Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Cranendonck

Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Cranendonck houdende regels omtrent maatschappelijke ondersteuning (Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Cranendonck 2019)

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieCranendonck
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingBeleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Cranendonck houdende regels omtrent maatschappelijke ondersteuning (Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Cranendonck 2019)
CiteertitelBeleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Cranendonck 2019
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze regeling bevat de vroegst mogelijke datum van inwerkingtreding.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Onbekend

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

28-12-2019nieuwe regeling

14-05-2019

gmb-2019-318364

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Cranendonck houdende regels omtrent maatschappelijke ondersteuning (Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Cranendonck 2019)

 

HOOFDSTUK 1 BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN

artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

  • 1.

    In deze Beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      Verordening: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Cranendonck 2018.

    • b.

      Besluit: Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Cranendonck 2019 en volgende kalenderjaren.

  • 2.

    Alle begrippen die in deze Beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, de Verordening, het Besluit en de Algemene wet bestuursrecht.

 

HOOFDSTUK 2 HULP BIJ HET HUISHOUDEN

artikel 2.1 Criteria hulp bij het huishouden

Lid 1 Onverminderd het bepaalde in de Verordening ( o.a. artikel 2.3 Onderzoek) met toepassing van ‘De Nieuwe Route’ alsmede de weging van gebruikelijke hulp (zie bijlage 1 van deze beleidsregels) komt een cliënt in aanmerking voor hulp bij het huishouden indien:

  • 1.

    hij/zij niet in staat is om het huishouden in zijn geheel dan wel deels uit te voeren.

  • 2.

    hij/zij in redelijkheid niet zelf in staat is om de noodzakelijke hulp te organiseren (eigen kracht).

  • 3.

    er geen huisgenoot, mantelzorger of persoon uit het sociale netwerk is, die de huishoudelijke activiteiten (deels) kan overnemen.

  • 4.

    in het huishouden aanwezige kinderen in relatie tot gebruikelijke hulp (deels) huishoudelijke activiteiten in redelijkheid niet kunnen overnemen.

 

Lid 2 Bij de aanwezigheid van een inzetbaar sociaal netwerk wordt er geen hulp bij het huishouden toegekend voor maaltijd- en of textielverzorging.

 

Lid 3 PGB als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Verordening is mogelijk.

 

Lid 4 Eisen maatwerkvoorziening HbH 1 zijn overeenkomstig bijlage 5 van het aanbestedingsdocument maatwerkvoorziening HbH 1. In het kort zijn de navolgende eisen belangrijk:

 

  • Een goede beheersing van de Nederlandse taal in woord en, indien relevant, in geschrift;

  • Zelfstandig kunnen werken;

  • Kennis en vaardigheden met betrekking tot schoonmaken en hygiëne;

  • Goede sociale en communicatieve vaardigheden;

  • Informeert de cliënt in afdoende mate over de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden en de rol daarin;

  • Respectvolle bejegening van de cliënt en eerbiedigen privacy;

  • Betrouwbaar en discreet omgaan met vertrouwelijke informatie;

  • Capabel om te signaleren;

  • Openstaan voor feedback door de cliënt t.a.v. huishoudelijk taken;

artikel 2.2 Criteria regie van de huishouding

Onverminderd het bepaalde in de Verordening, waaronder onder andere gebruikelijke hulp (zie hiervoor bijlage I), komt een cliënt in aanmerking voor de regie van de huishouding indien:

  • a.

    hij/zij niet in staat is om regie te voeren, de hulp opdrachten te geven

  • b.

    er geen huisgenoot, begeleider, mantelzorger of persoon uit het sociale netwerk is, die deze regiefunctie kan overnemen.

  • c.

    PGB als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Verordening is mogelijk indien belanghebbende kan aantonen dat beschikbare hulp in staat is de regie namens belanghebbende te voeren.

  • d.

