Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Drechtsteden

Beleidsregels Participatiewet Drechtsteden

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieDrechtsteden
OrganisatietypeRegionaal samenwerkingsorgaan
Officiële naam regelingBeleidsregels Participatiewet Drechtsteden
CiteertitelBeleidsregels Participatiewet Drechtsteden
Vastgesteld doordagelijks bestuur
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Algemene wet bestuursrecht, art 4:81, lid 1
  2. Algemene wet bestuursrecht, art 4:83
  3. Algemene wet bestuursrecht, art 1:3, lid 4
  4. Participatiewet, art 7

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-03-2018Nieuwe regeling

08-02-2018

Onbekend

Onbekend

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsregels Participatiewet Drechtsteden

Het Drechtstedenbestuur,

 

overwegende dat

  • -

    ·het gewenst is om een beleidsregels vast te stellen omtrent de uitvoering van de Participatiewet in de Drechtsteden, omdat hiermee inwoners ondersteund kunnen worden die niet zelfstanding het minimumloon kunnen verdienen of omdat zij niet in staat zijn gebleken zelfstandig betaald werk te vinden; de Participatiewet moet ervoor zorgen dat meer mensen werk vinden;

 

gelet op

 

  • -

    artikel 4:81 lid 1, 4:83 en artikel 1:3 lid 4 Algemene wet bestuursrecht (Awb);

  • -

    artikel 7 Participatiewet;

  • -

    artikel 2.5 van de Verordening Werk en Inkomen Drechtsteden 2017;

  • -

    het advies van het Portefeuillehoudersoverleg Sociaal d.d. 6 februari 2018;

  • -

    de afstemming met de Cliëntenraad Regio Drechtsteden, waaraan de beleidsregels zijn gezonden met verzoek om advies;

 

b e s l u i t:

 

vast te stellen, de navolgende beleidsregels Participatiewet Drechtsteden

 

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      Arbeidsovereenkomst: een overeenkomst als benoemd in artikel 7: 610 Burgerlijk Wetboek;

    • b.

      Belanghebbende: de persoon behorend tot de doelgroep van de Participatiewet die woonachtig is binnen de Drechtsteden en aanspraak maakt op voorziening(en) of aan wie voorziening(en) wordt geboden

    • c.

      Belanghebbende met een arbeidsbeperking: de belanghebbende die tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort als bedoeld in artikel 6, lid 1, sub e van de Participatiewet en/of een structurele functionele beperking heeft als gevolg van een ziekte of handicap/gebrek;

    • d.

      DSB: Drechtstedenbestuur;

    • e.

      Gedifferentieerde premie Werkhervattingskas (Whk): de door werkgevers te betalen aan de loonsom gekoppelde belastingpremie waarvan uitkeringen voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) en de Ziektewet worden gefinancierd. Deze premie wordt jaarlijks vastgesteld door UWV.

    • f.

      Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

    • g.

      Ioaz: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

    • h.

      Max WW-er: Inwoner die recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, waarvan de uitkering binnen drie maanden beëindigd wordt en waarvan het naar oordeel van DSB aannemelijk is dat die na beëindiging van de Ww-uitkering aanspraak maakt op de voorzieningen in het kader van de participatiewet;

    • i.

      Proefplaatsing: fase voorafgaand aan een arbeidsovereenkomst;

    • j.

      UWV: Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen;

    • k.

      Verordening: Verordening Werk en Inkomen Drechtsteden 2015;

    • l.

      Werkgever: een natuurlijk persoon of rechtspersoon in de publieke of in de commerciële sector die met de belanghebbende een arbeidsovereenkomst aangaat;

    • m.

      Werknemer: een persoon met wie een arbeidsovereenkomst is gesloten;

    • n.

      Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning;

    • o.

      Wsw: Wet sociale werkvoorziening.

Hoofdstuk 2 Werkvoorzieningen

Artikel 2 Doelstelling en reikwijdte

  • 1.

    In deze beleidsregels wordt de ondersteuning die het DSB biedt bij de inzet van werkvoorzieningen ten behoeve van arbeidsinschakeling van werkloze belanghebbenden behorende tot de doelgroep als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, nader uitgewerkt.

  • 2.

    De opdracht om de ondersteuning als bedoeld in het eerste lid te bieden vloeit voort uit artikel 7 van de Participatiewet.

Artikel 3 Vervoersvoorziening

  • 1.

    Het DSB kan een vervoersvoorziening toekennen aan een belanghebbende die door zijn of haar beperking niet zelfstandig kan reizen.

  • 2.

    Het DSB biedt een vervoersvoorziening aan de belanghebbende als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

    • a.

      Noodzakelijkheid: de werkzoekende kan door zijn/haar beperking niet zelfstandig reizen en/of niet zelfstandig gebruik maken van het openbaar vervoer; en

    • b.

      Alleen voor woon/werk verkeer;

    • c.

      De belanghebbende behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 6, lid 1, sub e van de Participatiewet en/of heeft een structurele functionele beperking als gevolg van een ziekte of handicap/gebrek;

    • d.

      Er is sprake van een dienstverband/arbeidsovereenkomst voor de duur van ten minste 6 maanden en voor minimaal 12 uur per week. Een vervoersvoorziening kan ook worden toegekend gedurende de proefplaatsing;

    • e.

      Een eventuele vervoersvoorziening van de werkgever wordt in mindering gebracht op de toe te komen vervoersvoorziening;

    • f.

      De belanghebbende kan geen aanspraak maken op de reguliere vervoersvoorziening van het DSB of een voorliggende voorziening zoals bijvoorbeeld vervoersvoorziening Wmo, UWV, Wsw, Wmo of via een zorgverzekeraar; en

    • g.

      Het DSB biedt de meest adequate en goedkoopste oplossing, kwalitatief verantwoord. De kosten van de vervoersvoorziening dienen proportioneel te zijn. Dat wil zeggen dat de investering in de vervoersvoorziening moet opwegen tegen de opbrengsten van uitstroom naar werk. Bij de beoordeling of de kosten proportioneel zijn wordt onder andere betrokken:

      • *

        de kosten van de vervoersvoorziening;

      • *

        de duur van de arbeidsovereenkomst in termen van looptijd (aantal maanden / jaren / bepaalde tijd / onbepaalde tijd);

      • *

        de omvang van de arbeidsovereenkomst in termen van het aantal uren/dagen per week dat de belanghebbende gaat werken;

      • *

        de opbrengsten in termen van besparing op de uitkeringslasten en eventuele andere lasten (bijvoorbeeld in het kader van de Wmo) in relatie tot de kosten van de vervoersvoorziening.

  • 3.

    Aan alle voorwaarden onder lid 2 van dit artikel dient te worden voldaan om in aanmerking te komen voor een vervoersvoorziening.

 

Artikel 4 Werkplekaanpassingen

  • 1.

    Het DSB kan een aanpassing van de werkplek aanbieden aan een belanghebbende, als dit noodzakelijk is voor de belanghebbende met een arbeidsbeperking om zijn/haar werk uit te voeren. Voorbeelden van een werkplekaanpassing zijn een rolstoeltoegankelijke werkruimte of een traplift. Er is geen limitatieve lijst van werkplekaanpassingen. In principe kan elk product als een werkplekaanpassing worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar is.

  • 2.

    Het DSB biedt een werkplekaanpassing aan de belanghebbende als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

    • a.

      Noodzakelijkheid: de werkplekaanpassing is nodig om de belanghebbende zijn/haar werk te kunnen laten uitvoeren; en

    • b.

      De belanghebbende behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 6, lid 1, sub e van de Participatiewet en/of heeft een structurele functionele beperking als gevolg van een ziekte of handicap/gebrek; en

    • c.

      Er is sprake van een dienstverband/arbeidsovereenkomst voor de duur van ten minste 6 maanden en voor minimaal 12 uur per week. Het toekennen van een werkplekaanpassing gedurende de proefplaatsing behoort tot de mogelijkheden op voorwaarde dat er zekerheid is dat na de proefplaatsing er een arbeidsovereenkomst volgt; en

    • d.

