Regeling vervallen per 03-10-2017

Verordening peuterspeelzaalwerk Enkhuizen 2005

Geldend van 05-09-2008 t/m 02-10-2017

Intitulé

Verordening peuterspeelzaalwerk Enkhuizen 2005

RAADSBESLUIT

De raad van de gemeente Enkhuizen;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 19 april 2005, nummer: 41;

gelet op de artikelen 149 van de Gemeentewet

overwegende dat het noodzakelijk is de verlening, de voorschotverlening en de vaststelling van de tegemoetkoming van de gemeente in de kosten van kinderopvang bij verordening te regelen;

b e s l u i t :

  • 1.

    de hoofdstukken en artikelen t.a.v. het peuterspeelzaalwerk uit de Verordening Kinderopvang Enkhuizen 1997 in te trekken

  • 2.

    vast te stellen de VERORDENING PEUTERSPEELZAALWERK ENKHUIZEN 2005

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    burgemeester en wethouders: burgemeester en wethouders van de Gemeente Enkhuizen

  • b.

    peuterspeelzaalwerk: het tegen een vergoeding bieden van speelgelegenheid in georganiseerd verband aan kinderen van twee tot vier jaar gedurende een of meer dagdelen per week van maximaal 3,5 uur gedurende ongeveer 40 weken per jaar, met als doel deze kinderen samen te laten spelen, hun ontwikkeling te bevorderen en evt. achterstanden vroegtijdig te signaleren/voorkomen

  • c.

    peuterspeelzaal: een ruimtelijke voorziening buiten de gezinssituatie waar peuterspeelzaalwerk plaatsvindt

  • d.

    houder: degene die een peuterspeelzaal exploiteert

  • e.

    beroepskracht (leider/ster): degene die in een peuterspeelzaal werkzaamheden verricht die zijn opgenomen in de voor het peuterspeelzaalwerk geldende CAO of, indien relevant, de CAO Welzijn, en die beschikt over een voor deze werkzaamheden passende beroepskwalificaties

  • f.

    begeleider (assistent leider/ster): degene die anders dan als beroepskracht is belast met de begeleiding van kinderen bij een peuterspeelzaal, die overigens wel over voor de werkzaamheden passende beroepskwalificaties kan beschikken

  • g.

    vrijwilliger: degene die anders dan als beroepskracht of begeleider is belast met de begeleiding van kinderen bij een peuterspeelzaal, overigens onder verantwoordelijkheid van de beroepskracht

HOOFDSTUK 2. MELDINGSPLICHT

Artikel 2. Melding in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal

  • 1. Degene die voornemens is een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen binnen de gemeente doet daarvan melding aan het college

  • 2. De melding vindt plaats met behulp van een door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld formulier

Artikel 3. Ambitieniveau van het peuterspeelzaalwerk

De houder geeft in de melding aan het college aan voor welk ambitieniveau van het peuterspeelzaalwerk hij kiest, waarbij de volgende ambitieniveaus worden onderscheiden:

  • a.

    ambitieniveau 1: ‘spelen, ontmoeten, ontwikkelen en signaleren’ (geldt als minimum voor regulier peuterspeelzaalwerk)

  • b.

    ambitieniveau 2: ‘spelen, ontmoeten, ontwikkelen, signaleren en ondersteunen’ (geldt als minimum voor VVE peuterspeelzalen maar kan ook voor regulier peuterspeelzaalwerk gelden in het kader van kwaliteitsontwikkling)

Artikel 4. Termijn van in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal

  • 1. Een peuterspeelzaal wordt niet in exploitatie genomen binnen acht weken na het tijdstip van de melding

  • 2. Indien uit het onderzoek van de toezichthouder, of verricht in opdracht van de toezichthouder, bedoeld in artikel 17, eerste lid, eerder is gebleken dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de bepalingen in hoofdstuk 3 van deze verordening, kan de exploitatie vanaf dat moment plaatsvinden

Artikel 5. Verbod op het in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal

Het is verboden een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen indien uit het onderzoek van de toezichthouder, bedoeld in artikel 17, eerste lid, blijkt dat niet aan de eisen van de verordening wordt voldaan.

