Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Deurne

Archeologieverordening Gemeente Deurne 2008

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieDeurne
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingArcheologieverordening Gemeente Deurne 2008
CiteertitelArcheologieverordening Gemeente Deurne 2008
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpvolkshuisvesting en woningbouw
Eigen onderwerpruimtelijke ordening en volkshuisvesting

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze regeling bevat de vroegst mogelijke datum van inwerkingtreding.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Gemeentewet, art. 149
  2. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

24-09-2010nieuwe regeling

14-09-2010

Weekblad voor Deurne, 23-09-2010

Raadsbesluit 2010, nr. 026

Tekst van de regeling

Intitulé

Archeologieverordening Gemeente Deurne 2008

DE RAAD DER GEMEENTE DEURNE

 

gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 17 augustus 2010, nr. 026;

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

 

BESLUIT

 

vast te stellen de navolgende

 

Archeologieverordening Gemeente Deurne 2008

 

Verordening van 1 juli 2008, zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van de gemeenteraad van 14 september 2010.

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begripsbepalingen

Deze verordening verstaat onder:

Monument:

  • 1.

    onroerende zaak, die van algemeen belang is op basis van de volgende criteria:

    • a.

      architectuurhistorische waarde; en/of

    • b.

      landschappelijke en/of historisch ruimtelijke waarde; en/of

    • c.

      cultuurhistorische waarde; en/of

    • d.

      zeldzaamheidswaarde

  • 2.

    gebied of terrein met behoudenswaardige informatie van cultuurhistorische, archeologische of landschappelijke aard.

 

Archeologisch verwachtingsgebied

Terrein dat overeenkomstig de bepalingen van deze verordening is aangewezen vanwege zijn betekenis voor de gemeentelijke archeologische monumentenzorg en geregistreerd is op de gemeentelijke archeologische beleidskaart.

 

Gemeentelijke archeologische beleidskaart

Kaart met een ruimtelijke presentatie van de gemeentelijke archeologische verwachtingsgebieden en het te voeren beleid, vastgesteld door de bevoegde overheid.

 

Gemeentelijk archeologisch monument

Terrein dat overeenkomstig de bepalingen van deze verordening is aangewezen en geregistreerd als gemeentelijk monument.

Gebied of terrein van archeologische waarde

Gebied of terrein dat zich bevindt in de zone die op de archeologische beleidskaart van de gemeente Deurne als zodanig is aangeduid (aldaar: categorie 2) en waarvan is aangetoond dat er concentraties van archeologische resten voorkomen die als behoudenswaardig kunnen worden gekarakteriseerd.

 

Gebied of terrein met hoge archeologische verwachting

Gebied of terrein dat zich bevindt in de zone die op de archeologische beleidskaart van de gemeente Deurne als zodanig is aangeduid (aldaar: categorie 3) en waarvan op basis van geologische en bodemkundige opbouw een hoge dichtheid aan archeologische sporen/vindplaatsen wordt verwacht.

 

Gebied met gematigde archeologische verwachting

Gebied of terrein dat zich bevindt in de zone die op de archeologische beleidskaart van de gemeente Deurne als zodanig is aangeduid (aldaar: categorie 4) en waarvan op basis van geologische en bodemkundige opbouw een middelhoge dichtheid aan archeologische sporen/vindplaatsen wordt verwacht.

 

Gebied met lage archeologische verwachting

Gebied of terrein dat zich bevindt in de zone die op de archeologische beleidskaart van de gemeente Deurne als zodanig is aangeduid (aldaar: categorie 5) en waarvan op basis van geologische en bodemkundige opbouw een lage dichtheid aan archeologische sporen/vindplaatsen wordt verwacht.

 

Gemeentelijke monumentenlijst

De lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als beschermd gemeentelijk monument aangewezen onroerende zaken en terreinen.

 

Monumentencommissie

De door het college van burgemeester en wethouders ingestelde commissie of aangewezen instantie, die als taak heeft het college van burgemeester en wethouders op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, over de gemeentelijke monumentenverordening en over het gemeentelijk monumentenbeleid.