      Er is geen sprake van een voorliggende voorziening, bijvoorbeeld een bouwbesluit waaruit blijkt dat de desbetreffende werkgever zelf verantwoordelijk is voor de werkplekaanpassing of een vergoeding via de zorgverzekeraar, UWV, Wsw, Wmo of een andere regeling; en

    • e.

      Werkplekaanpassingen die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoren c.q. algemeen gebruikelijk zijn in het bedrijfsleven worden niet vergoed; en

    • f.

      Het DSB biedt de meest adequate en goedkoopste oplossing, kwalitatief verantwoord. De kosten van de werkplekaanpassing dienen proportioneel te zijn. Dat wil zeggen dat de investering in de werkplekaanpassing moet opwegen tegen de opbrengsten van uitstroom naar werk. Bij de beoordeling of de kosten proportioneel zijn wordt onder andere betrokken:

      • *

        de kosten van de werkplekaanpassing;

      • *

        de duur van de arbeidsovereenkomst in termen van looptijd (aantal maanden / jaren / bepaalde tijd / onbepaalde tijd);

      • *

        de omvang van de overeenkomst in termen van het aantal uren dat de belanghebbende gaat werken;

      • *

        de opbrengsten in termen van besparing op de uitkeringslasten en eventuele andere lasten (bijvoorbeeld in het kader van de Wmo) in relatie tot de kosten van de werkplekaanpassing.

  • 3.

    Aan alle voorwaarden onder lid 2 van dit artikel dient te worden voldaan om in aanmerking te komen voor een werkplekaanpassing.

 

Artikel 5 Meeneembare voorzieningen

  • 1.

    Het DSB kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de belanghebbende met een arbeidsbeperking om te kunnen werken. Meeneembare voorzieningen zijn bijzondere hulpmiddelen die een werkgever normaal gesproken niet in zijn bedrijf beschikbaar heeft. Denk bijvoorbeeld aan orthopedische schoenen, voorleesapparatuur, spraakversterkers of een aangepaste bureaustoel. De belanghebbende met een arbeidsbeperking kan deze meeneembare voorzieningen ook op een andere werkplek of bij een andere werkgever gebruiken.

  • 2.

    Er is geen limitatieve lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar zijn.

  • 3.

    De volgende (niet limitatieve opsomming van) voorzieningen worden niet verstrekt: brillen en contactlenzen, hoortoestellen, hulpmiddelen tegen stotteren en paradigm real-time meting.

  • 4.

    Het DSB biedt een meeneembare voorzieningen aan de belanghebbende als aan dede volgende voorwaarden wordt voldaan:

    • a.

      Noodzakelijkheid: de meeneembare voorziening is naar verwachting minimaal 6 maanden nodig om de belanghebbende zijn/haar werk te kunnen laten uitvoeren; en

    • b.

      Er is sprake van een dienstverband/arbeidsovereenkomst voor de duur van ten minste 6 maanden en voor minimaal 12 uur per week. Een meeneembare voorziening kan ook worden toegekend gedurende de proefplaatsing; en

    • c.

      De belanghebbende behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 6, lid 1, sub e van de Participatiewet en/of heeft een structurele functionele beperking als gevolg van een ziekte of handicap/gebrek; en

    • d.

      Er is geen sprake van een voorliggende voorziening, bijvoorbeeld via de zorgverzekeraar, UWV, Wsw, Wmo of een andere regeling; en

    • e.

      Meeneembare voorzieningen die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoren c.q. algemeen gebruikelijk zijn in het bedrijfsleven worden niet vergoed; en

    • f.

      Het DSB biedt de meest adequate en goedkoopste oplossing, kwalitatief verantwoord. De kosten van de meeneembare voorziening dienen proportioneel te zijn. Dat wil zeggen dat de investering in de werkplekaanpassing moet opwegen tegen de opbrengsten van uitstroom naar werk. Bij de beoordeling of de kosten proportioneel zijn wordt onder andere betrokken:

      • *

        de kosten van de meeneembare voorziening;

      • *

        de duur van de arbeidsovereenkomst in termen van looptijd (aantal maanden / jaren/ bepaalde tijd / onbepaalde tijd);

      • *

        de omvang van de arbeidsovereenkomst in termen van het aantal uren per week dat de belanghebbende gaat werken;

      • *

        de opbrengsten in termen van besparing op de uitkeringslasten en eventuele andere lasten (bijvoorbeeld in het kader van de Wmo) in relatie tot de kosten van de meeneembare voorziening.

  • 5.

    Aan alle voorwaarden onder lid 4 van dit artikel dient te worden voldaan om in aanmerking te komen voor een meeneembare voorziening.

  • 6.

    De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld aan de belanghebbende. In specifieke gevallen kan besloten worden de meeneembare voorziening in eigendom te verstrekken.

 

Artikel 6 Tolkvoorziening

  • 1.

    Het DSB kan een tolkvoorziening toekennen als een tolkvoorziening nodig is voor de belanghebbende met een arbeidsbeperking om te kunnen werken. De tolkvoorziening is een bijzonder hulpmiddel dat een werkgever normaal gesproken niet in zijn bedrijf beschikbaar heeft.

  • 2.

    Het DSB biedt de tolkvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    • a.

      Noodzakelijkheid: de tolkvoorziening is nodig om de belanghebbende zijn/haar werk te kunnen laten uitvoeren;

    • b.

      Er is sprake van een dienstverband/arbeidsovereenkomst voor de duur van ten minste 6 maanden en voor minimaal 12 uur per week. Een tolkvoorziening kan ook worden toegekend gedurende de proefplaatsing;

    • c.

      Er is geen sprake van een voorliggende voorziening, bijvoorbeeld via de zorgverzekeraar, UWV, Wsw, Wmo of een andere regeling;

    • d.

      De belanghebbende is doof, slechthorend of doofblind; en:

    • e.

      De belanghebbende kan een verklaring van de huisarts of behandelend medisch specialist overleggen, waaruit blijkt dat hij/zij op deze dienstverlening is aangewezen. Dit hoeft slechts éénmalig te geschieden;

  • 3.

    Aan alle voorwaarden onder lid 4 van dit artikel dient te worden voldaan om in aanmerking te komen voor een tolkvoorziening.

  • 4.

    Er kan een beroep worden gedaan op een tolkvoorziening voor maximaal 15% van de werktijd.

  • 5.

    Nadat de toegekende uren zijn verbruikt, kan een onderbouwd beroep worden gedaan op meer uren tolkvoorziening.

 

Artikel 7 Jobcoaching

  • 1.

    Het DSB kan jobcoaching toekennen als dit van belang is voor een belanghebbende met een arbeidsbeperking om te kunnen werken. Jobcoaching heeft tot doel vanaf het moment van feitelijke werkaanvaarding de belanghebbende te begeleiden naar een situatie waarin hij/zij uiteindelijk zonder of met zo min mogelijk begeleiding bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn.

  • 2.

    Het DSB biedt jobcoaching aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

    • a.

      er is sprake van een belanghebbende met een arbeidsbeperking (artikel 1, lid c);

    • b.

      er is sprake van een dienstverband/arbeidsovereenkomst voor de duur van ten minste 6 maanden en voor minimaal 12 uur per week. Jobcoaching kan ook worden toegekend gedurende de proefplaatsing met de intentie te komen tot een arbeidsovereenkomst voor de duur van ten minste 6 maanden en voor minimaal 12 uur per week;

    • c.

      de jobcoaching is voor de belanghebbende noodzakelijk omdat hij/zij zonder deze begeleiding zijn functie niet naar behoren kan uitvoeren en/of niet naar een situatie kan toegroeien waarin hij/zij uiteindelijk met zo min mogelijk begeleiding bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn; en

    • d.

      er is geen sprake van een voorliggende voorziening, bijvoorbeeld via de zorgverzekeraar, UWV, Wsw of een andere regeling.

  • 3.

