmatigheid van de organisatiestructuur (tweede lid).

Artikel 19

Dit artikel regelt de rechtspositie van het personeel van de bedrijfsvoeringsorganisatie. Een bedrijfsvoeringsorganisatie in de zin van de Wgr behoort in beginsel tot de openbare dienst (art. 1, tweede lid, Ambtenarenwet), en kan zodoende ambtenaren in dienst hebben (art. 1, eerste lid, Ambtenarenwet). Dat betekent dat het bestuur verplicht is een rechtspositionele regeling vast te stellen (art. 125, tweede lid, Ambtenarenwet). Met de toepassing van de CAR/UWO wordt nog eens extra benaderd dat het hier om ambtelijke aanstellingen gaat, nu deze regeling slechts in uitzonderlijke situaties privaatrechtelijke arbeidsovereenkomsten toestaat.

Artikel 20

Voor de in dit artikel genoemde diensten maken de IJSSELgemeenten gebruik van de diensten van Capelle aan den IJssel.

Artikel 21

Dit artikel regelt de medezeggenschap en het georganiseerd overleg.

Artikel 22

Het eerste lid regelt in aanvulling op artikel 6 dat het bestuur bevoegd is tot benoeming, schorsing en ontslag van de directeur. Het tweede lid bepaalt dat tot uiterlijk 1 januari 2018 het bestuur een directeur (en een plaatsvervanger) benoemd uit de kring van gemeentesecretarissen van de deelnemers.

Artikel 23

Dit artikel handelt over de financiële administratie, overeenkomstig de huidige Gemeentewet. Op de administratie is ook het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (hierna: BBV) van overeenkomstige toepassing. Het bestuur moet de zogenoemde 212- en 213-verordeningen vaststellen (art. 35, zesde lid, Wgr jo. art. 212 en art. 213 Gemeentewet).

Artikel 24

Het begrotingsjaar valt samen met het kalenderjaar, overeenkomstig artikel 189 lid 4 Gemeentewet.

Artikel 25

Dit artikel regelt de wijze van kostenverdeling over de deelnemers en derden. De afgesloten dienstverleningsovereenkomsten zijn daarvoor leidend. Versie 4 september 2015.

Artikel 26

Dit artikel codificeert dat de deelnemers er voor zorg dragen dat de bedrijfsvoeringsorganisatie te alle tijden aan zijn verplichtingen jegens derden kan voldoen. Dat betekent dat bij tekorten die niet intern kunnen worden afgedekt, de deelnemers moeten bijbetalen.

Artikel 27

Dit artikel regelt de afspraken rondom het startkapitaal.

Artikel 28

Dit artikel ziet op de praktische uitvoering van betalingen en bevoorschotting die door de deelnemers moet plaatsvinden om de IJSSELgemeenten te kunnen laten functioneren.

Artikel 29

De bijdragen aan de bedrijfsvoeringsorganisatie zijn verplichte uitgaven voor de gemeente. Dat betekent dat de raad deze op de begroting moet opnemen. Indien de raad dit weigert, kunnen gedeputeerde staten daarin voorzien. Dit artikel regelt dat het bestuur gedeputeerde staten tijdig inschakelt indien gemeenteraden weigeren de benodigde verplichtingen op te nemen op de gemeentelijke begroting.

Artikel 30

Dit artikel gaat over de begroting en de daarbij behorende kaders, binnen de wettelijke kaders van artikel 34, 34b en 35 van de Wgr. Het bestuur moet jaarlijks voor 1 maart een kadernota vaststellen voor de bedrijfsvoering voor het volgende begrotingsjaar (lid 1). Deze dient als kader voor de begroting. Het bestuur stelt vervolgens een conceptbegroting op voor 15 april (lid 2). Deze conceptbegroting wordt aan de raden en colleges gezonden (lid 3). Eventuele budgetverhogingen moeten apart worden toegelicht (lid 4). De raden hebben acht weken de tijd om zienswijzen in te dienen bij het bestuur (lid 5) Vervolgens moet het bestuur beslissen omtrent de begroting en deze uiterlijk 1 juli vaststellen (lid 7).