    Eisen aan hulp in de vorm van een PGB:

 

  • Een goede beheersing van de Nederlandse taal in woord en, indien relevant, in geschrift;

  • Zelfstandig kunnen werken;

  • Kennis en vaardigheden met betrekking tot schoonmaken en hygiëne;

  • Representatieve uitstraling, verzorgd uiterlijk en gepaste kleding;

  • Goede sociale en communicatieve vaardigheden;

  • Respect voor geloofsovertuiging en /m of leefwijze van de cliënt;

  • Discreet omgaan met vertrouwelijke informatie;

  • Integer;

  • Capabel om te signaleren;

  • Het (samen) met de cliënt kunnen organiseren van het huishouden.

artikel 2.3 Omvang hulp bij het huishouden

  • 1.

    De omvang wordt uitgedrukt in minuten. De toe te kennen taken/activiteiten worden per taak/activiteit in de beschikking opgenomen. In bijlage II is het normeringskader opgenomen.

  • 2.

    De totale omvang van de hulp in minuten wordt altijd afgerond naar boven op een 5- of 10 tal.

artikel 2.4 Duur hulp bij het huishouden

  • 1.

    De indicatie hulp bij het huishouden wordt voor 2 jaar vastgesteld, tenzij om redenen een kortere of langere periode gerechtvaardigd is maar nooit langer dan 5 jaar;

  • 2.

    Indien sprake is van een samenlevingsvorm als bedoeld in artikel 1.1 lid 1 onder l van de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Cranendonck en een van beiden komt te overlijden dan wel duurzaam wordt opgenomen in een intramurale zorginstelling (Wlz) wordt de hulp bij het huishouden voor de duur van 6 weken voortgezet;

  • 3.

    In de periode van 6 weken als bedoeld in lid 2 wordt onderzocht of en zo ja in welke mate hulp bij het huishouden nog geïndiceerd is.

  • 4.

    Na het verstrijken van de maximale indicatie van 5 jaar wordt een nieuw onderzoek ingesteld of de indicatie - in welke mate en vorm - voortgezet kan worden.

 

HOOFDSTUK 3 BEGELEIDING

artikel 3.1 Begeleidingsvormen

Ook als het gaat om de aanspraak om begeleiding geldt het bepaalde in de Verordening ( o.a. artikel 2.3 Onderzoek) en het toepassen van ‘De Nieuwe Route’.

 

Bij begeleiding wordt onderscheid gemaakt in drie vormen begeleiding (A,B + C), zie artikel 4.1. Besluit.

 

  • a.

    Begeleiding B: Hieronder wordt niet verstaan: welzijnsactiviteiten zoals zang, bingo, uitstapjes en dergelijke.

  • b.

    Begeleiding C: Onder deze begeleidingsvorm kunnen ook andere specifieke aandoeningen vallen, zoals begeleiding aan doven/blinden en dergelijke).

  • c.

    Begeleiding D: Betreft geen formele begeleidingsvorm maar wordt gerelateerd aan een individuele begeleidingsvorm als bedoeld in artikel 4.2 lid 4 van het Besluit.

artikel 3.2 Effect(en) kinderen

Effect(en) op in het gezin aanwezige kinderen meewegen in relatie tot het gegeven dat er sprake is van een noodzaak voor begeleiding individueel of groep voor de ouder (s).

 

HOOFDSTUK 4 KORTDUREND VERBLIJF

Artikel 4.1 Kortdurend verblijf

  • 1.

    Kortdurend verblijf is een vorm van respijtzorg, waarbij het uitgangspunt is dat degene die ondersteuning nodig heeft elders verblijft voor maximaal 3 etmalen per week en de mantelzorger even de tijd heeft om op adem te komen.

  • 2.

    Kortdurend verblijf kan ook op een andere wijze vorm worden gegeven ten opzichte van lid 1 als de omstandigheden daar om vragen. B.v. door de mantelzorger elders te laten verblijven en de zorg/ondersteuning ten behoeve van degene die ondersteuning behoeft in huis te laten plaatsvinden.