    Het DSB besluit op basis van een beargumenteerd voorstel van een conform lid 5 van dit artikel gekwalificeerde jobcoach, dan wel op basis van het oordeel van een gespecialiseerd begeleider werkend onder verantwoordelijkheid van het DSB, wat de noodzakelijke ureninvestering en de noodzakelijke duur in maanden is om het doel te realiseren. Het DSB besluit tevens, gewogen vanuit het belang van de werknemer, of een interne (in dienst van de werkgever zijnde) of externe (niet in dienst van de werkgever zijnde) jobcoach wordt ingezet.

  • 4.

    Het DSB kan jobcoaching inzetten vanaf het eerste moment van werkaanvaarding (plaatsing) en nog voordat de begeleidingsbehoefte van belanghebbende op maat kan worden afgestemd. In dat geval dient de betreffende jobcoach binnen 6 weken na aanvang van de jobcoaching te komen tot een gemotiveerd voorstel, inbegrepen de reeds geboden jobcoaching, op basis waarvan het DSB op maat kan besluiten. In deze gevallen heeft het besluit terugwerkende kracht tot het moment van aanvang van de jobcoaching.

  • 5.

    De volgende kwaliteitseisen zijn op jobcoaching van toepassing:

    • a.

      jobcoach in dienst van een jobcoachorganisatie (externe jobcoach):

      • *

        de jobcoachorganisatie waar de jobcoach in dienst is, is als zodanig erkend op grond van de vigerende Beleidsregel Erkennings- en intrekkingskader uitvoering persoonlijke ondersteuning UWV, staat in voor de vakbekwaamheid van haar personeel en kan van het voorgaande desgevraagd bewijstukken overleggen.

    • b.

      jobcoach werkzaam als ZZP'er (externe jobcoach):

      • *

        de jobcoach heeft een hbo-opleiding met succes afgerond of heeft een hbo werk- en denkniveau; en

      • *

        de jobcoach heeft met succes een NOLOC erkende opleiding afgerond (diploma/certi­ficaat behaald) of de jobcoach heeft minimaal 3 jaar aantoonbare werkervaring als jobcoach voor personen met een arbeidsbeperking.

    • c.

      jobcoach in dienst van de werkgever (interne jobcoach):

      • *

        de jobcoach heeft een hbo-opleiding met succes afgerond of heeft een hbo werk- en denkniveau;

      • *

        de jobcoach heeft met succes een NOLOC erkende opleiding afgerond (diploma/certi­ficaat behaald); en

      • *

        de jobcoach is voor een deel van zijn werkuren vrijgesteld om de jobcoaching op zich te kunnen nemen.

  • 6.

    De vergoeding voor jobcoaching wordt iedere 3 maanden achteraf uitbetaald op basis van opgave van werkelijk gewerkte uren en een verantwoordingsrapportage. Hiervoor gelden de volgende uurtarieven:

    • a.

      externe jobcoaching:

      • *

        de uurvergoeding voor jobcoaching/persoonlijke ondersteuning (Code Q1) zoals vastgelegd in de vigerende lijst Normbedragen voorzieningen UWV.

    • b.

      interne jobcoaching:

      • *

        de uurvergoeding is overeenkomstig de vigerende Handleiding Overheidstarieven (HOT), uitgaande van de directe loonkosten voor productieve uren schaal 10 BBRA.

  • 7.

    Na maximaal 1 jaar of zoveel vroeger als wenselijk heroverweegt het DSB of voortzetting van de jobcoaching in de geboden vorm nog langer noodzakelijk is. Het baseert zich daarbij minimaal op een beargumenteerd verlengingsvoorstel van een conform lid 5 van dit artikel gekwalificeerde jobcoach, beschikbare voortgangsrapportages en – mits voorhanden – de uitslag van het loonwaarde-instrument op de gewenste ondersteunings-/begeleidingsbehoefte.

  • 8.

    In afwijking tot de eerdere leden van dit artikel kan het DSB ten behoeve van de jobcoaching aan belanghebbenden met een arbeidsbeperking met de betreffende werkgever en/of begeleidende jobcoachingsorganisatie speciale maatwerkafspraken maken:

    • a.

      indien de werkgever 15 of meer belanghebbenden met een arbeidsbeperking tegelijkertijd in dienst heeft;

    • b.

      indien de werkgever is gespecialiseerd in het bieden van (aangepast) werk aan belang­hebbenden met een arbeidsbeperking. 

Artikel 8 Proefplaatsing

  • 1.

    Voor de belanghebbende met een arbeidsbeperking kan een proefplaatsing ingezet worden om via de wettelijke loonwaardemeting inzicht te krijgen in de verdiencapaciteit. Een proefplaatsing vindt plaats met behoud van uitkering.

  • 2.

    Voor de belanghebbende met of zonder arbeidsbeperking kan een proefplaatsing ingezet worden als er bij de werkgever nog twijfels zijn over de geschiktheid van de belanghebbende en de werkgever dit kan motiveren.

  • 3.

    Het DSB biedt een proefplaatsing aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

    • a.

      Een proefplaatsing kan alleen plaatsvinden als de werkgever de intentie heeft de belanghebbende een arbeidsovereenkomst aan te bieden van tenminste 6 maanden;

    • b.

      De proefplaatsing duurt maximaal 3 maanden;

    • c.

      De duur van de proefplaatsing wordt vastgesteld op basis van afstand tot de arbeidsmarkt, opleidingsniveau, uitkeringsduur, complexiteit van de functie en persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende en zolang als nodig is voor de werkgever en SDD om zich een beeld te vormen van de geschiktheid van de belanghebbende;

    • d.

      De belanghebbende gaat de werkzaamheden verrichten in de functie waar een vacature voor is; en

    • e.

      In uitzonderlijke gevallen (zoals bijvoorbeeld bij tijdelijke en niet verwijtbare uitval) kan de proefplaatsing met maximaal 3 maanden worden verlengd.

  • 4.

    Aan alle voorwaarden onder lid 3 van dit artikel dient te worden voldaan om in aanmerking te komen voor een proefplaatsing.

  • 5.

    Met de werkgever en de belanghebbende wordt een schriftelijke proefplaatsingsovereenkomst gesloten.

  • 6.

    Gedurende de proefplaatsing krijgt de belanghebbende toestemming te werken met behoud van uitkering.

  • 7.

    Het DSB plaatst een belanghebbende alleen indien door plaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en indien door plaatsing geen verdringing van regulier werk plaatsvindt.

 

Artikel 9 Re-integratie Werkovereenkomst (RWO)

  • 1.

    Voor de belanghebbende zonder arbeidsbeperking kan de Re-integratie Werkovereenkomst (RWO) ingezet worden als er bij de werkgever nog twijfels zijn over de geschiktheid van belanghebbende en de werkgever dit kan motiveren.

  • 2.

    Het DSB biedt de RWO aan onder de volgende voorwaarden:

    • a.

      De RWO kan alleen plaatsvinden als de werkgever de intentie heeft de belanghebbende een arbeidsovereenkomst aan te bieden van tenminste 6 maanden;

    • b.

      De RWO voor belanghebbenden duurt maximaal 3 maanden;

    • c.

      De duur van de RWO voor belanghebbenden wordt vastgesteld op basis van afstand tot de arbeidsmarkt, opleidingsniveau, uitkeringsduur, complexiteit van de functie en persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende en zolang als nodig is voor de werkgever en SDD om zich een beeld te vormen van de geschiktheid van de belanghebbende; en

    • d.

      In uitzonderlijke gevallen (zoals bijvoorbeeld bij tijdelijke en niet verwijtbare uitval) kan de RWO voor belanghebbenden met maximaal 3 maanden worden verlengd.

  • 3.

    Aan alle voorwaarden onder lid 2 van dit artikel dient te worden voldaan om in aanmerking te komen voor de RWO.

  • 4.

    De belanghebbende wordt geplaatst tegen een inleentarief van € 8 excl. btw per gewerkt uur voor belanghebbenden > 27 jaar en € 6 excl. btw per gewerkt uur voor belanghebbenden < 27 jaar.

  • 5.

    Het DSB plaatst een belanghebbende alleen indien door plaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en indien door plaatsing geen verdringing van regulier werk plaatsvindt.