Vervolgens moet de begroting worden ingezonden aan gedeputeerde staten voor 15 juli en aan de raden en colleges (lid 8). De procedure is ook van toepassing op begrotingswijzigingen (lid 9).

Artikel 31

Conform artikel 34b Wgr dient het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie de voorlopige jaarrekening voor 15 april aan de raden van de gemeenten toe te zenden. Dit is geregeld in het eerste lid. Het tweede lid bepaalt dat het bestuur de jaarrekening opstelt, welke voor 15 juli van het jaar volgend op het jaar waarvoor de rekening geldt aan gedeputeerde staten (en de raden en colleges) door het bestuur wordt gezonden (zie ook art. 34 Wgr). Versie 4 september 2015.

Artikel 32

Dit artikel vloeit voort uit de Archiefwet 1995.

Artikel 33

Geschillen omtrent de gemeenschappelijke regeling moeten aan gedeputeerde staten worden voorgelegd (art. 28 Wgr). Dit artikel voorziet in een voorprocedure om geschillen snel te kunnen oplossen, voordat geformaliseerd wordt.

Artikel 34

Dit artikel regelt het klachtrecht ten aanzien van de IJSSELgemeenten overeenkomstig hoofdstuk 9 Wgr. Voor het externe klachtrecht is de ombudsman bevoegd die door Capelle aan den IJssel is aangewezen als ombudsman.

Artikel 35

Dit artikel regelt de procedure voor toetreding van nieuwe partijen, voor zover die partijen daartoe op grond van de Wgr bevoegd zijn. Toetreding kan geschieden bij unaniem besluit van de deelnemers én de potentiële deelnemer. De deelnemers moeten daarvoor toestemming van hun raden hebben (art. 1, derde lid, jo. tweede lid, Wgr), zoals ook de potentiële toetreder dat mogelijk nodig heeft. Het bestuur kan voorstellen doen, en regelt de gevolgen van de toetreding (lid 2). Daarbij kan een toetredingssom worden bepaald (lid 3). In het toetredingsbesluit wordt bepaald wanneer dit in werking treedt (lid 4). Het bestuur deelt de toetreding mee aan gedeputeerde staten (lid 5).

Artikel 36

Dit artikel regelt de voorwaarden tot uittreding.

Artikel 37

Een wijziging van de gemeenschappelijke regeling komt tot stand bij unaniem besluit van de deelnemers (lid 2). De colleges hebben daarvoor toestemming van hun raad nodig (art. 1, derde lid, jo. tweede lid, Wgr). Het bestuur of ten minste twee deelnemers kunnen voorstellen tot wijziging doen (lid 1). De wijziging regelt zelf wanneer deze in werking treedt (lid 3).

Artikel 38

Dit artikel regelt de (tussentijdse) opheffing van de gemeenschappelijke regeling. Dit kan geschieden bij unaniem besluit van de deelnemers (lid 1). Het bestuur stelt vervolgens een liquidatieplan op (lid 2). De bedrijfsvoeringsorganisatie blijft bestaan, zolang dat voor liquidatie noodzakelijk is (lid 3; art. 9, derde lid, Wgr). Versie 4 september 2015.

Artikel 39

Een gemeenschappelijke regeling kan voor bepaalde of onbepaalde tijd worden getroffen (art. 9, eerste lid, Wgr). Deze gemeenschappelijke regeling wordt voor onbepaalde tijd getroffen.

Voorts bepaalt het tweede lid dat het college van Capelle aan den IJssel belast is met inzending van de gemeenschappelijke regeling aan gedeputeerde staten van Zuid-Holland overeenkomstig artikel 26, eerste lid, Wgr. Tot slot herinnert het derde lid aan de inschrijvingsplicht van de colleges overeenkomstig artikel 27 Wgr.

Artikel 40

Dit artikel regelt de citeerwijze (de officiële naam) van de gemeenschappelijke regeling.