  • 3.

    Kortdurend verblijf is kan zowel preventief als repressief bedoeld zijn: een indicatie heeft als doel om overbelasting bij mantelzorgers te voorkomen, zodat zij de zorg thuis vol kunnen houden en (veel duurdere) opname in een intramurale instelling wordt voorkomen, of op zijn minst uitgesteld.

  • 4.

    In afwijking van lid 1 is het mogelijk om langer dan 3 etmalen te verblijven indien dit noodzakelijk is en vaststaat dat andere oplossingen geen optie zijn.

  • 5.

    De cliënt, niet zijnde de mantelzorger, is primair zelf verantwoordelijk voor vervoer van en naar de instelling voor kortdurend verblijf.

 

HOOFDSTUK 5 NORMALE GEBRUIK VAN DE WONING

artikel 5.1 Algemeen gebruikelijk

In ieder geval worden de volgende voorzieningen als algemeen gebruikelijk aangemerkt:

  • hendel mengkranen

  • centrale verwarming

  • verhoogd toilet (6+ en 10+)

  • inductie of keramische kookplaat

  • douchekop op glijstang

  • zonwering incl. elektrische bediening, tenzij het hele huis ermee moet worden voorzien op grond van de aanwezige beperkingen

  • wandbeugels

  • badplank

  • intercom (baby)

  • thermostatische kranen

  • wasdroger

  • wasmachine

  • hangtoilet

  • toiletverhoger

  • handgrepen

  • douche of douchecabine

  • bad

  • badkameraccessoires

  • douchezitjes

  • douchekruk

  • antislipvloer

  • 2e trapleuning

  • bad-, douchebak- en lavetverwijdering

  • keukenapparatuur

  • automatische garagedeuren

  • verwijderen van drempelhulpen

  • deurdrangers

  • (losse) airco units/installaties

  • lucht – bevochtigers/ontvochtigers

 

Er wordt altijd in het individuele geval bekeken of de voorziening ook voor de cliënt algemeen gebruikelijk is.

artikel 5.2 Woonvoorziening niet zijnde woningaanpassing

De aan te schaffen voorziening moet minimaal voorzien zijn van het CE-keurmerk (indien van toepassing).

artikel 5.3 Afschrijvingstermijn

Op grond van de Verordening bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening indien de afschrijvingstermijn nog niet is verstreken of het algemeen gebruikelijk is dat de cliënt zelf de voorziening aanbrengt.

 

De gemeente hanteert daarbij de volgende termijnen:

Vervangen sanitair

 

15 jaar

Bad- of douchegelegenheid

 

15 jaar

Aanleg van of aanpassingen aan toilet

15 jaar

Vervangen keukeninstallatie

 

15 jaar

 

HOOFDSTUK 6 VERPLAATSEN IN EN OM DE WONING

artikel 6.1 Algemeen gebruikelijk

In ieder geval wordt de rollator als algemeen gebruikelijk aangemerkt. Er wordt altijd in het individuele geval bekeken of de voorziening ook voor de cliënt algemeen gebruikelijk is.

artikel 6.2 Voorwaarden (aan te kopen voorziening met) persoonsgebonden budget

  • 1.

    Op het persoonsgebonden budget voor een rolstoelvoorziening zijn de volgende voorwaarden van toepassing:

    • a.

      De voorziening moet voorzien zijn van minimaal het CE-keurmerk.

    • b.

      De afschrijvingstermijn bedraagt 5 jaar.

    • c.

      Als na 5 jaren de voorziening nog in alle redelijkheid bruikbaar is, wordt geen nieuwe maatwerkvoorziening verstrekt. Vervanging na 5 jaar geschiedt alleen na een technisch afkeuringsrapport.

    • d.

