Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Deurne

Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Deurne houdende regels omtrent arbeidsvoorwaardenregeling CAR/UWO

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieDeurne
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingBesluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Deurne houdende regels omtrent arbeidsvoorwaardenregeling CAR/UWO
CiteertitelCAR-UWO en LAR gemeente Deurne 2017
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpbestuur en recht
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze versie van de regeling bevat wijzigingen die respectievelijk per 1 oktober 2019, 1 januari 2020, 1 juli 2020 en 1 oktober 2020 inwerking treding. De toekomstige wijzigingen zijn tussen [blokhaken] geplaatst.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. LOGA
  2. artikel 160 van de Gemeentewet
Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

22-10-2019artikel 3:25, bijlage 1, IIa, IVa1, IIb, IIc

08-10-2019

gmb-2019-254614

627408
28-12-201822-10-2019artikel 3.7.2

27-03-2018

gmb-2018-281779

01-01-201701-01-201728-12-2018art. CAR-UWO diverse

01-01-2017

CvA

diverse
01-01-201601-01-201601-01-2017art. CAR-UWO ivm wijzigingen hfd 3 CAR-UWO

06-06-2016

CvA

diverse
05-12-201201-11-2012Onbekend

05-12-2012

Onbekend

Tekst van de regeling

Intitulé

Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Deurne houdende regels omtrent arbeidsvoorwaardenregeling CAR/UWO

 

 

1 Algemene bepalingen

1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

  • a

    CAR de collectieve arbeidsvoorwaardenregeling;

  • b

    UWO de uitwerkingsovereenkomst;

  • c

    college Burgemeester en wethouders van de gemeente Deurne;

  • d

    aanstelling de aanstelling als bedoeld in artikel 2:1 van de CAR/UWO;

  • e

    medewerker de ambtenaar in de zin van de CAR, alsmede de medewerker met wie de werkgever een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht heeft afgesloten. Tenzij in deze regeling arbeidsvoorwaarden anders wordt omschreven;

  • f

    functie / dienstverband de functie als bedoeld in artikel 1:1 CAR;

  • g

    fulltime functie / fulltime dienstverband een betrekking waarbij de arbeidsduur per jaar ten hoogste 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per week 36 uur bedraagt;

  • h

    (salaris)schaal de schaal als bedoel in artikel 1:1 CAR

  • i

    salaris het salaris zoals bedoeld in artikel 1:1 CAR

  • j

    maximumsalaris het hoogste bedrag van een salarisschaal;

  • k

    leidinggevende de hiërarchisch leidinggevende van de medewerker. Ingeval de griffier wordt met de hiërarchisch leidinggevende de werkgeverscommissie bedoeld.

2 Aanstelling en arbeidsovereenkomst

2 Aanstelling en arbeidsovereenkomst

Inhoudsopgave

  • 2.1. Aanstelling in algemene dienst

  • 2.2. Uitgangspunten aanname familieleden

  • 2.3. Minimale omvang aanstelling

  • 2.4. Griffie- medewerkers

  • 2.5. Sociaal statuut

  • 2.6. Buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand (BABS)

2.1. Aanstelling in algemene dienst

Inhoudsopgave

  • Artikel 1 Begripsbepalingen

  • Artikel 2 Inzetbaarheid

  • Artikel 3 Termijnen

  • Artikel 4 Afdelingsplancyclus

  • Artikel 5 Ondersteuning

  • Artikel 6 Volgorde bij interne vacatures

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • -

    passende functie: een functie van gelijkwaardig werk- en denkniveau, die de ambtenaar redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen. Een passende functie is doorgaans van hetzelfde functieniveau als de oude functie, maar kan ook van een hoger niveau of maximaal twéé salarisschalen (toelichting artikel 10d:19 CAR/UWO) lager zijn dan de oude functie

Artikel 2 Inzetbaarheid

Medewerkers in algemene dienst zijn in principe inzetbaar binnen de gehele organisatie op passende structurele en -tijdelijke functies en op projecten met passende werkzaamheden.

Artikel 3 Termijnen

Voor zittende medewerkers wordt de functie gebonden aanstelling per 1 januari 2013 van rechtswege omgezet in een aanstelling in algemene dienst. Nieuw in dienst tredende medewerkers krijgen een aanstelling in algemene dienst voor bepaalde of onbepaalde tijd.

Artikel 4 Afdelingsplancyclus

Lid 1

Gesprekken over de inzetbaarheid van de medewerker binnen de gemeentelijke organisatie worden gevoerd binnen het kader van de afdelingsplancyclus.

Lid 2

Leidinggevende en medewerker maken jaarlijks concrete afspraken over ontwikkeling en opleiding gericht op inzetbaarheid in de huidige functie (effectiviteit) of over doorstroom naar een andere passende functie (=loopbaanplan). De leidinggevende houdt bij het maken van de afspraken over ontwikkeling, opleiding of doorstroming, voor zover relevant, rekening met de persoonlijke situatie van de medewerker (leeftijd, gezondheid, gezinssituatie enz.)

Lid 3

De leidinggevende faciliteert de medewerker in het realiseren van de afspraken over opleiding en ontwikkeling met inachtneming van het gestelde in Hoofdstuk 17 CAR/UWO.

Lid 4

De medewerker kan in het kader van mobiliteit (doorstroom ten bate van blijvende inzetbaarheid en effectiviteit) niet worden verplicht een hem/haar aangeboden passende functie te accepteren. De medewerker behoort een weigering echter wel te beargumenteren.

Artikel 5 Ondersteuning

Lid 1

De leidinggevende en de medewerker stellen samen een loopbaanplan op.

Lid 2

Medewerkers die zich willen oriënteren op een vervolgfunctie, worden in de gelegenheid gesteld een loopbaantest af te leggen.

Artikel 6 Volgorde bij interne vacatures

Bij de invulling van interne vacature wordt de volgende selectievolgorde aangehouden:

  • 1

    Medewerkers in dienst van de gemeente Deurne die vallen onder het Sociaal Statuut (hoofdstuk 10d kandidaten) of waarvoor in het kader van verzuimbegeleiding (re-integratietraject) een andere functie gezocht moet worden;

  • 2

    Medewerkers die in overleg met hun leidinggevende een loopbaanplan hebben opgesteld, mits zij voldoen aan de functie-eisen

  • 3

    Medewerkers in dienst van de gemeente Deurne en medewerkers van de Peelgemeenten (incl. nieuwe organisatie Peel 6.1) .

  • 4

    Medewerkers van ketenpartners (SRE / MRE, ODZOB, VRZOB, BSOB, Atlant) en ingehuurde / gedetacheerde medewerkers bij de gemeente Deurne;

  • 5

    Externe werving.

2.2. Uitgangspunten aanname familieleden

Lid 1

Deze uitgangspunten zijn van toepassing op benoemingen op grond van artikel 1:1 CAR/UWO. Medewerkers met een aanstelling conform artikel 1:2 CAR/UWO zijn uitgezonderd.

Lid 2

Uitgangspunten bij sollicitaties:

  • -

    Echtgeno(o)t(e)/partner, kinderen, broers en zussen van collega’s hebben in beginsel evenveel kans op benoeming in een vacante functie als ieder ander;

  • -

    Echtgeno(o)t(e)/partner, kinderen, broers en zussen van:

    • 1

      raadsleden,

    • 2

      leden van het college,

    • 3

      de directie, komen niet in aanmerking voor benoeming;

  • -

    Echtgeno(o)t(e)/partner, kinderen, broers en zussen van medewerkers komen niet in aanmerking voor benoeming als lid van de directie;

  • -

    Echtgeno(o)t(e)/partner, kinderen, broers en zussen van afdelingshoofden komen niet in aanmerking voor benoeming in een functie binnen dezelfde afdeling;

  • -

    Echtgeno(o)t(e)/partner, kinderen, broers en zussen van teamleiders komen niet in aanmerking voor benoeming in een functie binnen dezelfde afdeling;

  • -

    Echtgeno(o)t(e)/partner, kinderen, broers en zussen van medewerkers komen niet in aanmerking voor benoeming als teamleider als de benoeming zal plaatsvinden binnen dezelfde afdeling;

2.3. Minimale omvang aanstelling

De gemeente Deurne heeft de uitdrukkelijke wens dat een aanstelling tenminste 18 uur gemiddeld per week bedraagt.

2.4. Griffie- medewerkers

De gemeenteraad heeft 21 november 2011 besloten om de geldende arbeidsvoorwaardenregelingen (CAR/UWO) van toepassing te verklaren. Verder heeft de raad besloten om een werkgeverscommissie in te stellen die besluiten over de rechtspositie van het griffie-personeel. Aanvullend heeft de gemeenteraad besloten om met ingang van 1 januari 2012 de Collectieve arbeidsvoorwaarden en de Regeling Lokale Arbeidsvoorwaarden gemeente Deurne over te nemen en vast te stellen voor het griffie-personeel.

2.5. Sociaal statuut

Inhoudsopgave

  • Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen

    • Artikel 1:1 Definities

    • Artikel 1:2 Werkingssfeer

    • Artikel 1:3 Organisatiewijziging

    • Artikel 1:4 Bevoegdheid tot het nemen van het besluit tot organisatiewijziging

    • Artikel 1:5 Bevoegdheid tot het nemen van besluiten betreffende individuele ambtenaren

  • Hoofdstuk 2: Procedurele bepalingen

    • Artikel 2:1 Onderzoek naar organisatiewijziging

    • Artikel 2:2 Extern advies

    • Artikel 2:3 Advies OR over organisatiewijziging

    • Artikel 2:4 Overleg over de personele gevolgen en maatregelen

    • Artikel 2:5 Kennisgeving en uitvoering besluit

  • Hoofdstuk 3: Algemene uitgangspunten voor sociaal beleid bij interne organisatiewijzigingen

    • Artikel 3:1 Werkingssfeer hoofdstuk

    • Artikel 3:2 Inspanningsverplichting bij organisatiewijziging

    • Artikel 3:3 Categorieën functies

    • Artikel 3:4 Voorkeursvolgorde bij herplaatsing

    • Artikel 3:5 Uitgangspunten herplaatsing

    • Artikel 3:6 Belangstellingsregistratie

    • Artikel 3:7 Geen passende of geschikte functie

    • Artikel 3:8 Verplichtingen werkgever

    • Artikel:3:9 Verplichtingen ambtenaar

    • Artikel 3:10 Functie buiten de gemeentelijke organisatie

    • Artikel 3:11 Aanvullende afspraken

    • Artikel 3:12 Sociaal plan

  • Hoofdstuk 4: Herplaatsingprocedure

    • Artikel 4:1 Status toekenning aan oude functie

    • Artikel 4:2 Functie- en formatieplan nieuwe organisatie

    • Artikel 4:3 Perspectiefgesprekken

    • Artikel 4:4 Opstellen concept plaatsingsplan

    • Artikel 4:5 Bedenkingen tegen plaatsingsvoorstel

    • Artikel 4:6 Zienswijzencommissie

    • Artikel 4:7 Werkwijze Zienswijzencommissie

    • Artikel 4:8 Plaatsingsbesluiten

  • Hoofdstuk 5: Privatisering en publiekrechtelijke taakoverheveling

    • Artikel 5:1 Werkingssfeer hoofdstuk

    • Artikel 5.2 Werkgelegenheid

    • Artikel 5:3 Geen passende of geschikte functie

    • Artikel 5:4 Verplichtingen ambtenaar

    • Artikel 5:5 Sociaal plan

    • Artikel 5:6 Rechtspositievergelijking

  • Hoofdstuk 6: Slotbepalingen

    • Artikel 6:1 Hardheidsclausule

    • Artikel 6:2 Citeertitel

Formulieren

  • -

    Belangstellingsregistratie formulier

  • -

    Belangstellingsregistratie toelichting

  • -

    Perspectiefgesprek format

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen

Artikel 1:1 Definities

In dit sociaal statuut wordt verstaan onder:

  • a

    ambtenaar de ambtenaar in de zin van de CAR, alsmede de medewerker met wie de werkgever een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht heeft afgesloten

  • b

    werkgever de gemeente Deurne

  • c

    college burgemeester en wethouders van de gemeente Deurne;

  • d

    partijen het college en de ondernemingsraad

  • e

    organisatiewijziging een belangrijke inkrimping of wijziging van de werkzaamheden van de gemeente (of een onderdeel daarvan) of een belangrijke wijziging van de laatst vastgestelde organisatiestructuur van de gemeente (of een onderdeel daarvan), die niet van tijdelijke aard is en die personele gevolgen met zich mee brengt;

  • f

    privatisering organisatiewijziging die het gevolg is van de verzelfstandiging van een deel van de organisatie tot een nieuwe (privaatrechtelijke) rechtspersoon of de overdracht van een deel van de organisatie aan een derde (privaatrechtelijke) partij

  • g

    publiekrechtelijke taakoverheveling organisatiewijziging die het gevolg is van de overheveling van een deel van de organisatie naar een ander publiekrechtelijk orgaan

  • h

    personele gevolgen gevolgen voor de functie in die zin dat sprake is van een substantiële verandering (>25%) in de functie, plaatsing in een andere functie of verandering in de rechtspositie van de betrokken ambtenaren

  • i

    salaris het voor de ambtenaar geldende bedrag van de aan de ambtenaar toegekende schaal als bedoeld in artikel 3:1 van de CAR/UWO

  • j

    salarisperspectief de opeenvolgende salarisperiodieken tot en met het hoogste bedrag van de uitloopschaal van de ambtenaar en eventueel schriftelijk vastgelegde extra individuele salarisafspraken *.

  • k

    bezoldiging het salaris, vermeerderd met het bedrag van de aan de ambtenaar toegekende emolumenten en toelagen, niet zijnde onkostenvergoedingen

  • l

    persoonlijke toelage een toelage die gekoppeld is aan de ambtenaar c.q. het functioneren van die ambtenaar

  • m

    functie het geheel van werkzaamheden dat de ambtenaar volgens zijn functieprofiel verricht

  • n

    ongewijzigde functie een functie die gelijk of voor minimaal 75% gelijk is aan de functie die de ambtenaar voor de organisatiewijziging vervulde

  • o

    passende functie een functie van gelijkwaardig werk- en denkniveau, die de ambtenaar redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen. Een passende functie is doorgaans van hetzelfde functieniveau als de oude functie, maar kan ook van een hoger niveau of maximaal twéé salarisschalen (toelichting artikel 15:1:10 lid 1 CAR/UWO) lager zijn dan de oude functie

  • p

    geschikte functie een functie die niet valt onder het begrip passende functie, maar die de ambtenaar bereid is te vervullen

  • q

    CAR/UWO Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten en de Uitwerkingsovereenkomst

  • r

    ondernemingsraad de Ondernemingsraad zoals bedoeld in artikel 2 van de Wet op de ondernemingsraden

  • s

    sociaal plan nadere afspraken, gebaseerd op en aanvullend op dit sociaal statuut, met betrekking tot de personele gevolgen van een organisatiewijziging. Er zijn twee soorten sociaal plannen:

    • a

      Bij organisatiewijzigingen betreft het een maatwerkplan voor een individuele ambtenaar voor wie geen passende of geschikte functie voorhanden is.

    • b

      Bij privatisering en publiekrechtelijke taakoverheveling betreft het een algemeen plan voor alle ambtenaren die overgaan naar een andere organisatie.

  • t

    herplaatsingskandidaat een ambtenaar die als gevolg van een organisatiewijziging, privatisering of publiekrechtelijke taakoverheveling in het kader van dit sociaal statuut zijn functie (gedeeltelijk) verliest of heeft verloren

  • u

    plaatsingsplan een door de werkgever opgesteld plan om de bij een organisatiewijziging betrokken ambtenaren – uitgewerkt op individueel niveau - te plaatsen of te herplaatsen binnen de gewijzigde organisatie

  • v

    plaatsingsvoorstel de beschikking die aan elke individuele medewerker wordt gezonden en waarin op basis van het opgestelde plaatsingsplan wordt medegedeeld welke functie aan de medewerker wordt toegewezen. Op basis van dit plaatsingsvoorstel wordt de medewerker in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze te uiten tegen de voorgenomen plaatsing op basis van de daarvoor opgestelde procedure

  • w

    plaatsingsbesluit het door het college genomen definitief besluit op grond waarvan de medewerker indien gewenst bezwaar en beroep kan aantekenen

Waar in dit sociaal statuut de mannelijke vorm wordt gebruikt, wordt ook de vrouwelijke vorm bedoeld.

Artikel 1:2 Werkingssfeer

Dit sociaal statuut is van toepassing op alle organisatiewijzigingen in de gemeentelijke organisatie, niet zijnde organisatiewijzigingen als gevolg van een gemeentelijke herindeling, die gevolgen hebben voor meerdere ambtenaren. De discussie in hoeverre een organisatiewijziging valt onder de werking van het sociaal statuut kan zowel van werknemerszijde als van werkgeverszijde worden aangegeven. Wanneer een van de partijen van mening is dat het een belangrijke organisatiewijziging is, is dit onderwerp van gesprek tussen bestuurder en OR en wordt in overleg bepaald in hoeverre de verandering onder de werking van het sociaal statuut valt.

Artikel 1:3 Organisatiewijziging

Het college bepaalt in overleg met de Ondernemingsraad of er sprake is van een organisatiewijziging. Van elke voorgenomen organisatiewijziging, die leidt tot personele gevolgen voor meerdere ambtenaren of gevolgen heeft voor de organisatiestructuur wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de Ondernemingsraad.

Artikel 1:4 Bevoegdheid tot het nemen van het besluit tot organisatiewijziging

Het college is bevoegd tot het nemen van besluiten over de wijziging van de ambtelijke organisatie.

Artikel 1:5 Bevoegdheid tot het nemen van besluiten betreffende individuele ambtenaren

Het college is bevoegd tot het nemen van besluiten over wijziging van de aanstelling, overplaatsing en ontslag van ambtenaren, tenzij bij of krachtens wet, raadsbesluit of mandaat anders is bepaald.

Hoofdstuk 2: Procedurele bepalingen

Artikel 2:1 Onderzoek naar organisatiewijziging:

Lid 1

Als de werkgever voornemens is de mogelijkheid en wenselijkheid van een organisatiewijziging te onderzoeken, worden de betrokken ambtenaren en de Ondernemingsraad hier in een vroeg stadium van op de hoogte gesteld.

Lid 2

Het tijdstip van kennisgeving is dusdanig, dat de Ondernemingsraad zijn mening over het onderzoek kenbaar kan maken.

Lid 3

De ambtenaren en de Ondernemingsraad worden zo veel mogelijk betrokken bij de uitvoering van het onderzoek. Bovendien worden zij, indien mogelijk, tussentijds op de hoogte gehouden van de vorderingen van het onderzoek.

Lid 4

Een schriftelijke eindrapportage van het onderzoek wordt ter kennisneming gezonden aan de Ondernemingsraad.

Artikel 2:2 Extern advies

Indien de werkgever voornemens is om over de wenselijkheid van de organisatiewijziging extern advies te vragen, wordt de Ondernemingsraad om advies gevraagd over het verstrekken en formuleren van de adviesopdracht, conform artikel 25 van de Wet op de ondernemingsraden. Deze advisering betreft mede de keuze van de externe deskundige of het externe adviesbureau.

Artikel 2:3 Advies OR over organisatiewijziging

Lid 1

Voordat een definitief besluit wordt genomen ten aanzien van de organisatiewijziging, wordt de OR schriftelijk om advies gevraagd, conform artikel 25 van de Wet op de ondernemingsraden.

Lid 2

Ten behoeve van de adviesaanvraag wordt een plan van aanpak opgesteld, waarin de verschillende stappen vermeld worden met een tijdsplanning voor de besluitvorming.

Lid 3

De adviesaanvraag bevat een heldere omschrijving van het voorgenomen besluit en de beweegredenen van het besluit.

Lid 4

Het advies wordt op een zodanig tijdstip gevraagd, dat het nog van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit.

Artikel 2:4 Overleg over de personele gevolgen en maatregelen.

Lid 1

Voordat een definitief besluit wordt genomen ten aanzien van de organisatiewijziging, wordt in de Ondernemingsraad overleg gevoerd over de personele gevolgen van het besluit en de naar aanleiding daarvan te nemen maatregelen.

Lid 2

De leden van de Ondernemingsraad kunnen tussentijds bijeen worden geroepen, dan wel schriftelijk worden geraadpleegd, wanneer de omstandigheden een versnelde procedure vereisen.

Artikel 2:5 Kennisgeving en uitvoering besluit

Lid 1

Als er een definitief besluit is genomen tot wijziging van de organisatie, wordt dit besluit zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen 4 weken, meegedeeld aan de betrokken ambtenaren en de Ondernemingsraad. Daarbij wordt tevens ingegaan op de personele gevolgen van het besluit.

Lid 2

Als in het besluit wordt afgeweken van het advies van de Ondernemingsraad, zal deze afwijking duidelijk worden gemotiveerd. De uitvoering van het besluit tot organisatiewijziging wordt in dit geval uitgesteld tot een maand na de dag waarop de Ondernemingsraad van het besluit in kennis is gesteld, conform artikel 25, zesde lid, van de Wet op de ondernemingsraden. Deze verplichting vervalt wanneer de Ondernemingsraad zulks te kennen geeft.

Hoofdstuk 3: Algemene uitgangspunten voor sociaal beleid bij interne organisatiewijzigingen

Artikel 3:1 Werkingssfeer hoofdstuk

Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op interne organisatiewijzigingen, niet zijnde privatiseringen en publiekrechtelijke taakoverhevelingen.

Artikel 3:2 Inspanningsverplichting bij organisatiewijziging

Zowel werkgever als ambtenaren zullen zich tot het uiterste inspannen om te voorkomen dat de bij de organisatiewijziging betrokken ambtenaren onvrijwillig werkloos raken. Uitgangspunt hierbij is dat er geen gedwongen ontslagen zullen plaatsvinden, tenzij van te voren met de OR is overeengekomen dat gedwongen ontslagen onvermijdelijk zijn.

Artikel 3:3 Categorieën functies

Ten behoeve van de bepaling of een functie ongewijzigd is (zie artikel 1:1 Definities sub n) worden de functies ingedeeld in de volgende categorieën:

  • Categorie A: De functie is nagenoeg hetzelfde als in de oude situatie en de totaal beschikbare formatie is niet verminderd = ongewijzigde functie.

  • Categorie B: De functie is substantieel gewijzigd en/of er zijn nieuwe taken aan de functie toegevoegd = gewijzigde functie.

  • Categorie C: De functie vervalt of valt in categorie A of B, maar daarbij is de beschikbare formatie lager dan het aantal ambtenaren dat voor de functie in aanmerking komt.

Artikel 3:4 Voorkeursvolgorde bij herplaatsing

Lid 1

De werkgever hanteert, bij het nemen van besluiten ten aanzien van de ambtenaren die betrokken zijn bij de organisatiewijziging, de volgende voorkeursvolgorde:

  • a

    Categorie A functies: De functie zal worden toegekend aan die ambtenaar die de betreffende functie voor de organisatiewijziging uitoefende.

  • b

    Categorie B functies: Indien de functie substantieel is gewijzigd en/of aan de functie nieuwe taken worden toegevoegd, zal met de ambtenaar die de betreffende functie voor wijziging uitoefende een gesprek gevoerd worden. In dit gesprek zal beoordeeld worden of de ambtenaar geschikt of geschikt te maken is voor de nieuwe taken.

  • c

    Categorie C functies: Met alle ambtenaren die de betreffende functie voor de organisatiewijziging uitoefenden wordt een perspectiefgesprek gevoerd. In dit gesprek wordt beoordeeld welke ambtenaar het beste voldoet aan de criteria zoals opgenomen in artikel 3:5.

Lid 2

Indien voor de ambtenaar geen passende functie voorhanden is, dan zal aan hem een geschikt geachte functie worden aangeboden.

Lid 3

Functies die voorkomen in de nieuwe organisatiestructuur en die niet met toepassing van de bovengenoemde voorkeursvolgorde toegekend kunnen worden aan het personeel dat behoort tot de organieke sterkte, worden overeenkomstig het bepaalde in artikel 2:4:2 CAR/UWO als vacature in de organisatie opengesteld.

Lid 4

Herplaatsingbesluiten als bedoeld in het eerste lid onder b en c worden genomen met inachtneming van de herplaatsingprocedure, zoals beschreven in hoofdstuk 4.

Artikel 3:5 Uitgangspunten herplaatsing

Bij het nemen van besluiten als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt met de volgende gegevens rekening gehouden:

  • a

    de geschiktheid van de ambtenaar voor een functie, zoals die blijkt uit opleidings- en werkervaringsgegevens, beoordelingsgesprekken en eventuele geschiktheidtesten, b.v een assessment;

  • b

    de voorkeur van de ambtenaar voor bepaalde functies;

  • c

    het type dienstverband van de ambtenaar;

  • d

    het afspiegelingsbeginsel, afgestemd op en afhankelijk van het betreffende organisatieonderdeel. *

Artikel 3:6 Belangstellingsregistratie

Voordat herplaatsingsbesluiten als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid onder b en c, worden genomen, wordt de betrokken ambtenaar in de gelegenheid gesteld zijn voorkeur voor maximaal drie functies kenbaar te maken.

Artikel 3:7 Geen passende of geschikte functie

Lid 1

Indien de werkgever na zorgvuldig onderzoek er niet in slaagt om de ambtenaar een passende dan wel geschikt geachte functie aan te bieden binnen de gemeentelijke organisatie, kan de ambtenaar eervol ontslag wegens reorganisatie worden verleend, als bedoeld in artikel 8:3 van de CAR/UWO. De bepalingen van Hoofdstuk 10:d CAR/UWO vinden in dat geval toepassing. Onder andere kan recht bestaan op een aanvullende en nawettelijke uitkering.

Lid 2

Gedurende de re-integratiefase als bedoeld in artikel 10d:5 CAR/UWO, zullen de werkgever en de ambtenaar zich inspannen om gezamenlijk een structurele oplossing te vinden, zowel intern als extern. Onderdeel van deze oplossing kunnen zijn:

  • a

    bijscholing en omscholing

  • b

    tijdelijke tewerkstelling binnen de organisatie al dan niet bovenformatief;

  • c

    een passende of geschikte functie binnen de gemeentelijke organisatie die na de plaatsingsprocedure is ontstaan;

  • d

    tijdelijke detachering naar een externe organisatie

  • e

    outplacementbegeleiding

  • f

    een passende of geschikte functie buiten de gemeentelijke organisatie

  • g

    flankerende maatregelen * .

Lid 3

De kosten van flankerende maatregelen, outplacementbegeleiding, bij- en omscholing zijn voor rekening van de werkgever, tot het maximum als genoemd in artikel 10d:9, lid 4 CAR/UWO.

Artikel 3:8 Verplichtingen werkgever

Lid 1

Het voor zover mogelijk bieden van een werkgarantie aan de ambtenaar, hetzij binnen, hetzij buiten de gemeentelijke organisatie.

Lid 2

Wanneer geen passende functie voorhanden is wordt zo mogelijk tenminste eenmaal doch ten hoogste driemaal een geschikt geachte functie aangeboden.

Lid 3

Het faciliteren van het herplaatsingsproces van de ambtenaren.

Lid 4

Het zorg dragen voor adequate coaching en/of begeleiding van ambtenaren bij het reorganisatieproces.

Lid 5

Het garanderen van het recht op behoud van het salaris en het salarisperspectief van de ambtenaar zoals die voor hem golden in de oude functie bij plaatsing binnen de gemeentelijke organisatie.

Lid 6

Voor zover aan de ambtenaar een persoonlijke toelage is toegekend, wordt deze toelage gegarandeerd. Indien na herplaatsing sprake is van inschaling in een hogere salarisschaal, dan wordt de toelage bij inpassing een onderdeel van het salaris.

Artikel 3:9 Verplichtingen ambtenaar

Lid 1

De ambtenaar is verplicht, onverminderd het recht op bezwaar en beroep, een passende functie die hem met inachtneming van de herplaatsingsprocedure is toegewezen, te aanvaarden. De ambtenaar is hierbij tevens verplicht om mee te werken aan gesprekken en testen die nodig zijn voor het verzamelen van gegevens ter beoordeling van de geschiktheid van de ambtenaar voor een andere functie. De kosten van eventuele testen zijn voor rekening van de werkgever.

Lid 2

Van de ambtenaar wordt verwacht, dat hij in positieve zin meewerkt bij het vinden van vervangende werkgelegenheid en maatregelen gericht op het verkrijgen van vervangende arbeid. Het bepaalde in artikel 15:1:10 van de CAR/UWO is hierbij onverkort van toepassing.

Lid 3

Wanneer gemotiveerd kan worden vastgesteld dat de ambtenaar na herhaald en zorgvuldig overleg weigerachtig is ten aanzien van aanvaarding van een passende functie of niet meewerkt aan het vinden van een oplossing als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, kan het college overgaan tot ontslag.

Artikel 3:10 Functie buiten de gemeentelijke organisatie

Lid 1

Indien de ambtenaar, waarvoor in de herplaatsingprocedure geen passende of geschikte functie is gevonden, een functie accepteert buiten de gemeentelijke organisatie, wordt hem eervol ontslag verleend.

Lid 2

De ambtenaar die overeenkomstig het eerste lid ontslag wordt verleend, wordt ontheven van eventuele terugbetalingsverplichtingen die voortvloeien uit studiefaciliteitenregeling, verhuiskostenregeling en de Regeling betaald ouderschapsverlof.

Lid 3

Indien de ambtenaar als bedoeld in het eerste lid een functie van ten minste een gelijke betrekkingsomvang accepteert buiten de gemeentelijke organisatie, vult de werkgever het brutosalaris gedurende één jaar aan tot aan het niveau van het brutosalaris dat de ambtenaar genoot direct voorafgaand aan het ontslag. De ambtenaar die een functie accepteert met een kleinere betrekkingsomvang ontvangt gedurende één jaar een aanvulling van zijn brutosalaris naar rato.

Artikel 3:11 Aanvullende afspraken

Op individueel niveau kunnen tussen de werkgever en de ambtenaar afspraken –gebaseerd op dit statuut– worden vastgelegd over wederzijdse verplichtingen en garanties bij overplaatsing van de ambtenaar in een andere functie binnen de gemeentelijke organisatie. Deze afspraken kunnen niet in negatieve zin afwijken van dit statuut.

Artikel 3:12 Sociaal plan

Als de Ondernemingsraad van mening is dat de organisatiewijziging zodanige personele gevolgen met zich meebrengt dat hierover aanvullende afspraken moeten worden gemaakt, wordt door de werkgever een aanvullend sociaal plan opgesteld. Over dit sociaal plan moet overeenstemming worden bereikt in de Ondernemingsraad. In het sociaal plan kan niet in negatieve zin worden afgeweken van de bepalingen uit dit statuut.

Hoofdstuk 4: Herplaatsingprocedure

Artikel 4:1 Status toekenning aan oude functie

Lid 1

Uitgangspunt voor de plaatsing van ambtenaren zijn de taken in de huidige organisatie. Op basis van de uitgangspunten worden de taken en de formatie toegedeeld aan het nieuwe organisatieonderdeel.

Lid 2

Op basis van de onder 1 genoemde toedeling worden de bestaande functies ingedeeld in categorie A, B of C (zie artikel 3:3). Na vaststelling door het college ontvangt iedere ambtenaar een brief, waarin de statustoekenning is vastgelegd en van een motivering is voorzien.

Lid 3

Tegen de statustoekenning als vermeld in lid 2 is bezwaar en beroep mogelijk conform de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 4:2 Functie- en formatieplan nieuwe organisatie

Lid 1

Voor de nieuwe organisatie wordt een functie- en formatieplan opgesteld, waarbij bepalend is welke functies en formatie nodig zijn om de taken te kunnen uitvoeren.

Lid 2

De nieuwe functies worden conform de Regeling functiewaardering 2005 toegedeeld aan functieprofielen.

Lid 3

Het college stelt het functie- en formatieplan - voor het betrokken organisatieonderdeel - vast en legt dit voor overeenstemming voor aan de Ondernemingsraad.

Lid 4

Het functie- en formatieplan van de nieuwe organisatie wordt gelijktijdig met de brief als bedoeld in artikel 4:1, lid 2 toegezonden aan de ambtenaren.

Artikel 4:3 Perspectiefgesprekken

Lid 1

Met de ambtenaren van wie de functie een C-status heeft worden perspectiefgesprekken gevoerd over hun belangstelling voor een bepaalde functie.

Lid 2

Het doel van het perspectiefgesprek is te toetsen of de ambtenaar geschikt, minder geschikt of niet geschikt is om de functie(s) van zijn/haar voorkeur(en) uit te oefenen.

Lid 3

Het perspectiefgesprek wordt gevoerd door de leidinggevende en/of de leidinggevende van de laag daarboven van het team / de afdeling waar de voorkeursfunctie onder valt in aanwezigheid van een P&O-adviseur.

Lid 4

De P&O-adviseur maakt van het perspectiefgesprek een verslag.

Lid 5

Ambtenaren die minder geschikt of niet geschikt worden geacht te zijn voor een functie worden hierover zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 2 weken, mondeling geïnformeerd waarbij het verslag van het gesprek wordt overhandigd.

Lid 6

De ambtenaar krijgt de mogelijkheid om binnen 1 week schriftelijk op- of aanmerkingen op het verslag aan te leveren.

Lid 7

De eventueel ingediende op- of aanmerkingen worden aan het verslag gehecht, maar leiden niet tot aanpassing van het verslag.

Artikel 4:4 Opstellen concept plaatsingsplan

Lid 1

De direct leidinggevende en/of de leidinggevende van de laag daarboven stelt in overleg met de directie en ondersteund door een P&O-adviseur het concept plaatsingsplan op.

Lid 2

Het concept plaatsingsplan wordt, na vaststelling door de directie, toegezonden aan de betrokken ambtenaren.

Artikel 4:5 Bedenkingen tegen plaatsingsvoorstel

Lid 1

Indien de ambtenaar bedenkingen heeft tegen het plaatsingsvoorstel, respectievelijk tegen het voorstel hem vooralsnog geen passende of geschikte functie aan te bieden, kan hij deze binnen twee weken na de verzenddatum schriftelijk en gemotiveerd indienen bij de directie.

Lid 2

De ingediende bedenkingen worden tezamen met het concept plaatsingsplan toegezonden aan de Zienswijzencommissie.

Artikel 4:6 Zienswijzencommissie

Lid 1

Het college roept een Zienswijzencommissie in het leven, die als taak heeft om de door de ambtenaar ingediende bedenkingen ten aanzien van het plaatsingsvoorstel te behandelen.

Lid 2

De Zienswijzencommissie bestaat uit:

  • a

    een lid aangewezen door het college van burgemeester en wethouders;

  • b

    een lid aangewezen door de Ondernemingsraad;

  • c

    een lid, tevens voorzitter, aangewezen door de twee hiervoor genoemde leden.

Lid 3

Aan de commissie wordt een ambtenaar van de gemeente Deurne als ambtelijk secretaris toegevoegd.

Artikel 4:7 Werkwijze Zienswijzencommissie

Lid 1

Ten behoeve van het opstellen van het advies aan het college over het concept plaatsingsplan bestudeert de commissie de informatie die door de directie wordt aangeleverd. Deze informatie bestaat uit:

  • a

    het sociaal statuut;

  • b

    het functieboek gemeente Deurne;

  • c

    het overzicht functie- en formatietoedeling;

  • d

    het functie- en formatieplan nieuwe organisatie;

  • e

    het verslag van het gehouden perspectiefgesprek;

  • f

    het concept plaatsingsplan

Lid 2

De Zienswijzencommissie hoort de ambtenaar die een bedenking heeft geuit tegen het plaatsingsvoorstel op grond van artikel 4:5;

Lid 3

Van de hoorzittingen wordt schriftelijk verslag gemaakt. Het verslag wordt zo spoedig mogelijk toegezonden aan de betrokken ambtenaar.

Lid 4

De Zienswijzencommissie brengt vervolgens binnen drie weken na de hoorzitting advies uit aan het college omtrent de ingebrachte bedenkingen van de ambtenaar.

Artikel 4:8 Plaatsingsbesluiten

Lid 1

Het college neemt binnen 3 weken na ontvangst van het advies van de Zienswijzencommissie een definitief besluit tot plaatsing van de ambtenaar.

Lid 2

Het plaatsingsbesluit bevat de volgende informatie:

  • a

    de plaats van de ambtenaar in de nieuwe organisatie;

  • b

    de datum van overgang;

  • c

    de functie welke de ambtenaar zal gaan vervullen;

  • d

    de aan de functie verbonden salarisschaal, alsmede het voor de ambtenaar geldende salaris, de hem toekomende garantietoelagen en eventueel gegarandeerde salarisaanspraken, alsmede de duur daarvan;

  • e

    de motivering voor plaatsing in de functie, alsmede eventuele nadere afspraken.

  • f

    de bezwaar- en beroepsclausule.

Hoofdstuk 5: Privatisering en publiekrechtelijke taakoverheveling

Artikel 5:1 Werkingssfeer hoofdstuk

Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op privatiseringen en publiekrechtelijke taakoverhevelingen, waarbij het uitgangspunt is dat alle betrokken ambtenaren overgaan naar de nieuwe werkgever.

Artikel 5:2 Werkgelegenheid

Lid 1

De werkgever zal zich tot het uiterste inspannen om ervoor te zorgen dat de werkgelegenheid van de bij de privatisering of overheveling van taken betrokken ambtenaren behouden blijft.

Lid 2

De werkgever treedt met de betrokken privaatrechtelijke of publiekrechtelijke instantie in overleg over de overname van de ambtenaren van het desbetreffende organisatieonderdeel. Gemaakte afspraken worden schriftelijk vastgelegd.

Lid 3

Voordat de werkgever een besluit neemt over de overgang van een ambtenaar naar de betrokken privaatrechtelijke of publiekrechtelijke instantie, biedt hij de betrokkene de gelegenheid om zijn belangstelling kenbaar te maken voor passende functies die op dat moment vacant zijn of op korte termijn vacant worden in de gemeentelijke organisatie. De ambtenaar zal als interne kandidaat in de selectieprocedure worden betrokken.

Artikel 5:3 Geen passende of geschikte functie

Lid 1

Indien de werkgever na zorgvuldig onderzoek er niet in slaagt om de ambtenaar een passende dan wel geschikt geachte functie aan te bieden binnen de gemeentelijke organisatie, kan de ambtenaar eervol ontslag wegens reorganisatie worden verleend, als bedoeld in artikel 8:3 van de CAR/UWO. De bepalingen van Hoofdstuk 10:d CAR/UWO vinden in dat geval toepassing. Onder andere kan op grond van hoofdstuk 10d recht bestaan op een aanvullende en nawettelijke uitkering.

Lid 2

Gedurende de re-integratiefase als bedoeld in artikel 10d:5 CAR/UWO, zullen de werkgever en de ambtenaar zich inspannen om gezamenlijk een structurele oplossing te vinden, zowel intern als extern. Onderdeel van deze oplossing kunnen zijn:

  • a

    bijscholing en omscholing;

  • b

    tijdelijke tewerkstelling binnen de organisatie al dan niet bovenformatief;

  • c

    een passende of geschikte functie binnen de gemeentelijke organisatie die na de plaatsingsprocedure is ontstaan;

  • d

    tijdelijke detachering naar een externe organisatie;

  • e

    outplacementbegeleiding;

  • f

    een passende of geschikte functie buiten de gemeentelijke organisatie;

  • g

    flankerende maatregelen.

Lid 3

De kosten van flankerende maatregelen, outplacementbegeleiding en bij- en omscholing zijn voor rekening van de werkgever, tot het maximum als genoemd in artikel 10d:9, lid 4 CAR/UWO.

Artikel 5:4 Verplichtingen ambtenaar

Lid 1

Van de ambtenaar wordt verwacht, dat hij in positieve zin meewerkt bij het vinden van vervangende werkgelegenheid en maatregelen gericht op het verkrijgen van vervangende arbeid.

Lid 2

De ambtenaar is verplicht, onverminderd het recht op bezwaar en beroep, een passende functie die hem met inachtneming van een eventuele herplaatsingsprocedure is toegewezen, te aanvaarden.

Lid 3

Wanneer gemotiveerd kan worden vastgesteld dat de ambtenaar na herhaald en zorgvuldig overleg weigerachtig is ten aanzien van aanvaarding van een passende functie of niet meewerkt aan het vinden van een oplossing als bedoeld in artikel 5:3, lid 2, kan het college van burgemeester en wethouders overgaan tot ontslag. Daarbij kan het college melding maken bij de instelling die de Werkloosheidswet uitvoert, dat de betreffende ambtenaar weigert een passende functie te aanvaarden of niet meewerkt aan het vinden van een oplossing als bedoeld in artikel 5:3, lid 2.

Artikel 5:5 Sociaal plan

Als de Ondernemingsraad van mening is dat de privatisering of publiekrechtelijke taakoverheveling zodanige personele gevolgen met zich meebrengt dat hierover aanvullende afspraken moeten worden gemaakt, wordt door de werkgever een aanvullend sociaal plan opgesteld. Over dit sociaal plan moet overeenstemming worden bereikt in de Ondernemingsraad. In het sociaal plan kan niet in negatieve zin worden afgeweken van de bepalingen van dit statuut.

Artikel 5:6 Rechtspositievergelijking

Lid 1

Indien de betrokken ambtenaren overgaan naar een privaatrechtelijke of een andere publiekrechtelijke werkgever waarvoor een afwijkende rechtspositieregeling of CAO geldt, maakt de werkgever een vergelijking tussen de arbeidsvoorwaardenpakketten die van toepassing zijn op de gemeentelijke werkgever en de nieuwe werkgever.

Lid 2

Indien uit de vergelijking blijkt dat het totaalpakket van arbeidsvoorwaarden (bestaande uit in ieder geval salaris, uitkeringen en toelagen, (pre)pensioen, vakantie-uren, ziektekostenregeling en werkloosheidsuitkering) bij de nieuwe werkgever minder is dan het totaalpakket bij de gemeentelijke werkgever, worden in het sociaal plan nadere afspraken gemaakt over afbouw, behoud of compensatie van aanspraken.

Lid 3

Het sociaal plan bevat in ieder geval de volgende garanties:

  • a

    netto-netto garantie van het salaris en het salarisperspectief,

  • b

    ambtenaren die een vaste aanstelling hebben, krijgen bij de nieuwe werkgever een vaste aanstelling dan wel een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zonder proeftijd.

Hoofdstuk 6: Slotbepalingen

Artikel 6:1 Hardheidsclausule

Lid 1

In gevallen waarin toepassing van het sociaal statuut zou leiden tot een onbillijke situatie voor een ambtenaar, kan het college van het statuut afwijken in een voor de ambtenaar gunstige zin.

Lid 2

In gevallen waarin het sociaal statuut niet voorziet, beslist het college.

Artikel 6:2 Citeertitel

Deze regeling kan worden aangehaald als; “Sociaal Statuut gemeente Deurne 2010”.

2.6. Buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand (BABS)

Inhoudsopgave

  • Artikel 1 Begripsomschrijving

  • Artikel 2 Aanstelling

  • Artikel 3 Vergoeding

  • Artikel 4 Aanspraken bij ziekte

  • Artikel 5 Ontslag en schorsing

  • Artikel 6 Overige rechten en verplichtingen

  • Artikel 7 Plichtsverzuim

Artikel 1 Begripsomschrijving

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan:

  • a

    buitengewoon ambtenaar De bezoldigd buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand, zoals bedoeld in het Reglement op de burgerlijke stand.

klik hier voor de toelichting

Artikel 2 Aanstelling

Lid 1

Aanstelling geschiedt in vaste dienst of in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd.

Lid 2

Een aanstelling voor bepaalde tijd eindigt van rechtswege.

Lid 3

In artikel 2, lid 3, van het Reglement burgerlijke stand gemeente Deurne, zijn benoemingsperioden opgenomen voor buitengewone ambtenaren van de burgerlijke stand. Het is mogelijk om kortere aanstellingen te verlenen dan in dit Reglement is opgenomen.

klik hier voor de toelichting

Artikel 3 Vergoeding

Lid 1

De buitengewoon ambtenaar ontvangt een vergoeding per voltrokken huwelijk of geregistreerd partnerschap gelijk aan vijf maal het uurloon behorende bij het hoogste bedrag van schaal 8 van de CAR/UWO.

Lid 2

De vergoeding bedoeld in het eerste lid, wordt opgehoogd met:

  • -

    de vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3, tweede lid, van de CAR/UWO;

  • -

    de eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:18a van de CAR/UWO;

  • -

    de vergoeding van 8,6% ter compensatie van het niet genieten van het vakantieverlof;

klik hier voor de toelichting

Artikel 4 Aanspraken bij ziekte

Lid 1

Bij ziekte van de buitengewoon ambtenaar jonger dan de AOW-gerechtigde leeftijd zijn de artikelen 7:1 tot en met 7:3 (definities, begeleiding en recht op bezoldiging bij ziekte), 7:9 tot en met 7:14 (verplichtingen en sancties) en 7:19 tot en met 7:21 (samenloop doorbetaling salaris en uitkering) van de CAR/UWO van overeenkomstige toepassing.

Lid 2

Voor toepassing van dit artikel wordt onder vergoeding verstaan: het gemiddelde van het totaal aan vergoedingen bedoeld in artikel 3, over de 12 maanden onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van ongeschiktheid van de buitengewoon ambtenaar. Voor zover de ambtenaar op deze datum zijn betrekking functie nog geen 12 maanden heeft vervuld, wordt gerekend met het bedrag dat hem gemiddeld per maand is toegekend over de periode waarin hij in dienst is.

Lid 3

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder de eerste dag van ongeschiktheid van de buitengewoon ambtenaar verstaan: de dag waarop de ambtenaar is aangewezen om een huwelijk of geregistreerd partnerschap te voltrekken, waarvoor hij wegens ziekte is verhinderd.

Lid 4

Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen.

klik hier voor de toelichting

Artikel 5 Ontslag en schorsing

Lid 1

Ontslag kan worden verleend overeenkomstig de artikelen 8:1 (op verzoek), 8:2 en 8:2a (na ouderdomspensioen), 8:3 (wegens reorganisatie), 8:4 en 8:5 (wegens volledige en gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid), 8:6 (wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid), 8:7 en 8:8 (overige ontslaggronden), 8:11 (wegens FPU), 8:12 en 8:12:1 (van rechtswege en tussentijdse ontslag uit tijdelijke aanstelling) en 8:13 (als disciplinaire straf) van de CAR/UWO.

Lid 2

Schorsing van de buitengewoon ambtenaar vindt plaats overeenkomstig artikel 8:15:1 en 8:15:2 van de CAR/UWO.

klik hier voor de toelichting

Artikel 6 Overige rechten en verplichtingen

De artikelen 15:1, 15:1b tot en met 15:1g (verplichtingen rond integriteit), 15:1:12 (vergoeding van schade), 15:1:15 (beoordeling van de ambtenaar),15:1:16 (uniform of dienstkleding), 15:1:19 (verbod betreden arbeidsterrein), 15:1:20 (infectieziekten), 15:1:22 (reis- en verblijfkosten), 15:1:23 tot en met 15:1:25 (vergoeden van schade) en 15:2 van de CAR/UWO zijn van overeenkomstige toepassing.

klik hier voor de toelichting

Artikel 7 Plichtsverzuim

De buitengewoon ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens schuldig maakt aan plichtsverzuim, kan disciplinair worden gestraft, overeenkomstighoofdstuk 16 van de CAR/UWO.

Artikel 2.6.

Artikel 1

De vergoeding voor de werkzaamheden is in het algemeen alleen op medewerkers van buiten de gemeentelijke organisatie van toepassing. De buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand (babs) is een ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet. Omdat de CAR/UWO niet op hem van toepassing is, geldt een afzonderlijke rechtspositieregeling (artikel 125 Ambtenarenwet).

Artikel 2

In artikel 2, lid 3, van het Reglement Burgerlijke Stand van de gemeente Deurne zijn benoemingsperioden opgenomen voor buitengewone ambtenaren van de burgerlijke stand. Hierbij wordt opgemerkt dat het mogelijk is om kortere aanstellingen te verlenen. Een aanstelling kan opnieuw tijdelijk verleend worden. De flexwetbepaling geldt niet omdat de CAR/UWO en het Burgerlijk Wetboek (7:615 BW) niet van toepassing zijn.

Artikel 3

Artikel 125 van de Ambtenarenwet stelt dat voor ambtenaren nadere regels voor de bezoldiging (behouden, wordt zo genoemd in de Ambtenarenwet) moeten worden getroffen. Artikel 3 van deze regeling voorziet hierin. Per huwelijk of geregistreerd partnerschap wordt een vergoeding uitbetaald waarin de vakantietoelage en eindejaarsuitkering zijn verdisconteerd. De berekeningsystematiek is dezelfde als die in de CAR/UWO.

1 januari 2017

Voorbeeld berekening: Op basis van salarispeil 1 januari 2017

Salaris per verrichting

€ 105,54 (= 5 maal 1/156e deel van € 3.293,00 max. 8)

Vakantietoelage

€ 8,44 (8% van € 105,54)

Eindejaarsuitkering

€ 6,33 (6% van € 105,54)

Compensatie vakantie-uren

€ 9,08 (8,6% van € 105,54)

Totaal

€ 129,40 bruto per huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Afkopen niet genoten vakantie

In het vierde lid wordt het recht op vakantie-uren, dat de “normale” medewerker heeft op grond van artikel 6:2 van de CAR, afgekocht door het toekennen van een vergoeding van 8,6%. Vakantieaanspraken worden afgekocht vanwege het oproepkarakter van de werkzaamheden. Het aanspraak maken op wettelijke vakantiedagen in het uurloon is niet meer toegestaan sinds de uitspraak van het Europese Hof van 16 maart 2006. In deze rechtspositieregeling ten behoeve van de babsen is de afkoop van vakantiedagen toch gehandhaafd. Reden daarvoor is dat de babs in verband met zijn hoofdfunctie al gebonden zal zijn aan het opnemen van het wettelijk minimum aan vakantie. In de praktijk zijn babsen bovendien veelal vrij om huwelijken in te plannen.

Artikel 4

De regeling verklaart de CAR/UWO op het punt van doorbetaling bij ziekte van toepassing op de babs jonger dan de AOW-gerechtigde leeftijd. Achtergrond hiervan is het dwingende karakter van de sociale wetgeving die zieke medewerkers (voor zover jonger dan de AOW-gerechtigde leeftijd) rechten en plichten toekent. Eerste dag van ongeschiktheid: in lid 3 is bepaald welke dag als eerste ziektedag geldt. Het is niet de bedoeling dat de babs direct bij aanvang van het ziekteverzuim de vergoeding krijgt doorbetaald, maar pas vanaf het tijdstip dat hij een huwelijk zou sluiten als hij niet ziek was geweest. In de praktijk van de babs is niet altijd duidelijk of en wanneer de eerste ziektedag valt en daarmee op welk moment de doorbetaling bezoldiging vergoeding ingaat, bijvoorbeeld omdat een rooster ontbreekt of dat de babsen zelf voor vervanging zorgen. In een voorkomend geval wordt, afhankelijk van de regelmaat waarmee de babs werkzaamheden verricht, een (fictieve) eerste ziektedag bepaald. Ook het tijdstip van uitbetalen van de doorbetaling bij ziekte wordt in een voorkomend geval nader bezien (bijvoorbeeld per maand, per jaar, na herstel). De babs is verplicht zo spoedig mogelijk zijn verhindering tot werken door te geven; in artikel 6 van deze regeling is artikel 15:1d van de CAR/UWO op de babs van toepassing verklaard. Ook het artikel 7:9 lid 4 (verzuimprotocol) van de CAR/UWO is van toepassing verklaard op de babs.

Artikel 5

De babs wordt geschorst en ontslagen door het college van burgemeester en wethouders (Burgerlijk Wetboek, Boek 1: artikel 16). Artikel 125 van de Ambtenarenwet stelt dat voor schorsing, ontslag en uitkering nadere regels worden getroffen. Er wordt een limitatieve opsomming gegeven van de ontslaggronden voor de babs, onder verwijzing naar de CAR/UWO. Opgemerkt wordt dat ontslag na ouderdomspensioen niet verplicht is. Artikel 8:2 tweede lid en 8:2a bieden de mogelijkheid om een gepensioneerde in dienst te houden dan wel te nemen. Het dienstverband met een gepensioneerde is op grond van artikel 8:2a eenvoudig te beëindigen.

Artikel 6

De rechten en verplichtingen van hoofdstuk 15 van de CAR/UWO worden hier voor een groot gedeelte ook op de babs van toepassing verklaard. Voor de inhoud van de artikelen wordt verwezen naar de CAR/UWO. Enkele opmerkingen hierover:

  • -

    De eed of belofte is niet van toepassing verklaard op de babs omdat eedaflegging reeds op grond van het BW verplicht is.

  • -

    Personeelsbeoordeling is van toepassing omdat in de ontslaggrond onbekwaamheid/ongeschiktheid ander dan’ aan de orde kan zijn. Een beoordeling kan bij toepassing van die ontslaggrond van belang zijn, evenals bij een weigering om opnieuw een aanstelling te verlenen.

  • -

    De vergoeding van kosten bij dienstreizen is van toepassing verklaard.

  • -

    De reguliere bepalingen over schadevergoeding door en aan de ambtenaar zijn van toepassing verklaard. In het algemeen kan gezegd worden dat de gemeente aansprakelijk is voor fouten van ondergeschikten en een zorgplicht heeft ten aanzien van de ondergeschikten zelf. Gemeenten kunnen bij aansprakelijkheid voor schade terugvallen op de aansprakelijkheidsverzekering die persoonsschade, zaakschade en vermogensschade dekt. Onder deze verzekering valt een ruime groep van ondergeschikten van de gemeente, waaronder de babs. Ook valt hieronder de babs die slechts voor één enkele gelegenheid werkzaamheden verricht.

2.7 Paritaire commissie

Inhoudsopgave

  • Artikel 1 Samenstelling commissie

  • Artikel 2 Verantwoordelijkheden

  • Artikel 3 Werkwijze

  • -

    Dit reglement dient ter uitvoering van de bepaling in artikel 10d:23 CAR-UWO

  • -

    De bepalingen in dit reglement hebben landelijke binding voor alle gemeenten.

Artikel 1 Samenstelling commissie

Lid 1

  • 1

    Het college stelt een commissie in als bedoeld in artikel 10d:24 CAR-UWO.

  • 2

    De commissie bestaat uit:

    • -

      een lid, aan te wijzen door het college;

    • -

      een lid, aan te wijzen door de werknemers.

    • -

      een vaste onafhankelijk voorzitter (welke door de 2 andere leden wordt gekozen);

  • 3

    Voor elk lid wordt een plaatsvervanger benoemd.

Lid 2

De commissie wordt bijgestaan door een ambtelijk secretaris.

Artikel 2 Verantwoordelijkheden

Lid 1

De commissie heeft als taak het college desgevraagd te adviseren:

  • a

    over de naleving van tussen het college en de ambtenaar gemaakte afspraken in het kader van het Van werk naar werk-contract;

  • b

    over eventuele verlenging van het Van werk naar werk-contract, zoals bedoeld in artikel 10d:22;

  • c

    over geschillen voortvloeiend uit het Van werk naar werk contract.

Lid 2

Een verzoek om advies als bedoeld in lid 1 kan worden gedaan door of namens het college of door de betrokken ambtenaar.

Lid 3

De commissie brengt een bindend advies uit.

Artikel 3 Werkwijze

Lid 1

De commissie kan belanghebbenden en bij de voorbereiding en uitvoering van het Van werk naar werk-contract betrokkenen horen.

Lid 2

Het college en de betrokken ambtenaar zijn verplicht alle gevraagde informatie te verschaffen aan de commissie.

Lid 3

Vergaderingen van de commissie zijn niet openbaar.

Lid 4

De commissie brengt haar advies schriftelijk uit, binnen vier weken na de aanvraag daartoe.

3 Salaris en vergoedingsregelingen

3 Salaris en vergoedingsregelingen

Inhoudsopgave

  • 3.1. Procedureregeling functiebeschrijving en -waardering

  • 3.2. Beloningsbeleid

  • 3.2.a Dienstgratificatie

  • 3.3. Cafetariamodel

  • 3.4. Overwerk en buitendagvenstervergoeding

  • 3.5. Toelagen

    • 3.5.1. Toelage onregelmatige dienst

    • 3.5.2. Toelage wacht- en consignatiediensten

  • 3.6. Vergoedingen

    • 3.6.1. Vergoeding dienstreizen

    • 3.6.3. Vergoeding stemlokaal (medewerkers)

    • 3.6.4. Piketregeling

    • 3.6.5. Stagevergoeding

  • 3.7. Overige aanspraken/compensaties

    • 3.7.1. Fietsenplan

    • 3.7.2. Parkeren medewerkers en bestuurders

    • 3.7.3. Dienstkleding

    • 3.7.4. Arbo hulpmiddelen

    • 3.7.5. Bedrijfshulpverlening/EHBO

    • 3.7.6. Bedrijfsfitness

    • 3.7.7. Personeelsverzekeringen

3.1. Procedureregeling functiebeschrijving en -waardering

Inhoudsopgave

  • Artikel 1 Definities

  • Artikel 2 Vaststelling functiebeschrijvingen

  • Artikel 3 Vaststelling waarderingen

  • Artikel 4 Vaststelling conversietabel

  • Artikel 5 Voorbereiding indelingsadvies, indelingsbesluit, bezwaar

  • Artikel 6 Nieuwe en gewijzigde taken

  • Artikel 7 Wijziging functiebeschrijvingen

  • Artikel 8 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 1 Definities

  • a

    Functie: Het samenstel van taken en of werkzaamheden dat, afgeleid uit de taakstelling van de organisatie, is opgedragen aan een functiehouder.

  • b

    Functiebeschrijving: De normbeschrijving dan wel de lokale functiebeschrijving die een resultaatgerichte weergave is van aard, overwegend karakter, niveau en complexiteit van taken.

  • c

    Normbeschrijving: De generieke functiebeschrijving zoals opgenomen in het normbestand van HR21. De normbeschrijving is voorzien van een vaste waardering (puntenreeks).

  • d

    Lokale functiebeschrijving: De volgens het format van HR21 lokaal gewijzigde normbeschrijving of toegevoegde (nieuwe) functiebeschrijving.

  • e

    Functiehouder:

    • -

      de medewerker in de zin van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en/of Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) van de gemeente Deurne of

    • -

      de werknemer met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, als bedoeld in artikel 2:5 van de CAR, is aangegaan.

  • f

    Functiewaardering: Het bepalen van de relatieve functiewaarde van een functiebeschrijving aan de hand van de in HR21 vastgelegde waarderingsmethode.

  • g

    Het college: Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Deurne.

  • h

    Directie: De algemeen directeur/gemeentesecretaris en de directeur organisatie.

  • i

    Managementteam: De directie en afdelingshoofden.

  • j

    Externe deskundige: Een door de systeemhouder (VNG) erkend deskundige inzake de ontwikkeling, toepassing en werking van HR21.

  • k

    Gecertificeerde gebruiker: De volgens de normering van de extern deskundige opgeleide lokale gebruiker die geautoriseerd is om te werken met HR21.

Artikel 2 Vaststelling functiebeschrijvingen

Lid 1

De directie selecteert, in samenspraak met de externe deskundige en een gecertificeerde gebruiker, per functie een normbeschrijving uit HR21. Indien de normbeschrijving voor de functie onvolledig is, dan wel een voor de functie dekkende normbeschrijving niet beschikbaar is, wordt een lokale functiebeschrijving opgesteld.

Lid 2

De geselecteerde normbeschrijving(en) en/of lokale functiebeschrijving(en), wordt/worden besproken binnen het managementteam en door directie voorlopig vastgesteld. De voorlopig vastgestelde normbeschrijving(en) en/of lokale functiebeschrijving(en), wordt/worden door de directie ter informatie aangeboden aan de ondernemingsraad (OR).

Lid 3

Indien sprake is van een organisatiebrede functiebeschrijvingssronde, of indien sprake is van een organisatorische verandering zoals bedoeld in artikel 25 lid 1 van de WOR, dan stelt de directie de OR in de gelegenheid advies uit te brengen over de voorgenomen vaststelling van de normbeschrijving(en) en/of lokale functiebeschrijving(en), *. Artikel 25 lid 2 tot en met 6 en artikel 26 WOR zijn in dat geval van overeenkomstige toepassing.