Artikel 6. Register

  • 1. Het college houdt een register bij van gemelde peuterspeelzalen. In dit register worden na een melding onmiddellijk de gegevens opgenomen die ingevolge artikel 2, tweede lid, en artikel 3 zijn verstrekt

  • 2. Het college deelt de houder schriftelijk mee dat opneming van de peuterspeelzaal in het register heeft plaatsgevonden

  • 3. Het register ligt op het gemeentehuis kosteloos voor een ieder ter inzage

Artikel 7. Wijzigingen van gegevens

  • 1. De houder doet van wijzigingen in de gegevens die bij de melding zijn verstrekt, onmiddellijk mededeling aan het college

  • 2. Het college deelt de houder schriftelijk mee dat de wijzigingen in het register zijn aangetekend

HOOFDSTUK 3. DE KWALITEITSEISEN

Artikel 8. Algemene kwaliteitseisen

  • 1. De houder van een peuterspeelzaal biedt peuterspeelzaalwerk aan dat bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde omgeving

  • 2. De houder organiseert het peuterspeelzaalwerk op zodanige wijze, voorziet de peuterspeelzaal zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel, draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling en voert een zodanig pedagogisch beleid (zoals resp. vastgelegd in de artikelen 9 t/m 13), dat een en ander leidt of moet leiden tot verantwoord peuterspeelzaalwerk.

Artikel 9. Pedagogisch beleid

De houder van een peuterspeelzaal stelt een pedagogisch beleidsplan vast waarin de doelen van het relevante ambitieniveau en de wijze waarop deze bereikt dienen te worden alsmede de wijze van toetsing zijn vastgelegd.

Ouders dienen op de hoogte worden gesteld van de aanwezigheid van dit beleidsplan en hebben het recht op inzage.

Artikel 10. Eisen ten aanzien van veiligheid en gezondheid

  • 1. De houder voert een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en de gezondheid van de op te vangen kinderen in elk door hem geëxploiteerde peuterspeelzaal zoveel mogelijk is gewaarborgd:

    ¾ De peuterspeelzaal dient hygiënisch en veilig te zijn

    ¾ De peuterspeelzaal dient een deugdelijke inrichting te hebben

  • 2. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere regels te stellen waaraan de peuterspeelzaal, de houder en de in de peuterspeelzaal werkzame beroepskrachten en begeleiders moeten voldoen. Deze regels hebben betrekking op:

    • -

      ¾ De verzorging en begeleiding van en het toezicht op de kinderen

    • -

      ¾ De inrichting, hygiënische toestand en veiligheid van de peuterspeelzaal voor zover deze eisen noodzakelijk zijn voor het peuterspeelzaalwerk en hierin niet wordt voorzien bij of krachtens de Woningwet

    • -

      ¾ De aan beroepskrachten, begeleiders en vrijwilligers te stellen gezondheidseisen te stellen gezondheidseisen

    • -

      ¾ De aanwezigheid van gegevens van de peuterspeelzaal

  • 3. De houder van een peuterspeelzaal is verplicht de volgende verzekeringen af te sluiten:

    ¾ Een aansprakelijkeheids- en ongevallenverzekering ten behoeve van de in de peuterspeelzaal aanwezige beroepskrachten, begeleiders, vrijwilligers en kinderen

    De onder 1 t/m 3 beschreven eisen zijn vastgelegd in een protocol, dat door de (aangewezen) toezichthouder wordt gehanteerd bij de uit te voeren inspecties.

Artikel 11. Oppervlakte speelruimte

  • 1. Voor ieder kind is minimaal 3,5 m2 bruto-oppervlakte aan binnenspeelruimte beschikbaar

  • 2. Voor ieder kind is buitenspeelruimte beschikbaar, waarvan de bruto-oppervlakte minimaal 3 m2 per kind bedraagt en die voor kinderen bereikbaar is

Artikel 12. Groepen en groepsgrootte

  • 1. De opvang van kinderen vindt plaats in vaste groepen in passend ingerichte vaste afzonderlijke ruimtes

  • 2. In een groep zijn ten hoogste vijftien kinderen gelijktijdig aanwezig

Artikel 13. Aantal beroepskrachten of begeleiders per groep

  • 1. Het aantal beroepskrachten of begeleiders per groep is afhankelijk van het door de houder gekozen ambitieniveau

  • 2. Voor ambitieniveau 1: ‘spelen, ontmoeten, ontwikkelen en signaleren’ zijn er in elke groep ten minste één beroepskracht (leider/ster) en één vrijwilliger aanwezig

  • 3. Voor ambitieniveau 2: ‘spelen, ontmoeten, ontwikkelen, signaleren en ondersteunen’ zijn er in elke groep ten minste één beroepskracht (leider/ster) en één begeleider (assistent leider/ster) aanwezig

Artikel 14. Overeenkomst tussen houder en ouder

Opvang in een peuterspeelzaal geschiedt op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en een ouder.

