Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Deurne

Beleidsregels Terugvordering gemeente Deurne

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieDeurne
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingBeleidsregels Terugvordering gemeente Deurne
CiteertitelBeleidsregels Terugvordering gemeente Deurne
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Wet werk en bijstand, art. 51, lid 2
  2. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, art. 479b
  3. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, art. 479c
  4. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, art. 479d
  5. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, art. 479f
  6. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, art. 479g, lid 2
  7. Wet werk en bijstand, art. 58, lid 2
  8. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 25. lid 1
  9. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 25, lid 1
  10. Algemene wet bestuursrecht, 4:86, lid 2
  11. Algemene wet bestuursrecht, 4:94
  12. Wet werk en bijstand, art. 17
  13. Wet werk en bijstand, art. 18a
  14. Wet werk en bijstand, art. 52
  15. Wet werk en bijstand, art. 54
  16. Wet werk en bijstand, art. 58
  17. Wet werk en bijstand, art. 59
  18. Wet werk en bijstand, art. 60
  19. Wet werk en bijstand, art. 60a
  20. Wet werk en bijstand, art. 60b
  21. Wet werk en bijstand, art. 60c
  22. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 13
  23. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 17
  24. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 20a
  25. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 25
  26. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 26
  27. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 27
  28. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 28
  29. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 29
  30. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 29a
  31. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 13
  32. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 17
  33. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 20a
  34. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 25
  35. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 26
  36. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 27
  37. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 28
  38. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 29
  39. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 29a
  40. Algemene wet bestuursrecht, titel 4.4
  41. Wet investeren in jongeren, art. 54. lid 1
  42. Wet investeren in jongeren, art. 21
  43. Wet investeren in jongeren, art. 37
  44. Wet investeren in jongeren, art. 40
  45. Wet investeren in jongeren, art. 44
  46. Wet investeren in jongeren, art. 54
  47. Wet investeren in jongeren, art. 55
  48. Wet investeren in jongeren, art. 56
  49. Wet investeren in jongeren, art. 56a
  50. Algemene wet bestuursrecht, titel 4.4

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

N.v.t.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

03-05-2013Onbekend.

23-04-2013

Digitaal Gemeenteblad, 02-05-2013

Onbekend.
02-12-201103-05-2013Onbekend

22-11-2011

Weekblad voor Deurne, 1 december 2011

Onbekend

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsregels Terugvordering gemeente Deurne

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Collegevoorstelnummer 308923,

Gelet op artikel 51, tweede lid, Wet werk en bijstand (WWB)

 

BESLUIT

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B109 Looptijd leenbijstand

Richtlijn B109 Looptijd leenbijstand

Artikel 1

Richtlijn B109 wordt als volgt ingevuld:

De looptijd van de leenbijstand is in beginsel 3 jaar of, bij niet volledige voldoening aan de aflossingsplicht, zoveel langer als nodig is voor de terugbetaling van 36 volledige maanden. Wanneer er na de aflossing van 36 volledig betaalde maandelijkse aflossingsbedragen nog een restant bestaat, dan wordt dit omgezet in bijstand om niet.

Indien de betalingsplichtige de aflossingsverplichtingen herhaaldelijk niet nakomt, wordt het gehele restantbedrag van de leenbijstand middels een beschikking ineens teruggevorderd.

Zie hierover de Beleidsregels opschorting, herziening, intrekking, terugvordering en invordering Wet werk en bijstand (WWB), Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en de Uitvoeringsvoorschriften invordering ten onrechte verleende bijstand ingevolge de WWB en uitkering ingevolge de IOAW en IOAZ in richtlijn B125.

Indien de leenbijstand op grond van artikel 48, tweede lid WWB is verstrekt, gelden de volgende regels:

  • °

    aflossing dient te geschieden op het moment dat de middelen worden ontvangen, en;

  • °

    aflossing dient te gescheiden tot het bedrag dat de middelen voor de bijstand in aanmerking moeten worden genomen.

Als hierna nog een deel van de geldlening resteert wordt dit omgezet in bijstand om niet, tenzij de belanghebbende verwijtbaar minder middelen heeft ontvangen dan waarop hij aanspraak kan maken.

Indien leenbijstand gelijktijdig is verstrekt voor meerdere kosten (bijvoorbeeld waarborgsom en inrichtingskosten) kunnen deze leningen voor de duur van de aflossing worden gezien als één totale verstrekking, dit ondanks het feit dat zij administratief afzonderlijk zijn geregistreerd.

Artikel 2

De invulling van deze gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Weekblad van Deurne.

Met ingang van deze datum wordt de eerder vastgestelde richtlijn ingetrokken.

 

Besloten in de vergadering van 22 november 2011,

 

Burgemeester en wethouders van Deurne,

 

De secretaris, De burgemeester,

 

(mr. G.J.C. Kusters), (H.J. Mak)

Richtlijn B112 Aanpassing aflossing leenbijstand

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Collegevoorstelnummer 308923,

Gelet op artikel 51, tweede lid, Wet werk en bijstand (WWB)

 

BESLUIT

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B112 Aanpassing aflossing leenbijstand

Artikel 1

Richtlijn B112 wordt als volgt ingevuld:

Voor de belanghebbende die een uitkering ontvangt kan de hoogte van het aflossingsbedrag bij elke wijziging van de normuitkering worden aangepast.

Voor de belanghebbende die geen uitkering meer ontvangt blijft de aflossing 6% van het (nieuwe) inkomen.

Zie hierover ook de Beleidsregels opschorting, herziening, intrekking, terugvordering en invordering Wet werk en bijstand (WWB), Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en de Uitvoeringsvoorschriften invordering ten onrechte verleende bijstand ingevolge de WWB en uitkering ingevolge de IOAW en IOAZ in richtlijn B125.

De belanghebbende dient hiertoe de nodige gegevens te verstrekken om het nieuwe inkomen te kunnen beoordelen. Laat hij dit na dan wordt de hele restantlening teruggevorderd.

Artikel 2

De invulling van deze gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Weekblad van Deurne.

Met ingang van deze datum wordt de eerder vastgestelde richtlijn en Beleidsregels herziening, intrekking, terugvordering en invordering WWB, IOAW en IOAZ ingetrokken.

 

Besloten in de vergadering van 22 november 2011.

 

Burgemeester en wethouders van Deurne,

 

De secretaris, De burgemeester,

 

(mr. G.J.C. Kusters), (H.J. Mak)

Richtlijn B120 Beleidsregels inzake beslag

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Collegevoorstelnummer 308923,

Gelet op de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e, tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

 

BESLUIT

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B120 Beleidsregels inzake beslag

Artikel 1

Richtlijn B120 wordt als volgt ingevuld:

Voor het beleid met betrekking tot beslag zie de in richtlijn B125 “Beleidsregels invordering” opgenomen Beleidsregels opschorting, herziening, intrekking, terugvordering en invordering Wet werk en bijstand (WWB), Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), onder beleidsregel 21 onderdeel G en toelichting en de in richtlijn B125 opgenomen Uitvoeringsvoorschriften Invordering ten onrechte verleende bijstand ingevolge de WWB en uitkering ingevolge de IOAW en IOAZ, onderdeel 5 en 6.

Artikel 2

De invulling van deze gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Weekblad van Deurne.

Met ingang van deze datum wordt de eerder op vastgestelde richtlijn en Beleidsregels herziening, intrekking, terugvordering en invordering WWB, IOAW en IOAZ ingetrokken.

 

Besloten in de vergadering van 22 november 2011,

Burgemeester en wethouders van Deurne,

 

De secretaris, De burgemeester,

 

(mr. G.J.C. Kusters), (H.J. Mak)

Richtlijn B122 Gevallen waarin wordt afgezien van terugvordering

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Gelet op artikel 58, tweede lid, Wet werk en bijstand (WWB), artikel 25, eerste lid, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), artikel 25, eerste lid, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ)

 

BESLUIT

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B122 Gevallen waarin wordt afgezien van terugvordering

 

Laatstelijk gewijzigd bij collegebesluit van 23 april 2013

Artikel 1

Richtlijn B122 wordt als volgt ingevuld:

Het college ziet, behalve wanneer er sprake is van terugvordering als bedoeld in artikel 58, eerste lid, WWB, of artikel 25, eerste lid, IOAW/IOAZ, af van terug- en invordering indien:

  • a.

    het terug c.q. in te vorderen bedrag lager is dan € 100,00 en het bedrag niet verrekend kan worden met een lopende uitkering op grond van de WWB, IOAW of IOAZ;

  • b.

    sprake is van een restantvordering beneden € 100,00. De vordering wordt buiten invordering gesteld nadat is vastgesteld dat een minnelijk traject niet meer tot betalingen leidt;

  • c.

    er sprake is van dringende redenen (bijzondere omstandigheden).

Artikel 2

De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad.

Met ingang van deze datum wordt de eerder op 6 september 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 23 april 2013,

 

De secretaris, De Burgemeester,

 

(mr. G.J.C. Kusters), (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op:

2 mei 2013

Richtlijn B124 Moment van invordering

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Collegevoorstelnummer 308923,

Gelet op artikel 4:86, tweede lid, en 4:94, Algemene wet bestuursrecht (Awb)

 

BESLUIT

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B124 Moment van invordering

Artikel 1

Richtlijn B124 wordt als volgt ingevuld:

In beginsel zal direct na het nemen van een besluit tot terugvordering tot invordering worden overgegaan.

Uitstel van betaling

  • A.

    Invulling bevoegdheid tot verlenen van uitstel van betaling (artikel 4:94 Awb) Het college verleent op verzoek van de schuldenaar of ambtshalve uitstel van betaling, indien naar het oordeel van het college het uitstel bijdraagt tot sociale activering, arbeidsinschakeling, de oplossing van een schuldenproblematiek of het overbruggen van de periode van bezwaar of beroep. Ook kan uitstel van betaling worden verleend indien er sprake is van zeer dringende redenen die het uitstel noodzakelijk maken. Gedurende het uitstel zal er niet worden aangemaand of ingevorderd. De bevoegdheid tot verrekening (artikel 4:93 Awb) blijft echter bestaan. De termijn waarvoor het uitstel geldt wordt vastgelegd in de beschikking tot uitstel van betaling. Aan deze beschikking kunnen voorwaarden worden verbonden, zoals een betalingsregeling of een verplichting tot het stellen van zekerheid.

  • B.

    Weigeren van uitstel van betaling Een verzoek om uitstel van betaling wordt in ieder geval afgewezen als:

    • a.

      De medewerking van de verzoeker aan het college naar het oordeel van het college onvoldoende is;

    • b.

      Onjuiste gegevens worden verstrekt;

    • c.

      De gevraagde gegevens niet (volledig) binnen de daartoe gestelde termijn zijn verstrekt;

    • d.

      De gevraagde zekerheid niet wordt gesteld;

    • e.

      De waarde van vermogensobjecten in redelijkheid te gelde kan worden gemaakt teneinde daarmee de verschuldigde vordering te betalen;

    • f.

      De berekende betalingscapaciteit zodanig is dat de schuld direct voldaan kan worden;

    • g.

      De betalingsregeling zich over een onaanvaardbare termijn uitstrekt;

    • h.

      De betalingsproblemen structureel zijn en een betalingsregeling geen uitkomst zal bieden;

    • i.

      Sprake is van een verzoek om uitstel van betaling van een vordering in verband met betalingsmoeilijkheden en voorafgaande aan dat verzoek uitstel is genoten in verband met een bezwaar- of beroepsprocedure tegen een terugvorderings- of verhaalsbesluit, terwijl gedurende die procedure betalingsmiddelen ter beschikking hebben gestaan, waarmee de vordering kon worden betaald;

    • j.

      Indien de schuldenaar reeds eerder een regeling heeft genoten, maar deze niet is nagekomen.

Het college is verplicht de schuldenaar in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te brengen voordat hij het verzoek om uitstel geheel of gedeeltelijk afwijst (artikel 4:7 Awb). Als het verzoek om uitstel wordt afgewezen, moet gemotiveerd worden waarom tot afwijzing van het verzoek is besloten.

Artikel 2

De invulling van deze gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Weekblad van Deurne.

Met ingang van deze datum wordt de eerder vastgestelde richtlijn en Beleidsregels herziening, intrekking, terugvordering en invordering WWB, IOAW en IOAZ ingetrokken.

 

Besloten in de vergadering van 22 november 2011,

 

Burgemeester en wethouders van Deurne,

 

De secretaris, De burgemeester,

 

(mr. G.J.C. Kusters), (H.J. Mak)

Richtlijn B125 Beleidsregels invordering

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Gelet op de artikelen 17, 18a, 52, 54, 58, 59, 60, 60a, 60b en 60c Wet werk en bijstand (WWB), de artikelen 13, 17, 20a, 25, 26, 27, 28, 29 en 29a Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de artikelen 13, 17, 20a, 25, 26, 27, 28, 29 en 29a  Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en titel 4.4 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

 

BESLUIT

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B125 Beleidsregels invordering

 

Laatstelijk gewijzigd bij collegebesluit van 23 april 2013

Artikel 1

Richtlijn B125 wordt als volgt ingevuld:

Beleidsregels opschorting, herziening, intrekking, terugvordering en invordering Wet werk en bijstand (WWB), Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ)

 

ALGEMEEN

1. Algemeen

Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot:

  • a.

    het opschorten van het recht op bijstand op grond van artikel 54, eerste lid van de Wet werk en bijstand (WWB), van het recht op uitkering op grond van artikel 17, eerste lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en artikel 17, eerste lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);

  • b.

    het herzien of intrekken van het toekenningsbesluit op grond van artikel 54, derde en vierde lid, WWB, artikel 17, derde en vierde lid, IOAW en artikel 17, derde en vierde lid IOAZ;

  • c.

    het terugvorderen van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand zoals neergelegd in de artikelen 58, met uitzondering van het eerste lid, 59, 60 en 60a van de WWB of van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende uitkering zoals neergelegd in de artikelen 25, met uitzondering van het eerste lid, 26, en 28 IOAW en in de artikelen 25, met uitzondering van het eerste lid, 26 en 28 IOAZ.

 

OPSCHORTING, HERZIENING EN INTREKKING

2. Opschorting, herziening of intrekking van het toekenningsbesluit

  • A.

    Het recht op bijstand ingevolge de WWB wordt opgeschort indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent.

  • B.

    Een besluit tot toekenning van bijstand ingevolge de WWB wordt herzien of ingetrokken indien:

    • 1.

      het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid WWB, of artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand;

    • 2.

      anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

  • C.

    Het recht op uitkering ingevolge de IOAW of de IOAZ wordt opgeschort indien de belanghebbende de voor de verlening van de uitkering van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek.

  • D.

    Een besluit tot toekenning van uitkering ingevolge de IOAW of de IOAZ wordt herzien of ingetrokken indien:

    • 1.

      een gedraging als bedoeld in artikel 20, eerste lid, IOAW en in artikel 20, eerste lid, IOAZ, of het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, IOAW en in artikel 13, eerste lid, IOAZ of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering;

    • 2.

      anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

  • E.