      Indien de cliënt geen gebruik meer kan maken van de voorziening binnen 5 jaren dan gaat het college over tot herziening/intrekking en terugvordering. Bij de vaststelling van de hoogte van het terug te vorderen persoonsgebonden budget wordt de beginwaarde van de maatwerkvoorziening gerelateerd aan een reële lineaire afschrijvingsduur.

    • e.

      Indien de cliënt geen gebruik meer kan maken van de voorziening binnen 5 jaren kan het verstrekte voorschot voor onderhoud, reparatie en verzekering van het persoonsgebonden budget teruggevorderd worden door de gemeente, waarbij rekening wordt gehouden met de tijd tussen verstrekking en gebruik.

  • 3.

    De rolstoel mag enkel door de cliënt worden gebruikt.

 

HOOFDSTUK 7 LOKAAL VERPLAATSEN PER VERVOERMIDDEL

artikel 7.1 Criteria en omvang

  • 1.

    Een cliënt komt enkel in aanmerking voor een maatwerkvoorziening voor het lokaal verplaatsen indien hij niet op eigen kracht, al dan niet behulp van zijn sociale netwerk, in staat is het openbaar vervoer te bereiken of te gebruiken of op andere wijze zich zelfstandig te verplaatsen.

  • 2.

    Een vervoersvoorziening stelt een cliënt in staat verplaatsingen naar een omvang van maximaal 1500 KM per jaar te maken.

  • 3.

    Het aantal strippen voor het collectief vervoer, zoals vastgelegd in artikel 8.2 van het Besluit, wordt als toereikend gezien in relatie tot lid 2.

  • 4.

    Een uitzondering is als er sprake is van een (dreigend) sociaal isolement, het college kan dan zorgdragen voor voorzieningen voor vervoer buiten de regio.

artikel 7.2 Algemeen gebruikelijk

In ieder geval worden de volgende voorzieningen als algemeen gebruikelijk aangemerkt:

  • fiets met lage instap

  • automatische transmissie voor auto

  • bromfiets

  • brommobiel

  • elektrisch aangedreven fiets

  • fiets

  • fiets met hulpmotor

  • snorfiets

  • rembekrachtiging auto

  • stuurbekrachtiging auto

  • automaat auto

  • fietskar

  • aanhangfietsje

  • voeten-aan-de-grond fiets

  • gewone regen en thermokleding/schootskleed

  • bakfiets

  • tandem

  • buggy

  • auto

  • autoaccessoires (trekhaak en aanhanger)

  • bagagetas/boodschappenmand/boodschappennet voor rolstoel of scootermobiel

 

Er wordt altijd in het individuele geval bekeken of de voorziening ook voor de cliënt algemeen gebruikelijk is.

artikel 7.3 Voorwaarden (aan te kopen voorziening met) persoonsgebonden budget

  • 1.

    Op het persoonsgebonden budget voor een vervoersvoorzienig zijn de volgende voorwaarden van toepassing:

    • a.

      De voorziening moet voorzien zijn van minimaal het CE-keurmerk.

    • b.

      De afschrijvingstermijn bedraagt 5 jaar.

    • c.

      Als na 5 jaren de voorziening nog in alle redelijkheid bruikbaar is, wordt geen nieuwe maatwerkvoorziening verstrekt. Vervanging na 5 jaar geschiedt alleen na een technisch afkeuringsrapport.

    • d.

      Indien de cliënt geen gebruik meer kan maken van de voorziening binnen 5 jaren dan gaat het college over tot herziening/intrekking en terugvordering. Bij de vaststelling van de hoogte van het terug te vorderen persoonsgebonden budget wordt de beginwaarde van de maatwerkvoorziening gerelateerd aan een reële lineaire afschrijvingsduur.

    • e.

      Indien de cliënt geen gebruik meer kan maken van de voorziening binnen 5 jaren kan het voorschot voor onderhoud, reparatie en verzekering van het persoonsgebonden budget teruggevorderd worden door de gemeente, waarbij rekening wordt gehouden met de tijd tussen verstrekking en gebruik.