 

Archeologisch vooronderzoek

Archeologisch vooronderzoek kan bestaan uit locatiegericht bureauonderzoek, booronderzoek, geofysisch prospectieonderzoek, het graven van proefsleuven of een combinatie daarvan. De verschillende vormen van onderzoek worden verricht door een erkende partij en uitgevoerd volgens de desbetreffende specificaties in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) door een erkende partij. De resultaten van het onderzoek worden geïnterpreteerd en vastgelegd in een rapport dat aan het bevoegd gezag wordt overgelegd.

 

Opgraving

De ontsluiting van een archeologische vindplaats met als doel de informatie te verzamelen en vast te leggen die nodig is voor het beantwoorden van de in het Programma van Eisen verwoorde onderzoeksvra(a)g(en) en het behalen van de onderzoeksdoelstellingen. Opgravingen worden verricht door een erkende partij, beschikkend over een opgravingsvergunning ex artikel 39 van de Monumentenwet en uitgevoerd volgens de desbetreffende specificatie in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).

 

Erkende partij

Een dienst, bedrijf of instelling, erkend door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) en werkend volgens de specificaties van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.

 

Deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg

Een door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen ambtenaar belast met de gemeentelijke archeologische monumentenzorg, of een externe adviseur.

 

Bodemingreep

Alle grondwerkzaamheden/ activiteiten die een effect hebben op het voortbestaan van archeologische waarden in situ, ook wel bodemverstoring genoemd.

 

Bouwhistorisch onderzoek

Onderzoek, in een schriftelijke rapportage vastgelegd, naar de bouwgeschiedenis, de bouwhistorische kwaliteit en de monumentale waarde van een monument.

 

Bevoegd gezag

Bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

 

Het college

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Deurne

 

Vergunning

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 2 Het gebruik van het monument

Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het gebruik van het monument.

HOOFDSTUK 2 ARCHEOLOGISCHE VERWACHTINGSGEBIEDEN

Artikel 3 Gemeentelijke archeologische beleidskaart

  • 1.

    De gemeenteraad stelt op voordracht van het college een gemeentelijke archeologische beleidskaart vast, die dient als basis voor:

    • a.

      deze verordening;

    • b.

      aanwijzing van archeologische verwachtingsgebieden als bedoeld in artikel 4;

    • c.

      de opstelling van bestemmingsplannen conform artikel 38a van de Monumentenwet.

  • 2.

    De gemeentelijke archeologische beleidskaart ligt in het gemeentehuis voor een ieder ter inzage.

Artikel 4 Aanwijzing archeologische verwachtingsgebieden

Conform de gemeentelijke archeologische beleidskaart worden de volgende archeologische verwachtingsgebieden aangewezen:

  • 1.

    Beschermd archeologisch monument: terrein dat overeenkomstig artikel 3 van de Monumentenwet of overeenkomstig de bepalingen van de Archeologieverordening Gemeente Deurne is aangewezen als archeologisch monument en op de archeologische beleidskaart als zodanig is opgenomen onder categorie 1.

  • 2.

    Gebied of terrein van archeologische waarde: gebied of terrein dat op de archeologische beleidskaart als zodanig is aangeduid (aldaar: categorie 2) en waarvan is aangetoond dat er concentraties archeologische resten voorkomen die als behoudenswaardig gekarakteriseerd kunnen worden.

  • 3.

    Gebied of terrein met hoge archeologische verwachting: gebied of terrein dat zich bevindt in de zone die op de archeologische beleidskaart als zodanig is aangeduid (aldaar: categorie 3) en waarvan op basis van geologische en bodemkundige opbouw een hoge dichtheid aan archeologische sporen/vindplaatsen wordt verwacht.

  • 4.

    Gebied met gematigde archeologische verwachting: gebied of terrein dat zich bevindt in de zone die op de archeologische beleidskaart als zodanig is aangeduid (aldaar: categorie 4) en waarvan op basis van geologische en bodemkundige opbouw een middelhoge dichtheid aan archeologische sporen/vindplaatsen wordt verwacht.

  • 5.

    Gebied met lage archeologische verwachting: gebied of terrein dat zich bevindt in de zone die op de archeologische beleidskaart als zodanig is aangeduid (aldaar: categorie 5) en waarvan op basis van geologische en bodemkundige opbouw een lage dichtheid aan archeologische sporen/vindplaatsen wordt verwacht.