    Van het nemen van een herzienings- of intrekkingsbesluit als bedoeld in onderdeel B of D kan op grond van dringende redenen worden afgezien.

 

TERUGVORDERING

3. Terugvordering

Bijstand ingevolge de WWB of uitkering ingevolge de IOAW of de IOAZ wordt teruggevorderd in de gevallen zoals vermeld in deze beleidsregels.

 

4. Ten onrechte verleende bijstand of uitkering

  • 1.

    Het college vordert bijstand ingevolge de WWB terug van de belanghebbende voor zover deze bijstand:

    • a.

      anders dan bedoeld in artikel 58, eerste lid, WWB, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;

    • b.

      in de vorm van een geldlening is verleend en de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen;

    • c.

      voortvloeit uit gestelde borgtocht;

    • d.

      ingevolge artikel 52 WWB bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat;

    • e.

      anderszins onverschuldigd is betaald en de belanghebbende dit redelijkerwijs kon begrijpen;

    • f.

      anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat:

      • 1.

        de belanghebbende met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in artikel 31 WWB beschikt of kan beschikken;

      • 2.

        bijstand is verleend met een bepaalde bestemming en naderhand door de belanghebbende vergoedingen of tegemoetkomingen worden ontvangen met het oog op die bestemming.

    • g.

      terugvordering als bedoeld onder e. vindt niet plaats, indien de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór de datum van verzending van het besluit tot terugvordering.

    • h.

      van de in artikel 58, vijfde lid tweede volzin WWB neergelegde bevoegdheid tot bruto-terugvordering moet worden afgezien, indien sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van de belanghebbende en deze niet kan worden verweten dat de vordering niet al is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft.

  • 2.

    Het college vordert een uitkering ingevolge de IOAW of de IOAZ terug van de belanghebbende indien:

    • a)

      Deze uitkering als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 17, derde of vierde lid, IOAW en in artikel 17, derde of vierde lid IOAZ of artikel 20 IOAW en artikel 20 IOAZ, anders dan bedoeld in artikel 25, eerste lid, IOAW, of artikel 25, eerste lid, IOAZ, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald,

    • b)

      blijkt dat de belanghebbende over dezelfde periode waarover een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ is verleend, later inkomsten ontvangt waarmede bij de vaststelling van de uitkering rekening zou zijn gehouden.

    • c)

      van de in artikel 25, vijfde lid tweede volzin IOAW en in artikel 25, vijfde lid tweede volzin IOAZ neergelegde bevoegdheid tot bruto-terugvordering moet worden afgezien, indien sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van de belanghebbende en deze niet kan worden verweten dat de vordering niet al is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft.

       

5. Terugvordering van gezinsleden

  • a.

    Onverminderd het bepaalde onder beleidsregel nummer 4 worden kosten van bijstand ingevolge de WWB of uitkering ingevolge de IOAW of de IOAZ, indien de bijstand of de uitkering aan een gezin wordt verleend, van alle gezinsleden teruggevorderd.

  • b.

    Indien de bijstand ingevolge de WWB als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 17 WWB, of artikelen 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, kunnen de kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 WWB, bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

  • c.

    Indien de uitkering ingevolge de IOAW of de IOAZ met inachtneming van artikel 3 IOAW of artikel 3 IOAZ, had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt, dan wel de verplichting, bedoeld in artikel 13 IOAW of in artikel 13 IOAZ, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, kan de gedurende het betrokken tijdvak ten onrechte verleende uitkering mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens inkomen bij de verlening van de uitkering rekening had moeten worden gehouden.

  • d.

    de onder a. b. en c. genoemde personen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de kosten van bijstand of de kosten van uitkering die worden teruggevorderd.

 

6. Afzien van het nemen van een terugvorderingbesluit

Het college ziet geheel of gedeeltelijk af van terugvordering als bedoeld in artikel 58, achtste lid, WWB, of artikel 25, zevende lid, IOAW/IOAZ, indien daarvoor redenen aanwezig zijn.

 

KWIJTSCHELDING

7. Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek

In afwijking van beleidsregel nummer 4 en 5 kan het college besluiten tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de teruggevorderde bijstand ingevolge de WWB of uitkering ingevolge de IOAW of de IOAZ, behalve wanneer er sprake is van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand als bedoeld in artikel 58, eerste lid, WWB, of uitkering als bedoeld in artikel 25, eerste lid, IOAW/IOAZ, indien:

  • a.

    redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, en

  • b.

    redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in beleidsregel 8 onder a. bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen, en

  • c.

    de vordering van het college wegens teruggevorderde bijstand of uitkering tenminste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.

 

8. Afzien van kwijtschelding wegens schuldenproblematiek

Van kwijtschelding als bedoeld in beleidsregel nummer 7 wordt afgezien indien:

  • a.

    de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of goederen, behoudens voor zover de vordering niet op die goederen verhaald kan worden; of

  • b.

    de vordering voortvloeit uit hetgeen is bepaald in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, en artikel 48, tweede lid, aanhef en onder a, WWB, tenzij de oorspronkelijke vordering of het restant niet meer dan € 3.500,00 netto bedraagt.

 

9. Inwerkingtreding van het besluit tot afzien van terugvordering wegens schuldenproblematiek

Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering wordt niet genomen voordat een schuldregeling tot stand is gekomen.

 

10. Intrekking kwijtscheldingsbesluit schuldenproblematiek

Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien:

  • a

    niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling is tot stand gekomen;

  • b.

    de belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of

  • c.

    onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.

 

11. Kwijtschelding na het voldoen aan de betalingsverplichting

  • 1.

    In afwijking van beleidsregel nummer 4, en wanneer er geen sprake is van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand als bedoeld in artikel 58, eerste lid, WWB, of uitkering als bedoeld in artikel 25, eerste lid, IOAW/IOAZ, kan het college besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien de belanghebbende:

    • a.

      gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;

    • b.

      gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;

    • c.

      gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten;

    • d.

      een bedrag, overeenkomend met tenminste 50% van de restsom in één keer aflost; of

    • e.

      een schuld heeft waarvan het saldo lager is dan het kruimelbedrag zoals bedoeld in richtlijn B122.

  • 2.

    In afwijking van artikel 58, eerste lid, WWB, en artikel 25, eerste lid, IOAW/IOAZ, kan het college besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering van bijstand als bedoeld in het eerste lid van artikel 58 WWB of uitkering als bedoeld in het eerste lid van artikel 25 IOAW/IOAZ, af te zien indien de persoon van wie de kosten van bijstand of uitkering worden teruggevorderd voldoet aan de criteria zoals genoemd in artikel 58, zevende lid, WWB, of in artikel 25, zesde lid, IOAW/IOAZ.

 

12. Verkorting van de periode van voldoen aan betalingsverplichting

De in beleidsregel nummer 11 onder 1 sub a. en b. genoemde termijn is drie jaar indien het de aflossing van leenbijstand betreft, met uitzondering de leenbijstand ten behoeve van schulden.

 

13. Geen kwijtschelding na voldoen aan betalingsverplichting

Kwijtschelding als bedoeld in beleidsregel nummer 11 onderdeel 1 en 2 vindt niet plaats ten aanzien van vorderingen welke door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt, behoudens voor zover zij niet op die goederen verhaald kunnen worden.

Van kwijtschelding wordt tevens afgezien als het vorderingen betreft die voortvloeien uit hetgeen is bepaald in artikel 58, eerste lid onder f, en artikel 48, tweede lid, aanhef en onder a, WWB.

 

INVORDERING VAN TERUGGEVORDERDE BIJSTAND INGEVOLGE DE WWB OF UITKERING INGEVOLGE DE IOAW OF DE IOAZ OF VAN EEN OPGELEGDE BESTUURLIJKE BOETE

14. Boetebesluit

In de beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete vermeldt het college in elk geval:

  • a.

    de naam van de overtreder;

  • b.

    het bedrag van de boete;

  • c.

    de termijn of termijnen waarbinnen de belanghebbende de bestuurlijke boete dient te betalen; en

  • d.

    op welke wijze het besluit, bij gebrekkige betaling, ten uitvoer zal worden gelegd.

 

15. Terugvorderingsbesluit

In de beschikking tot terugvordering van bijstand ingevolge de WWB of uitkering ingevolge de IOAW of de IOAZ vermeldt het college in elk geval:

  • a.

    tot welk bedrag en over welke periode de ten onrechte ontvangen bijstand of uitkering wordt teruggevorderd;

  • b.

    de termijn of termijnen waarbinnen de belanghebbende de ten onrechte ontvangen bijstand of uitkering dient terug te betalen; en

  • c.

    op welke wijze het besluit, bij gebrekkige betaling, ten uitvoer zal worden gelegd.

 

16. Wettelijke rente

Het college maakt geen gebruik van de bevoegdheid om de schuldenaar wettelijke rente in ekening te brengen zoals bedoeld in artikel 4:98 Awb.

 

17. Betaling

  • A.

    Wijze en tijdstip van betaling

    De betaling geschiedt binnen zes weken nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt (artikel 4:87 Awb). De betaling door de schuldenaar geschiedt door ijschrijving op de daartoe bestemde bankrekening. Als tijdstip van betaling geldt de datum waarop de rekening van het college wordt gecrediteerd (artikel 4:89, eerste en derde lid Awb). Bij betaling aan de kas van de gemeente geldt de dag waarop het bedrag aan het loket van de gemeente is betaald als tijdstip van betaling. Bij betaling aan de kas ontvangt de schuldenaar een kwitantie (artikel 4:90 Awb).

  • B

    De afboeking van de betaling

    De afboeking van betalingen waarvan de bestemming is aangegeven worden afgeboekt overeenkomstig de opgave van de betaler (artikel 4:92, tweede lid Awb). Betalingen waarvoor geen bestemming is gegeven (de zogenoemde ongerichte betalingen) worden afgeboekt op de oudste openstaande vorderingen, met dien verstande dat de aard van de vorderingen aanleiding kan zijn hiervan af te wijken (bijvoorbeeld indien er sprake is van een vordering die betrekking heeft op het lopende kalenderjaar en die nog niet is gebruteerd ingevolge artikel 58, vijfde lid WWB of artikel 25, vierde lid IOAW en artikel 25, vijfde lid IOAZ).

  • C.

    De kosten van betaling

    De kosten van betaling (bijvoorbeeld porto- en bankkosten) komen voor rekening van de schuldenaar (artikel 4:91, eerste lid Awb).

 

18. Uitstel van betaling

  • A.

    Invulling bevoegdheid tot verlenen van uitstel van betaling (artikel 4:94 Awb). Het college verleent op verzoek van de schuldenaar of ambtshalve uitstel van betaling, indien naar het oordeel van het college het uitstel bijdraagt tot sociale activering, arbeidsinschakeling, de oplossing van een schuldenproblematiek of het overbruggen van de periode van bezwaar of beroep. Ook kan uitstel van betaling worden verleend indien er sprake is van zeer dringende redenen die het uitstel noodzakelijk maken. Gedurende het uitstel zal er niet worden aangemaand of ingevorderd. De bevoegdheid tot verrekening (artikel 4:93 Awb) blijft echter bestaan. De termijn waarvoor het uitstel geldt wordt vastgelegd in de beschikking tot uitstel van betaling. Aan deze beschikking kunnen voorwaarden worden verbonden, zoals een betalingsregeling of een verplichting tot het stellen van zekerheid.

  • B.

    Weigeren van uitstel van betaling

    Een verzoek om uitstel van betaling wordt in ieder geval afgewezen als:

    • a.

      De medewerking van de verzoeker aan het college naar het oordeel van het college onvoldoende is;

    • b.

      Onjuiste gegevens worden verstrekt;

    • c.

      De gevraagde gegevens niet (volledig) binnen de daartoe gestelde termijn zijn verstrekt;

    • d.

      De gevraagde zekerheid niet wordt gesteld;

    • e.

      De waarde van vermogensobjecten in redelijkheid te gelde kan worden gemaakt teneinde daarmee de verschuldigde vordering te betalen;

    • f.

      De berekende betalingscapaciteit zodanig is dat de schuld direct voldaan kan worden;

    • g.

      De betalingsregeling zich over een onaanvaardbare termijn uitstrekt;

    • h.

      De betalingsproblemen structureel zijn en een betalingsregeling geen uitkomst zal bieden;

    • i.

      Sprake is van een verzoek om uitstel van betaling van een vordering in verband met betalingsmoeilijkheden en voorafgaande aan dat verzoek uitstel is genoten in verband met een bezwaar- of beroepsprocedure tegen een terugvorderings- of verhaalsbesluit, terwijl gedurende die procedure betalingsmiddelen ter beschikking hebben gestaan, waarmee de vordering kon worden betaald;

    • j.

      Indien de schuldenaar reeds eerder een regeling heeft genoten, maar deze niet is nagekomen.

  • C.

    Intrekken of wijzigen beschikking tot uitstel van betaling (artikel 4:96 Awb)

    In de volgende gevallen zal de beschikking tot uitstel van betaling worden gewijzigd of ingetrokken:

    • 1.

      Indiende voorschriften niet worden nageleefd;

    • 2.

      Indien de schuldenaar onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van de juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking zou hebben geleid; of

    • 3.

      Indien veranderde omstandigheden zich verzetten tegen de voortduring van het uitstel.

 

19. Aanmaning

  • A.

    Termijn voor aanmaning en van betaling na aanmaning

    Indien de schuldenaar in verzuim is, zoals bedoeld in artikel 4:97 Awb, wordt binnen twee weken na constatering van het verzuim, of op enig ander tijdstip, een schriftelijke aanmaning verzonden, waarin de schuldenaar wordt gemaand om binnen twee weken, gerekend vanaf de de dag na die waarop de aanmaning is verzonden, tot betaling over te gaan (artikel 4:112, eerste lid Awb). 

  • B.

    Gevolgen niet nakoming aanmaning

    De aanmaning vermeldt dat bij niet tijdige betaling deze zal worden afgedwongen door op kosten van de schuldenaar uit te voeren invorderingsmaatregelen (artikel 4:112, derde lid Awb).

  • C.

    Aanmaningsvergoeding

    Het college brengt bij de schuldenaar geen aanmaningsvergoeding als bedoeld in artikel 4:113 Awb in rekening.

  • D.

    Gedeeltelijke voldoening aan de aanmaning

    Als na de verzending van een aanmaning een gedeelte van het achterstallige bedrag wordt voldaan, dan wordt de uitvaardiging van een dwangbevel voor het restant niet door een nieuwe aanmaning voorafgegaan.

 

20. Dwangbevel

  • A.

    Tijdstip van uitvaardigen dwangbevel

    Binnen een maand of op enig later tijdstip nadat niet (volledig) binnen de aanmaningstermijn is betaald, vaardigt het college een dwangbevel uit (artikel 60, tweede lid WWB of artikel 28, eerste lid, IOAW en artikel 28, eerste lid, IOAZ, en artikel 4:117, eerste lid Awb).