Artikel 15. Informatieplicht aan de ouders

De houder van een peuterspeelzaal informeert de ouder voorafgaand aan het aangaan van deze overeenkomst in ieder geval over:

  • a.

    de plaatsingsprocedure en leveringsvoorwaarden

  • b.

    het gekozen ambitieniveau als bedoeld in artikel 3

  • c.

    het te voeren beleid, waaronder het beleid inzake veiligheid en gezondheid, alsmede het pedagogisch beleid waarin vanuit de visie op de ontwikkeling van kinderen de visie op de omgang met kinderen is beschreven

  • d.

    de wijze en frequentie van informatie-uitwisseling na plaatsing van het kind bij de peuterspeelzaal

  • e.

    de wijze waarop inspraak is geregeld

  • f.

    de wijze waarop klachten worden behandeld

Artikel 16. Verklaring omtrent het gedrag

  • 1. Personen die als beroepskracht, begeleider of vrijwilliger werkzaam zijn bij een peuterspeelzaal zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële gegevens

  • 2. Deze verklaring wordt aan de houder overlegd voordat een persoon zijn werkzaamheden aanvangt. De verklaring is op het moment dat zij wordt overgelegd niet ouder dan twee maanden

  • 3. Indien de houder of de toezichthouder redelijkerwijs vermoedt dat een persoon niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de houder dat die persoon opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt die niet ouder is dan twee maanden. De desbetreffende persoon overlegt de verklaring binnen een door de houder vast te stellen termijn

HOOFDSTUK 4. HET GEMEENTELIJK TOEZICHT

Artikel 17. Aanwijzing van toezichthouders

Burgemeester en wethouders zijn toezichthouder en kunnen uit dien hoofde personen aanwijzen, die belast zijn met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze verordening gestelde voorschriften

Artikel 18. Onderzoek door de toezichthouder

  • 1. De toezichthouder onderzoekt (of laat onderzoeken), na een melding als bedoeld in artikel 2, eerste lid, binnen acht weken of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de voorschriften in hoofdstuk 3 van deze verordening

  • 2. Onverminderd het eerste lid onderzoekt of (laat onderzoeken) de toezichthouder tweejaarlijks of de exploitatie van elke peuterspeelzaal plaatsvindt in overeenstemming met de voorschriften in hoofdstuk 3 van deze verordening

  • 3. Naast het onderzoek bedoeld in het eerste en tweede lid kan de toezichthouder incidenteel onderzoek (laten) verrichten naar de naleving door een houder van de voorschriften in hoofdstuk 3 van deze verordening (b.v. in het geval van binnenkomende klachten)

Artikel 19. Het inspectierapport

  • 1. De toezichthouder legt (of laat vastleggen) zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek bij een peuterspeelzaal vast in een inspectierapport

  • 2. Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de voorschriften van deze verordening niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport

  • 3. Alvorens het rapport vast te stellen, stelt het college de houder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt (of laat vermelden) de zienswijze van de houder in een bijlage bij het rapport

  • 4. De toezichthouder zendt het inspectierapport onverwijld aan de houder, die een afschrift daarvan zo spoedig mogelijk ter inzage legt op een voor ouders en personeel toegankelijke plaats

  • 5. De toezichthouder maakt het inspectierapport uiterlijk drie weken na de vaststelling daarvan openbaar

Artikel 20. Aanwijzing en bevel

  • 1. Het college kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven indien op basis van het inspectierapport blijkt dat deze de voorschriften in deze verordening niet of in onvoldoende mate naleeft

  • 2. In de aanwijzing geeft het college met redenen omkleed aan op welke punten de voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen

  • 3. Indien de toezichthouder oordeelt dat de kwaliteit van de opvang bij een peuterspeelzaal zodanig tekortschiet dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden, kan de toezichthouder een schriftelijk bevel geven. Het bevel heeft een geldigheidsduur van zeven dagen, die door het college kan worden verlengd

  • 4. De houder neemt de maatregelen binnen de bij de aanwijzing onderscheidenlijk het bevel gestelde termijn

Artikel 21. Strafbepaling

Overtreding van de artikelen 2, eerste lid, en de artikelen in hoofdstuk 3 van deze verordening wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden bestraft met openbaarmaking van de rechtelijke uitspraak.