  • 2.

    De vervoersvoorziening mag enkel door de cliënt worden gebruikt.

artikel 7.4 Rijvaardigheidstest

Het college kan voor verstrekking van een vervoersvoorziening in natura (bv. een scootermobiel) de cliënt verplichten een rijvaardigheidstest af te leggen of rijlessen te nemen, indien er twijfel bestaat over de rijvaardigheid van de cliënt.

 

HOOFDSTUK 8 HEBBEN VAN CONTACTEN EN DEELNAME RECREATIEVE, MAATSCHAPPELIJKE EN RELIGIEUZE ACTIVITEITEN

artikel 8.1 Bezoekbaar maken woning

  • 1.

    In afwijking van het gestelde in artikel 1.2.1 van de wet en artikel 3.4 onder b Verordening kan vanwege een sociale beperking van ingezetenen ten behoeve van (niet) ingezetenen een voorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één woning indien:

    • a.

      de cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling; en

    • b.

      het bezoekbaar maken nodig is om te kunnen participeren en het niet mogelijk is participatie op andere wijze te bewerkstelligen; en

    • c.

      de aan te passen woning in de gemeente staat; en

    • d.

      het gaat om het in staat stellen om bij de echtgenoot, ouders of kinderen op bezoek te gaan.

  • 2.

    Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de cliënt de woning, de woonkamer, een toilet en de buitenruimte behorende bij het hoofdverblijf kan bereiken.

artikel 8.2 Sportvoorzieningen

  • 1.

    Een sportvoorziening kan verstrekt worden indien:

    • a.

      de cliënt gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om bij de gehandicaptensportvereniging een voorziening te lenen (indien mogelijk) om te bezien of hij daadwerkelijk de sport gaat beoefenen;

    • b.

      de cliënt aantoonbaar lid is van een sportvereniging waar de maatwerkvoorziening voor nodig is;

    • c.

      de cliënt kan aantonen dat de sportvoorziening bijdraagt aan het maatschappelijk participeren.

  • 3.

    Het persoonsgebonden budget is bedoeld voor aanschaf en onderhoud gedurende een periode van drie jaar. Als na 3 jaren de voorziening nog in alle redelijkheid bruikbaar is, wordt geen nieuwe maatwerkvoorziening verstrekt. Vervanging na 3 jaar geschiedt alleen na een technisch afkeuringsrapport.

  • 4.

    Op het persoonsgebonden budget voor een sportvoorziening zijn de volgende voorwaarden van toepassing:

    • a.

      Indien de cliënt geen gebruik meer kan maken van de voorziening binnen 3 jaren dan gaat het college over tot herziening/intrekking en terugvordering. Bij de vaststelling van de hoogte van het terug te vorderen persoonsgebonden budget wordt de beginwaarde van de maatwerkvoorziening gerelateerd aan een reële lineaire afschrijvingsduur.

    • b.

      Indien de cliënt geen gebruik meer kan maken van de voorziening binnen 3 jaren kan het voorschot voor onderhoud, reparatie en verzekering van het persoonsgebonden budget teruggevorderd worden door de gemeente, waarbij rekening wordt gehouden met de tijd tussen verstrekking en gebruik.

  • 5.

    De sportvoorziening mag enkel door de cliënt worden gebruikt.

 

HOOFDSTUK 9 PERSOONSGEBONDEN BUDGET

artikel 9.1 Algemene verplichtingen

  • 1.

    De bepalingen in hoofdstuk 4 van de verordening worden integraal van toepassing verklaard;

  • 2.

    Het persoonsgebonden budget wordt uitsluitend gebruikt voor betaling van de maatwerkvoorziening en de daarmee samenhangende kosten.

  • 3.

    De maatwerkvoorziening – niet zijnde een dienst - moet binnen 6 maanden na de verzenddatum van de beschikking zijn aangeschaft;

  • 4.