Lid 4

Met inachtneming van het bepaalde in lid 2 of 3, legt de directie de functiebeschrijvingen ter vaststelling voor aan het college. Het college stelt de aldus voor de gemeentelijke functies tot stand gekomen (norm- en lokale) functiebeschrijvingen bij algemeen verbindend voorschrift vast.

Artikel 3 Vaststelling waarderingen

Lid 1

In opdracht van het college worden door de gecertificeerde gebruiker én externe deskundige, aan de hand van de in HR21 vastgelegde functiewaarderingsmethode, alle lokale functiebeschrijvingen gewaardeerd.

Lid 2

De waarderingsresultaten van de lokale functiebeschrijvingen worden ter toetsing aangeboden aan de directie.

Lid 3

De waarderingsresultaten worden opgenomen in een eindadvies functiewaardering aan het college. Het waarderingsadvies bevat in ieder geval:

  • a

    Een motivering, gerubriceerd per invalshoek en dimensie, van de subscores en de totaalscore per lokale functiebeschrijving;

  • b

    Een overzicht van de functiewaarderingsresultaten van alle lokale functiebeschrijvingen;

  • c

    Een gecombineerd overzicht van de functiewaarderingsresultaten van alle geselecteerde normbeschrijvingen en lokale functiebeschrijvingen;

  • d

    Een verslag van de toetsing als bedoeld in lid 2 van dit artikel.

Lid 4

Het college stelt de waarderingen vast met inachtneming van het eindadvies functiewaardering. Afwijking van het advies kan slechts plaatsvinden op basis van zwaarwegende argumenten. Het college stelt de waarderingen van de lokale functiebeschrijvingen en normbeschrijvingen bij.

Artikel 4 Vaststelling conversietabel

Lid 1

Het college stelt op basis van de vastgestelde gemeentelijke salarisstructuur, na verkregen overeenstemming binnen de commissie voor Georganiseerd Overleg, een conversietabel vast. Wijziging van de gemeentelijke salarisstructuur vindt niet plaats zonder overeenstemming binnen de commissie voor Georganiseerd Overleg.

Lid 2

Door middel van toepassing van de vastgestelde conversietabel worden de waarderingen van alle geselecteerde normbeschrijvingen en lokale functiebeschrijvingen omgezet naar functionele schalen.

Artikel 5 Voorbereiding indelingsadvies, indelingsbesluit, bezwaar

Lid 1

De directie adviseert, na overleg met het managementteam en in samenspraak met de externe deskundige en gecertificeerde gebruiker, het college over de indeling van de functies in norm- en/of lokale functiebeschrijvingen.

Lid 2

In geval van een organisatiebrede functiebeschrijvingssronde, of indien sprake is van een ingrijpende organisatorische verandering, wordt het indelingsadvies ter toetsing voorgelegd aan een indelingscommissie. De gecertificeerde gebruiker en/of extern deskundige zijn als adviseur(s) aanwezig bij de vergaderingen van de indelingscommissie. De indelingcommissie bestaat uit:

  • a

    een lid aan te wijzen door het bevoegd gezag, niet zijnde een bestuurder van de gemeente of anderszins werkzaam voor of bij de gemeente;

  • b

    een lid aan te wijzen door de werknemersdelegatie vanuit de commissie voor Georganiseerd Overleg, niet werkzaam bij of voor de gemeente of vaste adviseur van de werknemersdelegatie in de Commissie voor Georganiseerd Overleg;

  • c

    een voorzitter, aan te wijzen door de leden onder a en b.

Lid 3

Het college maakt aan de functiehouder schriftelijk bekend welke (norm- of lokale) functiebeschrijving zij voornemens is op de functie van toepassing te verklaren (indelingsbesluit). In het voorgenomen indelingsbesluit zijn tevens de gevolgen opgenomen voor de inschaling, het salaris en/of de bezoldiging.

Lid 4

De functiehouder wordt in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze over de indeling aan de norm- of lokale functiebeschrijving kenbaar te maken. De termijn voor het kenbaar maken van de zienswijze bedraagt 2 weken na het voorgenomen besluit. De zienswijze wordt schriftelijk en gemotiveerd kenbaar gemaakt aan het college. Het college legt de zienswijze ter advisering voor aan de directie.

Lid 5

De directie brengt binnen 4 weken na het verstrijken van de termijn van lid 4 een advies uit aan het college.

Lid 6

Het college neemt, met in achtneming van de eventuele ingediende zienswijze (lid 4) en het advies van de directie hierop (lid 5), binnen 3 weken een definitief indelingsbesluit. De functiehouder ontvangt een schriftelijk en gemotiveerd besluit in welke functiebeschrijving zijn functie is ingedeeld en welke de gevolgen zijn voor de inschaling, het salaris en/of bezoldiging. Deze mededeling is een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Tegen dit besluit kan de functiehouder schriftelijk en gemotiveerd bezwaar maken bij het college.

Artikel 6 Nieuwe en gewijzigde taken

Lid 1

Indien aan een functiehouder, door of namens directie nieuwe of gewijzigde taken worden opgedragen, dan heroverweegt het college, na en met inachtneming van het advies van de directie, de indeling in de functiebeschrijving.

Lid 2

De directie legt het indelingsadvies uit lid 1 eerst ter advisering voor aan een interne FuWa-indelingscommissie. De gecertificeerde gebruiker en/of extern deskundige zijn als adviseur(s) aanwezig bij de vergaderingen van de indelingscommissie. De indelingscommissie bestaat uit:

  • a

    twee door de directie aan te wijzen afdelingshoofden en/of teamleiders;

  • b

    twee door de OR aan te wijzen leden (toehoorder);

  • c

    één P&O-adviseur

  • d

    een voorzitter, zijnde een lid van de directie

Lid 3

Indien de heroverweging leidt tot een nieuw indelingsbesluit, dan is het bepaalde in artikel 5 (met uitzondering van lid 2) van overeenkomstige toepassing. In het geval dat de heroverweging niet leidt tot een nieuw indelingsbesluit, dan wordt de functiehouder hiervan onverwijld in kennis gesteld.

Artikel 7 Wijziging functiebeschrijvingen

Lid 1

Bij wijziging van de structuur, taken of doelstellingen van de organisatie wordt, onder verantwoordelijkheid van het college, door de directie bezien of de vastgestelde functiebeschrijvingen volledig en/of toereikend zijn. Het selecteren, wijzigen of opstellen van nieuwe functiebeschrijvingen verloopt volgens de procedure als beschreven in artikel 2.

Lid 2

Een verzoek tot heroverweging van de bestaande functiebeschrijvingen kan ook worden ingediend door de OR.

Artikel 8 Overgangs- en slotbepalingen

Lid 1

Het college kan nadere regels stellen omtrent hetgeen in deze procedureregeling is neergelegd voor zover aard en strekking van deze regeling zich daartegen niet verzet. Indien en voor zover bij nadere regels van deze regeling wordt afgeweken, dient hierover voorafgaand instemming te worden gevraagd aan de ondernemingsraad. Het bepaalde in artikel 27 lid 2 t/m 7 WOR is van overeenkomstige toepassing.

Lid 2

In gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid voorziet beslist het bevoegd gezag.

Lid 3

Deze regeling, welke kan worden aangehaald als ‘Procedureregeling functiebeschrijving en –waardering HR21 gemeente Deurne’, treedt terstond in werking na publicatie / bekendmaking dezes en vervangt alle voorgaande regelingen.

Artikel 3.1.

Algemeen

De artikelen in de procedureregeling staan niet in de volgorde waarin het proces bij de implementatie verloopt. Hieronder is weergegeven wat de volgorde is bij het implementatieproces.

Na afronding van het implementatieproces (2014) zal er sprake zijn van onderhoud. Dit staat beschreven in artikel 6 en 7.

 

Implementatieproces

Wie

Artikel

1

Selectie normbeschrijvingen en eventueel opstellen lokale functiebeschrijvingen.

Directie Gecertificeerd gebruiker Extern deskundige

Artikel 2 lid 1

2

Bespreken geselecteerde normfuncties en eventueel opgestelde lokale functiebeschrijvingen

Directie MT

Artikel 2 lid 2

3

Waardering:lokale functiebeschrijvingen (Indien van toepassing, want de normfuncties zijn al gewaardeerd)

College (opdrachtgever) Gecertificeerd gebruiker Extern deskundige

Artikel 3 lid 1

4

Waardering:Toetsing lokale waarderingen (Indien van toepassing)

Directie

Artikel 3 lid 2

5

Waardering:Vaststellen lokale functiewaarderingen

College

Artikel 3 lid 3

6

Omzetten oude functieprofielen naar HR21 normfuncties.

Directie, in overleg met MT Gecertificeerd gebruiker Extern deskundige

Artikel 5 lid 1

8

Bij een organisatiebrede functiebeschrijvingsronde: Indelingscommissie

Indelingscommissie

Artikel 5 lid 2

9

Bij organisatiebrede functiebeschrijvingsronde: normbeschrijvingen en eventueel lokaal opgestelde beschrijvingen (=samen functieboek) ter advies voorleggen aan de Ondernemingsraad

Directie OR

Artikel 2 lid 3

10

Vaststelling van de normbeschrijvingen en lokale functiebeschrijvingen. Waardering:Vaststellen van de normwaarderingen en lokale waarderingen

College

Artikel 2 lid 4 Artikel 3 lid 4

11

Vaststelling conversietabel

College Overeenstemming GO

Artikel 4

12

Voorlopige bekendmaking van het indelingsbesluit

 

Artikel 5 lid 3

13

Zienswijze

 

Artikel 5 lid 4 en 5

14

Definitieve bekendmaking van het indelingsbesluit

 

Artikel 5 lid 6

15

Bezwarenprocedure

 

Artikel 5 lid 6

 

Onderhoud: Nieuwe indeling doen

 

Artikel 6

 

Onderhoud: Nieuwe functiebeschrijving selecteren of maken

 

Artikel 7

Artikel 2

Dit artikel gaat over het selecteren van de HR21 normfuncties (=functieprofielen). Alle normfuncties samen vormen het functieboek van de gemeente Deurne (lid 1). Deze wordt ter advisering voorgelegd aan de Ondernemingsraad (lid 3), dit is alleen van toepassing bij een organisatiebrede beschrijvingsronde. Daarna wordt het functieboek vastgesteld door het college (lid 4). Tijdens het jaarlijkse onderhoud kan blijken dat er nieuwe normfuncties aan het functieboek moeten worden toegevoegd. Als dat van toepassing is, geeft lid 2 aan dat de Ondernemingsraad hierover geïnformeerd moet worden.

Artikel 3

Dit artikel gaat over de procedure als uit HR21 geen normfunctie kan worden geselecteerd en er dus een lokale functiebeschrijving opgesteld én gewaardeerd moet worden. Als er dus geen lokale functies worden beschreven is dit artikel niet van toepassing.

Artikel 4

Alle HR21 normfuncties zijn voorzien van een vast punten aantal. Dit punten aantal wordt vertaald naar een conversietabel. Deze tabel wordt éénmalig met overstemming van het GO vastgesteld door het college. NB de medewerker kan geen bezwaar maken tegen de waardering van een functie.

Artikel 5

Lid 1

Dit lid gaat over de vertaling (=indeling) van de oude functie(profielen) naar de normfuncties HR21. Dit betekent dat er per functie(groep) wordt aangegeven in welke HR21 normfunctie deze is ingedeeld. Bijvoorbeeld:

Oude profiel

HR21 Normfunctie

Dienstverlener A (KCC 1e lijn)

= Medewerker Publiek X

Medewerker Onderhoud

= Medewerker technische uitvoering X

Lid 3 en 4

De medewerker krijgt eerst een voorlopige toewijzing van een HR21 normfunctie. Als hij het met de indeling niet eens is, kan hij binnen 2 weken een zienswijze indienen.

Artikel 6

Nadat HR21 is geïmplementeerd in de gemeente Deurne wordt er onderhoud gepleegd. Dat wil zeggen dat jaarlijks wordt bezien of er aanleiding is om een andere normfunctie toe te wijzen. De leidinggevende doet hiertoe een verzoek aan de directie. De directie legt het verzoek voor aan de interne FuWa-indelingscommissie. Deze commissie adviseert de directie om wel of geen andere HR21 normfunctie toe te wijzen.

Artikel 7

Lid 1

HR21 bevat 105 normfuncties. De gemeente Deurne zal slechts een aantal van deze normfuncties opnemen in haar functieboek. Het is mogelijk dat door allerlei ontwikkelingen de vastgestelde normfunctie niet meer aansluit. Als de FuWa-indelingscommissie tot het advies komt om een andere HR21 normfunctie toe te wijzen, dat niet in het functieboek is opgenomen, dan moet de procedure in artikel 2 worden gevolgd.

Lid 2

De OR kan een beroep doen op dit artikel als zij van menig is dat vanwege een wijziging in structuur, taken en doelstelling op organisatorisch niveau een heroverweging moet plaats vinden. Dit is dus niet van toepassing op functie- en/of individueel niveau. Hierin voorziet artikel 6.

3.2 Beloningsbeleid

Inhoudsopgave

  • Beloningsbeleid Inpassen en Belonen gemeente Deurne

    • 1. Vaststellen salaris

    • 2. Salarisverhogingen (incl. niet toekenning)

    • 3. Inpassingsafspraken

    • 4. Uitloopschaal

    • 5. Garantietoelage

    • 6. Gedifferentieerd belonen

    • 7. Hardheidsclausule

    • 8. Vaststelling

Beloningsbeleid Inpassen en Belonen gemeente Deurne

Per 1-1-2016 wordt het nieuwe hoofdstuk 3 CAR ingevoerd. Dit hoofdstuk is voor alle gemeenten bindend en heeft een standaard karakter. Dit betekent dat er geen afwijkingen mogelijk zijn ten voordele of ten nadele van de medewerker. Echter op basis van een aantal “kan”-artikelen kan het college nadere regels stellen. Deze zijn opgenomen in deze beleidsnotitie. Het gaat o.a om afspraken over de wijze van inpassing, bevordering en individuele beloning.

In deze beleidsnotitie staan alle per 1-1-2016 geldende lokale afspraken rondom beloning bij elkaar. Hierbij zijn de oude afspraken zo veel als mogelijk overgenomen. De oude “regelingen” waarin vergelijkbare afspraken waren vastgelegd zijn per 1-1-2016 vervallen.

1. Vaststellen salaris

Artikel 3:3 CAR regelt het vaststellen van het salaris en de mogelijkheid om iemand in de aanloopschaal te plaatsen.

Beleid Deurne:

Alle functie binnen de gemeente Deurne hebben een HR21 normfunctie toegewezen gekregen. De taken van de betreffende functie bepalen de HR normfunctie. De gemeente Deurne kiest niet voor een indeling op junior – medior – senior niveau. Dit zegt namelijk meer over het niveau van de medewerker dan het niveau en de aard van de taken. De inschaling daarentegen wordt wel bepaald door het niveau (opleiding, ervaring en bekwaamheid) van de medewerker.

Inschaling

Een medewerker die nieuw indienst treedt, dan wel een andere voor hem een nieuwe functie gaat vervullen, wordt geplaatst in de aanloopschaal. De aanloopschaal is één schaal lager dan de functieschaal.

Als de nieuwe medewerker bij indiensttreding voldoet aan alle functie-eisen (o.a. opleiding, ervaring en bekwaamheid) dan kan hij direct in de functieschaal worden geplaatst. De inpassing in de periodiek is onderhandelingsruimte (o.a. op basis van huidige salaris).

Inpassing bij indiensttreding in de uitloopschaal valt onder 4. Garantietoelage.

Schoolverlaters

Voor het evenwicht in de organisatie wordt geprobeerd, daar waar mogelijk, om schoolverlaters een kans te geven om in te stromen. Schoolverlaters hebben vaak alleen een opleiding afgerond en weinig tot geen relevante werkervaring voor de functie. Zij voldoen daarmee niet aan de functie-eisen en krijgen een leertraject aangeboden om hen op het gewenste niveau te brengen.

Als er sprake is van grote afstand tot de functie, waardoor er fors geïnvesteerd moet worden in begeleiding en opleiding (zowel in tijd als middelen) dan wordt het salaris vastgesteld in de schaal gelegen onder de aanloopschaal. Bij de aanstelling worden vervolgens afspraken gemaakt hoe de medewerker kan doorgroeien naar de aanloop- dan wel functieschaal.

1e jaar indienst

In het eerste jaar (in de nieuwe functie of indienst) worden 2 functioneringsgesprekken en een beoordelingsgesprek gevoerd om de ontwikkeling van monitoren. Het beoordelingsgesprek fungeert tevens om:

  • -

    te bepalen of de (eventuele) tijdelijke aanstelling wordt opgezet in een vaste aanstelling.

  • -

    of medewerker bevorderd kan worden naar de aanloop- of functieschaal (afhankelijk van de inschaling).

2. Salarisverhogingen (incl. niet toekenning)

Artikel 3:4 CAR regelt de salarisverhogingen. Binnen Deurne is dat als volgt:

A. Extra periodieke verhoging

Een extra periodiek wordt toegekend op grond van zeer goede of uitstekende vervulling van de functie, vastgesteld op basis van een beoordeling.

B. Bevordering naar een hogere salarisschaal

Op basis van een beoordeling wordt bepaald of de medewerker die aangesteld is in een lagere schaal dan de functieschaal bevorderd kan worden naar de functieschaal. Uitgangspunt is dat hij voldoet aan alle aan de functie gestelde eisen.

C. Geen periodieke verhoging bij onbetaald verlof

De periodieke verhoging (artikel 3:4 CAR-UWO) wordt opgeschort met de tijd, doorgebracht met (100%) onbetaald verlof:

  • -

    indien de periode van onbetaald verlof 6 maanden of langer duurt.

  • -

    indien de periode van onbetaald verlof korter is dan 6 maanden. In deze gevallen wordt een afspraak gemaakt of deze tijd meegenomen wordt of niet.

D. Geen periodieke verhoging bij ziekte > 6 maanden

Bij een verhindering, langer dan 6 maanden, wegens volledige ziekte zoals bedoeld in hoofdstuk 7 CAR/UWO zal de periodieke verhoging zoals genoemd in artikel 3:4 CAR-UWO niet worden toegekend.

Toelichting ziekte

Op grond van artikel 7:8:2 CAR wordt de periodieke salarisverhoging tijdens ziekte in een lokale regeling uitgewerkt.

Dit artikel is van toepassing op medewerkers die 6 maanden of meer volledig (100 %) ziek zijn. De datum van de periodieke verhoging is het uitgangspunt om te bepalen of er sprake is van ziekte over een periode van 6 maanden.

Uitgangspunt bij de toekennen van een periodieke verhoging is opgenomen in artikel 3:4 CAR-UWO, namelijk dat een medewerker voldoende functioneert. Het functioneren van een medewerker die langdurig ziek is kan niet beoordeeld worden.

3. Inpassingsafspraken

Artikel 3:6 CAR regelt in inpassing naar een hogere schaal.

Het beleid van de gemeente Deurne is dat de inpassing als volgt tot stand komt:

Medewerker heeft nog niet het maximum van de salarisschaal bereikt:

  • a

    het nieuwe salaris wordt vastgesteld op het bedrag in de nieuwe schaal gelegen onmiddellijk boven het salaris dat de medewerker in de oude schaal had.

  • b

    Het nieuwe salaris moet meer bedragen dan 75% van het verschil tussen het oude salaris en het nieuwe salaris. Is het verschil kleiner dan 75% dan wordt de medewerker ingeschaald in de volgende periodiek.

De medewerker heeft het maximum van zijn salarisschaal bereikt:

  • a

    het nieuwe salaris wordt vastgesteld op het bedrag in de nieuwe schaal gelegen onmiddellijk boven het salaris dat de medewerker in de oude schaal had en tenminste € 45,- of meer bedraagt (bij een fulltime dienstverband).

4. Uitloopschaal

Artikel 3:7 CAR geeft aan dat gemeentes een uitloopschaal kunnen hanteren. Deurne heeft daaraan de volgende voorwaarden en regels gesteld:

De medewerker die op het maximum van zijn functieschaal zit en meerdere jaren bovengemiddeld functioneert wordt naar de uitloopschaal bevorderd. Het bovengemiddeld functioneren moet blijken uit beoordelingen. De toekenning van de volgende periodiek in de uitloopschaal berust op dezelfde gronden: er moet wederom sprake zijn van bovengemiddeld functioneren. Schaal 13 is de hoogste uitloopschaal.

5. Garantietoelage

Artikel 3:15 CAR biedt de mogelijkheid tot de toekenning van een garantietoelage.

Binnen Deurne wordt de garantie toelage in de volgende situatie toegepast:

  • -

    Bij indiensttredingIndien op basis van onderhandeling een nieuwe medewerker niet ingepast kan worden in de functieschaal, maar wel in de uitloopschaal dan wordt het verschil (max. functieschaal en inpassing uitloopschaal) onder gebracht in een garantietoelage. De garantietoelage komt te vervallen als de medewerker bevorderd wordt naar de uitloopschaal.

  • -

    FunctiewaarderingAls door functiewaardering een functie lager wordt gewaardeerd dan wijzigt het salaris van de medewerker niet, wel de inpassing. Het verschil tussen de nieuwe inpassing (vaak de nieuwe functieschaal) en het oude salaris wordt ondergebracht in een garantietoelage. De garantietoelage is gebonden aan de functie die de medewerker op dat moment vervult. Bij een verandering van functie (niet zijnde herplaatsing) komt de garantietoelage te vervallen.

  • -

    Maatwerk

6. Gedifferentieerd belonen

In artikel 3:20 CAR wordt de mogelijkheid geboden om (een) medewerker(s) een eenmalige beloning toe te kennen.

De gemeente Deurne kent de volgende categorieën:

  • a

    Incentives Het gaat hierbij om situaties waar de leidinggevende vindt dat de medewerker iets extra’s verdient. De incentives zijn bedoeld als “boter bij de vis” en worden gegeven in de vorm bijvoorbeeld bloemen, bonbons of een andere geschenk (tot € 25,- ivm werkkostenregeling) of in de vorm van bonnen (NB vallen in vrije ruimte werkkostenregeling).

  • b

    Extra werkzaamheden, bijzondere inzet etc.Het gaat hierbij om niet reguliere werkzaamheden, inzet, etc., waarvoor (ook) andere vaardigheden nodig zijn. De eenmalige beloning is afhankelijk van inzet, duur etc en bedraagt maximaal € 1.000,- netto

Indien de leidinggevende vindt dat er aanleiding is voor een gedifferentieerde beloning doet hij een voorstel aan de directie.

7. Hardheidsclausule

Daar waar de artikelen uit hoofdstuk 3 CAR en de aanvullende beleidsafspraken uit deze notitie niet voorzien in voorkomende situaties, worde afspraken gemaakt in de lijn met deze notitie. De bevoegdheid ligt bij de directie en met inachtneming van het advies van de P&O-adviseur.

8. Vaststelling

Over de inhoud van deze notitie is op 10 december 2015 overeenstemming bereikt met het Georganiseerd Overleg en is vastgesteld met terugwerkende kracht tot 1-1-2016 door het college op 6 juni 2016.

3.2.a Dienstgratificatie

Artikel 1 Dienstgratificatie gemeente Deurne

Dit artikel is alleen van toepassing op medewerker in dienst van de gemeente Deurne op 31-12-2015 én die hun dienstjubileum (= 25 of 40 jaar Deurne) bereiken vóór 31-12-2020. Vanaf 1-1-2021 komt dit artikel te vervallen.

Lid 1

De ambtsjubileumgratificatie zoals bedoeld in artikel 3:19 CAR/UWO wordt verdubbeld indien de medewerker uitsluitend dezelfde tijd bij de gemeente Deurne werkzaam is geweest.

Lid 2

Indien de medewerker eerder een gratificatie heeft ontvangen, als bedoeld in artikel 3:19 CAR/UWO mag de totale gratificatie niet meer bedragen dan het totale bedrag zoals bedoeld in lid 1.

Lid 3

De medewerker komt ook voor deze gratificatie in aanmerking wanneer hij binnen vijf jaar na ontslag wegens:

  • -

    re-organisatie (behoudens als er sprake is van een actueel sociaal plan);

  • -

    arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;

een dienstjubileum zou vieren. De hoogte van de gratificatie is afhankelijk van het aantal dienstjaren en wordt naar evenredigheid (naar rato) berekend. (b.v. 23 jaar gewerkt voor Deurne betekent een gratificatie van 23/25ste van het maandsalaris + vakantietoeslag en eventuele salaristoeslagen (zie artikel 3:19 lid 2 CAR).Dit recht vervalt als het jubileum valt na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Lid 4

Bij gedeeltelijk ontslag (lid 3) wordt de proportionele ambtsjubileumgratificatie berekend naar rato van het aantal uren waarvoor ontslag wordt verleend.

Artikel 3.2.a

Artikel 1, Lid 3

Een medewerker is van rechtswege ontslagen als hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Bij de toepassing van dit artikel wordt gekeken of de medewerker zijn jubileum had gehaald indien hij in dienst was gebleven tot zijn AOW-gerechtigde leeftijd. Deze leeftijd moet liggen voor 31-12-2016

Een voorbeeld:

Mevrouw Jansen wordt ontslagen vanwege een reorganisatie op 1 januari 2014. Mevrouw Jansen bereikt op 1 juli 2014 haar AOW-gerechtigde leeftijd en zou haar 25 jaar jubileum vieren op 1 juli 2015.

In dit geval maakt mevrouw Jansen geen aanspraak op de gratificatie omdat, als zij in dienst was gebleven tot haar AOW-gerechtigde leeftijd (1 juli 2014), zij ook niet haar 25 jaar jubileum had gehaald op 1 juli 2015.

Uitwerking van artikel 1 Dienstgratificatie

In deze uitwerking wordt vastgelegd hoe de berekening van de gratificatie plaats vindt in die gevallen waarbij het ambtsjubileum niet gelijktijdig met het dienstjubileum wordt gevierd. Deze uitwerking is bedoeld om uniformiteit in toekenningen van gratificaties te waarborgen.

Bijvoorbeeld:

  • Het 25-jarig ambtsjubileum (=overheid) wordt gevierd in 2006

  • en het 25-jarig dienstjubileum (= Deurne) wordt gevierd in 2013.

Berekening gratificatie ambtsjubileum artikel 3:19 CAR = overheid

Bruto maandsalaris jubileummaand 2006:

 

 

Vakantietoelage over dit bedrag (8%):

 

+/+

Eventuele salaristoelagen (conform artikel 1:1) in de betreffende maand

_______

+/+

Totaal:

 

bruto

Af: de helft van het totaal

_______

-/-

Toe te kennen bruto ambtsgratificatie

 

bruto

De medewerker heeft recht op de helft van het maandsalaris, vakantietoeslag en eventuele salaristoelage in die maand van één maand = 50% De toe te kennen bruto ambtsgratificatie wordt netto uitbetaald.

Berekening gratificatie dienstjubileum = Deurne

Bruto maandsalaris jubileummaand 2013:

 

 

Vakantietoelage over dit bedrag (8%):

 

+/+

Eventuele salaristoelagen (conform artikel 1:1) in de betreffende maand

_______

+/+

Totaal:

 

bruto

Af: reeds ontvangen bruto ambtsgratificatie

_______

-/-

Toe te kennen bruto gratificatie dienstjubileum (=Deurne)

 

bruto

De toe te kennen bruto gratificatie dienstjubileum wordt netto uitbetaald maar is begrensd tot het maximum van het bedrag van het maandsalaris dat de medewerker ontvangt op het moment van het 25 jarig ambtsjubileum. Over het (eventuele) meerdere wordt belasting ingehouden. Dit is een richtlijn van de belastingdienst waar wij ons aan moeten houden (diensttijduitkeringen of –verstrekkingen).

Voorbeeld in cijfers:

Berekening gratificatie ambtsjubileum 2006

Berekening gratificatie ambtsjubileum artikel 3:19 CAR = overheid

Bruto maandsalaris jubileummaand 2006:

1.155,00

bruto

Vakantietoelage over dit bedrag (8%):

92,40

+/+ bruto

Eventuele salaristoelagen (conform artikel 1:1) in de betreffende maand

0,00

+/+ bruto

Totaal:

1.247,40

bruto

Af: de helft van het totaal

623,70

-/- bruto

Toe te kennen bruto ambtsgratificatie

623,70

Bruto voor netto

Berekening gratificatie dienstjubileum 2013

Berekening gratificatie dienstjubileum = Deurne

Bruto maandsalaris jubileummaand 2013:

1.246,59

 

Vakantietoelage over dit bedrag (8%):

99,73

+/+

Eventuele salaristoelagen (conform artikel 1:1) in de betreffende maand

0,00

+/+

Totaal:

1.346,32

bruto

Af: reeds ontvangen bruto ambtsgratificatie

625,00

-/-

Bruto gratificatie dienstjubileum (=Deurne)

721,32

bruto

Reeds netto uitbetaald (in 2006)

625,00

-/- bruto voor netto

Resteert:

96,32

bruto

Af: inhouding bijvoorbeeld belastingtarief 42%

40,45

-/-

Netto uit betalen:

55,87

 

Totaal te ontvangen € 625,- + € 55,87,-

680,87

netto

3.3. Uitvoeringsregeling Individueel Keuzebudget (IKB)

Inhoudsopgave

  • Artikel 1 Bestedingsdoelen

Formulieren

  • Uitruil woon-werkverkeer

  • Uitruil woon-werkverkeer (toelichting)

Artikel 1 Bestedingsdoelen

Lid 1

Het IKB kan ingezet worden voor de (landelijke) doelen zoals genoemd in artikel 3:29 lid 1 CAR.

Lid 2

Het IKB kan tevens ingezet worden voor de volgende lokale doelen (zie artikel 3:29 lid 2 CAR):

  • -

    fiets, zoals bedoeld in hoofdstuk 3 LAR; § 3.7.1

  • -

    vakbondscontributie;

  • -

    bedrijfsfitness, zoals bedoeld in hoofdstuk 3 LAR; § 3.7.6

  • -

    uitruil woonwerkverkeer

3.4. Overwerk en (buitendagvenster toelage)

Inhoudsopgave

  • Artikel 1 Overwerk

  • Artikel 2 Buitendagvenstervergoeding

Artikel 1 Overwerk

Lid 1

De medewerkers zoals genoemd in § 4.1. Werktijden artikel 2a LAR Deurne kunnen alleen aanspraak maken op een overwerkvergoeding conform artikel 3:18 CAR-UWO.

Lid 2

Er is alleen sprake van overwerk indien de medewerker, genoemd in lid 1, daartoe van zijn leidinggevende expliciet een (dienst)opdracht heeft ontvangen. De leidinggevende geeft daarbij vooraf aan dat wanneer reguliere compensatie niet mogelijk is, er dan sprake is van overwerk.

Artikel 2 (Buitendagvenster toelage)

Conform artikel 3:12 CAR-UWO ontvangen medewerkers die onder de standaardregeling vallen een (buitendagvenster toelage) als zij expliciet een (dienst) opdracht van hun leidinggevende hebben gekregen om werkzaamheden te berichten buiten het dagvenster (zoals vastgelegd in artikel 4:2 CAR-UWO).

3.5. Toelagen

Inhoudsopgave

  • 3.5.1. Toelage onregelmatige dienst

  • 3.5.2. Toelage wacht- en consignatiediensten

3.5.1. Toelage onregelmatige dienst

Inhoudsopgave

  • Artikel 1 Begripsbepaling

  • Artikel 2 Toelage onregelmatige dienst

Formulieren

  • Declaratieformulier bodes (diverse vergoedingen)

  • Declaratieformulier onregelmatigheidsvergoeding

Artikel 1 Begripsbepaling

  • a

    Rooster:Een voor de medewerker door zijn leidinggevende vastgesteld rooster van vaste en/of wisselende werktijden.

  • b

    Brugdag:Door de gemeentesecretaris mag op jaarbasis maximaal 6 werkdagen als brugdag worden aangewezen. Aanwijzing vindt plaats voor het daarop volgende kalenderjaar na instemming door de Ondernemingsraad (zie ook § 4.2 artikel 5 LAR).

Artikel 2 Toelage onregelmatige dienst

Lid 1

Het recht op een Toelage onregelmatige dienst geldt alleen voor medewerkers zoals genoemd in § 4.1. Werktijden artikel 2a LAR Deurne.

Lid 1a

Er is sprake van een onregelmatige dienst als volgens het rooster de werktijden van een medewerker, genoemd in lid 1, vallen buiten de periode van:

  • -

    Maandag t/m vrijdag 08:00 – 18:00 uur en/of

  • -

    Zaterdag en Zondag

De medewerker ontvangt hiervoor een toelage onregelmatige dienst conform artikel 3:11 CAR.

Artikel 3.5.1.

Toelichting artikel 2 lid 1 en 1a

De toelage onregelmatige dienst is alleen van toepassing op de bodes en de sporthalbeheerders. De medewerkers van de buitendienst hebben géén rooster die voldoet aan lid 1a, namelijk vóór 07:00 uur, ná 18:00 uur of in de weekenden. Het rooster van de medewerkers van de buitendienst is vastgelegd in § 4.1 Werktijden artikel 3 LAR Deurne.

Toelichting artikel 2

Er dient onderscheid gemaakt te worden tussen zondagen in de zin van artikel 4:5 CAR/UWO (regeling werktijd: maximaal 26 zondagen werken per jaar) én de vergoedingsregelingen (hoofdstuk 3 CAR/UWO). In artikel 4:5 CAR/UWO wordt aangegeven dat lokale feestdagen (Carnaval 2x, 5 mei en Goede Vrijdag, § 4.2 artikel 4) voor de regeling van de werktijd beschouwd worden als een zondag. Dat betekent dat in principe op een lokale feestdag niet gewerkt wordt. Gelijkstelling met een zondag betekent echter niet dat een vergoeding op een lokale feestdag gelijk gesteld wordt met een vergoeding op zondag. Dat is immers niet in hoofdstuk 4 (Arbeidsduur en werktijden) CAR/UWO geregeld, maar in hoofdstuk 3 (Salaris vergoedingen, toelagen en uitkeringen) CAR/UWO.Als er volgens rooster werkzaamheden worden verricht op lokale feestdagen, dan hangt het af van het tijdstip waarop de werkzaamheden worden verricht of er sprake is van een toelage onregelmatige dienst. Voor een eventuele vergoeding wordt aansluiting gezocht bij artikel 3:11 CAR. Brugdagen zijn werkdagen (maandag t/m vrijdag), waarvoor de medewerker zelf verlof moet inleveren. Werken op brugdagen valt niet onder artikel 4:5 lid 3 en 4 CAR/UWO en daarmee is sprake van een reguliere werkdag. Overigens hoeft degene die geacht wordt te werken geen verlof in te leveren. Of er sprake is van een toelage onregelmatige dienst, hangt af van het tijdstip waarop de werkzaamheden worden verricht. Voor een eventuele vergoeding wordt aansluiting gezocht bij artikel 3:11 CAR.

3.5.2. Toelage beschikbaarheidsdienst

Inhoudsopgave

  • Artikel 1 Begripsbepalingen

  • Artikel 2 Deelname aan beschikbaarheidsdiensten

  • Artikel 3 Toelage beschikbaarheidsdienst

  • Artikel 4 Oproep vergoeding

  • Artikel 5 Reistijd- en kilometervergoeding bij beschikbaarheidsdienst

  • Artikel 6 Toelage bij ontheffing wacht- of consignatiedienst

Formulieren

  • Formulier wacht- en consignatiedienst

  • Declaratieformulier bodes

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • a

    Medewerker De medewerker die op grond van artikel 2:1B tweede lid, sub c van de CAR/UWO wordt verplicht zich buiten de voor zijn functie vastgestelde werktijden ter beschikking te houden voor beschikbaarheidsdienst.

  • b

    Beschikbaarheidsdienst De bereikbaarheid van een medewerker buiten de normale werkuren voor meldingen of oproepen en tevens de beschikbaarheid om, indien noodzakelijk, als gevolg van de melding of oproep op de plaats van tewerkstelling werkzaamheden te verrichten.

  • c

    Melding Een binnenkomende mededeling (kennisgeving) over een gebeurtenis, geconstateerde waarneming of een geconstateerd feit, meestal in de vorm van een klacht of noodsignaal.

  • d

    Wachtdienstmedewerker De medewerker die gedurende de beschikbaarheidsdienst bereikbaar dient te zijn voor alle meldingen en die, indien noodzakelijk, binnen een uur na binnenkomst van de desbetreffende melding een aanvang met zijn werkzaamheden maakt op de plaats van tewerkstelling en/of die naar aanleiding van deze melding de noodzakelijke maatregelen treft inzake organisatie, inzet van personeel, inschakeling derden en administratie.

  • e

    Consignatiemedewerker De medewerker die gedurende de beschikbaarheidsdienst bereikbaar dient te zijn en zich beschikbaar dient te houden om, na oproep door de wachtdienstmedewerker, binnen een uur nadat hij is opgeroepen op de gemeentewerf (medewerker onderhoud) of gemeentehuis (bode) een aanvang te maken met de noodzakelijke werkzaamheden ter oplossing van een melding.

  • f

    Basisvergoeding De vergoeding per uur voor het bereikbaar en/of beschikbaar zijn voor de beschikbaarheidsdienst.

  • g

    Oproepvergoeding De vergoeding per uur voor het moeten uitvoeren van werkzaamheden als gevolg van een melding, gerekend vanaf het moment dat de medewerker zich vanaf zijn woonadres naar de plaats van tewerkstelling, de gemeentewerf of het gemeentehuis begeeft tot aan zijn thuiskomst.

  • h

    Brugdag Door de gemeentesecretaris mag op jaarbasis maximaal 6 werkdagen als brugdag worden aangewezen. Aanwijzing vindt plaats voor het daarop volgende kalenderjaar na instemming door de Ondernemingsraad.

Artikel 2 Deelname aan beschikbaarheidsdiensten

Lid 1

Iedere medewerker kán verplicht worden deel te nemen aan beschikbaarheidsdiensten ingevolge artikel 2:1B lid 2 sub c CAR/UWO.

Lid 2

De medewerker uit het team onderhoud en toezicht of met de functie van opzichter en toezichthouder of bode is verplicht deel te nemen aan beschikbaarheidsdiensten.

Lid 3

Voor beschikbaarheidsdiensten wordt door de leidinggevende jaarlijks een rooster opgesteld, zodat de medewerker vooraf inzicht heeft in welke periode hij zich beschikbaar dient te houden.

Lid 4

De leidinggevende kan na overleg met betrokkene(n) in het opgemaakte rooster wijzigingen aanbrengen.

Artikel 3 Toelage beschikbaarheidsdienst

Lid 1

De vergoeding voor beschikbaarheidsdienst is conform artikel 3:13 CAR (toelage beschikbaarheidsdienst).

Lid 2

De toelage beschikbaarheidsdienst is gebaseerd op een fulltime dienst verband en wordt als volgt berekend:

  • -

    Voor degene met een werkrooster met gemiddeld 36 uur het aantal uren van de week (7 x 24) minus 36 uur.

  • -

    Voor degene met een werkrooster van 40 uur, het aantal uren van de week (7 x 24) minus 40 uur.

Over de overige uren wordt een percentage berekend.

Lid 3

Als er sprake is van een brugdag of lokale feestdag kunnen zich 2 situaties voordoen:

  • a

    De medewerker zit thuis en houdt zich beschikbaar. De toelage beschikbaarheidsdienst voor deze dag wordt beschouwd als een zondag. Dit is een lokale afwijking ten opzichte van de hoofstukken 3 en 4 van de CAR/UWO.

  • b

    De medewerker moet volgens rooster werkzaamheden verrichten. De toelage beschikbaarheidsdienst voor deze dag wordt beschouwd als een werkdag.

Artikel 4 Oproep vergoeding

Lid 1

De medewerker die wordt opgeroepen tijdens zijn beschikbaarheidsdienst ontvangt hiervoor een oproepvergoeding.

Lid 2

De oproepvergoeding voor medewerkers zoals genoemd in § 4.1. Werktijden artikel 2a LAR Deurne is gebaseerd op artikel 3:18 CAR-UWO (overwerkvergoeding).

Lid 3

De oproepvergoeding voor de overige medewerkers is overeenkomstig artikel 3:13 én 3:12 CAR-UWO (buitendagvenstertoelage).

Lid 4

De medewerker uit lid 2 kan ervoor kiezen om het overwerk in tijd danwel in geld te laten uitbetalen. Indien hij kiest voor opnemen van het verlof doet hij dit binnen twee weken nadat het overwerk heeft plaatsgevonden. Het andere gedeelte van de vergoeding zoals genoemd in artikel 3:18 van de CAR/UWO (toeslagpercentage) wordt altijd uitbetaald.

Lid 5

Als de medewerker wordt opgeroepen op een dag die door de gemeentesecretaris of teamleider Toezicht en onderhoud is aangewezen als een:

  • a

    brugdag

  • b

    (verplichte) verlofdag voor de buitendienst

  • c

    lokale feestdag

wordt de oproepvergoeding voor deze dag uitbetaald overeenkomstig de oproepvergoeding op respectievelijk een maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag;Klik hier voor de toelichting.

Lid 6

In afwijking van het bepaalde in lid 4, kan de leidinggevende bij bijzondere omstandigheden bepalen dat de medewerker het verlof aansluitend aan zijn dienst moet opnemen dan wel dat de medewerker het verlof krijgt uitbetaald.

Artikel 5 Reistijd- en kilometervergoeding bij beschikbaarheidsdienst

Lid 1

Voor de afstand die de medewerker moet afleggen om naar de plaats van tewerkstelling, de gemeentewerf of het gemeentehuis te gaan en vice versa, ontvangt hij, gerekend vanaf zijn woonadres, een kilometervergoeding conform de regeling vergoeding reis- en verblijfskosten.

Lid 2

De in het voorgaande lid genoemde vergoeding is niet van toepassing indien de medewerker gebruik maakt van een dienstauto.

Artikel 6 Toelage bij ontheffing beschikbaarheidsdienst

Lid 1a

Dit artikel is alleen van toepassing op medewerkers van het team Onderhoud en Toezicht of medewerkers met de functie van opzichter en toezichthouder. Voor medewerkers van de functie van bode geldt onverkort artikel 3:16 CAR.

Lid 1

Het college kan ambtshalve of op verzoek van het bepaalde in artikel 2 lid 1 en 2 geheel of gedeeltelijk ontheffing van deelname aan de beschikbaarheidsdienst verlenen in de volgende gevallen:

  • a

    indien hiervoor medische gronden aanwezig zijn;

  • b

    indien de medewerker de 62-jarige leeftijd heeft bereikt;

  • c

    indien er omstandigheden zijn waarbij deelname aan beschikbaarheidsdienst redelijkerwijs niet van de medewerker kan worden gevergd;

  • d

    indien hij 25 jaar onafgebroken consignatiedienst heeft verricht.

klik hier voor de toelichting

Lid 2

Als de medewerker aan de voorwaarden (artikel 1 lid 1) voldoet wordt aan hem ontheffing verleend en tegelijkertijd kan hij een afbouwtoelage ontvangen conform artikel 3:16 CAR.

Lid 5

De beëindigingstoelage wordt eenmalig en ineens uitgekeerd.

Artikel 3.5.2.

Artikel 3

Lid 3 sub a

Lokaal is de afspraak gemaakt dat de basisvergoeding op brugdagen en lokale feestdagen gelijk wordt gesteld met een zondag. De reden hiervoor is dat de medewerker wordt beperkt in zijn bewegingsvrijheid tijdens deze verlofdagen en daarom een vergoeding krijgt van 10% per uur.

Lid 3 sub b

De medewerker die wordt ingeroosterd om reguliere werkzaamheden te verrichten op een brugdag of lokale feestdag krijgt de normale vergoeding van 5%. Deze medewerker weet immers van te voren dat hij werkzaamheden moet verrichten en zit niet thuis te wachten tot hij eventueel wordt opgeroepen.

Lid 4

Bij de berekening van de basisvergoeding worden de reguliere werkuren (36 uur voor de binnendienst en 36 plus 4 uur compensatieverlof= 40 uur voor de buitendienst) buiten beschouwing gelaten. Over de overige uren van de week wordt een vaste toelage berekend en uitbetaald.

Artikel 4

Lid 2

Alleen medewerkers met bijzondere werktijden (artikel 4:3 CAR-UWO) kunnen nog aanspraak maken op een overwerkvergoeding (artikel 3:18 CAR-UWO).

Lid 3

Medewerkers die vallen onder standaard regeling werktijden (=regelruimte) die tijdens hun wachtdienst worden opgeroepen ontvangen een oproepvergoeding op basis van de (buitendagvenstertoelage) (artikel 3:12 CAR). In artikel 3:13 is opgenomen:De ambtenaar die valt onder de standaardregeling en die aangewezen is voor het verrichten van beschikbaarheidsdiensten als bedoeld in artikel 2:1B, tweede lid, onderdeel c, heeft over de uren buiten het dagvenster dat hij daadwerkelijk arbeid verricht recht op een (buitendagvenstertoelage).

Artikel 4:2 CAR bevat de reikwijdte van het dagvenster: maandag tot en met vrijdag tussen 7:00 en 22:00 uur. Dit betekent dat alleen werkzaamheden buiten het dagvenster voor een extra vergoeding in aanmerking komen. Buiten het dagvenster vallen:Maandag tot en met vrijdag vóór 07:00 of na 22:00 uur (vergoeding 50%) Zaterdag (vergoeding 75%) Zondag (vergoeding 100%).

Lid 4

Wanneer de medewerker als gevolg van een melding werkzaamheden moet gaan verrichten, dan ontvangt hij daarvoor een oproepvergoeding. De tijd hiervoor gaat lopen vanaf het moment dat hij zich vanaf zijn woonadres naar de plaats van tewerkstelling, de gemeentewerf of het gemeentehuis begeeft en stopt op het moment dat hij weer thuiskomt.Deze oproepvergoeding bestaat uit:

  • -

    verlof gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk;

  • -

    en een toeslagpercentage.

De medewerker heeft de keuze uit opname of uitbetaling van het onder één genoemde verlof. Opname hiervan dient hij op een zo vroeg mogelijk tijdstip (binnen twee weken na afloop van de beschikbaarheidsdienst te doen. In afwijking hiervan kan de leidinggevende bij bijzondere omstandigheden bepalen dat de medewerker, wanneer bijvoorbeeld de uren van de consignatiedienst overlopen in de uren van het reguliere werkrooster (zoals het geval kan zijn bij gladheidsbestrijding), de vergoeding in verlof moet worden verstrekt en dat dit verlof direct aansluitend opgenomen dient te worden. Concreet betekent dit dat de medewerker na b.v. acht uur werken (consignatie-uren en normale werkuren tezamen) naar huis gaat (arbeidstijdenwet). Ook wanneer uit dienstbelang het verlof niet kan worden opgenomen, bijvoorbeeld omdat anders een opeenhoping van verlofuren gaat ontstaan, zullen deze uren worden uitbetaald. Voor de uitbetaling van de bovengenoemde oproepuren, alsmede voor het toeslagpercentage, is het bepaalde in artikel 3:18 van de CAR/UWO van toepassing. Hierbij is voor de bepaling van de hoogte van de vergoeding van belang op welke dag en/of op welk tijdstip is gewerkt. Wanneer de medewerker moet werken op een door de gemeentesecretaris als brug of lokale feestdag aangewezen dag, dan wordt de hoogte van de oproepvergoeding vastgesteld aan de hand van de overwerkvergoeding die normaal gesproken voor deze dag wordt uitbetaald overeenkomstig onderscheidenlijk een maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag. Zo wordt voor de hoogte van bijvoorbeeld de vergoeding (inclusief het toeslagpercentage) voor het werken op de vrijdag na Hemelvaartsdag aangesloten bij hetgeen in de CAR/UWO is geregeld ten aanzien van een reguliere vrijdag.

Lid 5

Voor de uitbetaling van de bovengenoemde oproepuren, alsmede voor het toeslagpercentage, is het bepaalde in artikel 3:18 van de CAR/UWO van toepassing. Hierbij is voor de bepaling van de hoogte van de vergoeding van belang op welke dag en/of op welk tijdstip is gewerkt. Wanneer de medewerker moet werken op een brugdag, een (verplichte) verlofdag voor de buitendienst of een lokale feestdag, dan wordt de hoogte van de oproepvergoeding vastgesteld aan de hand van de overwerkvergoeding die normaal gesproken voor deze dag wordt uitbetaald overeenkomstig onderscheidenlijk een maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag. Zo wordt voor de hoogte van bijvoorbeeld de vergoeding (inclusief het toeslagpercentage) voor het werken op de vrijdag na Hemelvaartsdag aangesloten bij hetgeen in de CAR/UWO is geregeld ten aanzien van een reguliere vrijdag.

Artikel 6

Sub a

de medewerker kan ontheven worden van deelname aan de wachtdienst als het (aantoonbaar) medisch niet mogelijk is / verantwoord is.

Sub b

Medewerkers uit het team Onderhoud en Toezicht of met de functie van opzichter en toezichthouder worden vaker én langduriger opgeroepen tijdens hun beschikbaarheidsdienst als medewerkers met de functie van bode. Denk hierbij o.a. in de wintermaanden aan de gladheidsbestrijding. De praktijk en de ervaring leert dat naar mate de leeftijd hoger wordt in combinatie met veelvuldig onderbreken van de nachtrust tijdens een dienst, dit een zwaardere belasting is voor de medewerker. Vandaar de leeftijdsgrens van 62 jaar.

Sub c

Hieronder valt bijvoorbeeld de medewerker die door omstandigheden (bv overlijden partner) alleen de zorg heeft over zijn minderjarige kinderen. Co-ouderschap etc. valt hier dus niet onder.

3.6. Vergoedingen

Inhoudsopgave

  • 3.6.1. Vergoeding Reis- en verblijfkosten

  • 3.6.3. Vergoeding stemlokaal (medewerkers)

  • 3.6.4. Piketregeling

  • 3.6.5. Stagevergoeding

3.6.1. Vergoeding Reis- en verblijfkosten

Formulieren

  • Dienstreis en verblijfskosten

  • Declaratieformulier toezichthouders en opzichters (O&T)

Vergoeding dienstreizen

  • a

    plaats van tewerkstellingHet gebouw, gebouwencomplex of terrein waar of van waaruit de betrokkene naar het oordeel van de leidinggevende gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht.

  • b

    dienstreis de noodzakelijke verplaatsing van de medewerker zoals genoemd in artikel 3:21 CAR. Onder dienstreis overeenkomstig deze regeling dient mede verstaan te worden bezoeken aan seminars, korte (bedrijfs)cursussen, beurzen e.d. in dienstopdracht.

Artikel 1 Vergoedingen

Een vergoeding voor reis- en/of verblijfskosten bij dienstreizen is op basis van declaratie (=werkelijke kosten obv bon) tot de volgende maximum bedragen (2016):

Zakelijke kilometers hoog tarief

€ 0,37 bruto per km*

Zakelijke kilometer laag tarief

€ 0,09 netto per km

Lunchcomponent (alleen tussen 12:00 - 14:00 uur)

€ 14,62 netto

Dinercomponent (alleen tussen 18:00 - 21:00 uur)

€ 22,12 netto

* Conform de fiscale richtlijnen wordt dit bedrag uitbetaald in een onbelast en een belast gedeelte.

klik hier voor de toelichting

Artikel 2 Vervoersmiddel

Lid 1

Voor dienstreizen wordt gebruik te worden gemaakt van het openbare vervoer (2e klasse), de eigen fiets of bromfiets/(snor)scooter dan wel van via de gemeente beschikbaar gestelde vervoermiddelen.

Lid 2

In daartoe aanleiding gevende situaties kan, met toestemming van de leidinggevende, gebruik worden gemaakt van een eigen motorvoertuig (auto/motorfiets). Hiervan is o.a. sprake als reizen met het openbaar vervoer niet mogelijk of doelmatig is (b.v. door samen te reizen of hoeveelheid dossiers dat meegenomen moet worden) kan met eigen vervoer gereisd worden.

Lid 3

In daartoe aanleiding gevende situaties kan, met toestemming van de leidinggevende, naast het gebruik van openbaar vervoer tevens gebruik gemaakt worden van een (trein)taxi.

Artikel 3 Afstand

Lid 1

De standplaats/werkplek wordt als begin- en eindpunt aangemerkt. Het aantal kilometers wordt naar boven afgerond tot het naast hogere hele getal.

Lid 2

In afwijking van het bepaalde in het vorige lid kan de woning van de medewerker of een andere plaats als beginpunt respectievelijk eindpunt van de dienstreis worden aangemerkt, tenzij op de heenreis onderscheidenlijk de terugreis de plaats van tewerkstelling wordt bezocht.

Lid 3

De reguliere afstand woon-werkverkeer wordt verrekend met de afstand van de dienstreis.

Artikel 4 Vergoeding reiskosten

Lid 1

De vergoeding van de reiskosten met een openbaar vervoer middel vindt plaats op grond van de daadwerkelijk gemaakte kosten (2e klasse)

Lid 2

Indien de leidinggevende vooraf toestemming heeft verleend voor het gebruik van een eigen voertuig krijgt de medewerker een vergoeding conform het hoge tarief (zie artikel 1)

Lid 3

Krijgt de medewerker geen toestemming om met eigen vervoer te reizen en kiest hij er toch voor om dit te doen dan ontvangt het een vergoeding conform het lage tarief (zie artikel 1)

Lid 4

Ingeval dat lid 3 van toepassing is en de medewerker samen met tenminste 1 andere collega, die dezelfde dienstreis maakt, reist wordt het lage tarief verhoogd naar het hoge tarief per afgelegde kilometer. Deze dienstreis mag maar éénmaal gedeclareerd worden.

Lid 5

Als door de aftrek van woonwerkverkeer (artikel 3) de totale vergoeding lager uitvalt dan de gemaakte extra kosten (denk hierbij aan parkeer- of veerbootkosten) dan kunnen deze extra kosten gedeclareerd worden. In overige gevallen zijn deze kosten reeds opgenomen in de kilometervergoeding.

Artikel 5 Vergoeding verblijfskosten

De medewerker die noodzakelijk verblijfskosten maakt bij een dienstreis, heeft recht op een vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten tot het tot het maximum bedragen genoemd in artikel 1.

Artikel 6 Avondvergadering

Indien de werkzaamheden het noodzakelijk maken dat de medewerker 3 dagdelen aanwezig moet zijn kan hij kiezen tussen:

  • -

    tussentijds naar zijn huisadres gaan en de extra gemaakte reiskilometers declareren of

  • -

    een maaltijd nuttigen in Deurne en de gemaakte kosten declareren tot een maximum zoals genoemd in artikel 1.

Artikel 7 Verzekering en aansprakelijkheid

Lid 1

Voorwaarde voor gebruik van een privé-vervoermiddel ten behoeve van een dienstreis is dat het vervoermiddel (auto/motor/bromfiets/(snor)scooter) dan wel de bestuurder (fietsgebruik) tegen wettelijke aansprakelijkheid (WA, voor schade toegebracht aan de persoon en goederen van derden) is verzekerd.

Lid 2

Bij gebruik van het motorrijtuig als bedoeld in artikel 3 lid 3 (geen toestemming), is het bepaalde in artikel 15:1:23, lid 2, van de Uitwerkingsovereenkomst niet van toepassing.

Artikel 8 Declareren

Lid 1

Met het declaratieformulier kunnen de reis- en verblijfkosten voorzien van van originele nota's/betaalbewijzen/uitdraai OV-chipkaart én geaccordeerd door de leidinggevende gedeclareerd worden bij de salarisadministratie.

Lid 2

De declaraties worden zoveel mogelijk per maand verzameld en ingediend.

Artikel 3.6.1.

Artikel 1

Jaarlijks wordt door P&O de hoogte van de vergoedingen uit deze regeling vastgesteld. Voor de hoogte van de vergoedingen wordt aansluiting gezocht bij de Reisregeling binnenland.

3.6.3. Vergoeding stemlokaal (medewerkers)

Lid 1

De medewerker die aangewezen wordt om zitting te nemen op het stembureau ontvangt hiervoor een vaste vergoeding.

Lid 2

De hoogte van de vergoeding bedraagt: € 184,00 (bruto) prijspeil januari 2017. Deze is als volgt opgebouwd:De werkdag wordt standaard, ongeacht de feitelijke inroostering, vastgesteld op 8 uur.Dus degene die op die dag vrij had krijgt 8 uur compensatie-uren erbij en degene die normaliter op die dag 8 uur zou werken, werkt deze nu ook maar op een andere locatie en laat de klok achteraf corrigeren met 8 uur. (Krijgt dus geen 8 uur extra). Alleen degene die normaliter 9 uur zou werken “mist” 1 uur maar dit wordt in principe gecompenseerd in geld.

Alles boven de 8 uur is overwerk. Tijdens de verkiezingen wordt er 16 uur gewerkt op een stemlokaal. Van deze 16 uur wordt dus 8 uur aangemerkt al reguliere werktijd en overige 8 uur als overwerk. Het overwerk wordt uitbetaald (3 uur à 150% en 5 uur à 125%) op basis van uurloon van max. schaal 6. De vergoeding in dit geval is dan:

3 x 150% x € 17,06 =

76,77

5 x 125% x € 17,06 =

106,63

Gelijke vergoeding:

183,40 af te ronden op € 184,00 bruto (voor iedereen).

Artikel 3.6.3

De vergoeding is als volgt opgebouwd:

De werkdag wordt standaard, ongeacht de feitelijke inroostering, vastgesteld op 8 uur. Dus degene die op die dag vrij had krijgt 8 uur compensatie-uren erbij en degene die normaliter op die dag 8 uur zou werken, werkt deze nu ook maar op een andere locatie en laat de klok achteraf corrigeren met 8 uur. (Krijgt dus geen 8 uur extra). Alleen degene die normaliter 9 uur zou werken “mist” 1 uur maar dit wordt in principe gecompenseerd in geld.

Alles boven de 8 uur is overwerk (artikel 3:18 CAR). Tijdens de verkiezingen wordt er 16 uur gewerkt op een stemlokaal. Van deze 16 uur wordt dus 8 uur aangemerkt al reguliere werktijd en overige 8 uur als overwerk. Het overwerk wordt uitbetaald (3 uur à 150% en 5 uur à 125%) op basis van uurloon van max. schaal 6. De vergoeding in dit geval is dan:

3 x 150% x uurloon schaal 6

5 x 125% x uurloon schaal 6

= Totaal vergoeding, afgerond op hele euro

3.6.4. Piketregeling

(VRZOB voor de regionale rampenbestrijding en crisisbeheersing bevolkingszorg) De gemeente Deurne kan medewerkers aanwijzen voor het verrichten van piketdienst in de regio. De medewerker die piketdienst draait ontvangt hiervoor een vergoeding zoals bedoeld in de Piketregeling (VRZOB voor de regionale rampenbestrijding en crisisbeheersing bevolkingszorg)

3.6.5. Stagevergoeding

Formulieren

  • Stage overeenkomst

Lid 1

Het stagebeleid is in en afzonderlijke notitie uit gewerkt.

Lid 2

De bruto stagevergoeding voor een stage bedraagt € 250,-.

Lid 3

Voor deeltijdstages wordt de vergoeding naar rato uitbetaald.

Lid 4

De stagiaire kan geen aanspraak maken op een vergoeding woon- werkverkeer tenzij:

  • -

    hij geen recht heeft op een vergoeding middels een andere regeling

  • -

    hij geen recht heeft op een gratis openbaar vervoerkaart voor studenten.

Vergoed worden de daadwerkelijk gemaakte reiskosten van en naar de woonplaats op basis van openbaarvervoer 2de klasse indien de stagiaire woonachtig is op een op een afstand van 10 km of meer vanaf het gemeentehuis in Deurne.