HOOFDSTUK 5. SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 22. Overgangsbepaling

  • 1. Het college neemt in het register de peuterspeelzalen op die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening over een vergunning op grond van de Verordening Kinderopvang Enkhuizen 1997 beschikken

  • 2. Een houder van een peuterspeelzaal als bedoeld in het eerste lid verstrekt desgevraagd aan het college alle gegevens die nodig zijn voor het register

  • 3. Beroepskrachten en begeleiders die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening werkzaam zijn bij een peuterspeelzaal, leggen aan de houder binnen twee maanden na de inwerkingtreding een verklaring omtrent het gedrag over

Artikel 23. Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking 8 dagen na publicatie in De Drom, rubriek Gemeentenieuws

Artikel 24. Citeertitel

De verordening wordt aangehaald als: Verordening Peuterspeelzaalwerk Enkhuizen 2005

Ondertekening

Besloten in de openbare vergadering van 14 juni 2005
De griffier, De voorzitter,

Nota-toelichting

Algemene toelichting

Gemeenten zijn niet verplicht kwaliteitsregels te stellen voor het peuterspeelzaalwerk. Het peuterspeelzaalwerk valt niet onder de Wet kinderopvang (artikel 1, tweede lid, onderdeel b). Dit betekent dat de grondslag voor deze verordening de autonome verordenende bevoegdheid van de gemeenten vormt die is neergelegd in artikel 149 van de Gemeentewet. Dit is ook in de aanhef van de verordening aangegeven.

De verordening sluit zoveel mogelijk aan bij de Wet Collectieve Preventie Volksgezondheid (WCPV) en de kwaliteitseisen die de Wet kinderopvang (Wk) stelt ten aanzien van kinderopvang.

Voor dit laatste zijn twee redenen: allereerst is het peuterspeelzaalwerk ook een vorm van kinderopvang in een daarvoor geschikte ruimtelijke voorziening. Het ligt dan voor de hand om zoveel mogelijk dezelfde kwaliteitseisen te stellen, uiteraard voorzover die eisen aansluiten bij

het specifieke doel van het peuterspeelzaalwerk. Dit hangt samen met de tweede reden: het toezicht op de instellingen voor kinderopvang en op peuterspeelzalen zal door dezelfde toezichthouders worden gedaan. Het uitoefenen van toezicht wordt vergemakkelijkt als de toezichthouders zoveel mogelijk met dezelfde regels te maken hebben.

Evenals in de Wk is in de verordening gekozen voor algemene kwaliteitsregels die voor alle peuterspeelzalen in de gemeente gelden, gekoppeld aan een stelsel van melding en registratie.

Artikelsgewijze toelichting

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Dit artikel regelt de begrippen die van toepassing zijn binnen het peuterspeelzaalwerk.

De beroepskracht in opleiding (stagiaire) is niet apart gedefinieerd. Hiermee vallen beroepskrachten in opleiding automatisch onder de begripsomschrijving van een begeleider, te weten: ‘degene die anders dan als beroepskracht is belast met de begeleiding van kinderen bij

een peuterspeelzaal’ (begrip e).

In het reguliere peuterspeelzaalwerk zijn vaak vrijwilligers actief. In de regel zijn dan een beroepskracht en een vrijwilliger aanwezig op een groep.

HOODSTUK 2. MELDINGSPLICHT

Artikel 2. Melding in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal

Dit artikel regelt de meldingsplicht voor degenen die een peuterspeelzaal willen gaan exploiteren.

De melding moet plaatsvinden met behulp van een door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld formulier.