Artikel 10 Baanbonus

  • 1.

    Bij 0-uur- en oproepcontracten wordt de baanbonus niet toegekend. De baanbonus is namelijk bedoeld voor werkgevers die vooraf zekerheid bieden dat een belanghebbende op basis van de arbeidsovereenkomst uitkeringsonafhankelijk wordt.

  • 2.

    Personen ten behoeve van wie het DSB een baanbonus kan verstrekken behoren tot de doelgroep zoals bedoeld in artikel 1 lid b met uitzondering van de niet-uitkeringsgerechtigden. Als uitzondering kan de baanbonus wel worden ingezet op de doelgroep max. WW, zoals bedoeld artikel 1 lid sub h.

  • 3.

    Het DSB kan aan de werkgever die een persoon uit de doelgroep in dienst neemt een baanbonus verstrekken.

  • 4.

    De baanbonus bedraagt € 2000,- bij een arbeidsovereenkomst van 6 maanden, en € 4000,- bij een arbeidsovereenkomst van 12 maanden.

  • 5.

    Er moet sprake zijn van een arbeidsovereenkomst van minimaal 6 maanden bij een baanbonus van € 2000,-. Er moet een arbeidsovereenkomst van minimaal 12 maanden zijn voor een baanbonus van € 4000,-. De werknemer moet op basis van de arbeidsovereenkomst uitkeringsonafhankelijk worden. Dit wordt bepaald door het DSB.

  • 6.

    De baanbonus is ook bedoeld voor detacheringsbureaus die een belanghebbende in dienst neemt, en deze vervolgens bij werkgevers plaatst. Voorwaarde is hierbij dat bij geen werk en/of ziekte, loon wordt doorbetaald.  

  • 7.

    De belanghebbende was voor ingang van de arbeidsovereenkomst uitkeringsafhankelijk, werkte via een Re-integratie Werkovereenkomst, via detacheringsorganisaties van de Sociale Dienst Drechtsteden, of werkte maximaal 3 maanden bij de betreffende inlener via een uitzendbureau.

  • 8.

    Detacheringsorganisaties van de Sociale Dienst Drechtsteden, zoals Werxaam B.V., zijn uitgesloten voor de baanbonus.

  • 9.

    De aanvraag moet binnen zes weken na ingang van de arbeidsovereenkomst worden ingediend, middels het daartoe bestemde aanvraagformulier. Hierbij dient een getekende arbeidsovereenkomst te worden overlegd. De werkgever ontvangt vervolgens een beschikking waarin het formele recht op de baanbonus wordt toegekend, op voorwaarde dat de werkgever na afloop van de arbeidsovereenkomst de benodigde loonstroken kan overleggen. Voorafgaand aan deze beschikking wordt getoetst of belanghebbende, in de situatie van de datum van ingang van de arbeidsovereenkomst, op basis van de arbeidsovereenkomst uitkeringsonafhankelijk wordt. Na afloop van de arbeidsovereenkomst (na 6 resp. 12 maanden) kan de werkgever de baanbonus declareren. Daarbij dient de werkgever de 6de resp. 12de loonstrook te overleggen. De declaratie moet uiterlijk 6 weken na afloop van de arbeidsovereenkomst zijn ingediend.

  • 10.

    Een werkgever kan per belanghebbende maximaal € 4000,- aan baanbonus ontvangen. Dit kan in de vorm van één bonus van € 4000,- bij een arbeidsovereenkomst van 12 maanden of in de vorm van twee bonussen van € 2000,- bij twee arbeidsovereenkomsten van 6 maanden.

 

Artikel 11 Loonkostensubsidie en Loonwaardebepaling

  • 1.

    Het Drechtstedenbestuur verstrekt de loonkostensubsidie voor personen zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 sub e van de Participatiewet. De maximale loonkostensubsidie bedraagt 70% van het wettelijk minimumloon(wettelijke norm).

  • 2.

    Tot de doelgroep loonkostensubsidie worden gerekend:

    • a.

      Personen die op 1 januari 2015 in het bezit zijn van een indicatie WSW en die voor 1 januari 2015 op de wachtlijst WSW stonden.

    • b.

      Personen met een indicatie banenafspraak.

    • c.

      Jongeren van 18 tot 27 jaar die naar het oordeel van het college niet in staat zijn het wettelijk minimumloon (WML) te verdienen als zij voltijds zouden werken, maar wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben.

    • d.

      Personen met zorgproblematiek of andere beperkingen die naar het oordeel van het college niet in staat zijn het wettelijk minimumloon (WML) te verdienen als zij voltijds zouden werken, maar wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben.

    • e.

      Personen die bemiddelbaar zijn naar werk maar die naar het oordeel van het college niet in staat zijn het wettelijk minimumloon (WML) te verdienen als zij voltijds zouden werken, maar wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben.

  • 3.

    De loonkostensubsidie wordt op basis van de vastgestelde loonwaarde bepaald.

  • 4.

    Wanneer de werkgever een cao-loon betaalt dat hoger is dan het wettelijk minimum loon, dan komt dit verschil tussen het betaalde loon en het wettelijk minimumloon voor rekening van de werkgever.

  • 5.

    De loonkostensubsidie gaat in vanaf ingangsdatum dienstverband.

  • 6.

    De werkgeverslasten worden vergoed tot een maximumpercentage van de loonkosten waarover loonkostensubsidie wordt verstrekt. De hoogte van dit percentage is geregeld in het "besluit loonkostensubsidie Participatiewet".

  • 7.

    Bij tussentijdse beëindiging van het dienstverband wordt de loonkostensubsidie betaald tot en met de laatste dag van loonbetaling.

  • 8.

    Wanneer de persoon niet meer tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort, wordt de loonkostensubsidie door middel van een beschikking beëindigd.

  • 9.

    Onverschuldigd betaalde loonkostensubsidiebedragen worden door het Drechtstedenbestuur teruggevorderd op grond van artikel 4:57 van de Awb.

Artikel 12 Reiskostenvergoeding Woon-Werkverkeer en Re-integratietrajecten

  • 1.

    Het Drechtstedenbestuur kan een tegemoetkoming in de reiskosten verlenen aan de meerderjarige belanghebbende jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die vanuit een Participatiewet-, IOAW of IOAZ-uitkering, of als niet-uitkeringsgerechtigden (nuggers) die door middel van een re-integratietraject ondersteund worden bij de arbeidsinschakeling zoals vastgelegd in artikel 7 lid 1 onderdeel a onder 7 Participatiewet, uitstroomt naar arbeid in loondienst, indien:

    • a.

      de belanghebbende een inkomen heeft dat niet hoger is dan 110% van het wettelijk sociaal minimum;

    • b.

      de belanghebbende geen in aanmerking te nemen vermogen heeft;

    • c.

      de belanghebbende is woonachtig in een gemeente die deel uitmaakt van de gemeenschappelijke regeling Drechtsteden.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid komt de persoon die vanuit een re-integratie werkovereenkomst (RWO) via Baanbrekend Drechtsteden (BBD) een reiskostenvergoeding ontvangt niet in aanmerking voor deze tegemoetkoming.

  • 3.

    De tegemoetkoming wordt op aanvraag verleend en kan met terugwerkende kracht tot zes maanden voorafgaande aan de aanvraag worden aangevraagd.

  • 4.

    De tegemoetkoming wordt per persoon toegekend voor de duur van het arbeidscontract waarop de belanghebbende is uitgestroomd met een maximum van 24 maanden.

  • 5.

    De hoogte van de tegemoetkoming bedraagt:

    • a.

      in het eerste jaar per maand 100% van de hieronder genoemde bedragen bij 5 dagen

    • b.

      in het tweede jaar per maand 50% van de hieronder genoemde bedragen bij 5 dagen

    • c.

      minus de eventuele reiskostenvergoeding van de werkgever en/of belastingdienst.

      Aantal kilometers

      Reiskostenvergoeding per jaar

      0 - 5 km

      € 0,00

      5 - 10 km

      € 38,75

      10 - 15 km

      € 76,25

      15 km of meer

      € 113,75

  • 6.