Lid 5

De inzet van studenten of mensen met een werkervaringsplaats die geen vergoeding ontvangen kan beloond worden in de vorm van bloemen, bonnen, bonbons etc. tot € 25,- (ivm werkkostenregeling)

3.7. Overige aanspraken/compensaties

Inhoudsopgave

  • 3.7.1. Fietsenplan

  • 3.7.2. Parkeren medewerkers en bestuurders

  • 3.7.3. Dienstkleding

  • 3.7.4. Arbo hulpmiddelen

  • 3.7.5. Bedrijfshulpverlening/EHBO

  • 3.7.6. Bedrijfsfitness

  • 3.7.7. Personeelsverzekeringen

3.7.1. Fietsenplan

Formulieren

  • Cafetariamodel fietsenplan verklaring + afbetaling

  • Cafetariamodel fietsenplan uitleg rijwielhandelaar

Het fietsplan is een lokaal doel in het Individueel keuzebudget (IKB). Zie artikel 3:27 t/m 3:33 CAR voor meer informatie én voorwaarden over het IKB.

Lid 1

De verstrekking geschiedt alleen aan medewerkers van de gemeente Deurne.

Lid 2

In dit verband worden onder medewerkers verstaan, degenen die volgens de collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten (CAR) zijn aangesteld.

Lid 3

Een fiets voor het woon- werkverkeer kan éénmaal in een periode van 3 opeenvolgende kalenderjaren worden verstrekt.

Lid 4

De fiets kan in maximaal 24 maanden worden afgelost met het IKB-budget (zie art. 3:28 CAR).

Lid 5

De maximale vergoedingen die door de werkgever verstrekt worden zijn:

  • a

    voor de aanschaf van de fiets € 749,00;

  • b

    voor de fietsenbonnen en accessoires te samen € 240,00;

  • c

    voor de fietsverzekering € 110,00.

Alle meerkosten b.v. duurdere fiets, komen voor eigen rekening en dienen ook zelf aan de fietsendealer betaald te worden.

Lid 6

De medewerker die gebruik wil maken van deze regeling:

  • a

    Gaat na bij P&O of hij voldoet aan de gestelde voorwaarden en of hij gebruik kan maken van de regeling.

  • b

    b. Hij koopt de fiets en levert een factuur in bij de administratief medewerker P&O. De factuur wordt door de werkgever rechtstreeks betaald aan de fietsendealer tot de bedragen genoemd onder 5.

  • c

    Samen met de administratief medewerker P&O wordt op een formulier aangegeven op welke wijze de aflossing van de fiets zal plaatsvinden (= formulier "Verklaring en afbetaling deelname fietsenplan gemeente Deurne”).

Lid 7

Bij ontslag worden de nog niet verrekende bedragen in één keer verrekend met restant IKB danwel het salaris. (hierop is dus de normale loonheffing van toepassing). Een eventueel tekort dient binnen 1 maand na de datum van ontslag aan de gemeente te worden overgemaakt.

3.7.1 Fietsplan (T)

Lid 3

De 3 opeenvolgende kalenderjaren worden als volgt berekend: Je koopt een fiets per 1-12-2015. De kalenderjaren zijn 2015, 2016 en 2017.De medewerker kan weer deelnemen in 2018 weer deelnemen en hoeft niet te wachten tot december 2018.

3.7.2. Parkeren medewerkers en bestuurders

Formulieren

  • Parkeren aanvraagformulier

  • Parkeren toelichting

  • Parkeren mutatieformulier

Parkeren medewerkers en bestuurders

  • a

    bestuurders

    Leden van het college.

  • b

    dienstplaatsen

    Gratis beschikbaar gestelde parkeerplaatsen voor medewerkers in verband met de uitoefening van hun functie. Het betreft de volgende functies:

    • bodes

    • landmeter

    • toezichthouder en handhaver

Lid 1

De gemeente Deurne heeft de volgende mogelijkheden voor parkeren:

Doelgroep

Locatie

Wijze van betalen

Bestuurders en medewerkers

Bedrijfsvergunning (=buiten)

Maandelijks via salaris

Bestuurders en

medewerkers

Parkeergarage onder het gemeentehuis en als deze vol is in parkeergarage Wolfsberg

Maandelijks via salaris

Bestuurders en medewerkers woonachtig buiten de kern Deurne

Parkeergarage Wolfsberg

gratis

Ingehuurde medewerkers

Bedrijfsvergunning (buiten)

Volledige periode via acceptgiro vooruitbetalen (via Financiële administratie)

Lid 2

Een bedrijfsvergunning (parkeren buiten). Hierbij gelden de volgende voorwaarden:

  • 1 kenteken per bedrijfsvergunning.

  • je mag parkeren van maandag t/m vrijdag in de daarvoor vastgestelde gebieden.

  • de kosten bedragen € 8,33 per maand. Ook bij aan- en afmelding in de loop van de maand.

Lid 3

Een abonnement voor in de parkeergarage onder het gemeentehuis.

  • je mag twee kentekens doorgeven.

  • je mag parkeren met een maximum van 50 uur parkeertijd per week tijdens reguliere werktijden. Bij langer parkeren wordt hiervoor het reguliere parkeertarief in rekening gebracht

  • de kosten bedragen € 15,00 per maand. Ook bij aan- en afmelding in de loop van de maand. Parkeren is mogelijk op alle vrije plaatsen.

  • je ontvangt een abonnementspas van Parking voor de toegang tot de parkeergarage voor het geval de kentekenherkenning van de parkeergarage buiten werking is of om andere reden je kenteken niet goed kan aflezen. Als je beschikt over een Deurnepas dan zal de Deurnepas fungeren als toegangspas.

  • bij afmelding of uitdiensttreding dient de abonnementspas weer ingeleverd te worden.

Lid 4

Een abonnement voor in de parkeergarage aan de Wolfsberg.

  • Je mag twee kentekens doorgeven.

  • Je mag parkeren met een maximum van 50 uur parkeertijd per week tijdens reguliere werktijden. Bij langer parkeren wordt hiervoor het reguliere parkeertarief in rekening gebracht.

  • Er zijn geen kosten verbonden aan dit abonnement.

  • Parkeren is alleen mogelijk op voor personeel aangewezen vrije plaatsen.

  • Je ontvangt een abonnementspas van ParkKing voor de toegang tot de parkeergarage voor het geval de kentekenherkenning van de parkeergarage buiten werking is of om andere reden je kenteken niet goed kan aflezen. Als je beschikt over een Deurnepas dan fungeert de Deurnepas als toegangspas.

  • Bij afmelding of uitdiensttreding dient de abonnementspas weer ingeleverd te worden.

Lid 5

Er wordt géén onderscheid gemaakt tussen fulltimers en parttimers.

Lid 6

Er vindt geen terugbetaling plaats van de bijdrage ingeval van vakantie, verlof of ziekte.

Lid 7

Om in aanmerking te komen voor een parkeervergunning of voor een parkeerabonnement dient men een schriftelijk verzoek in te dienen bij het team KCC via het daarvoor bestemde formulier.

Lid 8

Wijzigingen in kenteken doorgeven aan KCC via het wijzigingsformulier.

3.7.3. Dienstkleding

Lid 1

Aan de medewerker die een functie vervult, waarvan het noodzakelijk wordt geacht dat daarvoor speciale kleding gedragen wordt, ontvangt van de werkgever:

  • -

    Persoonsgebonden dienst- en/of en werkkleding;

  • -

    Kleding en schoeisel die niet persoonsgebonden zijn, dan wel tijdelijk noodzakelijk worden geacht voor de uitoefening van de functie;

  • -

    Wettelijk vereiste veiligheidskleding en –schoeisel;

  • -

    Extra werkkleding en schoeisel, welke als gevolg van bijzondere werkomstandigheden of andere bijzondere oorzaken noodzakelijk zijn.

Lid 2

De dienst- en werkkleding wordt naar behoefte vervangen, de leidinggevende beoordeelt welke kleding voor vervanging in aanmerking komt.

Lid 3

De dienstkleding blijft eigendom van de gemeente Deurne.

Lid 4

Bij vervanging als bedoeld in lid 2 kan de eerder verstrekte kleding in eigendom worden overgedragen aan de medewerker.

Lid 5

Indien de medewerker de gemeentedienst verlaat of in verband met wijziging van zijn functie niet meer in aanmerking komt voor dienstkleding, kunnen de aan hem verstrekte kledingstukken aan hem in eigendom worden overgedragen tegen betaling van een daartoe naar evenredigheid vastgestelde waarde.

Lid 6

Indien middels tussentijds onderzoek blijkt, dat de medewerker zich schuldig heeft gemaakt aan grove verwaarlozing van de aan hem verstrekte kledingstukken of achteloosheid bij het gebruik daarvan, of gebruik heeft gemaakt van kledingstukken buiten diensturen, kan de daardoor ontstane waardevermindering van de kledingstukken worden geschat en door inhouding op het salaris van de medewerker worden verhaald.

3.7.4. Arbo hulpmiddelen

Lid 1

Onder Arbo hulpmiddelen wordt verstaan computerbrillen, aangepaste toetsenborden, muizen, aangepaste stoelen etc.

Lid 2

Bovenstaande hulpmiddelen kunnen nadat de bedrijfsarts is geraadpleegd in overleg met de leidinggevende en de p&o adviseur worden aangeschaft.

Lid 3

Computerbril:

  • -

    kosten eerst bij zorgverzekering declareren

  • -

    kosten die niet door zorgverzekering worden vergoed, worden door de gemeente Deurne vergoed tot een maximum van € 350,00.

3.7.5. Bedrijfshulpverlening/EHBO

Lid 1

De medewerker die door het college is aangewezen als Bedrijfshulpverlener of verplicht is te beschikken over een geldig EHBO-diploma wordt in de gelegenheid gesteld de voor verlenging van het diploma of het certificaat benodigde bij- en/of nascholing te volgen.

Lid 2

Kosten en tijd van de in het eerste lid bedoelde bij- en/of nascholing zijn voor rekening van de werkgever.

3.7.6. Bedrijfsfitness

Formulieren

Bedrijfsfitness is een lokaal doel in het Individueel keuzebudget (IKB). Zie artikel 3:27 t/m 3:33 CAR voor meer informatie én voorwaarden over het IKB.

Lid 1

De werkgever stelt de medewerker in de gelegenheid om deel te nemen aan bedrijfsfitness bij Fitland.

Lid 2

Deelname geschiedt geheel in eigen tijd van de medewerker.

Lid 3

Bedrijfsfitness staat open voor elke medewerker met een dienstverband van tenminste 1 jaar.

Lid 4

De medewerker die gebruik wil maken van bedrijfsfitness neemt hiervoor zelf contact op met het fitnesscentrum. Hij sluit rechtstreeks een overeenkomst af met het fitnesscentrum.

Lid 5

De medewerker is zelf verantwoordelijk voor het tijdig doorgeven van wijzigingen en het stopzetten van het contract.

Lid 6

De medewerker kan voor het betalen van de kosten gebruik maken van zijn IKB-budget (zie art. 3:28)

3.7.7. Personeelsverzekeringen

De gemeente heeft voor medewerkers de volgende verzekeringen afgesloten:

  • a

    Aansprakelijkheidsverzekering: Deze is voor iedereen afgesloten die voor de gemeente Deurne werkzaamheden verricht.

  • b

    WABM (Werkgevers Aansprakelijkheid Bestuurders Motorvoertuigen) :De verzekering biedt dekking voor materiële- en/of letselschade die een medewerker tijdens een dienstreis kan lijden als gevolg van een ongeval, nadat de eigen verzekering is aangesproken.

  • c

    Collectieve ongevallenverzekering inclusief politiek molest: De verzekering biedt dekking bij schade ontstaan door politiek molest (schade die is ontstaan in conflictsituaties) en een uitkering indien een medewerker overlijdt of blijvend arbeidsongeschikt raakt.

  • d

    Ongevallen inzittenden verzekering bedrijfsvoertuigen: Deze verzekering biedt dekking voor alle inzittenden van een voertuig als zij als gevolg van een ongeval komen te overlijden of blijvend invalide raken. Dit is op alle autoverzekeringen (bestelauto- en personenautoverzekeringen) meeverzekerd. Deze verzekering is enkel van toepassing op eigen voertuigen van de gemeente.

Aanspreekpunt voor alle verzekeringen is de administratieve ondersteuning van de afdeling ORE.

4 Werktijden en verlof

4. Werktijden en verlof

Inhoudsopgave

  • 4.1. Werktijden

  • 4.2. Vakantie en verlof

4.1. Werktijden

Inhoudsopgave

  • Artikel 1 Begripsbepalingen

  • Artikel 2 Werktijden binnendienst

  • Artikel 2a Bijzondere werktijden

  • Artikel 3 Werktijden voor het team buitendienst

  • Algemeen

  • Artikel 4 Tijdverantwoording

  • Artikel 5 Bezoek (huis)arts

  • Artikel 6 Deelname vrijwillige brandweer (medewerkers)

  • Artikel 7 Studie- en dienstreizen

  • Artikel 8 Bezoek recepties of bijeenkomsten

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • a

    werktijd de periode tussen vastgestelde tijdstippen gedurende welke door de medewerker arbeid moet worden verricht;

  • b

    werkdageen dag waarop de medewerker arbeid moet verrichten;

  • c

    arbeidsduur de vooraf vastgestelde omvang van het aantal uren in een bepaalde periode gedurende welke door de medewerker arbeid moet worden verricht

  • d

    formele arbeidsduur per week de arbeidsduur per week volgens de aanstelling

  • e

    feitelijke arbeidsduur per weekde arbeidsduur zoals die voor de medewerker voor een bepaalde week is vastgesteld

  • f

    arbeidsduur per dagde arbeidsduur zoals die voor de medewerker voor een bepaalde dag is vastgesteld met in achtneming het bepaalde in artikel 4:2 CAR/UWO;

  • g

    werkroostereen voor de medewerker door zijn leidinggevende vastgesteld rooster van vaste en/of wisselende werktijden;

  • h

    verplicht werkrooster een voor de medewerker door zijn leidinggevende vastgesteld rooster van vaste en/of wisselende werktijden waarop door de medewerker werkzaamheden worden verricht

  • i

    overeengekomen werkroostereen door de leidinggevende en medewerker overeengekomen werkrooster bestaande uit de feitelijke arbeidsduur per week, de arbeidsduur per dag en zo nodig de werktijd

  • j

    overwerk Zoals bedoeld in § 3.4 artikel 1 LAR Deurne

  • k

    wisselende werktijdenwerktijden die niet iedere week gelijk zijn en die in een verplicht werkrooster zijn opgenomen.

  • l

    bedrijfstijden de tijden waarop een minimale bezetting geldt

  • m

    openingstijden Gemeentewerf de Gemeentewerf is op werkdagen vanaf een kwartier voor aanvang tot een kwartier na afloop van de werktijden geopend

Artikel 2 Werktijden binnendienst

Lid 1

De gemiddelde werktijd per week bedraagt 36 uur.

Lid 2

Overeenkomstig artikel 4:2 lid 2 CAR-UWO kan er gewerkt worden tussen:

Maandag tot en met vrijdag

07:00 – 22:00 uur

Lid 3

Indien de medewerker meer dan 5,5 uur arbeid verricht op één dag, dan dient hij een pauze te nemen van tenminste 30 minuten.

Lid 4

De leidinggevende bepaalt in samenspraak met de medewerker of en zo ja welke werkzaamheden deze thuis mag uitvoeren en aan welke randvoorwaarden het thuiswerken moet voldoen en welke faciliteiten worden geboden. Thuiswerken geldt voor maximaal 1 dag per week.

Lid 5

De bedrijfstijden liggen van

Maandag tot en met donderdag

09:00 – 17:00 uur

Vrijdag

09:00 – 16:00 uur

Lid 6

Uitgangspunt is dat vergaderingen, overleggen en dergelijke waaraan de medewerker dient deel te nemen gepland worden binnen de bedrijfstijden.

Lid 7

Buiten de bedrijfstijden kan de medewerker geen beroep doen op de faciliteiten zoals archief, helpdesk, bodes en catering.

Lid 8

De leidinggevende draagt er zorg voor dat tijdens de bedrijfstijden zijn afdeling of team adequaat bezet en bereikbaar is, dat wil zeggen:

  • a

    dat de afdeling gedurende de gehele bedrijfstijd telefonisch bereikbaar is; dat het secretariaat van de afdeling op de hoogte is waar de medewerker is of wie hem vervangt;

  • b

    dat bij afwezigheid de telefoon van de medewerker doorgeschakeld staat naar een collega of het secretariaat;

  • c

    dat bij afwezigheid wegens o.a. verlof, vakantie en ziekte, de email en outlookagenda een (automatische) afwezigheidsboodschap bevat.

  • d

    dat bij ziekte of verlof een collega de klant te woord staat, een boodschap aanneemt of hem terug belt.

Lid 9

De leidinggevende kan uitsluitend van het in het voorgaande lid bepaalde afwijken, indien het gaat om een collectieve personele aangelegenheid.

Artikel 2a Bijzondere werktijden

Onderstaande medewerkers(groepen) vallen onder de Bijzondere Werktijdenregeling omdat hun werktijden eenzijdig worden vastgelegd:

  • -

    Medewerkers werkzaam in de buitendienst (artikel 3) met een verplicht rooster;

  • -

    Bodes

  • -

    Sporthalbeheerders

Artikel 3 Werktijden voor het team buitendienst

Lid 1

Voor de medewerker met een fulltime dienstverband is een verplicht werkrooster van toepassing. De werktijden zijn van maandag tot en met vrijdag als volgt vastgesteld.

07:30 – 12:00 uur

12:30 – 16:30 uur

Lid 2

  • a

    In zowel de voor- als namiddag vindt er naar keuze een pauze plaats van 15 minuten, op de werkplek, in eigen tijd. De pauze vindt in de voormiddag plaats tussen 9.30 uur en 10.30 uur en in de namiddag tussen 14.30 uur en 15.30 uur.

  • b

    De middagpauze om 12.00 uur vindt waar mogelijk plaats op de werkplek, zeker als deze werkplek ver weg is.

  • c

    Start en einde van de aangegeven werktijden houdt in dat de medewerker niet later dan de begintijd en niet eerder dan de eindtijd de kleedruimte ingaat voor persoonlijke verzorging.

  • d

    Medewerkers die eerder op de werf aankomen kunnen hun werkzaamheden op de werf doorzetten tot einde werktijd.

  • e

    Zowel voor- als na de middag wordt verwacht dat de medewerker alle benodigde materialen meeneemt zodat tussentijds terugkomen naar de werf wordt vermeden.

  • f

    Medewerkers die de middagpauze thuis genieten worden geacht niet eerder naar huis te gaan dan na 12.00 uur en weer aanwezig te zijn voor 12.30 uur.

  • g

    Rijtijden van de Gemeentewerf naar de plaats van tewerkstelling en vice versa worden beschouwd als tijden vallend binnen het werkrooster.

  • h

    De werkzaamheden van de medewerker kunnen niet eerder worden aangevangen dan overeenkomstig de in het eerste lid genoemde begintijden. Bij eerdere aanwezigheid wordt pas vanaf deze begintijd geregistreerd.

Lid 3

Indien door de aard van de werkzaamheden een medewerker zijn dienst niet 16.30 uur kan beëindigen, dan wordt de gewerkte tijd na deze tijdstippen beschouwd als overwerk. Dit kan pas eerst nadat de medewerker hierover overleg heeft gehad met zijn leidinggevende en deze hier zijn goedkeuring aan heeft gegeven.

Lid 4

De leidinggevende zorgt voor een adequate bezetting en bereikbaarheid tijdens de openingstijden van de Gemeentewerf en in geval van calamiteiten (meldingen en gladheid inbegrepen).

Lid 5

Bij een medewerker met een fulltime dienstverband bedraagt een volledige werkweek van 36 uur een feitelijke arbeidsduur van 40 uur (36 uur plus 4 uur compensatieverlof) per week.

Lid 6

De medewerker die geen fulltime dienstverband heeft, werkt volgens een individueel overeengekomen werkrooster.

Lid 7

De medewerker met een feitelijke arbeidsduur van 40 uur per week bouwt elke week 4 uur (dit is 0,8 uur per dag) compensatieverlof op dat in overleg met de leidinggevende kan worden opgenomen.

Lid 8

De medewerker bouwt geen compensatieverlof op bij:

  • a

    Ziekte

  • b

    Ouderschapsverlof

  • c

    Feestdagen zoals genoemd in artikel 4:5 lid 3 CAR/UWO

  • d

    Lokale feestdagen zoals genoemd in § 4.2 artikel 4 van de lokale arbeidsvoorwaardenregeling.

Klik hier voor de toelichting.

Algemeen

Artikel 4 Tijdverantwoording

De medewerker is, voor zover geen ontheffing is verleend, verplicht registratie te voeren van zijn aan- en afwezigheid. De medewerker dient zelf de diverse mutaties in TIM te verwerken.

Artikel 5 Bezoek (huis)arts

Lid 1

Bezoek aan een (huis)arts, specialist, therapeut of tandarts door de medewerker vindt in eigen tijd plaats.

Lid 2

De zwangere medewerker plant noodzakelijke zwangerschapsonderzoeken zoveel mogelijk in buiten haar werktijd. Indien dit niet mogelijk is worden de werkelijk bestede uren aan het onderzoek gecompenseerd.

Lid 3

De leidinggevende kan in situaties waar de medewerker onevenredig veel artsbezoeken moet afleggen afwijken van de voorgaande leden 1 en 2.

Artikel 6 Deelname vrijwillige brandweer (medewerkers)

De medewerker die werkzaam is bij de vrijwillige brandweer en die onder werktijd wordt opgeroepen om werkzaamheden te verrichten als vrijwilliger doet dit in eigen tijd. Hij klokt uit bij vertrek en evt. weer in bij terugkomst op de werkplek.

Artikel 7 Studie- en dienstreizen

Voor studie- en dienstreizen wordt aan de medewerker, ongeacht zijn betrekkingsomvang, de daarvoor benodigde tijd (inclusief de reistijd) gecompenseerd tot een maximum van 9 uur per dag.

Artikel 8 Bezoek recepties of bijeenkomsten

Lid 1

Voor bezoek aan recepties of bijeenkomsten wordt aan de medewerker, ongeacht zijn dienstverband en mits de medewerker daadwerkelijk aanwezig is op de receptie of bijeenkomst, de daarvoor benodigde tijd vergoed tot 17.00 uur.

Lid 2

De medewerker in de buitendienst wordt in de gelegenheid gesteld om zich, een uur voor aanvang van een receptie, op te frissen en om te kleden. Deze tijd wordt beschouwd als werktijd.

Artikel 4.1.

Artikel 2a

De overige medewerkers van de gemeente Deurne vallen onder de standaard regeling. Indien zij worden opgedragen om werkzaamheden te verrichten buiten het dagvenster van maandag t/m vrijdag tussen 7:00 en 22:00 uur dan ontvangen zij conform artikel 3:8 CAR-UWO een buitendagvenstervergoeding.

Artikel 3 lid 8

De opbouw van compensatie verlof is op basis van gewerkte dagen. Op een dag dat de medewerker niet werkt, wordt er daarom ook geen compensatieverlof opgebouwd. sub c: Onder feestdagen vallen o.a. Pasen, Pinksteren etc. Op deze dagen hoeft de medewerkers geen werkzaamheden te verrichten en ook geen verlof in te leveren. Daarom vindt er ook geen opbouw van compensatieverlof plaats.

4.2. Vakantie en verlof

Inhoudsopgave

  • Artikel 1 Begripsbepaling

  • Artikel 2 Vakantieverlof

  • Artikel 3 Afschrijven verlof

  • Artikel 3a Meenemen verlof naar volgend jaar

  • Artikel 4 Lokale feestdagen

  • Artikel 5 Brugdagen binnendienst

  • Artikel 6 Brugdagen en verplicht verlof buitendienst

  • Artikel 7 Wop dag

  • Artikel 8 Buitengewoon verlof

Formulieren

  • Formulier kortdurend zorgverlof

  • Formulier ouderschapsverlof

  • Formulier zwangerschapsverlof

Artikel 1 Begripsbepaling

  • a

    brugdag:Door de gemeentesecretaris mag op jaarbasis maximaal 6 werkdagen als brugdag worden aangewezen. Aanwijzing vindt plaats voor het daarop volgende kalenderjaar na instemming door de Ondernemingsraad.

Artikel 2 Vakantieverlof

Lid 1

De duur van de vakantie, als bedoeld in artikel 6:2 van de CAR/UWO wordt vermeerderd:

  • a

    afhankelijk van de leeftijd die de medewerker in het desbetreffende kalenderjaar bereikt, overeenkomstig onderstaande tabel

    bij een leeftijd van:

    aantal uren

    18 jaar en jonger

    21,6

    19 jaar

    14,4

    20 jaar

    7,2

    30 t/m 39 jaar

    7,2

    40 t/m 44 jaar

    14,4

    45 t/m 49 jaar

    21,6

    50 t/m 54 jaar

    28,8

    55 t/m 59 jaar

    36,0

    60 jaar en ouder

    43,2

  • b

    7,2 uur voor de medewerker van wie het salaris op 1 januari van het desbetreffende kalenderjaar gelijk is aan of hoger dan het maximumsalaris van schaal 9.

Artikel 3 Afschrijven verlof

Ingeval van opname van een verlofdag worden de verlofuren afgeschreven conform het vastgestelde werkrooster.

Artikel 3a Meenemen verlof naar volgend jaar

Een positief en een negatief saldo op de tijdregistratie is toegestaan. Het kloksaldo (vakantie + compensatie-uren) per 31 december van ieder jaar mag maximaal 60 uur (positief) of -10 (negatief) bedragen, deeltijders naar rato.

Artikel 4 Lokale feestdagen

Lid 1

Op navolgende dagen is de openbare dienst van de gemeente gesloten en wordt door de medewerker geen arbeid verricht, tenzij het dienstbelang anders vereist of bij de betreffende dag anders is bepaald:

  • a

    Carnavalsmaandag;

  • b

    Carnavalsdinsdag;

  • c

    Goede Vrijdag;

  • d

    Bevrijdingsdag;

Lid 2

Op de lokale feestdagen hoeft de medewerker geen verlof in te leveren.

Lid 3

De dagen uit lid 1 worden gezien als zondagen zoals bedoeld in artikel 4:5 lid 4 CAR/UWO (= werktijdenwet, maximaal 26 zondagen per jaar).

klik hier voor de toelichting

Artikel 5 Brugdagen binnendienst

Lid 1

Door de gemeentesecretaris mag op jaarbasis maximaal 6 werkdagen als brugdag worden aangewezen. Aanwijzing vindt plaats voor het daarop volgende kalenderjaar na instemming door de Ondernemingsraad.

Lid 2

De leidinggevende draagt, indien er sprake is van een brugdag, zorg voor een adequate bezetting van o.a het Klantcontactcentrum voor het aannemen van aangiften van geboorten en overlijden.

Lid 3

Indien een medewerker tijdens de brugdag(en) moet werken wordt minimaal 2 maanden voor de betreffende dag(en) aan de medewerker kenbaar gemaakt dat hij is ingeroosterd.

Lid 4

Het verlof dat nodig is voor de brugdag(en) komt voor rekening van de medewerker. Hij heeft de keuze om deze dagen op te nemen van zijn vakantie- of compensatieverlof.

Lid 5

Indien de medewerker volgens rooster werkzaamheden verricht op een brugdag dan wordt deze dag gezien als een reguliere werkdag (maandag t/m vrijdag).Klik hier voor de toelichting.

Artikel 6 Brugdagen en verplicht verlof buitendienst

Lid 1

Voor de medewerkers van de buitendienst is het bovenstaande artikel 5 lid 1 ook van toepassing.

Lid 2

De leidinggevende kan per kalenderjaar maximaal 104 uren van de opgebouwde compensatie-uren als verplicht verlof aanwijzen. De 6 brugdagen maken hier onderdeel van uit.

Lid 3

De leidinggevende stelt jaarlijks een rooster op.

Lid 4

Indien de medewerker volgens rooster werkzaamheden moet verrichten op een brugdag dan wordt deze dag gezien als een reguliere werkdag (maandag t/m vrijdag).Klik hier voor de toelichting.

Artikel 7 Wop dag

Een nader te bepalen werkdag, die wordt aangemerkt door de WOP (Werkgroep ontspanning personeel), waarop een activiteit voor het personeel wordt georganiseerd. De medewerker die deelneemt aan deze activiteiten krijgt van de werkgever maximaal 4 uur gecompenseerd.

Artikel 8 Buitengewoon verlof

Lid 1

De gemeente Deurne hanteert voor het toekennen van buitengewoon verlof op grond van de WAZ (kortdurend verlof) de volgende richtlijn:

Gebeurtenis

Aantal dagen

Bij overlijden van echtgenoten, ouders, pleegouders, stiefouders, schoonouders, kinderen, pleegkinderen, stief- en aangehuwde kinderen

4 werkdagen

Bij overlijden van bloed- en aanverwante in de tweede graad

Maximaal 2 werkdagen tenzij de medewerker de begrafenis of nalatenschap regelt. In dat geval ten hoogste 4 werkdagen

Lid 2

Na een gemotiveerd verzoek van de medewerker kan de leidinggevende besluiten om van lid 1 af te wijken.

Artikel 4.2.

We hebben 4 “verlof” soorten:

Soort

Wat

Houdbaarheid

Wettelijk (6:2 CAR)

20 dagen / 144 uur

max. 24 maanden (incl. jaar van verstrekking)

Bovenwettelijk (6:2 CAR)

alles boven de 20 dagen / 144 uur en het restantverlof van 2014

max. 72 maanden (incl. jaar van verstrekking)

Compensatieverlof (klok)

tijd voor tijd

zo spoedig mogelijk opnemen

ADV (alleen buitendienst)

tijd voor tijd

Binnen hetzelfde jaar opnemen

Opname

Uitgangspunt is dat je het verlof in het betreffende jaar opneemt (artikel 6:1:1 CAR-UWO). Er kunnen omstandigheden zijn waardoor je niet in de gelegenheid bent geweest om je verlof op te nemen. Bijvoorbeeld vanwege:

  • -

    het dienstbelang;

  • -

    als je door ziekte niet in staat bent geweest om verlof op te nemen (opname ziekenhuis);

  • -

    op eigen verzoek omdat je een lange reis wilt maken of vanwege een verbouwing van je huis etc. (artikel 6:2:6 CAR-UWO).

Op moment dat je hierdoor meer dan 60 uur (zie hieronder) wil meenemen naar het volgende jaar, ga je herover in overleg met je leidinggevende.

Meenemen

Op grond van de toelichting van artikel 6:1:1 lid 1 van de CAR-UWO mag het college ter voorkoming van verlofstuwmeren een gedragslijn hanteren als het vakantieverlof in een jaar niet geheel is opgenomen. De mogelijkheden tot het meenemen van verlof naar een volgend jaar zijn beperkt tot de situaties zoals hierboven zijn aangegeven. Echter in de praktijk blijkt dat veel medewerkers verlof mee willen nemen naar het volgende jaar.

Strikt formeel genomen moet iedere medewerker jaarlijks toestemming vragen om niet genoten verlof mee te nemen naar een volgend jaar. Om dit te voorkomen is in 2007 met de Ondernemingsraad de afspraak gemaakt dat je maximaal 60* uur of – 10 uur (verlof en/of compensatie-uren) mag meenemen. Dit is tevens ter voorkoming van verlofstuwmeren.

Houdbaarheidsdatum

Het verlof wat je mag meenemen naar het volgende jaar heeft een houdbaarheidsdatum. Zie hiervoor het bovenstaande schema. De houdbaarheidsdatum is dus iets anders dan het onbeperkt meenemen van verlof naar een volgend jaar.

Artikel 5 lid 5 én artikel 6 lid 4

Brugdagen zijn werkdagen en geen zondagen. Voor de vergoedingen (zie § 3.5) worden deze dagen dan ook gezien als werkdag (maandag t/m vrijdag). De enige uitzondering is de basisvergoeding voor de consignatiedienst.

5 Functioneren en opleiden

5 Functioneren en opleiden

Inhoudsopgave

  • 5.1. Functioneringsgesprekken en Personeelsbeoordeling

  • 5.2. Regeling Opleiden

5.1. Functioneringsgesprekken en Personeelsbeoordeling

Inhoudsopgave

  • Artikel 1 Begripsbepaling

  • Artikel 2 Functioneringsgesprek

  • Artikel 3 Beoordeling

  • Artikel 4 Beoordelingsfrequentie

  • Artikel 5 Opstellen van de voorlopige beoordeling

  • Artikel 6 Beoordelingsgesprek

  • Artikel 7 Definitieve beoordeling

  • Artikel 8 Medewerker is het niet eens met voorlopige beoordeling

  • Artikel 9 Vaststelling door college

  • Artikel 10 Overbrugging HR21

Formulieren

  • Functioneringsgespreksformulieren

  • Beoordelingsgespreksformulieren

  • Functieboek

Artikel 1 Begripsbepaling

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a

    eerste beoordelaar de direct leidinggevende van de ambtenaar, die de beoordeling vaststelt;

  • b

    tweede beoordelaar De direct leidinggevende van de eerste beoordelaar of, als deze geen direct leidinggevende heeft, een nader door het college aan te wijzen persoon;

  • c

    college Eerste beoordelaar (bepaald door mandaat);

  • d

    functieHet voor de medewerker toegewezen functieprofiel op grond van de regeling functiewaardering; Het samenstel van werkzaamheden en taken waarmee de medewerker door of namens burgemeester en wethouders feitelijk was belast gedurende het beoordelingstijdvak.

  • e

    beoordelingsperiode Een tijdvak van ten hoogste drie jaar, direct voorafgaande aan het tijdstip van beoordeling, waarover de leidinggevende zich een oordeel kan vormen met betrekking tot het functioneren van de medewerker;

  • f

    beoordeling Het oordeel dat de eerste beoordelaar opstelt over het functioneren van de medewerker, met betrekking tot de vastgestelde beoordelingsperiode;

  • g

    beoordelingsformulier Het formulier waarop de beoordeling wordt vastgelegd waarvan het model door ons is vastgesteld;

  • h

    beoordelingsgesprek Het drie jaarlijks terugkerend gesprek waarin de eerste beoordelaar de beoordeling kenbaar maakt aan de medewerker (eenzijdig);

  • i

    functioneringsgesprek Een gesprek tussen medewerker en direct leidinggevende - maar niet vrijblijvend - om samen van gedachten te wisselen over het huidig en het toekomstig functioneren en het aan elkaar bekend maken van ervaringen, verwachtingen, ambities en ontwikkelingen;

  • j

    functioneringsgesprek- formulier Het formulier dat tijdens het functioneringsgesprek wordt gebruikt en waarvan het model door ons is vastgesteld;

  • k

    persoonlijk ontwikkelplan (pop) Een plan gericht op het ontwikkelen van de noodzakelijke competenties die voortvloeien uit het functieprofiel.

Artikel 2 Functioneringsgesprek

Lid 1

Het functioneringsgesprek wordt gevoerd tussen de direct leidinggevende en de medewerker. Het doel van dit gesprek is het maken van wederzijdse afspraken over de werksituatie. Het is een tweezijdig gesprek waarbij het functioneren van de medewerker besproken wordt aan de hand van de voor het betreffende functieprofiel vastgestelde competenties. Daarnaast kan de medewerker ook feedback geven aan de leidinggevende en kunnen onderwerpen over de afdeling en organisatie worden besproken. Onderwerpen van gesprek kunnen zijn:

  • -

    persoonlijke output van de medewerker.

  • -

    output van de gehele afdeling of organisatie;

  • -

    de organisatie van het werk op de afdeling;

  • -

    knelpunten en belemmeringen in het functioneren van de medewerker en de leidinggevende;

  • -

    arbeidsomstandigheden;

  • -

    vorming, opleiding, training en loopbaanplanning (POP)

Lid 2

Frequentie functioneringsgesprek:

  • a

    in het eerste én tweede jaar na indiensttreding of na het aanvaarden van een andere functie wordt een functioneringsgesprek gehouden;

  • b

    tenminste éénmaal per jaar wordt met iedere medewerker, die twaalf maanden of langer zijn functie vervult, een functioneringsgesprek gehouden met uitzondering van het jaar waarin het beoordelingsgesprek moet plaats vinden;

  • c

    op verzoek van de leidinggevende of de medewerker kan te alle tijde een functioneringsgesprek plaats vinden.

Lid 3

Ten behoeve van het functioneringsgesprek wordt door de medewerker en de leidinggevende het formulier als bedoeld in artikel 1 onder j ingevuld en één week van tevoren onderling uitgewisseld. Dit formulier is tevens de agenda voor het functioneringsgesprek.

Lid 4

Het verslag van het functioneringsgesprek met de gemaakte afspraken, conclusies en aanbevelingen wordt uiterlijk binnen twee weken na het functioneringsgesprek definitief, door de leidinggevende, op het vastgestelde functioneringsgesprekformulier vastgelegd.

Lid 5

De medewerker ondertekent het verslag binnen één week voor gezien. Vervolgens tekent de naast hogere leidinggevende het verslag voor gezien. Een medewerker hoeft het niet eens te zijn met de visie van de leidinggevende (op het functioneren van de medewerker) om het verslag voor gezien te tekenen.

Lid 6

De leidinggevende draagt er zorg voor, dat de medewerker een afschrift van het functioneringsgesprek ontvangt. Het origineel wordt in het persoonsdossier van de medewerker opgeborgen. Indien medewerker niet tekent wordt het functioneringsgesprekverslag ongetekend in het personeelsdossier opgeborgen.

Lid 7

Indien de leidinggevende of de medewerker daartoe verzoekt kan de p&o-adviseur bij een functioneringsgesprek aanwezig zijn.

Lid 8

Tegen de gemaakte en aldus geformuleerde afspraken van het functioneringsgesprek kan geen bezwaar worden gemaakt.

Artikel 3 Beoordeling

Het functioneren van de medewerker wordt ten minste één keer per drie jaar beoordeeld, conform de procedure zoals bedoeld in de artikelen 4 tot en met 9 van deze regeling. Deze beoordeling vindt bij voorkeur in de voorlaatste maand van de beoordelingsperiode plaats. Indien dit door omstandigheden niet mogelijk is wordt de beoordeling zo spoedig mogelijk na afloop van de beoordelingsperiode opgesteld. De duur van de beoordelingsperiode is in principe drie jaar. Hiervan kan de eerste beoordelaar na overleg met de medewerker afwijken, bijvoorbeeld na langdurige ziekte van de medewerker. Bij indiensttreding of plaatsing in een nieuwe functie volgt de eerste beoordeling in de 10e maand na de benoeming en de tweede beoordeling in de 22e maand na de benoeming.

Artikel 4 Beoordelingsfrequentie

Lid 1

Tenminste eenmaal per drie jaar vindt ten aanzien van iedere medewerker, die langer dan 12 maanden zijn functie vervult, een beoordeling plaats.

Lid 2

Los van het gestelde in artikel 4 lid 1 vindt een beoordeling plaats in die situaties, waarin ten aanzien van de betrokken medewerker een besluit met rechtspositionele gevolgen dient te worden genomen zoals:

  • 1

    de beoordeling van een proeftijd;

  • 2

    het verlenen of onthouden van een vaste aanstelling;

  • 3

    het verlenen of onthouden van een hogere c.q. functionele salarisschaal;

  • 4

    het onthouden van een periodieke verhogingen;

  • 5

    het verlenen van een flexibele beloning in de vorm van:

    • -

      het toekennen van een tijdelijke toeslag;

    • -

      het toekennen van een vaste toeslag;

    • -

      het toekennen van een extra periodieke verhogingen;

    • -

      het toekennen van een persoonlijke- c.q. hogere functieschaal

  • 6

    het signaleren van disfunctioneren.

Lid 3

Een beoordeling mag niet gelijktijdig plaatsvinden met een functioneringsgesprek. De beoordeling dient waar mogelijk een logisch vervolg te zijn op de daaraan voorgegane functioneringsgesprekken.

Artikel 5 Opstellen van de voorlopige beoordeling

Lid 1

Enige tijd voor het einde van de beoordelingsperiode stelt de eerste beoordelaar een voorlopige beoordeling op. Hij gebruikt daarbij het vastgestelde beoordelingsformulier.

Lid 2

De eerste beoordelaar beoordeelt het functioneren van de medewerker aan de hand van de beoordelingscriteria (competenties) die voor de functie zijn opgesteld. Daarbij worden ook eventuele afspraken in acht genomen die tussen medewerker en beoordelaar zijn gemaakt over de beoordelingsperiode.

Lid 3

De eerste beoordelaar gaat daarbij uit van zijn eigen ervaringen en maakt zo mogelijk gebruik van de ervaringen van collega leidinggevenden of bestuurders indien medewerker regelmatig voor of met hen samenwerkt.

Lid 4

Op het beoordelingsformulier wordt aangegeven van welke informanten informatie is ingewonnen.

Lid 5

De voorlopige beoordeling heeft louter betrekking op het functioneren van de medewerker in de voor de beoordeling vastgestelde beoordelingsperiode.

Artikel 6 Beoordelingsgesprek

Lid 1

In onderling overleg stellen de eerste beoordelaar en de medewerker een datum vast voor een beoordelingsgesprek. Deze datum en tijdstip worden tenminste twee weken voor de gespreksdatum bepaald.

Lid 2

Minimaal één week voor het beoordelingsgesprek ontvangt de medewerker een afschrift van de voorlopige beoordeling, die door de eerste beoordelaar is opgesteld aan de hand van het beoordelingsformulier.

Lid 3

Het beoordelingsgesprek wordt gevoerd tussen de eerste beoordelaar en de medewerker. Indien een van hen dit wenst kan de p&o-adviseur bij het gesprek aanwezig zijn.

Lid 4

De eerste beoordelaar licht in het gesprek zijn voorlopige beoordeling toe waarbij de in het beoordelingstijdvak gehouden functioneringsgesprekken of voortganggesprekken worden betrokken.

Lid 5

De medewerker krijgt in het beoordelingsgesprek de gelegenheid om zijn visie op het functioneren tijdens de beoordelingsperiode kenbaar te maken.

Lid 6

De medewerker kan in het beoordelingsgesprek aangeven dat hij gebruik wil maken van zijn recht om op het beoordelingsformulier kanttekeningen te plaatsen.

Artikel 7 Definitieve beoordeling

Lid 1

Naar aanleiding van het beoordelingsgesprek stelt de eerste beoordelaar binnen 2 weken een definitieve beoordeling op. Hij gebruikt daarbij het beoordelingsformulier.

Lid 2

Indien de medewerker dit in het beoordelingsgesprek heeft aangegeven, kan hij op het beoordelingsformulier zijn kanttekeningen plaatsen.

Lid 3

De medewerker tekent de beoordeling binnen twee weken na ontvangst, op het beoordelingsformulier voor gezien en zijn eventuele kanttekeningen voor akkoord.

Lid 4

Daarna volgt definitieve vaststelling conform artikel 9.

Artikel 8 Medewerker is het niet eens met voorlopige beoordeling

Lid 1

Indien de medewerker binnen de aangegeven termijn van twee weken (artikel 7 lid 3) wel opmerkingen maakt, neemt de eerste beoordelaar binnen zes weken na de dag waarop hij de schriftelijke opmerkingen heeft ontvangen, een definitief besluit.

Lid 2

De eerste beoordelaar neemt geen definitief besluit als bedoeld in artikel 8 lid 1 dan nadat hij:

  • a

    De medewerker de gelegenheid heeft gegeven, zo gewenst met een raadsman zijn opmerkingen nader mondeling toe te lichten en

  • b

    Zo nodig met zijn naast hogere leidinggevende overleg heeft gehad over het door hem voorgenomen besluit en de door de medewerker daarbij geplaatste opmerkingen.

Lid 3

De eerste beoordelaar geeft bij de toezending van een definitief besluit gemotiveerd aan of, en zo ja op welke wijze, de opmerkingen van de medewerker aanleiding hebben gegeven tot wijzigingen ten opzichte van het voorgenomen besluit.

Artikel 9 Vaststelling door college

Lid 1

De beoordeling wordt door de eerste beoordelaar al dan niet gewijzigd vastgesteld.

Lid 2

De medewerker ontvangt van de eerste beoordelaar een afschrift van het beoordelingsformulier hetgeen tevens als besluit dient. Op het beoordelingsformulier wordt gewezen op de bezwaar- en beroepsmogelijkheden die de medewerker heeft.

Artikel 10 Overbrugging HR21

Lid 1

Dit artikel is van toepassing vanaf 1 juli 2014 tot een nog nader vast te stellen datum. Tot 1 juli 2014 vormden de huidige functieprofielen de basis voor het voeren van functioneringsgesprekken en beoordelingen Vanaf 1 juli 2014 is er sprake van HR21 normfuncties.

Lid 2

Tijdens de periode genoemd in het eerste lid blijven de (huidige) formulieren voor functionerings- en beoordelingsgesprekken van kracht zo lang er geen nieuwe op HR21 gebaseerde formulieren beschikbaar zijn. De gesprekken zullen dan ook plaats vinden op basis van de competenties zoals die nu zijn opgenomen in de huidige beoordelings- en functioneringsgespreksformulieren. In deze formulieren is altijd ruimte om de resultaatgebieden van de HR21 normfuncties te betrekken.

Lid 3

Zodra de nieuwe, op HR21 normfunctie gebaseerde, formulieren beschikbaar zijn komt dit artikel te vervallen.

5.2. Regeling Opleiden

Inhoudsopgave

  • Artikel 1 Visie op opleiden

  • Artikel 2 Uitgangspunten

  • Artikel 3 Voorkeursvolgorde

  • Artikel 4 Opleidingsbudget

  • Artikel 5 Functioneringsgesprek

  • Artikel 6 Het opleidingsplan

  • Artikel 7 Procedure m.b.t. het opstellen van een opleidingsplan

  • Artikel 8 Soorten opleidingen

  • Artikel 9 Terugbetaling

Formulieren

  • Formulier studieovereenkomst

Artikel 1 Visie op opleiden

Het opleidingsbeleid is uitgewerkt in een afzonderlijke notitie. In het opleidingsbeleid wordt de volgende definitie van opleiden gehanteerd: Het bevorderen van specifieke kennis en vaardigheden, met de nadruk op interne multidisciplinaire en groepsgewijze scholing, die van belang zijn voor het werken bij de gemeente Deurne.

Artikel 2 Uitgangspunten

Vanuit bovenstaande definitie van opleiden worden door de gemeente Deurne de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • 1

    Scholing moet aansluiten bij interne en externe ontwikkelingen van de organisatie.

  • 2

    Scholing is een verantwoordelijkheid van zowel de gemeente Deurne als de medewerker.

  • 3

    Scholing is een veranderings- en ontwikkelingsproces met een continu karakter. Dat wil zeggen dat de gemeente Deurne de ontplooiing en ontwikkeling van medewerkers beschouwt als een doorlopend functiegericht proces. De organisatie streeft er naar deze ontwikkeling te bevorderen en te stimuleren vanuit het oogpunt dat dit voor een optimale dienstverlening noodzakelijk is en voor een interne mobiliteit.

  • 4

    Scholing dient interne mobiliteit actief te stimuleren en faciliteren.

  • 5

    Scholing vereist een plan, geformuleerd vanuit een opleidingsnoodzaak. Indien er ‘leemten’ worden gesignaleerd dan kan, met behulp van scholing, een gerichte loopbaanontwikkeling voor medewerkers worden uitgezet om zo de medewerkers te vormen voor een ‘nieuwe’ functie in de toekomst.

Artikel 3 Voorkeursvolgorde

Bij besteding van beperkte financiële middelen geeft de organisatie voorrang aan:

  • -

    collectieve scholing boven individuele scholing;

  • -

    interne scholing of scholing in samenwerkingsverband boven externe scholing;

  • -

    maatwerk (in-company scholing) boven gestandaardiseerde scholing.

Artikel 4 Opleidingsbudget

Het opleidingsbudget (jaarbudget) wordt verdeeld per afdeling, bedoeld voor vakopleidingen, en een centraal budget, bedoeld voor opleiding in het kader van organisatie-thema’s en bijzondere opleidingstrajecten.

Artikel 5 Functioneringsgesprek

Het moment waarop de algemene behoefte aan opleiding besproken wordt is het functioneringsgesprek.

Artikel 6 Het opleidingsplan

Jaarlijks maakt het afdelingshoofd een opleidingsplan en vindt zijn weerslag in de diverse afdelingsplannen. In het opleidingsplan wordt voor de volgende vragen een antwoord gezocht:

  • -

    Welke kennis, vaardigheden en gedrag zijn belangrijk voor het functioneren van de medewerkers binnen de organisatie en moeten behouden blijven?

  • -

    Welke moeten verbeterd worden?

  • -

    Welke kennis, vaardigheden en gedrag zijn nodig om ervoor te zorgen dat de organisatie ook in de toekomst goed kan functioneren?

Artikel 7 Procedure m.b.t. het opstellen van een opleidingsplan

Lid 1

In de 2e maand van elk jaar wordt door het afdelingshoofd bij de directie een overzicht ingediend van de opleidingen welke door de onderscheidenlijke medewerkers van de afdeling in dat jaar gevolgd dienen te worden. In eerste aanleg wordt hierbij rekening gehouden met het beschikbaar gestelde budget. Het afdelingshoofd kan bij de directie ten laste van het centraal budget, een verzoek indienen om extra budget om meerdere medewerkers een (extra) opleiding te kunnen laten volgen.

Lid 2

Tussentijdse scholingsaanvragen Een opleidingsplan biedt een leidraad voor scholingsactiviteiten in enig jaar.

Lid 3

Gewijzigde omstandigheden of opleidingswensen kunnen leiden tot een tussentijdse scholingsaanvraag. De procedure hierbij is als volgt:

  • a

    Elke individuele medewerker kan mondeling en/of schriftelijk een scholingsaanvraag indienen bij diens leidinggevende. Het verzoek dient vergezeld te gaan van een gedegen motivatie omtrent de opleidingsnoodzaak en schriftelijke informatie m.b.t. de opleidingsinhoud, de (studie)kosten en tijdsinvestering.

  • b

    De leidinggevende beoordeelt de opleidingsnoodzaak en vraagt desgewenst advies aan de opleidingscoördinator. In het geval de opleiding niet kan worden betaald uit het opleidingsbudget van de afdeling, kan ten laste van het centraal budget een verzoek om extra budget worden ingediend bij de directie. Vervolgens geeft de directie al dan niet de toestemming om de opleiding te volgen, een en ander bepaald door de beschikbare budgetruimte. Overigens kan de leidinggevende ook een aanvraag resp. verzoek indienen indien hij van mening is, dat tussentijdse opleiding/scholing voor zijn medewerker(s) noodzakelijk is.

Lid 4

De gemeentesecretaris stelt het scholingsplan vast.

Artikel 8 Soorten opleidingen

 

Soort opleiding

Wanneer

Faciliteiten

1

Opleiding noodzakelijk voor de functie

Deze scholing is aan de orde wanneer de medewerker (nog) niet voldoet aan de opleidingseisen. B.v. bij een schoolverlater.

De opleiding/scholing wordt gevolgd in werktijd en de kosten hiervan komen voor rekening van de gemeente Deurne.

2

Scholing gericht op organisatie-ontwikkelingen die van directe invloed zijn op de uitoefening van de functie

Deze scholing komt voort uit beleidskeuzen (bv een wetswijziging) die door de organisatie gemaakt zijn.

Deze scholing is verplicht en de kosten als ook de tijd die nodig is voor deze scholing komen voor rekening van de werkgever.

3

Scholing gericht op het bijhouden van kennis en vaardigheden.

Deze scholingen zijn bedoeld voor het bijhouden dan wel ontwikkelen of up-to-date houden van de voor de functie noodzakelijke kennis en vaardigheden.

Deze scholing wordt gevolgd in werktijd en de kosten hiervan komen voor rekening van de gemeente Deurne.

4

Scholing in het kader van loopbaanontwikkeling. Er worden 3 soorten onderscheiden:

a opleidingen welke gerelateerd zijn aan ontplooiing / ontwikkeling binnen de eigen functie en afdeling (popafspraken).

De kosten alsmede de benodigde studietijd (vallende onder de normale werktijd) komen voor rekening van de gemeente.

b opleidingen welke gerelateerd zijn aan ontplooiing / ontwikkeling voor andere functies binnen onze organisatie waarvoor de medewerker gezien zijn kwaliteiten etc. in aanleg voor in aanmerking kan komen wanneer een dergelijke opleiding ook een bijzonder werkgeversbelang heeft volgt het vergoedingsmechanisme de opleidingen als bedoeld onder a. (popafspraken).

De kosten komen voor rekening van de gemeente en de benodigde studietijd voor 50% voor rekening van de medewerker. Tenzij de opleiding ook een bijzonder werkgeversbelang heeft dan vindt vergoeding plaats op basis van 4a.

c opleidingen welke gerelateerd zijn aan ontplooiing / ontwikkeling voor andere functies niet vallende onder a of b. (deze worden niet als een popafspraak beschouwd)

De kosten alsmede de benodigde studietijd (vallende onder de normale werktijd) komen voor 50% voor rekening van de medewerker en voor 50% voor rekening van de gemeente.

5

Scholing op eigen initiatief van de medewerker.

Wanneer een medewerker zelf vindt dat deze scholing nodig heeft zonder dat de organisatie hier een opleidingsnoodzaak in ziet.

Deze kosten komen qua investering en tijd volledig voor rekening van de medewerker.

De met de betrokken medewerker afgesproken regeling wordt vastgelegd in een (studie)overeenkomst.

De directie staat de mogelijkheid ter beschikking, als daar aanleiding toe bestaat, bij niet-verplichte opleidingen te variëren in de facilitering qua tijd en/of geld

Artikel 9 Terugbetaling

Voor wat betreft de terugbetalingsverplichting wordt voor de opleidingen, genoemd in artikel 8 onder 1 en 4, de volgende regeling gehanteerd:

  • -

    Bij het voortijdig afbreken van de studie door eigen schuld of toedoen door de medewerker dient de vergoeding resp. tegemoetkoming geheel worden terugbetaald.

  • -

    Bij het verlaten van de gemeentedienst binnen een periode van twee jaar na het afsluiten van de studie geldt de volgende terugbetalingsverplichting:

    • o

      indien het vertrek plaats vindt binnen een periode van één jaar na het afsluiten van de studie dient de vergoeding resp. tegemoetkoming in zijn geheel te worden terugbetaald en

    • o

      indien het vertrek plaats vindt binnen het 2e jaar na het afsluiten van de studie dient de vergoeding resp. tegemoetkoming pro rato (over de resterende maanden) te worden terugbetaald

7 Arbeidsomstandigheden

7 Arbeidsomstandigheden

Inhoudsopgave

  • 7.1. Ziekteverzuim

  • 7.2. Agressie protocol

  • 7.3. Ongewenst gedrag

7.1. Ziekteverzuim

Inhoudsopgave

  • Artikel 1 Uitgangspunten

  • Artikel 2 Verantwoordelijkheden

  • Artikel 3 Protocol ziekteverzuim

Formulieren

  • Plan van aanpak

  • Bijgesteld plan van aanpak

  • 1e jaarsevaluatie plan van aanpak

  • Eindevaluatie plan van aanpak

  • Aanvraag deskundigenoordeel werkgever

  • Aanvraag deskundigenoordeel werknemer

  • Verkort reintegratieverslag

  • Ziekteverzuimprotocol

Artikel 1 Uitgangspunten

Lid 1

het ziekteverzuim is een zaak van iedereen binnen de organisatie, iedereen heeft hierin een eigen verantwoordelijkheid.

Lid 2

Voor zover er oorzaken te vinden zijn in met name het werk of werkomstandigheden, is het management primair (doch niet alleen) verantwoordelijk om hier een oplossing voor te bieden.

Lid 3

Ziekteverzuim is een blijvend aandachtsgebied, er dient voortdurend aandacht aan besteed te worden en regelmatige evaluatie is noodzakelijk.

Lid 4

Zieke medewerkers worden binnen de organisatie op een uniforme wijze behandeld.

Lid 5

Het ziekteverzuimbeleid is in een afzonderlijke notitie beschreven.

Artikel 2 Verantwoordelijkheden

Wie

Rol/taak

Medewerker

- is verantwoordelijk voor het in acht nemen van zijn gezondheid en tijdig aandragen wanneer er risico’s bestaan die zijn gezondheid aantasten.

- is, ingeval van ziekte, verantwoordelijk voor een zo spoedig mogelijk herstel.

- iedere (nieuwe) medewerker ontvangt een afschrift van het ziekteverzuimprotocol (zoals opgenomen in dit hoofdstuk).

Directe leidinggevende

- fungeert als casemanager (in de zin van de Wet Verbetering Poortwachter) van de medewerker en stuurt de acties in het verzuimtraject aan.

- bepaalt, mede op het advies van de bedrijfsarts, samen met de medewerker en P&O welk traject doorlopen wordt b.v terugkeer in eigen functie, andere functie tijdelijk, proef etc.

- onderhoudt de contacten, bij herplaatsing elders, met het re-integratiebedrijf.

- coördineert en initieert de acties van werkgever om terugkeer te bespoedigen: b.v. aanpassing werkplek, therapeutisch werken stimuleren, inschakeling bedrijfsmaatschappelijk werk.

Bedrijfsarts

- organiseert open arbeidsgezondheidkundig spreekuur.

- formuleert een (probleem)analyse.

- beoordeelt de mogelijkheden en beperkingen van de zieke medewerker.

- adviseert de medewerker en de leidinggevende over re-integratieactiviteiten.

- rapporteert jaarlijks over het ziekteverzuim en de te nemen maatregelen.

P&O adviseur

- adviseert leidinggevenden.

- bewaakt termijnen en inhoudelijk de overeengekomen activiteiten (plan van aanpak).

- bewaakt de procedures tijdens het verzuim.

UWV (bij langdurig ziekteverzuim)

- UWV is een uitvoeringsinstelling die o.a. de Ziektewet (ZW) en de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (WIA) uitvoert.

Artikel 3 Protocol ziekteverzuim

In onderstaand schema wordt:

  • 1

    Aangegeven wie wanneer welke activiteiten moet verrichten in de eerste 2 ziektejaren van een medewerker.

  • 2

    Bij de berekening van de tijdstippen in het ziekteverzuimtraject de perioden waarin de medewerker ziek is geweest en die elkaar met minder dan 4 weken onderbreken, samengeteld.

  • 3

    Met de verantwoordelijke direct leidinggevende bedoelt de gemeentesecretaris, de adjunct-directeur, het afdelingshoofd en de teamleider als deze de direct leidinggevende is.

Nr.

Tijdstip in traject

Acties

Verantw

Docum.

1

1e ziektedag voor 09.00 uur (=eerste werkdag tijdens de ziekte)

Doen van ziekmelding. De ziekmelding wordt vóór 9.00 uur rechtstreeks bij de direct leidinggevende gedaan. Alleen in het geval deze niet bereikbaar is bij het afdelingssecretariaat en geeft door waar en op welk telefoonnummer hij voor de leidinggevende te bereiken is. De medewerkers van de buitendienst melden zich ziek vóór 08.00 uur bij de teamleider buitendienst.

Na ziekmelding dient de medewerker de eerste dag bereikbaar te zijn om contact met leidinggevende en eventueel bedrijfsarts mogelijk te maken. Over het vervolg worden nadere afspraken gemaakt.

MW

 

2

1e ziektedag voor 10.00 uur

Noteren en afhandelen ziekmelding Besproken en genoteerd worden relevante zaken als: medewerker geeft aan wat de beperkingen zijn om het werk te doen; verwachte duur afwezigheid, of er dringende zaken liggen; werkoverdracht, waar hij te bereiken is tijdens ziekte; wat zijn de vervolg-afspraken op dit eerste gesprek (b.v. men is over enkele dagen weer beter of er is sprake van situatieve ziekte. Kortom: het betreft dus het inventariseren van beïnvloedingsmogelijkheden door de werkgever.

Per e-mail wordt de ziekmelding vóór 10.00 uur aan P&O ziekteregistratie doorgegeven. Ook de later volgende herstelmelding moet aan P&O worden doorgegeven per mail (= ziekteregistratie@deurne.nl).

LG

 

De zieke medewerker dient aan de werkgever te melden welke mogelijkheden en beperkingen hij ondervindt waardoor hij niet kan werken. B.v. ingeval van griep zal duidelijk zijn dat iemand niet kan werken maar iemand met een verzwikte enkel zou wellicht computerwerk kunnen doen als er voor een voetenbankje gezorgd wordt.