Het stelsel van melding en registratie maakt aan iedereen duidelijk welke instellingen actief zijn op het terrein van het peuterspeelzaalwerk. De melding biedt aan de gemeente de mogelijkheid om voorafgaande aan de start van de exploitatie te toetsen of een nieuw initiatief aan de

kwaliteitseisen voldoet. De gemeente moet een gemelde peuterspeelzaal opnemen in een register dat voor een ieder toegankelijk is. Opneming in het register geeft ouders de zekerheid dat het peuterspeelzaalwerk bij de aanvang van de exploitatie van voldoende kwaliteit is en dat er van gemeentewege zal worden toegezien dat de kwaliteit van voldoende niveau blijft.

Tussen een vergunningenstelsel en een meldingsstelsel zijn een aantal verschillen. Zo kunnen in een vergunning nadere eisen worden opgenomen die specifiek gelden voor de instelling die de vergunning krijgt. Bij een meldingsstelsel kunnen geen specifieke voorschriften worden gesteld,

maar moet worden volstaan met algemene, voor alle instellingen geldende regels. Ook wat betreft het toepassen van sancties is er een verschil.

In een vergunningenstelsel vormt het intrekken van de vergunning een sanctie. Deze sanctie is er niet in een meldingsstelsel. Wanneer de gemeente wil dat de exploitatie van een peuterspeelzaal wordt stopgezet, zal ze er voor moeten zorgen dat betreffende inrichting wordt gesloten.

Artikel 3. Ambitieniveau van het peuterspeelzaalwerk

Dit artikel bepaalt dat de houder in de melding aan het college aangeeft voor welk ambitieniveau van het peuterspeelzaalwerk hij kiest. Het gekozen ambitieniveau bepaalt mede de kwalificatieeisen die aan de leidinggevenden worden gesteld (zie artikel 13).

Met het oog op de wens tot kwaliteitsbevordering en -verbetering wordt voor het reguliere peuterspeelzaalwerk, zowel als voor de VVE-peuterspeelzalen een minimum ambitieniveau aangegeven, terwijl naar een hoger niveau gestreefd kan worden.

Door de melding en registratie worden de ouders op de hoogte gesteld van het ambitieniveau.

De toezichthouder kan controleren of een peuterspeelzaal zich houdt aan het gestelde ambitieniveau.

Artikel 4. Termijn van in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal

Dit artikel bevat de termijn die de gemeente (i.c. de toezichthouder) nodig heeft om te beoordelen of een nieuwe peuterspeelzaal zal voldoen aan de eisen van de verordening.

Elke gemeente zal in overleg met de toezichthouder moeten bepalen welke termijn haalbaar is. Het moet gaan om een termijn die enerzijds de toezichthouder de mogelijkheid biedt een deugdelijk onderzoek te

doen naar de wijze waarop de nieuwe peuterspeelzaal zal worden geëxploiteerd en die anderzijds degene die voornemens is een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen niet onnodig lang laat wachten op het moment dat met de exploitatie kan worden gestart.

Het tweede lid biedt de mogelijkheid voor de houder om vóór het verstrijken van de termijn in het eerste lid met de exploitatie van de peuterspeelzaal te beginnen.

Artikel 5. Verbod op het in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal

Dit artikel bevat het expliciete verbod om een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen, indien blijkt dat de initiatiefnemer niet aan de eisen van de verordening voldoet. Op grond van deze verbodsbepaling kan het college tot bestuursdwang (sluiting) overgaan of een dwangsom opleggen, indien de peuterspeelzaal toch in gebruik wordt genomen.

Artikel 6. Register

Dit artikel regelt het instellen van het register. Het derde lid bepaalt dat het register openbaar is.

Artikel 7. Wijzigingen van gegevens

Om het register actueel te houden, bepaalt het eerste lid dat de houder onmiddellijk melding doet aan het college van wijzigingen van gegevens die bij de melding zijn verstrekt.

HOODSTUK 3. DE KWALITEITSEISEN

Artikel 8. Algemene kwaliteitseisen

Het eerste lid bevat een algemene kwaliteitsnorm die ontleend is aan artikel 48, Wk.

Het gaat om een globale norm waaraan de houders zelf, met inachtneming van de verordening, invulling moeten geven. In deze bepaling wordt vastgelegd dat het welbevinden van de kinderen richtsnoer moet zijn het uitvoeren van het peuterspeelzaalwerk.

Het tweede lid is ontleend aan artikel 50, eerste lid, Wk. Deze bepaling geeft aan dat verantwoord peuterspeelzaalwerk mede het product is van de wijze waarop de houder het peuterspeelzaalwerk organiseert en vormgeeft.