  • B.

    Bekendmaking van het dwangbevel

    Het college maakt zoveel mogelijk gebruik van de mogelijkheid het dwangbevel per post te betekenen (artikel 60, vijfde lid, WWB of artikel 28, vijfde lid, IOAW en artikel 28, vijfde lid, IOAZ). De betekening van het dwangbevel per post met het bevel tot betaling binnen een week vindt plaats door het ter post bezorgen door het college van een voor de schuldenaar bestemd afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling. Onder ter post bezorging wordt verstaan: het door het college ter aangetekende verzending aanbieden van het afschrift aan TNT-Post. Als betekeningsdatum geldt in het algemeen de datum van de ter post bezorging.

    Indien betekening per post niet mogelijk of wenselijk is, bijvoorbeeld omdat beslag op goederen of beslag op een bankrekening de voorkeur verdient, wordt de betekening overgelaten aan de deurwaarder, zoals bedoeld in artikel 4:123 Awb.

  • C.

    Kosten dwangbevel

    De kosten van het dwangbevel, gesteld op een bedrag van € 25,--, worden bij de schuldenaar in rekening gebracht (artikel 4:119 en artikel 4:120 Awb).

  • D.

    Bundeling vorderingen

    Indien bij dezelfde schuldenaar meerdere vorderingen tot een dwangbevel leiden, worden de verschillende vorderingen zoveel mogelijk in één dwangbevel gebundeld (artikel 4:119, tweede lid Awb).

  • E.

    Tenuitvoerlegging dwangbevel

    Het dwangbevel levert een executoriale titel op (artikel 4:116 Awb). Na betekening aan de schuldenaar, zal het college het dwangbevel met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering ten uitvoer leggen, indien niet binnen de gestelde termijn aan het bevel tot betaling volledig is voldaan.

 

21. Verrekening en beslaglegging

  • A.

    Invulling bevoegdheid tot verrekening (artikel 4:93 Awb)

    • 1.

      Indien de persoon van wie kosten van bijstand als bedoeld in artikel 58, eerste lid, WWB, of kosten van uitkering als bedoeld in artikel 25, eerste lid, IOAW/IOAZ, worden teruggevorderd dan wel verplicht is tot betaling van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a WWB of artikel 20a IOAW/IOAZ, algemene bijstand ingevolge de WWB, of een uitkering op grond van de IOAW/IOAZ ontvangt, verrekent het college op grond van artikel 60, vierde lid, WWB, of artikel 28, tweede lid, IOAW/IOAZ, die kosten van bijstand of uitkering, of bestuurlijke boete met die algemene bijstand of uitkering.

      Het college verrekent hierbij eerst de bestuurlijke boete en vervolgens de kosten van bijstand of uitkering.

    • 2.

      Indien de persoon van wie kosten van bijstand als bedoeld in de artikelen 58, met uitzondering van het eerste lid, en 59 WWB of kosten van uitkering als bedoeld in de artikelen 25, met uitzondering van het eerste lid, en 26 IOAW en in de artikelen 25, met uitzondering van het eerste lid, en 26 IOAZ worden teruggevorderd, algemene bijstand ingevolge de WWB, of een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ, ontvangt, is het college ingevolge artikel 60, derde lid WWB of ingevolge artikel 28, derde lid IOAW en artikel 28, derde lid IOAZ bevoegd tot verrekening van die kosten van bijstand of die kosten van uitkering met die algemene bijstand of uitkering. Van deze bevoegdheid maakt het college zoveel mogelijk gebruik en vindt plaats na de verrekening genoemd onder ad 1. Een eventuele betalingsregeling die wordt getroffen met een schuldenaar zoals hier wordt bedoeld, wordt in ieder geval gerealiseerd door middel van verrekening.

  • B.

    Invulling bevoegdheid tot pseudoverrekening met een andere gemeente

    Indien de persoon van wie kosten van bijstand als bedoeld in de artikelen 58 en 59 WWB of kosten van uitkering als bedoeld in de artikelen 25 en 26 IOAW en in de artikelen 25 en 26 IOAZ worden teruggevorderd, dan wel die verplicht is tot betaling van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a WWB of artikel 20a IOAW/IOAZ, algemene bijstand ingevolge de WWB of een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ van een andere gemeente ontvangt, betaalt dat college ingevolge artikel 60a, eerste lid WWB of ingevolge artikel 28, vierde lid IOAW en artikel 28, vierde lid IOAZ, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van de belanghebbende, het bedrag van de terugvordering of de bestuurlijke boete uit de algemene bijstand of uitkering op verzoek aan het college dat de kosten van bijstand terugvordert of de bestuurlijke boete heeft opgelegd. Een eventuele betalingsregeling die wordt getroffen met een schuldenaar zoals hier wordt bedoeld, wordt in ieder geval gerealiseerd door middel van deze verrekening.

  • C.

    Invulling bevoegdheid tot pseudoverrekening met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

    Indien de persoon van wie kosten van bijstand als bedoeld in de artikelen 58 en 59 WWB of kosten van uitkering als bedoeld in de artikelen 25 en 26 IOAW en in de artikelen 25 en 26 IOAZ worden teruggevorderd, dan wel die verplicht is tot betaling van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a WWB of artikel 20a IOAW/IOAZ, een uitkering ontvangt op grond van de Werkloosheidswet, de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, de Ziektewet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Wet arbeid en zorg of de Toeslagenwet of inkomensondersteuning ontvangt op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, betaalt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ingevolge artikel 60a, tweede lid WWB of ingevolge artikel 28, vierde lid IOAW en artikel 28, vierde lid IOAZ, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van de belanghebbende, het bedrag van de terugvordering of de bestuurlijke boete uit die uitkering of inkomensondersteuning op verzoek aan het college dat de kosten van bijstand terugvordert of de bestuurlijke boete heeft opgelegd. Een eventuele betalingsregeling die wordt getroffen met een schuldenaar zoals hier wordt bedoeld, wordt in ieder geval gerealiseerd door middel van deze verrekening.

  • D.

    Invulling bevoegdheid tot pseudoverrekening met de Sociale verzekeringsbank

    Indien de persoon van wie kosten van bijstand als bedoeld in de artikelen 58 en 59 WWB of kosten van uitkering als bedoeld in de artikelen 25 en 26 IOAW en in de artikelen 25 en 26 IOAZ worden teruggevorderd, dan wel die verplicht is tot betaling van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a WWB of artikel 20a IOAW/IOAZ, een uitkering ontvangt op grond van de Algemene Ouderdomswet of de Algemene nabestaandenwet van de Sociale verzekeringsbank, betaalt de Sociale Verzekeringsbank ingevolge artikel 60a, derde lid WWB of ingevolge artikel 28, vierde lid IOAW en artikel 28, vierde lid IOAZ, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van de belanghebbende, het bedrag van de terugvordering of de bestuurlijke boete uit die uitkering op verzoek aan het college dat de kosten van bijstand terugvordert of de bestuurlijke boete heeft opgelegd. Een eventuele betalingsregeling die wordt getroffen met een schuldenaar zoals hier wordt bedoeld, wordt in ieder geval gerealiseerd door middel van deze verrekening.

  • E.

    Aflossing bijstand in de vorm van een geldlening

    Indien de persoon aan wie bijstand in de vorm van een geldlening wordt verleend algemene bijstand ingevolge de WWB of een uitkering op grond van de IOAW, de IOAZ, het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 ontvangt, zal het college overgaan tot verrekening van die geldlening met die algemene bijstand of uitkering (artikel 48, vijfde lid WWB).

  • F.

    Verrekening bestuurlijke boete bij recidive

    Een bestuurlijke boete bij recidive als bedoeld in artikel 18a, vijfde lid, WWB, wordt verrekend met de algemene bijstand ingevolge de WWB, overeenkomstig de bepalingen in de Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive Deurne.

  • G.

    Regels ten aanzien van verrekenen

    Ten aanzien van verrekenen hanteert het college de volgende regels:

    • °

      Verrekening van een bestuurlijke boete gaat voor de verrekening van ten onrechte genoten bijstand op grond van de WWB of uitkering op grond van de IOAW/IOAZ;

    • °

      Er wordt niet tot verrekening over gegaan, indien de middelen van de schuldenaar afdoende zijn om de vordering in één keer te betalen;

    • °

      De schuldenaar wordt met een kennisgeving op de hoogte gesteld van het feit dat een vordering op grond van een terugvorderingsbesluit op grond van artikel 58 en 59 WWB of artikel 25 en 26 IOAW of artikel 25 en 26 IOAZ of op grond van artikel 48, vijfde lid WWB, of een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a WWB of artikel 20a IOAW/IOAZ, met zijn of haar bijstand of uitkering wordt verrekend, en van de hoogte van het bedrag van de verrekening (artikel 4:93, tweede lid Awb);

    • °

      De schuldenaar dient door verrekening nooit te beschikken over een inkomen dat minder is dan de voor hem of haar geldende beslagvrije voet (artikel 4:93, vierde lid Awb), met uitzondering van de bepaling zoals opgenomen in artikel 2 van de Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive Deurne 2013;

    • °

      Een verleend uitstel tot betaling staat verrekening niet in de weg (artikel 4:93, vijfde lid Awb);

    • °

      De gehele reeds op het moment van verrekening gereserveerde vakantietoeslag ingevolge bijstandsverlening of uitkeringsverstrekking wordt verrekend met de vordering, tenzij het ontstaan van de vordering de schuldenaar niet te verwijten valt.

  • H.

    Beslaglegging

    Een executoriaal beslag vindt plaats overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e, tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Wanneer er sprake is van zowel een vordering in verband met een ten onrechte ontvangen bijstand op grond van de WWB of ten onrechte ontvangen uitkering op grond van de IOAW/IOAZ als een vordering in verband met een opgelegde bestuurlijke boete op grond van de WWB of op grond van de IOAW/IOAZ, wordt een beslag zowel gelegd ten aanzien van de ten onrechte ontvangen bijstand op grond van de WWB of ten onrechte ontvangen uitkering op grond van de IOAW/IOAZ als ten aanzien van de opgelegde bestuurlijke boete op grond van de WWB of op grond van de IOAW/IOAZ.

    Ontvangsten worden eerst afgeboekt op de vordering in verband met een opgelegde bestuurlijke boete en vervolgens op de ten onrecnte ontvangen bijstand op grond van de WWB of ten onrechte ontvangen uitkering op grond van de IOAW/IOAZ.

    Wanneer er door een deurwaarder ook beslag gelegd is op het inkomen van de belanghebbende, en de deurwaarder wil daarom delen in het beslag, worden, in verband met de preferentie van de vordering van het college (artikel 60, zevende lid, WWB, en artikel 30, eerste lid, IOAW/IOAZ) ontvangsten eerst afgeboekt op de ten onrecnte ontvangen bijstand op grond van de WWB of ten onrechte ontvangen uitkering op grond van de IOAW/IOAZ, en vervolgens op de vordering in verband met een opgelegde bestuurlijke boete.

    De kosten van invordering middels beslaglegging komen voor rekening van de schuldenaar (artikel 4:120 Awb).

    Deze kosten worden als volgt gesteld.

     

    Schuldbedrag

    In rekening te brengen kosten

    € 0,00 tot € 250,00

    € 35,00

    € 250,00 tot € 500,00

    € 70,00

    € 500,00 tot € 1.250,00

    € 105,00

    € 1.250,00 tot € 2.500,00

    € 150,00

    € 2.500,00 en meer

    € 300,00

22. Verjaring

Ten aanzien van verjaring van de vordering zijn de artikelen 4:104 tot en met 4:111 Awb van toepassing.

 

23. Bescherming van de beslagvrije voet

Indien de schuldenaar op grond van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in het kader van invordering door middel van verrekening of dwangbevel de bescherming van de beslagvrije voet geniet, vervalt deze bescherming indien de schuldenaar zijn inlichtingenplicht, zoals bedoeld in artikel 60, eerste lid WWB of artikel 27 IOAW en artikel 27 IOAZ of artikel 18a, achtste lid, WWB, of artikel 20a, achtste lid, IOAW/IOAZ, niet of niet behoorlijk nakomt (artikel 60, zesde lid WWB en artikel 28, zesde lid IOAW en artikel 28, zesde IOAZ).

 

Voorafgaand aan het vervallen van de bescherming van de beslagvrije voet wordt de schuldenaar van het voornemen hiertoe en de consequenties hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. Ook wordt de schuldenaar in de gelegenheid gesteld binnen vijf werkdagen de verzochte informatie alsnog te verstrekken, tenzij gelet op de aard van de gevraagde informatie een langere hersteltermijn redelijk is.

 

Indien de informatie niet alsnog wordt verstrekt, vervalt de bescherming van de beslagvrije voet zo snel mogelijk na het verstrijken van de gegeven hersteltermijn.

 

Indien na het verstrijken van de hersteltermijn de gevraagde informatie alsnog wordt verstrekt, zal per individueel geval worden bekeken of de bescherming van de beslagvrije voet alsnog wordt hersteld, met dien verstande dat de bescherming niet eerder wordt hersteld dan na drie maanden na overlegging van de gevraagde informatie.

 

Toelichting

TOELICHTING BELEIDSREGELS OPSCHORTING, HERZIENING, INTREKKING, TERUGVORDERING EN INVORDERING WET WERK EN BIJSTAND (WWB), WET INKOMENSVOORZIENING OUDERE EN GEDEELTELIJK ARBEIDSONGESCHIKKTE WERKLOZE WERKNEMERS (IOAW) EN WET INKOMENSVOORZIENING OUDERE EN GEDEELTELIJK ARBEIDSONGESCHIKTE GEWEZEN ZELFSTANDIGEN (IOAZ)

 

1. Algemeen

In de WWB en in de IOAW en de IOAZ is het opschorten, herzien, intrekken en terugvorderen van ten onrechte verleende bijstand of uitkering (met uitzondering van de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand als bedoeld in artikel 58, eerste lid, WWB, of uitkering als bedoeld in artikel 25, eerste lid, IOAW/IOAZ, in die situaties is dat een verplichting) een algehele bevoegdheid van het college.

Het college maakt gebruik van deze bevoegdheid in de gevallen en op grond van de bepalingen in deze beleidsregels.

 

2. Opschorting, herziening of intrekking van het toekenningsbesluit

Evenals terugvordering van bijstand of uitkering (behalve wanneer er sprake is van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand als bedoeld in artikel 58, eerste lid, WWB, of uitkering als bedoeld in artikel 25, eerste lid, IOAW/IOAZ) is het met terugwerkende kracht gewijzigd vaststellen van het recht op bijstand of uitkering door middel van een herzienings- of intrekkingsbesluit een algehele bevoegdheid van het college. Het college maakt in beginsel in alle gevallen waarin er aanleiding is het toekenningsbesluit met terugwerkende kracht te wijzigen, gebruik van deze bevoegdheid.