MW

3

1e ziektedag

Registratie P&O P&O registreert de ziekmelding in PIMS@all. Medewerkers die een uitkering ingevolge de Wet Arbeid en Zorg (ZW) genieten b.v. bij zwangerschap: ziekmelding uiterlijk op de 4e dag doorgeven aan UWV.

Pers. Adm

 

4

Na 1e ziektedag en volgende ziektedagen Minimaal een maal per 6 weken

Contact onderhouden met medewerker De leidinggevende (regisseur) stuurt acties in het verdere verzuimtraject aan en fungeert als contactpersoon van de medewerker. In het contact met de medewerker is van belang:

- (niet-taakgerichte) interesse tonen: telefonisch informeren hoe het ermee gaat (in het begin wekelijks) en informeren over activiteiten op de afdeling;

- toezenden van algemene en afdelingsinformatie;

- bij terugkomst medewerker: “terugkeergesprek”;

- spoedcontrole bij bedrijfsarts als contact wenselijk is en bij vermoeden van onterecht verzuim;

- bij onterecht verzuim: toepassen sancties i.o.m. deskundige.

Tevens stimuleert de leidinggevende de collega´s van betrokkene om regelmatig contact te hebben.

 

 

Een zieke medewerker moet toestemming vragen aan zijn leidinggevende om op vakantie te gaan. De leidinggevende vraagt daartoe het advies van de bedrijfsarts.

MW

Door P&O wordt een lijst samengesteld voor de leidinggevende waarop alle kort- en langdurig verzuimende medewerkers vermeld staan. Naar aanleiding van deze lijst, die wordt doorgesproken tijdens het bedrijfsvoeringsoverleg, dient de leidinggevende een verzuimgesprek te voeren met de medewerker en laat indien nodig medewerker bij de bedrijfsarts oproepen.

P&O-adviseur

LG

5

Na 1e ziektedag, echter uiterlijk binnen 3 weken na ziekmelding

Begeleiding bedrijfsarts In de tweede ziekteweek plant de bedrijfsarts een gesprek voor de derde ziekteweek, met de medewerker die zich ziek heeft gemeld. Medewerker is verplicht hieraan medewerking te verlenen.

BA

 

Een uitnodiging voor het spreekuur betekent niet dat de medewerker tot die datum mag verzuimen. Wanneer hij arbeidsgeschikt is dient hij zijn werkzaamheden te hervatten. Hij krijgt de mogelijkheid om gedurende het werk de bedrijfsarts te bezoeken.

MW

Oproep ter controle van de medewerker of een spoed huisbezoek zal tevens op verzoek van de leidinggevende kunnen plaatsvinden. (Leidinggevende meldt dit aan mw).

LG

6

Na 1e ziektedag en uiterlijk binnen 6 weken. Probleemanalyse en advies nodig voor maken plan van aanpak door leidinggevende in 8e ziekteweek

Oordeel bedrijfsartsDe bedrijfsarts oordeelt of er sprake zal zijn van dreigend lang ziekteverzuim en stuurt zijn probleem-analyse. (Voortgangsbericht n.a.v. een spreekuurbezoek; wanneer weer aan het werk; werkplekonderzoek noodzakelijk; aanpassing werktijden of werkinhoud) naar de leidinggevende én medewerker.

BA

Standaard-document Arbo-dienst

 

 

Opstarten re-integratiedossier. Bijhouden van het ziekteverloop betekent dat de werkgever (leidinggevende) aantekeningen maakt van de gebeurtenissen met betrekking tot een ziektegeval. Alle feitelijke gegevens, documenten, gespreksverslagen en correspondentie worden vastgelegd. Kopieën van belangrijke stukken, zoals gespreksverslagen, worden aan de medewerker verstrekt.

LG

standaard

7

Minimaal 1 maal per 4 weken

Periodiek contact door bedrijfsarts Indien er sprake is van langdurig verzuim heeft de bedrijfsarts periodiek overleg met de zieke medewerker waarna terugkoppeling en afstemming over de voortgang en bijstellen plan van aanpak plaatsvindt met leidinggevende.

BA

 

8

Uiterlijk binnen 8 weken

Opstellen wettelijk plan van aanpak in alle gevallen dat mogelijkheid bestaat tot terugkeer naar arbeid.

- Waartoe leidt het plan: terugkeer in eigen functie, andere functie tijdelijk, proef etc.

- Acties werkgever om terugkeer te bespoedigen: b.v. aanpassing werkplek.

- Acties medewerker om terugkeer te bespoedigen: b.v. therapeutisch aan de slag; bezoek aan bedrijfsmaatschappelijk werk; enkele uurtjes per week starten met werken.

- Afspraken over contact tussen bedrijfsarts en door medewerker geraadpleegde behandelaars: b.v. huisarts

- Bij herplaatsing elders: afspraken re-integratiebedrijf.

- Welke termijnen worden voor de acties afgesproken.

LG in samen spraak met MW

LG en MW onder tekenen het plan. Expl. aan MW, LG én Bedrijfs-arts

standaard

Evalueren en bijstellen plan van aanpak

Wanneer evaluatie over afgesproken acties en bijstellen: tenminste na 6 weken en indien medewerker niet meer in eigen organisatie terug kan keren en een re-integratiebedrijf ingeschakeld moet worden.

LG en P&O adviseur

9

1e – 12e maand

Onderzoek mogelijkheid verrichten passende arbeid Hoewel de medewerker (tijdelijk) niet geschikt is zijn eigen functie uit te oefenen, wordt gedurende het eerste ziektejaar de mogelijkheid onderzocht ander, passend werk uit te voeren. De resultaten worden schriftelijk vastgelegd in een re-integratiedossier.

LG i.s.m. p&o adviseur

Standaard

Vanaf 13e maand

Met ingang van de 13e maand moet gezocht worden naar gangbare arbeid. Evaluatieverslag opstellen tot dan toe geleverde re-integratie-inspanning

LG + MW

Formulier UWV

10

21ste maand

Aanvraag arbeidsongeschiktheidsuitkering door de medewerker Het – door UWV aan de medewerker - gezonden formulier aanvraag WIA-uitkering dient binnen één maand teruggezonden te worden. Invulling geschiedt door de medewerker tezamen met de personeelsadministratie (i.v.m. dagloongegevens) en p&o adviseur. NB: eventueel kan 6 maanden uitstel gevraagd worden als blijkt dat medew. binnen die termijn weer aan het werk kan.

MW i.s.m. pers. adm. en p&o adviseur

 

Ten behoeve van de beoordeling door de UWV moet een re-integratieverslag worden bijgevoegd.Het re-integratieverslag is een samenvatting van het bijgehouden dossier. Het bestaat uit drie delen: de werkgeversbijdrage, een medisch deel van Arbodienst en de werknemersbijdrage. De werkgeversbijdrage bevat het plan van aanpak + probleemananlyse en gegevens met betrekking tot de uitvoering daarvan. De werknemersbijdrage bevat het oordeel van de medewerker over gehele traject (inspanningen medewerker, werkgever en arbodienst). De arbodienst levert het medisch deel.

LG, MW en bedrijfs-arts.

standaard

11

In de 23e maand

WIA-uitkering Op grond van een medisch en arbeidskundig onderzoek wordt het arbeidsongeschiktheidspercentage bepaald. Dit percentage is het resultaat van de formule: (inkomen uit huidige functie=maatmaninkomen minus resterend verdienvermogen) gedeeld door (het maatmaninkomen), vermenigvuldigd met (100%).

Adv. genees- kundige + arbeids kundige UWV

 

12

In de 24e maand

Vaststellen recht op en hoogte van uitkering Bepaald wordt of de betrokken medewerker recht heeft op een uitkering en hoe hoog deze zal zijn. Zowel medewerker als werkgever worden schriftelijk geïnformeerd over de vastgestelde ao-klasse en de hoogte van de uitkering. De betrokken medewerker en de werkgever kunnen tegen deze beslissing bezwaar aantekenen bij UWV en zo nodig in beroep gaan bij de rechter.

UWV

 

13

Herstelmelding

De herstelmelding dient tussen 08.00 –09.00 uur plaats te vinden bij de direct leidinggevende en het afdelings secretariaat. Van belang is of de medewerker volledig of gedeeltelijk hersteld is. Indien medewerker nadien weer volledig hersteld is dan moet dit eveneens worden doorgegeven.

MW + LG

Het afdelingssecretariaat/leidinggevende geeft de melding door aan P&O ziekteregistratie die weer voor doormelding zorgt aan arbodienst en indien nodig UWV.

Pers. Adm

De leidinggevende voert met de medewerker een terugkeergesprek.

LG

Welke zaken spelen nog een rol bij ziekte?

Second opinion

Indien de medewerker en de leidinggevende er samen niet uitkomen kunnen zij een second opinion aanvragen bij het UWV.

Ziek tijdens vakantie

Bij ziekte op vakantie gelden de volgende regels:

- De ziekmelding moet binnen 24 uur gemeld worden bij je leidinggevende (of diens vervanger).

- Er moet een adres of telefoonnummer doorgegeven worden waar de medewerker te bereiken is.

- De medewerker moet zich in de vakantieplaats onder behandeling van een arts stellen en hiervan bewijzen bewaren. Dit in verband met eventueel verrekenen van vakantiedagen.

- Zodra de fysieke toestand het toelaat keert de medewerker terug naar Nederland.

- Indien de vakantietermijn om is en de medewerker op medische gronden nog niet kan terugkeren, zorgt de medewerker dat hij een bewijs heeft van het feit dat hij niet kan reizen.

De medewerker neemt na terugkomst in Nederland zo snel mogelijk contact op met zijn leidinggevende zodat er een afspraak gemaakt kan worden voor het spreekuur van de bedrijfsarts.

Ouderschapsverlof en ziekte

Indien de medewerker gedurende het ouderschapsverlof wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen vindt geen opschorting (verschuiving) van dit verlof plaats Indien de medewerker gedurende de periode van het ouderschapsverlof ziek wordt, blijft gedurende de eerste tien aaneengesloten werkdagen de voor hem tijdens het ouderschapsverlof geldende salaris ongewijzigd. Indien de ziekteperiode langer duurt dan tien werkdagen wordt met ingang van de elfde dag de korting die plaatsvindt op grond van artikel 6:5 en 6:5:4 beëindigd.

Vervallen van vakantie-uren

In Europese regelgeving is bepaald dat iedere medewerker recht heeft op vier weken vakantie. Deze verplichting geldt ook indien de medewerker ziek is. De leidinggevende zal de medewerker dan ook stimuleren om die vier weken verlof op te nemen. Gedurende deze tijd is de medewerker, vanzelfsprekend, vrijgesteld van re-integratieverplichtingen. Verder dient het opnemen van verlof in samenspraak met de bedrijfsarts te gebeuren. Aanvullend aan de bepalingen in de Europese regelgeving staat in de CAR/UWO dat de medewerker alleen over de laatste zes maanden van zijn ziekte verlof opbouwt. Bij gedeeltelijke ziekte of wisselende periodes van ziekte en gedeeltelijk herstel gelden aanvullende of andere regels. Hierdoor is het niet mogelijk om in zijn algemeenheid te zeggen welke en/of hoeveel verlofuren komen te vervallen.

Compensatie-uren

Binnen onze organisatie wordt gewerkt met flexibele werktijden. De medewerker kan op enig moment meer (maar ook minder) uren werken dan de voor hem geldende arbeidsduur per week (gerelateerd aan een maximum per week en naar rato van een fulltime- of parttime dienstverband). Hierbij geldt de regel dat aan het eind van het kalenderjaar het totaal aan compensatie-uren + of – 10 uur mag bedragen. Hierdoor kan dus gedurende het jaar een positief of negatief saldo aan compensatie-uren ontstaan. Wanneer de medewerker arbeidstherapeutisch werkzaamheden verricht of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is kan hij niet tot de opbouw van positieve of negatieve compensatie-uren komen. Het is immers de bedoeling door een gefaseerde opbouw van het aantal te werken uren de eigen werkzaamheden weer op te pakken. Bij arbeidstherapeutische werkzaamheden vinden de werkzaamheden plaats zonder loonwaarde. Hij dient wel te klokken op de momenten dat hij aanwezig is. De hierboven genoemde bepalingen zijn in principe voor iedereen van toepassing.

ADV buitendienst

Bij zowel volledige als gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid vindt geen opbouw van ADV plaats.

IZA

Wachtlijstbemiddeling: IZA biedt de mogelijkheid om te bemiddelen bij ziekenhuisopnames, behandelingen etc. De medewerker dient hiertoe zelf actie te ondernemen. Het telefoonnummer van de wachtlijstbemiddelingslijn is: 0900-2021056.

Korting op salaris

Het salaris wordt als gevolg van het langdurig verzuim gekort (CAR/UWO artikel 7:3) en wel als volgt:

- 7e – 12e maand: 10%

- 13e – 24e maand: 25%

- Vanaf 2 jaar: 30%.

In de 5e maand wordt de medewerker middels een brief (opgesteld door P&O-adm.) op de hoogte gesteld van deze korting. De leidinggevende overhandigd de vooraankondiging en geeft hierover uitleg.Indien de medewerker in het tweede ziektejaar tenminste 50 % van zijn reguliere werktijd passende werkzaamheden verricht ontvangt hij een bonus conform CAR/UWO artikel 7:3 lid 8.

  • MW = Medewerker

  • BA = Bedrijfsarts

  • LG = Leidinggevende

  • P&O-Adm = Personeelsadministratie

  • P&O-adv = Personeel- en Organisatieadviseur

7.2. Agressie protocol

Inhoudsopgave

  • Artikel 1 Doel van het protocol

  • Artikel 2 Begripsomschrijving

  • Artikel 3 Handelswijze ingeval van (vermoeden) agressie

  • Schema: Taken rollen verantwoordelijkheden omgaan agressieve burgers

Artikel 1 Doel van het protocol

Een systematische aanpak ter preventie dan wel adequate beheersing of bestrijding van agressie waarbij gevolgen voor medewerkers zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel adequaat worden opgevangen. Het agressiebeleid is in een afzonderlijke notitie beschreven.

Artikel 2 Begripsomschrijving

De definitie van agressie en geweld, zoals die door het programma “Veilige Publieke Taak” gehanteerd wordt luidt: “Het welbewust verbaal uiten, gebruiken van fysieke kracht of macht, dan wel het dreigen daarmee, gericht tegen een werknemer, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met het verrichten van de publieke taak, wat resulteert of waarschijnlijk zal resulteren in een gevoel van bedreiging, materiële schade, letsel, psychische schade of de dood.”

Artikel 3 Handelswijze ingeval van (vermoeden) agressie

Lid 1

Indien er een lastige burger wordt verwacht wordt er vooraf gecommuniceerd tussen de medewerker en de receptioniste.

Lid 2

Ingeval een toegangsverbod voor bepaalde tijd is opgelegd wordt dit aan de receptie bekend gemaakt (indien mogelijk met ’n foto van betreffende burger).

Lid 3

De medewerker meldt vooraf aan de leidinggevende dat een lastige burger wordt verwacht. Indien nodig wordt een specifieke aanpak afgesproken.

Lid 4

De leidinggevende informeert de directe collega’s over het aanstaande bezoek. Doel is voorkomen c.q. beheersen van de vermoedelijke agressie.

Lid 5

Op plekken waar contacten met burgers plaatsvinden (spreekkamers en balies) is er een alarmsysteem aangelegd.

Lid 6

De leidinggevende draagt zorg voor voldoende steun bij (on)aangekondigd bezoek van lastige burger. Verder zorgt hij voor een adequate opvang en begeleiding medewerker ingeval daartoe een aanleiding is.

Lid 7

De gemeente heeft voor de voorkomende vormen van agressie protocollen opgesteld welke de medewerker moet volgen.

Lid 8

Indien een burger scheldgedrag, beledigend gedrag vertoont wordt hij tot de orde geroepen en krijgt hij de keuze: óf zijn gedrag aanpassen óf het gesprek wordt beëindigd.

Lid 9

Indien een burger discriminerend, intimiderend en bedreigend gedrag vertoont kan hem de toegang tot het gemeentehuis (of sporthal) voor bepaalde tijd ontzegd worden. Tevens wordt aangifte gedaan in verband met bedreiging. Indien aan de orde: wordt de schade verhaald in verband met vernieling.

Lid 10

In het werkoverleg wordt systematisch aandacht voor gemaakte afspraken en nakoming ervan besproken. Medewerkers wijzen elkaar op constructieve wijze op mogelijk agressieverwekkende benadering van burgers en wisselen ervaringen uit (eventueel gericht op aanpassing van afspraken).

Lid 11

De leidinggevende houdt een logboek bij van de betreffende gebeurtenissen en meldt incidenten bij de arbo-coördinator.

Lid 12

De arbo-coördinator verzamelt de meldingen van agressie en verstrekt jaarlijks een overzicht aan het college. Tevens wordt aangegeven welke maatregelen getroffen zijn.

Lid 13

Preventief: De opleidingscoördinator initieert samen met de leidinggevende regelmatig opleidingen zodat medewerkers voldoende kennis hebben van hoe te handelen ingeval van agressie.

Schema: Taken rollen verantwoordelijkheden omgaan agressieve burgers

Locatie:

  • -

    Centrale hal (balies, receptie)

  • -

    Spreekkamer

pdf7

Schema: Taken rollen verantwoordelijkheden omgaan met agressieve burgers

Locatie:

  • -

    Huisbezoek

pdf8

Schema Taken rollen verantwoordelijkheden omgaan agressieve burgers

Locatie:

  • -

    Handhaving/Opzichters/Sporthallen

pdf9

7.3. Ongewenst gedrag

Inhoudsopgave

  • Artikel 1 Doel van de regeling

  • Artikel 2 Landelijke Klachtencommissie Ongewenst gedrag

  • Artikel 3 Informele en formele procedure

  • Artikel 4 Aanwijzing van de vertrouwenspersonen

  • Artikel 5 Taak van de vertrouwenspersoon

  • Artikel 6 Werkwijze vertrouwenspersoon

  • Artikel 7 Klachtencommissie

Artikel 1 Doel van de regeling

Het doel van de regeling is om duidelijkheid te geven over de procedure ingeval van ongewenst gedrag. Daarnaast is het beleid en onze uitgangspunten ten aanzien van Ongewenst gedrag uitgewerkt in een aparte Beleidsnotitie “Ongewenst gedrag”.

Artikel 2 Landelijke Klachtencommissie Ongewenst gedrag

De gemeente Deurne heeft er voor gekozen om aan te sluiten bij de Landelijke Klachtencommissie ongewenst gedrag voor de decentrale overheid. Zij conformeert zich daarbij tevens aan de hierbij behorende toelichting voor de behandeling van klachten met betrekking tot ongewenst gedrag die aldus een onlosmakelijk geheel vormt met deze regeling.(VNG regeling Landelijke Klachtencommissie ongewenst gedrag voor de decentrale overheid)

Artikel 3 Informele en formele procedure

De klachtenregeling van de gemeente Deurne bestaat uit een informele en een formele procedure.

  • -

    De informele procedure is de weg via de vertrouwenspersoon. De vertrouwenspersoon probeert te ondersteunen en adviseren (in de zin van aangeven wat de medewerker zou kunnen doen). Bij bemiddeling zal de vertrouwenspersoon ondersteuning blijven bieden aan de klager. Bemiddelen tussen de beide partijen wordt overgelaten aan de aangewezen bemiddelaar (de leidinggevende).

  • -

    De formele procedure start met het indienen van een klacht bij de Landelijke Klachtencommissie Ongewenst gedrag voor de Decentrale Overheid. De klachtencommissie houdt eerst een vooronderzoek, komt dan tot een uitspraak en adviseert daarover aan het college inclusief over de naar haar mening te treffen maatregelen. De commissie dient te worden beschouwd als uiterste middel ter behandeling van klachten met betrekking tot ongewenste omgangsvormen.

Artikel 4 Aanwijzing van de vertrouwenspersonen

Het college heeft met instemming van de Ondernemingsraad zowel een externe vrouwelijke als een externe mannelijke vertrouwenspersoon aangewezen. Deurne heeft gekozen voor inhuur via Arboned. Arboned is niet de reguliere arbodienst voor Deurne.

Artikel 5 Taak van de vertrouwenspersoon

Lid 1

De vertrouwenspersoon heeft tot taak een medewerker die een klacht heeft over ongewenst gedrag te begeleiden en van advies te dienen. Dit kan er ook toe leiden dat de medewerker wordt doorverwezen naar een andere hulpverlenende instantie.

Lid 2

De vertrouwenspersoon heeft niet tot taak te bemiddelen tussen beide partijen. Dit zou tot conflicten kunnen leiden. Bemiddeling wordt overgelaten aan de aangewezen bemiddelaar: de leidinggevende.

Lid 3

De functie van vertrouwenspersoon is vooral gericht op het ondersteunen van de klager.

Artikel 6 Werkwijze vertrouwenspersoon

Lid 1

Door onderzoek en overleg met de betrokkenen zal de vertrouwenspersoon proberen tot een oplossing van het probleem te komen.

Lid 2

Als een medewerker een klacht wil indienen bij de klachtencommissie kan de vertrouwenspersoon hem daarbij ondersteunen.

Lid 3

Mocht er sprake zijn van een strafbaar feit (mishandeling, aanranding, verkrachting) dan kan de vertrouwenspersoon helpen bij het doen van aangifte bij de politie.

Lid 4

De medewerker kan ook als hij geen (formele) klacht wil indienen naar de vertrouwenspersoon.

Lid 5

Op basis van zijn/haar ervaringen kan de vertrouwenspersoon adviezen uitbrengen om herhaling van problemen te voorkomen.

Artikel 7 Klachtencommissie

De klager kan al of niet samen met de vertrouwenspersoon zijn klacht voorleggen aan de Landelijke Klachtencommissie ongewenst gedrag voor de decentrale overheid.

8 Overige regelingen

8 Overige regelingen

Inhoudsopgave

  • 8.1. Lief en leedregeling

  • 8.2. Integriteitregeling

  • 8.3. Ambtseed

  • 8.4. Regeling Melding Vermoeden Misstand

  • 8.5. Privacyreglement e-mail- en internetgebruik

  • 8.6. Sanctiebeleid

  • 8.7. Uitvoeringsvoorschriften suppletie 11a:16

8.1. Lief en leedregeling

Inhoudsopgave

  • Algemeen

  • Soorten vieringen

  • Privé

Doel van de regeling is om de onderlinge betrokkenheid van en binding tussen de medewerkers onderling en de bestuurders te bevorderen.De regeling is van toepassing op: personen met een dienstverband, uitzend- en detacheringkrachten, stagiaires en interim-krachten. De regeling is niet van toepassing op de vrijwillige brandweer, tenzij anders aangegeven.

Algemeen

De salarisadministratie heeft signaalfunctie richting organisatie; zij maken jaarlijks een overzicht van alle jubilea en geven deze aan de leidinggevenden.

Alle (jubileum) vieringen uit deze regeling worden gehouden in het gemeentehuis van Deurne of op de gemeentewerf (=Intern vanwege de werkkostenregeling).

Soorten vieringen

  • a

    Viering

    • -

      kosten komen voor rekening van de werkgever

    • -

      een jaarlijkse collectieve bijeenkomst waarbij alle jubilarissen worden uitgenodigd

  • b

    Officiële receptie

    • -

      kosten komen voor rekening van de werkgever;

    • -

      de officiële viering wordt in principe in het gemeentehuis gehouden;

    • -

      een officiële huldiging vangt aan om 15.45 uur en duurt tot 16.30 uur;

    • -

      voor de officiële huldiging worden tevens uitgenodigd het college, de afdelingshoofden, een vertegenwoordiging van de WOP en een vertegenwoordiging van de Ondernemingsraad;

    • -

      de receptie vangt aan om 16.30 uur en duurt tot 18.00 uur; (tot 17.00 uur werktijd, daarna eigen tijd).

    • -

      medewerkers worden uitgenodigd een receptie in verband met een jubileum of een afscheid van een collega bij te wonen;

    • -

      wanneer een 40-jarig jubileum in dienst van de gemeente Deurne en een afscheid wegens pensionering of vervroegde pensionering binnen twee jaar na elkaar vallen, vindt slechts bij een van beiden een officiële huldiging plaats. De keuze van de medewerker is hierbij leidend.

In deze regeling wordt onderscheid gemaakt tussen werkgerelateerde gebeurtenissen en specifieke privé gebeurtenissen.

Werkgerelateerd

Privé

1. Ambtsjubilea.

1. Huwelijk/geregistreerd partnerschap/ samenlevingscontract

2. Diverse vormen van verlaten van de dienst.

2. Huwelijksjubilea e.d.

3. Behalen diploma

3. Geboorte

 

4. Overlijden

Werkgerelateerd

1. Ambtsjubilea

 

Soort ambtsjubileum

Vorm van aandacht

Wie verantwoordelijk

1

Viering 12,5 jaar in dienst van de gemeente Deurne

Felicitatie door directie en afdelingshoofd.

Medewerker representatie en communicatie (BS) verzorgt bloemetje en attentie t.w. € 15,-

2

Viering 25-, 40- of 50-jarig ambtsjubileum bij overheidsdienst

Ontvangst van jubilaris en eventuele partner door het college in aanwezigheid van het afdelingshoofd

BS:

- maakt afspraak voor in het college en verzorgt de uitnodigingen.

- zorgt voor bloemetje

 

 

Gratificatie conform CAR/UWO artikel 3:19

P&O zorgt voor de berekening en uitbetaling gratificatie

3

Viering 25 in dienst van de gemeente Deurne

Interne viering

BS zorgt voor attentie bestuur t.w. €15,-

Zilveren speld

BS zorgt voor zilveren speld 25 jr Deurne

Gratificatie conform hoofdstuk 3 onderdeel 2 artikel 11

P&O zorgt voor de berekening en uitbetaling gratificatie

4

Viering 40 jaar in dienst van de gemeente Deurne

Officiële huldiging door het college en receptie met externe genodigden afhankelijk van de aard van de functie

BS zorgt voor:

- speeches portefeuillehouder

- verzending uitnodigingen (lijst van jub. Max. 100)

- bloemen voor jubilaris

- ruimte en hapjes

- nieuwsmail

- vermelding website

Attentie namens het college

BS zorgt voor een dinerbon namens college

Gouden speld.

BS zorgt voor gouden speld 40 jr Deurne

Gratificatie conform hoofdstuk 3 onderdeel 2 artikel 11

P&O zorgt voor de berekening en uitbetaling gratificatie

2. Verlaten van de dienst

 

Reden van vertrek

Vorm van aandacht

Wie verantwoordelijk

1

Wegens aanvaarden van een andere betrekking (korter in dienst dan 10 jaar)

intern afscheid op de afdeling met koffie en gebak.

Leidinggevende

2

Wegens aanvaarden van een andere betrekking (10 jaar of langer in dienst geweest)

interne receptie in het kantine of de commissiekamer

Leidinggevende en BS

 

 

attentie van het college

BS zorgt voor karaf of horloge en een dinerbon.

3

Met recht op wachtgeld of een uitkering op grond van de CAR/UWO buiten eigen schuld of toedoen

intern afscheid op de afdeling met koffie en gebak

Leidinggevende

 

 

receptie met externe genodigden afhankelijk van de aard van de functie

BS verstuurt de uitnodigingen na verkrijgen lijst leidinggevende

4

Wegens vervroegde pensionering

officiële huldiging door het college en receptie met externe genodigden afhankelijk van de aard van de functie

BS zorgt voor:

- speeches portefeuillehouder

- verzending uitnodigingen (lijst van jub. Max. 100)

- bloemen voor jubilaris

- ruimte en hapjes

- goedemorgen

- nieuwsmail

- website

 

 

attentie

BS zorgt voor karaf of horloge met inscriptie en een dinerbon.

5

Wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd door een lid van de vrijwillige brandweer:

- officieel afscheid in brandweerkazerne

- receptie met externen

- attentie

BS zorgt voor:

- opstellen en bestellen uitnodigingen

- karaf of horloge met inscriptie

- dinerbon

3. Behalen diploma/bul

De leidinggevende stelt de gemeentesecretaris en het college de hoogte wanneer een medewerker een diploma heeft behaald, dat voor de functie van belang is, zodat zij de medewerker persoonlijk kunnen feliciteren. Het afdelingshoofd schrijft een felicitatiebrief en zorgt voor een afschrift in het persoonsdossier.

4. Personeelsbijeenkomsten

  • a

    Tenminste twee maal per jaar nodigt de gemeentesecretaris alle medewerkers, met uitzondering van de leden van de vrijwillige brandweer, wachtgelders, gepensioneerden en vervroegd gepensioneerden, uit voor een personeelsbijeenkomst. Ook bestuurders worden voor deze personeelsbijeenkomsten uitgenodigd.

  • b

    Bij personeelsbijeenkomsten wordt de tijd tot 17.00 uur als werktijd gezien, daarna is eigen tijd.

Privé

  • 1

    Huwelijk/geregistreerd partnerschap/samenlevingscontract Een beperkt aantal collega’s wordt in de gelegenheid gesteld om het huwelijk van hun naaste collega bij te wonen.

  • 2

    Huwelijks- geregistreerd partnerschap enz. –jubilea Bij privé-jubilea wordt namens het college een felicitatie gestuurd (afdelingshoofd) BS verstuurd een felicitatiebrief.

  • 3

    Geboorte Bij geboorte van een kind van een medewerker wordt namens het college een felicitatie gestuurd. BS verstuurt een felicitatiebrief.

  • 4

    Overlijden medewerker Een beperkt aantal collega’s wordt in de gelegenheid gesteld om de uitvaart van hun naaste collega bij te wonen. Condoleancebrief namens het college en een rouwadvertentie. BS verstuurt de condoleancebrief en zorgt dat een advertentie geplaatst wordt.

  • 5

    Overlijden (oud) medewerker en naaste familieleden medewerker Een beperkt aantal collega’s wordt in de gelegenheid gesteld om de uitvaart van familieleden (eerste graad) van hun naaste collega bij te wonen. BS verstuurt een condoleancebrief.

8.2. Integriteitregeling

Inhoudsopgave

  • Inleiding

  • Goed ambtenaarschap

  • Vertrouwelijk omgaan met gevoelig informatie

  • Nevenfuncties en andere privéactiviteiten

  • Geschenken, aanbiedingen en incidentele vergoedingen

  • Uitnodiging voor reizen, congressen, evenementen en diners

  • Verantwoord omgaan met gemeentelijke voorzieningen en personeelsregelingen

  • Belangen van familie, vrienden en ex-collega’s

  • Reageren op niet-integere zaken

  • De leidinggevende draagt het integriteitbeleid uit

  • Vermoeden van gedragingen in strijd met de gedragscode

  • Gebruik en bewaren gegevens verkregen door de tijd- en toegangsadministratie

Inleiding

Integer handelen is meer dan het naleven van een richtlijn. Belangrijk is dat de medewerker zich bewust is van de gevolgen van zijn handelen voor zowel de interne organisatie als daarbuiten. Openheid, transparant gedrag en handelen zijn in die zin sleutelbegrippen. Maar ook vertrouwen speelt een belangrijke rol. Leidinggevenden vervullen hierin een voorbeeldfunctie. Het integriteit is in een afzonderlijke beleidsnotitie beschreven.

De naleving van deze regeling is een verantwoordelijkheid van elke individuele medewerker.

Goed ambtenaarschap

  • -

    U beseft dat u onderdeel bent van de overheid.

  • -

    U dient het algemeen belang en probeert met uw handelen het vertrouwen in de overheid te versterken.

  • -

    U houdt zich aan de wettelijke voorschriften en aan algemeen aanvaarde gedragsregels. Dat geldt in zijn algemeen, maar meer in het bijzonder voor medewerkers die op welke wijze dan ook bij de uitoefening van hun functie met specifieke wettelijke voorschriften te maken hebben.

  • -

    Deze medewerkers vermijden elke schijn van belangenverstrengeling door zich ook in de privé-sfeer aan deze wettelijke voorschriften te houden en/of geen voordeel te hebben van het feit dat anderen zich niet aan die wettelijke voorschriften houden.

  • -

    U treedt correct op tegen burgers en bedrijven.

  • -

    U kleedt zich representatief.

  • -

    U discrimineert niet en verleent geen voorkeursbehandelingen.

  • -

    U voert uw werk op een professionele manier uit.

  • -

    U geeft de leiding en het bestuur juiste, relevante en volledige informatie.

  • -

    Situaties waarin u niet volgens uw professionele normen kunt werken stelt u intern aan de orde.

  • -

    U gaat respectvol met uw collega’s om. Respecteer een ander zoals u zelf gerespecteerd wilt worden.

  • -

    U houdt er rekening mee dat normen en waarden onderling kunnen verschillen. Dat betekent ook dat u de gezamenlijke normen en waarden ten aanzien van integriteit respecteert in die zin dat u uw eigen, mogelijk scherpere normen en waarden niet oplegt aan uw collega’s indien zij zich houden aan de gezamenlijke normen en waarden.

  • -

    U bent aanspreekbaar op uw gedrag.

  • -

    U gaat verantwoord om met middelen van de gemeente (gelden, diensten, goederen, kennis). U vermijdt het maken van onnodige kosten.

  • -

    U draagt verantwoordelijkheid voor uw eigen handelen.

  • -

    U kunt de keuzes die u binnen uw werk maakt verantwoorden.

  • -

    U ondersteunt de verantwoordelijkheid van uw leidinggevende door hem of haar waar nodig te informeren.

  • -

    Indien u namens de gemeente of personeel van de gemeente iets organiseert, geeft u niet de verkeerde indruk door dat te organiseren in een lokaliteit waarvan u weet dat de eigenaar of beheerder een conflict heeft met één van de gemeentelijke bestuursorganen, bijvoorbeeld in verband met overtreding van enigerlei voorschrift.

Vertrouwelijk omgaan met gevoelig informatie

  • -

    U gaat binnen en buiten uw werk zorgvuldig om met persoonlijke gegevens van burgers, gegevens van bedrijven en instellingen, politiek gevoelige informatie en andere informatie die in handen van buitenstaanders de belangen van de gemeente kan schaden.

  • -

    U geeft geen beleidsgevoelige of andere informatie door aan mensen uit uw privé-omgeving die al dan niet een voortrekkersrol spelen bij een actie tegen de gemeente, ook niet als u zelf achter die actie staat. Voor informatie die wel openbaar is verwijst u naar de ambtenaar die bevoegd is die informatie te verstrekken.

  • -

    U gaat functioneel om met gevoelige informatie.

  • -

    U respecteert de privacy van cliënten, zakelijke relaties en collega’s.

  • -

    U gebruikt financiële informatie en voorkennis van beleid voor de uitoefening van uw functie en niet voor andere doeleinden.

  • -

    U ‘lekt’ geen vertrouwelijke informatie vanuit de gemeente naar buiten. U laat niet uit slordigheid buitenstaanders meeluisteren naar een gesprek over het werk of meekijken naar interne stukken.

  • -

    U verstrekt geen informatie aan media zonder overleg met de afdeling Communicatie. Dat geldt voor elke informatie, dus ook voor informatie die naar uw mening niet beleidsgevoelig is.

  • -

    U zorgt ervoor dat stukken met vertrouwelijke gegevens veilig zijn opgeborgen als u uw werkplek verlaat en dat uw computer is afgesloten.

  • -

    Informatie waarover het bestuur een geheimhoudingsplicht heeft opgelegd houdt u geheim.

Nevenfuncties en andere privéactiviteiten

  • -

    U bent zich ervan bewust dat activiteiten die u naast uw werk verricht het functioneren van de gemeente op een of andere manier kunnen raken. Voorbeelden van nevenactiviteiten zijn bestuursfuncties, commissariaten, vrijwilligerswerk, een eigen bedrijfje en vennoot- of aandeelhouderschap.

  • -

    U meldt een (voorgenomen) nevenactiviteit schriftelijk bij het college als de activiteit raakvlakken heeft met uw functie-uitoefening. Een raakvlak is in elk geval aanwezig als u activiteiten verricht voor een organisatie, instantie of bedrijf dat op een of andere manier banden heeft met de gemeente. Bijvoorbeeld: in uw functie adviseert u over subsidie op het terrein van welzijn en in uw vrije tijd vervult u een bestuursfunctie binnen een welzijnstichting in de gemeente.

  • -

    U meldt activiteiten die (kunnen) leiden tot een botsing of onverenigbaarheid met gemeentelijke belangen waar u in uw functie mee te maken hebt. Bijvoorbeeld: privé voert u actie tegen de sloop van een gebouw en in uw functie bent u betrokken bij besluiten over de bestemming van dit gebouw.

  • -

    U hebt geen voortrekkersrol bij acties tegen besluiten of feitelijke handelingen van de gemeente waardoor u rechtstreeks contact kunt hebben of krijgen met gemeentelijke vertegenwoordigers in het kader van die actie. Indien u in het kader van uw functie een beleidsvormende rol hebt gespeeld bij een besluit of feitelijke handeling van de gemeente, neemt u niet publiekelijk deel aan acties tegen dit besluit of deze feitelijke handeling van de gemeente.

  • -

    U meldt een nevenactiviteit ook als deze het risico op schade met zich mee kan brengen voor de organisatie. Zo kan uw productiviteit eronder lijden als u in uw vrije tijd als barkeeper regelmatig tot laat aan het werk bent. Een ander voorbeeld zijn ethisch of politiek omstreden privé-activiteiten van ambtenaren. Die zouden schade kunnen toebrengen aan het imago of de geloofwaardigheid van de gemeente. Niet nodig is dat vaststaat dat de eigen functievervulling concrete schade lijdt of zal lijden. Voldoende is dat schade mogelijk is.

  • -

    U realiseert zich dat ook het oordeel van de buitenwereld van belang is. U kunt uw ‘petten’ misschien zonder probleem scheiden, maar als uw nevenactiviteit de schijn van belangenverstrengeling wekt, is dit ook schadelijk voor het vertrouwen in de overheid. Ook financiële belangen in de privé-sfeer (bijvoorbeeld het hebben van aandelen) kunnen een onafhankelijke besluitvorming in de weg staan of de schijn daarvan hebben. Als de organisatie niets weet van uw financiële belangen, bent u de enige die kan inschatten of dat belang zich verdraagt met uw functie-uitoefening. Hebt u in uw functie een relatie met een bedrijf waar u persoonlijk een financieel belang in heeft, vermijd dan risico’s en bespreek dit met uw leidinggevende.

  • -

    Indien u een van de volgende functies uitoefent, daar worden de nevenfunctie van openbaar gemaakt:

    • o

      Gemeentesecretaris

    • o

      adjunct directeur

    • o

      Commandant van de brandweer

    • o

      Afdelingshoofden

    • o

      Teamleiders

    • o

      Projectleiders

    • o

      Medewerker grond aan- en verkoop

    • o

      Stafmedewerker bestuursondersteuning

    • o

      Vergunningverleners

    • o

      Handhavers en toezichthouders

    • o

      Subsidieverleners

Geschenken, aanbiedingen en incidentele vergoedingen

  • -

    U accepteert een geschenk alleen als uw onafhankelijke opstelling ten opzichte van de gever daardoor niet beïnvloed wordt.

  • -

    U gaat na of acceptatie van het geschenk verplichtingen schept voor de toekomst. U bedenkt ook hoe de buitenwereld zou kunnen aankijken tegen het aannemen van een geschenk. In veel gevallen levert dit geen probleem op. Denk aan een fles wijn voor een door u verrichte presentatie, een ceremonieel aan u overhandigd rapport van een bureau of aan bedrijfsattenties, zoals kalenders en pennen. Dergelijke geschenken zijn bedoeld als blijk van waardering voor uw specifieke inspanning of de goede samenwerkingsrelatie. Een geschenk van een derde dat u in verband met uw werk hebt gekregen is in principe eigendom van de gemeente.

  • -

    Geschenken die u accepteert meldt u bij uw leidinggevende. Geschenken die naar uw idee meer dan € 50 waard zijn accepteert u niet.

  • -

    U meldt ook aangeboden geschenken die u niet hebt geaccepteerd en in het vooruitzicht gestelde geschenken. Bedrijfsattenties, zoals agenda’s, kalenders, pennen, muismatten en hebbedingetjes, hoeft u niet te melden.

  • -

    Aanbiedingen voor privé-werkzaamheden, kortingen op privé-goederen en andere gunsten accepteert u niet.

  • -

    Geschenken die op uw huisadres worden aangeboden accepteert u niet. Indien een geschenk toch thuis is afgeleverd, bespreekt u de bestemming daarvan met uw leidinggevende.

  • -

    Geschenken die u worden aangeboden door een relatie die nog iets van u ‘nodig’ heeft (een opdracht, vergunning, subsidie, beslissing in bezwaarprocedure), accepteert u niet.

  • -

    U accepteert geen geldbedragen. Als afgesproken is dat een derde betaalt voor uw verrichtingen, gebeurt dat door middel van een factuur aan de gemeente.

  • -

    Vanzelfsprekend vraagt u nooit gunsten voor uzelf aan derden.

Uitnodiging voor reizen, congressen, evenementen en diners

  • -

    U beoordeelt of een uitnodiging relevant is voor de gemeente.

  • -

    U bespreekt alle uitnodigingen met uw leidinggevende.

  • -

    U reist niet op kosten van derden. Als deelname aan een reis functioneel is, dan is er sprake van een dienstreis en gelden de algemene regels: er is toestemming nodig van de leidinggevende en de kosten zijn voor de gemeente.

  • -

    U neemt uw verantwoordelijkheid bij informele contacten met derden, zoals recepties en etentjes waar alcohol wordt geschonken. Zorg dat u ‘nee’ kunt blijven zeggen als het ‘nee’ moet zijn.

  • -

    U bent ervoor verantwoordelijk dat de leiding op de hoogte is van het reilen en zeilen binnen uw functie-uitoefening. Blijkt achteraf een uitnodiging meer te hebben omvat dan ingeschat, laat dit dan aan uw leidinggevende weten.

Verantwoord omgaan met gemeentelijke voorzieningen en personeelsregelingen

  • -

    U houdt privégebruik van e-mailsysteem, internet, (mobiele) telefoon, kopieerapparaat en dergelijke beperkt.

  • -

    U zorgt ervoor dat dit uw dagelijkse werkzaamheden niet hindert. In dit verband wordt ook verwezen naar het Privacyreglement e-mail- en internetgebruik van de gemeente Deurne en het GSM protocol die in de bijlagen zijn opgenomen.

  • -

    U laat uw privégebruik van gemeentelijke apparatuur openlijk zijn, zodat u erop kunt worden aangesproken. Uw leidinggevende of collega kan een andere opvatting hebben van ‘beperkt gebruik’ dan u.

  • -

    U neemt geen gemeentelijke eigendommen mee naar huis. Het lenen van eigendommen voor privégebruik is alleen mogelijk als u daarvoor toestemming van uw leidinggevende hebt gekregen. Daarbij kan ook worden gedacht aan het gebruiken van bijvoorbeeld de trilplaat en de aanhanger via de gemeentewerf. Het mag duidelijk zijn dat het ook hierbij gaat om enkel privégebruik.

  • -

    U doet geen privébestellingen via de gemeente.

  • -

    U verzendt geen ongefrankeerde privépost via de postkamer.

  • -

    U declareert alleen kosten die u hebt gemaakt.

  • -

    U maakt eerlijk gebruik van regelingen voor het personeel.

  • -

    Verantwoord gebruik van gemeentemiddelen betekent ook: naleven van de werktijden en de regels bij ziekteverzuim.

Belangen van familie, vrienden en ex-collega’s

  • -

    U bent alert op situaties in uw werk waarin u met privérelaties te maken krijgt.

  • -

    U licht uw leidinggevende in over aanvragen en offertes van vrienden, familieleden of bedrijven waarin familie of vrienden werkzaam zijn.

  • -

    U voorkomt de schijn van vriendjespolitiek en behandelt dergelijke aanvragen niet zelf.

  • -

    U bent terughoudend met het geven van adviezen aan bekenden in de privésfeer.

  • -

    U bent bedacht op botsing van belangen.

  • -

    U let bij het inhuren van ex-collega’s goed op het volgen van de juiste procedure van inhuur en aanbesteding.

  • -

    U kunt motiveren waarom de inhuur van een ex-ambtenaar als zelfstandige nodig en verantwoord is.

  • -

    U realiseert zich hoe dat kan overkomen op de buitenwereld die geen achtergrondinformatie heeft.

  • -

    U bespreekt de risico’s met uw leidinggevende.

  • -

    U bent zich bewust dat de gemeente Deurne een richtlijn hanteert voor het aannemen van familie. De richtlijn is opgenomen in de bijlagen.

Reageren op niet-integere zaken

  • -

    U bespreekt twijfels over de integriteit van collega’s zo veel mogelijk met henzelf. Geef direct aan als er zich knelpunten (kunnen gaan) voordoen. Wacht niet tot een formeel moment. Is dit niet mogelijk of leidt dit niet tot resultaat, dan licht u de leidinggevende, de coördinator integriteit, de burgemeester of een wethouder in.

  • -

    U bent ook zelf aanspreekbaar op uw handelen en uw uitlatingen. Collega’s en burgers kunnen uw werkwijze en uw woorden anders ervaren dan u bedoelt.

  • -

    U meldt een vermoeden van fraude of corruptie bij de leidinggevende, het bestuur of de coördinator integriteit.

  • -

    U meldt uw leidinggevende indien op u door een bestuurder ongeoorloofde druk wordt uitgeoefend. Van ongeoorloofde bestuurlijk druk is in ieder geval sprake, indien een bestuurder druk op u uitoefent om niet uw eigen visie in een voorstel aan het bestuur op te nemen, maar daarvoor in de plaats uitsluitend die van de bestuurder.

  • -

    Bij vermoedens van fraude, maar ook bij andere twijfelachtige zaken, kunt u gebruikmaken van de Klokkenluidersregeling (regeling meldingen misstanden). De gemeente is verplicht om een reactie te geven op uw melding. Wilt u dat niet bekend wordt dat u de misstand aankaart, dan kunt u via de coördinator integriteit een melding doen. Alleen de coördinator integriteit is dan op de hoogte van uw identiteit.

De leidinggevende draagt het integriteitbeleid uit

  • -

    Als leidinggevende geeft u het goede voorbeeld.

  • -

    U bent open over uw manier van werken.

  • -

    U bent aanspreekbaar op uw werkwijze en uw houding naar medewerkers. Bij twijfel en vragen over de juiste handelwijze kunnen medewerkers bij u terecht.

  • -

    U bespreekt twijfels en vragen over integriteit in werkverband en stimuleert medewerkers hetzelfde te doen.

  • -

    U bent alert op risicogevoelige situaties waarin medewerkers terecht kunnen komen en draagt bij aan hun weerbaarheid daartegen.

  • -

    U spreekt medewerkers aan op dubieus gedrag, maakt afspraken en treft zo nodig maatregelen.

  • -

    U zorgt er voor dat medewerkers bij u terecht kunnen indien zij op de hoogte zijn van integer handelen van collega’s en dat om welke reden dan ook niet direct met de betrokken collega’s kan of wil bespreken.

  • -

    U draagt het integriteitbeleid uit en bespreekt dit regelmatig in uw afdelingsoverleg en/of teamoverleg. U bespreekt integriteitbeleid ook regelmatig met de andere leidinggevenden om zo te bevorderen dat de organisatie als geheel zo veel mogelijk dezelfde normen en waarden blijft hanteren.

Vermoeden van gedragingen in strijd met de gedragscode

  • -

    U bent elk voor zich verantwoordelijk voor het naleven van deze gedragscode

  • -

    Indien het vermoeden bestaat dat een ambtenaar zich niet aan de bepalingen van deze gedragscode houdt, stelt de gemeentesecretaris een onderzoek in. Hij kan dit doen uit eigen beweging dan wel op verzoek van een leidinggevende of collega-ambtenaar.

  • -

    Indien het vermoeden bestaat dat de gemeentesecretaris zich niet aan de bepalingen van de gedragscode houdt, dan is de burgemeester gehouden de kwestie aan de orde te stellen in de vergadering van het college.

  • -

    Indien het vermoeden bestaat dat de raadsgriffier en bij de griffie werkzame personen zich niet aan de bepalingen van de gedragscode houden, dan is de burgemeester dan wel de voorzitter van het presidium gehouden de kwestie aan de orde te stellen in de vergadering van het presidium.

  • -

    Indien zich interpretatieverschillen voordoen, dan bespreekt de gemeentesecretaris de desbetreffende kwestie met de burgemeester

  • -

    Heeft dit niet het gewenste effect, dan stelt de burgemeester een en ander aan de orde in de vergadering van het college.

  • -

    Indien het vermoeden bestaat dat er strafrechtelijke aspecten kleven aan het handelen van een ambtenaar, dan brengt de gemeentesecretaris, na overleg met de burgemeester, dit ter kennis van het openbaar ministerie.

Gebruik en bewaren gegevens verkregen door de tijd- en toegangsadministratie

  • -

    Doel van de tijds- en toegangsregistratie is het bijhouden van de gewerkte tijd, inzage in wie wanneer (en waar) aanwezig is. Daarnaast is het ook een planningsinstrument ten aanzien van de bezetting.

  • -

    De geregistreerde gegevens van het toegangscontrole- en tijdregistratiesysteem wordt, maximaal 52 weken vanaf de dag waarop zij zijn geregistreerd, bewaard.

  • -

    De geregistreerde gegevens zijn ter inzage voor:

    • o

      u zelf; voor wat betreft uw eigen boeking

    • o

      de betrokken leidinggevende; voor wat betreft zijn productgroep

    • o

      P&O; voor wat betreft de gehele organisatie

  • -

    De leidinggevende en/of P&O kunnen steekproefsgewijs nagaan welke werktijden gewerkt zijn.

Rechten van betrokkene, verbeteren, aanvullen, verwijderen of afschermen persoonsgegevens.

  • -

    Indien u dit aan P&O verzoekt, wordt u inzage verstrekt van de persoonsgegevens die van u worden bewaard.

  • -

    Indien u van mening bent dat er onjuiste of onvolledige persoonsgegevens worden bewaard kunt u uw leidinggevende verzoeken deze te verbeteren of aan te vullen.

  • -

    Uw leidinggevende draagt er zorg voor dat een beslissing tot verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming zo spoedig mogelijk wordt uitgevoerd.

8.3. Ambtseed

Formulieren

  • Formulier ambtseedverklaring

Lid 1

Iedere medewerker die in dienst treedt van de gemeente Deurne bedoeld in artikel 1:1 lid 1 onder a CAR mondeling ambtseed(belofte) af.

Lid 2

Het mondeling afleggen van de ambtseed (belofte) overeenkomstig het hierbij gevoegde formulier wordt verplicht gesteld voor de in gemeentedienst tredende ambtenaren als bedoeld in artikel 1:1 lid 1 onder a van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling gemeentepersoneel.

Lid 3

De eed (belofte) wordt afgelegd ten overstaan van de gemeentesecretaris.

Lid 4

In voorkomende gevallen leggen de gemeentesecretaris, de raadsgriffier, de bij de griffie werkzame personen en de leidinggevenden de ambtseed (belofte) af in handen van de burgemeester.

Lid 5

Het afleggen van de eed (belofte) gebeurt als volgt:

  • a

    de gemeentesecretaris resp. de burgemeester leest de eedsformule duidelijk voor;

  • b

    degene, die de eed aflegt, moet vervolgens de twee voorste vingers van zijn rechterhand aaneengesloten opsteken en daarbij de woorden uitspreken: "Zo waarlijk helpe mij God almachtig";

  • c

    degene, die de belofte aflegt, spreekt de woorden: "Dat beloof ik".

Lid 6

Het afleggen en afnemen van de eed (belofte) moet staande plaatsvinden. Indien het in dienst tredende personeelslid zich verplicht acht de eed(belofte) op een andere wijze af te leggen, is afwijking van de voorgeschreven vorm toegestaan.

Lid 7

De te beëdigen persoon is vrij in zijn keuze tussen eed en belofte. Tevoren wordt hem naar zijn keuze gevraagd.

Lid 8

Aan de eed (belofte)aflegging, die plaatsvindt in een speciaal daarvoor georganiseerde bijeenkomst, gaat een korte toespraak vooraf, waarin gewezen wordt op de bijzondere verantwoordelijkheid van de gemeente en waarin de bijzondere positie van het personeel van de gemeente en de waarde en inhoud van de eed (belofte) worden toegelicht.

Lid 9

Naast de mondelinge aflegging van de eed (belofte) moet in tweevoud een formulier volgens bijgaand model worden opgemaakt en ondertekend. Eén exemplaar wordt gevoegd bij de voor aanstelling in vaste of tijdelijke dienst benodigde stukken; het andere wordt uitgereikt aan degene, die de eed (belofte) heeft afgelegd.

Lid 10

Eenmaal per kwartaal wordt een bijeenkomst georganiseerd waarbij de eed (belofte) moet worden afgelegd. De eed (belofte)aflegging kan achterwege blijven, als vaststaat, dat het dienstverband niet langer dan 2 maanden zal duren.

Lid 11

De in dienst zijnde ambtenaren én de zittende en nieuwe andere medewerkers leggen een schriftelijke verklaring af volgens het model zoals bij dit besluit gevoegd.

8.4. Regeling Melding Vermoeden Misstand

Inhoudsopgave

  • 1. Algemeen

    • Artikel 1 Begripsbepalingen

    • Artikel 2 Bescherming van de melder

    • Artikel 3 De vertrouwenspersoon

    • Artikel 4 Het externe meldpunt

  • 2. Interne meldingsprocedure

    • Artikel 5 Melding

    • Artikel 6 Melding door een ex-ambtenaar

    • Artikel 7 Informeren van het bevoegd gezag

    • Artikel 8 Ontvangstbevestiging door het bevoegd gezag

    • Artikel 9 Onderzoek door het bevoegd gezag

    • Artikel 10 Standpunt en kennisgeving door het bevoegd gezag

  • 3. Externe meldingsprocedure

    • Artikel 11 Melding bij het externe meldpunt

    • Artikel 12 Ontvangstbevestiging

    • Artikel 13 Niet ontvankelijkheid

    • Artikel 14 Onderzoek door het externe meldpunt

    • Artikel 15 Advies en kennisgeving door het externe meldpunt

    • Artikel 16 Standpunt bevoegd gezag naar aanleiding van het advies van het externe meldpunt

    • Artikel 17 Jaarverslag

  • 4. Slotbepalingen

    • Artikel 18 Intrekking en Inwerkingtreding

1. Algemeen

Artikel 1 Begripsbepalingen

Lid 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a

    ambtenaar: een ieder die werkzaam is of is geweest bij de gemeente Deurne op grond van een aanstelling of een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.

  • b

    bevoegd gezag: het College van Burgemeester en Wethouders;

  • c

    vermoeden van een misstand:een vermoeden van

    • -

      schending van wettelijke voorschriften of beleidsregels;

    • -

      een gevaar voor de gezondheid, de veiligheid of het milieu;

    • -

      een onbehoorlijke wijze van functioneren die een gevaar vormt voor het goed functioneren van de openbare dienst;

  • d

    melder: de ambtenaar die een vermoeden van een misstand meldt overeenkomstig hoofdstuk 2 van deze regeling.

  • e

    melding: de melding van een vermoeden van een misstand door de melder;

  • f

    vertrouwenspersoon: de functionaris als zodanig benoemd door het bevoegd gezag;

  • g

    extern meldpunt: de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO).

Lid 2

Voor de toepassing van deze regeling wordt degene die anders dan op basis van een ambtelijke aanstelling of een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam is binnen de gemeente Deurne gelijkgesteld met een ambtenaar als bedoeld in het eerste lid, onder a.

Klik hier voor de toelichting.

Artikel 2 Bescherming van de melder

Lid 1

Een ieder die betrokken is bij de behandeling van een melding maakt de identiteit van de melder niet bekend zonder zijn instemming, dat zijn in ieder geval de leidinggevende, de vertrouwenspersoon en het externe meldpunt.

Lid 2

De ambtenaar zal als gevolg van de melding van een vermoeden van een misstand geen nadelige gevolgen ondervinden voor zijn rechtspositie. Onder nadelige gevolgen worden in ieder geval verstaan:

  • a

    het verlenen van ongevraagd ontslag;

  • b

    het niet verlengen van een aanstelling voor bepaalde tijd;

  • c

    het niet omzetten van een aanstelling voor bepaalde tijd in een vaste aanstelling;

  • d

    de opgelegde benoeming in een andere functie;

  • e

    het treffen van disciplinaire maatregelen;

  • f

    het onthouden van salarisverhoging, incidentele beloning of toekenning van vergoedingen;

  • g

    het onthouden van promotiekansen;

  • h

    het afwijzen van een verlofaanvraag,

voor zover dit redelijkerwijs verband houdt met de door de melder gedane melding van een vermoeden van een misstand.

Lid 3

Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de melder ook anderszins bij de uitoefening van zijn functie geen nadelige gevolgen van de melding ondervindt.

Lid 4

Het bepaalde in lid 2 en 3 van dit artikel geldt ook voor de ambtenaar die te goeder trouw een vermoeden van een misstand in een andere organisatie dan die van de gemeente Deurne, volgens de in die organisatie geldende regels, bij die organisatie heeft gemeld. De bescherming geldt alleen als de ambtenaar:

  • -

    uit hoofde van zijn functie met die andere organisatie samenwerkt of heeft samengewerkt;

  • -

    uit hoofde van zijn functie kennis heeft verkregen van de vermoede misstand;

  • -

    het vermoeden van de misstand tijdig bij zijn leidinggevende heeft gemeld;

  • -

    zich heeft gehouden aan de afspraken die ter zake van deze melding met hem of haar zijn gemaakt door het bevoegd gezag.

Lid 5

De ambtenaar heeft recht op juridische bijstand wanneer hij als gevolg van het te goede trouw melden van een vermoeden van een misstand nadelige gevolgen ondervindt in zijn rechtspositie, tijdens en/of na het volgen van deze regeling. Deze juridische bijstand wordt gefinancierd door de gemeente Deurne.

Klik hier voor de toelichting.

Artikel 3 De vertrouwenspersoon

Lid 1

Het bevoegd gezag wijst een of meer vertrouwenspersonen aan.

Lid 2

De vertrouwenspersoon heeft tot taak de melder te adviseren.

Lid 3

De vertrouwenspersoon maakt jaarlijks een geanonimiseerd verslag van de aard en de omvang van het aantal interne meldingen. Dit verslag wordt aan het bevoegd gezag en de Ondernemingsraad gestuurd en openbaar gemaakt.

Lid 4

De vertrouwenspersoon geniet bescherming overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, tweede tot en met het vijfde lid, tegen benadeling van zijn rechtspositie als gevolg van de hem bij deze regeling toebedeelde taken.

Klik hier voor de toelichting.

Artikel 4 Het externe meldpunt

Alternatief A

Lid 1

Het bevoegd gezag wijst als extern meldpunt aan de Onderzoeksraad Integriteit Overheid.

Lid 2

De Onderzoeksraad Integriteit Overheid heeft tot taak een door de melder gemeld vermoeden van een misstand te onderzoeken en het bevoegd gezag daarover te adviseren.

Klik hier voor de toelichting.

2. Interne meldingsprocedure

Artikel 5 Melding

Lid 1

De ambtenaar doet een melding bij zijn leidinggevende, bij de vertrouwenspersoon of, indien daartoe aanleiding bestaat, rechtstreeks bij het externe meldpunt.

Lid 2

Een melding laat de wettelijke verplichting tot het doen van aangifte van een strafbaar feit onverlet.

Klik hier voor de toelichting.

Artikel 6 Melding door een ex-ambtenaar

De ex-ambtenaar die een vermoeden van een misstand wil melden doet dit binnen een periode van twaalf maanden na zijn ontslag of beëindiging van zijn werkzaamheden voor de gemeente Deurne bij een vertrouwenspersoon. Hij kan alleen een melding van een vermoeden van een misstand doen als hij in de hoedanigheid van ambtenaar kennis heeft gekregen van het vermoeden.

Klik hier voor de toelichting.

Artikel 7 Informeren van het bevoegd gezag

De leidinggevende of de vertrouwenspersoon bij wie een melding is gedaan draagt er zorg voor dat het bevoegd gezag onverwijld op de hoogte wordt gesteld van de melding en van de datum waarop de melding ontvangen is.

Klik hier voor de toelichting.