    Onder reiskosten wordt verstaan: de kosten die voortkomen uit het verkeer van de belanghebbende van het adres waarop de belanghebbende in de Basisregistratie Personen staat ingeschreven naar het werkadres/adres waar belanghebbende een re-integratietraject volgt en vice versa.

  • 7.

    Bij wisseling van werkgever tijdens de toekenningsperiode vindt er een nieuwe beoordeling van de hoogte van de tegemoetkoming plaats.

  • 8.

    Bij uitstroming naar arbeid in loondienst via het uitzendbureau wordt de hoogte van de tegemoetkoming berekend per maand aan de hand van het werkadres van de opdrachtgever waar de belanghebbende op de eerste van de betreffende maand werkzaam is. Zolang de belanghebbende geen ander werkadres doorgeeft, wordt gerekend met het bij ons laatst bekende werkadres.

  • 9.

    Indien een belanghebbende zoals bedoeld in het achtste lid aangeeft in een maand meer dan 1 opdrachtgever te hebben wordt het gemiddelde aantal kilometers berekend van de opdrachtgevers tezamen en aan de hand daarvan de hoogte van de tegemoetkoming bepaald.

  • 10.

    De tegemoetkoming staat los van een eventuele reiskostenvergoeding die de belanghebbende van zijn/haar werkgever en/of de belastingdienst ontvangt.

Artikel 13 Reiskostenvergoeding Inburgeringsactiviteiten

  • 1.

    Het Drechtstedenbestuur verleent een tegemoetkoming in de reiskosten aan de belanghebbende die, conform de Wet Inburgering, een inburgeringsverplichting heeft, en die in het kader van deze verplichting deelneemt aan een inburgeringstraject, indien:

    • a.

      de belanghebbende een inkomen heeft dat niet hoger is dan 110% van het wettelijk sociaal minimum;

    • b.

      de belanghebbende geen in aanmerking te nemen vermogen heeft;

    • c.

      de belanghebbende woonachtig is in een gemeente die deel uitmaakt van de gemeenschappelijke regeling Drechtsteden.

  • 2.

    De vergoeding wordt op aanvraag verleend en kan met terugwerkende kracht tot zes maanden voorafgaande aan de aanvraag worden ingediend.

  • 3.

    Onder reiskosten wordt verstaan: de kosten die voortkomen uit het noodzakelijke verkeer van de belanghebbende van het adres waarop de belanghebbende in de Basisregistratie Personen staat ingeschreven, naar het adres waar belanghebbende in het kader van de inburgeringsverplichting noodzakelijkerwijs wordt geacht te zijn, en vice versa.

  • 4.

    De reiskosten worden pas bij een minimale reisafstand van 5 km vergoed. Alleen de reiskosten die binnen de Drechtsteden worden gemaakt, worden vergoed. Uitzondering hierop is de situatie waarin een belanghebbende een voortraject voor een universitaire opleiding buiten de Drechtsteden volgt.

  • 5.

    De reiskosten met de volgende doeleinden worden vergoed:

    • a.

      Reiskosten in het kader van  het welkomstprogramma

    • b.

      Reiskosten in het kader van  het intensieve traject via het Da Vinci College

    • c.

      Reiskosten in het kader van een TaalWerk-stage

  • 6.

    De regeling betreft een volledige vergoeding van, en geen tegemoetkoming in de gemaakte reiskosten.

  • 7.

    Bij de berekening van de reiskosten wordt gebruik gemaakt van de ANWB routeplanner. Daarbij wordt de goedkoopste, doch meest adequate optie met het openbaar vervoer gekozen.

 

Hoofdstuk 3 Verlaging bijstandsnorm

Artikel 14 Verlagen bijstandsnorm bij ontbrekende woonkosten

De bijstandsnorm als bedoeld in artikel 20 en 21 van de Participatiewet wordt op grond van artikel 27 van de Participatiewet verlaagd met 20 procent van het wettelijk sociaal minimum indien de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet als gevolg van de bewoning van een woning waaraan geen woonkosten zijn verbonden of als gevolg van het niet beschikken over een woning.

Artikel 15 Niet verlagen bijstandsnorm van schoolverlaters

Het Drechtstedenbestuur maakt geen gebruik van de bevoegdheid om de bijstandsnorm van schoolverlaters op grond van artikel 28 van de Participatiewet te verlagen.

Hoofdstuk 4 Slotbepalingen

Artikel 16 Hardheidsclausule en onvoorziene omstandigheden

  • 1.

    Het DSB kan, indien de toepassing van bepalingen in deze beleidsregels in de individuele situatie tot onbillijkheden van overwegende aard leidt voor zover het de bevoegdheid betreft die voortvloeit uit deze beleidsregels, afwijken van deze beleidsregels.

  • 2.

    In gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het Drechtstedenbestuur. 

Artikel 17 Slotartikel en overgangsrecht
  • 1.

    Deze beleidsregels worden aangehaald als Beleidsregels Participatiewet Drechtsteden, waarbij de vorige versie van de Beleidsregels Participatiewet Drechtsteden (van 13 december 2017) wordt ingetrokken per 1 maart 2018.

  • 2.

    Deze beleidsregels treden per 1 maart 2018 in werking, met uitzondering van artikel 7, lid 8 dat met terugwerkende kracht in werking treedt op 1 januari 2017.

  • 3.

    Voor de baanbonus geldt dat bij arbeidsovereenkomsten die voor 1 maart 2018 zijn aangegaan, de beoordeling hiervan plaatsvindt op basis van de beleidsregels die golden op de datum van ingang van de arbeidsovereenkomst.

  • 4.

    Een belanghebbende die gebruik maakt van een toegekende voorziening op grond van een van de hierboven genoemde beleidsregels, die moet worden beëindigd op grond van deze beleidsregels Participatiewet Drechtsteden, behoudt deze voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de betreffende beleidsregels voor de duur van de ingezette voorziening, doch niet langer 12 maanden.

  • 5.

    Het DSB kan na afloop van de in het vierde lid bedoelde periode, besluiten of een voorziening wordt voortgezet.

  

Aldus besloten in de vergadering van het Drechtstedenbestuur van 8 februari 2018,

de secretaris, de voorzitter,

mr. drs. P.I.M. van den Wijngaart mr. A.W. Kolff

Toelichting

In deze toelichting worden alleen die artikelen toegelicht die een verdere toelichting behoeven.

 

Algemene toelichting

 

Eén van de doelen van de Participatiewet is dat er een zo eenvoudig en eenduidig mogelijk basispakket komt van voorzieningen voor werkgevers die banen beschikbaar stellen voor mensen.

 

Per 2015 zijn hier ook voorzieningen bij gekomen voor de nieuwe doelgroep van gemeenten, namelijk mensen met een arbeidshandicap. Het gaat daarbij om mensen met een arbeidsbeperking die voor ondersteuning een beroep doen op de gemeente en die volgens UWV niet 100% van het wettelijk minimumloon kunnen verdienen. In dat kader heeft de ministerraad besloten om de harmonisatie in het aanbod voor werkgevers van UWV en gemeenten m.b.t. mensen met een arbeidsbeperking per 1 januari 2016 verplicht te stellen en wettelijk te regelen met de Wet harmonisering instrumenten Participatiewet. Deze wet voorziet in een uniforme no-riskpolis via UWV voor gemeenten en werkgevers voor de doelgroep Banenafspraak en de doelgroep beschut werk en een gelijke mobiliteitsbonus voor de doelgroep Banenafspraak voor de periode 2016 – 2020.

 

De voorzieningen voor werkgevers die werk bieden aan de doelgroep van de Participatiewet worden uiteengezet in deze beleidsregels. Bij de invulling van deze voorzieningen heeft zoveel mogelijk harmonisatie plaatsgevonden met het landelijk participatiebeleid en UWV-regelingen voor mensen met een arbeidsbeperking.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 4. Werkplekaanpassingen

Voor belanghebbenden met een arbeidsbeperking kan een aanpassing van de werkplek noodzakelijk zijn. Voor de uitvoering hiervan wordt – in het kader van de harmonisering – zoveel mogelijk aangesloten bij de werkwijze van UWV.