    De maatwerkvoorziening – zijnde een dienst - moet binnen 3 maanden na de verzenddatum van de beschikking zijn ingezet;

artikel 9.2 Verantwoording persoonsgebonden budget

  • 1.

    Het college controleert of de afgesloten zorgovereenkomst voldoet aan het budgetplan. Na goedkeuring kan de SVB pas overgaan tot betaling van het persoonsgebonden budget.

 

HOOFDSTUK 10 TERUGVORDERING

artikel 10.1 Afzien terugvordering

Het college ziet in elk geval af van terugvordering indien het terug te vorderen bedrag minder dan € 150,00 bedraagt.

artikel 10.2 Invordering terug te vorderen bedrag

Het college hanteert bij invordering van het terug te vorderen bedrag dezelfde regels als de GRA2 Werk & inkomen.

artikel 10.3 Waardering voorziening in natura

Voor de vaststelling van de geldwaarde van de maatwerkvoorziening gaat het college uit van de dagwaarde. Bij de vaststelling van de geldwaarde wordt de dagwaarde bij aanschaf gerelateerd aan een reële lineaire afschrijvingsduur.

 

HOOFDSTUK 11 SLOTBEPALINGEN

artikel 11.1 Inwerkingtreding

Deze Beleidsregels treden in werking met ingang van 1 juni 2019.

artikel 11.2 Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als “Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Cranendonck 2019.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders, op 14 mei 2019.

Bijlage I Gebruikelijke hulp bij huishoudelijke taken

 

Gebruikelijke hulp is van toepassing indien er huisgenoten aanwezig zijn die in staat zijn huishoudelijke taken uit te voeren. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen volwassenen vanaf 23 jaar en kinderen en jongeren tot 23 jaar. In geval de leefeenheid van de zorgvrager mede bestaat uit kinderen, dan gaat de indicatiesteller ervan uit, dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken. Al de hieronder vastgestelde bepalingen zijn conform hoofdstuk 2 van de richtlijn Indicatieadvisering voor Hulp bij het Huishouden van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) van december 2006.

 

  • 1.

    Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding;

  • 2.

    Kinderen van 5 tot 12 jaar (basisschool) kunnen helpen met eigen speelgoed / spullen opruimen, tafel dekken en afruimen, afwassen, afdrogen, vaatwasser inruimen en uitruimen, kleding in de wasmand gooien.

  • 3.

    Kinderen van 12 – 18 jaar zouden emotioneel niet belastende hulp moeten kunnen leveren als hun taak in het huishouden. Kinderen tussen 12 – 18jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien, de eigen kamer op orde houden maar ook bij stofzuigen, bed afhalen en opmaken.

     

    In het geval van noodzaak tot overname huishoudelijke hulp wordt bovenstaande meegewogen bij de indicatie. Daarbij zijn 2 aspecten van belang: Kinderen moeten kunnen blijven deelnemen aan maatschappelijke activiteiten en kinderen zijn niet verantwoordelijk voor het huishouden. Een volwassene blijft verantwoordelijk voor het huishouden.

     

    De kinderen, zeker de jongere, zullen dan ook begeleid moeten worden bij deze taken om hen te stimuleren in dit leerproces tot het zelfstandig leren dragen van verantwoordelijkheden. Bij het toekennen van minuten hulp zal hiermee rekening gehouden moeten worden.

     

  • 4.

    Een 18-23 jarige wordt verondersteld de volgende taken uit te kunnen voeren die zijn te normeren naar 1:30 uur uitstelbare zware taken en 1:00 uur textielverzorging en 1:00 uur lichte, niet uitstelbare taken per week:

    • -

      schoonhouden van sanitaire ruimte,

    • -

      keuken en een kamer,

    • -

      de was doen,

    • -

      boodschappen doen,

    • -

      maaltijd verzorgen,

    • -

      afwassen en opruimen,

    • -

      jongere gezinsleden verzorgen en begeleiden.

  • 5.

