Regeling vervallen per 13-07-2007

Regeling erkenning plaatsende instanties Drenthe

Geldend van 01-01-1994 t/m 12-07-2007

Intitulé

Regeling erkenning plaatsende instanties Drenthe

Inhoud

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a.   instelling: een bij of krachtens de Wet op de jeugdhulpverlening aangewezen instelling of instantie, die voor erkenning in aanmerking komt;

b.   regio: een regio voor jeugdhulpverlening als bedoeld in artikel 4 van de Wet op de jeugdhulpverlening.

AANVRAAG

Artikel 2

1.   Een erkenning wordt door een instelling bij gedeputeerde staten aangevraagd vóór 1 mei van het jaar voorafgaand aan het jaar van inwerkingtreding van een erkenning.

2.   De aanvraag bevat in ieder geval de volgende gegevens.

a.   Exacte omschrijving van het werkgebied (uitgedrukt in de gemeenten waarin de instelling werkzaam is) en de regio('s) waarvoor erkenning wordt aangevraagd. Opgave van plaats waar het (hoofd)bureau en eventuele dependance(s) zijn gevestigd en de te onderscheiden werkgebieden.

b.   Indien de instelling een specifieke doelgroep kent, een omschrijving van de doelgroep.

c.   Opgave van het aantal plaatsingen in het voorafgaande jaar en in welke voorzieningen per regio (een verslag als bedoeld in artikel 33 van de Wet op de jeugdhulpverlening).

d.   Opgave van het aantal deskundigen die met de activiteiten wordt belast, onder vermelding van de wijze waarop aan de deskundigheidseisen wordt voldaan.

e.   Omschrijving van de wijze waarop de deskundige met de verantwoordelijkheid wordt belast voor de uitvoering van de activiteiten van de instelling.

f.    De wijze waarop de jeugdige en/of zijn (stief)ouders bij het hulpverleningsproces zullen worden betrokken.

g.   De klachtenregeling.

h.   Samenwerkingsverband(en) waaraan de instelling deelneemt of zal gaan deelnemen.

i.    Een verslag van het plaatsingsbeleid van de instelling in het voorafgaande jaar; dit verslag wordt elk jaar ingediend.

BESLISSING

Artikel 3

1.   Gedeputeerde staten beslissen op een aanvraag tot erkenning binnen 4 maanden nadat de aanvraag bij hen is binnengekomen.

2.   Ter beoordeling van de behoefte, die als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Wet op de jeugdhulpverlening, mede bepalend is voor een beslissing op een aanvraag tot erkenning, stellen gedeputeerde staten een nader te bepalen minimumaantal plaatsingen vast.

3.   a.   Een besluit als bedoeld in het eerste lid, wordt niet genomen dan nadat gedeputeerde staten hieromtrent advies hebben gevraagd bij het bestuur van het samenwerkingsverband in deze provincie, als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de jeugdhulpverlening.

b.   Vorenbedoeld advies dient binnen 8 weken na binnenkomst van de aanvraag bij gedeputeerde staten te zijn ingediend.

4.   Indien gedeputeerde staten besluiten tot erkenning wordt deze erkenning van kracht met ingang van 1 januari van het jaar, volgend op het jaar van aanvraag.

Artikel 4

Een erkenning wordt niet ingetrokken dan nadat de instelling en het bestuur van het samenwerkingsverband in deze provincie, zoals bedoeld in artikel 3, derde lid, onder a, in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze naar voren te brengen.

SLOTBEPALINGEN

Artikel 5

Deze regeling treedt in werking op 1 januari 1994.

Artikel 6

Deze regeling wordt aangehaald als Regeling erkenning plaatsende instanties

Drenthe.

TOELICHTING OP DE REGELING ERKENNING PLAATSENDE INSTANTIES DRENTHE

ARTIKELSGEWIJS

Artikel 1

De Wet op de jeugdhulpverlening spreekt over een uitvoerder van ambulante hulpverlening die als plaatsende instantie voor een erkenning door het provinciaal bestuur in aanmerking komt. In artikel 27, eerste lid, wordt expliciet een RIAGG genoemd die als plaatsende instantie in aanmerking komt. Verder komen volgens artikel 27, tweede lid, bij AMvB in aanmerking:

-     instellingen voor algemeen maatschappelijk werk

-     sociaal-pedagogische diensten

-     kinder- en jeugdpsychiatrische (poli)klinieken

-     (poli)klinieken voor kindergeneeskunde

(Op 25 juli 1989 is een hiertoe strekkende maatregel voor algemeen bestuur in de Staatscourant "voorgehangen", die vanaf 1 januari 1990 definitief van kracht is.)

Verder is het niet uitgesloten dat landelijk erkende instellingen ook bij het provinciaal bestuur een aanvraag voor erkenning zullen indienen, temeer daar de rijksoverheid vanaf 1 januari 1990 geen erkenningen meer kan afgeven.

Tot slot zijn ingevolge artikel 27, derde lid, van de Wet op de jeugdhulpverlening voor justitiële plaatsingen reeds enkele instellingen erkend. Deze van rechtswege erkende instellingen betreffen:

-     de (gezins)voogdij-instellingen

-     de Raden voor de Kinderbescherming

Artikel 2

De aanvragende instelling dient duidelijk te maken dat zij aan de voorwaarden bij of krachtens de Wet op de jeugdhulpverlening voldoet. Veel van de voorwaarden zijn geregeld in de artikelen 27 tot en met 35 van de wet.

In dit artikel is aangegeven aan welke aspecten in een verklaring in ieder geval aandacht moet worden geschonken.