Artikel 5 Wijzigen kwalificatie van een locatie

Op grond van een melding ingevolge artikel 53 van de Monumentenwet en op grond van de resultaten van archeologisch onderzoek kan het college een terrein of locatie alsnog aanwijzen als gemeentelijk archeologisch monument, gebied van archeologische waarde, of gebied met hoge of middelhoge verwachting.

Artikel 6 Verbodsbepaling archeologische verwachtingsgebieden

Het is verboden om zonder of in afwijking van een vergunning het archeologisch bodemarchief in een archeologisch verwachtingsgebied te verstoren, te beschadigen of te vernielen.

Artikel 7 Vergunning archeologische verwachtingsgebieden

  • 1.

    Het bevoegd gezag kan vergunning verlenen voor graafwerk en bodemingrepen in archeologische verwachtingsgebieden.

  • 2.

    Aanlegvergunning kan slechts worden verleend indien vooraf door aanvrager van de aanlegvergunning door middel van een rapportage van archeologisch vooronderzoek conform de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld dat bij realisatie van de bodemingrepen:

    • a.

      de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of

    • b.

      er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of

    • c.

      de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad.

  • 3.

    Het bevoegd gezag kan aan de verlening van de vergunning de volgende voorschriften verbinden:

    • a.

      de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;

    • b.

      de verplichting tot het doen van opgravingen;

    • c.

      de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een erkende partij op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

  • 4.

    De gevraagde vergunning kan worden geweigerd, indien de archeologische waarden die in het geding zijn naar het oordeel van het bevoegd gezag in situ behouden dienen te blijven.

  • 5.

    Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor terreinen/gebieden die overeenkomstig artikel 3 van de Monumentenwet zijn aangewezen als beschermd archeologisch (rijks)monument.

Artikel 8 Vergunningaanvraag

Vervallen

Artikel 9 Vrijstelling archeologische verwachtingsgebieden

Vrijstelling van het bepaalde in artikel 7 wordt verleend in de volgende gevallen:

  • 1.

    Bodemingrepen tot een diepte van 50 cm onder maaiveld in gebieden of terreinen met hoge archeologische verwachting (categorie 3), gematigde archeologische verwachting (categorie 4) en lage archeologische verwachting (categorie 5);

  • 2.

    Voor gebieden of terreinen met hoge archeologische verwachting (categorie 3), gelegen binnen het bestemmingsplan buitengebied:

    • a.

      Alle bodemingrepen binnen een contour van 50 m rondom de bestaande bebouwing in het bouwblok;

    • b.

      Bodemingrepen dieper dan 50 cm onder maaiveld met een omvang van minder dan 1000m2 buiten de sub a genoemde contour;

  • 3.

    Voor gebieden of terreinen met hoge archeologische verwachting (categorie 3) die niet gelegen zijn binnen het bestemmingsplan buitengebied: bodemingrepen dieper dan 50 cm onder maaiveld met een omvang van minder dan 250m2;

  • 4.

    Voor gebieden met gematigde archeologische verwachting (categorie 4), gelegen binnen het bestemmingsplan buitengebied:

    • a.

      Alle bodemingrepen binnen een contour van 50 m rondom rondom de bestaande bebouwing in het bouwblok;

    • b.

      Bodemingrepen dieper dan 50 cm onder maaiveld met een omvang van minder dan 2500m2 buiten de sub a genoemde contour;

  • 5.

    Voor gebieden met gematigde archeologische verwachting (categorie 4), die niet gelegen zijn binnen het bestemmingsplan buitengebied: bodemingrepen dieper dan 50 cm onder maaiveld met een omvang van minder dan 1000m2;

  • 6.

    Voor gebieden met een lage archeologische verwachting (categorie 5): bodemingrepen met een omvang die lager is dan de omvang die m.e.r.-plichtig is.

Artikel 10 Kennisgeving

  • 1.

    In die gevallen waar artikel 9 van toepassing is, kan door de initiatiefnemer van de bodemingrepen worden volstaan met een schriftelijke kennisgeving aan het bevoegd gezag, waarop dit college binnen twee weken na ontvangst wordt geacht te reageren.

  • 2.