    Vanaf 23 jaar kan iemand de huishoudelijke taken volledig overnemen.

 

Wanneer kan een uitzondering worden gemaakt voor gebruikelijke hulp:

In bepaalde situaties is gebruikelijke hulp niet van toepassing of dient er soepeler mee omgegaan te worden. Die situaties doen zich voor in het geval van:

 

Gezondheidsproblemen:

Indien uit (medisch) onderzoek blijkt dat een huisgenoot aantoonbare beperkingen heeft op grond van een aandoening, beperking, handicap of probleem waardoor redelijkerwijs de taken niet overgenomen kunnen worden is gebruikelijke hulp niet van toepassing.

 

Onderzoek moet aangeven of een leefeenheid, gegeven de voor die leefeenheid geldende gebruikelijke hulp, door de (chronische) uitval van een gezinslid niet alsnog onevenredig belast wordt en overbelasting dreigt. Er dient onderzoek gedaan te worden naar de verhouding tussen draagkracht en draaglast van de individuele cliënt.

 

Factoren die van invloed kunnen zijn op de draagkracht zijn bijvoorbeeld de lichamelijke en/of geestelijke conditie van de partner of huisgenoot maar ook het sociale netwerk en de wijze van omgaan met problemen. Factoren die van invloed kunnen zijn op draaglast zijn bijvoorbeeld de mate waarin er sprake is van (on)planbare zorg, het ziektebeeld en de prognose, bijkomende problemen van sociale, emotionele of relationele aard.

 

Wanneer partner of volwassen huisgenoot door de combinatie van een (volledige) werkkring of opleiding en het voeren van het huishouden overbelast dreigt te raken, zal er indien nodig door de consulent medisch advies moeten worden opgevraagd om de overbelasting te objectiveren.

 

Wanneer de dreigende overbelasting wordt veroorzaakt door een combinatie van werk en gebruikelijke zorg en andere activiteiten dan werk en huishouden, gaan werk en gebruikelijke zorg voor. onder andere activiteiten wordt bijvoorbeeld verstaan het beoefenen van een vrijetijdsbesteding. Indien een partner of volwassen huisgenoot overbelast raakt door het beoefenen van vrijetijdsbesteding is dat op zich geen reden om een indicatie voor hulp bij het huishouden te krijgen.

 

In geval de huisgenoten overbelast dreigen te raken door de combinatie van werk en verzorging van de zieke partner/huisgenoot, kan een indicatie worden gesteld op de onderdelen die normaliter tot de gebruikelijke hulp worden gerekend. In principe zal die indicatie van korte duur zijn (3-6 maanden) om de cliënt en diens huisgenoten de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Hetzelfde geldt als een partner/ouder ten gevolge van het plotseling overlijden van de andere ouder overbelast dreigt te raken door de combinatie van werk en verzorging van de inwonende kinderen.

 

Fysieke afwezigheid:

Indien de huisgenoot van een zorgvrager vanwege werk fysiek niet aanwezig is wordt hiermee bij het indiceren uitsluitend rekening gehouden, wanneer het om aaneengesloten perioden van tenminste zeven etmalen gaat. De afwezigheid van de huisgenoot moet een verplichtend karakter hebben en inherent zijn aan diens werk; denk hierbij aan offshore werk, internationaal vrachtverkeer en werk in het buitenland.

Wanneer iemand aaneengesloten perioden van tenminste zeven etmalen van huis is, is er in die periode feitelijk sprake van een éénpersoonshuishouden en kan er geen gebruikelijke hulp worden geleverd.

 

Wanneer de fysieke afwezigheid van de partner minder dan 7 etmalen bedraagt, zal er altijd onderzocht moeten worden of de huisgenoot feitelijk kan voorzien in het verlenen van de zorg. Het gaat hier vooral om niet-uitstelbare taken. Uitstelbare taken worden in een dergelijke situatie gezien als gebruikelijke hulp.