 

Artikel 5. Meeneembare voorzieningen

De algemene ledenvergadering van de VNG heeft in juni 2014 besloten dat de VNG de meeneembare voorzieningen voor alle gemeenten regelt en de uitvoering organiseert. De landelijke regeling Meeneembare voorzieningen 2015 (gepubliceerd op 11 maart 2015) die met terugwerkende kracht per 1 januari 2015 van kracht is, biedt het kader voor de ondersteuning via meeneembare voorzieningen. Er is zoveel mogelijk aangesloten bij de bestaande UWV-regeling voor meeneembare voorzieningen in het kader van de Wet WIA. De regeling wordt gemonitord op gebruik en kosten.

 

Indien de belanghebbende die tot de doelgroep behoort in aanmerking komt voor een meeneembare voorziening kan door het DSB een aanvraag ingediend worden bij de uitvoerder van de regeling (voor 2016 is dit UWV) middels het formulier Verzoek voorzieningen bij een visuele auditieve of motorische handicap met daarop het logo van VNG. Zowel de handtekening van de belanghebbende als van het DSB is nodig op het formulier. Het formulier dient verstuurd te worden naar ‘Aanvraag Voorzieningen Gemeenten’.

 

Het UWV (als uitvoerder van deze regeling) beslist binnen 8 weken nadat de aanvraag is ingediend. Dan moet het UWV wel alle noodzakelijke gegevens ontvangen hebben. Soms moet het UWV onderzoek doen. In dat geval laat het UWV dit weten.

 

Artikel 6. Tolkvoorziening

Voor de tolkvoorziening geldt hetzelfde als voor de meeneembare voorzieningen (artikel 5). Ook hier heeft de algemene ledenvergadering van de VNG in juni 2014 besloten dat de VNG de tolkvoorziening voor alle gemeenten regelt en de uitvoering organiseert. De landelijke regeling tolkvoorziening voor mensen met een zintuiglijke beperking 2015, biedt het kader voor de ondersteuning via een tolkvoorziening. Ook hier is zoveel mogelijk aangesloten bij de bestaande UWV-regeling voor meeneembare voorzieningen in het kader van de Wet WIA. De VNG doet het contractbeheer en de tolken declareren bij UWV.

 

Indien de belanghebbende die tot de doelgroep behoort in aanmerking komt voor een tolkvoorziening kan door het DSB een aanvraag ingediend worden bij de uitvoerder van de regeling (voor 2016 is dit UWV) middels het formulier Verzoek voorzieningen bij een visuele auditieve of motorische handicap met daarop het logo van VNG. Zowel de handtekening van de belanghebbende als van het DSB is nodig op het formulier. Het formulier dient verstuurd te worden naar ‘Aanvraag Voorzieningen Gemeenten’.

 

Het UWV (als uitvoerder van deze regeling) beslist binnen 8 weken nadat de aanvraag is ingediend. Dan moet het UWV wel alle noodzakelijke gegevens ontvangen hebben. Soms moet het UWV onderzoek doen. In dat geval laat het UWV dit weten.

 

Tolken die een tolkopdracht hebben uitgevoerd voor klanten van het DSB, kunnen hun kosten declareren met het formulier Declaratie kosten tolk gebarentaal of schrijftolk.

Een tolk kan alleen de getolkte tijd declareren. De maximale tijdsduur die gedeclareerd kan worden is de tijdsduur waarvoor de belanghebbende toestemming heeft verkregen. Deze tijdsduur staat in de brief met de beslissing die naar de belanghebbende is gestuurd.

 

Artikel 7. Jobcoaching

De regering heeft er niet voor gekozen om het instrument jobcoaching te harmoniseren. De Participatiewet geeft gemeenten beleidsvrijheid bij het inzetten van re-integratie-instrumenten en voorzieningen. Gemeenten kunnen desgewenst de protocollen van UWV volgen bij de keuze voor inzet van het

instrument jobcoaching.

 

Steeds meer gemeenten, waaronder de GR Drechtsteden, hebben eigen (gecertificeerde) jobcoaches in dienst en anderen zijn deels van plan dit te doen. Het instrument jobcoaching is daarmee sterk verbonden met de gemeentelijke (en regionale) processen. Gezien de pluriformiteit van uitvoering door gemeenten, zo stelt de VNG, is het niet mogelijk om hier een landelijke afspraak over te maken.

 

In de regels is jobcoaching ruim gedefinieerd. De begeleiding kan beginnen op het moment dat een belanghebbende met een arbeidsbeperking weet dat hij/zij aan de slag gaat op een werkplek, hetzij betaald, hetzij eerst in de vorm van een proefplaatsing. De begeleiding is weliswaar altijd werk gerelateerd, maar dat wil niet zeggen dat de begeleiding altijd op de werkplek dient te worden geboden. Zij kan bijvoorbeeld ook betrekking hebben op het helpen organiseren van de thuissituatie om eventuele belemmeringen bij de arbeidsinschakeling weg te nemen of op onder­steuning in de omgang met instanties als gevolg van de wijziging van de situatie.

 

Zoals in de regels is opgenomen, dient er voor de inzet van een jobcoach, sprake te zijn van noodzakelijkheid. Dit houdt in dat de belanghebbende zonder de begeleiding van een jobcoach, de werkzaamheden op het werk niet of onvoldoende kan uitvoeren, niet in de thuissituatie de voorwaarden weet te realiseren waaronder hij/zij structureel aan het werk kan of niet kan doorgroeien naar grotere zelfstandigheid in uitoefening van zijn/haar functie.

 

Jobcoaching is een voorziening die op maat wordt toegekend aan een belanghebbende met een arbeidsbeperking. Om te kunnen beoordelen of, in de gestelde werksituatie, voor de belanghebbende jobcoaching noodzakelijk is, in welke omvang, voor welke duur en in welke vorm, verlaat het DSB zich in zijn besluitvorming, indien het niet beschikt over toereikende informatie over het functioneren van belang­hebbende in de werksituatie, op het gemotiveerde advies van een gekwalificeerd jobcoach, dan wel het oordeel van een gespecialiseerd begeleider van de SDD, die direct na werk­aanvaarding de initiële begeleiding (ook op de werkplek) op zich neemt, en in dat proces binnen een periode van maximaal 6 weken komt tot een gemotiveerd advies over de navolgende inzet van de jobcoaching. Er wordt in dat geval al jobcoaching geboden voordat het besluit over de noodzaak, omvang en duur wordt genomen. In deze gevallen heeft het besluit terugwerkende kracht tot de start van de begeleiding.

 

Jobcoaching is in principe een tijdelijke vorm van ondersteuning, afbouwend in de tijd. De verwachting is dat, voor een groot deel van de doelgroep, de vereiste inzet van jobcoaching tijdens de proefplaatsing of aan het begin van het dienstverband het grootst is, waarna kan worden afgeschaald naar een lagere intensiteit en binnen een afzienbare periode tot de beëindiging van de begeleiding. Of en wanneer (volledig) kan worden afgeschaald, zal echter per persoon variëren. Daarom herover­weegt het DSB periodiek, uitgaande van de specifieke situatie van belanghebbende, maar minimaal een maal per jaar of voortzetting van jobcoaching in de geboden vorm nog noodzakelijk is.

 

Ten aanzien van de wijze van jobcoaching staat het belang van degene die de begeleiding ontvangt voorop. Jobcoaching is primair een werknemersvoorziening. Desalniettemin streeft het DSB er naar het aantal (externe) jobcoaches bij een individuele werkgever, die meerdere personen in dienst heeft die jobcoaching ontvangen, of die gespecialiseerd is in de doelgroep, zo veel mogelijk te beperken. Dit ook vanuit het oogpunt van efficiency. Om die reden kan het DSB in afwijking van de andere leden in dit artikel, indien zij aan de voorwaarden voldoen, afwijkende maatwerkafspraken maken met individuele werkgevers of jobcoachingsorganisaties die voor deze werkgevers de jobcoaching verzorgen.