Allereerst beoordelen gedeputeerde staten of aan de activiteiten van een plaatsende instantie behoefte bestaat; indien wordt bepaald dat zulks het geval is, wijzen gedeputeerde staten een werkgebied aan waarin de instelling werkzaam zal zijn.

Voor een landelijk werkzame, in of buiten Drenthe gevestigde, instelling is dit werkgebied geheel Nederland en zal worden gestreefd naar voor alle provincies overeenkomstige beoordelingscriteria, in overleg met het Rijk.

Verder toetsen gedeputeerde staten aan de overige wettelijke voorwaarden.

Daartoe dienen ook de voorschriften zoals in dit artikel verwoord.

Tevens dient een verslag van het plaatsingsbeleid, zoals dat conform artikel 33 van de Wet op de jeugdhulpverlening wordt opgesteld, te worden ingezonden. Dit verslag dient jaarlijks te worden opgesteld en aan ons college te worden gezonden.

Overigens zal ook het provinciale beleid op grond van artikel 27, eerste lid, met betrekking tot het terrein van de jeugdhulpverlening bij de beoordeling van de aanvraag medebepalend zijn, en zowel bij het gevraagde verslag als bij de aanvraag tot uitdrukking moeten komen.

Artikel 3

In dit artikel is geregeld dat gedeputeerde staten binnen 4 maanden na binnenkomst van de aanvraag zullen beslissen.

In artikel 27, eerste lid, is bepaald dat het provinciaal bestuur beoordeelt of aan een erkenning van een instelling behoefte bestaat en zo ja, voor welk werkgebied.

Een belangrijk criterium voor het bepalen van de behoefte zal een minimumaantal plaatsingen zijn. Dit aantal zal door gedeputeerde staten nader worden vastgesteld en kan worden aangepast om aan de voorwaarden krachtens of bij de wet of deze regeling te voldoen.

In de Wet op de jeugdhulpverlening is bepaald dat het samenwerkingsverband jeugdhulpverlening met betrekking tot de planning van regionale voorzieningen een adviesfunctie voor het provinciaal bestuur vervult. Ook voor het nemen van een beslissing over het al dan niet honoreren van een aanvraag zal het advies van het samenwerkingsverband jeugdhulpverlening worden gevraagd, hoewel de wet dit niet expliciet vereist. Het is voor een goede beoordeling gewenst dat daarbij een positief advies van het JHAT wordt toegevoegd.

Dit advies dient binnen het tijdsbestek in artikel 3, eerste lid, te worden afgegeven. Mocht om welke reden dan ook gedeputeerde staten geen of niet tijdig binnen 8 weken na binnenkomst van de aanvraag een advies hebben ontvangen, dan nemen zij een beslissing.

Artikel 4

Indien een instelling niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens de Wet op de jeugdhulpverlening of in deze regeling kan overeenkomstig artikel 34 een erkenning worden ingetrokken. Het JHAT doet hiervan ook mededeling aan het provinciaal bestuur (artikel 33, vierde lid).

Bij intrekking van een erkenning wordt eerst de desbetreffende plaatsende instantie, alsmede het samenwerkingsverband jeugdhulpverlening gehoord.

Zowel bij het afgeven, alsook bij het intrekken van een erkenning wordt hiervan volgens respectievelijk artikel 27, vijfde lid, en artikel 34, derde lid, van de Wet op de jeugdhulpverlening mededeling gedaan in de Nederlandse Staatscourant.

Artikel 5

Zodra een aanvraag bij gedeputeerde staten is ingediend zal het samenwerkingsverband tot 2 maanden daarna in de gelegenheid worden gesteld hierover te adviseren. Op deze wijze kan ook in een overgangsperiode artikel 3, eerste lid, worden nagekomen.

Na 1994 zal deze regeling wellicht deel gaan uitmaken van de nog op te stellen Inspraak- en subsidieverordening voor de jeugdhulpverlening.

VOORSCHRIFTEN VOOR EEN AANVRAAG TOT ERKENNING

In de aanvraag wordt door het bestuur van de ambulante instelling ten minste ingegaan op de hierna genoemde punten.

1.   Volledige naam en adres.

2.   Exacte omschrijving van het werkgebied (uitgedrukt in de gemeenten waarin de instelling werkzaam is) en de regio('s) waarvoor erkenning wordt aangevraagd. Opgave van plaats waar het (hoofd)bureau en eventuele dependance(s) zijn gevestigd en de te onderscheiden werkgebieden.

3.   Indien de instelling een specifieke doelgroep kent, een omschrijving van de doelgroep.

4.   Opgave van het aantal plaatsingen in het voorafgaande jaar en in welke voorzieningen per regio (een verslag als bedoeld in artikel 33 van de Wet op de jeugdhulpverlening).

5.   Opgave van het aantal deskundigen die met de activiteiten worden belast, onder vermelding van de wijze waarop aan de deskundigheidseisen wordt voldaan.

6.   Omschrijving van de wijze waarop de deskundige met de verantwoordelijkheid wordt belast voor de uitvoering van de activiteiten van de instelling.

7.   De wijze waarop de jeugdige en/of zijn (stief)ouders bij het hulpverleningsproces zullen worden betrokken.

8.   De klachtenregeling.

9.   Samenwerkingsverband(en) waaraan de instelling deelneemt of zal gaan deelnemen.

N.B.

Onder een regio wordt een regio voor jeugdhulpverlening verstaan zoals bedoeld in artikel 4 van de Wet op de jeugdhulpverlening (Staatsblad 1989, nummer 360).