    De sub 1 genoemde bodemingrepen worden aangetekend op de gemeentelijke archeologische beleidskaart.

Artikel 11 Ruimtelijke ontwikkeling

  • 1.

    In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de bouwvergunning, als bedoeld in artikel 40 van Woningwet, voorwaarden gesteld worden als bedoeld in artikel 7 lid 1 van deze verordening.

  • 2.

    In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan een sloopvergunning, als bedoeld in artikel 37 van de Monumentenwet 1988, voorwaarden gesteld worden als bedoeld in artikel 7 lid 1 van deze verordening.

  • 3.

    In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan een vrijstelling van een bestemmingsplan als bedoeld in de artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voorwaarden gesteld worden als bedoeld in artikel 7 lid 1 van deze verordening.

  • 4.

    Alvorens het bevoegd gezag beslist ten aanzien van het gestelde in lid 3 wint zij advies in van een erkende partij en/of een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg over de archeologische waarden en verwachtingen die aan de orde zijn.

  • 5.

    Het in lid 4 genoemde advies wordt door het bevoegd gezag onmiddellijk na ontvangst voorgelegd aan de monumentencommissie.

  • 6.

    De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen 8 weken na ontvangst van het verzoek van het bevoegd gezag.

  • 7.

    Bij overschrijding van de in lid 6 genoemde termijn wordt de monumentencommissie geacht geadviseerd te hebben.

HOOFDSTUK 3 GEMEENTELIJKE ARCHEOLOGISCHE MONUMENTEN

Artikel 12 De aanwijzing tot gemeentelijk archeologisch monument

  • 1.

    De gemeenteraad kan op voorstel van het college van burgemeester en wethouders, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument zoals gedefinieerd in artikel 1 aanwijzen als gemeentelijk archeologisch monument.

  • 2.

    De aanwijzing wordt gebaseerd op een redengevende monumentbeschrijving aan de hand van selectiecriteria die door het college worden vastgesteld.

  • 3.

    Degenen die in de kadastrale registratie als eigenaar en / of beperkt gerechtigde staan vermeld, de hypothecaire schuldeisers en - als om de aanwijzing is verzocht - de verzoeker worden in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.

  • 4.

    Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk archeologisch monument ontvangt, tot het moment dat de registratie als bedoeld in artikel 15 plaatsheeft of vaststaat dat het monument niet wordt aangewezen, zijn de artikelen 18 tot en met 21 bij wijze van voorbescherming van overeenkomstige toepassing.

  • 5.

    Het college van burgemeester en wethouders kan bepalen, dat ten behoeve van de aanwijzing van een monument als beschermd gemeentelijk archeologisch monument een bouwhistorisch en/of non-destructief archeologisch onderzoek wordt verricht.

  • 6.

    De aanwijzing als beschermd gemeentelijk archeologisch monument kan geen object betreffen dat onherroepelijk is aangewezen op grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988.

Artikel 13 Termijn van advies en aanwijzingsbesluit

  • 1.

    Voordat het college van burgemeester en wethouders over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het advies aan de monumentencommissie. In spoedeisende gevallen kan het vragen van dit advies achterwege blijven.

  • 2.

    De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen 8 weken na ontvangst van het verzoek van het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het college van burgemeester en wethouders beslist binnen 12 weken na ontvangst van het advies van de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 20 weken na de adviesaanvraag.

Artikel 14 Mededeling van de aanwijzing

  • 1.

    De aanwijzing als bedoeld in artikel 12 wordt medegedeeld aan degenen, die in de kadastrale registratie als eigenaar en / of beperkt gerechtigde staan vermeld, aan de ingeschreven hypothecaire schuldeisers en, indien om aanwijzing is verzocht, aan de verzoeker.

  • 2.

    Het college brengt de raad in kennis van het besluit over de aanwijzing van een gemeentelijke archeologisch monument.

Artikel 15 Registratie van de aanwijzing op de gemeentelijke monumentenlijst

  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders registreert het gemeentelijke archeologische monument op de gemeentelijke monumentenlijst, de gemeentelijke archeologische beleidskaart en het Wkpb-register.

  • 2.