 

Artikel 8. Proefplaatsing

Een proefplaatsing kan ingezet worden voor belanghebbenden mét en zónder arbeidsbeperking. Voor belanghebbenden met een arbeidsbeperking vindt gedurende de proefplaatsing de loonwaardemeting plaats, op de werkvloer bij de werkgever en evt. de aanvraag indicatie Banenafspraak.

 

Een van de voorwaarden voor de inzet van een proefplaatsing is dat de werkgever bij aanvang van de proefplaatsing de intentie uitspreekt om bij gebleken geschiktheid en voldoende werkzaamheden de belanghebbende een arbeidsovereenkomst aanbiedt van minimaal een half jaar. Het is een intentieverklaring, dus de proefplaatsing wordt niet altijd gevolgd door een arbeidsovereenkomst. Het kan zijn dat er geheel geen dienstverband tot stand komt of dat de werkgever kiest voor detachering.

De periode van maximaal 3 maanden is genoeg om een realistische loonwaardemeting te kunnen doen. Bij een proefplaatsing van belanghebbenden met een arbeidsbeperking kunnen instrumenten ingezet worden die specifiek gelden voor personen met een arbeidsbeperking. Denk hierbij vooral aan jobcoaching en (in mindere mate) vergoeding van noodzakelijke werkvoorzieningen.

 

Wanneer een proefplaatsing wordt ingezet, ontvangt de belanghebbende van het DSB een brief als bevestiging van de start van de proefplaatsing met daarin de benodigde informatie.

 

Aan de proefplaatsing is de Praktijkervaringplek Polis van Achmea gekoppeld. De Praktijkervaringplek Polis bestaat uit een ongevallenverzekering, een aansprakelijkheidsverzekering en een werkgeversaansprakelijkheidsverzekering voor bestuurders van motorrijtuigen.

 

Artikel 9. Re-integratie Werkovereenkomst (RWO))

Voor kandidaten uit de doelgroep 80-100% loonwaarde kan de Re-integratie Werkovereenkomst (RWO) ingezet worden. Hierbij wordt een belanghebbende uitgeleend aan een werkgever tegen een laag tarief. Het doel van de inzet van de RWO is uitstroom naar regulier betaald werk.

 

Artikel 10. Baanbonus

De baanbonus kan worden verstrekt voor personen uit de doelgroep zoals bedoeld in artikel 1 lid d van deze beleidsregels. Hierin wordt verwezen naar de doelgroep participatiewet. Binnen die omschrijving vallen ook de niet-uitkeringsgerechtigden. De baanbonus is niet voor deze doelgroep bestemd. Wel is de voorziening beschikbaar voor de doelgroep max WW. Dit zijn inwoners die recht hebben op uitkering uit de Werkloosheidswet, waarvan de uitkering binnen drie maanden beëindigd wordt en die na beëindiging van de WW-uitkering aanspraak maakt op de voorzieningen in het kader van de participatiewet. Het DSB bepaalt wie tot de doelgroep behoort.

 

De persoon die in dienst genomen wordt door de werkgever, moet door het dienstverband uitkeringsonafhankelijk worden om de werkgever in aanmerking te laten komen voor de baanbonus.

In dit geval, is de exclusie van niet-uitkeringsgerechtigden, zoals geregeld in artikel 1, lid d, niet van toepassing. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de boonbonus niet bedoeld is voor uitzend- en detacheringsbureaus, maar enkel voor de werkgever die de belanghebbende in dienst neemt. Uitzondering hierop is een situatie waarin een detacheerder een belanghebbende in dienst neemt, waarna deze belanghebbende bij werkgevers wordt geplaatst. Voorwaarde hierbij, is dat de detacheerder ook bij geen werk loon doorbetaalt. De arbeidsovereenkomst moet voor minimaal 6 aaneengesloten maanden worden aangegaan. Of iemand onafhankelijk wordt van de uitkering wordt bepaald door de Sociale dienst Drechtsteden. Daarbij wordt uitgegaan van de uitkeringssituatie waar een belanghebbende zich op het moment van aanvragen van de baanbonus in bevindt.

 

De Baanbonus moet door een werkgever maximaal 6 weken na ingang van de arbeidsovereenkomst worden aangevraagd, middels het daartoe bestemde aanvraagformulier dat te vinden is op de website van Baanbrekend Drechtsteden. Daarbij moet de getekende arbeidsovereenkomst worden overlegd. Het DSB toetst of belanghebbende op basis van deze arbeidsovereenkomst, in de dan geldende situatie, uitkeringsonafhankelijk wordt. Deze uitkeringsonafhankelijkheid moet dan expliciet toe te schrijven zijn aan de arbeidsovereenkomst. Andere factoren die beëindiging van de uitkering tot gevolg kunnen hebben, tellen niet mee in de bepaling van het recht op de baanbonus. Indien aan alle voorwaarden wordt voldaan, wordt het formele recht op de baanbonus toegekend. Na afloop van de arbeidsovereenkomst (na 6 c.q. 12 maanden) kan de werkgever de baanbonus declareren. Dit kan uiterlijk 6 weken na afloop van de arbeidsovereenkomst. Daarbij dienen de 6 c.q. 12 loonstroken te worden overlegd. Bij 0-urencontracten komt een werkgever niet in aanmerking voor de baanbonus, en evenmin bij oproepcontracten of andere contractvormen waarbij vooraf geen zekerheid wordt geboden op uitkeringsonafhankelijkheid. De baanbonus is namelijk bedoeld voor werkgevers die belanghebbenden, op basis van de geboden arbeidsovereenkomst, vooraf de zekerheid bieden op uitkeringsonafhankelijkheid.

 

De bonus kan voor dezelfde werknemer door dezelfde werkgever maximaal twee keer worden verstrekt bij een nieuwe arbeidsovereenkomst. Wanneer er direct een arbeidsovereenkomst voor een jaar wordt geboden, komt de werkgever eenmalig in aanmerking voor een bonus van €4000,-. Een tweede bonus voor dezelfde werkgever, voor dezelfde werknemer is dan niet mogelijk.

 

Artikel 11. Loonkostensubsidie en Loonwaardebepaling

Het college stelt ambtshalve dan wel op aanvraag, conform het gestelde in artikel 10c van de Participatiewet vast of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. Hierbij worden de volgende criteria in acht genomen:

  • *

    een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 7 eerste lid onder a van de Participatiewet;

  • *

    die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het WML te verdienen en is dus verminderd productief;

  • *

    die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie.

 

Binnen de hierboven genoemde wettelijke kaders, is in het tweede lid nader uitgewerkt welke personen tot de doelgroep loonkostensubsidie gerekend kunnen worden.

 

De hoogte van de loonkostensubsidie bedraagt maximaal 70% van het WML, vermeerderd met een bedrag voor vergoeding van werkgeverslasten, waarbij gedacht moet worden aan premies werknemersverzekeringen, inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en pensioenpremie. Het bedrag voor deze vergoeding wordt bij ministeriële regeling vastgesteld, omdat dit bedrag fluctueert door jaarlijkse aanpassingen in de premies en bijdragen

 

Loonkostensubsidie kan aan werkgevers worden verstrekt die voornemens zijn om een persoon uit de doelgroep loonkostensubsidie een arbeidsovereenkomst aan te bieden. Loonkostensubsidie is voor mensen met een beperkte loonwaarde bij uitstek het middel om hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Zonder dit middel neemt die kans voor hen aanzienlijk af.

 

Wanneer de arbeidsovereenkomst tussentijds wordt beëindigd, vindt de uitbetaling van de loonkostensubsidie plaats tot en met de laatste dag van loonbetaling.