Artikel 8 Ontvangstbevestiging door het bevoegd gezag

Lid 1

Het bevoegd gezag zendt aan de melder of de vertrouwenspersoon bij wie het vermoeden van een misstand is gemeld een ontvangstbevestiging. In het laatste geval stuurt de vertrouwenspersoon de ontvangstbevestiging door aan de melder. De ontvangstbevestiging bevat het gemelde vermoeden van een misstand en de datum waarop de melder het vermoeden heeft gemeld.

Lid 2

Het bevoegd gezag informeert de persoon of personen op wie een melding betrekking heeft over de melding, tenzij daardoor het onderzoeksbelang kan worden geschaad.

Lid 3

Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat de identiteit van de melder die overeenkomstig het bepaalde in artikel 5 of 6 een melding heeft gedaan, niet verder bekend wordt dan noodzakelijk is voor de behandeling van de melding.

Klik hier voor de toelichting.

Artikel 9 Onderzoek door het bevoegd gezag

Lid 1

Het bevoegd gezag stelt na ontvangst van de melding onverwijld een onderzoek in.

Lid 2

Het onderzoek wordt niet verricht door een persoon die mogelijk betrokken is of is geweest bij de vermoede misstand.

Lid 3

Het bevoegd gezag kan een deskundige raadplegen.

Klik hier voor de toelichting.

Artikel 10 Standpunt en kennisgeving door het bevoegd gezag

Lid 1

Het bevoegd gezag stelt de melder of de vertrouwenspersoon bij wie de melding is gedaan binnen tien weken na ontvangst van de melding schriftelijk op de hoogte van zijn standpunt omtrent het gemelde vermoeden van een misstand.

Lid 2

Indien niet binnen tien weken een standpunt kan worden gegeven worden de melder of de vertrouwenspersoon bij wie de melding is gedaan voordat deze termijn is verstreken daarvan door middel van een kennisgeving schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte gesteld. Het bevoegd gezag kan het advies met ten hoogste vier weken verdagen.

Klik hier voor de toelichting.

3. Externe meldingsprocedure

Artikel 11 Melding bij het externe meldpunt

Lid 1

De melder kan zijn vermoeden van een misstand binnen redelijke termijn melden bij het externe meldpunt, indien:

  • a

    hij het niet eens is met het standpunt bedoeld in artikel 10;

  • b

    hij geen standpunt heeft ontvangen binnen de termijnen bedoeld in artikel 10.

Lid 2

Indien zwaarwegende belangen de toepassing van de interne meldingsprocedure in de weg staan, kan de melder het vermoeden van een misstand rechtstreeks melden bij het externe meldpunt.

Lid 3

De melding bij het externe meldpunt bevat ten minste:

  • a

    naam en adres van de melder;

  • b

    de organisatie waar de betrokkene werkzaam is of is geweest;

  • c

    de organisatie waarop de melding betrekking heeft;

  • d

    de omschrijving van de misstand die wordt vermoed;

  • e

    de reden van melding aan het externe meldpunt.

Klik hier voor de toelichting.

Artikel 12 Ontvangstbevestiging

Lid 1

Het externe meldpunt bevestigt de ontvangst van een melding van een vermoeden van een misstand aan de melder.

Lid 2

Het externe meldpunt draagt er zorg voor dat het bevoegd gezag op de hoogte wordt gesteld van de melding bij het meldpunt.

Lid 3

Het externe meldpunt informeert de persoon of personen op wie een melding betrekking heeft over de melding bij het externe meldpunt, tenzij het onderzoeksbelang hierdoor kan worden geschaad.

Klik hier voor de toelichting.

Artikel 13 Niet ontvankelijkheid

Lid 1

Het externe meldpunt verklaart de melding niet ontvankelijk indien:

  • a

    er geen sprake is van een misstand of van een misstand van voldoende gewicht;

  • b

    de ambtenaar niet aantoont dat hij het vermoeden eerst intern aan de orde heeft gesteld volgens deze regeling, tenzij zwaarwegende belangen toepassing van de interne procedure in de weg staan;

  • c

    de ambtenaar het vermoeden intern aan de orde heeft gesteld volgens deze regeling, maar de termijn waarbinnen het bevoegd gezag een inhoudelijk standpunt omtrent het vermoeden van een misstand dient te geven, nog niet verstreken is;

  • d

    geen sprake is van een ambtenaar zoals bedoeld in deze regeling;

  • e

    de melding niet binnen redelijke termijn is ontvangen nadat de ambtenaar op de hoogte is gesteld van het standpunt van het bevoegd gezag.

Lid 2

Indien de melding niet ontvankelijk is, stelt het externe meldpunt de melder of vertrouwenspersoon en het bevoegd gezag hiervan binnen vier weken op de hoogte.

Klik hier voor de toelichting.

Artikel 14 Onderzoek door het externe meldpunt

Lid 1

Wanneer de melding ontvankelijk is, kan het meldpunt indien dit voor de uitoefening van zijn taak noodzakelijk is een onderzoek instellen.

Lid 2

Ten behoeve van het onderzoek genoemd in het eerste lid is het externe meldpunt gerechtigd bij het bevoegd gezag alle inlichtingen in te winnen die het voor de vorming van zijn advies nodig acht. Het bevoegd gezag verschaft het externe meldpunt alle inlichtingen.

Lid 3

Het externe meldpunt kan een deskundige raadplegen.

Lid 4

Wanneer de inhoud van bepaalde door het bevoegd gezag verstrekte informatie vanwege het vertrouwelijke karakter uitsluitend ter kennisneming van het externe meldpunt dient te blijven, wordt dit aan het externe meldpunt meegedeeld. Het externe meldpunt beveiligt informatie met een vertrouwelijk karakter tegen kennisneming door onbevoegden.

Klik hier voor de toelichting.

Artikel 15 Advies en kennisgeving door het externe meldpunt

Lid 1

Het externe meldpunt legt binnen acht weken na ontvangst van de melding zijn bevindingen neer in een advies aan het bevoegd gezag. Het externe meldpunt zendt een afschrift van het advies aan de melder of de vertrouwenspersoon bij wie de melding is gedaan.

Lid 2

Indien niet binnen acht weken een advies kan worden gegeven worden de melder of de vertrouwenspersoon bij wie de melding is gedaan alsmede het bevoegd gezag voordat deze termijn is verstreken daarvan door middel van een kennisgeving schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte gesteld. Het externe meldpunt kan het advies met ten hoogste vier weken verdagen.

Lid 3

Het advies wordt, in geanonimiseerde vorm en met inachtneming van het eventueel vertrouwelijke karakter van de aan het externe meldpunt verstrekte informatie en de ter zake geldende wettelijke bepalingen, door het externe meldpunt openbaar gemaakt op een wijze die het externe meldpunt geëigend acht, tenzij zwaarwegende belangen zich hiertegen verzetten.

Lid 4

Het externe meldpunt maakt zijn advies niet openbaar voordat het standpunt van het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 16 van deze regeling, is ontvangen, of er twee weken zijn verstreken sinds het advies is gegeven.

Klik hier voor de toelichting.

Artikel 16 Standpunt bevoegd gezag naar aanleiding van het advies van het externe meldpunt

Lid 1

Het bevoegd gezag stelt binnen twee weken na ontvangst van het advies het externe meldpunt schriftelijk op de hoogte van zijn standpunt en de eventuele consequenties die het daaraan verbindt.

Lid 2

Het externe meldpunt zal het standpunt van het bevoegd gezag aan de melder doen toekomen.

Lid 3

Een van het advies afwijkend standpunt wordt gemotiveerd.

Klik hier voor de toelichting.

Artikel 17 Jaarverslag

Lid 1

Jaarlijks wordt door het externe meldpunt een verslag opgemaakt.

Lid 2

In dat verslag wordt in geanonimiseerde zin en met inachtneming van de ter zake wettelijke bepalingen gemeld:

  • a

    het aantal en de aard van de meldingen van een vermoeden van een misstand;

  • b

    het aantal meldingen dat niet heeft geleid tot een onderzoek;

  • c

    het aantal onderzoeken dat het externe meldpunt heeft verricht;

  • d

    het aantal adviezen en de aard van de adviezen dat het externe meldpunt heeft uitgebracht.

Lid 3

Dit jaarverslag wordt aan het bevoegd gezag en de Ondernemingsraad gestuurd en openbaar gemaakt.

Klik hier voor de toelichting.

4. Slotbepalingen

Artikel 18 Intrekking en Inwerkingtreding

Lid 1

De regeling “Klokkenluidersregeling” van de gemeente Deurne wordt ingetrokken.

Lid 2

Deze regeling treedt in werking op datum besluit B&W, 23 juni 2015.

Artikel 8.4.

Algemeen

Ter introductie

Het is belangrijk dat ambtenaren die een vermoeden van een misstand hebben, deze op een laagdrempelige wijze kunnen aankaarten bij de organisatie. Dit kan bijdragen aan het waarborgen van de integriteit en (verdere) schade voorkomen. In media wordt op regelmatige wijze bericht over ‘klokkenluiders’. (Ex-)werknemers zien zich genoodzaakt om buitenstaanders informatie te verschaffen over situaties waarbij zij van mening zijn dat sprake is van een misstand. Deze regeling kan ertoe bijdragen dergelijke situaties voor te zijn door in voortijdig stadium dergelijk signalen serieus te nemen, te onderzoeken en daar waar nodig van een oplossing te voorzien. Doel van deze regeling is daarom

  • -

    het bevorderen van intern melden en opsporen van misstanden en

  • -

    het bieden van bescherming aan ambtenaren die volgens de geldende regels en procedures vermoedens van een misstand melden.

Achtergrond

In artikel 125 quinquies, eerste lid, onder f, van de Ambtenarenwet is de verplichting voor de werkgever opgenomen om procedurevoorschriften vast te stellen voor het melden van vermoedens van misstanden door ambtenaren. In de CAR-UWO is deze verplichting verwerkt in artikel 15:2 ‘Klokkenluiders’.

In 2003 heeft het College voor Arbeidszaken (CvA haar eerste Voorbeeldregeling Klokkenluiders opgesteld. In 2008 zijn de klokkenluidersregelingen bij de overheid in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken geëvalueerd. Dit heeft geleid tot een nieuwe voorbeeldregeling Melding Vermoeden Misstanden in 2010.

In 2003 werd voor de sector Gemeenten, waaronder ook gemeentelijke samenwerkingsverbanden en andere aan de gemeente gelieerde rechtspersonen, de Commissie Klokkenluiders Gemeentelijke Overheid (CKGO) ingesteld. Deze fungeert als extern meldpunt voor die gemeenten die de CKGO als zodanig aanwijzen. In de loop der jaren zijn ook organisaties uit de sector Waterschappen bij de CKGO aangesloten. Vanwege de verbreding van het werkveld is de CKGO in 2013 omgedoopt tot de Commissie Klokkenluiders Decentrale Overheid (CKDO).

Om de (onderzoeks)krachten én kennis te bundelen fuseert de CKDO per 1 januari 2014 met de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (hierna: Onderzoeksraad). De Onderzoeksraad kent dezelfde rol en taak als het CKDO. De werkwijze blijft ook nagenoeg hetzelfde.

Naar aanleiding van de fusie van de CKDO met de Onderzoeksraad is de voorbeeldregeling Melding Vermoeden Misstanden 2010 en de toelichting hierop opnieuw tegen het licht gehouden en geactualiseerd.

Relatie met het algemeen klachtrecht en aangifteplicht

Deze regeling doet niet af aan het wettelijk recht van een ieder om een klacht bij een overheidsinstantie in te dienen over de wijze waarop deze instantie zich in een bepaalde aangelegenheid ten aanzien van hem of een ander heeft gedragen (hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht). Die klachtenprocedure is echter van algemene aard en niet toegeschreven op de behandeling van vermoedens van misstanden. Evenmin treedt deze voorbeeldregeling in de plaats van de wettelijke verplichting van iedere burger om aangifte bij de politie/openbaar ministerie te doen van een misstand die een misdrijf is. Ambtenaren en politieke ambtsdragers die in de uitoefening van hun functie kennis krijgen van een misdrijf zijn op grond van artikel 162 Wetboek van Strafvordering verplicht daarvan onverwijld aangifte te doen, met afgifte van de tot de zaak betrekkelijke stukken, aan de officier van justitie.

Artikel 1

Het bevoegd gezag is volgens deze regeling het hoogste orgaan binnen een organisatie. Betrokkenheid van het bevoegd gezag bij de behandeling van een meldingen is belangrijk. Het bevoegd gezag dient daarom ook te allen tijde te worden geïnformeerd over de ontvangst van een melding. Tevens draagt zij verantwoordelijkheid voor het (al dan niet) instellen van een onderzoek naar aanleiding van de melding en voor het oordeel naar aanleiding van het ingestelde onderzoek.

Voor het griffiepersoneel werkzaam bij de gemeente is de werkgeverschapstaak neergelegd bij de raad. De gemeenteraad is dus het bevoegd gezag. De uitoefening van het dagelijks werkgeverschap is vaak belegd bij een aparte werkgeverscommissie met uitsluitend raadsleden. Deze regeling kan conform de reguliere procedures worden vastgesteld door deze (werkgevers)commissie.

De definitie van het begrip misstand is aangepast. De nieuwe definiëring sluit aan bij de regelingen voor provincies en rijk. Een vermoeden van een misstand valt uiteen in drie brede categorieën:

  • 1

    een schending van wettelijke voorschriften.

  • 2

    een gevaar voor de gezondheid, de veiligheid of het milieu.

  • 3

    een onbehoorlijke wijze van functioneren die een gevaar vormt voor het goed functioneren van de openbare dienst.

Voor een toelichting op het begrip ‘misstand’ verwijzen wij naar het ‘Besluit van 15 december 2009, houdende een regeling voor het melden van een vermoeden van een misstand bij de sectoren Rijk en Politie’.

De melder is iedere ambtenaar of aan een ambtenaar gelijkgestelde die een melding van een vermoeden van een misstand doet. Het gaat dus niet alleen om ambtenaren, maar ook om stagiaires, vrijwilligers, oproepkrachten etc. Een melding mag worden gedaan tot 12 maanden na uitdiensttreding.

De vertrouwenspersoon is in veel organisaties een bestaand fenomeen. Het gaat hier ook om die bestaande vertrouwenspersoon die conform de lokale regeling is aangesteld.

Lid 2 bepaalt dat een ieder die werkzaamheden gemeente of organisatie (heeft) verricht een melding mag doen. Het gaat dus niet alleen om ambtenaren, maar ook om stagiaires, vrijwilligers, oproepkrachten, ZZP’ers, etc.

Artikel 2

Uitgangspunt is dat de identiteit van de melder geheim wordt gehouden. Dit is alleen anders indien de melder hier zelf toestemming voor geeft. Een ieder die betrokken is bij de behandeling van een melding moet zorgvuldig omgaan met de identiteit van de melder. Indien de melder niet heeft ingestemd met bekendmaking van zijn identiteit kan hij de melding vertrouwelijk doen bij de vertrouwenspersoon. Informatie die de melder dan toekomt wordt verzonden aan de vertrouwenspersoon. De vertrouwenspersoon moet er zorg voor dragen dat de informatie bij de melder terecht komt.

De bescherming ziet ook op de ambtenaar die een misstand heeft gemeld in een andere organisatie dan zijn eigen organisatie. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren als een medewerker tijdelijk samenwerkt met collega’s van een andere gemeente, of participeert in de projectorganisatie met andere organisaties. Noodzakelijk is wel dat de ambtenaar uit hoofde van zijn functie die misstand gewaar wordt. Aan de bescherming zijn de voorwaarden verbonden zoals opgesomd in dit artikel. Deze voorwaarden dienen om te voorkomen dat een onzorgvuldige en/of onjuiste melding bij een andere organisatie leidt tot verstoorde verhoudingen.

De melder heeft op grond van deze regeling recht op juridische bijstand wanneer hij als gevolg van het te goeder trouw melden van een vermoeden van een misstand nadelige gevolgen ondervindt in zijn rechtspositie. Organisaties die een rechtsbijstandverzekering hebben afgesloten bij Centraal Beheer Achmea behoren voor dit risico verzekerd te zijn. Lokaal dient dit gecontroleerd te worden in de polisvoorwaarden.

Artikel 3

De vertrouwenspersoon kan een belangrijke rol vervullen in het proces van integriteitbewustwording, advisering en bij een vertrouwelijke melding ook voor de doorgeleiding van de melding. Het ligt voor de hand om bij grotere organisaties meerdere vertrouwenspersonen te benoemen, vanwege de werklast en het waarborgen van toegankelijkheid. Ook kan (aanvullend) een externe functionaris als vertrouwenspersoon benoemd worden. De algemene taak van de vertrouwenspersoon is de melder te adviseren over de melding. Daarbij kan ook een beroep worden gedaan op het Adviespunt Klokkenluiders.

Bij de vertrouwenspersoon is ook de verplichting neergelegd de interne meldingen te monitoren en daarvan jaarlijks een verslag op te maken. Dit verslag wordt naar het bevoegd gezag en de Ondernemingsraad gestuurd en openbaar gemaakt. De vertrouwenspersoon geniet dezelfde bescherming tegen nadelige gevolgen van zijn rechtspositie als de melder. Ook de vertrouwenspersoon heeft op grond van de regeling recht op juridische bijstand indien hij als gevolg van zijn werkzaamheden die hem op basis van deze regeling zijn toebedeeld negatieve gevolgen ondervindt in zijn rechtspositie. Ook dit risico is meeverzekerd voor organisaties die een rechtsbijstandverzekering hebben afgesloten bij Centraal Beheer Achmea. Lokaal dient dit gecontroleerd te worden in de polisvoorwaarden.

Artikel 4

Het bevoegd gezag kan een ander extern meldpunt aanwijzen dan de Onderzoeksraad. Indien het bevoegd gezag een ander extern meldpunt aanwijst dan kan de werkwijze worden gevolgd die wordt beschreven bij alternatief B.

Artikel 5

Het is aan de ambtenaar te bepalen waar hij zijn melding in eerste instantie wil doen. Het zal aan de omstandigheden liggen of dat zijn leidinggevende – de naast hogere leidinggevende als de melding de direct leidinggevende betreft - dan wel de vertrouwenspersoon is. Het is belangrijk dat hij de melding doet. De organisatie zal in de communicatie over de regeling duidelijk moeten zijn in de mogelijkheden.Een directe melding bij het externe meldpunt is mogelijk. Dat ligt voor de hand als de melding gaat over bijvoorbeeld een handelwijze van college of directie. Artikel 11 gaat hier verder op in.

Wanneer een (vermoeden van) een misstand een strafbaar feit betreft, moet uiteraard altijd aangifte worden gedaan bij de politie. De procedure uit deze regeling kan daarvoor niet in de plaats treden. Van ambtsmisdrijven moet op grond van artikel 162 Strafvordering aangifte worden gedaan.

Artikel 6

Zoals in de toelichting bij artikel 5 al opgemerkt kunnen ook ex-ambtenaren – waarbij de definitie van ambtenaar is als die genoemd in artikel 1 – een vermoeden van een misstand melden. Dat kan gedurende een periode van een jaar na de ontslagdatum. Procedurevoorschriften zijn hierbij hetzelfde als voor de ambtenaar die nog werkzaam is voor de organisatie.

Artikel 7

Het bevoegd gezag moet zo snel mogelijk op de hoogte wordt gesteld van een melding van een vermoede misstand. Belangrijk is dus dat (direct-)leidinggevenden binnen de organisatie goed op hoogte zijn van het bestaan van deze regeling en de bijhorende procedures. Ook als een melding wordt gedaan zonder bekendmaking van de identiteit van de melder kan een onderzoek plaatsvinden.

Artikel 8

Door of namens het bevoegd gezag wordt zo spoedig mogelijk een ontvangstbevestiging gezonden aan de melder met een samenvatting van de procedure die daarop volgt. Het is van belang daarbij de datum van ontvangst van de melding te noemen gezien de termijnen genoemd in artikel 10 en het gevolg van het overschrijden ervan.

Indien de identiteit van de melder niet bekend is gemaakt, wordt hem de ontvangstbevestiging toegezonden via de vertrouwenspersoon bij wie hij de melding heeft gedaan. Deze vertrouwenspersoon zorgt ervoor dat de melder de ontvangstbevestiging ontvangt. Daarnaast worden eventueel andere betrokkenen geïnformeerd. Bij een melding van een vermoeden van een misstand kan de integriteit van andere personen werkzaam bij of voor de organisatie in het geding zijn en onderwerp zijn van onderzoek. Daarom is de bepaling opgenomen dat het bevoegd gezag deze betrokkenen informeert maar daarbij geldt wel als beperking dat het onderzoeksbelang niet wordt geschaad.

Artikel 9

Het bevoegd gezag doet zo snel mogelijk onderzoek. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen op welk niveau en door wie onderzoek wordt gedaan. Afhankelijk van bijvoorbeeld de aard van de vermoede misstand of van de plaats in de organisatie van degenen die daarbij vermoedelijk betrokken zijn, kan het onderzoek worden opgedragen aan de direct leidinggevende van de melder, aan de directeur van een dienst, aan een veiligheidsfunctionaris of wellicht aan een extern bureau of persoon. In het tweede lid is bepaald dat het onderzoek niet mag worden verricht door een persoon die mogelijk betrokken is bij de vermoede misstand, ter voorkoming van mogelijke vooringenomenheid en ongewenste beïnvloeding. Het bevoegd gezag kan bij het onderzoek een (externe) deskundige raadplegen. Ook deze deskundige dient zorgvuldig om te gaan met de identiteit van de melder.

Artikel 10

Het bevoegd gezag krijgt tien weken de tijd om onderzoek te doen en een standpunt te bepalen. De praktijk wijst uit dat het onderzoek de nodige tijd vergt. Als een melding vertrouwelijk wordt gedaan kan dit een reden zijn voor een langere termijn omdat het bevoegd gezag hierdoor meer tijd nodig kan hebben om alle relevante feiten boven tafel te krijgen. Indien de periode van tien weken niet voldoende is, kan het bevoegd gezag de vaststelling van het standpunt met maximaal vier weken verdagen. De betrokkenen worden hiervan voor het verstrijken van deze tien weken op de hoogte gesteld. Deze termijnen zijn gelijk aan de termijnen genoemd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Artikel 11

Er is geen harde termijn gegeven voor de melding bij het externe meldpunt. ’Redelijk’ zal per geval ingevuld moeten worden; het oordeel is aan het meldpunt zelf. Als het meldpunt tot de conclusie komt dat de melding te laat wordt gedaan volgt niet ontvankelijkheid. Dat is opgenomen in artikel 13.

Vertrouwelijke melding bij de commissie is mogelijk. In dat geval zorgt het externe meldpunt ervoor dat de identiteit van de melder niet bekend wordt.

Aan de rechtstreekse gang naar het externe meldpunt is de voorwaarde verbonden dat daarvan alleen gebruik kan worden gemaakt indien daartoe aanleiding bestaat. Een rechtstreekse melding bij het externe meldpunt kan bijvoorbeeld geëigend zijn als het gaat om een vermoeden van een misstand begaan door (leden van) het college of directie. Ook andere situaties of omstandigheden waardoor de melder onvoldoende vertrouwen heeft in een interne melding zijn denkbaar. De melder moet daarbij enigszins kunnen concretiseren waarom hij niet intern wil melden. Het is vervolgens aan het externe meldpunt om te oordelen of de melder zich terecht rechtstreeks tot het externe meldpunt heeft gewend, of dat de melder de kwestie eerst intern aanhangig had moeten maken.

Tevens kan melding bij het externe meldpunt worden gedaan als de melder zich niet kan vinden in het standpunt van het bevoegd gezag en/of deze niet tijdig is ontvangen door de melder.

Artikel 12

De melder ontvangt een ontvangstbevestiging van het externe meldpunt. Het is van belang de datum van ontvangst van de melding te noemen, gezien de termijnen genoemd in artikel 15. Alle betrokkenen worden over de melding geïnformeerd, tenzij daardoor het onderzoeksbelang kan worden geschaad.

Artikel 13

Een melding is niet ontvankelijk indien naar het oordeel van het externe meldpunt er geen sprake is van een misstand of een misstand van voldoende gewicht. De melding is niet-ontvankelijk als de melder zich niet heeft gehouden aan de termijnen als genoemd artikel 10. Dit geldt ook als een melding niet binnen een redelijke termijn is geschied. Een melding is niet ontvankelijk indien rechtstreekse melding bij het externe meldpunt is gedaan, maar er geen sprake is van zwaarwegende belangen die een interne procedure in de weg staan. Tevens is een melding niet-ontvankelijk als geen sprake is van een melder als bedoeld in artikel 1 sub c en/of de melder al langer dan 12 maanden uit dienst is.Indien de melding niet ontvankelijk is worden betrokken hiervan binnen vier weken op de hoogte gesteld.

Artikel 14

Het externe meldpunt stelt zo snel mogelijk na ontvangst van de melding een onderzoek in. Het externe meldpunt kan inlichtingen winnen bij het bevoegd gezag, dat verplicht is hieraan mee te werken. Indien nodig wordt een (externe) deskundige geraadpleegd. Het externe meldpunt beslist of er al dan niet een deskundige wordt geraadpleegd. Ook deze (externe) deskundige gaat zorgvuldig om met de identiteit van de melder.

Artikel 15

Het externe meldpunt krijgt acht weken de tijd om onderzoek te doen en een advies uit te brengen. Indien de periode van acht weken niet voldoende is, worden betrokkenen hiervan voor het verstrijken van deze acht weken op de hoogte gesteld. Het externe meldpunt kan het uitbrengen van het advies met maximaal vier weken verdagen.

Het externe meldpunt maakt het advies aan het bevoegd gezag in geanonimiseerde vorm openbaar, tenzij zwaarwegende belangen zich hiertegen verzetten. Het advies wordt echter niet openbaar gemaakt voordat het bevoegd gezag zijn standpunt bekend heeft gemaakt of, indien er geen standpunt bekend is gemaakt, de termijn van vier weken waarbinnen het bevoegd gezag dit moet doen is verstreken.

Artikel 16

Het bevoegd gezag moet binnen twee weken een besluit nemen op het advies van het meldpunt. Gekozen is voor een relatief korte termijn. Als een gemotiveerd advies van het externe meldpunt beschikbaar is, moet het bevoegd gezag snel tot een besluit kunnen komen. De belangen van de melder en de eventuele andere betrokkenen binnen de organisatie wegen hierbij zwaar: onzekerheid moet niet langer duren dan noodzakelijk.

Artikel 17

Door de Onderzoeksraad (of een ander extern meldpunt) wordt jaarlijks een jaarverslag opgemaakt met het aantal en de aard van de meldingen en de uitgebrachte adviezen. Dit is in lijn met de plicht voor de vertrouwenspersoon om de interne meldingen te monitoren en daarvan jaarlijks een verslag op te maken.Het jaarverslag van de Onderzoeksraad gaat naar het bevoegd gezag en de Ondernemingsraad en wordt openbaar gemaakt.

Toelichting op de werkwijze Onderzoeksraad Integriteit Overheid

In verband met uw (voorgenomen) aansluiting bij de Onderzoeksraad, treft u hierbij nadere informatie aan over enkele onderwerpen, waaronder de bekostiging van de Onderzoeksraad.

Postadres melding van een vermoeden van een misstand

Het postadres voor een melding van een misstand is info@onderzoekssraadintegritieitoverheid.nl

Kosten van een procedure binnen uw organisatie

De kosten van advies en/of of (voor)onderzoek dat al of niet uitmondt in een schriftelijke rapportage vanwege de Onderzoeksraad komen voor rekening van de gemeente of instelling waar de ambtenaar die een vermoeden van een misstand heeft gemeld werkzaam is. De Onderzoeksraad fungeert als adviescommissie van het bevoegd gezag. Meldingen van vermoedens van misstanden worden geacht namens het bevoegd gezag te worden onderzocht. Ongeacht of een melding wel of niet ontvankelijk is zullen de kosten die ermee zijn gemoeid in rekening worden gebracht bij het bevoegd gezag.

Het bedrag dat wordt doorbelast kan bestaan uit de volgende elementen:

  • -

    e vacatiegelden van de commissieleden op basis van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissie (€ 260,00 per dagdeel, excl. BTW). De voorzitter en leden zijn vrijgesteld. Hun inzet wordt bekostigd door het Ministerie van BZK en wordt niet doorbelast.

  • -

    De zaak gerelateerde inhoudelijke (advies)werkzaamheden door terzake deskundige juristen (€ 100-121 per uur excl. BTW) op basis van de tarieven 2013.

  • -

    De administratief - logistieke werkzaamheden (€ 76 per uur) op basis van tarieven 2013 en eventueel reis- en verblijfskostenvergoedingen van commissieleden en secretaris;

  • -

    gebruik ruimte voor hoorzittingen inclusief consumpties (tarieven wwww.caop.nl)

De omvang van het in rekening te brengen bedrag is uiteraard afhankelijk van de omvang en complexiteit van het onderzoek naar een melding. Het onderzoek wordt uitgevoerd door in beginsel drie commissieleden en een secretaris.

Wijze van betaling

De facturen aan de gemeenten en instellingen worden na afronding van de werkzaam- heden opgemaakt en toegezonden door het secretariaat van de Onderzoeksraad, dat is belegd bij het CAOP.

Procedure

De (externe) procedure voor het melden van een vermoeden van een misstand bij de Onderzoeksraad verloopt conform de lokaal vastgestelde regeling met betrekking tot het melden van een misstand. De voorbeeldregeling is te vinden op VNG-net (www.vng.nl >> beleidsvelden >> arbeidsvoorwaarden en personeelsbeleid >> integriteit) en op de website van de Onderzoeksraad www.onderzoeksraadintegriteitoverheid.nl

Het formulier melden vermoedens van mistanden staat vermeld op de website. Het formulier helpt de melder bij het doen van zijn melding.

Secretariaat

Het administratieve secretariaat van de Onderzoeksraad wordt gevoerd door mr. Zerina Fatehmahomed 070-3765865/ E-mail: z.fatehmahomed@caop.nl. Via dit adres kan ook het aansluitingsformulier worden opgevraagd.

8.5. Privacyreglement e-mail- en internetgebruik

Inhoudsopgave

  • Artikel 1 Definities

  • Artikel 2 Reikwijdte

  • Artikel 3 Doeleinden

  • Artikel 4 Verantwoordelijkheden en beheer

  • Artikel 5 Gebruik elektronische communicatiemiddelen

  • Artikel 6 Voorkomen onrechtmatig gebruik dan wel misbruik

  • Artikel 7 Vastlegging

  • Artikel 8 Persoonsgegevens

  • Artikel 9 Bewaring en verwijdering

  • Artikel 10 Personen aan wie persoonsgegevens worden versterkt

  • Artikel 11 Rechten van de betrokkene

  • Artikel 12 Sancties

Artikel 1 Definities

In dit privacyreglement wordt verstaan onder:

  • a

    WbpWet bescherming persoonsgegevens

  • b

    College bescherming persoonsgegevens het College als bedoeld in artikel 51 Wbp

  • c

    betrokkene gebruiker van de elektronische communicatiemiddelen op wie een persoonsgegeven betrekking heeft en die aan te merken is als:

    • a

      medewerker in dienst van de gemeente;

    • b

      persoon die (betaalde of niet-betaalde) werkzaamheden voor de gemeente verricht, anders dan in ambtelijk dienstverband.

  • d

    E-mailfaciliteitende door of namens de gemeente aan betrokkenen ter beschikking gestelde e-mailfaciliteiten

  • e

    internetfaciliteitende door of namens de gemeente aan betrokkenen ter beschikking gestelde internetfaciliteiten.

  • f

    Elektronische communicatiemiddelen e-mail- en/of internetfaciliteiten;

  • g

    persoonsgegeven elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon in de zin van de Wbp

  • h

    Verwerken van persoonsgegevenselke handeling of geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens.

  • i

    bestand elk, al dan niet geautomatiseerd, gestructureerd geheel van persoonsgegevens, ongeacht of dit geheel van gegevens gecentraliseerd is of verspreid is op een functioneel of geografisch bepaalde wijze, dat volgens bepaalde criteria toegankelijk is en betrekking heeft op verschillende personen;

  • j

    verantwoordelijke het college, zijnde het bestuursorgaan dat het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt.

  • k

    Onrechtmatig gebruik dan wel misbruik van de elektronische communicatiemiddelen een doen of nalaten in strijd met dit privacyreglement of andere wet- en regelgeving of een inbreuk op een recht.

Artikel 2 Reikwijdte

Lid 1

Dit privacyreglement is van toepassing op het verwerken van persoonsgegevens inzake het gebruik van elektronische communicatiemiddelen.

Lid 2

Dit privacyreglement geldt voor alle betrokkenen van de gemeente Deurne.

Artikel 3 Doeleinden

Lid 1

De verwerking van persoonsgegevens inzake het gebruik van de elektronische communicatiemiddelen heeft de volgende doeleinden:

  • a

    het verkrijgen van inzicht in de mate van gebruik van de elektronische communicatiemiddelen;

  • b

    het voorkomen van onrechtmatig gebruik dan wel misbruik van de elektronische communicatiemiddelen.

Lid 2

De omvang van de controle ter voorkoming van onrechtmatig gebruik, dan wel misbruik van de elektronische communicatiemiddelen als bedoeld in het eerste lid sub b, wordt zo beperkt mogelijk gehouden, in die zin dat deze in redelijke verhouding staat tot het doel waarvoor deze wordt aangewend.

Artikel 4 Verantwoordelijkheden en beheer

Lid 1

Door de verantwoordelijke worden de nodige maatregelen getroffen, opdat persoonsgegevens, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, juist en nauwkeurig zijn.

Lid 2

Door de verantwoordelijke worden passende technische en organisatorische maatregelen ten uitvoer gelegd om persoonsgegevens te beveiligen tegen verlies of tegen enige vorm van onrechtmatige verwerking.

Lid 3

Door de verantwoordelijke worden één of meerdere systeembeheerders aangewezen die belast zijn met het beheer van het (de) bestand(en). Deze systeembeheerders zijn, op grond van artikel 125a, derde lid, Ambtenarenwet, verplicht tot geheimhouding van de persoonsgegevens waarvan zij kennisnemen, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot mededeling verplicht of uit hun taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.

Artikel 5 Gebruik elektronische communicatiemiddelen

Lid 1

Betrokkenen gebruiken de elektronische communicatiemiddelen primair voor het uitvoeren van de aan hen door de gemeente opgedragen taken.

Lid 2

Incidenteel privé-gebruik van de elektronische communicatiemiddelen door betrokkenen is toegestaan mits dit gebruik in overeenstemming is met dit privacyreglement en dit gebruik in geen geval storend is voor dan wel ten koste gaat van het uitvoeren van de aan hen door de gemeente opgedragen taken.

Lid 3

Het is betrokkenen niet toegestaan met behulp van de e-mailfaciliteiten kettingbrieven te versturen of pornografisch materiaal te versturen of op te vragen, dan wel dreigende, seksueel intimiderende, racistische of discriminerende opmerkingen te maken. Evenmin is het betrokkenen toegestaan met behulp van de e-mailfaciliteiten illegale software te verzenden of op te vragen, dan wel bestanden zonder voorafgaand overleg met de systeembeheerder(s) te verzenden of op te vragen waarvan betrokkene redelijkerwijs moet aannemen dat deze te omvangrijk zijn.

Lid 4

Het is betrokkenen niet toegestaan met behulp van de internetfaciliteiten bewust internetsites die pornografisch, dan wel racistisch materiaal bevatten te bezoeken, mee te doen in chatsessies, online te gokken, software te downloaden dan wel zonder voorafgaand overleg met de systeembeheerder(s) bestanden te downloaden waarvan betrokkene redelijkerwijs moet aannemen dat deze te omvangrijk zijn.

Lid 5

Indien betrokkenen met gebruik van de internetfaciliteiten handelingen verrichten die als emailtoepassingen zijn te kwalificeren, dan zijn de bepalingen van artikel 5, derde lid van overeenkomstige toepassing.

Lid 6

Betrokkenen zullen bij het gebruik van de elektronische communicatiemiddelen de nodige zorgvuldigheid betrachten en de integriteit en goede naam van de gemeente waarborgen.

Artikel 6 Voorkomen onrechtmatig gebruik dan wel misbruik

De gemeente neemt zo veel mogelijk maatregelen in technische zin ter voorkoming van onrechtmatig gebruik dan wel misbruik van de elektronische communicatiemiddelen.

Artikel 7 Vastlegging

Lid 1

Elektronisch vastleggen van persoonsgegevens geschiedt (automatisch) door de door de gemeente ingezette software.

Lid 2

De vastlegging beperkt zich tot de gegevens die noodzakelijk zijn voor de doeleinden van de verwerking als bedoeld in artikel 3, te weten:

  • a

    voor het verkrijgen van inzicht in de mate van gebruik van de elektronische communicatiemiddelen worden alleen stroom- en soortgegevens vastgelegd;

  • b

    voor het voorkomen van onrechtmatig gebruik, dan wel misbruik van de elektronische communicatiemiddelen wordt het gebruik van de elektronische communicatiemiddelen op individueel en inhoudelijk niveau gevolgd. Dit geschiedt slechts bij een redelijk vermoeden van onrechtmatig gebruik, dan wel misbruik van de elektronische communicatiemiddelen.

Artikel 8 Persoonsgegevens

Lid 1

In de in artikel 7 genoemde vastlegging worden ten hoogste de volgende persoonsgegevens opgenomen:

  • a

    gebruikersidentificatie, naam, voornaam of voorletters van de betrokkene;

  • b

    naam en/of codering van de sector, afdeling waaronder de betrokkene valt;

  • c

    gegevens over de toegang tot internet die door de gemeente is geboden aan de betrokkene, inclusief gebruikersnaam en internet protocoladres;

  • d

    gegevens betreffende de datum en het tijdstip van het openen en sluiten van de toegang tot internet door de betrokkene en gegevens betreffende de datum en het tijdstip van het verzenden, dan wel ontvangen van e-mailberichten door de betrokkene;

  • e

    gegevens, inclusief datum en tijdstip, betreffende de door de betrokkene bezochte internetsites (internet protocoladressen en (de onderdelen van) de webpagina's;

  • f

    de inhoud van de door de betrokkene verzonden, dan wel ontvangen mailberichten.

Lid 2

Indien er een redelijk vermoeden bestaat van onrechtmatig gebruik, dan wel misbruik van de elektronische communicatiemiddelen door betrokkene, kan door de verantwoordelijke opdracht worden gegeven om de in het eerste lid, sub e en/of f van dit artikel bedoelde, gegevens vast te leggen en te verstrekken aan de personen bedoeld in artikel 10.

Artikel 9 Bewaring en verwijdering

Lid 1

De in artikel 8, eerste lid, genoemde persoonsgegevens worden maximaal een maand bewaard. Gegevens die ouder zijn dan een maand worden automatisch verwijderd, tenzij er een redelijk vermoeden bestaat van onrechtmatig gebruik, dan wel misbruik van de elektronische communicatiemiddelen in die periode. In dat geval worden de gegevens uit die betreffende maand bewaard zolang dit in het kader van nader onderzoek en eventueel te treffen maatregelen jegens een betrokkene noodzakelijk is. Zodra een nader onderzoek is afgerond en dit niet leidt tot maatregelen jegens een betrokkene worden de gegevens verwijderd.

Lid 2

Indien de systeembeheerder om technische redenen persoonsgegevens als bedoeld in artikel 9, eerste lid, niet kan verwijderen, wordt onder verwijderen verstaan het niet meer verstrekken van deze gegevens voor de in artikel 3 geformuleerde doeleinden.

Artikel 10 Personen aan wie persoonsgegevens worden versterkt

De vastgelegde persoonsgegevens worden, na bewerking, verstrekt aan:

  • a

    de gemeentesecretaris om inzicht te verkrijgen in de mate van gebruik van de elektronische communicatiemiddelen. Het betreft hier dan slechts de gegevens als bedoeld in artikel 8, eerste lid, sub a tot en met d in geaggregeerde, niet tot de persoon herleidbare vorm;

  • b

    de verantwoordelijke indien er een redelijk vermoeden bestaat van onrechtmatig gebruik dan wel misbruik van de elektronische communicatiemiddelen. Het betreft hier dan de gegevens als bedoeld in artikel 8, eerste lid;

  • c

    degene(n) die op verzoek van de verantwoordelijke is (zijn) belast met of leiding geeft (geven) aan onderzoek naar onrechtmatig gebruik dan wel misbruik van de elektronische communicatiemiddelen. Het betreft hier dan de gegevens als bedoeld in artikel 8, eerste lid.

Artikel 11 Rechten van de betrokkene

Lid 1

Aan de betrokkene die daarom aan verantwoordelijke verzoekt, wordt een overzicht verschaft van de hem/haar betreffende persoonsgegevens die worden verwerkt. Indien een gewichtig belang van de verzoeker dit eist, voldoet de verantwoordelijke aan dit verzoek in een andere dan schriftelijke vorm, die aan dat belang is aangepast.

Lid 2

Degene aan wie overeenkomstig het eerste lid kennis is gegeven van de hem betreffende persoonsgegevens, kan de verantwoordelijke verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen of af te schermen indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn, dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

Lid 3

De verantwoordelijke bericht de verzoeker binnen vier weken na ontvangst van het in het tweede lid genoemde verzoek schriftelijk of, dan wel in hoeverre hij daaraan voldoet. Een weigering is met redenen omkleed. Een beslissing op een verzoek geldt als een besluit in de zin van artikel 1:3, Algemene wet bestuursrecht.

Lid 4

De verantwoordelijke draagt er zorg voor dat een beslissing tot verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming zo spoedig mogelijk wordt uitgevoerd.

Artikel 12 Sancties

Lid 1

Overtreding van dit privacyreglement kan voor medewerkers in dienst van de gemeente resulteren in disciplinaire maatregelen als bedoeld in de arbeidsvoorwaardenregeling van de gemeente.

Lid 2

Overtreding van dit privacyreglement kan voor personen die (betaalde of nietbetaalde) werkzaamheden voor de gemeente verrichten, anders dan in ambtelijk dienstverband, resulteren in:

  • a

    maatregelen waardoor deze personen, al dan niet tijdelijk, geen beschikking meer hebben over (een deel van) de elektronische communicatiemiddelen;

  • b

    beëindiging van de contractuele relatie met onmiddellijke ingang.

8.6. Sanctiebeleid

Inhoudsopgave

  • Artikel 1 Werkingssfeer

  • Artikel 2 Begripsbepalingen

  • Artikel 3 Grondslag

  • Artikel 4 Indeling verplichtingen in categorieën

  • Artikel 5 Verplichtingen voor de medewerker

  • Artikel 6 Sancties tijdens re-integratiefase

  • Artikel 7 Sancties tijdens aanvullende uitkering

  • Artikel 8 Sancties tijdens nawettelijke uitkering

  • Artikel 9 Recidive

  • Artikel 10 Samenloop

  • Artikel 11 Afstemmen sanctie op ernst en verwijtbaarheid

  • Overzicht van verplichtingen en bijhorende sancties

Artikel 1 Werkingssfeer

Deze regeling is van toepassing op de medewerker die op grond van artikel 8:3 of artikel 8:6 van de CAR wordt ontslagen. Dit besluit is daarnaast van toepassing op de medewerker die op grond van artikel 8:3 of artikel 8:6 van de CAR is ontslagen en een aanvullende of nawettelijke uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk 10d van de CAR.

Artikel 2 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

  • a

    aanvullende uitkering de uitkering tijdens de werkloosheidsuitkering;

  • b

    nawettelijke uitkering de uitkering na afloop van de werkloosheidsuitkering;

  • c

    medewerker de ambtenaar die op grond van artikel 8:3 of artikel 8:6 van de CAR wordt of is ontslagen en die zich in de re-integratiefase, de periode van de aanvullende uitkering of de periode van de nawettelijke uitkering bevindt.

  • d

    re-integratiefase de fase voorafgaand aan ontslag, waarin door middel van een re-integratieplan afspraken worden gemaakt over de wijze waarop de re-integratie van de ambtenaar het best tot stand kan komen en hieraan uitvoering wordt gegeven met als doel werkloosheid zoveel als mogelijk te voorkomen

  • e

    re-integratieplan het plan van aanpak waarin de re-integratie-inspanningen van gemeente en de medewerker beschreven staan, die tot doel hebben de re-integratie van de medewerker te bevorderen

  • f

    werkloosheid werkloosheid als bedoeld in de Werkloosheidswet, waarbij het arbeidsurenverlies voortvloeit uit de aanstelling of arbeidsovereenkomst bij de gemeente waaruit de werkloosheid plaatsvindt

  • g

    werkloosheidsuitkering uitkering op grond van de Werkloosheidswet, welke uitkering voortvloeit uit de aanstelling of arbeidsovereenkomst met de gemeente

Artikel 3 Grondslag

Deze regeling berust op de artikelen 10d:7, 10d:28 en 10d:34 van de CAR.

Artikel 4 Indeling verplichtingen in categorieën

Lid 1

Als verplichtingen van de eerste categorie worden beschouwd verplichtingen die gericht zijn op het stroomlijnen van het administratieve proces.

Lid 2

Als verplichtingen van de tweede categorie worden beschouwd verplichtingen ter opvolging van controlevoorschriften.

Lid 3

Als verplichtingen van derde categorie worden beschouwd de verplichtingen in het kader van re-integratie en werkhervatting.

Lid 4

Als verplichtingen van de vierde categorie worden beschouwd de verplichtingen die gericht zijn op het beperken van het (financiële) risico van de gemeente.

Lid 5

In een nadere regeling wordt uitgewerkt welke verplichtingen in ieder geval onder welke categorie vallen.

Artikel 5 Verplichtingen voor de medewerker

Gedurende de re-integratiefase, de periode van de aanvullende uitkering en de periode van de nawettelijke uitkering, gelden voor de medewerker de verplichtingen die zijn opgenomen in de nadere regeling, bedoeld in artikel 4, vijfde lid. In het individuele re-integratieplan kunnen aanvullende verplichtingen worden opgenomen.

Artikel 6 Sancties tijdens re-integratiefase

Lid 1

Niet naleving van verplichtingen uit de eerste categorie wordt gesanctioneerd met een korting op het salaris van 5% gedurende één maand, met een mogelijkheid van afwijking tot ten minste 2 procent of ten hoogste 20 procent van het salaris.

Lid 2

Niet naleving van verplichtingen uit de tweede categorie wordt gesanctioneerd met een korting op het salaris van 10% gedurende twee maanden met een mogelijkheid van afwijking tot ten minste 5 procent of ten hoogste 30 procent van het salaris.

Lid 3

Niet naleving van verplichtingen uit de derde categorie wordt gesanctioneerd met een korting op de bezoldiging van 25% gedurende vier maanden met een mogelijkheid van afwijking tot ten minste 15 procent of ten hoogste 100 procent van het salaris.

Lid 4

Niet naleving van verplichtingen uit de vierde categorie wordt gesanctioneerd met een onmiddellijke ingang van het ontslag op grond van artikel 8:3 of artikel 8:6 van de CAR en het vervallen van het recht op de aanvullende en de nawettelijke uitkering.

Lid 5

Indien de medewerker binnen 6 maanden tijd tweemaal zijn verplichtingen niet nakomt, wordt het laatste feit als overtreding van een categorie hoger beschouwd.

Lid 6

Indien de medewerker binnen 6 maanden tijd drie maal zijn verplichtingen niet nakomt, wordt het laatste feit als overtreding van de vierde categorie beschouwd.

Artikel 7 Sancties tijdens aanvullende uitkering

Lid 1

Niet naleving van verplichtingen uit de eerste categorie wordt gesanctioneerd met een korting op de aanvullende uitkering van 5% gedurende één maand, met een mogelijkheid van afwijking tot ten minste 2 procent of ten hoogste 20 procent van het uitkeringsbedrag.

Lid 2

Niet naleving van verplichtingen uit de tweede categorie wordt gesanctioneerd met een korting op de aanvullende uitkering van 10% gedurende twee maanden, met een mogelijkheid van afwijking tot ten minste 5 procent of ten hoogste 30 procent van het uitkeringsbedrag.

Lid 3

Niet naleving van verplichtingen uit de derde categorie wordt gesanctioneerd met een korting op de aanvullende uitkering van 25% gedurende vier maanden, met een mogelijkheid van afwijking tot ten minste 15 procent of ten hoogste 100 procent van het uitkeringsbedrag.

Lid 4

Niet naleving van verplichtingen uit de vierde categorie wordt gesanctioneerd met een blijvende gehele weigering van de aanvullende uitkering en het vervallen van het recht op de nawettelijke uitkering.

Lid 5

Indien de medewerker binnen 6 maanden tijd tweemaal zijn verplichtingen niet nakomt, wordt het laatste feit als overtreding van een categorie hoger beschouwd.

Lid 6

Indien de medewerker binnen 6 maanden tijd drie maal zijn verplichtingen niet nakomt, wordt het laatste feit als overtreding van de vierde categorie beschouwd.

Artikel 8 Sancties tijdens nawettelijke uitkering

Lid 1

Niet naleving van verplichtingen uit de eerste categorie wordt gesanctioneerd met een korting op de nawettelijke uitkering van 5% gedurende één maand, met een mogelijkheid van afwijking tot ten minste 2 procent of ten hoogste 20 procent van het uitkeringsbedrag.

Lid 2

Niet naleving van verplichtingen uit de tweede categorie wordt gesanctioneerd met een korting op de nawettelijke uitkering van 10% gedurende twee maanden, met een mogelijkheid van afwijking tot ten minste 5 procent of ten hoogste 30 procent van het uitkeringsbedrag.

Lid 3

Niet naleving van verplichtingen uit de derde categorie wordt gesanctioneerd met een korting op de nawettelijke uitkering van 25% gedurende vier maanden, met een mogelijkheid van afwijking tot ten minste 15 procent of ten hoogste 100 procent van het uitkeringsbedrag.

Lid 4

Niet naleving van verplichtingen uit de vierde categorie wordt gesanctioneerd met een blijvende gehele weigering van de nawettelijke uitkering.

Lid 5

Indien de medewerker binnen 6 maanden tijd tweemaal zijn verplichtingen niet nakomt, wordt het laatste feit als overtreding van een categorie hoger beschouwd.

Lid 6

Indien de medewerker binnen 6 maanden tijd drie maal zijn verplichtingen niet nakomt, wordt het laatste feit als overtreding van de vierde categorie beschouwd.

Artikel 9 Recidive

Indien binnen één maand na de oplegging van een sanctie een verplichting niet of niet behoorlijk wordt nagekomen, wordt de sanctie voor het nieuwe feit in percentage en tijd verdubbeld, met inachtneming van het bepaalde in artikel 6, vijfde lid, artikel 7, vijfde lid en artikel 8, vijfde lid.

Artikel 10 Samenloop

Indien sprake is van het niet nakomen van meer dan één verplichting en het niet nakomen van deze verplichtingen voortkomt uit één oorzaak, wordt slechts één sanctie opgelegd. Wanneer de niet nagekomen verplichtingen behoren tot verschillende categorieën wordt de sanctie voor de hoogste categorie toegepast.

Artikel 11 Afstemmen sanctie op ernst en verwijtbaarheid

Het percentage van de sanctie wordt verlaagd of verhoogd indien de verminderde of verhoogde ernst of verwijtbaarheid van het niet naleven van de verplichting daartoe aanleiding geeft.

Overzicht van verplichtingen en bijhorende sancties

Fase 1: Re-integratiefase

Algemene beschrijving categorie

Niet nagekomen verplichting zoals:

Sanctie

Categorie 1: Onder deze categorie vallen verplichtingen die gericht zijn op het stroomlijnen van het administratieve proces.

- De medewerker vraagt toestemming om op vakantie te gaan, zodra hij zijn vakantieplanning weet, maar minimaal 4 weken van tevoren.

- De medewerker meldt zich op zijn eerste ziektedag ziek volgens de daarvoor geldende interne afspraken.

- De medewerker voldoet binnen de gestelde tijd aan een verzoek om alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan redelijkerwijs duidelijk is dat zij van invloed kunnen zijn op de re-integratiefase.

- De medewerker dient een kopie van de afsprakenbevestiging* van het intakegesprek te overleggen.

5% korting op het salaris gedurende een maand

Categorie 2: Bij deze categorie gaat het om het nakomen van plichten ter opvolging van controlevoorschriften.

- De medewerker schrijft zich binnen een week na het ontslagbesluit in bij het UWV Werkbedrijf.

- De medewerker overlegt een kopie van het inschrijvingsbewijs bij het UWV Werkbedrijf.*

- De medewerker moet zich inschrijven bij het (regionale) mobiliteitsbureau.

- De medewerker moet zich inschrijven bij een nader bepaald aantal uitzendbureaus, indien hierover individuele afspraken worden gemaakt, geldt dezelfde verplichting voor specifieke uitzendbureaus.

- De medewerker schrijft zich in bij werving- en selectiebureaus, indien hierover individuele afspraken gemaakt zijn.

- De medewerker schrijft zich in bij een re-integratiebureau, indien hierover individuele afspraken gemaakt zijn.

- De medewerker onderhoudt* zijn inschrijving(en) bij:

a het UWV Werkbedrijf

b het regionale mobiliteitsbureau

c de (specifieke) uitzendbureaus

d de werving- en selectiebureaus

e het re-integratiebureau.

- De medewerker moet komen op de afspraak om het voorstel voor het re-integratieplan te bespreken.

- De medewerker overhandigt het formulier ‘Werkzoekenden sector O&O’ * aan de werkcoach tijdens het intakegesprek bij het UWV Werkbedrijf.

- De medewerker zorgt binnen twee werkdagen voor een mondelinge terugkoppeling van de uitkomsten van het intakegesprek bij het UWV werkbedrijf aan de werkgever.

- De medewerker verschijnt op de afgesproken evaluatiemomenten. De medewerker meldt de werkgever of het re-integratiebureau tijdig als re-integratieverplichtingen niet (kunnen) worden nagekomen, met vermelding van de reden hiervan.

10% korting op het salaris gedurende twee maanden

Categorie 3: Onder deze categorie verplichtingen valt gedrag dat de re-integratie en werkhervatting bevordert.

Algemeen

- De medewerker stelt zich niet belemmerend op bij het vinden van werk. Dit houdt concreet in dat de medewerker:

o meewerkt aan het opstellen van het re-integratieplan;

o de afspraken zoals deze zijn vastgesteld in het re-integratieplan nakomt;

o solliciteert op door de werkgever aangereikte functies en zelf actief op zoek gaat naar passende vacatures* en hierop solliciteert;

o meewerkt en gemotiveerd deelneemt aan noodzakelijk geachte scholing, opleiding en/of activiteiten gericht op inschakeling in de arbeid;

o medewerking verleent aan onderzoek over de inhoud, passendheid, voortgang en uitvoering van de re-integratieactiviteiten.

- De medewerker is verplicht zich tijdens ziekte te blijven inzetten voor zijn re-integratie voor zover de gezondheidstoestand van de medewerker dit toelaat.

- De medewerker voorkomt voortduring van de werkloosheid door onvoldoende sollicitatieactiviteiten.

- De medewerker voorkomt voortduring van de werkloosheid door het stellen van eisen die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.

- De medewerker dient mee te werken aan gestelde voorschriften of maatregelen die erop gericht zijn de medewerker in staat te stellen om arbeid te verrichten.

Inzet van re-integratie-instrumenten en/of middelen

- De medewerker moet meewerken aan het opstellen van een arbeidsmarktprofiel. Hiervoor moet hij de volgende aspecten in kaart brengen.

o Opleiding en werkervaring

o Motivatie

I De medewerker moet hiervoor de vragenlijst van het UWV Werkbedrijf gebruiken.

o Competenties

I De medewerker moet hiervoor de vragenlijst van het UWV Werkbedrijf gebruiken.

II De medewerker moet hiervoor de procedure Erkenning Verworven Competenties (EVC) volgen.

o Gewenste functie(s)

I De medewerker moet hiervoor de interessevragenlijst van het UWV Werkbedrijf gebruiken.

II De medewerker moet hiervoor naar een loopbaanadviseur.

III De medewerker moet een beroepskeuzetest afleggen.

- De medewerker is verplicht een eigen portfolio bij te houden en deze ter beoordeling mee te nemen naar de evaluatiegesprekken.

- Wanneer de medewerker gebruik wil maken van re-integratieinstrumenten en/of middelen die niet zijn opgenomen in het re-integratieplan dient dit eerst overlegd te worden met de werkgever.

- Wanneer een re-integratiebureau/outplacementbureau is ingeschakeld, is de medewerker verplicht informatie te leveren aan het bureau die nodig is voor zijn begeleiding.

- De medewerker doet de werkgever maandelijks schriftelijk opgave van zijn sollicitatieactiviteiten conform de afspraken in het re-integratieplan.

- De medewerker is verplicht gebruik te maken van de instrumenten en activiteiten van het UWV werkbedrijf, wanneer de werkgever hiertoe opdraagt.

25% korting op het salaris gedurende vier maanden

Categorie 4: Onder deze categorie vallen handelingen die gemeente kunnen benadelen.

- De medewerker benadeelt de werkgever niet. Dit houdt concreet in dat:

o de medewerker zonder toestemming van zijn werkgever geen (betaald) werk voor zichzelf en/of derden verricht;

o de medewerker niet langer dan toegestaan met vakantie is;

o de medewerker zich tijdens ziekte niet schuldig maakt aan gedragingen die het herstel belemmeren;

o de medewerker geen onjuiste en/of onvolledige informatie verstrekt over zijn persoonlijke situatie, werkhervatting, vakantieopname en andere zaken die van invloed zijn op de re-integratiefase op grond van hoofdstuk 10d CAR-UWO.

Direct ingaan van ontslag waarbij de rechten op een aanvullende uitkering en een nawettelijke uitkering op grond van hoofdstuk 10d CAR-UWO komen te vervallen.

Fase 2 en 3: De aanvullende en nawettelijke uitkering

Algemene beschrijving categorie

Niet nagekomen verplichting zoals:

Sanctie

Categorie 1: Onder deze categorie vallen verplichtingen die gericht zijn op het stroomlijnen van het administratieve proces.

- De medewerker vraagt toestemming om op vakantie te gaan, zodra hij zijn vakantieplanning weet, maar minimaal 4 weken van tevoren.

- De medewerker meldt zich op zijn eerste ziektedag ziek volgens de daarvoor geldende interne afspraken.

- De medewerker informeert de werkgever direct over andere inkomsten dan de WW-uitkering en/of de bovenwettelijke uitkering.

- De medewerker doet de werkgever direct mededeling van alle wijzigingen die zich in de persoonlijke situatie voordoen en die van belang kunnen zijn voor de beoordeling op aanspraak op en de voortzetting van de uitkering. Hieronder worden in ieder geval begrepen wijzigingen in woonplaats, wijzigingen met betrekking tot gezondheidssituatie en wijzigingen met betrekking tot (neven)werkzaamheden of (neven)inkomsten.

5% korting op de uitkering gedurende een maand

Categorie 2: Bij deze categorie gaat het om het nakomen van plichten ter opvolging van controlevoorschriften

- De medewerker moet komen op de afspraak om de voortgang van het re-integratieplan te bespreken.

- De medewerker overlegt een kopie van de verlenging van het inschrijvingsbewijs bij het UWV Werkbedrijf.

- De medewerker onderhoudt* zijn inschrijving(en) bij:

a het UWV Werkbedrijf

b het regionale mobiliteitsbureau

c de (specifieke) uitzendbureaus

d de werving- en selectiebureaus

e het re-integratiebureau.

- De medewerker verschijnt op de afgesproken evaluatiemomenten.

- De medewerker moet voldoen aan elke oproep om aanwezig te zijn of het beantwoorden van vragen die door de werkgever in verband met het recht op uitkering wordt gesteld.

- De medewerker meldt de werkgever of het re-integratiebureau tijdig als re-integratieverplichtingen niet (kunnen) worden nagekomen, met vermelding van de reden hiervan.

10% korting op het salaris gedurende twee maanden

Categorie 3: Onder deze categorie verplichtingen valt gedrag dat de re-integratie en werkhervatting bevordert.