De bepalingen onder sub 1 en 2 van onderdeel B. en D. zijn identiek aan de bepalingen van artikel 54 lid 3 WWB en artikel 17 lid 3 IOAW en artikel 17 lid 3 IOAZ, doch zijn met een dwingend karakter geformuleerd.

  • a.

    indien als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting van de belanghebbende ten onrechte bijstand of uitkering is verleend dan wordt in alle gevallen het bijstands- of uitkeringsrecht naar het verleden toe gecorrigeerd naar de juiste situatie.

  • b.

    In gevallen waarin er kennelijk in het verleden een niet correct toekenningsbesluit is genomen, maar dit niet is veroorzaakt door de belanghebbende, dan kan in voorkomende gevallen toch herziening of intrekking van het toekenningsbesluit aan de orde zijn.

    Dit zal zich vooral voordoen in gevallen waarin door het college onjuiste besluitvorming heeft plaatsgehad. Deze vorm van intrekking/herziening staat op gespannen voet met het rechtszekerheidsbeginsel. Op grond van dit beginsel kunnen rechten niet zonder meer met terugwerkende kracht worden gewijzigd. Doorslaggevend moet zijn of belanghebbende enige blaam treft bij het niet melden van de onjuiste situatie. De belanghebbende zal derhalve “op zijn klompen” hebben kunnen aanvoelen dat er iets mis was met de toekenning. Als dit niet het geval is dan gaat het college niet over tot herziening/intrekking met terugwerkende kracht. Het uitkeringsrecht zal in dat geval uiterlijk met ingang van de datum waarop de onjuistheid is geconstateerd worden gewijzigd, mits de belanghebbende hiervan tijdig op de hoogte wordt gebracht. Een andere overweging is of het college als gevolg van een grove fout een foutief besluit heeft genomen. Grove nalatigheid van het bestuursorgaan kan niet voor rekening komen van de belanghebbende, tenzij het bij de belanghebbende volkomen duidelijk kan zijn dat het hier een fout betreft.

 

3. Terugvordering

Deze bepaling vormt de kernbepaling van het gemeentelijke terugvorderingsbeleid. Benadrukt wordt dat de bijstand of uitkering uitsluitend wordt teruggevorderd (anders dan bedoeld in artikel 58, eerste lid, WWB, en artikel 25, eerste lid, IOAW/IOAZ, waar het een verplichting is) in de gevallen waarin dit in de beleidsregels is vastgelegd.

 

4. Ten onrechte verleende bijstand of uitkering

De hier onder sub 1 omschreven situaties waarin bijstand wordt teruggevorderd zijn identiek aan de bepalingen van artikel 58 WWB. Om echter geen misverstand te laten bestaan over wanneer bijstand moet worden teruggevorderd zijn deze beleidsregels, in tegenstelling tot de formulering van artikel 58, tweede lid,  WWB, dwingend geformuleerd.

  • a.

    bijstand is, anders dan bedoeld in artikel 58, eerste lid, WWB, ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleend wanneer achteraf komt vast te staan dat over de betreffende periode geen, of tot een lager bedrag, recht op bijstand bestond. Voorafgaande aan deze terugvordering dient op grond van artikel 54 lid 3 WWB en beleidsregel nummer 2 van de Beleidsregels Terugvordering eerst een herzienings- of intrekkingsbesluit te worden genomen.

  • b.

    aan de bijstand die in de vorm van een geldlening is verleend dient in alle gevallen een terugbetalingsverplichting te worden verbonden. Deze verplichting wordt in het toekenningsbesluit vastgelegd. Eerst wanneer deze verplichting niet wordt nagekomen wordt ten aanzien van het nog resterende bedrag van de lening een terugvorderingsbesluit genomen.

  • c.

    Borgstelling is een vorm van bijstandsverlening. Dit betekent dat in het toekenningsbesluit vastgelegd moet zijn dat de gemeente bijstand heeft verleend in de vorm van een borgstelling. Deze bijstand komt echter pas tot uitbetaling (aan de geldverstrekker) indien de belanghebbende in gebreke blijft met het terugbetalen van de door de geldverstrekker verleende geldlening. Op het moment van uitbetaling van de bijstand ontstaat tevens een vordering die op grond van artikel 58 lid 1 sub c WWB en de gemeentelijke beleidsregels kan worden teruggevorderd. In dat geval is, evenals bij de terugvordering van een geldlening, een afzonderlijk terugvorderingsbesluit noodzakelijk.

  • d.

    Een voorschot wordt op grond van artikel 52 WWB van rechtswege (automatisch op grond van de wet) verstrekt als een renteloze geldlening. Dit impliceert dat belanghebbende deze lening moet terugbetalen. Artikel 52 lid 3 WWB regelt dat het verstrekte voorschot ineens wordt verrekend met de toegekende uitkering over de periode waarop het voorschot betrekking had. Soms behoort verrekening van dit voorschot niet of niet volledig tot de mogelijkheden. Dat kan zijn omdat er geen toekenning van een uitkering tot stand komt, of dat de toegekende uitkering niet toereikend is om het totale bedrag van het voorschot ineens te verrekenen. Het openstaande bedrag van het voorschot wordt dan van belanghebbende teruggevorderd op grond van artikel 58 lid 1 sub d WWB. Wanneer deze omstandigheid zich voordoet dan is een afzonderlijk terugvorderingsbesluit noodzakelijk ten aanzien van het bedrag dat niet (volledig) kan worden verrekend met de toegekende bijstand.

  • e.

    er kunnen naast de hierboven genoemde omstandigheden andere redenen zijn waarin de bijstand bij nader inzien onverschuldigd is betaald. Het gaat hierbij met name om situaties waarin er geen reden is om te komen tot herziening of intrekking van het toekenningsbesluit, bijvoorbeeld wanneer bijstand is verleend in afwachting van het beschikbaar komen van middelen (inkomen of vermogen), of wanneer achteraf een vergoeding wordt ontvangen voor kosten waarvoor in een eerder stadium ook reeds (bijzondere) bijstand is ontvangen. Ook de onverschuldigd betaalde bijstand als gevolg van een administratieve vergissing dient op grond deze beleidsregel te worden teruggevorderd. Als restrictie geldt dat alleen kan worden teruggevorderd indien de belanghebbende redelijkerwijs kon begrijpen dat hij ten onrechte bijstand ontving. Voor de hier bedoelde vorm van terugvordering geldt een wettelijke vervaltermijn van 2 jaar.

  • h.

    In de volgende gevallen moet het college afzien van brutering en kan alleen de netto bijstand teruggevorderd worden:

    • 1.

      De reden voor terugvordering is in de loop van het jaar ontstaan en het college heeft nagelaten belanghebbende hiervan tijdig in kennis te stellen, waardoor deze niet meer in staat was de vordering binnen het kalenderjaar terug te betalen (zie CRvB 28-11-2006, nrs. 05/2497 NABW e.a.). In deze uitspraak waren de inkomsten, die tot de terugvordering hadden geleid, door belanghebbende keurig opgegeven en kon haar niet worden verweten dat zij de inlichtingenplicht had geschonden. Niet was gebleken dat het college niet in staat was geweest om in het kalenderjaar al tot terugvordering over te gaan. Het college had derhalve niet in redelijkheid gebruik kunnen maken van de bevoegdheid tot bruto-terugvordering. Zie ook CRvB 08-06-2007, nrs. 06/1837 WWB e.a. en CRvB 24-07-2007, nr. 06/3265 WWB.

    • 2.

      Belanghebbende kan terzake van het ontstaan van de schuld geen verwijt worden gemaakt en hem kan ook niet worden verweten dat de schuld niet binnen het betreffende boekjaar is terugbetaald (CRvB 15-07-2008, nr. 07/1890 WWB, CRvB 27-01-2009, nr. 08/4903 WWB en CRvB 06-10-2009, nr. 08/2103 WWB).

De onder sub 2 omschreven situaties waarin uitkering wordt teruggevorderd zijn identiek aan de bepalingen van artikel 17 IOAW en artikel 17 IOAZ. Om echter geen misverstand te laten bestaan over wanneer uitkering moet worden teruggevorderd zijn deze beleidsregels, in tegenstelling tot de formulering van artikel 17 IOAW en artikel 17 IOAZ, dwingend geformuleerd.

  • a)

    De uitkering is, anders dan bedoeld in artikel 25, eerste lid, IOAW/IOAZ, als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 17, derde of vierde lid, IOAW en in artikel 17, derde of vierde lid IOAZ of artikel 20 IOAW en artikel 20 IOAZ ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleend, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald,

  • b)

    Gebleken is dat de belanghebbende over dezelfde periode waarover een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ is verleend, later inkomsten ontvangt waarmede bij de vaststelling van de uitkering rekening zou zijn gehouden.

  • c)

    In de gevallen zoals bovenstaand genoemd onder h. moet het college afzien van brutering en kan alleen de netto uitkering teruggevorderd worden.

 

5. Terugvordering van gezinsleden

Op grond van artikel 59 lid 2 WWB of artikel 26 lid 2 IOAW en artikel 26 lid 2 IOAZ kan bijstand of uitkering die als gevolg van schending van de inlichtingenplicht niet als gezinsbijstand is verleend, maar wel als gezinsbijstand verleend had moeten worden, tevens worden teruggevorderd van degene met wiens middelen rekening had moeten worden gehouden. Eenvoudiger gesteld: bijstand of uitkering die aan een alleenstaande is verleend, die achteraf een gezamenlijke huishouding blijkt te voeren, kan tevens van de verzwegen partner worden teruggevorderd.

 

Duidelijk moet zijn dat:

  • -

    de bijstandsontvanger het voeren van een gezamenlijke huishouding met deze partner heeft verzwegen.

  • -

    de verzwegen partner van de bijstandsverlening op de hoogte was.

 

Alle gezinsleden waarvan in bovengenoemde situaties kan worden teruggevorderd zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele vordering. Dit betekent in de praktijk dat het gehele bedrag van elk gezinslid kan worden teruggevorderd. In gevallen waarin één (of meer) gezinsleden niet in staat zijn om (het volledige) bedrag terug te betalen kunnen andere gezinsleden voor het gehele (restant)bedrag worden aangesproken. In principe dienen alle debiteuren die hoofdelijk aansprakelijk zijn hun aandeel in de aflossing onderling met elkaar te verrekenen. Dit is niet het probleem van de gemeente.

 

6. Afzien van het nemen van een terugvorderingsbesluit

In het terugvorderingsproces kan op twee momenten worden afgezien van terugvordering. Ten eerste kan worden besloten om geen terugvorderingsbesluit te nemen, behalve wanneer er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 58, eerste lid, WWB, of artikel 25, eerste lid, IOAW/IOAZ. De vordering komt in dat geval niet tot stand. Ten tweede kan worden afgezien van verdere terugvordering in een later stadium. Deze variant, ook wel kwijtschelding genoemd, wordt behandeld in beleidsregel 7 en verder.

In individuele situaties kunnen dringende redenen grond zijn om van een terugvorderingsbesluit af te zien. Wanneer er sprake is van een (verplichte) terugvordering op grond van artikel 58, eerste lid, WWB, of artikel 25, eerste lid, IOAW/IOAZ, is artikel 58, achtste lid, WWB, of artikel 25, zevende lid, IOAW/IOAZ, van toepassing. Voor de overige vormen van terugvordering kan hiervan sprake zijn wanneer de vordering is ontstaan buiten toedoen van de belanghebbende, en hem hiervan geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Tevens zal in dat geval aannemelijk moeten zijn dat de belanghebbende niet kon weten dat hij ten onrechte bijstand ontving.

In gevallen waarin eerst een herzienings- of intrekkingsbesluit aan de orde is kan van een dergelijk besluit reeds worden afgezien wegens en dringende reden (zie beleidsregel 2). In dat geval is ook geen grond tot het nemen van een terugvorderingsbesluit.

 

7. tot en met 10. Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek

Wanneer een bijstandsvordering door middel van een terugvorderingsbesluit is vastgelegd dan kan er in een later stadium, behalve wanneer er sprake is van een verplichte terugvordering, reden zijn om de vordering (gedeeltelijk) kwijt te schelden.

In deze beleidsregel is artikel 78a Abw nagenoeg letterlijk overgenomen.

 

11. tot en met 14. Kwijtschelding na voldoen aan betalingsverplichting

In deze beleidsregels komt tot uitdrukking dat de aard van de vordering bepalend is voor het moment waarop kwijtschelding, behalve wanneer er sprake is van een verplichte terugvordering, aan de orde kan zijn.

Kwijtschelding kan aan de orde zijn als bij:

  • °

    leenbijstand 3 jaren correct is voldaan aan de aflossingsverplichting. Met uitzondering van de leenbijstand voor schulden;

  • °

    ten onrechte genoten uitkering 5 jaren correct is voldaan aan de aflossingsverplichting, en;

  • °

    fraudevorderingen wanneer er voldaan is aan de criteria van artikel 58, zevende lid, WWB, of artikel 25, zesde lid, IOAW/IOAZ.

Tevens is de bepaling opgenomen dat bij vorderingen kwijtschelding aan de orde kan zijn. Deze ‘kan’-bepaling heeft vooral betrekking op de mogelijkheid af te zien van kwijtschelding indien de debiteur in de periode van aflossing opnieuw fraude heeft gepleegd. Een uitzondering wordt gemaakt voor leenbijstand voor schulden. Bij niet nakoming van de verplichting wordt de volledige lening teruggevorderd en gelden de bepalingen van beleidsregel 11.

 

14. Boetebesluit

In deze regel is geregeld welke aspecten in ieder geval onderdeel uitmaken van het boetebesluit.

 

15. Terugvorderingsbesluit

In deze regel is geregeld welke aspecten in ieder geval onderdeel uitmaken van het terugvorderingsbesluit.

 

Beleidsregels 16 tot en met 23

De inhoud van deze beleidsregels spreekt voor zich.

 

Tenuitvoerlegging door middel van beslag (beleidsregel nr. 21 onder h) kan geschieden conform de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De gemeente heeft de mogelijkheid van vereenvoudigd derdenbeslag op loon of uitkering.

De procedure is als volgt:

  • °

    de gemeente stuurt met een kennisgeving een afschrift van het dwangbevel naar degene van wie debiteur een periodieke uitkering ontvangt

  • °

    hierin wordt de beslagvrije voet aangegeven

  • °

    de derde-beslagene moet de kennisgeving binnen 8 dagen voor gezien terugzenden aan de gemeente

  • °

    door de terugzending is het beslag gelegd. De derde-beslagene wordt hiermee verplicht het voor beslag vatbare bedrag uit te betalen aan de gemeente

  • °

    de gemeente moet binnen 7 dagen na retourontvangst van de kennisgeving een afschrift van die kennisgeving aangetekend toezenden aan de debiteur. Als de gemeente dit nalaat kan debiteur de President van de rechtbank vragen het beslag op te heffen.