 

Artikel 12. Reiskosten woon-werkverkeer en re-integratietrajecten

Dit artikel voorziet in een tegemoetkoming in de reiskosten voor burgers die uitstromen naar arbeid in loondienst, en is tot stand gekomen als gevolg van de notitie “evaluatie minimabeleid in Drechtsteden” waarbij is geconstateerd dat het minimabeleid op bepaalde vlakken aanpassing behoeft, zodat de meest kwetsbare groepen gecompenseerd worden. Ook vanuit het minimabeleid worden belanghebbenden enerzijds gestimuleerd om aan het werk te gaan en anderzijds worden belanghebbenden die dat niet kunnen of niet meer hoeven extra financieel ondersteund. De tegemoetkoming is bedoeld om een eventuele terugval in inkomen (door het aanvaarden van arbeid in loondienst) te voorkomen.

 

Artikelsgewijs

 

Lid 1 en 2

Dit artikel bakent de doelgroep af en geeft specifiek aan hoe e.e.a. is geregeld. De uitkeringsgerechtigde die middels een re-integratietraject wordt ondersteund bij arbeidsinschakeling, wordt dus toegevoegd aan de doelgroep. Specifiek wordt 1 groep uitgesloten, te weten de belanghebbenden die nog een reiskostenvergoeding via BBD ontvangen (in welke vorm dan ook, waaronder bijvoorbeeld een financiële vergoeding bij een RWO of een verstrekte OV chipkaart met saldo). Na deze vergoeding is er eventueel wel recht op de tegemoetkoming (als aan alle andere voorwaarden wordt voldaan).

 

Degene die als zelfstandige aan de slag is, is automatisch uitgesloten van de regel. Het moet immers gaan om arbeid in loondienst. Zelfstandige inkomsten zijn dit niet. Het inkomen mag niet meer zijn dan 110% van het wettelijk sociaal minimum dat voor de belanghebbende geldt.

 

Lid 4

De tegemoetkoming wordt voor de duur van het arbeidscontract of re-integratietraject toegekend. Voor een ieder die een contract voor onbepaald tijd heeft, geldt een maximum van 24 maanden. Langer recht op de tegemoetkoming is niet mogelijk.

De tegemoetkoming wordt per persoon verstrekt. Wanneer een echtpaar beiden aan de voorwaarden voldoen, kan men dan ook allebei de tegemoetkoming aanvragen en ontvangen. Daarbij geldt wel dat naar het gezamenlijke inkomen wordt gekeken.

 

Lid 5

De tegemoetkoming wordt gebaseerd op de bedragen zoals die in de reiskostentabel onder lid 5 zijn genoemd, waarbij geldt dat in het eerste jaar 100% per maand wordt verstrekt van de genoemde bedragen bij 5 dagen in deze regeling (waarvoor de belanghebbende in aanmerking komt). In het tweede jaar wordt nog 50% per maand verstrekt van de genoemde bedragen bij 5 dagen in deze regeling (waarvoor de belanghebbende in aanmerking komt). Gekozen is voor de bedragen bij 5 dagen omdat uitstroom veelal minimaal 4 dagen werk betekent. Om de uitvoering te vereenvoudigen wordt standaard uitgegaan van de bedragen bij 5 dagen. De maximalisering tot 24 maanden en de afbouw in twee jaar heeft als reden dat nog altijd gestimuleerd wordt dat belanghebbenden hun eigen inkomenspositie verbeteren. Door de tegemoetkoming te beperken tot een periode en in die periode af te bouwen, blijven belanghebbenden zelf verantwoordelijk om de inkomenspositie na uitstroom verder te verbeteren.

 

Om te beoordelen of belanghebbenden gedurende de 24 maanden nog wel in aanmerking komen wordt automatisch na 12 maanden een vragenlijst naar de klant gestuurd. De belanghebbende dient deze in te vullen en terug te sturen. Op basis daarvan wordt beoordeeld of belanghebbenden nog aan de voorwaarden voldoen. Is dit niet het geval of wordt het formulier niet teruggestuurd, dan stopt de tegemoetkoming na deze 12 maanden.

 

Lid 6

Dit artikel geeft een omschrijving van wat onder reiskosten wordt verstaan. Het gaat daarbij specifiek om het woon-werkverkeer/verkeer om van het thuisadres op het adres van re-integratietraject te komen. Eventuele reiskosten onder werktijd worden hiermee uitgesloten. Door het werkadres te benoemen wordt geregeld dat ook de belanghebbende die via een uitzendbureau aan de slag is een tegemoetkoming kan krijgen (het werkadres is dan namelijk het adres waar de belanghebbende het werk daadwerkelijk uitvoert).

 

Lid 8 en 9

Probleem bij de groep die uitstroomt via werk bij het uitzendbureau geldt dat zij regelmatig kunnen wisselen van opdrachtgever. Op het moment dat dit elke keer gemeld moet worden en opnieuw beoordeeld moet worden, wordt een behoorlijk grote informatie- en administratiestroom van de belanghebbende naar de Sociale Dienst Drechtsteden en vice versa gecreëerd. Daarom geldt voor deze belanghebbenden dat de hoogte van de tegemoetkoming wordt berekend per maand aan de hand van het werkadres van de opdrachtgever waar de belanghebbende op de eerste van de betreffende maand werkzaam is.

 

Indien een belanghebbende zoals in de vorige alinea aangeeft in een maand meer dan 1 opdrachtgever te hebben met diverse reisafstanden wordt het gemiddelde aantal kilometers berekend van de opdrachtgevers tezamen en aan de hand daarvan de hoogte van de tegemoetkoming bepaald. De belanghebbende is zelf verantwoordelijk om deze informatie door te geven en aan te geven voor welke opdrachtgevers allemaal wordt gewerkt. Dit kan bijvoorbeeld door middel van een verklaring van het uitzendbureau. Dezelfde werkwijze geldt in de situatie waarin een belanghebbende in het kader van een of meerdere re-integratietrajecten in een maand op meer dan 1 locatie verwacht wordt.

 

Lid 10

Omdat het hier om een extra tegemoetkoming in de reiskosten gaat (het gaat ook niet om de vergoeding van de gehele reiskosten die eventueel gemaakt worden) wordt geen rekening gehouden met eventuele andere vergoedingen die men reeds ontvangt of zou kunnen ontvangen voor reiskosten (bv via de werkgever zelf of van de belastingdienst).

Alle inlichtingen en gegevens die van belang zijn voor de aanvraag en de eventuele toekenning dient de belanghebbende onverwijld uit eigen beweging te melden. Dan kan gedacht worden aan wijzigingen in de woonsituatie, het inkomen, het vermogen of een wijziging qua werkgever. In de beschikking tot toekenning zal dit expliciet worden opgenomen.

 

Artikel 13. Reiskostenvergoeding Inburgeringsactiviteiten

Voor belanghebbenden die in het kader van hun inburgeringstraject reiskosten maken, is er de Reiskostenvergoeding bij Inburgering. Het doel van dit instrument is om de financiële belemmeringen die bij deelname aan inburgeringstrajecten kunnen ontstaan, zoveel mogelijk op te heffen. Het deelnemen aan deze activiteiten versnelt het inburgeringsproces, waardoor de inburgeringsplichtige ook sneller richting zelfstandigheid kan gaan.

 

De vergoeding wordt op aanvraag verleend en kan met terugwerkende kracht tot zes maanden voorafgaand aan de aanvraag worden ingediend.

De reiskosten worden enkel vergoed bij een minimale reisafstand van 5 km. Bij een reisafstand van < 5 km, kan van belanghebbende redelijkerwijs worden verwacht dat deze de reis zelfstandig kan organiseren.

 

Enkel de reiskosten die in het kader van de onder lid 5 genoemde inburgeringsactiviteiten worden gemaakt, worden vergoed. Hierbij is het professionele oordeel van de regisseur leidend. De reiskostenregeling Inburgering betreft een volledige vergoeding van de gemaakte reiskosten, en is geen (gedeeltelijke) tegemoetkoming. Reden hiervoor is de kwetsbare inkomenspositie waarin belanghebbenden kan verkeren.

 

Bij de berekening van de reiskosten wordt gebruikgemaakt van de ANWB routeplanner. Daarbij wordt de goedkoopste, doch meest adequate optie met het openbaar vervoer gekozen. Ook hier geldt dat het professionele oordeel van de regisseur leidend is.