- De medewerker stelt zich niet belemmerend op bij het vinden van werk. Dit houdt concreet in dat de medewerker:

o meewerkt aan het wijzigen van het re-integratieplan;

o de afspraken zoals deze zijn vastgesteld in het re-integratieplan nakomt;

o solliciteert op door de werkgever aangereikte functies en zelf actief op zoek gaat naar passende vacatures* en hierop solliciteert;

o meewerkt en gemotiveerd deelneemt aan noodzakelijk geachte scholing, opleiding en/of activiteiten gericht op inschakeling in de arbeid;

o medewerking verleent aan onderzoek over de inhoud, passendheid, voortgang en uitvoering van de re-integratieactiviteiten.

- De medewerker is verplicht een eigen portfolio bij te houden en deze ter beoordeling mee te nemen naar de evaluatiegesprekken.

- Wanneer de medewerker gebruik wil maken van re-integratieinstrumenten en/of middelen die niet zijn opgenomen in het re-integratieplan dient dit eerst overlegd te worden met de werkgever.

- De medewerker is verplicht gebruik te maken van de instrumenten en activiteiten van het UWV werkbedrijf, wanneer de werkgever hiertoe opdraagt.

- De medewerker doet de werkgever maandelijks schriftelijk opgave van zijn sollicitatieactiviteiten conform de afspraken in het re-integratieplan.

- De medewerker is verplicht de werkgever in kennis te stellen over het indienen van een verzoek bij UWV voor sollicitatieplichtontheffing of vrijstelling van de sollicitatieplicht.

- Wanneer een re-integratiebureau/outplacementbureau is ingeschakeld, is de medewerker verplicht informatie te leveren aan het bureau die nodig is voor zijn begeleiding.

- De medewerker voorkomt voortduring werkloosheid door onvoldoende sollicitatieactiviteiten.

- De medewerker voorkomt voortduring van de werkloosheid door het stellen van eisen die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.

- De medewerker dient mee te werken aan gestelde voorschriften of maatregelen die erop gericht zijn de medewerker in staat te stellen om arbeid te verrichten.

- De medewerker is verplicht zich tijdens ziekte te blijven inzetten voor zijn re-integratie voor zover de gezondheidstoestand van de medewerker dit toelaat.

 

Categorie 4: Onder deze categorie vallen handelingen die gemeente kunnen benadelen.

- De medewerker benadeelt de werkgever niet. Dit houdt concreet in dat:

o de medewerker zonder toestemming van zijn werkgever geen (betaald) werk voor zichzelf of derden verricht;

o de medewerker niet langer dan is toegestaan met vakantie is;

o de medewerker zich tijdens ziekte niet schuldig maakt aan gedragingen die herstel belemmeren;

o de medewerker geen onjuiste en/of onvolledige informatie verstrekt over zijn persoonlijke situatie, werkhervatting, vakantieopname en andere zaken die van invloed zijn op het recht op een uitkering op grond van hoofdstuk 10d CAR-UWO.

Blijven gehele weigering van de aanvullende of nawettelijke uitkering

8.7. Uitvoeringsvoorschriften suppletie 11a:16

Inhoudsopgave

  • Artikel 1 Werkingssfeer

  • Artikel 2 Uitvoeringsvoorschriften suppletie

Dit hoofdstuk is slechts van toepassing op een zeer beperkte groep medewerkers. De regeling geldt enkel voor medewerkers die nog aanspraak maken op een WAO-uitkering.

Artikel 1 Werkingssfeer

In deze regeling staat de verdere uitwerking van de suppletieregeling zoals bedoeld in hoofdstuk 11a:16.

Artikel 2 Uitvoeringsvoorschriften suppletie

Lid 1

De artikelen 1 tot en met 8 van het Model uitkeringsreglement Werkloosheidswet gelden voor zoveel mogelijk als uitvoeringsvoorschriften ten behoeve van een doelmatige controle van betrokkenen en als uitvoeringsvoorschriften met betrekking tot het genieten van vakantie tijdens de duur van de suppletie, met dien verstande dat voor de hierna te noemen begrippen uit het model uitkeringsreglement moet worden gelezen:

  • a

    bedrijfsvereniging: het bestuursorgaan belast met de uitvoering van de suppletieregeling;

  • b

    bestuur: de uitvoeringsinstelling;

  • c

    medewerker: betrokkene;

  • d

    werkgever: het bestuursorgaan dat bevoegd is betrokkenen ontslag te verlenen;

  • e

    uitkering: suppletie;

  • f

    Werkloosheidswet, wat de toepassing van artikel 7 betreft: suppletieregeling.

Lid 2

Met betrekking tot het genieten van vakantie tijdens de duur van de suppletie gelden als uitvoeringsvoorschriften de Regels betreffende het begrip vakantie en de perioden van vakantie met behoud van recht op uitkering, vastgesteld bij besluit van de toenmalige Sociale verzekeringsraad, d.d. 23 januari 1992 (Stcrt. 1992, 19) welke ingevolge artikel Regels vakantieperiode met behoud van recht op uitkering XLVII van de Invoeringswet organisatiewet sociale verzekeringen gelden als het besluit van het Tica op grond van artikel 19, vijfde lid, van de Werkloosheidswet, met die verstande dat voor uitkering dient te worden gelezen: suppletie.

Lid 3

Wijzigingen in het in het eerste lid genoemde modelreglement onderscheidenlijk de in het tweede lid genoemde Regels, gelden, voor zover deze als uitvoeringsvoorschriften van de suppletieregeling zijn aangeduid, als wijzigingen van deze uitvoeringsvoorschriften.

Lid 4

Betrokkene is verplicht om met inachtneming van de nadere aanwijzingen van de uitvoeringsinstelling, het ontstaan van de ziekte als gevolg waarvan hij verhinderd is arbeid te verrichten, aan de uitvoeringsinstelling te melden, alsook zijn herstel daarvan.

Lid 5

Het recht op suppletie van de betrokkene die gaat deelnemen aan een voor hem naar het oordeel van de uitvoeringsinstelling noodzakelijke opleiding of scholing, blijft bestaan totdat die opleiding of scholing is beëindigd, indien:

  • a

    de opleiding of scholing arbeidsmarktgericht is, deel uitmaakt van het re-integratieplan dat door de uitvoeringsinstelling in samenspraak met betrokkene is vastgesteld en naar aard en omvang niet meer omvat dan in het re-integratieplan is vastgesteld; of

  • b

    de opleiding of scholing arbeidsmarktgericht is en, wanneer er geen reïntegratieplan is, zoals bedoeld in onderdeel a, de uitvoeringsinstelling daarvoor toestemming geeft.

Lid 6

In afwijking van artikel 4 blijf het recht op suppletie van de betrokkene die gaat deelnemen aan een voor hem naar het oordeel van de uitvoeringsinstelling noodzakelijke opleiding of scholing, na afloop van de ingevolge de artikelen 11a:2, 11a:6, en 11a:7, onderscheidenlijk artikel 11a:17 van de suppletieregeling vastgestelde reguliere duur van de suppletie niet bestaan totdat die opleiding of scholing is beëindigd, indien:

  • a

    tijdens de opleiding of scholing ter zake van die opleiding of scholing recht bestaat op een voorziening in de derving van de inkomsten;

  • b

    de opleiding of scholing de strekking heeft om na afloop daarvan werkzaamheden bij een (1) bepaalde onderneming of een (1) bepaald bestuursorgaan te gaan verrichten;

  • c

    de opleiding of scholing langer duurt dan een (1) jaar;

  • d

    tijdens de opleiding of scholing sprake is van het verrichten van productieve werkzaamheden.

Lid 7

De betrokkene kan de in artikel 11a:15 van de suppletieregeling bedoelde onbeloonde activiteiten verrichten met behoud van suppletie, indien naar het oordeel van de uitvoeringsinstelling:

  • a

    de betreffende activiteiten van de betrokkene geen bedrijfsmatig karakter hebben;

  • b

    de betreffende activiteiten van de betrokkene in de gegeven situatie doorgaans niet door een betaalde kracht zullen of kunnen worden verricht; of

  • c

    de instelling die of het bestuursorgaan dat de niet betaalde werkzaamheden organiseert, geen subsidie heeft of kan verkrijgen wat de loonkosten betreft.

9 Overige bepalingen, van toepassing op alle regelingen, opgenomen in deze regeling

9. Overige bepalingen, van toepassing op alle regelingen, opgenomen in deze regeling

Inhoudsopgave

  • Artikel 1 Onvoorziene gevallen

  • Artikel 2 Mandaat

  • Artikel 3 Inwerkingtreding

  • Artikel 4 Slotbepaling

Artikel 1 Onvoorziene gevallen

Voor gevallen waarin de regelingen ingevolge de hoofdstukken 1 tot en met 8, als hierboven bedoeld, niet of niet naar billijkheid voorziet, treft het college een bijzondere regeling.

Artikel 2 Mandaat

Toepassing van het bepaalde in de regelingen ingevolge de hoofdstukken 1 tot en met 8, als hierboven bedoeld, geschiedt door de gemeentesecretaris. Doormandatering is toegestaan.

Artikel 3 Inwerkingtreding

De arbeidsvoorwaarden zoals opgenomen in de hoofdstukken 1 tot en met 8, treden in werking met ingang van de dag volgend dat ze worden vastgesteld

Artikel 4 Slotbepaling

Tezamen met de CAR/UWO vormen de hoofdstukken 1 tot en met 8 de “Lokale Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Deurne”.

Beleidsnotities

Beleidsnotities

Door op een van onderstaande linken te klikken, gaat u naar de beleidsnotities van de Gemeente Deurne.

  • -

    Arbeidsomstandigheden

    • Agressie: Omgaan met agressieve burgers (beleid)

    • Agressie: Schema hal, receptie en spreekkamers

    • Agressie: Schema handhaving, opzichters en sporthallen

    • Agressie: Schema huisbezoek

    • Agressie: Brief opleggen toegangsverbod

    • Agressie: Brief waarschuwing

    • Agressie incidenten Deurne (zie K:\Agressie incidenten Deurne)

    • Ongewenste omgangsvormen (beleid)

    • Ongewenst gedrag regeling klachtencommissie

    • Ongewenst gedrag regeling klachtencommissie (toelichting)

    • Ziekteverzuimbeleid

    • Ziekteverzuimprotocol

  • -

    Functioneren en opleiden

  • -

    Overige

    • Aanname familieleden

    • Exitinterviews

    • Integriteit

    • Introductieprotocol

    • Piketregeling rampenbestrijding en crisisbeheersing

    • Stagebeleid

    • Verlofdagen met behoud van salaris

    • WOP lief en leedpot

1 Algemene bepalingen

Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen

  • 1

    Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt verstaan onder:

    • a

      ambtenaar: hij die door of vanwege de gemeente is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn alsmede hij met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan;

    • b

      functie: het geheel van werkzaamheden dat door de ambtenaar is te verrichten conform artikel 3:1;

    • c

      pensioenwet:de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die gold tot en met 31 december 1995;

    • d

      pensioen: een pensioen in de zin van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;

    • e

      arbeidsduur: de vooraf vastgestelde omvang van het aantal uren in een bepaalde periode gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht;

    • f

      arbeidsduur per dag: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde dag is vastgesteld;

    • g

      formele arbeidsduur per week: de arbeidsduur volgens de aanstelling;

    • h

      feitelijke arbeidsduur per week: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde week is vastgesteld;

    • i

      vervallen;

    • j

      arbeidsduur per jaar: de naar jaarbasis herleide formele arbeidsduur per week, gecorrigeerd voor feestdagen;

    • k

      dienstverband: een aanstelling voor bepaalde of onbepaalde tijd, of een oproepovereenkomst;

    • l

      overwerk: werkzaamheden die de ambtenaar, voor wie de bijzondere werktijdenregeling geldt, in dienstopdracht verricht buiten de feitelijke arbeidsduur per week;

    • m

      werkdag: een dag waarop de ambtenaar arbeid moet verrichten;

    • n

      werktijd: de periode tussen vastgestelde tijdstippen gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht;

    • o

      uurloon: 1/156 gedeelte van het - zo nodig naar een volledig dienstverband herberekende - salaris van de ambtenaar per maand;

    • p

      Zvw: de Zorgverzekeringswet

    • q

      CAR: Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten;

    • r

      UWO: Uitwerkingsovereenkomst;

    • s

      vervallen;

    • t

      vervallen;

    • u

      LOGA: Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden;

    • v

      WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

    • w

      arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschikt in de zin van artikel 18, eerste lid, van de WAO;

    • x

      WAO-uitkering: een uitkering op grond van de WAO;

    • y

      WIA:Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;

    • z

      IVA: Regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten;

    • aa

      IVA-uitkering: de uitkering bij volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA;

    • bb

      WGA: Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten;

    • cc

      WGA-uitkering: de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van de WIA;

    • dd

      WAJONG:Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jong gehandicapten;

    • ee

      WAZ:Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;

    • ff

      Wazo:Wet arbeid en zorg;

    • gg

      SUWI: de wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen;

    • hh

      uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 39, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;

    • ii

      pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;

    • jj

      WPA: de Wet privatisering ABP;

    • kk

      vervallen;

    • ll

      vervallen;

    • mm

      volledig dienstverband: een dienstverband waarvan de arbeidsduur per jaar 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per week 36 uur bedraagt. Bij een deeltijd dienstverband bedraagt de arbeidsduur minder dan 1836 uur per jaar en de formele arbeidsduur minder dan 36 uur per week

    • nn

      ZW: de Ziektewet;

    • oo

      ZW-uitkering: ziekengeld of uitkering krachtens de ZW;

    • pp

      UWV: het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet SUWI.

    • qq

      Salaris: maandbedrag dat binnen de salarisschaal aan de ambtenaar is toegekend, naar evenredigheid van diens formele arbeidsduur.

    • rr

      Salaristoelagen: de in paragraaf 3 van hoofdstuk 3 genoemde toelagen te weten: de functioneringstoelage, de waarnemingstoelage, de toelage onregelmatige dienst, de buitendagvenstertoelage, de toelage beschikbaarheidsdienst, de inconveniententoelage, de arbeidsmarkttoelage, de garantietoelage en de afbouwtoelage, die aan de medewerker zijn toegekend. Deze werden tot 1 januari 2016 tot de bezoldiging gerekend.

    • ss

      Functieschaal: de salarisschaal die bij een functie hoort;

    • tt

      Periodiek: het maandbedrag in een salarisschaal;

    • uu

      Salarisschaal: een reeks maandbedragen als opgenomen in de bijlage bij dit hoofdstuk;

    • vv

      Achterblijvende Partner: weduwe, weduwnaar, geregistreerd partner van de overleden ambtenaar, of de ongehuwde partner die een samenlevingscontract had met de overleden ambtenaar.

    • ww

      Vakantietoelage: jaarlijkse toelage van 8% van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), hetgeen met ingang van 1 januari 2017 een vast onderdeel van het Individueel Keuze Budget vormt.

  • 2

    Tot de openbare dienst van de gemeente behoren alle diensten en bedrijven door de gemeente beheerd.

Artikel 1:2 Geen ambtenaar

  • 1

    Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt niet als ambtenaar beschouwd:

    • a

      het onderwijzend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs;

    • b

      het onderwijsondersteunend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs, indien zij belanghebbenden zijn in de zin van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel;

    • c

      de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand als zodanig;

    • d

      de onbezoldigd gemeenteambtenaar als genoemd in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, c, d en e van de Gemeentewet;

    • e

      de directeur van de RDW Dienst Wegverkeer die tevens is benoemd tot onbezoldigd ambtenaar der gemeentelijke belastingen;

    • f

      de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is zonder opsporingsbevoegdheid;

    • g

      de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is met opsporingsbevoegdheid;

    • h

      hij die een indicatie heeft voor de sociale werkvoorziening en op grond daarvan op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst is van de gemeente, met uitzondering van de geïndiceerde die werkzaam is bij de gemeente in het kader van begeleid werken als bedoeld in artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening;

    • i

      de ambtenaar als bedoeld in artikel 1.1, onder “medewerker”, van de sector-cao Ambulancezorg.

  • 2

    Voor toepassing van onderdeel f of g van het eerste lid is, afhankelijk van de lokale bevoegdheidsverdeling tussen het georganiseerd overleg en de ondernemingsraad, overeenstemming vereist is in het georganiseerd overleg of instemming vereist van de ondernemingsraad.

  • 3

    Op de ambtenaar die aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer is alleen hoofdstuk 19 en hoofdstuk 19a van toepassing.

Artikel 1:2:0:1 Rechtspositieregeling voor de buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand

In aanvulling op het gestelde in artikel 1:2 heeft de gemeente Deurne een Rechtspositieregeling voor de buitengewoon ambtenaar (BABS) van de burgerlijke stand vastgesteld.

Klik hier om naar deze regeling in te gaan.

Artikel 1:2:1 Geen ambtenaar

  • 1

    Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan zijn artikel 3:11, 3:13, 3:25, 3:26, en de hoofdstukken 17 en 18 niet van toepassing.

  • 2

    Op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming zijn de hoofdstukken 3, 7, 10d, 11a en 17 niet van toepassing

  • 3

    Op de ambtenaar die is aangesteld als vakantiekracht zijn de hoofdstukken 3, 10d en 17 niet van toepassing.

  • 4

    Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen, zijn de hoofdstukken 3, 10d en 11a niet van toepassing.

  • 5

    De ambtenaar, bedoeld in de leden 2, 3 of 4 van dit artikel, heeft recht op:

    • a

      8% vakantietoelage, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag is van € 146,65 bij een volledig dienstverband, en

    • b

      1,5% van het in de maand van opbouw geldende salaris, voor de ambtenaar die geboren is na 31 december 1949, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag is van € 33,33 bij een volledig dienstverband, en

    • c

      0,8% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende salaris.

Artikel 1:2:2 Vervallen

Vervallen.

Artikel 1:2:3 Vervallen

Vervallen.

Artikel 1:2a Stageplaats

  • 1

    Het college kan een student in het kader van opleiding, studie of onderzoek een stageplaats aanbieden op basis van een stage-overeenkomst.

  • 2

    Op de stage-overeenkomst is de CAR-UWO van toepassing, met uitzondering van de hoofdstukken 3, 5a, 6, 6a, 7, 10d en 17 en artikelen 2:1A, 2:1B, 2:4.

  • 3

    De stage-overeenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd, waarbij de duur afhankelijk is van de leerdoelen van de stagiair.

  • 4

    De te verrichten werkzaamheden worden bepaald in samenspraak met de stagiair en onderwijsinstelling, waarbij het leerproces van de stagiair centraal staat. Het college zorgt voor adequate begeleiding.

  • 5

    Aan de stagiair kan een onkostenvergoeding worden betaald.

  • 6

    De stagiair is geen werknemer in de zin van artikel 2:4 van het Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP.

Artikel 1:2b Werkervaringsplaats

  • 1

    Het college kan degene die daarom verzoekt een werkervaringsplaats aanbieden op basis van een werkervaringsovereenkomst.

  • 2

    Op de werkervaringsovereenkomst is de CAR-UWO van toepassing, met uitzondering van de hoofdstukken 3, 5a, 6, 6a, 7, 10d en 17 en artikelen 2:1A, 2:1B en 2:4.

  • 3

    De werkervaringsovereenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd, voor een periode van maximaal 6 maanden. De werkervaringsovereenkomst kan eenmalig worden verlengd met een periode van maximaal 6 maanden.

  • 4

    De te verrichten werkzaamheden worden bepaald in overleg met de medewerker, waarbij het leerproces van de medewerker centraal staat. Het college zorgt voor adequate begeleiding.

  • 5

    Aan de medewerker wordt een onkostenvergoeding betaald.

  • 6

    De medewerker is geen werknemer in de zin van artikel 2:4 van het Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP.

Artikel 1:2c Aanstellingen op grond van de banenafspraak

  • 1

    In afwijking van artikel 3:3 lid 1 kan het college salarisschaal A in bijlage IIa vaststellen voor de ambtenaar die op grond van de Wet banenafspraak een aanstelling krijgt omdat hij onder de Participatiewet valt en door beperkingen niet het wettelijk minimumloon kan verdienen.

  • 2

    In afwijking van artikel 3:3 lid 1 kan het college vaststellen dat de ambtenaar die op grond van de Wet banenafspraak een aanstelling krijgt omdat hij Wajonger is met arbeidsvermogen en voor wie een loonwaarde van minder dan 100% is vastgesteld, recht heeft op een door zijn loonwaarde bepaald percentage van het salaris. Is het door het loonwaarde bepaalde percentage van het salaris lager dan het wettelijk minimumloon, dan is het salaris van de ambtenaar gelijk aan het wettelijk minimumloon.

  • 3

    Voor de ambtenaar, bedoeld in lid 1 gelden niet de in artikel 3:28 lid 2, onderdelen a , b en c genoemde minimumbedragen.

  • 4

    Voor de ambtenaar, bedoeld in lid 2 gelden als minimumbedragen, de bedragen genoemd in artikel 3:28 lid 2, onderdelen a, b en c naar rato van de loonwaarde en de deeltijdfactor.

  • 5

    Indien het college voor de in lid 2 genoemde ambtenaar loondispensatie op grond van de Wajong ontvangt, past het college deze loondispensatie toe op het salaris en de daarop gebaseerde toelagen en vergoedingen.

Artikel 1:3 Toepassing

  • 1

    De bepalingen van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst vinden ten aanzien van ambtenaren, omtrent wier rechtstoestand bij of krachtens de wet regelen zijn gesteld, slechts toepassing, voor zover bij of krachtens de wet die rechtstoestand niet is geregeld.

  • 2

    Bij besluit van het college kan de toepasselijkheid van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst of van delen daarvan op ambtenaren of groepen ambtenaren om bijzondere redenen worden uitgesloten. Het voornemen een besluit te nemen, bedoeld in de eerste volzin, wordt - met redenen omkleed - gemeld bij het secretariaat van het LOGA. Deze melding kan voor LOGA-partijen aanleiding zijn te besluiten tot een verdere handelwijze.

Artikel 1:3a Toepassing

Voor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en de op de griffie werkzame ambtenaren is de raad bevoegd.

Artikel 1:3:1 Toepassing

Vervallen

Artikel 1:4:1 Voorschriften en instructies

Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college, indien zulks naar het oordeel van het college nodig of wenselijk is:

  • a

    bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de bepalingen van deze regeling, alsmede ten behoeve van het functioneren van de dienst;

  • b

    instructies vaststellen ten aanzien van functies en bij de vervulling daarvan te volgen werkwijzen.

Artikel 1:4:1:1 Privacyreglement e-mail- en internetgebruik

In aanvulling op het gestelde in artikel 1:4:1 heeft de gemeente Deurne een Reglement e-mail- en internetgebruik vastgesteld.

Klik hier om naar dit reglement in te gaan.

Artikel 1:4:2 Uitreiking van CAR en UWO

  • 1

    Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van deze regeling, van de wijzigingen daarvan en van alle andere regelingen welke ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet zijn of worden getroffen.

  • 2

    Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de in het vorige lid bedoelde stukken:

    • a

      de centrales van overheidspersoneel welke zijn toegelaten tot het LOGA met het college voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten;

    • b

      de organisaties die blijkens hun statuten de belangen van gemeenteambtenaren behartigen en aangesloten zijn bij de onder a aangeduide centrales;

    • c

      de afdelingen van de organisaties, bedoeld onder b;

    • d

      ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in aanmerking komt.

Artikel 1:4:3 Uitreiking van CAR en UWO

  • 1

    Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van de voor hem geldende schriftelijke regels, welke zijn vastgesteld ter uitwerking of uitvoering van de bepalingen van deze regeling of welke hij bij de vervulling van zijn functie heeft na te leven, tenzij de bedoelde regels op een voor hem gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage liggen.

  • 2

    Wanneer de ambtenaar niet schriftelijk vastgestelde regels als bedoeld in het eerste lid heeft na te leven, worden deze behoorlijk te zijner kennis gebracht.

Artikel 1:4:4 Voordragen van belangen

De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het hoofd van dienst en bij het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan voor te dragen.

Artikel 1:5 Omvang van de betrekking

Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang van de betrekking, worden deze tot op twee decimalen afgerond. Om tot een decimaal te komen wordt de gangbare afbreekregel gehanteerd.

Artikel 1:6 Vrijstelling

  • 1

    In een nadere regeling kan worden bepaald dat in bijzondere gevallen voor nader te bepalen hogere functies een tijdelijke aanstelling kan worden verleend in afwijking van artikel 2:4, alsmede dat voor bedoelde functies kan worden afgeweken van de salaristabel en/of van het bepaalde in de hoofdstuk 8 en 10d. In de commissie voor georganiseerd overleg moet overeenstemming zijn bereikt over de criteria voor de aanwijzing van deze functies en over de functies zelf. Ingeval geen commissie voor georganiseerd overleg is ingesteld, wordt de procedure ingevolge bijlage III van deze regeling gevoerd bij het opstellen van even genoemde criteria en bij het bepalen van de functies, waarbij het overeenstemmingsvereiste van toepassing is.

  • 2

    De in het vorige lid bedoelde regeling kan overeenkomstig van toepassing worden verklaard op ambtenaren in tijdelijke dienst die projecten of functies van tijdelijke aard uitoefenen waarbij de te bereiken resultaten in een bepaalde tijdsperiode tevoren kunnen worden vastgesteld en de betrokken ambtenaar in verregaande mate zelfstandig verantwoordelijkheid draagt voor de inrichting van de werkzaamheden.

2 Aanstelling en arbeidsovereenkomst

Artikel 2:1 Aanstelling; het bevoegd gezag

Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt bepaald, geschiedt de aanstelling door het college.

Artikel 2:1A Aanstelling in algemene dienst

  • 1

    De aanstelling geschiedt in algemene dienst van de gemeente.

  • 2

    Het college stelt in een lokale regeling nadere regels ter uitvoering van dit artikel.

  • 3

    De ambtenaar die op 31 december 2012 in dienst is van de gemeente is met ingang van 1 januari 2013 van rechtswege aangesteld in algemene dienst van de gemeente.

Artikel 2:1B Aanstelling in algemene dienst

  • 1

    De ambtenaar is – nadat hij is gehoord – verplicht om in het belang van de dienst een andere passende functie te aanvaarden. Een passende functie is een functie die de ambtenaar redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen.

  • 2

    Indien het college dit in het belang van de dienst nodig acht, is de ambtenaar verplicht om:

    • a

      tijdelijk niet tot zijn functie behorende werkzaamheden te verrichten, dan wel tijdelijk een andere functie waar te nemen;

    • b

      tijdelijk werkzaamheden te verrichten buiten de voor hem vastgestelde werktijden;

    • c

      beschikbaar te zijn buiten de voor zijn functie vastgestelde werktijden. Voor het, gedurende onbepaalde tijd periodiek verrichten van deze beschikbaarheidsdiensten wordt de ambtenaar schriftelijk aangewezen, indien deze diensten ten minste op gemiddeld zestig kalenderdagen in een periode van twaalf maanden zullen moeten worden verricht, hetgeen uit de schriftelijke aanwijzing moet blijken.

  • 3

    Wanneer de ambtenaar meent, dat in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden de in het tweede lid bedoelde werkzaamheden redelijkerwijs niet van hem kunnen worden gevergd, geeft hij – onverminderd zijn verplichting om die werkzaamheden terstond aan te vangen – daarvan door tussenkomst van het hoofd van dienst terstond kennis aan het college, dat zo spoedig mogelijk een beslissing ter zake neemt.

Artikel 2:2 Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid

  • 1

    Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie - na een daartoe door of vanwege het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan gehouden onderzoek - kan worden aangenomen, dat hij in voldoende mate beschikt over de hoedanigheden tot het verrichten van de hem op te dragen werkzaamheden.

  • 2

    Het college treft maatregelen, waardoor de vertrouwelijkheid van de gegevens, ontvangen op grond van het in het eerste lid bedoelde onderzoek, te allen tijde wordt gegarandeerd.

  • 3

    Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld, dat betrokkene in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

  • 4

    De vreemdeling, zoals omschreven in de Vreemdelingenwet 2000 kan slechts voor een aanstelling in aanmerking komen indien hij beschikt over een tewerkstellingsvergunning tenzij hij van deze verplichting is uitgesloten krachtens artikel 3 van de Wet arbeid vreemdelingen.

Artikel 2:3 Aanstelling; geneeskundig onderzoek

  • 1

    Onverminderd artikel 2:2, kan het college bepalen dat voor bepaalde functies, waarbij aan de vervulling van de functie bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld, aanstelling alleen mogelijk is na een geneeskundig onderzoek gericht op de te vervullen functie, waaruit blijkt dat tegen het vervullen van de functie uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan. Het geneeskundig onderzoek wordt ingesteld door de geneeskundige(n), daartoe aangewezen door het college.

  • 2

    De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de gemeente.

Artikel 2:4 Duur van de aanstelling

  • 1

    De aanstelling geschiedt voor bepaalde of onbepaalde tijd.

  • 2

    Vanaf de dag dat een reeks van twee of drie aanstellingen voor bepaalde tijd, die elkaar opvolgen met tussenpozen van ten hoogste 6 maanden, een periode van 24 maanden overschrijdt (de tussenpozen inbegrepen), geldt de laatste aanstelling met ingang van die dag als een aanstelling voor onbepaalde tijd.

  • 3

    Vanaf de dag dat meer dan drie aanstellingen voor bepaalde tijd elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan 6 maanden, geldt de laatste aanstelling als een aanstelling voor onbepaalde tijd.

  • 4

    Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op elkaar opvolgende aanstellingen en arbeidsovereenkomsten tussen een ambtenaar en verschillende werkgevers, die, ongeacht of inzicht bestaat in de hoedanigheid of geschiktheid van de ambtenaar, ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijs geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn.

  • 5

    Voor de ambtenaar die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, geldt de aanstelling als aanstelling voor onbepaalde tijd vanaf de dag waarop:

    • a

      de aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar met tussenpozen van niet meer dan zes maanden hebben opgevolgd en een periode van 48 maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden;

    • b

      meer dan zes aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan zes maanden.

  • 6

    Voor de vaststelling of de bedoelde periode of het aantal opvolgende aanstellingen is overschreden, worden alleen de aanstellingen in tijdelijke dienst in aanmerking genomen die zijn aangegaan na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Artikel 2:4:1 Bericht van aanstelling

  • 1

    De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het bericht van aanstelling. Dit bericht vermeldt:

    • a

      de gegevens genoemd in artikel II, tweede lid, onderdeel a tot en met j, van de wet van 2 december 1993 (Stb. 1993, 635);

    • b

      de geboortedatum en geboorteplaats van de ambtenaar

    • c

      de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is aangesteld:

      • I

        in een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd;

      • II

        in een aanstelling bij wijze van proef;

      • III

        voor een project met een eenmalig en uniek karakter;

      • IV

        hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming;

      • V

        als vakantiekracht;

      • VI

        voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen;

      • VII

        als werkzoekende in tijdelijke dienst.

  • 2

    Een wijziging bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de ambtenaar kosteloos meegedeeld.

  • 3

    De mededeling als bedoeld in het zesde lid van artikel II van de wet van 2 december 1993 geschiedt kosteloos.

Artikel 2:4:2 Vacatures

  • 1

    De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het personeel van de gemeente, tenzij naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan het dienstbelang zich daartegen verzet.

  • 2

    Het bepaalde in het vorige lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing op degenen die een uitkering krachtens hoofdstuk 10a en 10d genieten ten laste van de gemeente.

Artikel 2:4:3 Vervallen

Vervallen

Artikel 2:5 Arbeidsovereenkomst

  • 1

    Door het college kan met een persoon slechts een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht worden aangegaan voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter.

  • 2

    De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud opgemaakt en door beide partijen ondertekend.

  • 3

    Artikel 125h van de Ambtenarenwet is van overeenkomstige toepassing op de persoon met wie een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gesloten.

Artikel 2:5:1 Arbeidsovereenkomst

Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5 zijn de artikelen 2:1 tot en met 2:4:2 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2:5:2 Minimum-urengarantie bij oproepkrachten

De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een minimum van 2 uur gegarandeerd en op maandbasis wordt uitbetaling van minimaal 15 uur gegarandeerd. De middeling van gewerkte uren vindt per kwartaal plaats indien in de maanden van het betreffende kwartaal meer of minder uren wordt gewerkt.

Artikel 2:5:3 Inhoud oproepovereenkomst

De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten:

  • a

    de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaamheden voordoen die een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen, het verrichten van deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te bieden;

  • b

    de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden - na daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten;

  • c

    een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de oproepkracht kenbaar gemaakt te worden. Daarbij dient de werkgever de omvang van de werkzaamheden zo nauwkeurig mogelijk aan te geven;

  • d

    de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te vermelden, waarbinnen de werkzaamheden kunnen worden verricht;

  • e

    een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de oproepkracht worden geweigerd, indien de afzegging respectievelijk de weigering uiterlijk twaalf uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de wederpartij kenbaar wordt gemaakt. Indien afzegging plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, is de werkgever gehouden loon te betalen als ware de werkzaamheden feitelijk vervuld. Indien weigering plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, maakt de oproepkracht zich schuldig aan plichtsverzuim;

  • f

    indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet heeft gewerkt, terwijl de werkgever de oproepkracht ten minste een omschreven aantal malen daartoe heeft opgeroepen, en de oproepkracht alsdan niet verhinderd was werkzaam te zijn wegens ziekte, kan genoemde omstandigheid gelden als grond voor ontslag van de oproepkracht op grond van artikel 8:13.

Artikel 2:5:4 Betaling bij ziekte van de oproepkracht

  • 1

    De gemeente verbindt zich het salaris en de toegekende salaristoelage(n) van de oproepkracht te baseren op de minimum afspraken zoals geformuleerd in artikel 2:5:2 .

  • 2

    Ingeval de oproepkracht aanspraak maakt op een uitkering ingevolge hoofdstuk 7, wordt als berekeningsbasis voor de uitkering uitgegaan van het inkomen dat gemiddeld is genoten gedurende het kalenderkwartaal, voorafgaand aan het tijdstip waarop de ziekte is ontstaan. Ingeval het arbeidspatroon in bedoeld kalenderkwartaal in belangrijke mate afwijkt van het arbeidspatroon in een voorafgaand kwartaal, wordt uitgegaan van het inkomen dat is genoten gedurende een kalenderkwartaal dat een getrouw beeld geeft van het gemiddelde arbeidspatroon van de oproepkracht.

Artikel 2:5:5 Vervallen

Vervallen

Artikel 2:5:6 Vervallen

Vervallen

Artikel 2:5:7 Vervallen

Vervallen

Artikel 2:5:8 Vervallen

Vervallen

Artikel 2:5:9 Vervallen

Vervallen

Artikel 2:5:10 Vervallen

Vervallen

Artikel 2:5:11 Vervallen

Vervallen

Artikel 2:6 Overgangsrecht

Op aanstellingen die op 1 juli 2015 voldoen aan de voorwaarden van artikel 2:4 (oud), wordt artikel 2:4 (nieuw) pas van toepassing indien een volgende aanstelling wordt aangegaan binnen een periode van ten hoogste zes maanden na het einde van de laatste aanstelling.

Artikel 2:7 Aanpassing arbeidsduur

  • 1

    Overeenkomstig de Wet flexibel werken heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht de formele arbeidsduur per week te verminderen of de formele arbeidsduur per week uit te breiden tot het aantal uur van een volledige betrekking, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten.

  • 2

    Overeenkomstig de Wet flexibel werken heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht de werktijden aan te passen, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten.

  • 3

    Overeenkomstig de Wet flexibel werken kan een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan het college verzoeken tot aanpassing van zijn arbeidsplaats.

  • 4

    De bepaling in lid 1 geldt niet voor de ambtenaar of de persoon met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt.

Artikel 2:7a Aanpassing arbeidsduur

  • 1

    Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per week, worden verruimd naar maximaal 40 uur per week.

  • 2

    Bij een verruiming van de arbeidsduur geldt dat:

    • 1

      de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende een vooraf te bepalen periode;

    • 2

      het salaris evenredig wordt verhoogd;

    • 3

      de vakantieduur evenredig wordt verhoogd;

    • 4

      de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd;

    • 5

      het IKB, bedoeld in artikel 3:28 lid 2, onderdeel a evenredig wordt verhoogd;

    • 6

      het IKB, bedoeld in artikel 3:28 lid 2, onderdeel b evenredig wordt verhoogd;

    • 7

      instemming van de ambtenaar is vereist;

    • 8

      de verkoop van vakantieuren op grond van artikel 3:36 voor de duur van de verruiming niet is toegestaan.

  • 3

    Wanneer lid 1 van dit artikel wordt toegepast, meldt het college dit vooraf aan de OR.

  • 4

    Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag over het gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid van de arbeidsduur naar maximaal 40 uur. Deze rapportage wordt ter bespreking voorgelegd aan de OR.

3 Salaris, vergoedingen, toelagen en uitkeringen

Artikel 3:0:0:0 Lief en leedregeling

In aanvulling op hoofdstuk 3 heeft de gemeente Deurne een Lief en leedregeling vastgesteld.

Klik hier om naar deze regeling in het onderdeel aanvullende regelingen te gaan.

Paragraaf 1 Algemene bepalingen

  • Artikel 3:1 Functies en functiewaardering

  • Artikel 3:2 Recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen en uitkeringen

Artikel 3:1 Functies en functiewaardering

  • 1

    Het college stelt de functies vast die door ambtenaren binnen de gemeentelijke organisatie kunnen worden bekleed.

  • 2

    Elke functie wordt beschreven op basis van een functiewaarderingssysteem.

  • 3

    Voor elke functie stelt het college een functieschaal vast op basis van een functiewaarderingssysteem.

Artikel 3:1:0:1 Salaris

In aanvulling op het gestelde in artikel 3:1 en artikel 3:1:1 heeft de gemeente Deurne afspraken gemaakt over Salaris.

Klik hier om naar deze afspraken te gaan.

Artikel 3:1:0:3 Functiewaarderingsregeling

In aanvulling op het gestelde in artikel 4 van de afspraken omtrent het Salaris heeft de gemeente Deurne een Functiewaarderingsregeling vastgesteld.

Klik hier om naar deze regeling te gaan.

Artikel 3:2 Recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen en uitkeringen

  • 1

    Zolang zijn aanstelling duurt heeft een ambtenaar recht op salaris, vergoedingen, toelagen en uitkeringen overeenkomstig dit hoofdstuk. Dit recht bestaat niet over de tijd dat de ambtenaar in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat arbeid te verrichten.

  • 2

    De uitbetaling van het salaris, de vergoedingen, de toelagen en de uitkeringen vindt plaats per maand, tenzij in deze regeling anders is bepaald.

Paragraaf 2 Salaris

  • Artikel 3:3 Vaststelling salaris

  • Artikel 3:4 Salarisverhoging

  • Artikel 3:5 Verlaging salarisschaal

  • Artikel 3:6 Inpassing in hogere schaal

  • Artikel 3:7 Uitloopschaal

Artikel 3:3 Vaststelling salaris

  • 1

    Het college stelt het salaris van een ambtenaar vast aan de hand van zijn functieschaal, op grond van zijn ervaring, geschiktheid en bekwaamheid. Het salaris wordt vastgesteld met aanduiding van een periodiek in de functieschaal.

  • 2

    Als een ambtenaar in een functie wordt geplaatst zonder dat hij al voldoet aan alle daarvoor geldende eisen ten aanzien van opleiding, ervaring en bekwaamheid, kan zijn salaris overeenkomstig de eerst lagere salarisschaal dan de functieschaal worden vastgesteld.

Artikel 3:4 Salarisverhoging

  • 1

    Aan een ambtenaar wordt een salarisverhoging naar de volgende periodiek toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a

      de ambtenaar functioneert voldoende;

    • b

      de ambtenaar heeft het maximum van de functieschaal nog niet bereikt;

    • c

      er zijn twaalf maanden verstreken sinds zijn aanstelling , zijn laatste periodieke salarisverhoging of zijn promotie.

  • 2

    Het college kan aan toekenning van een periodieke salarisverhoging aanvullende voorwaarden stellen.

  • 3

    Het college kan een ambtenaar een extra periodieke salarisverhoging toekennen.

  • 4

    In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, kan het college voor de ambtenaar of voor groepen ambtenaren een vaste verhogingsdatum vaststellen.

Artikel 3:5 Verlaging salarisschaal

  • 1

    Zonder voorafgaand ontslag kan voor de ambtenaar geen salarisschaal gaan gelden met een lager maximumsalaris, tenzij hiervoor in deze regeling, of andere wet- en regelgeving, een grond aanwezig is.

  • 2

    In afwijking van het eerste lid kan een ambtenaar met zijn instemming worden herplaatst in een functie waaraan een lagere schaal is verbonden met een overeenkomstige aanpassing van het salaris.

  • 3

    In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door toepassing van artikel 7:16, tweede lid, herplaatst worden in een functie met een lager maximumsalaris, met een overeenkomstige aanpassing van het salaris.

  • 4

    In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door toepassing van hoofdstuk 10d, herplaatst worden in een functie met een lager maximumsalaris en een mogelijk overeenkomstige aanpassing van het salaris, voor zover geregeld in een sociaal plan of sociaal statuut.

Artikel 3:6 Inpassing in hogere schaal

De ambtenaar die door promotie naar een hogere salarisschaal overgaat, heeft vanaf de dag dat de promotie ingaat recht op een hoger salaris.

Artikel 3:7 Uitloopschaal

Doorgroei in een uitloopschaal is mogelijk wanneer dit op 31 december 2015 in een lokale regeling was vastgelegd. De uitloopschaal is één schaal hoger dan de functieschaal. In de lokale regeling worden voorwaarden en regels gesteld die van toepassing zijn op de instroom in- en het doorlopen van de uitloopschaal.

Paragraaf 3 Salaristoelagen

  • Artikel 3:8 Functioneringstoelage

  • Artikel 3:9 Arbeidsmarkttoelage

  • Artikel 3:10 Waarnemingstoelage

  • Artikel 3:11 Toelage onregelmatige dienst

  • Artikel 3:12 Buitendagvenstertoelage

  • Artikel 3:13 Toelage beschikbaarheidsdienst

  • Artikel 3:14 Inconveniëntentoelage

  • Artikel 3:15 Garantietoelage

  • Artikel 3:16 Afbouwtoelage

Artikel 3:8 Functioneringstoelage

  • 1

    Het college kan aan een ambtenaar die meerdere jaren zeer goed of uitstekend heeft gefunctioneerd en/of bijzondere prestaties heeft geleverd, en die het maximum van zijn functieschaal heeft bereikt, een functioneringstoelage toekennen.

  • 2

    De toelage wordt voor maximaal een jaar toegekend. Bij het voortduren van de gronden waarop de toelage is toegekend, kan deze opnieuw worden toegekend.

  • 3

    De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris.

Artikel 3:9 Arbeidsmarkttoelage

  • 1

    Het college kan aan een ambtenaar een arbeidsmarkttoelage toekennen om hem in dienst te kunnen nemen of te behouden, als schaarste op de arbeidsmarkt daartoe aanleiding geeft en er in het betreffende vakgebied sprake is van een ernstig tekort aan personeel.

  • 2

    De toelage wordt toegekend voor een periode die van tevoren is vastgesteld, met een maximum van 3 jaar.

  • 3

    De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris.

Artikel 3:10 Waarnemingstoelage

  • 1

    Indien een ambtenaar wordt aangewezen om een functie waar te nemen met een hogere functieschaal, wordt hem voor de periode van waarneming een waarnemingstoelage toegekend. Deze bepaling geldt niet als de waarneming deel uitmaakt van de eigen functie.

  • 2

    Bij volledige waarneming van de functie is het bedrag van de toelage gelijk aan het verschil tussen het salaris dat de ambtenaar geniet en het salaris dat hij zou genieten als hij bij de start van de waarneming in de hogere schaal zou zijn ingedeeld.

  • 3

    Bij gedeeltelijke waarneming wordt de toelage naar evenredigheid toegekend.

Artikel 3:11 Toelage onregelmatige dienst

  • 1

    De ambtenaar die valt onder de bijzondere regeling voor de werktijden (artikel 4:3) heeft recht op een toelage die wordt uitgedrukt in een percentage van het uurloon gedurende de volgende tijdvakken van de week:

    • -

      maandag tot en met vrijdag tussen 06.00 en 08.00 uur en tussen 18.00 uur en 22.00 uur: 20%

    • -

      maandag tot en met vrijdag tussen 0.00 en 06.00 uur en tussen 22.00 en 24.00 uur: 40%

    • -

      zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur: 40%

    • -

      zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5 derde lid tussen 0.00 en 24.00 uur: 65%

    Het uurloon is voor de toepassing van dit artikel maximaal gelijk aan het uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van salarisschaal 6.

  • 2

    De ambtenaar heeft geen recht op een toelage, als hij in een week slechts op één aaneengesloten periode van ten hoogste 3 uur in een van de in lid 1 genoemde tijdvakken heeft gewerkt.

  • 3

    Over de uren waarover een toelage onregelmatige dienst wordt uitbetaald, kan niet tegelijkertijd een overwerkvergoeding (artikel 3:18) worden uitbetaald.

Artikel 3:12 Buitendagvenstertoelage

  • 1

    De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden en die door het college is aangewezen om te werken buiten het dagvenster (artikel 4:2, tweede lid), heeft recht op een buitendagvenstertoelage.

  • 2

    De buitendagvenstertoelage bedraagt:

    • -

      50% van het uurloon van de ambtenaar over de gewerkte uren buiten het dagvenster tussen maandag 00:00 uur en vrijdag 24:00 uur;

    • -

      75% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op zaterdag;

    • -

      100% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5, derde lid.

  • 3

    De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of hoger heeft geen recht op een buitendagvenstertoelage.

Artikel 3:3:0:1 Toelage onregelmatige dienst

In aanvulling op het gestelde in artikel 3:3 heeft de gemeente Deurne afspraken gemaakt over Toelage onregelmatige dienst.

Klik hier om naar de afspraken te gaan.

Artikel 3:13 Toelage beschikbaarheidsdienst

  • 1

    De ambtenaar die buiten de voor hem geldende werktijden beschikbaarheidsdienst heeft, ontvangt een toelage beschikbaarheidsdienst.

  • 2

    De toelage bedraagt 5% van het uurloon voor de uren op maandag tot en met vrijdag en 10% van het uurloon voor de uren op zaterdag, zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5 derde lid.

  • 3

    Het uurloon is voor de toepassing van dit artikel maximaal gelijk aan het uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van salarisschaal 7.

Artikel 3:14 Inconveniëntentoelage

Het college kan aan een ambtenaar een inconveniëntentoelage toekennen, indien er sprake is van niet vermijdbare zware, onaangename of gevaarlijke arbeid.

Artikel 3:15 Garantietoelage

Het college kan aan een ambtenaar die wordt geconfronteerd met een lager salaris en/of salaristoelagen, een garantietoelage toekennen.

Artikel 3:16 Afbouwtoelage

  • 1

    De ambtenaar van wie buiten zijn toedoen de toelage onregelmatige dienst, de toelage beschikbaarheidsdienst, en/of de inconveniëntentoelage blijvend wordt verlaagd of beëindigd, heeft recht op een afbouwtoelage indien:

    • -

      hij de toelage(n) zonder onderbreking van meer dan twee maanden gedurende tenminste drie jaren heeft genoten én

    • -

      met de verlaging of beëindiging van de toelage(n) een bedrag is gemoeid van tenminste 3% van zijn salaris.

  • 2

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • -

      op ambtenaren op wie het FLO-overgangsrecht (hoofdstuk 9a, 9b, 9d of 9e) van toepassing is, of

    • -

      indien voor de ambtenaar voorzieningen zijn getroffen in een sociaal plan.

  • 3

    De looptijd van de afbouwtoelage is maximaal drie jaar. De afbouwtoelage bedraagt in het eerste jaar 75%, in het tweede jaar 50% en in het derde jaar 25% van het af te bouwen bedrag.

  • 4

    Indien de hoogte van de af te bouwen toelage(n) aan wisselingen onderhevig was, wordt de afbouwtoelage vastgesteld op het gemiddelde van de voorgaande 12 maanden.

  • 5

    Indien het salaris van de ambtenaar wordt verhoogd doordat hij een functie aanvaardt waaraan een hogere salarisschaal is verbonden, wordt de afbouwtoelage verrekend met de salarisverhoging.

Paragraaf 4 Overige vergoedingen en uitkeringen

  • Artikel 3:17 Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam

  • Artikel 3:18 Overwerkvergoeding

  • Artikel 3:19 Ambtsjubileum

  • Artikel 3:20 Beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere prestaties

  • Artikel 3:21 Reis- en verblijfkostenvergoeding

  • Artikel 3:22 Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer

  • Artikel 3:23 Overlijdensuitkering

  • Artikel 3:24 Uitkering bij overlijden als gevolg van een ongeval in en door de dienst

  • Artikel 3:25 Recht op tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering

  • Artikel 3:26 Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering

Artikel 3:17 Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam

  • 1

    De ambtenaar die door het college is aangewezen om tevens werkzaam te zijn als bedrijfshulpverlener als bedoeld in artikel 15 van de Arbeidsomstandighedenwet, EHBO-er, of als lid van een anti-agressie- of interventieteam, ontvangt een vergoeding indien hij de taken in verband met bedrijfshulpverlening in voldoende omvang verricht.

  • 2

    De vergoeding bedraagt € 220,00 per jaar.

Artikel 3:18 Overwerkvergoeding

  • 1

    De ambtenaar die overwerk verricht en valt onder de bijzondere regeling voor de werktijden (artikel 4:4), heeft recht op een overwerkvergoeding. Over de uren waarover een overwerkvergoeding wordt uitbetaald, kan niet tegelijk een toelage onregelmatige dienst (artikel 3:11) worden uitbetaald.

  • 2

    De overwerkvergoeding bestaat uit:

    • a

      verlof gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk,

    • b

      het bedrag over het aantal volle uren overwerk ter hoogte van het volgende percentage van het uurloon van de ambtenaar:

      • -

        100% voor overwerk op een zondag of feestdag (artikel 4:5) tussen 0.00 en 24.00 uur;

      • -

        75% voor overwerk op een zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur;

      • -

        75% voor overwerk op een maandag of de dag volgend op een feestdag tussen 0.00 en 6.00 uur;

      • -

        50% voor overwerk op een dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 0.00 en 6.00 uur;

      • -

        50% voor overwerk op een maandag, dinsdag, woensdag donderdag of vrijdag tussen 20.00 en 24.00 uur;

      • -

        25% voor overwerk op maandag dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 6.00 en 20.00 uur.

  • 3

    Het verlof, bedoeld in het vorige lid, wordt verleend op een zo vroeg mogelijk tijdstip. Op verzoek van de ambtenaar en voor zover de belangen van de dienst dit toelaten wordt het verlof verleend op een tijdstip dat de ambtenaar wenst.

  • 4

    Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het derde lid, dan bestaat de vergoeding uitsluitend uit een bedrag, dat bestaat uit het uurloon, vermeerderd met een percentage van het uurloon conform het tweede lid onder b.

  • 5

    De ambtenaar op wie de bijzondere regeling voor de werktijden van toepassing is en die tijdens de beschikbaarheidsdienst wordt opgeroepen, ontvangt over de gewerkte tijd een overwerkvergoeding.

  • 6

    De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of hoger heeft geen recht op een overwerkvergoeding.

Artikel 3:19 Ambtsjubileum

  • 1

    Een ambtenaar ontvangt éénmalig een jubileumtoelage zodra hij 25, 40 en 50 jaar in overheidsdienst is. Onder overheidsdienst wordt verstaan de tijd die hij in dienst is geweest bij een bij het ABP aangesloten werkgever.

  • 2

    Bij 25 jaar overheidsdienst bedraagt de toelage de helft van het maandsalaris en de toegekende salaristoelage(n) over de maand van jubileren, tezamen vermeerderd met 8%. Bij 40 en 50 jaar overheidsdienst bedraagt de toelage het maandsalaris en de toegekende salaristoelage(n) over de maand van jubileren, tezamen vermeerderd met 8%.

  • 3

    Een ambtenaar aan wie ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:3 of 8:4 CAR: en die binnen vijf jaar na de datum van ontslag, maar voor het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd recht zou hebben gehad op een jubileumtoelage, ontvangt een evenredig deel van de toelage. In dat geval wordt de laatste maand vóór de datum van ingang van het ontslag als de maatgevende maand aangemerkt.

Artikel 3:20 Beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere prestaties

Het college kan aan een ambtenaar of een groep ambtenaren eenmalig een geldbedrag toekennen voor uitstekend functioneren en/of geleverde bijzondere prestaties.

Artikel 3:21 Reis- en verblijfkostenvergoeding

Een ambtenaar heeft recht op vergoeding voor reis- en verblijfkosten voor reizen die hij heeft gemaakt in het belang van de dienst. Bij gebruik van het openbaar vervoer is de vergoeding op basis van het 2e klasse tarief.

Artikel 3:5:0:1 Dienstgratificatie gemeente Deurne

In aanvulling op het gestelde in artikel 3:19 heeft de gemeente Deurne afspraken gemaakt over een Dienstgratificatie.

Klik hier om naar deze afspraken te gaan.

Artikel 3:22 Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer

Het college kan een ambtenaar een reiskostenvergoeding woon-werkverkeer toekennen.

Artikel 3:23 Overlijdensuitkering

  • 1

    Het recht op salaris vermeerderd met de toegekende salaristoelagen eindigt de dag na het overlijden van de ambtenaar.

  • 2

    Na het overlijden van de ambtenaar ontvangt de achterblijvende partner – of bij het ontbreken daarvan diens minderjarige kinderen – een overlijdensuitkering, die bestaat uit: driemaal het laatst genoten salaris en de toegekende salaristoelage(n), tezamen vermeerderd met 8%.

  • 3

    Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het voorgaande lid dan wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan de meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters waarvoor de overledene kostwinner was.

Artikel 3:24 Uitkering bij overlijden als gevolg van een ongeval in en door de dienst

  • 1

    Indien de ambtenaar overlijdt en zijn overlijden een rechtstreeks gevolg is van een ongeval in en door de dienst, dan wordt aan de achterblijvende partner een uitkering verstrekt. Indien de overledene geen partner nalaat, wordt de uitkering verstrekt aan de minderjarige kinderen.

  • 2

    De uitkering bedraagt één jaarsalaris en de toegekende salaristoelage(n), tezamen vermeerderd met 8%, berekend over de 12 kalendermaanden onmiddellijk voorafgaande aan de maand van overlijden.

  • 3

    Indien het college een verzekering heeft afgesloten die tot uitkering komt als de ambtenaar overlijdt als gevolg van een ongeval in en door de dienst, bedraagt de uitkering in afwijking van het tweede lid het bedrag waarvoor het college zich heeft verzekerd, met een minimum ter grootte van de in het tweede lid genoemde uitkering.

  • 4

    Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het eerste lid dan wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan de meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters waarvoor de overledene kostwinner was.

Artikel 3:25 Recht op tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering

  • (niet van toepassing op ambtenaren in dienst van de gemeenten Amsterdam en Den Haag)

  • 1

    De ambtenaar heeft recht op een tegemoetkoming in zijn ziektekosten

  • 2

    De tegemoetkoming in de ziektekosten wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december uitbetaald.

  • 3

    Bij indiensttreding op of na 1 januari van een kalenderjaar heeft de ambtenaar naar evenredigheid recht op een tegemoetkoming in de ziektekosten.

Artikel 3:26 Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering

  • (niet van toepassing op ambtenaren in dienst van de gemeenten Amsterdam en Den Haag)

  • 1

    De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 168,= per jaar.

  • 2

    De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 296,= per jaar als het salaris van de ambtenaar lager is dan of gelijk is aan het bedrag dat hoort bij de hoogste periodiek van schaal 6.

  • 3

    De ambtenaar die gedurende het jaar in dienst treedt of ontslagen wordt ontvangt een tegemoetkoming in de ziektekosten naar rato van de tijd dat hij in dienst is geweest.

  • 4

    De peildatum voor de vergelijking van het tweede lid is de maand december. Voor de ambtenaar die gedurende het jaar uit dienst treedt is de peildatum voor de vergelijking van het tweede lid de laatste maand dat de ambtenaar in dienst is geweest.

Paragraaf 5 Individueel keuzebudget

  • Artikel 3:27 Algemeen

  • Artikel 3:28 Opbouw IKB

  • Artikel 3:29 Doelen IKB

  • Artikel 3:30 Doelen IKB

  • Artikel 3:31 Waarde van een vakantie-uur

  • Artikel 3:32 Uitbetaling IKB bij einde dienstverband

  • Artikel 3:33 Wet- en regelgeving

  • Artikel 3:34 Vakantietoelage 2016

  • Artikel 3:35 Overige bepalingen

Artikel 3:27 Algemeen

  • 1

    De ambtenaar heeft recht op een Individueel Keuzebudget, hierna te noemen: IKB.

  • 2

    Het college is beheerder van het IKB

  • 3

    Het IKB is een maandelijks, in geld uitgedrukt budget dat de ambtenaar naar keuze kan gebruiken voor de doelen genoemd in artikel 3:29, op de wijze zoals vastgelegd is in deze paragraaf.

Artikel 3:28 Opbouw IKB

  • 1

    Het IKB wordt per maand opgebouwd en bestaat uit een deel waarover pensioen wordt opgebouwd en een deel waarover geen pensioen wordt opgebouwd.

  • 2

    Het deel van het IKB waarover pensioen wordt opgebouwd bedraagt:

    • a

      8% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende salaris vermeerderd met de salaristoelagen genoemd in paragraaf 3 van dit hoofdstuk, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag is van € 146,65 bij een volledig dienstverband, en

    • b

      6% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende salaris, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag is van € 145,83 bij een volledig dienstverband, en

    • c

      1,5% van het in de maand van opbouw geldende salaris, voor de ambtenaar die geboren is na 31 december 1949, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag is van € 33,33 bij een volledig dienstverband.

  • 3

    Het deel van het IKB waarover geen pensioen wordt opgebouwd bedraagt:

    • a

      0,8% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende salaris, en

    • b

      indien en voor zolang hoofdstuk 9a van toepassing is op de ambtenaar, 1% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende salaris, met dien verstande dat dit voor maximaal 20 jaar geldt, tenzij artikel 9a:9 lid 1, onderdeel b van toepassing is.

  • 4

    Indien in een maand het salaris en de toegekende salaristoelage(n) gedeeltelijk zijn uitbetaald dan wordt het IKB in die maand berekend op basis van het uitbetaalde salaris en de uitbetaalde salaristoelage(n). Ontvangt de ambtenaar in een maand geen salaris dan wordt in die maand geen IKB opgebouwd.

  • 5

    Indien in een maand het salaris en de toegekende salaristoelage(n) gedeeltelijk zijn uitbetaald op grond van artikel 7:3 lid 2 tot en met 4 dan wordt, in afwijking van lid 4 van dit artikel, het IKB in die maand berekend op basis van het volledige salaris en toegekende salaristoelage(n).

  • 6

    Het college kan bronnen toevoegen aan het IKB. Een bron kan zijn een persoonlijk budget, voor zover dat in de gemeente bestaat en niet is opgenomen in de TOR zoals omschreven in paragraaf 7 van hoofdstuk 3.

  • 7

    Op de ambtenaar bedoeld in artikel 9b:1 is lid 2, onderdeel c van dit artikel niet van toepassing. De vorige volzin geldt niet voor de ambtenaar bedoeld in artikel 9b:50.

Artikel 3:29 Doelen IKB

  • 1

    De ambtenaar kan het IKB gebruiken voor:

    • a

      het kopen van vakantie-uren, tot een maximum van vier maal de aanstellingsduur per week gedurende het kalenderjaar;

    • b

      extra inkomen door uitbetaling van het IKB tot een maximum van het tot aan de datum van uitbetaling opgebouwde IKB;

    • c

      het financieren van een opleiding, indien en voor zover deze niet door de gemeente wordt vergoed en de geldende fiscale regelgeving de besteding van het IKB aan dit doel belastingvrij mogelijk maakt.

  • 2

    Het college kan de bestedingsdoelen zoals omschreven in lid 1 aanvullen.

Artikel 3:30 Doelen IKB

  • 1

    De ambtenaar kan elke maand een keuze maken om zijn IKB te gebruiken voor een of meerdere van de in artikel 3:29 genoemde doelen. Hij heeft voor deze keuze geen toestemming nodig.