    De registratie van een gemeentelijke archeologisch monument op de gemeentelijke monumentenlijst omvat:

    ° de plaatselijke aanduiding;

    ° de datum van de aanwijzing;

    ° de kadastrale aanduiding;

    ° de tenaamstelling en

    ° een beschrijving van het gemeentelijke archeologische monument.

  • 3.

    Indien een deel van een onroerende zaak beschermingswaardig is, beperkt de bescherming en registratie zich tot dat specifieke deel. In de beschrijving dient dit tot uitdrukking te komen.

  • 4.

    De gemeentelijke monumentenlijst en de gemeentelijke archeologische beleidskaart liggen in het gemeentehuis voor een ieder ter inzage.

Artikel 16 Wijzigen van de aanwijzing

  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders kan de aanwijzing ambtshalve of op aanvraag van een belanghebbende wijzigen.

  • 2.

    Artikel 12, lid 2, 3, 4, 5 en 6 alsmede artikel 13 en 14 zijn van overeenkomstige toepassing op de wijziging.

  • 3.

    Indien de wijziging naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders van ondergeschikte betekenis is, kan het in lid 2 gestelde achterwege blijven.

  • 4.

    De inhoud en datum van wijziging worden aangetekend op de gemeentelijke monumentenlijst, de archeologische beleidskaart en het Wkpb-register.

  • 5.

    De wijziging van de aanwijzing wordt medegedeeld aan degenen die in de kadastrale registratie als eigenaar en / of beperkt gerechtigde staan vermeld en aan de ingeschreven hypothecaire schuldeisers.

Artikel 17 Intrekken van de aanwijzing

  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders kan de aanwijzing intrekken.

  • 2.

    Artikel 12, lid 2, lid 3 en lid 5 alsmede artikel 13 zijn van toepassing op de intrekking.

  • 3.

    De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn als onherroepelijk is beslist tot aanwijzing krachtens artikel 3 van de Monumentenwet 1988.

  • 4.

    De intrekking van de aanwijzing wordt medegedeeld overeenkomstig het gestelde in artikel 14.

  • 5.

    De intrekking wordt aangetekend op de gemeentelijke monumentenlijst, de archeologische beleidskaart, en in het Wkpb-register.

Artikel 18 Verbodsbepalingen gemeentelijke archeologische monumenten

In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige archeologische waarden, is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag op en in gemeentelijke archeologische monumenten de volgende werken uit te (laten) voeren:

  • 1.

    graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen dieper dan 0,25 m onder maaiveld, waaronder begrepen het aanleggen van drainage;

  • 2.

    het roeren en omwoelen van gronden het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;

  • 3.

    het ophogen en egaliseren van gronden;

  • 4.

    het veranderen van de bestemming van de grond.

  • 5.

    het verlagen van het grondwaterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegde waterschap;

  • 6.

    het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem.

  • 7.

    het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk.

  • 8.

    het zoeken naar archeologische voorwerpen en resten, ofwel handmatig als met een metaaldetector of andere opsporingsapparatuur.

Artikel 19 Vergunning gemeentelijke archeologische monumenten

  • 1.

    Het bevoegd gezag kan vergunning verlenen voor graafwerk en bodemingrepen in gemeentelijke archeologische monumenten overeenkomstig artikel 18, lid 1 t/m 8.

  • 2.

    Alvorens een vergunning te verlenen als bedoeld in lid 1, wint het bevoegd gezag advies in van een erkende partij en/of een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg.

  • 3.

    Het bevoegd gezag kan alleen vergunning verlenen indien het toezicht en de bescherming van het gemeentelijke archeologische monument is geregeld door:

    • a.

      de mogelijkheid van toegang van door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen personen op het terrein;

    • b.

      de mogelijkheid van de onder a) genoemde personen om - in overleg en in samenspraak met het college van burgemeester en wethouders - graafwerk en/of documentatiewerkzaamheden te (laten) verrichten.

  • 4.

    Aanlegvergunning kan slechts worden verleend indien vooraf door aanvrager van de aanlegvergunning door middel van archeologisch vooronderzoek conform de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie naar het oordeel van bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld dat bij realisatie van de bodemingrepen:

    • a.

      de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of

    • b.

      er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of

    • c.

      de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad.

  • 5.