  • °

    Een beslag wordt eerst gelegd ten aanzien van ten onrechte ontvangen bijstand op grond van de WWB of ten onrechte ontvangen uitkering op grond van de IOAW/IOAZ, en vervolgens, wanneer van toepassing, ten aanzien van een opgelegde bestuurlijke boete op grond van de WWB of op grond van de IOAW/IOAZ.

    Ontvangsten worden dan eerst afgeboekt op de vordering in verband met een opgelegde bestuurlijke boete en vervolgens op de ten onrecnte ontvangen bijstand op grond van de WWB of ten onrechte ontvangen uitkering op grond van de IOAW/IOAZ. Wanneer er door een deurwaarder ook beslag gelegd is op het inkomen van de belanghebbende, en de deurwaarder wil daarom delen in het beslag, worden, in verband met de preferentie van de vordering van het college (artikel 60, zevende lid, WWB, artikel 30, eerste lid, IOAW/IOAZ) ontvangsten eerst afgeboekt op de ten onrecnte ontvangen bijstand op grond van de WWB of ten onrechte ontvangen uitkering op grond van de IOAW/IOAZ, en vervolgens op de vordering in verband met een opgelegde bestuurlijke boete.

 

UITVOERINGSVOORSCHRIFTEN INVORDERING TEN ONRECHTE VERLEENDE BIJSTAND INGEVOLGE DE WWB, UITKERING INGEVOLGE DE IOAW EN IOAZ EN BESTUURLIJKE BOETE

 

1. Terugvordering

Het college maakt gebruik van haar bevoegdheid de ten onrechte verleende bijstand op grond van de WWB en uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ terug te vorderen, behalve wanneer er sprake is van ten onrechte verleende bijstand op grond van artikel 58, eerste lid, WWB, of ten onrechte verleende uitkering op grond van artikel 25, eerste lid, IOAW/IOAZ, dan is het college verplicht tot terugvordering.

Het betreft een ruime omschrijving van terugvordering, namelijk:

  • °

    ten onrechte genoten bijstand;

  • °

    niet nakomen van aflossingsverplichting bij leenbijstand;

  • °

    voorschotten;

  • °

    onverschuldigde betaling.

Alle ten onrechte genoten bijstand ingevolge de WWB en uitkering ingevolge de IOAW of de IOAZ wordt teruggevorderd, behoudens het kruimelbedrag van € 100,00 zoals bedoeld in richtlijn B122, in de situaties dat het college een bevoegdheid heeft tot terugvordering.

 

2. Kwijtschelding

Onderscheid maken tussen de aard van de vordering.

Aard vordering

Kwijtschelding kan na x-maandelijkse termijnen van betaling

* Leenbijstand (behoudens leenbijstand voor schulden)

36

* ten onrechte genoten

60

* fraude

120

Voorwaarde om voor kwijtschelding in aanmerking te komen is dat men zich correct aan de terugbetalingsverplichting heeft gehouden. In de praktijk betekent dit dat bij vorderingen waar incassomaatregelen (beslag) aan de orde is c.q. is geweest, kwijtschelding niet of nauwelijks aan de orde kan zijn. Hier is namelijk sprake van het niet correct aan de terugbetalingsverplichting voldoen.

Bij fraudevorderingen moet er voldaan zijn aan de criteria van artikel 58, zevende lid, WWB, of artikel 25, zesde lid, IOAW/IOAZ.

Het betreft een "kan"-bepaling, hetgeen aangeeft dat er geen sprake is van een automatisch buiten invordering stellen van het restant van de vordering. Zowel een langere aflossingsduur als een kortere kan aan de orde zijn.

Leidraad is de medewerking van de debiteur inzake terugbetaling.

 

3. Kwijtschelding bij schulden

In beginsel wordt medewerking verleend bij het oplossen van problematische schulden.

Dit betekent dat de aanpak van de schuldenproblematiek moet worden uitgevoerd door een erkende instantie (zoals de budgetwinkel).

Er vindt geen schuldregeling plaats wanneer er sprake is van overtreding van de informatieverplichtingen als bedoeld in artikel 60c WWB of artikel 29a IOAW/IOAZ.

 

In afwijking van beleidsregel 8 van de Beleidsregels opschorting, herziening, intrekking, terugvordering en invordering Wet werk en bijstand (WWB), Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), zoals bovenstaand opgenomen, kan in voorkomende gevallen ingestemd worden met een minnelijke sanering.

 

Voorwaarden zijn:

  • °

    Preferentie moet tot uitdrukking komen;

  • °

    Volledige medewerking van betrokkene aan sanering;

  • °

    Bij niet nakomen afspraken, volledige vordering opeisbaar.

 

4. Terugbetaling

Uitgangspunt: 

Terugbetaling geschiedt in beginsel via betaling van het volledige bedrag.

Indien dit niet mogelijk blijkt dan worden de volgende spelregels in acht genomen.

 

4a. Cliënten

Terugvordering via verrekening

Voor een cliënt met lopende uitkering dient als aflossing van alle vorderingen 10% van de bijstandsnorm inclusief vakantiegeld gehanteerd te worden.

Voor beleid inzake kruimelbedrag, voor zover de vordering geen betrekking heeft op artikel 58, eerste lid, WWB, of artikel 25, eerste lid, IOAW/IOAZ, zie richtlijn nr.B122.

 

4b. Ex-cliënten

Tenzij er aanwijzingen zijn dat de belanghebbende over voldoende middelen beschikt om de vordering ineens terug te betalen wordt de terugbetalingsverplichting vastgesteld overeenkomstig de onderstaande glijdende schaal waarbij geen onderscheid wordt gemaakt in de ontstaansgrond van de vordering.

Vordering in euro

Aantal maanden

Minimum termijnbedrag

< 2.500

36

50

2.500 - 5.000

48

70

> 5000

60

100

5. Invorderingsbeleid

De acties voor invordering worden afgestemd op de aard van de vordering.

Bij fraude zal dus sprake zijn van een directere (hardere) aanpak.

 

Voorgestane aanpak: 

 

Fraude:

  • °

    Directe vaststelling van vordering;

  • °

    Indien mogelijk direct beslagleggen van roerende goederen en overgaan tot verkoop of betaling ineens van de vordering;

  • °

    Bij geen reactie op eerste verzoek tot betaling, direct versturen van aanmaning;

  • °

    Bij geen reactie op aanmaning overgaan tot aankondiging van loonbeslag en het voorbereiden van loonbeslag;

  • °

    Indien geen loonbeslag mogelijk, afweging maken tot het overgaan tot beslag op (on)roerende goederen.

 

Overige vorderingen:

  • °

    Vaststelling vordering en aanschrijving;

  • °

    Directe herinnering na uitbetalen betaling;

  • °

    Indien van toepassing direct aanmanen, met aankondiging nadere acties (zoals telefonisch contact) bij uitblijven betaling;

  • °

    Loonbeslag indien mogelijk, anders inschakeling deurwaarder.

 

6. Inschakeling incassobureau en deurwaarder

Er zijn 3 momenten waarop overwogen wordt tot inschakeling van incassobureau of deurwaarder:

  • °

    bij fraudevorderingen bij aanvang i.v.m. het in beslag nemen van goederen;

  • °

    bij het uitblijven van betaling (na de aanmaningsperiode) en derdebeslag niet mogelijk blijkt te zijn;

  • °

    bij ontstaan van zodanige werkbelasting binnen team (vorm van uitbesteden).

 

7. Kosten van invordering

Alle kosten die gemaakt worden voor het invorderen komen ten laste van de debiteur.

 

8. Onderzoek

Onderzoek naar de debiteur vindt plaats bij:

  • °

    Vaststellen van een betalingsregeling;

  • °

    Niet reageren op aanmaning;

  • °

    Uitblijven van betaling en overgaan tot beslag/inschakelen deurwaarder/incassobureau;

  • °

    Detentie, onbekend adres; schuldsanering;

  • °

    Terugbetalingsregeling > maximale aflossingsduur beleidsregels;.

  • °

    Bij bereiken maximale aflossingstermijn;

  • °

    Overig (onvoorzien).

 

9. Vermogensoverschrijding en terugvordering

Wanneer de toepasselijke vermogensgrens wordt overschreden, bestaat er geen recht op algemene bijstand. Het bedrag waarmee de vermogensgrens wordt overschreden zal “ingeteerd” moeten worden. In de praktijk doet zich regelmatig de situatie voor dat een vermogensoverschot als gevolg van fraude pas achteraf wordt geconstateerd.

 

De jurisprudentie leert dat het College kan volstaan met de constatering dat de belanghebbende gedurende de gehele periode beschikte over meer vermogen dan de toepasselijke vermogensgrens en de kosten van de bijstand over deze periode terugvorderen (zie CRvB 20-05-2003, nr. 00/2535 NABW en CRvB 06-04-2004, nr. 01/4801 NABW). Daarbij komt de vraag hoelang belanghebbende van dit vermogen zou kunnen hebben interen niet meer aan de orde (zie CRvB 16-03-2004, nr. 01/4802 NABW). Bovendien hoeft bij de terugvordering de zogenoemde interingsnorm van 1,5 maal de geldende bijstandsnorm niet te worden gehanteerd.

 

Soms echter kan het bedrag van de vermogensoverschrijding dusdanig laag zijn, dat niet gesteld kan worden dat de vermogensoverschrijding zodanig is dat over de gehele periode de bijstand ten onrechte is verleend, m.a.w. het bedrag van de vermogensoverschrijding kan het terugvorderen van de over de gehele periode verstrekte bijstand niet rechtvaardigen.

 

Terugvordering, behalve bij fraudevorderingen waar het een verplichting is van het college, is een bevoegdheid van het college, welke bevoegdheid nader uitgewerkt is in de

Beleidsregels opschorting, herziening, intrekking, terugvordering en invordering WWB, IOAW en IOAZ zoals bovenstaand opgenomen.

Uitgangspunt van het terugvorderingsbeleid is dat in voorkomende gevallen de teveel of ten onrechte verleende bijstand wordt teruggevorderd.

 

Het college dient echter bij haar terugvorderingsbevoegdheid de rechtsreeks bij het terugvorderingsbesluit betrokken belangen af te wegen en te beoordelen of er individuele omstandigheden zijn die aanleiding geven om van de beleidsregel af te wijken (art. 3:4 en 4:84 Awb). Met name dient beoordeeld te worden of het handelen volgens de beleidsregels, door bijzondere

omstandigheden, onevenredig zou zijn in verhouding tot de met die regels te dienen doelen.

 

Wanneer er sprake is van een relatief lage vermogensoverschrijding gedurende een langere periode kan er afgeweken worden van de heersende jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, om bij vermogensoverschrijding de kosten van de bijstand terug te vorderen over de gehele periode waarin de belanghebbende beschikte over meer vermogen dan de toepasselijke vermogensgrens, ongeacht de hoogte van de feitelijke vermogensoverschrijding.

 

Dit echter alleen in die gevallen, waarin de vermogenssituatie helder is en het bedrag van de vermogensoverschrijding kan worden vastgesteld. Er wordt dan louter het bedrag van de vermogensoverschrijding teruggevorderd.

Artikel 2

De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad.

Met ingang van deze datum wordt de eerder op 6 september 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 23 april 2013,

 

De secretaris, De Burgemeester,

 

(mr. G.J.C. Kusters), (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op:

2 mei 2013

Richtlijn P014 Gevallen waarin wordt afgezien van terugvordering

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Collegevoorstelnummer 308923,

Gelet op artikel 54, eerste lid, Wet investeren in jongeren (WIJ)

 

BESLUIT

 

Vast te stellen de invulling van richtlijn P014 Gevallen waarin wordt afgezien van terugvordering

Artikel 1

Richtlijn P014 wordt als volgt ingevuld:

Het college ziet af van terug- en invordering indien:

  • a)

    het terug c.q. in te vorderen bedrag lager is dan € 100,00 en het bedrag niet verrekend kan worden met een lopende inkomensvoorziening op grond van de WIJ;

  • b)

    sprake is van een restantvordering beneden € 100,00. De vordering wordt buiten invordering gesteld nadat is vastgesteld dat een minnelijk traject niet meer tot betalingen leidt en dat vereenvoudigd derdenbeslag niet mogelijk is;

  • c)

    er sprake is van dringende redenen (bijzondere omstandigheden).

Artikel 2

De invulling van deze richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Weekblad van Deurne.

 

Besloten in de vergadering van 22 november 2011.

 

Burgemeester en wethouders van Deurne,

 

De secretaris, De burgemeester,

 

(mr. G.J.C. Kusters), (H.J. Mak)

Beleidsregels opschorting, herziening, intrekking, terugvordering en invordering Wet investeren in jongeren (WIJ)

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Collegevoorstelnummer 308923,

Gelet op de artikelen 21, 37, 40, 44 en 54 tot en met 56a Wet investeren in jongeren (WIJ) en titel 4.4 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

 

BESLUIT

 

Vast te stellen de gewijzigde Beleidsregels opschorting, herziening, intrekking, terugvordering en invordering Wet investeren in jongeren (WIJ)

Artikel 1

De Beleidsregels opschorting, herziening, intrekking, terugvordering en invordering Wet investeren in jongeren (WIJ) wordt als volgt ingevuld:

Beleidsregels opschorting, herziening, intrekking, terugvordering en invordering Wet investeren in jongeren Deurne.

 

AlGEMEEN

1. Algemeen

Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot:

  • A.

    het opschorten van het recht op een inkomensvoorziening op grond van artikel 40, eerste lid van de Wet investeren in jongeren (WIJ);

  • B.

    het herzien of intrekken van het vaststellingsbesluit van de inkomensvoorziening op grond van artikel 40, derde en vierde lid, WIJ;

  • C.

    het terugvorderen van ten onrechte verleende kosten van de inkomensvoorziening zoals neergelegd in de artikelen 54 tot en met 56a van de WIJ;

  • D.

    het herzien of intrekken van een aan de jongere gedaan werkleeraanbod op grond van artikel 21 onderdeel a en b van de WIJ.

 

OPSCHORTING, HERZIENING EN INTREKKING

2. Opschorting, herziening of intrekking van het vaststellingsbesluit van de inkomensvoorziening of van het werkleeraanbod

  • A.

    Het recht op een inkomensvoorziening ingevolge de WIJ wordt opgeschort indien de jongere te verwijten valt dat hij de voor de vaststelling van het recht op een inkomensvoorziening van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt, dan wel anderszins onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek van het college met betrekking tot zijn recht op een werkleeraanbod of een inkomensvoorziening;

  • B.

    Een besluit tot vaststelling van de inkomensvoorziening wordt herzien of ingetrokken indien:

    • 1.

      het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 30c, tweede of derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van inkomensvoorziening;

    • 2.

      anderszins de inkomensvoorziening ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

  • C.

    Een aan de jongere gedaan werkleeraanbod wordt herzien of ingetrokken indien:

    • 1.

      wijziging optreedt in de omstandigheden, krachten of bekwaamheden van de jongere;

    • 2.

      de jongere niet voldoet aan een of meer op hem rustende verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk 5 van de WIJ en hem dit te verwijten valt.

  • D.