  • 2

    Het college wijst in verband met de salarisverwerking voor elke maand een uiterste datum aan waarop de ambtenaar zijn keuze kenbaar moet maken.

  • 3

    Als de ambtenaar geen keuze maakt, of bij zijn keuze slechts een deel van zijn IKB gebruikt, dan wordt het IKB over die maand, of het resterende deel daarvan, gereserveerd. De ambtenaar kan het gereserveerde IKB op een later moment in het lopende kalenderjaar besteden.

  • 4

    Heeft de ambtenaar na de sluitingsdatum van de salarisverwerking in december nog een resterend IKB dan wordt dit bij de salarisbetaling van die maand uitbetaald.

  • 5

    Besteding van het IKB kan alleen voor zover het beschikbare budget toereikend is. De keuze voor een doel heeft uitsluitend betrekking op hetzelfde kalenderjaar.

  • 6

    Bedragen die uit het IKB zijn gebruikt, kunnen niet meer worden teruggestort in het IKB.

Artikel 3:31 Waarde van een vakantie-uur

Als de ambtenaar kiest voor het kopen van vakantie-uren dan wordt het IKB per vakantie-uur verlaagd met het voor de ambtenaar geldende uurloon in de maand waarin hij de vakantie-uren koopt.

Artikel 3:32 Uitbetaling IKB bij einde dienstverband

  • 1

    Bij beëindiging van het dienstverband wordt het resterende IKB bij de laatste salarisbetaling aan de ambtenaar uitbetaald.

  • 2

    Bij overlijden van de ambtenaar wordt in aanvulling op de overlijdensuitkering het resterende IKB uitbetaald aan de nagelaten betrekkingen zoals omschreven in artikel 3:23, lid 2 en 3.

Artikel 3:33 Wet- en regelgeving

  • 1

    Het gebruik van het IKB kan gevolgen hebben voor loonheffingen, pensioen en sociale verzekeringen. De ambtenaar wordt geacht deze gevolgen te kennen.

  • 2

    Als blijkt dat een bedrag uit het IKB ten onrechte belastingvrij is uitgekeerd doordat de ambtenaar onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, verhaalt het college de verschuldigde loonheffing of eventuele boetes op de ambtenaar.

  • 3

    Als een netto voordeel voor de ambtenaar vervalt door wijzigingen van wet- en regelgeving dan wordt dat niet gecompenseerd door het college.

  • 4

    Alle transacties in het IKB moeten in overeenstemming zijn met geldende wet- en regelgeving.

Artikel 3:34 Vakantietoelage 2016

  • 1

    De vakantietoelage die de ambtenaar heeft opgebouwd in de periode van juni 2016 tot en met december 2016 op grond van artikel 6:3 zoals dat gold op 31 december 2016 wordt uitbetaald bij de salarisbetaling van mei 2017. Dit bedrag maakt geen onderdeel uit van het IKB.

  • 2

    Indien de ambtenaar ontslag verleend wordt voor 1 mei 2017 dan wordt de opgebouwde vakantietoelage over 2016 uitbetaald bij de laatste salarisbetaling.

Artikel 3:35 Overige bepalingen

Voor de ambtenaar die werkzaam is in de kunsteducatie en op wie artikel 19b:10 van toepassing is, is artikel 3:28, lid 3, niet van toepassing.

Paragraaf 6 Overige individuele keuzemogelijkheden

  • Artikel 3:36 Verkoop van vakantie-uren

Artikel 3:36 Verkoop van vakantie-uren

  • 1

    De ambtenaar kan elk kalenderjaar een verzoek doen om ten hoogste 72 uren bovenwettelijk vakantieverlof te verkopen. Bij een deeltijd dienstverband wordt dit aantal naar rato vastgesteld.

  • 2

    Vakantie-uren die de ambtenaar heeft gekocht op grond van artikel 3:29 lid 1, sub a kunnen niet worden verkocht op grond van dit artikel.

  • 3

    Een verzoek als bedoeld in lid 1 wordt toegewezen, tenzij zwaarwegende bedrijfsof dienstbelangen zich daartegen verzetten.

  • 4

    Het college kan regels stellen over de aanvraagprocedure.

  • 5

    Het bepaalde in artikel 3:31 is van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 7 Overgangsrecht

  • Artikel 3:37 Overgangsrecht hoofdstuk 3

Artikel 3:37 Overgangsrecht hoofdstuk 3

  • 1

    Garantietoelagen en afbouwtoelagen die uiterlijk op 31 december 2015 zijn ingegaan worden gecontinueerd onder de voorwaarden waaronder ze zijn toegekend.

  • 2

    Lokale financiële arbeidsvoorwaarden * die op al het personeel binnen een gemeente worden toegepast op 31 december 2015 en die zijn opgenomen in de lokale bezoldigingsverordening of rechtspositieregeling, vervallen voor het personeel dat vanaf 1 januari 2016 in dienst komt. Voor het zittende personeel wordt deze omgezet in een vast bedrag: de toelage overgangsrecht H3 (jaarbedrag) deel 1.

  • 3

    Voor alle overige financiële arbeidsvoorwaarden die in de lokale bezoldigingsverordening of rechtspositieregeling zijn opgenomen (en dus bij de invoering van hoofdstuk 3 nog bestaan) en die per 1 januari 2016 vervallen of dan in hoogte wijzigen, wordt op basis van het refertejaar 2014 (roosters, overwerk, en alle andere relevante factoren) voor elke medewerker die het betreft bepaald:

    • a

      hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan toelagen zou ontvangen volgens de bij overgang geldende regels voor toelagen/vergoedingen

    • b

      hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan toelagen zou ontvangen volgens de nieuwe systematiek.

    Het verschil vormt de toelage overgangsrecht H3 (jaarbedrag) deel 2.

  • 4

    Deel 1 en deel 2 worden bij elkaar opgeteld. Dit is de toelage overgangsrecht H3. Dit bedrag stijgt niet mee met de loonontwikkelingen.

  • 5

    Er zijn geen anticumulatiebepalingen.

  • 6

    Deze toelage overgangsrecht H3 is een vast jaarbedrag dat een keer per jaar wordt uitbetaald in de maand december.

  • 7

    De toelage overgangsrecht H3 moet minimaal 120 euro op jaarbasis zijn. Indien deze toelage lager is, wordt deze afgekocht met een eenmalig bedrag ter waarde van 5 jaar.

  • 8

    Als een dienstverband in de loop van een kalenderjaar eindigt, dan wordt de toelage overgangsrecht H3 naar rato uitgekeerd.

  • 9

    Als een dienstverband in omvang verkleind wordt, dan daalt de toelage overgangsrecht H3 naar rato.

  • 10

    Vergroten van de aanstellingsomvang ná 31-12-2015 heeft geen effect.

  • 11

    Lokaal mogen aanvullende afspraken over afkoop, uitruil of betaling in termijnen gemaakt worden.

  • 12

    Er is apart overgangsrecht voor personeel van gemeenten die op 31 december 2015 een lokale regeling hebben met bepalingen over de ambtsjubileumgratificatie die positief afwijken van het nieuwe artikel 3:19. Medewerkers die binnen vijf jaar van verval van de lokale regeling (dus uiterlijk 31 december 2020) recht zouden hebben op een ambtsjubileumgratificatie als de lokale regeling niet was vervallen, krijgen de ambtsjubileumgratificatie op basis van de lokale regeling die op 31 december 2015 verviel. Het gaat hierbij om de datum van het ambtsjubileum en de hoogte van de ambtsjubileumgratificatie. De gemeente legt dit recht vast bij de overgang naar het nieuwe hoofdstuk 3.

4 Arbeidsduur en werktijden

Artikel 4:1 Arbeidsduur en werktijden

Het college stelt lokaal een werktijdenregeling vast met inachtneming van hetgeen in dit hoofdstuk bepaald is.

Paragraaf 1 Standaardregeling voor de werktijden

  • Artikel 4:2 Standaardregeling voor de werktijden

Artikel 4:2 Arbeidsduur en werktijden

  • 1

    De ambtenaar verricht zijn werkzaamheden op tijden binnen het dagvenster.

  • 2

    Het dagvenster loopt van maandag tot en met vrijdag tussen 7:00 en 22:00 uur.

  • 3

    De ambtenaar en het college maken voorafgaand aan elk kalenderjaar afspraken over de werktijden, het verlof en de planning van de werkzaamheden van de ambtenaar, voor het komende jaar.

  • 4

    Ten aanzien van de afspraken over werktijden geldt als uitgangspunt dat

    • a

      hierover overeenstemming bereikt wordt tussen de ambtenaar en het college;

    • b

      de werktijden binnen de normen van de arbeidstijdenwet blijven;

    • c

      de werktijd per dag ten hoogste 11 uren bedraagt en per week 50 uren, tenzij op verzoek van de ambtenaar daarvan wordt afgeweken.

  • 5

    Als gevolg van gewijzigde omstandigheden kunnen de afspraken over de werktijden aangepast worden.

  • 6

    De ambtenaar en het college overleggen tweemaal per jaar over de werktijden in relatie tot de planning van de werkzaamheden.

  • 7

    Blijkt tijdens dit periodieke gesprek over de werktijden dat het ongewijzigd voortzetten van de planning van de werkzaamheden leidt tot overschrijding van de arbeidsduur per jaar, dan worden de afspraken in overleg aangepast. Indien de ambtenaar en het college het erover eens zijn dat overschrijding van de arbeidsduur per jaar onvermijdelijk is dan wordt in overleg de omvang van de overschrijding vastgesteld, uitgedrukt in uren. De ambtenaar ontvangt voor elk te veel gewerkt uur een vergoeding ter hoogte van het uurloon of een uur vakantieverlof.

  • 8

    De ambtenaar verricht arbeid op werktijden buiten het dagvenster wanneer dat op grond van dienstbelang noodzakelijk is. Voor de uren die de ambtenaar buiten het dagvenster werkt geldt een buitendagvenstertoelage als bedoeld in artikel 3:12.

  • 9

    Ten aanzien van het verrichten van arbeid buiten het dagvenster vanwege dienstbelang is het bepaalde in artikel 4:5 van overeenkomstige toepassing.

  • 10

    Wanneer de ambtenaar en het college er niet in slagen om de werktijden in overeenstemming vast te stellen, dan stelt het college wanneer het dienstbelang dit vergt eenzijdig de werktijden vast met afweging van alle betrokken belangen. In die situatie geldt ten aanzien van de werktijden van de ambtenaar de bijzondere regeling als bedoeld in paragraaf 2 van dit hoofdstuk.

  • 11

    . Het college kan de ambtenaar om redenen van dienstbelang incidenteel verzoeken om werkzaamheden te verrichten op werktijden die afwijken van de afspraken die hierover gemaakt zijn op grond van het derde lid. Wanneer de ambtenaar en het college hierover geen overeenstemming bereiken dan heeft de ambtenaar recht op een vergoeding voor de gewerkte uren ter hoogte van de buitendagvenstertoelage, zoals omschreven in artikel 3:12. Artikel 3:12, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 12

    Het college en de OR evalueren jaarlijks de regels en afspraken over de werktijden in de organisatie. De OR heeft de bevoegdheid om verbetervoorstellen in te dienen, waarvan het college alleen gemotiveerd kan afwijken.

  • 13

    Als op 31 december 2013 op grond van een lokale regeling een ruimer dagvenster geldt dan het dagvenster genoemd in het tweede lid, dan blijft vanaf 1 januari 2014 dit ruimere dagvenster gelden.

Artikel 4:2:0:1 Werktijden

In aanvulling op het gestelde in artikel 4:2 en 4:2:1 heeft de gemeente Deurne afspraken gemaakt over Werktijden.

Klik hier om naar de afspraken te gaan.

Artikel 4:2:1 Vervallen

Vervallen

Artikel 4:2:2 Vervallen

Vervallen

Paragraaf 2 Bijzondere regeling voor de werktijden

  • Artikel 4:3 Werkingssfeer

  • Artikel 4:4 Vaststelling werktijden

  • Artikel 4:5 Werken op zon- en feestdagen

  • Artikel 4:6 Werken op zon- en feestdagen

  • Artikel 4:7 Nadere regels

Artikel 4:3 Werkingssfeer

Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar van wie de werktijd eenzijdig wordt vastgesteld door het college.

Artikel 4:3:1 Vervallen

Vervallen

Artikel 4:3:2 Vervallen

Vervallen

Artikel 4:3:3 Vervallen

Vervallen

Artikel 4:4 Vaststelling werktijden

  • 1

    Het college stelt de werktijden van de ambtenaar vast.

  • 2

    De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per week.

  • 3

    Wanneer voor de ambtenaar wisselende werktijden gelden dan legt het college deze vast in een rooster.

  • 4

    Bij de vaststelling van de werktijden worden de volgende regels in acht genomen:

    • a

      De werktijden worden ten minste één maand voor aanvang bekend gemaakt aan de ambtenaar.

    • b

      De werktijd van de ambtenaar wordt niet uitsluitend vastgesteld op een wijze waardoor een aanspraak op een ORT wordt ontweken.

Artikel 4:5 Werken op zon- en feestdagen

  • 1

    De ambtenaar verricht geen werkzaamheden op zaterdag en zondag, tenzij het dienstbelang dit noodzakelijk maakt. Een afwijking hiervan is slechts mogelijk voor ten hoogste 26 zondagen per jaar.

  • 2

    Bij de vaststelling van de werktijden van de ambtenaar wordt zoveel mogelijk gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat hij in zijn zondagsrust zo weinig mogelijk wordt beperkt.

  • 3

    Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, geldt mede voor het verrichten van arbeid op de nieuwjaarsdag, de tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van de koning wordt gevierd.

  • 4

    Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, ook voor kerkelijke of nationale, landelijke, regionale of plaatselijk erkende feest- of gedenkdagen die door het college zijn aangewezen als dagen, waarop de openbare dienst van de gemeente is gesloten.

  • 5

    Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een kerkgenootschap behoort dat de wekelijkse rustdag op de sabbat of de zevende dag viert, overeenkomstige toepassing indien hij een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend.

Artikel 4:6 Werken op zon- en feestdagen

Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:11, arbeid op zaterdag of zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of zondag waarop hij arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije beschikking toegekend.

Artikel 4:7 Nadere regels

Het college kan ter uitvoering van de artikelen 4:1 tot en met 4:6 nadere regels stellen.

Paragraaf 3 Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters

  • Artikel 4:8 Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters

Artikel 4:8 Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters

  • 1

    De artikelen 4:1 tot en met 4:7 zijn niet van toepassing op de ambtenaar die bij de brandweer werkzaam is in een dienstrooster.

  • 2

    Het college stelt voor de ambtenaren genoemd in het eerste lid van dit artikel een werktijdenregeling vast.

  • 3

    Bij het vaststellen van het dienstrooster draagt het college er zorg voor dat de arbeidsduur per jaar niet wordt overschreden.

Paragraaf 4 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige verlofspaarmogelijkheid

  • Artikel 4:9 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige verlofspaarmogelijkheid

Artikel 4:9 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige verlofspaarmogelijkheid

  • 1

    Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

    • a

      opgebouwde verloftegoed: het voor 1 april 2006 opgebouwde verlof in het kader van de voormalige verlofspaarmogelijkheid;

    • b

      kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed: het omzetten van het opgebouwde verloftegoed in een geldbedrag. Per verlofuur wordt een bedrag uitgekeerd ten hoogte van het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar

  • 2

    Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambtenaar door het college verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten. De ambtenaar geniet het verlof zoveel als mogelijk in een aaneengesloten periode.

  • 3

    De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed.Het college beslist of aan dit verzoek kan worden voldaan. Het verloftegoed kan enkel worden gekapitaliseerd wanneer de ambtenaar deelneemt aan de levensloopregeling en wanneer het gekapitaliseerde verloftegoed wordt gestort op zijn levenslooprekening. Bij de kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed gelden de randvoorwaarden zoals opgenomen in de wettelijke bepalingen omtrent de levensloopregeling. Wanneer in een bepaald jaar het opgebouwde verloftegoed niet volledig kan worden gekapitaliseerd kan de ambtenaar in een volgend jaar opnieuw een verzoek indienen tot kapitalisatie van het resterende opgebouwde verloftegoed. Het college beslist dan of aan dit verzoek kan worden voldaan.

  • 4

    In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen gedurende de opzegtermijn. In overeenstemming met de ambtenaar kan hiervoor de maximale opzegtermijn zonodig worden verlengd. Indien het voor de ambtenaar, in verband met het aanvaarden van een ander dienstverband, niet mogelijk is om de opzegtermijn te verlengen, wordt het niet opgenomen resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.

  • 5

    In geval van ontslag op grond van artikel 8:3, 8:6, 8:7, 8:8 of 8:10 wordt de ambtenaar in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan het ontslag het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen. Indien dit niet mogelijk is, wordt het niet opgenomen opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.

  • 6

    In geval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de ambtenaar verplicht het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen met ingang van de dag dat het voornemen tot ontslag aan de ambtenaar is meegedeeld. Het ontslag gaat in op de eerste dag na afloop van de opname van het opgebouwde verloftegoed.

  • 7

    In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald op grond van het tiende lid.

  • 8

    In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de nabestaanden, met inachtneming van het bepaalde van artikel 8:16:2, het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.

  • 9

    In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een gedeeltelijk ontslag betreft, worden tussen de ambtenaar en het college nadere afspraken gemaakt over de opname van het resterende opgebouwde verloftegoed.

  • 10

    Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt dit uitbetaald naar het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar.

5 Seniorenmaatregelen

Vervallen hoofdstuk

Hoofdstuk 5 is vervallen.

5a FPU Gemeenten en nieuwe seniorenmaatregelen

Vervallen hoofdstuk

Hoofdstuk 5a is vervallen.

6 Vakantie en verlof

Artikel 6:1 Recht op vakantie

In elk kalenderjaar heeft de ambtenaar recht op vakantie met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n).

Artikel 6:1:1 Vakantieverlening

  • 1

    De vakantie, waarop de ambtenaar recht heeft ingevolge artikel 6:1, wordt verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 6:2:4, eerste lid, dan wel toepassing wordt gegeven aan artikel 6:2:6.

  • 2

    De vakantie wordt verleend door het college.

Artikel 6:2 Duur vakantie

  • 1

    De vakantie van de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt ten minste 144 uur per kalenderjaar.

  • 2

    Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kan de ambtenaar verzoeken in het daaropvolgende kalenderjaar de arbeidsduur per jaar te mogen overschrijden met - bij een volledige betrekking - een maximum van 50,4 uren en deze uren om te zetten in vakantie als bedoeld in het eerste lid. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.

  • 3

    Het college wijst een verzoek als bedoeld in het vorige lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.

Artikel 6:2:0:1 Vakantie en verlof

In aanvulling op het gestelde in artikel 6:2 en artikel 6:2:1 heeft de gemeente Deurne afspraken gemaakt over Vakantie en verlof.

Klik hier om naar deze regeling in het onderdeel aanvullende regelingen te gaan.

Artikel 6:2:1 Nadere regels

  • 1

    Met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:2 geeft het college algemene regels met betrekking tot de duur van de vakantie.

  • 2

    De duur van de vakantie van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, wordt naar evenredigheid verminderd.

  • 3

    Bij de in het eerste lid bedoelde algemene regels wordt ten aanzien van de ambtenaren of bepaalde groepen van ambtenaren voorzien in een vermeerdering van de vakantie op grond van volbrachte diensttijd of bereikte leeftijd, dan wel van beide, waarbij het bepaalde in het tweede lid van overeenkomstige toepassing is.

  • 4

    De aan de ambtenaar volgens de in het eerste lid bedoelde algemene regels toekomende vakantie wordt vermeerderd met 14,4 uren ten aanzien van degene, bedoeld in de artikelen 3:11 en 3:13, indien regelmatig en in belangrijke mate op onregelmatige uren wordt gewerkt, respectievelijk indien de in artikel 3:13 genoemde verplichting regelmatig en in belangrijke mate op de ambtenaar rust.

  • 5

    In gevallen waarin dit artikel niet voorziet, stelt het college bijzondere regels vast.

Artikel 6:2:2 Aaneengesloten periode

  • 1

    De vakantie kan worden opgesplitst, maar wordt als regel voor ten minste 2/3 deel, doch in elk geval voor ten minste tien werkdagen, aaneensluitend verleend.

  • 2

    De vakantie wordt desverlangd zoveel mogelijk, in het bijzonder voor wat betreft de aaneengesloten periode, bedoeld in het eerste lid, verleend in het tijdvak van 1 mei tot 1 oktober. De ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld vakantie op te nemen op officiële feestdagen, samenhangend met geloof en/of culturele achtergrond anders dan de feestdagen genoemd in artikel 4:5 lid 3, bij het huwelijk of geregistreerd partnerschap van bloed- en aanverwanten in eerste en tweede graad en bij verhuizing.

  • 3

    De beslissing omtrent de tijdstippen waarop de vakantie zal worden verleend, alsmede die omtrent de tijdvakken waarin de vakantie eventueel zal worden gesplitst, berust bij het bestuursorgaan dat de vakantie verleent. Bij die beslissing wordt, voor zover de belangen van de dienst en die van de andere ambtenaren die toelaten, zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de ambtenaar.

Artikel 6:2:3 Vakantieopbouw tijdens ziekte, arbeidsongeschiktheid en andere redenen van afwezigheid

  • 1

    De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld of wordt ontslagen heeft recht op een duur van de vakantie naar rato van de tijd dat hij zijn functie vervult.

  • 2

    Voor de ambtenaar die door oorzaken anders dan die bedoeld in het eerste lid , niet gedurende het volle kalenderjaar zijn functie vervult, wordt de duur van de vakantie naar evenredigheid verminderd behoudens het bepaalde in het derde lid.

  • 3

    Onverminderd het bepaalde in artikel 6:1:1, eerste lid, wordt een vermindering, bedoeld in het tweede lid, niet toegepast:

    • a

      gedurende afwezigheid wegens zwangerschap en bevalling;

    • b

      gedurende afwezigheid wegens ziekte.

  • 4

    Indien aan de ambtenaar op zijn verzoek vakantie wordt verleend op werkdagen, waarop hij wegens ziekte geheel of gedeeltelijk zijn arbeid niet kan verrichten, wordt het aantal vakantie-uren van de ambtenaar verminderd met het aantal uren dat hij op die dag zou werken als hij niet ziek zou zijn geweest.

  • 5

    Voor vakantie-uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft, maar die met ingang van de dag van ontslag nog niet zijn verleend wordt een vergoeding gegeven. Deze vergoeding is gelijk aan het uurloon van de ambtenaar voor elk niet verleend vakantie-uur.

Artikel 6:2:4 Niet genoten vakantie wegens dienstbelang

  • 1

    Is aan de ambtenaar om redenen van dienstbelang in enig kalenderjaar de vakantie niet of niet geheel verleend, dan wordt hem die nog niet genoten vakantie zoveel mogelijk in het eerstvolgende, doch uiterlijk voor het einde van het tweede volgende kalenderjaar verleend.

  • 2

    Indien het belang van de dienst het onvermijdelijk maakt, dat de vakantie of het aaneengesloten gedeelte daarvan wordt genoten buiten het in artikel 6:2:2, tweede lid, genoemde tijdvak, kan door het college de duur van de vakantie of het aaneengesloten deel daarvan met 1/3 worden verlengd.

Artikel 6:2:5 Intrekking

  • 1

    Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende redenen van dienstbelang zulks noodzakelijk maken. Indien ten gevolge daarvan de ambtenaar op een bepaalde werkdag slechts gedeeltelijk vakantie genoot, worden de genoten vakantie-uren van die werkdag niet in aanmerking genomen bij de berekening van het aantal genoten vakantie-uren.

  • 2

    Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de vakantie geldelijke schade lijdt, wordt deze schade hem vergoed.

Artikel 6:2:6 Niet verleende vakantie

  • 1

    Indien in enig kalenderjaar de vakantie geheel of gedeeltelijk niet is verleend:

    • a

      op verzoek van de ambtenaar;

    • b

      als gevolg van afwezigheid wegens ziekte die niet aan de schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten; of

    • c

      als gevolg van verblijf in militaire dienst anders dan voor eerste oefening,

    wordt de niet genoten vakantie in een volgend kalenderjaar verleend, tenzij het belang van de dienst of de belangen van de andere ambtenaren zich daartegen verzetten. Een verzoek als bedoeld onder a kan achterwege blijven, indien de niet genoten vakantie minder is dan een nader door het college te bepalen aantal uren.

  • 2

    De wegens ziekte tijdens een vakantie niet genoten vakantie-uren worden als niet verleend beschouwd, indien de ambtenaar aannemelijk kan maken dat hij, ware hem geen vakantie verleend, op die uren verhinderd zou zijn geweest zijn functie te vervullen.

  • 3

    Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt met dien verstande, dat de ambtenaar in enig kalenderjaar nimmer meer vakantie-uren kan opnemen dan anderhalf maal het hem bij of krachtens artikel 6:2 lid 1 toekomende aantal uren tenzij op een desbetreffend verzoek van de ambtenaar uitdrukkelijk anders is beslist.

Artikel 6:2:7 Derving voordelen uit dienstverband

Aan de ambtenaar die tijdens zijn vakantie bepaalde voordelen welke aan zijn dienstverband zijn verbonden derft, kan deswege een vergoeding worden toegekend.

Artikel 6:2a Vervaltermijn wettelijk verlof

  • 1

    Indien in een kalenderjaar het wettelijk verlof geheel of gedeeltelijk niet is opgenomen, vervalt dit verlof 12 maanden na het einde van dat kalenderjaar, tenzij de ambtenaar tot aan dat tijdstip om medische redenen redelijkerwijs niet in staat is geweest om dit vakantieverlof op te nemen, of dit vanwege dienstbelang niet mogelijk is geweest.

  • 2

    Een ambtenaar kan een verzoek indienen om zijn wettelijk verlof gedeeltelijk in te zetten voor een langere verlofperiode. Het college kan daarbij de in lid 1 genoemde termijn verlengen.

Artikel 6:2b Verjaringstermijn bovenwettelijk verlof

Indien in een kalenderjaar het bovenwettelijk verlof geheel of gedeeltelijk niet is opgenomen, verjaart dit verlof 60 maanden na het einde van dat kalenderjaar.

Artikel 6:3 Vervallen

Vervallen

Artikel 6:3:1 Vervallen

Vervallen

Artikel 6:4 Buitengewoon verlof

  • 1

    De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op calamiteiten- en ander kort verzuimverlof of kraamverlof heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).

  • 2

    In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke andere gevallen aan de ambtenaar door het college buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) kan worden verleend.

  • 3

    In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke gevallen het college buitengewoon verlof kan verlenen aan de ambtenaar die lid is van een op grond van artikel 12:1, derde lid, toegelaten organisatie.

  • 4

    In de situatie dat er tijdens de non-activiteit elders pensioen wordt opgebouwd, is het verhaal van premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan de bijdrage die voor de ambtenaar is verschuldigd.

Artikel 6:4:1 Buitengewoon verlof

  • 1

    Het college verleent aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) op de dag dat het huwelijk of geregistreerd partnerschap van de ambtenaar wordt voltrokken.

  • 2

    De ambtenaar meldt tenminste twee weken tevoren aan het college wanneer het huwelijk of het registeren van het partnerschap zal plaatsvinden.

Artikel 6:4:1a Langdurend zorgverlof

  • 1

    De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op langdurend zorgverlof, heeft over de uren dat hij dit verlof geniet aanspraak op doorbetaling van 50% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).

  • 2

    Indien de ambtenaar gedurende het langdurend zorgverlof wegens ziekte niet in staat is zijn functie te vervullen vindt geen opschorting van het langdurend zorgverlof plaats.

  • 3

    De ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet en langer dan 7 kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn functie te vervullen heeft met ingang van de achtste kalenderdag aanspraak op zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).

  • 4

    De duur van de vakantie van de ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het langdurend zorgverlof.

  • 5

    Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn functie te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen, wordt met ingang van de achtste kalenderdag de vermindering van de duur van de vakantie beëindigd.

Artikel 6:4:2 Vakbondsverlof

  • 1

    Voor de toepassing van dit artikel worden verstaan onder:

    • a

      Centrales van overheidspersoneel:

      • 1

        de Algemene Centrale van overheidspersoneel (ACOP);

      • 2

        de Christelijke Centrale van overheids- en onderwijs Personeel (CCOOP);

      • 3

        de Centrale van middelbare en hogere functionarissen bij overheid, onderwijs, bedrijven en instellingen (CMHF).

    • b

      Verenigingen van ambtenaren:

      de verenigingen van ambtenaren welke zijn aangesloten bij de onder a genoemde centrales van overheidspersoneel.

  • 2

    Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt door het college buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) verleend aan de ambtenaar:

    • a

      voor het bijwonen van algemene vergaderingen van verenigingen van ambtenaren of, voor zover het algemene verenigingen betreft welke ook andere groepen van ambtenaren dan gemeentepersoneel organiseren, voor het bijwonen van algemene vergaderingen van een landelijke groep van gemeentepersoneel indien de ambtenaar lid van het hoofdbestuur, bestuurslid ener landelijke groep of afgevaardigde van een afdeling is, met dien verstande dat van elke afdeling voor iedere vijftig leden of gedeelte daarvan aan ten hoogste twee afgevaardigden tot een maximum van tien afgevaardigden, verlof wordt verleend;

    • b

      voor het bijwonen van hoofdbestuursvergaderingen indien hij lid is van het hoofdbestuur van bondsraad- of bestuursraadvergaderingen indien hij lid is van de bonds- of bestuursraad, en van groepsraadvergaderingen indien hij lid is van een landelijke groepsraad;

    • c

      voor het bijwonen van één algemene vergadering van de centrale organisatie waarbij de vereniging van de ambtenaar is aangesloten, indien hij als vertegenwoordiger van zijn vereniging aan die vergadering deelneemt.

  • 3

    Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt door het college aan de ambtenaar met een volledige betrekking buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) verleend:

    • a

      om, indien hij daartoe door een centrale van overheidspersoneel als bedoeld in het eerste lid, onder a of door een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen.

      • -

        om bestuurlijke en/of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen die centrale of die daarbij aangesloten vereniging, onderscheidenlijk binnen het gemeentelijk apparaat, welke ertoe strekken de doelstellingen van deze centrale van overheidspersoneel en/of de daarbij aangesloten vereniging te ondersteunen, het geheel voor ten hoogste 216 uren per kalenderjaar;

      • -

        als vakbondsconsulent, voor ten hoogste 50 uur per jaar voor een organisatie met minder dan 400 medewerkers en ten hoogste 100 voor een organisatie met meer dan 400 medewerkers;

      • -

        als arbeidsvoorwaardenadviseur voor ten hoogste 50 uur per jaar voor een organisatie met minder dan 400 medewerkers en ten hoogste 100 uur voor een organisatie met meer dan 400 medewerkers met dien verstande dat per vakcentrale per organisatie verlof wordt toegekend aan maximaal een arbeidsvoorwaardenadviseur

    • b

      voor het - op uitnodiging van een vereniging van ambtenaren - als cursist deelnemen aan een cursus welke door of ten behoeve van de leden van die vereniging van ambtenaren wordt gegeven, alles te samen voor ten hoogste 43,2 uren per twee kalenderjaren.

  • 4

    Van het buitengewoon verlof met behoud van beloning van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur wordt het aantal uren genoemd in het derde lid onder de a en b, naar evenredigheid verminderd.

  • 5

    Het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, kan voor de ambtenaar met een volledige betrekking niet meer bedragen dan ten hoogste 244,8 uren per kalenderjaar, echter met dien verstande dat ten hoogste 316,8 uren verlof kan worden verleend aan de ambtenaar die:

    • a

      lid is van het hoofdbestuur van een centrale van overheidspersoneel, genoemd in het eerste lid onder a, nr. 1 of 2 en/of van een vereniging van ambtenaren die rechtstreeks bij die centrale is aangesloten.

    • b

      lid is van het centrale bestuur van de centrale genoemd in het eerste lid onder a, nr. 3 en/of bestuurslid is van een sector of sectie van de centrale.

    Het buitengewoon verlof met behoud van beloning van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur wordt het aantal uren genoemd in het derde lid onder a en b, naar evenredigheid verminderd.

  • 6

    Verlof, bedoeld in de vorige leden, kan slechts worden verleend aan de ambtenaar die lid is van een vereniging van ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder b.

  • 7

    Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als lid van de commissie, bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) verleend voor het bijwonen van de vergadering van die commissie, alsmede voor een voorvergadering per uitgeschreven commissievergadering. Hetgeen ten aanzien van de voorvergadering is bepaald, geldt eveneens voor de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als plaatsvervangend lid van de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid.

  • 8

    Het college kan omtrent het bepaalde in dit artikel nadere regels stellen, waarbij het te verlenen verlof, bedoeld in het tweede, derde en vijfde lid, op een lager aantal uren kan worden gesteld.

Artikel 6:4:2a Vervallen

(Vervallen)

Artikel 6:4:3 Kortdurend zorgverlof

  • 1

    De ambtenaar met een volledige betrekking kan voor maximaal 72 uur per kalenderjaar aanspraak maken op kortdurend zorgverlof op grond van de Waz.

  • 2

    Het maximum van 72 uur, als genoemd in het eerste lid, wordt voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele betrekkingsomvang van minder dan 36 uur per week naar evenredigheid verminderd.

  • 3

    Het verlof komt voor de helft voor de rekening van de werkgever en voor de helft voor de rekening van de ambtenaar.

  • 4

    Het college bepaalt in overleg met de ambtenaar nader de wijze waarop de verrekening van het verlof met hem plaatsvindt. Verrekening met de vakantie bedoeld in artikel 6:2 is mogelijk.

Artikel 6:4:4 Non-activiteit

  • 1

    Bij non-activiteit, bedoeld in artikel 125c, eerste lid, van de Ambtenarenwet bestaat geen recht op doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) en vakantietoelage.

  • 2

    Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of verkiezing, bedoeld in artikel 125c, tweede lid, Ambtenarenwet 1929, aanspraak heeft op een vaste vergoeding - niet zijnde een onkostenvergoeding - wordt op zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n) over de tijd dat hij het op grond van dat artikellid verleende verlof geniet een inhouding toegepast. Deze inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als vergoeding voor de met het verlof overeenkomende tijd niet te boven.

  • 3

    Het college kan ter uitvoering van de vorige leden nadere regels vaststellen.

Artikel 6:4:5 Overige redenen buitengewoon verlof

Het college kan aan een ambtenaar op diens verzoek, met behoud van het genot van zijn gehele of gedeeltelijke salaris en de toegekende salaristoelage(n) en al dan niet onder bepaalde nadere voorwaarden, verlof verlenen om andere redenen dan die welke zijn genoemd in artikel 6:4 tot en met artikel 6:4:4. Het verlof wordt verleend voor maximaal één jaar.

Artikel 6:4:5a Overige redenen buitengewoon verlof

  • 1

    Het college kan aan de ambtenaar die benoemd is tot bezoldigd bestuurder van een vereniging van ambtenaren op diens verzoek onbetaald verlof verlenen voor de duur van de vervulling van de functie voor ten hoogste twee jaren.

  • 2

    Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensioenpremies en premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie maanden is verleend.

Artikel 6:4:6 Buitengewoon verlof is geen vakantie

Het buitengewoon verlof dat volledig doorbetaald wordt, wordt niet in mindering gebracht op de vakantie.

Artikel 6:5 Ouderschapsverlof

  • 1

    De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op ouderschapsverlof, heeft, voor zover lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof is of wordt vastgesteld, over de uren dat hij dit verlof geniet, maar ten hoogste over 13 maal de formele arbeidsduur per week, aanspraak op doorbetaling van een percentage van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).

  • 2

    Het percentage bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de ambtenaar die wordt gesalarieerd volgens:

    schaal 1:

    90%;

    schaal 2:

    85%;

    schaal 3:

    80%;

    schaal 4:

    70%;

    schaal 5:

    60%;

    schaal 6 en hoger:

    50%.

  • 3

    Het is niet toegestaan dat de ambtenaar gedurende de uren dat het betaald ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht. Het college kan hieromtrent nadere regels stellen.

  • 4

    Op de ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op ouderschapsverlof is artikel 6:9 niet van toepassing.

  • 5

    De ambtenaar kan op grond van onvoorziene omstandigheden een verzoek indienen om toegekend ouderschapsverlof niet op te nemen. Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet, stemt het college hiermee in. Instemming heeft tot gevolg dat het resterende ouderschapsverlof wordt opgeschort.

Artikel 6:5:1 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 6:5:2 Meerlingen

  • 1

    Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind aanspraak op betaald ouderschapsverlof.

  • 2

    De bepalingen uit artikel 6:5:1, 6:5:3, 6:5:4 en 6:5:7 zijn van overeenkomstige toepassing indien er, voor het tweede en de meerdere kinderen van een twee- of meerling, gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid onbetaald ouderschapsverlof te genieten.

Artikel 6:5:3 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 6:5:4 Opbouw vakantie

De duur van de vakantie van een ambtenaar die ouderschapsverlof geniet, wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het ouderschapsverlof.

Artikel 6:5:5 Terugbetaling

  • 1

    De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen zes maanden daarna ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:1, eerste lid, of artikel 8:13, is verplicht het salaris en de toegekende salaristoelage(n), die hij op grond van artikel 6:5 heeft genoten, terug te betalen.

  • 2

    Geen terugbetalingsverplichting ontstaat indien het ontslag als bedoeld in artikel 8:1, eerste lid:

    • a

      het gevolg is van het aanvaarden van een dienstverband bij een andere gemeente;

    • b

      en evenmin indien de betrokkene aanspraak heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, vanwege werkloosheid, die is ontstaan doordat de ambtenaar ontslag heeft gevraagd omdat hij de echtgenoot of geregistreerde partner volgt, die door geheel buiten hem liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet wijzigen.

  • 3

    De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen drie maanden daarna op eigen verzoek een functie aanvaardt voor minder uren dan hij direct voorafgaande aan het ouderschapsverlof vervulde, is verplicht het salaris en de toegekende salaristoelagen, die hij op grond van artikel 6:5 heeft genoten over de uren waarmee zijn aanstelling wordt verminderd, terug te betalen.

  • 4

    De ambtenaar die van het betaald ouderschapsverlof gebruik maakt, dient zich tevoren schriftelijk akkoord te verklaren met het in het eerste en derde lid bepaalde.

Artikel 6:5:6 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 6:5:7 Betaald ouderschapsverlof: aanvullende bepaling

Voor gevallen waarin deze regeling niet of niet naar billijkheid voorziet, kan het college een bijzondere regeling treffen.

Artikel 6:5a Vervallen

(vervallen)

Artikel 6:5a:1 Vervallen

(vervallen)

Artikel 6:6 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 6:7 Zwangerschaps- en bevallingsverlof

  • 1

    De vrouwelijke ambtenaar die op grond van de Wazo zwangerschaps- en bevallingsverlof geniet, heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van haar volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).

  • 2

    De Waz-uitkering van het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste lid recht heeft.

  • 3

    De ambtenaar is, wanneer zij recht heeft op zwangerschaps- en bevallingsverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de uitbetaling van de Waz-uitkering door de gemeente bij en door het UWV.

  • 4

    Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de vrouwelijke ambtenaar de Wazo-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, danwel het recht op de Wazo-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan haar schuld of toedoen te wijten is, wordt de Wazo-uitkering op het salaris en de toegekende salaristoelagen in mindering gebracht.

Artikel 6:8 Adoptie- en pleegzorgverlof

  • 1

    De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op adoptie- of pleegzorgverlof, heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).

  • 2

    De Waz-uitkering van het adoptie- of pleegzorgverlof wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste lid recht heeft.

  • 3

    De ambtenaar is, wanneer hij recht heeft op adoptie- of pleegzorgverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de uitbetaling van de Waz-uitkering door de gemeente bij en door het UWV.

  • 4

    Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar de Wazo-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, danwel het recht op de Wazo-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt de Wazo-uitkering op het salaris en de toegekende salaristoelagen in mindering gebracht.

  • 5

    Het adoptie- en pleegzorgverlof schort de termijnen, bedoeld in artikel 7:3, niet op.

Artikel 6:9 Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de gemeentelijke levensloopregeling

  • 1

    De ambtenaar die langer dan een jaar in dienst is van de gemeente kan het college verzoeken hem onbetaald verlof te verlenen voor een periode van tenminste 1 maand en ten hoogste 18 maanden.

  • 2

    De ambtenaar geniet in een periode van vijf jaar maximaal 18 maanden onbetaald verlof. Per jaar heeft de ambtenaar recht op maximaal één periode van onbetaald verlof.

  • 3

    Het college kan afwijken van de in het eerste en tweede lid gestelde voorwaarden.

  • 4

    Het verzoek van de ambtenaar heeft betrekking op de volledige arbeidsduur of op een deel daarvan.

  • 5

    De ambtenaar dient het verzoek tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum in. Het college stelt vast hoe het verzoek wordt ingediend.

  • 6

    Het college beslist zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek. De ambtenaar ontvangt schriftelijk bericht van de beslissing van het college.

  • 7

    Indien de ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat hij onbetaald verlof geniet, kan het college het verlof intrekken.

  • 8

    Onverminderd het zevende lid kan het onbetaalde verlof niet tussentijds worden beëindigd tenzij het college en de ambtenaar hiermee instemmen.

  • 9

    Het college kent een verzoek om onbetaald verlof dat betrekking heeft op een periode direct voorafgaand aan de pensionering toe, tenzij zwaarwegende dienstbelangen zich daartegen verzetten. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt het verlof verleend voor een periode van maximaal drie jaren.

Artikel 6:10 Aanspraken tijdens onbetaald verlof

  • 1

    De duur van de vakantie van de ambtenaar die onbetaald verlof geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het onbetaald verlof.

  • 2

    Gedurende de periode van verlof bestaat geen aanspraak op uitkeringen, tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en (kosten)vergoedingen. Bij deeltijd verlof wordt dit naar rato vastgesteld.

  • 3

    Gedurende de periode van het verlof bestaat aanspraak op de gehele vergoeding als bedoeld in artikel 7:24a.

  • 4

    Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensioenpremies en premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie maanden is verleend.

Artikel 6:11 Samenloop met ziekte

  • 1

    Het verlof van de ambtenaar die voor een deel van zijn betrekking onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, eindigt met ingang van de vijftiende kalenderdag.

  • 2

    Het college kan besluiten het verlof van de ambtenaar die volledig onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, in schrijnende gevallen te beëindigen. Dit kan niet wanneer er sprake is van verlof voorafgaand aan pensionering.

Artikel 6:12 Samenloop met zwangerschaps- en bevallingsverlof

Het onbetaalde verlof eindigt op de eerste dag van het zwangerschaps- en bevallingsverlof.

6a De gemeentelijke levensloopregeling

Artikel 6a:1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a

    gemeentelijke levensloopregeling: een regeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964;

  • b

    instelling: een door de ambtenaar gekozen kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 19g, vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964;

  • c

    levenslooprekening: een bij de instelling door de ambtenaar geopende geblokkeerde rekening, waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort;

  • d

    levensloopverzekering: een bij de instelling door de ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort;

  • e

    levenslooptegoed: het tegoed op een levenslooprekening onderscheidenlijk het verzekerd kapitaal.

Artikel 6a:2 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 6a:3 Verzoek tot deelname levensloopregeling

  • 1

    De ambtenaar die deel wil nemen aan de gemeentelijke levensloopregeling meldt dit bij het college.

  • 2

    Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de derde kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan de eisen zoals genoemd in artikel 6a:4.

  • 3

    Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.

Artikel 6a:4 Voorwaarden deelname levensloopregeling

  • 1

    De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de instelling waarbij de levenslooprekening of de levensloopverzekering wordt aangehouden.

  • 2

    De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de ambtenaar in dienst is geacht wordt inhoudingsplichtig te zijn ten aanzien van dit levenslooptegoed.

  • 3

    De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan het college informatie verstrekt over de omvang van het levenslooptegoed van de ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed geacht wordt te zijn opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in dienst is.

  • 4

    De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij voldoet aan de voorwaarden die de Wet op de loonbelasting 1964 aan deelname stelt.

Artikel 6a:5 Inleg

  • 1

    De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de gemeentelijke levensloopregeling het gewenste bedrag van de inleg per jaar.

  • 2

    De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college aangewezen wijze en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen.

  • 3

    De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 6a:6 genoemde bronnen.

Artikel 6a:6 Bronnen

De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de gemeentelijke levensloopregeling bestaat uit een of meer van de volgende bronnen:

  • a

    het salaris;

  • b

    het IKB indien het college de levensloopregeling op grond van artikel 3:29 lid 2 heeft aangewezen als bestedingsdoel van het IKB;

  • c

    de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren, bedoeld in artikel 3:36;

  • d

    het opgebouwde verloftegoed, bedoeld in artikel 4:9 lid 3.

Artikel 6a:7 Vervallen

Vervallen

Artikel 6a:7a Vervallen

Vervallen

Artikel 6a:8 Beëindiging deelname levensloopregeling

  • 1

    Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling uiterlijk twee maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe door de ambtenaar. Het college stelt vast hoe de kennisgeving moet plaatsvinden

  • 2

    Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling eindigt daarnaast:

    • a

      bij overlijden van de ambtenaar;

    • b

      bij ontslag van de ambtenaar;

    • c

      op de dag voorafgaand aan die waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.

Artikel 6a:9 Opname levenslooptegoed

Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken ten behoeve van de opname van onbetaald verlof op grond van de Wet Arbeid en Zorg en hoofdstuk 6 meldt de ambtenaar tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum het college dat hij wil beschikken over (een deel van zijn) levenslooptegoed. Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.

Artikel 6a:10 Slotbepaling

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op ambtenaren bedoeld in hoofdstuk 9 en 9b, met uitzondering van de ambtenaar op wie paragraaf 5 van hoofdstuk 9b van toepassing is.

Artikel 6a:11 Vervallen

(Vervallen)

7 Aanspraken bij ongeschiktheid wegens ziekte of gebrek

Paragraaf 1 Definities

  • Artikel 7:1 Definities

Artikel 7:1 Definities

  • 1

    In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    • a

      passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd;

    • b

      werkzaamheden in het kader van de reïntegratie: loonvormende arbeid, die specifiek gericht is op terugkeer in de eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9, derde lid;

    • c

      scholing in het kader van de reïntegratie:scholing die gericht is op terugkeer in de eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9, derde lid;

    • d

      arbeidsongeschiktheid in en door de dienst: arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken die in overwegende mate haar oorzaak vindt in:

      • -

        de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht of;

      • -

        in een dienstongeval verband houdende met de aard van de opgedragen werkzaamheden of de bijzondere omstandigheden waarin deze werkzaamheden moesten worden verricht;

      en die niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten;

    • e

      restverdiencapaciteit: het door UWV vast te stellen inkomen dat de ambtenaar met zijn vaardigheden en bekwaamheden, gelet op zijn beperkingen, nog kan verdienen;

    • f

      arbodienst:een dienst als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet;

    • g

      inactieve:de oud-ambtenaar met een WW-uitkering, aanvullende uitkering, nawettelijke uitkering, WAO-uitkering, WIA-uitkering of wachtgelduitkering, die direct voorafgaand aan de uitkering in dienst was van een gemeente;

    • h

      postactieve: de oud-ambtenaar met een uitkering functioneel leeftijdsontslag, ouderdomspensioen van het ABP of ABP keuzepensioen, die direct voorafgaand aan deze uitkering of dit pensioen in dienst was van een gemeente of inactieve was;

  • 2

    Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht genomen.

Paragraaf 2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek

  • Artikel 7:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek

  • Artikel 7:2:1 Arbo-dienst

  • Artikel 7:2:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding

  • Artikel 7:2:3 Consulteren arts door ambtenaar

  • Artikel 7:2:4 Vervallen

  • Artikel 7:2:5 Geneeskundig onderzoek

  • Artikel 7:2:6 Buitendienststelling

  • Artikel 7:2:7 Maatregelen of voorzieningen in belang herstel ambtenaar

Artikel 7:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek

Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek.

Artikel 7:2:1 Arbo-dienst

De gemeente laat zich bijstaan door een arbodienst of gecertificeerd deskundige(n).

Artikel 7:2:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding

  • 1

    De ambtenaar heeft het recht op bedrijfsgeneeskundige begeleiding overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk.

  • 2

    De bedrijfsgeneeskundige begeleiding van de ambtenaar geschiedt door een arbodienst of gecertificeerd deskundige(n), overeenkomstig door het college te stellen regels.

Artikel 7:2:3 Consulteren arts door ambtenaar

De ambtenaar heeft het recht een arts van de arbo-dienst rechtstreeks te consulteren ter zake van gezondheidsproblemen die naar zijn mening met zijn arbeidssituatie kunnen samenhangen.

Artikel 7:2:4 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 7:2:5 Geneeskundig onderzoek

  • 1

    Het college is bevoegd de arbo-dienst opdracht te geven de ambtenaar aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen:

    • a

      indien naar het oordeel van het college redelijkerwijs aanleiding bestaat tot twijfel aan een goede gezondheidstoestand van de ambtenaar;

    • b

      indien de ambtenaar niet of niet langer volledig geschikt is gebleken voor het naar behoren vervullen van zijn functie, zulks ten einde na te gaan of hiervoor medische oorzaken zijn aan te wijzen.

  • 2

    De ambtenaar is verplicht zich aan een onderzoek, bedoeld in het eerste lid, te onderwerpen.

Artikel 7:2:6 Buitendienststelling

  • 1

    Indien bij een onderzoek, bedoeld in artikel 7:2:5 blijkt van een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar, dat naar het oordeel van de arbodienst de belangen van de ambtenaar, die van de dienst of van bij de dienstuitoefening betrokken derden zich tegen voortzetting van zijn werkzaamheden verzetten, wordt de ambtenaar door het college buiten dienst gesteld.

  • 2

    Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, vindt niet plaats indien, naar het oordeel van de arbo-dienst, de lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar het wenselijk maakt dat hij tijdelijk met andere werkzaamheden wordt belast, indien en voor zover deze voorhanden zijn. In dat geval is artikel 7:18:1 van overeenkomstige toepassing.

  • 3

    Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de toepassing van de overige artikelen van dit hoofdstuk gelijkgesteld met een verhindering wegens ziekte.

Artikel 7:2:7 Maatregelen of voorzieningen in belang herstel ambtenaar

  • 1

    Indien daartoe naar het oordeel van de arbo-dienst aanleiding bestaat, verzoekt het college het UWV de ambtenaar in aanmerking te laten komen voor maatregelen of voorzieningen in het belang van het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid.

  • 2

    De ambtenaar wordt van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk in kennis gesteld.

Paragraaf 3 Aanspraken tijdens ziekte

  • Artikel 7:3 Recht op salaris en de toegekende salaristoelagen

  • Artikel 7:4 Doorbetaling tijdens ziekte bij seniorenmaatregel en onbetaald/gedeeltelijk betaald verlof

  • Artikel 7:5 Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de dienst

  • Artikel 7:6 Vervallen

  • Artikel 7:7 Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst

  • Artikel 7:8 Nadere regels

  • Artikel 7:8:1 Vaststelling referte-tijdvak toelagen

  • Artikel 7:8:2 Periodieke salarisverhoging

  • Artikel 7:8:3 Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en toepassing van artikel 2:7a

Artikel 7:3 Recht op salaris en de toegekende salaristoelagen

  • 1

    De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek vanaf de eerste dag van die ongeschiktheid gedurende de eerste zes maanden recht op doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).

  • 2

    De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid gedurende de zevende tot en met de twaalfde maand recht op doorbetaling van 90% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).

  • 3

    De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 12 maanden gedurende de dertiende tot en met de vierentwintigste maand recht op doorbetaling van 75% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).

  • 4

    De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 24 maanden tot het einde van zijn dienstverband recht op doorbetaling van 70% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).

  • 5

    Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder ziekte ook gebreken verstaan.

  • 6

    De ambtenaar heeft recht op de doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n) over de uren waarop hij:

    • a

      zijn arbeid verricht;

    • b

      passende arbeid verricht;

    • c

      werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie verricht;

    • d

      scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie.

  • 7

    De ambtenaar behoudt na afloop van de termijn van zes maanden recht op de doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n) bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst.

  • 8

    De ambtenaar bedoeld in het derde en vierde lid, die gedurende ten minste 50% van zijn formele arbeidsduur zijn arbeid, passende arbeid, werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie verricht of scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie, genoemd in het zesde lid van dit artikel, heeft recht op een extra percentage van 5% berekend over het salaris en de toegekende salaristoelagen waar hij recht op heeft ingevolge dit artikel. Hierbij geldt als maximum het salaris en de toegekende salaristoelagen zoals genoemd in het eerste lid.

  • 9

    De ambtenaar heeft ten minste recht op het wettelijk minimumloon, berekend naar rato van zijn formele arbeidsduur.

  • 10

    De periode waarover de ambtenaar voorafgaand aan de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 6:7, ziek is als gevolg van de zwangerschap, schort de periode, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, op.

  • 11

    Voor de toepassing van het eerste tot en met het vierde lid worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt genoten, bedoeld in artikel 6:7, tenzij in dat geval de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

  • 12

    De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelagenzoals genoemd in het eerste, tweede, derde en vierde lid, eindigt indien de ambtenaar definitief wordt herplaatst in een andere functie.

  • 13

    Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het recht op beloning tijdens arbeidsongeschiktheid.

  • 14

    Het college zal rekening houden met individuele gevallen van terminale ziekte. In die gevallen zal de afweging worden gemaakt of ook na afloop van de termijn van zes maanden, bedoeld in het eerste lid, het volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n) wordt doorbetaald

Artikel 7:4 Doorbetaling tijdens ziekte bij seniorenmaatregel en onbetaald/gedeeltelijk betaald verlof

De ambtenaar die onbetaald dan wel gedeeltelijk betaald verlof geniet heeft recht op doorbetaling van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n) als bedoeld in artikel 7:3, met dien verstande dat de ambtenaar nooit een hoger bedrag doorbetaald kan krijgen, dan hij zou hebben gekregen, indien hij niet ziek zou zijn geweest.

Artikel 7:5 Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de dienst

  • 1

    Aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WGA- of IVA-uitkering wordt, bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst, een aanvullende uitkering verleend.

  • 2

    De aanvullende uitkering genoemd in het eerste lid is voor de ambtenaar met een WGAof IVA uitkering, gelijk aan het bedrag dat nodig is om de aan de ambtenaar toegekende WGA- of IVA-uitkering, vermeerderd met een aan de ambtenaar toegekende bovenwettelijke aanvulling ingevolge het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, aan te vullen tot een bepaald percentage van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) die de ambtenaar heeft genoten in het jaar voorafgaand aan zijn ontslag. Dit percentage is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:

    80% of meer:

    95%

    65 tot 80%

    68,875%

    55 tot 65%

    57%

    45 tot 55%

    47,5%

    35 tot 45%

    38%

  • 3

    De aanvullende uitkering eindigt:

    • a

      indien de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden of;

    • b

      met ingang van de dag waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.

  • 4

    De gewezen ambtenaar die recht heeft op een uitkering op grond van dit artikel, is verplicht om het college op de hoogte te stellen van wijzigingen in zijn arbeidsongeschiktheiduitkering of bovenwettelijke aanvulling ingevolge het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

Artikel 7:6 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 7:7 Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst

  • 1

    Bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst worden aan de ambtenaar vergoed de te zijner laste blijvende, naar het oordeel van het college noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging.

  • 2

    Het college kan omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften geven.

Artikel 7:8 Nadere regels

Het college kan nadere regels stellen.

Artikel 7:8:1 Vaststelling referte-tijdvak toelagen

Het referte-tijdvak dat in acht wordt genomen voor de vaststelling van de gemiddelde hoogte van de toelage onregelmatige dienst, de overgangstoelage onregelmatige dienst, alsmede de prestatiebeloning, ten behoeve van de vaststelling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) tijdens ziekte, dient in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt.

Artikel 7:8:2 Periodieke salarisverhoging

Het onderwerp periodieke salarisverhogingen tijdens ziekte dient in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt.

Artikel 7:8:3 Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en toepassing van artikel 2:7a

De ambtenaar wiens arbeidsduur is aangepast op grond van artikel 2:7a , kan voor de duur van de periode waarvoor toepassing van dit artikel is bepaald, worden verplicht tot aanvaarding van arbeid waarvan de arbeidsduur overeenkomt met deze tijdelijke uitgebreide arbeidsduur. Wanneer de periode waarvoor de toepassing van artikel 2:7a is verstreken, geldt de verplichting voor de ambtenaar ten aanzien van de aanvaarding van een nieuwe functie voor de formele arbeidsduur.

Paragraaf 4 Verplichtingen en sancties

  • Artikel 7:9 Verplichtingen college

  • Artikel 7:10 Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking bij ziekte

  • Artikel 7:11 Verplichting tot verlening van medewerking aan reïntegratie

  • Artikel 7:12 Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek

  • Artikel 7:13:1 Geen aanspraak op doorbetaling

  • Artikel 7:13:2 Staken van de doorbetaling

  • Artikel 7:14 Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen ambtenaar

  • Artikel 7:15:1 Betaling aan anderen en nabetaling aan ambtenaar

  • Artikel 7:16 Herplaatsing in passende arbeid

  • Artikel 7:17 Terugkeer in functie na ziekte

  • Artikel 7:18 Inkomsten uit of in verband met arbeid

  • Artikel 7:18:1 Inkomsten uit andere betrekking

Artikel 7:9 Verplichtingen college

  • 1

    Het college is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen en voorschriften te geven als redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar, die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebrek verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen arbeid of passende arbeid te verrichten.

  • 2

    Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en binnen de openbare dienst van de gemeente geen passende arbeid voorhanden is, bevordert het college de inschakeling van de ambtenaar in passende arbeid buiten de openbare dienst van de gemeente.

  • 3

    Uit hoofde van zijn verplichting, genoemd in het eerste en tweede lid, stelt het college in overeenstemming met de ambtenaar een plan van aanpak op als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA. Het plan van aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.

  • 4

    Het college stelt een protocol vast, waarin de regels zijn opgenomen met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begeleiding van ziekteverzuim, verplichtingen omtrent ziek- en herstelmeldingen daaronder begrepen, de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedures.

Artikel 7:9:0:1 Ziekteverzuim

In aanvulling op het gestelde in artikel 7:9 heeft de gemeente Deurne afspraken gemaakt over Ziekteverzuim.

Klik hier om naar deze afspraken te gaan.

Artikel 7:10 Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking bij ziekte

De ambtenaar verstrekt op verzoek van het college alle informatie die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.

Artikel 7:10:1 Vervallen

Vervallen

Artikel 7:10:2 Vervallen

Vervallen

Artikel 7:10:3 Vervallen

Vervallen

Artikel 7:10:4 Vervallen

Vervallen

Artikel 7:11 Verplichting tot verlening van medewerking aan reïntegratie

  • 1

    De ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, is verplicht:

    • a

      gevolg te geven aan, door het college of een door hem aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan door het college of een door hem aangewezen deskundige getroffen maatregelen als bedoeld in artikel 7:9;

    • b

      zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:9, derde lid;

    • c

      zich te gedragen naar de regels die in het protocol, bedoeld in artikel 7:9, vierde lid, zijn opgenomen.

  • 2

    Indien de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn functie te vervullen, in staat is passende arbeid als bedoeld in artikel 7:1 te verrichten en hij door het college of een andere werkgever daartoe in de gelegenheid wordt gesteld, is hij verplicht die arbeid te verrichten.

Artikel 7:12 Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek

  • 1

    De ambtenaar is verplicht zich te onderwerpen aan een door of vanwege de arbo-dienst in te stellen medisch onderzoek ter beantwoording van de vragen:

    • a

      of er sprake is van verhindering tot het vervullen van zijn functie wegens ziekte;

    • b

      in welke mate er sprake is van verhindering als bedoeld onder a;

    • c

      of de ambtenaar de verhindering tot het vervullen van zijn functie opzettelijk heeft veroorzaakt;

    • d

      of de ambtenaar ten onrechte nalaat zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te blijven stellen, dan wel zich niet houdt aan de voorschriften hem door de behandelende geneeskundige gegeven, met dien verstande dat te dezen voorschriften tot het verlenen van medewerking aan een ingreep van heelkundige aard zijn uitgezonderd;

    • e

      of de ambtenaar zich zodanig gedraagt, dat zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd;

    • f

      of verdere maatregelen of voorzieningen nodig zijn in het belang van het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid;

    • g

      wanneer en in welke mate de vervulling van de functie kan worden hervat.