    Het bevoegd gezag vraagt advies aan de monumentencommissie voordat het beslist op de aanvraag van een vergunning op grond van artikel 18, lid 1 t/m 8.

  • 6.

    Binnen zes weken na de adviesaanvraag brengt de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het bevoegd gezag.

  • 7.

    Het bevoegd gezag kan aan de verlening van de vergunning de volgende voorwaarden verbinden:

    • a.

      de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;

    • b.

      de verplichting tot het doen van opgravingen;

    • c.

      de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een erkende partij op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

  • 8.

    De gevraagde vergunning kan worden geweigerd, indien de archeologische waarden die in het geding zijn naar het oordeel van het bevoegd gezag in situ behouden dienen te blijven.

Artikel 20 Ter inzage legging, zienswijzen, termijnen advies en vergunningverlening

  • 1.

    Na de ter inzage legging wordt de vergunningaanvraag aan de monumentencommissie gezonden, vergezeld van de ingekomen zienswijzen. De monumentencommissie brengt binnen 8 weken na de adviesaanvraag schriftelijk advies uit aan het college van burgemeester en wethouders en betrekt de beschrijving van het monument als bedoeld in artikel 12, lid 2 bij haar advies. Eveneens zal waar nodig worden geraadpleegd:

    • a.

      het vigerende bestemmingsplan;

    • b.

      de archeologische beleidskaart;

    • c.

      het (eventueel) van toepassing zijnde beeldkwaliteitplan;

    • d.

      de (eventueel) van toepassing zijnde welstandscriteria;

    • e.

      de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant;

    • f.

      ander noodzakelijk materiaal dat van belang is voor een adequate advisering.

  • 2.

    Indien een bouwhistorisch en/of archeologisch vooronderzoek noodzakelijk wordt geacht, kan de termijn van advisering door de monumentencommissie met ten hoogste zes weken worden verlengd.

  • 3.

    Bij overschrijding van de in lid 2 en lid 3 genoemde termijnen wordt de monumentencommissie geacht te hebben geadviseerd.

  • 4.

    De vergunning kan voor een bepaalde tijd worden verleend.

  • 5.

    Het bevoegd gezag zendt een afschrift van de monumentenvergunning aan de monumentencommissie.

Artikel 21 Intrekken van de vergunning

  • 1.

    De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken als blijkt dat:

    • a.

      de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;

    • b.

      de vergunninghouder de voorwaarden als bedoeld in artikel 19 lid 7 niet naleeft;

    • c.

      de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het beschermde gemeentelijk monument zwaarder dient te wegen;

    • d.

      niet binnen 52 weken van de vergunning gebruik wordt gemaakt.

  • 2.

    Van de beschikking tot intrekking wordt een kopie aan de monumentencommissie gezonden.

HOOFDSTUK 4 SCHADEVERGOEDING

Artikel 23 Schadevergoeding

  • 1.

    Indien en voorzover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van:

    • a.

      de weigering van een vergunning voor bodemingrepen op een gemeentelijk archeologisch monument

    • b.

      voorwaarden verbonden aan de vergunning voor bodemingrepen op een gemeentelijk archeologisch monument schade lijdt of zal lijden die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

  • 2.

    Voor de behandeling van de verzoeken zijn de bepalingen van de Procedureregeling planschadevergoeding 2005 van de gemeente Deurne van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK 5 SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 24 Strafbepaling

vervallen

Artikel 25 Toezichthouders

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen personen.

Artikel 26 Inwerkingtreding

  • 1.

    Voor zover deze verordening betrekking heeft op gemeentelijke archeologische monumenten en archeologische verwachtingsgebieden treedt zij in werking op de eerste dag na het verstrijken van een termijn van zes weken na bekendmaking.

  • 2.

    Voor zover deze verordening betrekking heeft op beschermde rijksmonumenten, treedt zij in werking overeenkomstig het bepaalde in artikel 15 lid 2 van de Monumentenwet 1988 twee maanden nadat zij ter kennis is gebracht van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, tenzij deze minister vóór die datum de verordening tot schorsing heeft voorgedragen.

  • 3.

    Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in het tweede lid ingetrokken verordening.

Artikel 27 Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als “Archeologieverordening Gemeente Deurne 2008”