    Van het nemen van een herzienings- of intrekkingsbesluit kan op grond van dringende redenen worden afgezien.

 

TERUGVORDERING

3. Terugvordering

De kosten van de inkomensvoorziening worden teruggevorderd in de gevallen zoals vermeld in deze beleidsregels.

 

4. Ten onrechte verleende inkomensvoorziening

Het college vordert de kosten van de inkomensvoorziening terug van de jongere voor zover deze inkomensvoorziening:

  • a.

    ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;

  • b.

    op grond van artikel 37 WIJ bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op inkomensvoorziening bestaat;

  • c.

    in de vorm van geldlening is verleend en de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen;

  • d.

    anderszins onverschuldigd is betaald, omdat de jongere naderhand met betrekking tot de periode waarover de inkomensvoorziening is verleend, over in aanmerking te nemen vermogen of inkomen beschikt of kan beschikken; of

  • e.

    anderszins onverschuldigd is betaald voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen;

  • f.

    terugvordering als bedoeld onder e. vindt niet plaats, indien de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór de datum van verzending van het besluit tot terugvordering;

  • g.

    van de in artikel 54, vierde lid, tweede volzin WIJ neergelegde bevoegdheid tot bruto-terugvordering moet worden afgezien, indien sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van de jongere en deze niet kan worden verweten dat de vordering niet al is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft.

 

5. Terugvordering van echtgenoten

  • a.

    Indien de inkomensvoorziening overeenkomstig een norm als bedoeld in artikel 28 WIJ had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de jongere de verplichtingen, bedoeld in artikel 44 WIJ, of artikel 30c, tweede lid of derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, worden de kosten van de inkomensvoorziening mede teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van de inkomensvoorziening rekening had moeten worden gehouden.

  • b.

    De in sub a bedoelde persoon is mede hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van kosten van de inkomensvoorziening die worden teruggevorderd.

 

6. Afzien van het nemen van een terugvorderingsbesluit

Het college ziet af van het nemen van een terugvorderingsbesluit indien hiertoe een dringende reden aanwezig is.

 

KWIJTSCHELDING

7. Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek

In afwijking van beleidsregel nummer 4 en 5 kan het college besluiten tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de teruggevorderde kosten van de inkomensvoorziening indien:

  • a.

    redelijkerwijs te voorzien is dat de jongere niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, en

  • b.

    redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in beleidsregel 8 onder a. en b. bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen, en

  • c.

    de vordering van het college wegens teruggevorderde kosten van de inkomensvoorziening tenminste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.

     

8. Afzien van kwijtschelding wegens schuldenproblematiek

Van kwijtschelding als bedoeld in beleidsregel nummer 7 wordt afgezien indien:

    • a.

      de terugvordering van de kosten van de inkomensvoorziening het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de jongere; of

    • b.

      de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of goederen, behoudens voor zover de vordering niet op die goederen verhaald kan worden.

    • c.

      de vordering voortvloeit uit hetgeen is bepaald in artikel 54, eerste lid, aanhef en onder d WIJ, tenzij de oorspronkelijke vordering of het restant niet meer dan € 3.500,00 netto bedraagt.

 

9. Inwerkingtreding van het besluit tot afzien van terugvordering wegens schuldenproblematiek

Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering wordt niet genomen voordat een schuldregeling tot stand is gekomen.

 

10. Intrekking kwijtscheldingsbesluit schuldenproblematiek

Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten nadele van de jongere gewijzigd indien:

    • a.

      niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling is tot stand gekomen;

    • b.

      de jongere zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of

    • c.

      onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.

 

11. Kwijtschelding na het voldoen aan de betalingsverplichting

In afwijking van beleidsregel nummer 4 kan het college besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien de jongere:

    • a.

      gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;

    • b.

      gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;

    • c.

      gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten;

    • d.

      een bedrag, overeenkomend met tenminste 50% van de restsom in één keer aflost; of

    • e.

      een schuld heeft waarvan het saldo lager is dan het kruimelbedrag zoals bedoeld in richtlijn P014.

 

12. Verkorting van de periode van voldoen aan betalingsverplichting

De in beleidsregel nummer 11 a. en b. genoemde termijn is drie jaar indien het de aflossing van leenbijstand betreft, met uitzondering de leenbijstand ten behoeve van schulden.

 

13. Verlenging van de periode van voldoen aan betalingsverplichting

De in beleidsregel nummer 11 a. en b. genoemde termijn is tien jaar indien het de aflossing van fraudevorderingen betreft. Ook mag er geen sprake zijn van het ontstaan van een nieuwe fraudevordering in die periode.

 

14. Geen kwijtschelding na voldoen aan betalingsverplichting

Kwijtschelding als bedoeld in beleidsregel nummer 11 vindt niet plaats ten aanzien van vorderingen welke door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt, behoudens voor zover zij niet op die goederen verhaald kunnen worden.

 

INVORDERING VAN TERUGGEVORDERDE KOSTEN VAN DE INKOMENSVOORZIENING

15. Terugvorderingsbesluit

In de beschikking tot terugvordering van de kosten van de inkomensvoorziening vermeldt het college in elk geval:

    • a.

      tot welk bedrag en over welke periode de ten onrechte ontvangen kosten van de inkomensvoorziening worden teruggevorderd;

    • b.

      de termijn of termijnen waarbinnen de jongere de ten onrechte ontvangen kosten van de inkomensvoorziening dient terug te betalen; en

    • c.

      op welke wijze het besluit, bij gebrekkige betaling, ten uitvoer zal worden gelegd.

 

16. Wettelijke rente

Het college maakt geen gebruik van de bevoegdheid om de schuldenaar wettelijke rente in rekening te brengen zoals bedoeld in artikel 4:98 Awb.

 

17. Betaling

  • A.

    Wijze en tijdstip van betaling

    De betaling geschiedt binnen zes weken nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt (artikel 4:87 Awb). De betaling door de schuldenaar geschiedt door bijschrijving op de daartoe bestemde bankrekening. Als tijdstip van betaling geldt de datum waarop de rekening van het college wordt gecrediteerd (artikel 4:89 leden 1 en 3 Awb). Bij betaling aan de kas van de gemeente geldt de dag waarop het bedrag aan het loket van de gemeente is betaald als tijdstip van betaling. Bij betaling aan de kas ontvangt de schuldenaar een kwitantie (artikel 4:90 Awb).

  • B.

    De afboeking van de betaling

    De afboeking van betalingen waarvan de bestemming is aangegeven worden afgeboekt overeenkomstig de opgave van de betaler (artikel 4:92, tweede lid Awb). Betalingen waarvoor geen bestemming is gegeven (de zogenoemde ongerichte betalingen) worden afgeboekt op de oudste openstaande vorderingen, met dien verstande dat de aard van de vorderingen aanleiding kan zijn hiervan af te wijken (bijvoorbeeld indien er sprake is van een vordering die betrekking heeft op het lopende kalenderjaar en die nog niet is gebruteerd ingevolge artikel 54, vierde lid WIJ.

  • C.

    De kosten van betaling

    De kosten van betaling (bijvoorbeeld porto- en bankkosten) komen voor rekening van de schuldenaar (artikel 4:91 lid 1 Awb).

 

18. Uitstel van betaling

  • A.

    Invulling bevoegdheid tot verlenen van uitstel van betaling (artikel 4:94 Awb).

    Het college verleent op verzoek van de schuldenaar of ambtshalve uitstel van betaling, indien naar het oordeel van het college het uitstel bijdraagt tot sociale activering, arbeidsinschakeling, de oplossing van een schuldenproblematiek of het overbruggen van de periode van bezwaar of beroep. Ook kan uitstel van betaling worden verleend indien er sprake is van zeer dringende redenen die het uitstel noodzakelijk maken. Gedurende het uitstel zal er niet worden aangemaand of ingevorderd. De bevoegdheid tot verrekening (artikel 4:93 Awb) blijft echter bestaan. De termijn waarvoor het uitstel geldt wordt vastgelegd in de beschikking tot uitstel van betaling. Aan deze beschikking kunnen voorwaarden worden verbonden, zoals een betalingsregeling of een verplichting tot het stellen van zekerheid.

  • B.

    Weigeren van uitstel van betaling

    Een verzoek om uitstel van betaling wordt in ieder geval afgewezen als:

    • a.

      De medewerking van de verzoeker aan het college naar het oordeel van het college onvoldoende is;

    • b.

      Onjuiste gegevens worden verstrekt;

    • c.

      De gevraagde gegevens niet (volledig) binnen de daartoe gestelde termijn zijn verstrekt;

    • d.

      De gevraagde zekerheid niet wordt gesteld;

    • e.

      De waarde van vermogensobjecten in redelijkheid te gelde kan worden gemaakt teneinde daarmee de verschuldigde vordering te betalen;

    • f.

      De berekende betalingscapaciteit zodanig is dat de schuld direct voldaan kan worden;

    • g.

      De betalingsregeling zich over een onaanvaardbare termijn uitstrekt;

    • h.

      De betalingsproblemen structureel zijn en een betalingsregeling geen uitkomst zal bieden;

    • i.

      Sprake is van een verzoek om uitstel van betaling van een vordering in verband met betalingsmoeilijkheden en voorafgaande aan dat verzoek uitstel is genoten in verband met een bezwaar- of beroepsprocedure tegen een terugvorderings- of verhaalsbesluit, terwijl gedurende die procedure betalingsmiddelen ter beschikking hebben gestaan, waarmee de vordering kon worden betaald;

    • j.

      Indien de schuldenaar reeds eerder een regeling heeft genoten, maar deze niet is nagekomen.

      Het college is verplicht de schuldenaar in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te brengen voordat hij het verzoek om uitstel geheel of gedeeltelijk afwijst (artikel 4:7 Awb). Als het verzoek om uitstel wordt afgewezen, moet gemotiveerd worden waarom tot afwijzing van het verzoek is besloten.

  • C.

    Intrekken of wijzigen beschikking tot uitstel van betaling (artikel 4:96 Awb)

    In de volgende gevallen zal de beschikking tot uitstel van betaling worden gewijzigd of ingetrokken:

    • 1.

      Indien de voorschriften niet worden nageleefd;

    • 2.

      Indien de schuldenaar onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van de juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking zou hebben geleid; of

    • 3.

      Indien veranderde omstandigheden zich verzetten tegen de voortduring van het uitstel.

 

19. Aanmaning

  • A.

    Termijn voor aanmaning en van betaling na aanmaning

    Indien de schuldenaar in verzuim is, zoals bedoeld in artikel 4:97 Awb, wordt binnen twee weken na constatering van het verzuim, of op enig ander tijdstip, een schriftelijke aanmaning verzonden, waarin de schuldenaar wordt gemaand om binnen twee weken, gerekend vanaf de de dag na die waarop de aanmaning is verzonden, tot betaling over te gaan (artikel 4:112, eerste lid Awb).

  • B.

    Gevolgen niet nakoming aanmaning

    De aanmaning vermeldt dat bij niet tijdige betaling deze zal worden afgedwongen door op kosten van de schuldenaar uit te voeren invorderingsmaatregelen (artikel 4:112, derde lid Awb).

  • C.

    Aanmaningsvergoeding

    Het college brengt bij de schuldenaar geen aanmaningsvergoeding als bedoeld in artikel 4:113 Awb in rekening.

  • D.

    Gedeeltelijke voldoening aan de aanmaning

    Als na de verzending van een aanmaning een gedeelte van het achterstallige bedrag wordt voldaan, dan wordt de uitvaardiging van een dwangbevel voor het restant niet door een nieuwe aanmaning voorafgegaan.

 

20. Dwangbevel

  • A.

    Tijdstip van uitvaardigen dwangbevel

    Binnen een maand of op enig later tijdstip nadat niet (volledig) binnen de aanmaningstermijn is betaald, vaardigt het college een dwangbevel uit (artikel 56, tweede lid WIJ en artikel 4:117, eerste lid Awb).

  • B.

    Bekendmaking van het dwangbevel

    Het college maakt zoveel mogelijk gebruik van de mogelijkheid het dwangbevel per post te betekenen (artikel 56, vierde lid WIJ). De betekening van het dwangbevel per post met het bevel tot betaling binnen een week vindt plaats door het ter post bezorgen door het college van een voor de schuldenaar bestemd afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling. Onder ter post bezorging wordt verstaan: het door het college ter aangetekende verzending aanbieden van het afschrift aan TNT-Post. Als betekeningsdatum geldt in het algemeen de datum van de ter post bezorging.

    Indien betekening per post niet mogelijk of wenselijk is, bijvoorbeeld omdat beslag op goederen of beslag op een bankrekening de voorkeur verdient, wordt de betekening overgelaten aan de deurwaarder, zoals bedoeld in artikel 4:123 Awb.

  • C.

    Kosten dwangbevel.

    De kosten van het dwangbevel, gesteld op een bedrag van € 25,--, worden bij de schuldenaar in rekening gebracht (artikel 4:119 en artikel 4:120 Awb).

  • D.

    Bundeling vorderingen

    Indien bij dezelfde schuldenaar meerdere vorderingen tot een dwangbevel leiden, worden de verschillende vorderingen zoveel mogelijk in één dwangbevel gebundeld (artikel 4:119 lid 2 Awb).

  • E.

    Tenuitvoerlegging dwangbevel

    Het dwangbevel levert een executoriale titel op (artikel 4:116 Awb). Na betekening aan de schuldenaar, zal het college het dwangbevel met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering ten uitvoer leggen, indien niet binnen de gestelde termijn aan het bevel tot betaling volledig is voldaan.

 

21. Verrekening en beslaglegging

  • A.

    Invulling bevoegdheid tot verrekening (artikel 4:93 Awb)

    Indien de persoon van wie kosten van de inkomensvoorziening als bedoeld in de artikelen 54 en 55 WIJ worden teruggevorderd een inkomensvoorziening, algemene bijstand op grond van de WWB, of een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 of de Wet werk en inkomen kunstenaars ontvangt, is het college ingevolge artikel 56, derde lid WIJ bevoegd tot verrekening van die kosten met die inkomensvoorziening, algemene bijstand of uitkering. Van deze bevoegdheid maakt het college zoveel mogelijk gebruik. Een eventuele betalingsregeling die wordt getroffen met een schuldenaar zoals hier wordt bedoeld, wordt in ieder geval gerealiseerd door middel van verrekening.

  • B.

    Invulling bevoegdheid tot pseudoverrekening met een andere gemeente

    Indien de persoon van wie kosten van de inkomensvoorziening als bedoeld in de artikelen 54 en 55 WIJ worden teruggevorderd, algemene bijstand ingevolge de WWB, een inkomensvoorziening op grond van de WIJ, een uitkering op grond van de IOAW, de IOAZ, of de Wet werk en inkomen kunstenaars van een andere gemeente ontvangt, is het college ingevolge artikel 56a, eerste lid WIJ bevoegd tot verrekening van die kosten van de inkomensvoorziening met die algemene bijstand, inkomensvoorziening of uitkering van die andere gemeente. Van deze bevoegdheid maakt het college zoveel mogelijk gebruik. Een eventuele betalingsregeling die wordt getroffen met een schuldenaar zoals hier wordt bedoeld, wordt in ieder geval gerealiseerd door middel van verrekening.