  • 2

    Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de redenen van medisch onderzoek.

Artikel 7:13:1 Geen aanspraak op doorbetaling

Geen aanspraak op doorbetaling van salaris en de toegekende salaristoelage(n) als bedoeld in artikel 7:3 en geen opbouw van het IKB, bedoeld in artikel 3:28, bestaat:

  • a

    indien blijkens het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 7:12, sprake is van een omstandigheid waarbij de ambtenaar opzettelijk de verhindering tot het vervullen van zijn functie heeft veroorzaakt, tenzij de ambtenaar daarvan op grond van zijn geestelijk toestand geen verwijt kan worden gemaakt;

  • b

    indien de verhindering wegens ziekte zich voordoet binnen een halfjaar na de in artikel 2:3, eerste lid, bedoelde geneeskundige keuring en alsdan blijkt dat de ambtenaar hierbij onjuiste informatie omtrent zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt of gegevens heeft verzwegen, ten gevolge waarvan de verklaring dat tegen de vervulling van zijn functie uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan, ten onrechte is afgegeven, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.

Artikel 7:13:2 Staken van de doorbetaling

  • 1

    De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), bedoeld in artikel 7:3 en de opbouw van het IKB, bedoeld in artikel 3:28, worden gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar:

    • a

      weigert de in artikel 7:12 neergelegde verplichting tot het verlenen van medewerking aan een door of vanwege de arbo-dienst in te stellen medische onderzoek na te komen;

    • b

      blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek ten onrechte heeft nagelaten zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te blijven stellen;

    • c

      blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek de voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt, met uitzondering van voorschriften om mee te werken aan een ingreep van heelkundige aard;

    • d

      zich blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd;

    • e

      er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een door de arbo-dienst aangewezen arts niet kan plaatshebben;

    • f

      tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij dit door de arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht en het college daartoe toestemming heeft verleend;

    • g

      weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid, die hij heeft in verband met het verrichten van door de arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of derden;

    • h

      zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de arbo-dienst bepaalde tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate, indien zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de arbo-dienst als geldig erkende reden heeft opgegeven;

    • i

      weigert om - op verzoek van het college - informatie te verstrekken die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.

  • 2

    De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) en de opbouw van het IKB vinden wel plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het lid 1.

Artikel 7:14 Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen

  • 1

    De ambtenaar die zich niet houdt aan zijn verplichtingen, bedoeld in artikel 7:11 lid 1, onderdeel c, wordt disciplinair gestraft wegens plichtsverzuim.

  • 2

    De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), bedoeld in artikel 7:3, en de opbouw van het IKB bedoeld in artikel 3:28, worden gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar:

    • a

      weigert mee te werken aan, door het college of een door hem aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen, als bedoeld in artikel 7:11 lid 1, onderdeel a, die erop gericht zijn om de betrokkene in staat te stellen de eigen passende arbeid te verrichten;

    • b

      weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:11 lid 1, onderdeel b;

    • c

      weigert aangeboden passende arbeid te verrichten, waartoe hij op grond van artikel 7:11 lid 2 verplicht is.

  • 3

    De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), en de opbouw van het IKB, bedoeld in lid 2, vinden wel plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het lid 2.

Artikel 7:15:1 Betaling aan anderen en nabetaling aan ambtenaar

  • 1

    Het college kan, indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, bepalen dat de op grond van de artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 het niet uitbetaalde salaris en de toegekende salaristoelage(n), geheel of ten dele aan anderen dan de ambtenaar zal worden uitbetaald.

  • 2

    Voor zover het college van zijn in het eerste lid bedoelde bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt, wordt de ingevolge de artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 het niet uitbetaalde salaris en de toegekende salaristoelage(n) alsnog aan de ambtenaar uitbetaald wanneer de ambtenaar op grond van de second opinion die hij conform artikel 32, van de wet SUWI, heeft aangevraagd inzake het oordeel over de ongeschiktheid tot werken in het gelijk gesteld wordt.

Artikel 7:16 Herplaatsing in passende arbeid

  • 1

    Passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, wordt de ambtenaar opgedragen:

    • a

      door plaatsing in een andere functie voor tijdelijke duur, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling;

    • b

      door plaatsing in een andere functie bij wijze van proef, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling;

    • c

      bij een andere werkgever, door een tijdelijke detachering, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling.

  • 2

    Na 24 maanden van ziekte wordt passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, aan de ambtenaar opgedragen door definitieve herplaatsing. Deze definitieve herplaatsing vindt plaats door wijziging van de aanstelling.

  • 3

    Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek is geworden op of na 1 juli 2007 en die minder dan 35% arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar met de passende arbeid zijn volledige restverdiencapaciteit benut.

  • 4

    Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek is geworden op of na 1 juli 2007 en die 35% of meer, maar minder dan 80% arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar met de passende arbeid 50% van zijn restverdiencapaciteit of meer benut.

  • 5

    Voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid wordt onder een andere functie mede verstaan het verrichten van dezelfde werkzaamheden onder andere voorwaarden.

  • 6

    Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de functie tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking genomen.

  • 7

    Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

  • 8

    De termijn van 24 maanden wordt verlengd:

    • a

      met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de WIA en

    • b

      met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft vastgesteld.

  • 9

    De ambtenaar verleent alle medewerking en verstrekt alle informatie die nodig is om de restverdiencapaciteit vast te stellen.

Artikel 7:17 Terugkeer in functie na ziekte

  • 1

    Ten aanzien van de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn functie te vervullen, kan worden bepaald dat hij zijn functie slechts weer zal mogen vervullen, indien het college daarvoor toestemming heeft verleend, onder bepaling van de mate waarin de hervatting kan geschieden.

  • 2

    Ten behoeve van de bepaling van het eerste lid zal mede worden gelet op het advies van de arbo-dienst of van het UWV.

  • 3

    De in het eerste lid bedoelde toestemming is in ieder geval vereist indien de ambtenaar gedurende meer dan eenjaar volledig verhinderd is geweest zijn functie te vervullen.

Artikel 7:18 Inkomsten uit of in verband met arbeid

Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het in mindering brengen op de beloning van de ambtenaar, van inkomsten uit passende arbeid of werkzaamheden in het kader van diens reïntegratie.

Artikel 7:18:1 Inkomsten uit andere betrekking

  • 1

    Indien de ambtenaar tijdens de verhindering tot het vervullen van zijn functie, op grond van een aan het college uitgebracht advies door de arbo-dienst of door het UWV, in het belang van zijn genezing of zijn reïntegratie, dan wel in het kader van herplaatsing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, worden de inkomsten uit deze arbeid in mindering gebracht op het salaris en de toegekende salaristoelage(n) waar de ambtenaar recht op heeft krachtens artikel 7:3.

  • 2

    Tot de in het eerste lid bedoelde inkomsten wordt tevens gerekend een herplaatsingstoelage, toegekend op grond van hoofdstuk 12 van het pensioenreglement, alsmede elke andere toelage, onder welke benaming ook, die geacht kan worden betrekking te hebben op arbeid bedoeld in het eerste lid.

Paragraaf 5 Bijzondere situaties

  • Artikel 7:19 Samenloop met een ZW-uitkering

  • Artikel 7:20 Samenloop met een WW-uitkering

  • Artikel 7:21 Samenloop met een uitkering op grond van de WIA

  • Artikel 7:22 Bovenwettelijke aanvulling Pensioenreglement

  • Artikel 7:23 WAJONG/WAZ

  • Artikel 7:23:1 Vervallen

Artikel 7:19 Samenloop met een ZW-uitkering

  • 1

    Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk recht heeft op een ZW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3, recht heeft.

  • 2

    Indien de ambtenaar geen ZW-uitkering aanvraagt binnen de in de ZW gestelde termijnen en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de periode dat hij dientengevolge geen ZW-uitkering ontvangt, voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een volledige ZW-uitkering.

  • 3

    Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar de ZW-uitkering vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, dan wel het recht op de ZW-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een volledige ZW-uitkering.

  • 4

    De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle medewerking aan het via het college tot uitbetaling laten komen van de ZW-uitkering.

  • 5

    Indien de ZW-uitkering meer bedraagt dan het bedrag waarop de ambtenaar op grond van artikel 7:3 recht heeft, wordt het meerdere aan de ambtenaar uitbetaald.

Artikel 7:20 Samenloop met een WW-uitkering

Indien de ambtenaar ter zake van de dienstbetrekking waarbij de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk is ontstaan, recht heeft op een WW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3, recht heeft.

Artikel 7:21 Samenloop met een uitkering op grond van de WIA

  • 1

    Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende verhindering tot het vervullen van zijn functie recht heeft op een WGA- of een IVA-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3 recht heeft. Wanneer de ambtenaar recht heeft op een IVA-uitkering dan wel een WGAuitkering in verband met volledige, maar niet duurzame arbeidsongeschiktheid, heeft de ambtenaar ten minste recht op een bedrag ter hoogte van deze IVA- of WGAuitkering.

  • 2

    Indien de ambtenaar recht heeft op een WGA- of een IVA-uitkering uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen, wordt die uitkering naar rato van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) uit de verschillende functies, in mindering gebracht op de dienstbetrekking op grond waarvan de betaling wordt gedaan.

  • 3

    Indien de ambtenaar geen WGA- of IVA-uitkering aanvraagt binnen de in de WIA gestelde termijnen en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de periode dat hij dientengevolge geen WGA- of IVA-uitkering ontvangt, voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een IVA-uitkering.

  • 4

    Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar niet kan worden vastgesteld of de ambtenaar in aanmerking komt voor een WGA- of een IVA-uitkering en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een IVA-uitkering.

  • 5

    Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene de WGA- of IVA-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel uitgegaan van de WGA- of IVA-uitkering zoals die werd genoten voor vermindering of gehele of gedeeltelijke weigering van het bedrag plaatsvond.

  • 6

    De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle medewerking aan het via het college tot uitbetaling laten komen van de WGA- of IVA-uitkering.

Artikel 7:22 Bovenwettelijke aanvulling Pensioenreglement

Artikel 7:21 is van overeenkomstige toepassing, wanneer de ambtenaar in aanvulling op de WGA- of IVA-uitkering, bedoeld in artikel 7:21, recht heeft op een bovenwettelijke aanvulling op grond van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

Artikel 7:23 WAJONG/WAZ

Indien de ambtenaar op grond van zijn arbeidsongeschiktheid recht heeft op een WAJONG- of WAZ-uitkering, worden deze uitkeringen voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld met een uitkering op grond van de WIA.

Artikel 7:23:1 Vervallen

(Vervallen)

Paragraaf 6 Ziektekosten

  • Artikel 7:24 Tegemoetkoming ziektekosten

  • Artikel 7:24a Zorgverzekering

  • Artikel 7:25 Hoogte tegemoetkoming

  • Artikel 7:25a Meerdere dienstverbanden

  • Artikel 7:25b Vervallen

  • Artikel 7:25:1 Vervallen

  • Artikel 7:25:2 Vervallen

  • Artikel 7:25:3 Vervallen

  • Artikel 7:25:4 Vervallen

Artikel 7:24 Tegemoetkoming ziektekosten

De VNG sluit voor de zorgverzekering van gemeenteambtenaren, postactieven en inactieven een overeenkomst als bedoeld in artikel 18 van de Zorgverzekeringswet

Artikel 7:24a Vervallen

Vervallen

Artikel 7:25 Vervallen

Vervallen

Artikel 7:25a Vervallen

Vervallen

Artikel 7:25b Vervallen

(Vervallen)

Artikel 7:25:1 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 7:25:2 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 7:25:3 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 7:25:4 Vervallen

(Vervallen)

Paragraaf 7 Overige bepalingen

  • Artikel 7:26 Overgangsbepaling

  • Artikel 7:27 Garantie-uitkering

  • Artikel 7:28 Overgangsartikel

  • Artikel 7:28:1 Overgangsartikel

  • Artikel 7:28a Overgangsartikel

  • Artikel 7:28b Overgangsartikel

Artikel 7:26 Overgangsbepaling

  • 1

    Op de ambtenaar of gewezen ambtenaar, die wegens ziekte op 31 december 2000 recht heeft op salarisbetaling of uitkering op grond van dit hoofdstuk en waarvan de ziekte ook na deze datum voortduurt, blijven de bepalingen van dit hoofdstuk, zoals deze luidden op 31 december 2000 van kracht tot het moment dat de ziekte van de betrokkene eindigt, dan wel tot de dag met ingang waarvan de betrokkene recht krijgt op een uitkering krachtens de Ziektewet.

  • 2

    De betrokkene is verplicht de onverschuldigde betalingen aan hem, die op grond van dit artikel zijn verricht, terug te betalen, indien hem met terugwerkende kracht een uitkering krachtens de Ziektewet wordt toegekend.

Artikel 7:27 Garantie-uitkering

  • 1

    De ambtenaar die herplaatst is op grond van artikel 7:6, tweede lid onder c, zoals dat luidde voor 1 januari 2003, heeft, indien naderhand maar voor 1 januari 2001, de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is vastgesteld, recht op een garantie-uitkering, indien hem geen aanvullende gangbare arbeid is aangeboden van een zodanige omvang dat hij in staat is om zijn toegenomen restverdiencapaciteit te benutten. Onder gangbare arbeid wordt in dit artikel verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe betrokkene in staat is, gezien zijn krachten en bekwaamheden.

  • 2

    De garantie-uitkering bedraagt, te rekenen vanaf de datum van aanvang van de ziekte in de oorspronkelijke functie, 18 maanden 100%, vervolgens 39 maanden 80% en daarna 33 maanden 70% van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) die de ambtenaar genoot in de oorspronkelijke functie.

  • 3

    Op de garantie-uitkering wordt in mindering gebracht hetgeen de ambtenaar ontvangt uit de dienstbetrekking waarin hij is herplaatst en, in voorkomend geval, met het recht op WAO-uitkering, invaliditeitspensioen, herplaatsingstoelage en inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf verkregen op of na de datum waarop de arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is vastgesteld.

  • 4

    Indien de betrokkene nalaat van de gelegenheid gebruik te maken die kan leiden tot het verkrijgen van gangbare arbeid, indien hij weigert gangbare arbeid te aanvaarden of indien hij opzettelijk inkomsten uit gangbare arbeid verloren laat gaan, wordt het bedrag van de garantie-uitkering verminderd met het bedrag van de verzuimde of de verloren gegane inkomsten.

  • 5

    De garantie-uitkering eindigt:

    • a

      met ingang van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt;

    • b

      bij ontslag.

Artikel 7:28 Overgangsartikel

  • 1

    Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 zijn de artikelen 7:1, 7:3, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 niet van toepassing.

  • 2

    Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 7:1, 7:3, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 zoals die golden op 31 december 2005, van toepassing.

  • 3

    Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 is gelegen op of na 1 januari 2004 en die op grond van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering, zijn de artikelen 7:1, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21 niet van toepassing.

  • 4

    Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 7:1, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21, zoals die golden op 31 december 2005 , van toepassing, waarbij de verwijzing in artikel 7:21, eerste lid, naar artikel 7:3, eerste lid, gelezen moet worden als een verwijzing naar artikel 7:3, zoals dat luidt met ingang van 1 januari 2006 .

  • 5

    Het college stelt per 1 januari 2006 voor de ambtenaren van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 7:3, is gelegen op of na 1 januari 2004, de duur van de ongeschiktheid vast. De hoogte van de loondoorbetaling vanaf 1 januari 2006 wordt bij voortduring van de ongeschiktheid berekend op basis van het bepaalde in artikel 7:3, eerste tot en met het vierde lid.

Artikel 7:28:1 Overgangsartikel

  • 1

    Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 is artikel 7:18:1 niet van toepassing.

  • 2

    Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 7:18:1 zoals dat gold op 31 december 2005 , van toepassing.

Artikel 7:28a Overgangsartikel

  • 1

    Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is artikel 7:16 niet van toepassing.

  • 2

    Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is artikel 7:16, zoals dat gold op 30 juni 2008, van toepassing.

Artikel 7:28b Overgangsartikel

Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 7:16 van toepassing, zoals dat gold op 30 november 2008.

8 Ontslag

Artikel 8:1 Ontslag op verzoek

  • 1

    Indien de ambtenaar ontslag verzoekt, wordt hem dit eervol verleend.

  • 2

    Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.

  • 3

    Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, kan worden aangehouden indien een ontslag op grond van artikel 8:13 overwogen wordt.

Artikel 8:1:1 Ontslag op verzoek

  • 1

    Het ontslag, bedoeld in artikel 8:1, wordt niet verleend met ingang van een datum gelegen binnen een maand dan wel later dan drie maanden na de datum waarop het verzoek om ontslag is ingekomen.

  • 2

    Indien de ambtenaar dit verzoekt kan van het bepaalde in het eerste lid worden afgeweken.

  • 3

    Indien een strafrechtelijke vervolging tegen de ambtenaar aanhangig is of indien overwogen wordt hem in aanmerking te brengen voor disciplinaire straf kan het nemen van een beslissing op een verzoek om ontslag worden aangehouden totdat de uitspraak van de strafrechter of de beslissing inzake de disciplinaire straf onherroepelijk is geworden.

Artikel 8:2 Ontslag wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd

  • 1

    De ambtenaar wordt eervol ontslag verleend met ingang van de dag waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.

  • 2

    Het college kan in bijzondere gevallen, indien de ambtenaar hiermede instemt, van het bepaalde in het eerste lid afwijken.

Artikel 8:2:1 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 8:2a Opzegtermijn na bereiken AOW-gerechtigde leeftijd

  • 1

    De aanstelling of arbeidsovereenkomst van de medewerker die na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd in dienst is getreden van de gemeente, alsmede de aanstelling of arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 8:2 lid 3 wordt beëindigd wanneer een van de partijen dat wenselijk acht. Hierbij wordt een opzegtermijn van één maand in acht genomen.

  • 2

    In afwijking van lid 1 geldt in geval van ziekte een opzegtermijn van 13 weken.

Artikel 8:3 Ontslag wegens reorganisatie

  • 1

    Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend wegens opheffing van zijn functie of wegens verandering in de inrichting van het dienstonderdeel waarbij hij werkzaam is of van andere dienstonderdelen, dan wel wegens verminderde behoefte aan arbeidskrachten. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend.

  • 2

    Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.

  • 3

    Op grond van dit artikel wordt, individuele gevallen uitgezonderd, ontslag verleend ingevolge een vooraf vastgesteld plan.

Artikel 8:3:1 Ontslag wegens reorganisatie

Over het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, wordt overleg gepleegd in de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid. Daarna wordt het aan de betrokken ambtenaren medegedeeld.

Artikel 8:4 Ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid

  • 1

    Onder volledige arbeidsongeschiktheid wordt verstaan:

    • a

      arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht bestaat op een WGA-uitkering;

    • b

      arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht bestaat op een IVA-uitkering.

  • 2

    Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van volledige ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ziekte mede verstaan gebreken. Het ontslag wordt eervol verleend.

  • 3

    Ontslag als bedoeld in het tweede lid mag slechts plaatsvinden indien er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte gedurende een periode van 24 maanden.

  • 4

    Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid het resultaat van de claimbeoordeling van de WIA en de resultaten van een mogelijke herbeoordeling.

  • 5

    Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat een ontslagprocedure als bedoeld in het tweede lid wordt ingesteld. Deze melding geschiedt op zijn vroegst vanaf de 21e maand na de eerste ziektedag.

  • 6

    Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest recente WIA-beschikking zijn genomen.

  • 7

    Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het zesde lid, genomen is, moet het college, indien er geen overeenstemming bestaat over het ontslag, een deskundigenoordeel van UWV betrekken.

  • 8

    Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 24 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de functie tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking genomen.

  • 9

    Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 24 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

  • 10

    De termijn van 24 maanden, als bedoeld in het derde lid wordt verlengd:

    • a

      met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de WIA en

    • b

      met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft vastgesteld.

Artikel 8:5 Ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid

  • 1

    Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van gedeeltelijke ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ziekte mede verstaan gebreken. Het ontslag wordt eervol verleend.

  • 2

    Een ontslag als bedoeld in het eerste lid mag slechts plaatsvinden indien:

    • a

      er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte gedurende een periode van 36 maanden;

    • b

      het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de ambtenaar binnen de gemeentelijke dienst passende arbeid op te dragen, als bedoeld in artikel 7:9.

  • 3

    Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid het resultaat van de claimbeoordeling op grond van de WIA en de resultaten van een mogelijke herbeoordeling.

  • 4

    Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid op grond waarvan de ontslagprocedure als bedoeld in het eerste lid wordt ingesteld. Deze melding geschiedt op zijn vroegst vanaf de 33e maand na de eerste ziektedag.

  • 5

    Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest recente WIA-beschikking zijn genomen.

  • 6

    Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het vijfde lid, genomen is, moet het college, indien er geen overeenstemming bestaat over het ontslag, een deskundigenoordeel van UWV betrekken.

  • 7

    Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde tijdvak van 36 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de functie ten gevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking genomen.

  • 8

    Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde tijdvak van 36 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

  • 9

    De termijn van 36 maanden, als genoemd in het tweede lid, onderdeel a, wordt verlengd

    • a

      met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de WIA en

    • b

      met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft vastgesteld.

  • 10

    Indien voor de ambtenaar buiten de gemeentelijke dienst passende arbeid als bedoeld in artikel 7:16, derde of vierde lid, aanwezig is, is ontslag vanaf 24 maanden na de eerste dag van ongeschiktheid op grond van dit artikel mogelijk. Bij het bepalen van de termijn van 24 maanden worden het zesde, zevende en achtste lid van artikel 7:16 overeenkomstig toegepast.

Artikel 8:5a Ontslag wegens arbeidsongeschiktheid

  • 1

    De ambtenaar die ongeschikt is voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte of gebrek kan ontslag verleend worden indien hij zonder deugdelijke grond weigert:

    • a

      gevolg te geven aan door het college of een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan door het college of een door hem aangewezen deskundige getroffen maatregelen om hem in staat te stellen de eigen of passende arbeid te verrichten, als bedoeld in artikel 7:9;

    • b

      arbeid als bedoeld in artikel 7:11, tweede lid te verrichten waartoe het college hem in de gelegenheid stelt;

    • c

      zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA;

    • d

      een uitkering op grond van de WIA aan te vragen.

  • 2

    Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, wint het college een hierop betrekking hebbend advies van het UWV in.

Artikel 8:5:1 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 8:6 Ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid

  • 1

    Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie anders dan op grond van ziekten of gebreken. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend.

  • 2

    Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.

Artikel 8:7 Overige ontslaggronden

Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van:

  • a

    verlies van een vereiste bij de aanstelling door het bestuursorgaan gesteld, tenzij het vereiste alleen bij aanvaarding van de functie geldt;

  • b

    aangaan van een graad van zwagerschap die de aanstelling in de functie zou uitsluiten;

  • c

    staat van curatele krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;

  • d

    toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;

  • e

    onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens misdrijf;

  • f

    het verstrekken van onjuiste gegevens in verband met indiensttreding, tenzij hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.

Artikel 8:7:1 Overige ontslaggronden

Behalve in het geval, bedoeld in artikel 8:7, onder e, wordt een ontslag op grond van eerder genoemd artikel eervol verleend. Het ontslag kan niet eerder ingaan dan op de dag volgend op die waarop de reden voor het ontslag voor het eerst aanwezig was.

Artikel 8:8 Overige ontslaggronden

  • 1

    Een ambtenaar die vast is aangesteld kan eervol worden ontslagen op een bij het besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden in vorige artikelen van dit hoofdstuk genoemd.

  • 2

    Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.

Artikel 8:8:1 Overige ontslaggronden

De grond waarop het ontslag berust, dat is verleend ingevolge artikel 8:8, wordt slechts op verzoek van de ambtenaar in het ontslagbesluit vermeld.

Artikel 8:9 Overige ontslaggronden

Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie in een publiekrechtelijk college, waarin hij was benoemd of verkozen tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt, indien hij ophoudt zodanige functie te bekleden en hij naar het oordeel van het college niet in actieve dienst kan worden hersteld, eervol ontslag verleend.

Artikel 8:10 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 8:10:1 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 8:11 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 8:11:1 Vervallen

Vervallen

Artikel 8:12 Ontslag uit een tijdelijke aanstelling of tijdelijke urenuitbreiding

  • 1

    De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor bepaalde tijd is van rechtswege ontslagen op de datum waarop die tijd verstrijkt. Indien na de datum, bedoeld in de eerste volzin, het dienstverband feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat opnieuw een aanstelling is verleend, wordt de tijdelijke aanstelling geacht voor dezelfde tijd te zijn aangegaan.

  • 2

    De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor bepaalde tijd is aangegaan, is, voor zover het die urenuitbreiding betreft, van rechtswege ontslagen op de datum dat de urenuitbreiding eindigt. Indien na de datum, bedoeld in de eerste volzin, de urenuitbreiding feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat opnieuw een urenuitbreiding is verleend, wordt de tijdelijke urenuitbreiding geacht voor dezelfde tijd te zijn aangegaan.

  • 3

    De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd kan ontslag worden verleend indien de omstandigheid die tot de aanstelling leidde is vervallen.

  • 4

    De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor onbepaalde tijd is aangegaan, kan, voor zover het die urenuitbreiding betreft, ontslag worden verleend, indien de omstandigheid die tot de urenuitbreiding leidde, is vervallen.

  • 5

    Het ontslag als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid kan niet plaatsvinden wanneer de termijnen als genoemd in artikel 2:4 zijn overschreden.

  • 6

    Het college kan omtrent de opzegtermijnen voor het ontslag uit een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd nadere regels stellen.

Artikel 8:12:1 Tussentijds ontslag uit een tijdelijke aanstelling of urenuitbreiding

  • 1

    De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, eerste en tweede lid, kan ook ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd in dit hoofdstuk.

  • 2

    De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid, kan ook ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd in dit hoofdstuk.

Artikel 8:12:2 Opzegtermijn bij beëindiging tijdelijke aanstelling of urenuitbreiding voor onbepaalde tijd

  • 1

    Bij een ontslag als bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid, wordt een opzegtermijn in acht genomen:

    • a

      van drie maanden, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken twaalf maanden heeft geduurd;

    • b

      van twee maanden, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken zes maanden of langer, doch korter dan twaalf maanden, heeft geduurd;

    • c

      van één maand, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken korter dan zes maanden heeft geduurd.

  • 2

    Over de tijd die aan de in het eerste lid bedoelde opzegtermijn mocht ontbreken, heeft de betrokkene recht op doorbetaling van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).

Artikel 8:13 Ontslag als disciplinaire straf

Als disciplinaire straf kan aan de ambtenaar ongevraagd ontslag verleend worden.

Artikel 8:14 Ontslagbescherming leden ondernemingsraad en vakorganisaties

  • 1

    In dit artikel wordt verstaan onder:

    • a

      wet:Wet op de ondernemingsraden;

    • b

      ondernemingsraad: de ondernemingsraad zoals bedoeld in de wet;

    • c

      ambtenaar: de persoon zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de wet.

  • 2

    Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden:

    • a

      wegens de plaatsing van de ambtenaar op een kandidatenlijst als bedoeld in artikel 9 van de wet;

    • b

      wegens het lidmaatschap van een ondernemingsraad;

    • c

      wegens het lidmaatschap van een commissie bedoeld in artikel 15 van de wet;

    • d

      van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is geweest van een ondernemingsraad;

    • e

      van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is geweest van een commissie bedoeld in artikel 15 van de wet.

  • 3

    Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden wegens het feit dat de ambtenaar door een toegelaten organisatie als bedoeld in artikel 12:1, derde lid, of door een daarbij aangesloten bond is aangewezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn centrale of een daarbij aangesloten bond c.q. binnen de organisatie van de werkgever, die er toe strekken de doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en de daarbij aangesloten bonden te ondersteunen.

  • 4

    In afwijking van het gestelde in het tweede en derde lid kan ontslag op grond van artikel 8:8 plaatsvinden wanneer de betrokkene schriftelijk in het ontslag toestemt.

  • 5

    Indien de ondernemer aan de ondernemingsraad een secretaris heeft toegevoegd, zijn de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing op die secretaris.

Artikel 8:15:1 Schorsing als ordemaatregel

  • 1

    Onverminderd het bepaalde in artikel 16:1:2 kan de ambtenaar door het college worden geschorst:

    • a

      wanneer hem het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven of hem van de oplegging van deze straf mededeling is gedaan;

    • b

      wanneer tegen hem volgens de terzake geldende bepalingen van het Wetboek van Strafvordering een bevel tot inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis wordt ten uitvoer gelegd;

    • c

      wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf wordt ingesteld;

    • d

      in andere gevallen waarin schorsing wordt gevorderd door het belang van de dienst.

  • 2

    Het schorsingsbesluit bevat in ieder geval:

    • a

      een aanduiding van het tijdstip waarop de schorsing ingaat;

    • b

      een nauwkeurige aanduiding van de in het eerste lid bedoelde omstandigheid of omstandigheden welke tot de schorsing aanleiding heeft of hebben gegeven;

    • c

      een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van de schorsing.

Artikel 8:15:2 Schorsing als ordemaatregel

  • 1

    Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder b of c , kunnen het salaris en toegekende salaristoelage(n) voor een derde gedeelte worden ingehouden; na verloop van een termijn van zes weken kan een verdere vermindering van het uit te keren bedrag, ook tot het volle bedrag , plaatsvinden, behoudens het bepaalde in het derde lid.

  • 2

    Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder a , kan tot de in de strafaanzegging of -oplegging genoemde datum van ingang van het ontslag de doorbetaling geheel of gedeeltelijk worden gestaakt, behoudens het bepaalde in het derde lid. Met ingang van de datum van het ontslag wordt de doorbetaling geheel gestaakt.

  • 3

    Het betaalbare gedeelte van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) kan aan anderen dan de ambtenaar worden uitgekeerd. Gedurende de schorsingsperiode blijft de ambtenaar in ieder geval in het genot van een bedrag, gelijk aan het op hem verhaalbare gedeelte van de premies voor pensioen.

  • 4

    Het ingevolge het eerste lid niet uitgekeerde salaris inclusief de toegekende salaristoelage(n) wordt alsnog uitbetaald, indien de schorsing niet door een door de strafrechter opgelegde straf wordt gevolgd of ook indien en in zoverre op andere gronden alsnog tot uitbetaling wordt besloten.

  • 5

    De ingevolge het tweede lid niet uitgekeerde salaris en toegekende salaristoelage(n) wordt alsnog uitbetaald, indien op de schorsing bestraffing van de ambtenaar met onvoorwaardelijk ontslag niet volgt.

Artikel 8:15:3 Bevoegdheid tot ontslagverlening

  • 1

    Ontslag wordt verleend door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling in de betrekking, laatstelijk door de ambtenaar vervuld.

  • 2

    Het besluit tot het verlenen van ontslag wordt op schrift gesteld, met vermelding van de datum van ingang van het ontslag dan wel een omschrijving of aanduiding van die datum.

  • 3

    Ingeval aan een ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd ontslag wordt verleend, wordt de grond waarop het ontslag berust slechts op verzoek van de ambtenaar vermeld.

Artikel 8:16:1 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 8:16:2 Overlijdensuitkering

(verplaatst naar hoofdstuk 3)

Artikel 8:16:3 Overlijdensuitkering

(verplaatst naar hoofdstuk 3)

Artikel 8:16a Overlijdensuitkering bij een ongeval in en door de dienst

(verplaatst naar hoofdstuk 3)

Artikel 8:17 Gedeeltelijk ontslag na terugbrengen arbeidsduur

Indien door de werkgever de formele arbeidsduur per week gedeeltelijk wordt teruggebracht, al dan niet na een tijdelijke uitbreiding daarvan, dient dit te geschieden door een gedeeltelijk ontslag op grond van dit hoofdstuk, behalve in het geval van wijziging van de aanstelling op grond van artikel 7:16.

Artikel 8:18 Overgangsbepaling

  • 1

    Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte, bedoeld in de artikelen 8:5 en 8:5a, is gelegen voor 1 januari 2004 zijn de artikelen 8:5 en 8:5a niet van toepassing.

  • 2

    Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 8:5 en 8:5a, zoals die golden op 30 juni 2006, van toepassing.

  • 3

    Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte, bedoeld in de artikelen 8:5 en 8:5a, is gelegen op of na 1 januari 2004, maar die op grond van de WAO recht hebben op een WAO-uitkering, zijn de artikelen 8:5 en 8:5a niet van toepassing.

  • 4

    Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 8:5 en 8:5a, zoals die golden op 30 juni 2006, van toepassing.

Artikel 8:19 Overgangsbepaling

  • 1

    Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen voor 1 juli 2007 is artikel 8:5 niet van toepassing.

  • 2

    Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 8:5, zoals dat gold op 30 juni 2008, van toepassing.

Artikel 8:20 Overgangsbepaling

Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 8:4 of artikel 8:5 van toepassing, zoals dat gold op 30 november 2008.

9 Uitkering functioneel leeftijdsontslag

Vervallen hoofdstuk

Hoofdstuk 9 is vervallen.

9a Ambtenaren die vanaf 1 januari 2006 in dienst zijn getreden op een bezwarende functie

Artikel 9a:1 Algemeen

Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die vanaf 1 januari 2006 in dienst is getreden op een bezwarende functie, die op 31 december 2005 recht gaf op functioneel leeftijdsontslag op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005 .

Artikel 9a:2 Definities

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a

    bezwarende functie: een betrekking met een hoge belasting door het frequent draaien van piket of het werken in roosterdiensten en deelname aan daaruit voortvloeiende werkzaamheden in de uitruk met als gevolg een verhoogde kans op gezondheidsklachten;

  • b

    de tweede loopbaan: iedere functie binnen de organisatie van de gemeente of buiten de organisatie van de gemeente die, in het kader van het loopbaanplan, volgt op de bezwarende functie en die past bij de richting zoals afgesproken is in het loopbaanplan.

Artikel 9a:3 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 9a:4 Het loopbaanplan

  • 1

    De ambtenaar blijft maximaal 20 jaar werkzaam in een bezwarende functie.

  • 2

    De ambtenaar heeft recht op een loopbaanplan, waardoor het de ambtenaar mogelijk is na maximaal 20 jaar gewerkt te hebben in de bezwarende functie een tweede loopbaan te beginnen binnen of buiten de gemeentelijke dienst.

Artikel 9a:5 Het loopbaanplan

  • 1

    In afwijking van hoofdstuk 17 gelden voor de ambtenaar de volgende bepalingen.

  • 2

    Het college en de ambtenaar leggen in een persoonlijk loopbaanplan de afspraken vast over de loopbaanontwikkeling en de vereiste kennis en vaardigheden, alsmede de in dat kader door de ambtenaar te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten, die nodig zijn om na maximaal 20 jaar gewerkt te hebben in een bezwarende functie een tweede loopbaan te beginnen. Het loopbaanplan omvat in ieder geval die opleidingselementen die nodig zijn om de ambtenaar die bij de brandweer werkzaam is, in 20 jaar op te leiden tot MBO-niveau. Hierbij moet het gaan om opleidingen die extern erkend worden.

  • 3

    Het college en de ambtenaar zijn verplicht medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van het loopbaanplan.

  • 4

    Het loopbaanplan wordt in het jaar van indiensttreding opgesteld.

  • 5

    Het loopbaanplan wordt ten minste een keer per drie jaar geëvalueerd, geactualiseerd en zonodig bijgesteld.

  • 6

    Bij het loopbaanplan wordt rekening gehouden met zowel de belangen van het college als met de belangen van de ambtenaar.

  • 7

    In het loopbaanplan worden afspraken vastgelegd met betrekking tot benodigd verlof en eventuele verdere medewerking van het college die de ambtenaar in staat moeten stellen de gemaakte afspraken uit te voeren.

  • 8

    De kosten die gemaakt zullen worden in het kader van de in het loopbaanplan opgenomen opleiding en activiteiten worden door het college vergoed.

  • 9

    In het loopbaanplan worden, indien mogelijk, ten aanzien van de activiteiten en de opleiding in ieder geval de volgende aspecten vastgelegd:

    • a

      het aanspreekpunt binnen de organisatie;

    • b

      het beroep of de richting die als tweede loopbaan gekozen wordt;

    • c

      de keuze van opleidingsvorm of het instituut, waar de activiteit plaatsvindt;

    • d

      de te maken kosten;

    • e

      de start- en einddatum van de te ondernemen activiteit of de te volgen scholing;

    • f

      de te maken voortgang binnen de activiteit of scholing;

    • g

      de minimaal te behalen resultaten van de activiteit of scholing;

    • h

      de planning van vervolgafspraken;

    • i

      de omstandigheden onder welke een te volgen opleiding of te ondernemen activiteit kan worden onderbroken of gestopt;

    • j

      eventuele andere onderwerpen die van belang zijn voor een goede uitvoering van de gemaakte afspraken.

Artikel 9a:6 Terugbetaling

De ambtenaar die evident misbruik maakt van de loopbaanfaciliteiten die het college biedt, is verplicht de kosten, verband houdende met de activiteiten dan wel opleidingen, die door het college zijn vergoed, terug te betalen.

Artikel 9a:7 Tweede loopbaan binnen / buiten de gemeentelijke dienst

  • 1

    Plaatsing van een ambtenaar in  het kader van de tweede loopbaan binnen of buiten de gemeentelijke dienst vindt definitief plaats.

  • 2

    Definitieve plaatsing binnen de gemeentelijke dienst vindt plaats door aanpassing van de aanstelling.

  • 3

    Definitieve plaatsing buiten de gemeentelijke dienst vindt plaats door ontslag op grond van artikel 8:1 uit de bezwarende functie.

Artikel 9a:8 Disciplinaire straf

  • 1

    De ambtenaar die de verplichtingen, zoals neergelegd in het loopbaanplan, niet nakomt, wordt disciplinair gestraft.

  • 2

    Wanneer de tweede loopbaan na 20 jaar gewerkt te hebben in de bezwarende functie door schuld of toedoen van de ambtenaar niet begonnen kan worden, wordt de ambtenaar op grond van artikel 8:13 disciplinair ontslag verleend.

Artikel 9a:9 Gevolgen niet starten tweede loopbaan

  • 1

    De ambtenaar blijft na 20 jaar in de bezwarende functie werkzaam wanneer:

    • a

      de tweede loopbaan niet begonnen kan worden, omdat het college zijn verplichtingen uit het loopbaanplan niet nakomt;

    • b

      de tweede loopbaan niet begonnen wordt, omdat het college en de ambtenaar daar gezamenlijk toe besluiten.

    Voorwaarde is dat de ambtenaar medisch geschikt is om in de bezwarende functie door te werken.

  • 2

    Het loopbaanplan wordt voortgezet tot de tweede loopbaan begonnen wordt.

  • 3

    Indien de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid na 20 jaar niet medisch geschikt is om in de bezwarende functie door te werken, geldt de procedure, bedoeld in artikel 9a:10.

Artikel 9a:10 Medisch niet meer geschikt; overbruggingsuitkering

  • 1

    De ambtenaar die niet meer medisch geschikt is om in de bezwarende functie door te werken, ontvangt een overbruggingsuitkering.

  • 2

    De duur van de overbruggingsuitkering is afhankelijk van het aantal jaren dat betrokkene in een bezwarende functie werkzaam is geweest.

  • 3

    Per dienstjaar in een bezwarende functie is de duur van de overbruggingsuitkering 12/10 maand. De maximumduur van de overbruggingsuitkering is 24 maanden.

  • 4

    Zodra de medische ongeschiktheid voor de bezwarende functie is vastgesteld, stopt de opbouw van de overbruggingsuitkering.

  • 5

    De hoogte van de overbruggingsuitkering bedraagt de eerste 12 maanden 100% van het salaris en de maanden daarna 80% van het salaris.

  • 6

    De duur van de overbruggingsuitkering wordt in mindering gebracht op de duur van de loondoorbetaling, bedoeld in artikel 7:3.

  • 7

    De overbruggingsuitkering komt tot uitbetaling voor zover deze hoger is dan de loondoorbetaling bij ziekte, bedoeld in artikel 7:3.

Artikel 9a:11 Garantiesalaris en afbouw toelagen

  • 1

    In dit artikel wordt onder oude bezoldiging verstaan de optelsom van:

    • a

      het salaris, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, sub b,

    • b

      de vakantieuitkering,

    • c

      de eindejaarsuitkering,

    • d

      de functioneringstoelage,

    • e

      de waarnemingstoelage en

    • f

      de in de lokale bezoldigingsverordening genoemde andere toelagen en emolumenten, voor zover die aan de ambtenaar zijn toegekend, berekend over een periode van 12 maanden onmiddellijk voorafgaande aan het begin van de tweede loopbaan.

  • 2

    Indien een keuze van de ambtenaar leidt tot een wijziging van de feitelijke uitbetaling van de bezoldiging genoemd in artikel 3:1, tweede lid, onderdeel c, werkt die wijziging van de feitelijke uitbetaling van de bezoldiging genoemd in artikel 3:1, tweede lid, onderdeel c door in de oude bezoldiging

  • 3

    In afwijking van het tweede lid werkt een verhoging of verlaging van de feitelijke uitbetaling van de bezoldiging genoemd in artikel 3:1, tweede lid, onderdeel c bij uitruil in het kader van de uitwisseling van arbeidsvoorwaarden genoemd in hoofdstuk 4a niet door in de oude bezoldiging.

  • 4

    De ambtenaar die binnen de organisatie van de gemeente de tweede loopbaan begint, krijgt een garantietoelage ter hoogte van het negatieve verschil tussen het oude en het nieuwe salaris. Het oude salaris wordt niet geïndexeerd met de generieke salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector wordt overeengekomen.

  • 5

    Op de garantietoelage wordt een vermindering toegepast tot het bedrag waarmee het nieuwe salaris en eventuele toelagen en vergoedingen, behorende bij de nieuwe functie, samen met de garantietoelage de oude bezoldiging overstijgt. De oude bezoldiging wordt niet geïndexeerd met de generieke salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector wordt overeengekomen.

  • 6

    De ambtenaar die als gevolg van de tweede loopbaan binnen de organisatie van de gemeente de toelagen en vergoedingen verliest, die behoorden bij de bezwarende functie, krijgt een aflopende afbouwtoelage ter hoogte van een percentage van het verschil tussen de oude toelagen en vergoedingen en eventuele toelagen en vergoedingen die bij de nieuwe functie behoren. De afbouwtoelage bedraagt:

    • a

      het eerste jaar 100%;

    • b

      het tweede jaar 75%;

    • c

      het derde jaar 50%;

    • d

      het vierde jaar 25%.

    De oude toelagen en vergoedingen worden niet geïndexeerd met de generieke salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector wordt overeengekomen.

  • 7

    Op de afbouwtoelage wordt een vermindering toegepast tot het bedrag waarmee het nieuwe salaris en eventuele toelagen en vergoedingen, behorende bij de nieuwe functie, samen met de garantietoelage en de afbouwtoelage de oude bezoldiging overstijgt. De oude bezoldiging wordt niet geïndexeerd met de generieke salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector wordt overeengekomen.

  • 8

    De ambtenaar die een tweede loopbaan begint buiten de organisatie van de gemeente ontvangt een afkoopbedrag ter hoogte van 175% van het verschil tussen de oude bezoldiging en het nieuwe jaarsalaris, inclusief eventuele toelagen en vergoedingen. Het nieuwe jaarsalaris, inclusief eventuele toelagen en vergoedingen, wordt berekend naar het bedrag dat voor de ambtenaar bij indiensttreding bij de nieuwe werkgever is vastgesteld.

9b Overgangsrecht ambtenaren in een functie die op 31 december 2005 recht gaf op functioneel leeftijdsontslag

Paragraaf 1 Algemene bepalingen

  • Artikel 9b:1 Werkingssfeer

Artikel 9b:1 Werkingssfeer

  • 1

    Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die:

    • a

      op 31 december 2005 werkzaam was bij een gemeentelijk beroepsbrandweerkorps of bij een gemeentelijke ambulancedienst; en

    • b

      op 31 december 2005 een betrekking vervulde, waarvoor door het college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, leeftijdsgrenzen zijn bepaald; en

    • c

      sinds 31 december 2005 onafgebroken de betrekking heeft vervuld, op grond waarvan krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, ontslag werd verleend op de leeftijd van 55 jaar of ouder.

  • 2

    Het eerste lid is overeenkomstig van toepassing voor de ambtenaar die

    • a

      overstapt naar een andere functie bij dezelfde gemeente of ambulancedienst, of

    • b

      overstapt naar een ander gemeentelijk beroepsbrandweerkorps, dan wel naar een andere gemeentelijke ambulancedienst tenzij bij de overstap tussen de werkgever en ambtenaar andere afspraken zijn gemaakt.

  • 3

    Als voorwaarde bij de toepassing van het tweede lid geldt dat de functie waarnaar de ambtenaar overstapt ook een bezwarende functie is, op grond waarvan krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, ontslag werd verleend op de leeftijd van 55 jaar of ouder.

Paragraaf 2 De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer in een bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op het eerst mogelijke moment van verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006 - als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 niet in aanmerking kwam voor een WIA/WAO uitkering en die werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen

  • Artikel 9b:2 Begripsbepalingen

  • Artikel 9b:3 Werkingssfeer

  • Artikel 9b:4 Keuzemogelijkheid voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie

  • Artikel 9b:5 Pensioenopbouw tijdens keuzes van artikel 9b:4

  • Artikel 9b:6 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:4

  • Artikel 9b:7 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:4

  • Artikel 9b:8 Vervallen

  • Artikel 9b:9 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel 9b:4

  • Artikel 9b:10 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel 9b:4

  • Artikel 9b:11 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie

  • Artikel 9b:12 Premieverdeling bij pensioenopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof

  • Artikel 9b:13 Vervallen

  • Artikel 9b:14 Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof

  • Artikel 9b:15 Vervallen

  • Artikel 9b:16 Vervallen

  • Artikel 9b:17 Ziekte tijdens onbezoldigd volledig verlof

  • Artikel 9b:18 Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd volledig verlof

  • Artikel 9b:19 Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie

  • Artikel 9b:20 Salarisgarantie bij definitieve herplaatsing bij ziekte

  • Artikel 9b:21 Levensloop voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie

  • Artikel 9b:22 Inkoop OP voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie

  • Artikel 9b:22a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie

  • Artikel 9b:22b Inkoop OP bij regionalisering

Artikel 9b:2 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a

    bezoldiging: de optelsom van

    • I

      het salaris, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, sub b,

    • II

      de vakantieuitkering;

    • III

      de eindejaarsuitkering;

    • IV

      de functioneringstoelage;

    • V

      de waarnemingstoelage en

    • VI

      de in de lokale bezoldigingsverordening genoemde andere toelagen en emolumenten, voor zover die aan de ambtenaar zijn toegekend, met uitzondering van de levensloopbijdrage bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9, berekend over een periode van 12 maanden onmiddellijk voorafgaande aan de datum, die voortvloeit uit de toepassing van artikel 9b:4, artikel 9b:20, artikel 9b:25, zesde lid, artikel 9b:26, artikel 9b:47 en artikel 9b:52. De bezoldiging wordt, met uitzondering van de bezoldiging bedoeld in artikel 9b:20 en 9b:25, na deze datum geïndexeerd met de generieke salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector wordt overeengekomen. Indien verlofopname door de ambtenaar in deze 12 maanden heeft geleid tot een wijziging van de feitelijke uitbetaling van de bezoldiging genoemd in artikel 3:1, tweede lid, onderdeel c, werkt die wijziging door in de bezoldiging.

  • b

    bezwarende functie: een betrekking met een hoge belasting door het frequent draaien van piket of het werken in roosterdiensten en deelname aan daaruit voortvloeiende werkzaamheden in de uitruk met als gevolg een verhoogde kans op gezondheidsklachten;

  • c

    dienstjaren voor brandweerpersoneel: de jaren in dienst van een gemeentelijk beroepsbrandweerkorps, de jaren werkzaam als buschauffeur of trambestuurder bij het stadsvervoer, mits dit een functie was, die op dat moment recht gaf op functioneel leeftijdsontslag en de jaren als vrijwilliger bij de brandweer, mits het om jaren gaat waarin daadwerkelijk en regelmatig in de uitruk is ingezet en men niet tegelijkertijd een aanstelling had als beroepsbrandweer. Bij twijfel over het aantal dienstjaren als vrijwilliger dient de ambtenaar aannemelijk te maken hoeveel jaren hij als vrijwilliger is ingezet;

  • d

    dienstjaren voor ambulancepersoneel: de jaren werkzaam bij een gemeentelijke ambulancedienst, de jaren werkzaam bij een ambulancedienst van een ziekenhuis of bij een ambulancedienst in de particuliere sector en de jaren werkzaam als buschauffeur of trambestuurder bij het stadsvervoer, mits dit een functie was, die op dat moment recht gaf op functioneel leeftijdsontslag;

  • e

    niet-bezwarende functie: een functie die niet valt onder de definitie van onderdeel b;

  • f

    tweede loopbaan: iedere functie binnen de organisatie van de gemeente of buiten de organisatie van de gemeente die, in het kader van het loopbaanplan, volgt op de bezwarende functie;

  • g

    onbezoldigd volledig verlof: verlof voor de formele arbeidsduur per week, zonder behoud van bezoldiging.

Artikel 9b:3 Werkingssfeer

Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na 1949 en die op 1 januari 2006 20 dienstjaren of meer had in een bezwarende functie en die op het eerst mogelijke moment van verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006 - als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 niet in aanmerking kwam voor een WIA/WAO uitkering en die werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen.

Artikel 9b:4 Keuzemogelijkheid voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie

  • 1

    De ambtenaar wordt op zijn verzoek vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt volledig buitengewoon verlof verleend, tegen doorbetaling van 80% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging. Voor zover het dienstbelang het toelaat, kan de ambtenaar vanaf de datum bedoeld in de eerste volzin in plaats van het volledig buitengewoon verlof als hiervoor bedoeld, een keuze maken uit de volgende mogelijkheden:

    • a

      100% werken, waarbij voor ieder vol jaar dat gewerkt wordt een bonus wordt verstrekt van 20% van het voor de ambtenaar geldende jaarsalaris in het jaar voorafgaande aan toekenning van de bonus;

    • b

      50% van de voor hem geldende formele arbeidsduur werken, tegen doorbetaling van 90% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging;

    • c

      volledig ontslag op grond van artikel 8:1, waarbij een bonus wordt verstrekt van 100% van het voor de ambtenaar geldende jaarsalaris in het jaar voorafgaande aan toekenning van de bonus.

    Indien dit voor het behouden van vakbekwaamheidseisen noodzakelijk is en de werkgever dit kan aantonen, geldt voor ambulancepersoneel als alternatief voor onderdeel b: 60% van een volledige betrekking werken tegen doorbetaling van 95% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging.

  • 2

    De ambtenaar maakt zes kalendermaanden voor de in het eerste lid bedoelde datum het college door middel van een verzoek bekend naar welke variant zijn voorkeur uitgaat.

  • 3

    Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:11, gaat de datum, bedoeld in het eerste lid zoveel later in als het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.

  • 4

    De ambtenaar die kiest voor het in het eerste lid gestelde onder a en b moet medisch geschikt zijn om in de bezwarende functie door te werken.

  • 5

    Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, met inachtneming van het derde lid, de in het eerste lid gestelde keuzemogelijkheden later laten ingaan, telkens met een periode van een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de bezwarende functie.

  • 6

    De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet, met inachtneming van het derde lid, het college uiterlijk zes kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum daartoe verzoeken.

  • 7

    De ambtenaar die eenmaal een keuze heeft gemaakt, kan, voor zover het dienstbelang dat toelaat, gedurende de periode tot het moment, bedoeld in artikel 9b:11, zijn keuze herzien, met dien verstande dat de bonus van artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel c, berekend wordt naar rato van de tijd die resteert tot de datum, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid. Hierbij geldt als voorwaarde dat als tweede en eventueel volgende keuze alleen een optie in aanmerking komt waarbij minder gewerkt wordt dan bij de eerdere keuze. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

  • 8

    De ambtenaar die in de periode van 1 januari 2006 tot 1 januari 2011 gebruik maakt van de mogelijkheid, bedoeld in de eerste zin van het eerste lid van dit artikel, en direct daaraan voorafgaand een functie bekleedde waaraan salarisschaal 6 of lager was verbonden, ontvangt gedurende die periode € 500,- netto per kalenderjaar. De ambtenaar die in deze periode geen volledig kalenderjaar gebruik maakt van de genoemde mogelijkheid, ontvangt een bedrag naar rato. Deze uitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december betaald. Aan de ambtenaar die op grond van lokaal beleid al een vergoeding heeft ontvangen, wordt alleen het deel van het totaalbedrag, waarop op grond van dit lid recht bestaat, uitbetaald dat hoger is dan de reeds ontvangen vergoeding.

Artikel 9b:5 Pensioenopbouw tijdens keuzes van artikel 9b:4

Over de bonus, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid onderdeel a en c, wordt geen pensioen opgebouwd.

Artikel 9b:6 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:4

Gedurende de periode, bedoeld in artikel 9b:4, vindt opbouw van vakantie-uren plaats naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkt.

Artikel 9b:7 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:4

Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid, eerste volzin en onder onderdeel a en b, zijn de artikelen 3:3 en 3:3:1, respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3 niet van toepassing.*

Artikel 9b:8 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 9b:9 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel 9b:4

De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:4 volledig buitengewoon verlof is verleend, tegen doorbetaling van 80% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging, tellen voor de berekening van de ambtsjubileumgratificatie niet mee.

Artikel 9b:10 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel 9b:4

  • 1

    Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:4, eerste volzin of onder b, inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de datum waarop artikel 9b:4 van toepassing is geworden, wordt op de doorbetaling van de bezoldiging een vermindering toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten en de doorbetaalde bezoldiging samen de laatstelijk genoten bezoldiging te boven gaan.

  • 2

    Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof, vakantie of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop artikel 9b:4 van toepassing is geworden.

  • 3

    Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

  • 4

    De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met de toepassing van artikel 9b:4.

  • 5

    Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als gratificatie.

  • 6

    De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.

  • 7

    De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt en van de wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen te overleggen.

  • 8

    Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet nakomt, kan het college besluiten een korting op de door te betalen bezoldiging toe te passen.

Artikel 9b:11 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie

  • 1

    De ambtenaar die op grond van artikel 9b:4, eerste lid, gedeeltelijk doorbetaald volledig buitengewoon verlof geniet dan wel die heeft gekozen voor artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel a of b, wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 59 jaar bereikt onbezoldigd volledig verlof verleend.

  • 2

    In afwijking van het eerste lid, gaat het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 60 jaar bereikt, wanneer het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld van 60 jaar.

  • 3

    Het onbezoldigd volledig verlof wordt uitgesteld met die periode, waarmee de keuze van de ambtenaar, die gebruik heeft gemaakt van het vijfde lid van artikel 9b:4, later is ingegaan.

  • 4

    Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, wanneer het college op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, een leeftijdsgrens had vastgesteld van 59 of 60 jaar, het onbezoldigd volledig verlof later laten ingaan, telkens met een periode van een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de bezwarende functie.

  • 5

    De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet het college uiterlijk zes kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum daartoe verzoeken.

Artikel 9b:12 Premieverdeling bij pensioenopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof

  • 1

    Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid, langer is dan drie jaar, is vanaf dat moment het verhaal van de pensioenpremies en premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdragen die voor de ambtenaar zijn verschuldigd.

  • 2

    Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11, tweede lid, langer is dan twee jaar, is vanaf dat moment het verhaal van de pensioenpremies en premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdragen die voor de ambtenaar zijn verschuldigd.

Artikel 9b:13 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 9b:14 Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof

Gedurende de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11, vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats.

Artikel 9b:15 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 9b:16 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 9b:17 Ziekte tijdens onbezoldigd volledig verlof

Ziekte tijdens de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11, leidt niet tot stopzetting van het onbezoldigd volledig verlof.

Artikel 9b:18 Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd volledig verlof

De periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11, telt niet mee voor de berekening van de ambtsjubileumgratificatie.

Artikel 9b:19 Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie

  • 1

    Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag na de leeftijd van 50 jaar valt en die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk arbeidsongeschikt raakt, is artikel 8:4 respectievelijk artikel 8:5 niet van toepassing.

  • 2

    De ambtenaar, genoemd in het eerste lid, wordt hersteld verklaard vanaf de datum, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid.

  • 3

    De datum, bedoeld in het tweede lid gaat zoveel later in als het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.

  • 4

    Op de ambtenaar, genoemd in het tweede lid, zijn vanaf de datum van herstel, voor zover de medische geschiktheid dat toelaat, artikel 9b:4 tot en met artikel 9b:18 van toepassing.

  • 5

    De ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van 55 jaar en die wegens ziekte ongeschikt wordt om zijn betrekking te vervullen, wordt niet ziek gemeld. Vanaf de datum dat de door deze ambtenaar gemaakte keuze op grond van artikel 9b:4, eerste lid, vanwege medische geschiktheid niet meer mogelijk is, verandert deze keuze in een keuze die op grond van zijn medische geschiktheid nog wel mogelijk is, met dien verstande dat de bonus van artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel c, berekend wordt naar rato van de tijd die resteert tot de datum, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid. Op hem blijft artikel 9b:11 van toepassing.

  • 6

    De datum, bedoeld in het vijfde lid gaat zoveel later in als het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.

Artikel 9b:20 Salarisgarantie bij definitieve herplaatsing bij ziekte

  • 1

    De ambtenaar, die op grond van hoofdstuk 7 binnen de organisatie van de gemeente definitief herplaatst wordt, heeft recht op een garantietoelage ter hoogte van het negatieve verschil tussen de oude bezoldiging en het nieuwe totaalinkomen van de ambtenaar. Tot het totaalinkomen wordt de nieuwe bezoldiging gerekend, alsmede de uitkeringen die de ambtenaar in verband met zijn arbeidsongeschiktheid ontvangt.

  • 2

    Wanneer de ambtenaar, op grond van hoofdstuk 7 definitief herplaatst wordt in een functie met een lager totaal inkomen buiten de organisatie van de gemeente, maken het college en de ambtenaar afspraken over een financiële regeling.

Artikel 9b:21 Levensloop voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie

Op de ambtenaar, die een bezwarende functie bekleedt, waaraan het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, een leeftijdsgrens had vastgesteld, is de levensloopregeling van hoofdstuk 9e van toepassing.

Artikel 9b:22 Inkoop OP voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie

  • 1

    Ten behoeve van de ambtenaar wordt, onder de voorwaarde dat hij daarvoor fiscale ruimte beschikbaar heeft, op de leeftijd van 53 jaar een bedrag in ABP Extra Pensioen gestort ter hoogte van 57% van het geïndexeerde loon maal de leeftijdsafhankelijke factor, die behoort bij de leeftijd van 53 jaar. Hierbij is het geïndexeerde loon het gemiddelde pensioengevend inkomen zoals dat bij ABP bekend is over de dienstjaren tot 53 jaar maal de indexatie per betreffend dienstjaar zoals door ABP is vastgesteld. Indien het loon uit enig dienstjaar bij ABP niet bekend is, toont de ambtenaar wat het loon is geweest.

  • 2

    Wanneer er onvoldoende fiscale ruimte is, wordt hetgeen niet in ABP Extra Pensioen gestort kan worden, aan de ambtenaar ter beschikking gesteld.

  • 3

    Ten behoeve van de ambtenaar die voor de leeftijd van 53 jaar uittreedt uit een bezwarende functie wordt, met inachtneming van het tweede lid, het in het eerste lid genoemde bedrag in ABP Extra Pensioen gestort op het moment van uittreden, waarbij de leeftijdsafhankelijke factor wordt toegepast die hoort bij de leeftijd op het moment van uittreden en het gemiddelde loon wordt berekend tot het moment van uittreden.

  • 4

    Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot het pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1 van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

  • 5

    Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot de bezoldiging.

  • 6

    De ambtenaar kan zijn werkgever eenmalig verzoeken om een indicatie van het verwachte te storten bedrag. Het college bepaalt, in overleg met de ambtenaar, het geschikte moment voor deze indicatie.

Artikel 9b:22a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 j