 

Overigen:

  • -

    In terminale situaties (levensverwachting is minder dan 3 maanden) is het ontlasten van de huisgenoot in de vorm van hulp bij het huishouden gebruikelijk.

  • -

    Bij het plotseling overlijden van een van de ouders met als gevolg dat de achterblijvende ouder wordt belast met de opvoeding en verzorging van de kinderen in combinatie met werk. Ook in deze situatie kan tijdelijk (3 maanden) hulp bij het huishouden worden ingezet om de ouder de kans te geven op zoek te gaan naar andere oplossingen.

  • -

    Indien de aanwezige huisgenoten niet (meer) leerbaar zijn. Dit betreft een individuele beoordeling.

  • -

    Voorkomen van crisis en ontwrichting bij verzorging en opvang van gezonde kinderen; indien opvang van gezonde kinderen noodzakelijk is heeft de inzet van een voorliggende voorziening een verplichtend karakter. Indien de voorliggende voorziening niet beschikbaar is -een consulent moet zich hier van op de hoogte stellen – kan tijdelijke inzet van hulp bij het huishouden noodzakelijk zijn.

  • -

    Bij echtscheiding vervalt het samenwonen en daarmee dus ook de gebruikelijke hulp voor het huishouden en de onderlinge persoonlijke verzorging van partners. De zorgplicht voor de kinderen verdwijnt niet. Bij uitval van de verzorgende ouder moet wel onderzoek gedaan worden naar de mogelijkheid van opvang van de kinderen door de niet thuiswonende ouder door te kijken naar de voor de rechtbank vastgelegde afspraken tussen de ex-echtgenoten.

  • -

    Voor die perioden dat de kinderen bij de verzorgende -uitgevallen- ouder zijn kan er dan een indicatie voor opvang zijn. Als de zorgplicht door de niet-verzorgende ouder kennelijk niet wordt nagekomen, beschouwen we de situatie als een eenoudergezin.

 

Bijlage II Normering hulp bij het huishouden op activiteitenniveau

 

Uitspraken door de Centrale Raad van Beroep van 16 mei 2016 waren de aanleiding om te komen tot een onafhankelijk vastgestelde normensystematiek die recht doet aan de bedoelde gerechtelijke uitspraken. Bureau HHM heeft een onafhankelijk onderzoek ingesteld wat geresulteerd heeft in een toets van het beleid huishoudelijke hulp. Het uitgebracht rapport door Bureau HHM is de onderbouwing voor het normenkader hulp bij het huishouden wat hieronder wordt vormgegeven. Bij het tot stand komen van de normensystematiek is een klankbordgroep ingesteld bestaande uit een afvaardiging vanuit de zorgaanbieders, de zorg adviesraad en medewerkers van de gemeente.

 

Uitgangspunt van de normensystematiek is de gemiddelde situatie. Deze is in principe voor iedereen die in aanmerking komt voor hulp bij het huishouden van toepassing. De gemiddelde situatie kan gezien worden als de norm. De normtijden die verder aan de orde komen gelden voor deze gemiddelde situatie. Afhankelijk van de omstandigheden kan de norm verhoogd dan wel verlaagd worden.

 

Norm (gemiddelde situatie)

Factoren die van invloed zijn op de norm

  • Mogelijkheden van de cliënt;

  • Beperkingen/belemmeringen van de cliënt;

  • Ondersteuning mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers;

  • Samenstelling huishouden;

  • Huisdieren;

  • Inrichting, omvang en bewerkelijkheid van de woning;

 

Normen licht en zwaar huishoudelijk werk

 

Textiel- was verzorging

 

Boodschappen

 

Maaltijden verzorging

 

Psychosociale begeleiding, tevens observeren (conform CIZ norm) HbH2

 

Organisatie van het huishouden HbH 2

 

Advies, instructie, voorlichting, gericht op het huishouden (HbH3)

 

Verzorging en of tijdelijke opvang van kinderen conform CIZ protocol