  • C.

    Invulling bevoegdheid tot pseudoverrekening met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

    Indien de persoon van wie kosten van de inkomensvoorziening als bedoeld in de artikelen 54 en 55 WIJ worden teruggevorderd, een uitkering ontvangt op grond van de Werkloosheidswet, de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, de Ziektewet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Wet arbeid en zorg of de Toeslagenwet of inkomensondersteuning ontvangt op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, is het college ingevolge artikel 56a, tweede lid WIJ bevoegd tot verrekening van die kosten van de inkomensvoorziening met die uitkering of inkomensondersteuning van het UWV. Van deze bevoegdheid maakt het college zoveel mogelijk gebruik. Een eventuele betalingsregeling die wordt getroffen met een schuldenaar zoals hier wordt bedoeld, wordt in ieder geval gerealiseerd door middel van verrekening.

  • D.

    Invulling bevoegdheid tot pseudoverrekening met de Sociale verzekeringsbank

    Indien de persoon van wie kosten van de inkomensvoorziening als bedoeld in de artikelen 54 en 55 WIJ worden teruggevorderd, een uitkering ontvangt op grond van de Algemene Ouderdomswet of de Algemene nabestaandenwet van de Sociale verzekeringsbank, is het college ingevolge artikel 56a, derde lid WIJ bevoegd tot verrekening van die kosten van de inkomensvoorziening met die uitkering van de Sociale verzekeringsbank. Van deze bevoegdheid maakt het college zoveel mogelijk gebruik. Een eventuele betalingsregeling die wordt getroffen met een schuldenaar zoals hier wordt bedoeld, wordt in ieder geval gerealiseerd door middel van verrekening.

  • E.

    Aflossing inkomensvoorziening in de vorm van een geldlening

    Indien de persoon aan wie een inkomensvoorziening in de vorm van een geldlening wordt verleend een inkomensvoorziening, algemene bijstand ingevolge de WWB of een uitkering op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 of de Wet werk en inkomen kunstenaars ontvangt, zal het college overgaan tot verrekening van die geldlening met die inkomensvoorziening, algemene bijstand of uitkering (artikel 39a, derde lid WIJ).

  • F.

    Regels ten aanzien van verrekenen

    Ten aanzien van verrekenen hanteert het college de volgende regels:

    • °

      Er wordt niet tot verrekening over gegaan, indien de middelen van de schuldenaar afdoende zijn om de vordering in één keer te betalen;

    • °

      De schuldenaar wordt met een kennisgeving op de hoogte gesteld van het feit dat een vordering op grond van een terugvorderingsbesluit op grond van artikel 54 en 55 WIJ met zijn of haar inkomensvoorziening wordt verrekend, en van de hoogte van het bedrag van de verrekening (artikel 4:93, tweede lid Awb);

    • °

      De schuldenaar dient door verrekening nooit te beschikken over een inkomen dat minder is dan de voor hem of haar geldende beslagvrije voet (artikel 4:93, vierde lid Awb),

    • °

      Een verleend uitstel tot betaling staat verrekening niet in de weg (artikel 4:93, vijfde lid Awb);

    • °

      De gehele reeds op het moment van verrekening gereserveerde vakantietoeslag ingevolge de inkomensvoorziening wordt verrekend met de vordering, tenzij het ontstaan van de vordering de schuldenaar niet te verwijten valt.

  • G.

    Beslaglegging

    Een executoriaal beslag vindt plaats overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

    De kosten van invordering middels beslaglegging komen voor rekening van de schuldenaar (artikel 4:120 Awb)

    Deze kosten worden als volgt gesteld.

    Schuldbedrag In rekening te brengen kosten

    € 0,00 tot € 250,00 € 35,00

    € 250,00 tot € 500,00 € 70,00

    € 500,00 tot € 1.250,00 € 105,00

    € 1.250,00 tot € 2.500,00 € 150,00

    € 2.500,00 en meer € 300,00

 

22. Verjaring

Ten aanzien van verjaring van de vordering zijn de artikelen 4:104 tot en met 4:111 Awb van toepassing.

 

23. Bescherming van de beslagvrije voet

Indien de schuldenaar op grond van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in het kader van invordering door middel van verrekening of dwangbevel de bescherming van de beslagvrije voet geniet, vervalt deze bescherming indien de schuldenaar zijn inlichtingenplicht, zoals bedoeld in artikel 56, eerste lid WIJ, niet of niet behoorlijk nakomt (artikel 56, vijfde lid WIJ).

Voorafgaand aan het vervallen van de bescherming van de beslagvrije voet wordt de schuldenaar van het voornemen hiertoe en de consequenties hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. Ook wordt de schuldenaar in de gelegenheid gesteld binnen vijf werkdagen de verzochte informatie alsnog te verstrekken, tenzij gelet op de aard van de gevraagde informatie een langere hersteltermijn redelijk is.

Indien de informatie niet alsnog wordt verstrekt, vervalt de bescherming van de beslagvrije voet zo snel mogelijk na het verstrijken van de gegeven hersteltermijn.

Indien na het verstrijken van de hersteltermijn de gevraagde informatie alsnog wordt verstrekt, zal per individueel geval worden bekeken of de bescherming van de beslagvrije voet alsnog wordt hersteld, met dien verstande dat de bescherming niet eerder wordt hersteld dan na drie maanden na overlegging van de gevraagde informatie.

 

Toelichting

In deze beleidsregels wordt het beleid aangegeven inzake de bevoegdheid tot opschorting, herziening, intrekking, terugvordering en invordering in het kader van de Wet investeren in jongeren (WIJ).

 

TOELICHTING BELEIDSREGELS OPSCHORTING, HERZIENING, INTREKKING, TERUGVORDERING EN INVORDERING WET INVESTEREN IN JONGEREN DEURNE

 

1. Algemeen

In de Wet investeren in jongeren (WIJ) is opschorting, herziening, intrekking en het terugvorderen van ten onrechte verleende kosten van de inkomensvoorziening een algehele bevoegdheid van het college.

Het college maakt gebruik van deze bevoegdheid in de gevallen en op grond van de bepalingen in deze beleidsregels.

 

2. Opschorting, herziening of intrekking van het vaststellingsbesluit van de inkomensvoorziening of van het werkleeraanbod

Evenals terugvordering van de kosten van de inkomensvoorziening is het met terugwerkende kracht gewijzigd vaststellen van het recht op een inkomensvoorziening door middel van een herzienings- of intrekkingsbesluit een algehele bevoegdheid van het college. Het college maakt in beginsel in alle gevallen waarin er aanleiding is het vaststellingsbesluit met terugwerkende kracht te wijzigen, gebruik van deze bevoegdheid.

De bepalingen onder sub 1 en 2 van onderdeel B. zijn identiek aan de bepalingen van artikel 40 lid 3 WIJ, doch zijn met een dwingend karakter geformuleerd.

  • 1.

    indien als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 30c, tweede of derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van inkomensvoorziening dan wordt in alle gevallen het recht op een inkomensvoorziening naar het verleden toe gecorrigeerd naar de juiste situatie.

  • 2.

    In gevallen waarin anderszins de inkomensvoorziening ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, dan kan in voorkomende gevallen herziening of intrekking van het vaststellingsbesluit aan de orde zijn.

Het college kan dus op grond van het derde lid van artikel 40 WIJ een besluit tot toekenning van een inkomensvoorziening in twee gevallen intrekken of herzien:

  • °

    Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een aantal verplichtingen heeft geleid tot het ten onrechte verstrekken van een inkomensvoorziening of tot het verlenen van een te hoog bedrag aan inkomensvoorziening;

  • °

    Als door een fout van de gemeente de inkomensvoorziening ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verstrekt en de jongere dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen.

Schending van de inlichtingenplicht is binnen de WIJ een schending van een verplichting als bedoeld in hoofdstuk 5 (artikel 44). Omdat artikel 40, derde lid, onder a, WIJ alleen regelt dat de schending van de inlichtingenplicht jegens UWV WERKbedrijf een intrekkings- of herzieningsgrond is (artikel 44 WIJ wordt niet genoemd), zal de eventuele intrekking of herziening bij schending van de verplichtingen, bedoeld in artikel 44 WIJ, gebaseerd moeten worden op artikel 40, derde lid, onder b WIJ.

De bepalingen onder sub 1 en 2 van onderdeel C. zijn identiek aan de bepalingen van artikel 21 WIJ, doch zijn met een dwingend karakter geformuleerd.

  • 1.

    wijziging optreedt in de omstandigheden, krachten of bekwaamheden van de jongere;

  • 2.

    de jongere niet voldoet aan een of meer op hem rustende verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk 5 van de WIJ en hem dit te verwijten valt.

 

3. Terugvordering

Deze bepaling vormt de kernbepaling van het gemeentelijke terugvorderingsbeleid WIJ. Benadrukt wordt dat de kosten van de inkomensvoorziening uitsluitend worden teruggevorderd in de gevallen waarin dit in de beleidsregels is vastgelegd.

 

4. Ten onrechte verleende inkomensvoorziening

De hier omschreven situaties waarin de kosten van de inkomensvoorziening worden teruggevorderd zijn identiek aan de bepalingen van artikel 54 WIJ. Om echter geen misverstand te laten bestaan over wanneer bijstand moet worden teruggevorderd zijn deze beleidsregels, in tegenstelling tot de formulering van artikel 54 WIJ, dwingend geformuleerd.

 

  • a.

    De inkomensvoorziening is ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleend wanneer achteraf komt vast te staan dat over de betreffende periode geen, of tot een lager bedrag, recht op inkomensvoorziening bestond. Voorafgaande aan deze terugvordering dient op grond van artikel 40 lid 3 WIJ en beleidsregel nummer 2 van de Beleidsregels herziening, intrekking en terugvordering Wet investeren in jongeren eerst een herzienings- of intrekkingsbesluit te worden genomen.

  • b.

    it impliceert dat belanghebbende deze lening moet terugbetalen. Artikel 37 lid 3 WIJ regelt dat het verstrekte voorschot ineens wordt verrekend met de toegekende inkomensvoorziening over de periode waarop het voorschot betrekking had. Soms behoort verrekening van dit voorschot niet of niet volledig tot de mogelijkheden. Dat kan zijn omdat er geen toekenning van een inkomensvoorziening tot stand komt, of dat de toegekende inkomensvoorziening niet toereikend is om het totale bedrag van het voorschot ineens te verrekenen. Het openstaande bedrag van het voorschot wordt dan van belanghebbende teruggevorderd op grond van artikel 54 lid 1 sub b WIJ. Wanneer deze omstandigheid zich voordoet dan is een afzonderlijk terugvorderingsbesluit noodzakelijk ten aanzien van het bedrag dat niet (volledig) kan worden verrekend met de toegekende inkomensvoorziening.

  • c.

    Aan de inkomensvoorziening die in de vorm van een geldlening is verleend dient in alle gevallen een terugbetalingsverplichting te worden verbonden. Deze verplichting wordt in het toekenningsbesluit vastgelegd. Eerst wanneer deze verplichting niet wordt nagekomen wordt ten aanzien van het nog resterende bedrag van de lening een terugvorderingsbesluit genomen.

  • d.

    Er kunnen naast de hierboven genoemde omstandigheden andere redenen zijn waarin de inkomensvoorziening bij nader inzien onverschuldigd is betaald. Het gaat hierbij met name om situaties waarin er geen reden is om te komen tot herziening of intrekking van het vaststellingsbesluit, bijvoorbeeld wanneer de inkomensvoorziening is verleend in afwachting van het beschikbaar komen van middelen (inkomen of vermogen). Ook de onverschuldigd betaalde inkomensvoorziening als gevolg van een administratieve vergissing dient op grond deze beleidsregel te worden teruggevorderd. Als restrictie geldt dat alleen kan worden teruggevorderd indien de belanghebbende redelijkerwijs kon begrijpen dat hij ten onrechte inkomensvoorziening ontving. Voor de hier bedoelde vorm van terugvordering geldt een wettelijke vervaltermijn van 2 jaar.

  • e.

    In de volgende gevallen moet het college afzien van brutering en kunnen alleen de netto kosten van de inkomensvoorziening teruggevorderd worden:

    • 1.

      De reden voor terugvordering is in de loop van het jaar ontstaan en het college heeft nagelaten belanghebbende hiervan tijdig in kennis te stellen, waardoor deze niet meer in staat was de vordering binnen het kalenderjaar terug te betalen (zie CRvB 28-11-2006, nrs. 05/2497 NABW e.a.). In deze uitspraak waren de inkomsten, die tot de terugvordering hadden geleid, door belanghebbende keurig opgegeven en kon haar niet worden verweten dat zij de inlichtingenplicht had geschonden. Niet was gebleken dat het college niet in staat was geweest om in het kalenderjaar al tot terugvordering over te gaan. Het college had derhalve niet in redelijkheid gebruik kunnen maken van de bevoegdheid tot bruto-terugvordering. Zie ook CRvB 08-06-2007, nrs. 06/1837 WWB e.a. en CRvB 24-07-2007, nr. 06/3265 WWB.

    • 2.

      Belanghebbende kan terzake van het ontstaan van de schuld geen verwijt worden gemaakt en hem kan ook niet worden verweten dat de schuld niet binnen het betreffende boekjaar is terugbetaald (CRvB 15-07-2008, nr. 07/1890 WWB, CRvB 27-01-2009, nr. 08/4903 WWB en CRvB 06-10-2009, nr. 08/2103 WWB).

 

5. Terugvordering van echtgenoten

Op grond van artikel 55 lid 1 WIJ kan de inkomensvoorziening die als gevolg van schending van de inlichtingenplicht niet als een inkomensvoorziening voor gehuwden is verleend, maar wel als een inkomensvoorziening voor gehuwden verleend had moeten worden, tevens worden teruggevorderd van degene met wiens middelen rekening had moeten worden gehouden. Eenvoudiger gesteld: de inkomensvoorziening die aan een alleenstaande is verleend, die achteraf een gezamenlijke huishouding blijkt te voeren, kan tevens van de verzwegen partner worden teruggevorderd.

Duidelijk moet zijn dat:

  • §

    de ontvanger van de inkomensvoorziening het voeren van een gezamenlijke huishouding met deze partner heeft verzwegen.

  • §

    de verzwegen partner van het verlenen van de inkomensvoorziening op de hoogte was.

Alle personen waarvan in bovengenoemde situaties kan worden teruggevorderd zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele vordering. Dit betekent in de praktijk dat het gehele bedrag van elke persoon kan worden teruggevorderd. In gevallen waarin een persoon niet in staat is om (het volledige) bedrag terug te betalen kan de andere persoon voor het gehele (restant)bedrag worden aangesproken. In principe dienen alle debiteuren die hoofdelijk aansprakelijk zijn hun aandeel in de aflossing onderling met elkaar te verrekenen. Dit is niet het probleem van de gemeente.

 

6. Afzien van het nemen van een terugvorderingbesluit

In het terugvorderingsproces kan op twee momenten worden afgezien van terugvordering. Ten eerste kan worden besloten om geen terugvorderingsbesluit te nemen. De vordering komt in dat geval niet tot stand. Ten tweede kan worden afgezien van verdere terugvordering in een later stadium. Deze variant, ook wel kwijtschelding genoemd, wordt behandeld in beleidsregel 7 en verder.

In individuele situaties kunnen dringenderedenen grond zijn om van een terugvorderingsbesluit af te zien. Hiervan kan sprake zijn wanneer de vordering is ontstaan buiten toedoen van de jongere, en hem hiervan geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Tevens zal in dat geval aannemelijk moeten zijn dat de jongere niet kon weten dat hij ten onrechte inkomensvoorziening ontving.

In gevallen waarin eerst een herzienings- of intrekkingsbesluit aan de orde is kan van een dergelijk besluit reeds worden afgezien wegens een dringende reden (zie beleidsregel 2). In dat geval is er ook geen grond tot het nemen van een terugvorderingsbesluit.

 

7. tot en met 10. Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek

Wanneer een terugvordering van een inkomensvoorziening door middel van een terugvorderingsbesluit is vastgelegd dan kan er in een later stadium reden zijn om de vordering (gedeeltelijk) kwijt te schelden.

In deze beleidsregel is artikel 78a Abw nagenoeg letterlijk overgenomen.

 

11. tot en met 14. Kwijtschelding na voldoen aan betalingsverplichting

In deze beleidsregels komt tot uitdrukking dat de aard van de vordering bepalend is voor het moment waarop kwijtschelding aan de orde kan zijn.

Kwijtschelding kan aan de orde zijn als bij:

  • °

    leenbijstand 3 jaren correct is voldaan aan de aflossingsverplichting. Met uitzondering van de leenbijstand voor schulden;

  • °

    ten onrechte genoten inkomensvoorziening 5 jaren correct is voldaan aan de aflossingsverplichting, en;

  • °

    fraudevorderingen 10 jaren correct is voldaan aan de aflossingsverplichting en tevens de debiteur niet opnieuw in die periode fraude heeft gepleegd.

Tevens is de bepaling opgenomen dat bij vorderingen kwijtschelding aan de orde kan zijn. Deze ‘kan’-bepaling heeft vooral betrekking op de mogelijkheid af te zien van kwijtschelding indien de debiteur in de periode van aflossing opnieuw fraude heeft gepleegd. Een uitzondering wordt gemaakt voor leenbijstand voor schulden. Bij niet nakoming van de verplichting wordt de volledige lening teruggevorderd en gelden de bepalingen van beleidsregel 11.

 

15. Terugvorderingsbesluit

In deze regel is geregeld welke aspecten in ieder geval onderdeel uitmaken van het terugvorderingsbesluit.

 

Beleidsregels 16 tot en met 23

De inhoud van deze beleidsregels spreekt voor zich.

Tenuitvoerlegging door middel van beslag (beleidsregel nr. 21 onder G) kan geschieden conform de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De gemeente heeft de mogelijkheid van vereenvoudigd derdenbeslag op loon of uitkering.

De procedure is als volgt:

  • °

    de gemeente stuurt met een kennisgeving een afschrift van het dwangbevel naar degene van wie debiteur een periodieke uitkering ontvangt

  • °

    hierin wordt de beslagvrije voet aangegeven

  • °

    de derde-beslagene moet de kennisgeving binnen 8 dagen voor gezien terugzenden aan de gemeente

  • °

    door de terugzending is het beslag gelegd. De derde-beslagene wordt hiermee verplicht het voor beslag vatbare bedrag uit te betalen aan de gemeente

  • °

    de gemeente moet binnen 7 dagen na retourontvangst van de kennisgeving een afschrift van die kennisgeving aangetekend toezenden aan de debiteur. Als de gemeente dit nalaat kan debiteur de President van de rechtbank vragen het beslag op te heffen.

 

UITVOERINGSVOORSCHRIFTEN INVORDERING TEN ONRECHTE VERLEENDE INKOMENSVOORZIENING INGEVOLGE DE WIJ

 

1. Terugvordering.

Het college maakt gebruik van haar bevoegdheid de ten onrechte verleende inkomensvoorziening op grond van de WIJ terug te vorderen.

Het betreft een ruime omschrijving van terugvordering, namelijk:

  • °

    fraude;

  • °

    ten onrechte genoten inkomensvoorziening;

  • °

    niet nakomen van aflossingsverplichting bij leenbijstand;

  • °

    voorschotten;

  • °

    onverschuldigde betaling.

Alle ten onrechte genoten inkomensvoorziening ingevolge de WIJ wordt teruggevorderd, behoudens het kruimelbedrag van € 100,00 zoals bedoeld in richtlijn P014.

 

2. Kwijtschelding

Onderscheid maken tussen de aard van de vordering.

Aard vordering

Kwijtschelding kan na x-maandelijkse termijnen van betaling

* Leenbijstand (behoudens leenbijstand voor schulden)

36

* ten onrechte genoten

60

* fraude

120

Voorwaarde om voor kwijtschelding in aanmerking te komen is dat men zich correct aan de terugbetalingsverplichting heeft gehouden en dat bij fraudevorderingen geen verdere fraude heeft plaatsgevonden. In de praktijk betekent dit dat bij vorderingen waar incassomaatregelen (beslag) aan de orde is c.q. is geweest, kwijtschelding niet of nauwelijks aan de orde kan zijn. Hier is namelijk sprake van het niet correct aan de terugbetalingsverplichting voldoen.

Het betreft een "kan"-bepaling, hetgeen aangeeft dat er geen sprake is van een automatisch buiten invordering stellen van het restant van de vordering. Zowel een langere aflossingsduur als een kortere kan aan de orde zijn.

Leidraad is de medewerking van de debiteur inzake terugbetaling.

 

3. Kwijtschelding bij schulden.

In beginsel wordt medewerking verleend bij het oplossen van problematische schulden.

Dit betekent dat de aanpak van de schuldenproblematiek moet worden uitgevoerd door een erkende instantie (zoals de budgetwinkel).

De vraag is of fraudevorderingen altijd een beletsel moeten zijn voor een minnelijk traject voor schuldbemiddeling c.q. schuldsanering.

In de praktijk blijkt dat bij schuldsanering de weg naar de WSNP wordt ingegaan.

Dit betekent concreet dat het traject langer duurt en de “opbrengst” lager uitvalt.

De invordering heeft in deze gevallen vaak al geen zin gehad omdat betrokkenen onvoldoende middelen hebben om iets terug te betalen.

In afwijking van beleidsregel 8 van de Beleidsregels opschorting, herziening, intrekking, terugvordering en invordering Wet investeren in jongeren (WIJ), zoals bovenstaand opgenomen, kan in voorkomende gevallen ingestemd worden met een minnelijke sanering.

Voorwaarden zijn:

  • °

    Afweging aard van de fraude (er kunnen zich zaken voordoen dat we beslissen om geen instemming te verlenen);

  • °

    Preferentie moet tot uitdrukking komen;

  • °

    Volledige medewerking van betrokkene aan sanering;

  • °

    Bij niet nakomen afspraken, volledige vordering opeisbaar.

 

4. Terugbetaling.

Uitgangspunt:

Terugbetaling geschiedt in beginsel via betaling van het volledige bedrag.

Indien dit niet mogelijk blijkt dan worden de volgende spelregels in acht genomen.

 

4a. Cliënten.

Terugvordering via verrekening

Voor een cliënt met lopende inkomensvoorziening dient als aflossing van alle vorderingen 10% van de inkomensvoorzieningsnorm inclusief vakantiegeld gehanteerd te worden.

Voor beleid inzake kruimelbedrag zie richtlijn nr.P014.

 

4b. Ex-cliënten.

Tenzij er aanwijzingen zijn dat de jongere over voldoende middelen beschikt om de vordering ineens terug te betalen wordt de terugbetalingsverplichting vastgesteld overeenkomstig de onderstaande glijdende schaal waarbij geen onderscheid wordt gemaakt in de ontstaansgrond van de vordering.

Vordering in Euro Aantal maanden Minimum termijnbedrag

< 2.500 36 50

2.500 - 5.000 48 70

>5000 60 100

 

5. Invorderingsbeleid.

De acties voor invordering worden afgestemd op de aard van de vordering.

Bij fraude zal dus sprake zijn van een directere (hardere) aanpak.

Voorgestane aanpak:

Fraude:

  • °

    Directe vaststelling van vordering;

  • °

    Indien mogelijk direct beslagleggen van roerende goederen en overgaan tot verkoop of betaling ineens van de vordering;

  • °

    Bij geen reactie op eerste verzoek tot betaling, direct versturen van aanmaning;

  • °

    Bij geen reactie op aanmaning overgaan tot aankondiging van loonbeslag en het voorbereiden van loonbeslag;

  • °

    Indien geen loonbeslag mogelijk, afweging maken tot het overgaan tot beslag op (on)roerende goederen.

Overige vorderingen:

  • °

    Vaststelling vordering en aanschrijving;

  • °

    Directe herinnering na uitbetalen betaling;

  • °

    Indien van toepassing direct aanmanen, met aankondiging nadere acties (zoals telefonisch contact) bij uitblijven betaling;

  • °

    Loonbeslag indien mogelijk, anders inschakeling deurwaarder.

 

6. Inschakeling incassobureau en deurwaarder

Er zijn 3 momenten waarop overwogen wordt tot inschakeling van incassobureau of deurwaarder:

  • °

    bij fraudevorderingen bij aanvang i.v.m. het in beslag nemen van goederen;

  • °

    bij het uitblijven van betaling (na de aanmaningsperiode) en derdebeslag niet mogelijk blijkt te zijn;

  • °

    bij ontstaan van zodanige werkbelasting binnen team (vorm van uitbesteden).

 

7. Kosten van invordering.

Alle kosten die gemaakt worden voor het invorderen komen ten laste van de debiteur.

 

8. Onderzoek.

Onderzoek naar de debiteur vindt plaats bij:

  • °

    Vaststellen van een betalingsregeling;

  • °

    Niet reageren op aanmaning;

  • °

    Uitblijven van betaling en overgaan tot beslag/inschakelen deurwaarder/incassobureau;

  • °

    Detentie, onbekend adres; schuldsanering;

  • °

    Terugbetalingsregeling > maximale aflossingsduur beleidsregels;.

  • °

    Bij bereiken maximale aflossingstermijn;

  • °

    Overig (onvoorzien).

 

9. Vermogensoverschrijding en terugvordering

Wanneer de toepasselijke vermogensgrens wordt overschreden, bestaat er geen recht op een inkomensvoorziening. Het bedrag waarmee de vermogensgrens wordt overschreden zal “ingeteerd” moeten worden. In de praktijk doet zich regelmatig de situatie voor dat een vermogensoverschot als gevolg van fraude pas achteraf wordt geconstateerd.

De jurisprudentie ingevolge de WWB leert dat het College kan volstaan met de constatering dat de belanghebbende gedurende de gehele periode beschikte over meer vermogen dan de toepasselijke vermogensgrens en de kosten van de bijstand over deze periode terugvorderen (zie CRvB 20-05-2003, nr. 00/2535 NABW en CRvB 06-04-2004, nr. 01/4801 NABW). Daarbij komt de vraag hoelang belanghebbende van dit vermogen zou kunnen hebben interen niet meer aan de orde (zie CRvB 16-03-2004, nr. 01/4802 NABW). Bovendien hoeft bij de terugvordering de zogenoemde interingsnorm van 1,5 maal de geldende bijstandsnorm niet te worden gehanteerd.

Soms echter kan het bedrag van de vermogensoverschrijding dusdanig laag zijn, dat niet gesteld kan worden dat de vermogensoverschrijding zodanig is dat over de gehele periode de inkomensvoorziening ten onrechte is verleend, m.a.w. het bedrag van de vermogensoverschrijding kan het terugvorderen van de over de gehele periode verstrekte inkomensvoorziening niet rechtvaardigen.

Terugvordering is een bevoegdheid van het college, welke bevoegdheid nader uitgewerkt is in de Beleidsregels opschorting, herziening, intrekking, terugvordering en invordering Wet investeren in jongeren (WIJ) zoals bovenstaand opgenomen.

Uitgangspunt van het terugvorderingsbeleid is dat in voorkomende gevallen de teveel of ten onrechte verleende inkomensvoorziening wordt teruggevorderd.

Het college dient echter bij haar terugvorderingsbevoegdheid de rechtsreeks bij het terugvorderingsbesluit betrokken belangen af te wegen en te beoordelen of er individuele omstandigheden zijn die aanleiding geven om van de beleidsregel af te wijken (art. 3:4 en 4:84 Awb). Met name dient beoordeeld te worden of het handelen volgens de beleidsregels, door bijzondere

omstandigheden, onevenredig zou zijn in verhouding tot de met die regels te dienen doelen.

Wanneer er sprake is van een relatief lage vermogensoverschrijding gedurende een langere periode kan er afgeweken worden van de heersende jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, om bij vermogensoverschrijding de kosten van de inkomensvoorziening terug te vorderen over de gehele periode waarin de jongere beschikte over meer vermogen dan de toepasselijke vermogensgrens, ongeacht de hoogte van de feitelijke vermogensoverschrijding.

Dit echter alleen in die gevallen, waarin de vermogenssituatie helder is en het bedrag van de vermogensoverschrijding kan worden vastgesteld. Er wordt dan louter het bedrag van de vermogensoverschrijding teruggevorderd.

Artikel 2

Deze gewijzigde beleidsregels treden in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Weekblad van Deurne.

Met ingang van deze datum worden de eerder op 30 november 2010 vastgestelde beleidsregels ingetrokken.

 

Besloten in de vergadering van 22 november 2011,

 

Burgemeester en wethouders van Deurne,

 

De secretaris, De burgemeester

 

(mr. G.J.C. Kusters), (H.J. Mak)

Inhoudsopgave

Richtlijn B109 Looptijd leenbijstand

Artikel 1

Artikel 2

Richtlijn B112 Aanpassing aflossing leenbijstand

Artikel 1

Artikel 2

Richtlijn B120 Beleidsregels inzake beslag

Artikel 1

Artikel 2

Richtlijn B122 Gevallen waarin wordt afgezien van terugvordering

Artikel 1

Artikel 2

Richtlijn B124 Moment van invordering

Artikel I

Artikel 2

Richtlijn B125 Beleidsregels invordering

Artikel 1

Artikel 2

Richtlijn P104 Gevallen waarin wordt afgezien van terugvordering

Artikel 1

Artikel 2

Beleidsregels opschorting, herziening, intrekking, terugvordering en invordering Wet investeren in jongeren (WIJ)

Artikel 1

Artikel 2