De wijze waarop de houder het peuterspeelzaalwerk organiseert en aan welke aspecten daarbij aandacht moet worden besteed, wordt naast de eigen verantwoordelijkheid mede bepaald door de voorschriften in deze verordening.

Artikel 9. Pedagogisch beleid

Dit artikel bepaalt dat de houder van een peuterspeelzaal verplicht is een pedagogisch beleidsplan op te stellen. Het hebben van een dergelijk plan maakt controle op de inhoudelijke kwaliteit mogelijk. Daarnaast is het van belang voor de ouders, die op basis van het aanwezige pedagogische beleidsplan hum keuze voor een bepaalde peuterspeelzaal kunnen maken.

Artikel 10. Eisen ten aanzien van veiligheid en gezondheid

In dit artikel staat beschreven waaraan deugdelijk peuterspeelzaalwerk moet voldoen en waarvoor de peuterspeelzalen jaarlijks worden geïnspecteerd door de toezichthouder. Het gaat hier vooral om de domeinen veiligheid en gezondheid van de kinderen, die de peuterspeelzaal bezoeken.

Deze inspectie vervangt niet inspecties die op grond van andere wetgeving verplicht is (artikel 5 Arbeidsomstandighedenwet en artikel 7 Infectieziektewet). Ook vervangt een risico-inventarisatie niet de veiligheidsnormen waaraan de peuterspeelzalen op grond van andere wetgeving zijn gebonden, zoals de brandveiligheidseisen in het Bouwbesluit en de bouwverordening. Ook laat de risico-inventarisatie toepassing van de WCPV onverlet.

Artikel 11. Oppervlakte speelruimte

Gekozen is voor minimum bruto-oppervlaktematen (in plaats van netto-oppervlaktematen) omdat deze eenvoudiger door de toezichthouder zijn vast te stellen.

Artikel 12. Groepen en groepsgrootte

Het tweede lid bepaalt dat de maximum groepsgrootte vijftien kinderen bedraagt. Dit maximum geldt voor alle twee ambitieniveaus.

Artikel 13. Aantal beroepskrachten of begeleiders per groep

Het gekozen ambitieniveau bepaalt het aantal beroepskrachten of begeleiders dat in elke groep aanwezig moet zijn. Het kan voorkomen, dat er twee beroepskrachten bij een groep aanwezig zijn, waar één beroepskracht voldoende is. Eén van de twee vervult dan de functie van

begeleider (assistent leider/ster). Bij het reguliere peuterspeelzaalwerk is er in de regel een beroepskracht en een vrijwilliger, bij de VVE gaat het om een beroepskracht en een begeleider.

Artikel 14. Overeenkomst tussen houder en ouder

Voor houders van peuterspeelzalen en ouders is het van belang om in een overeenkomst te expliciteren wat wederzijds de rechten en verplichtingen zijn. Vandaar dat in dit artikel wordt bepaald dat het peuterspeelzaalwerk plaatsvindt op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Artikel 15. Informatieplicht aan de ouders

De houders van peuterspeelzalen zijn verplicht ouders voor dat ze een contract tekenen te informeren over een aantal essentiële onderwerpen. Deze informatie biedt ouders de mogelijkheid om zich een oordeel te vormen over de kwaliteit van een peuterspeelzaal en eventueel op basis van een onderlinge vergelijking een keuze voor een bepaalde

peuterspeelzaal te maken.

Artikel 16. Verklaring omtrent het gedrag

Dit artikel draagt de houder van een peuterspeelzaal op er voor te zorgen dat alle beroepskrachten en begeleiders die bij zijn peuterspeelzaal werkzaam zijn, op hun gedrag zijn getoetst. Dit gebeurt in de vorm van een recente verklaring omtrent het gedrag die aan de houder moet worden overlegt voordat een persoon zijn werkzaamheden aanvangt.

Omdat een verklaring omtrent het gedrag niet meer dan een momentopname is, voorziet het derde lid in de eis dat een nieuwe verklaring omtrent het gedrag aan de houder wordt overlegd, in het geval de houder of toezichthouder redelijkerwijs het vermoeden heeft, bijvoorbeeld naar aanleiding van klachten of tips, dat een persoon niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag.

HOOFDSTUK 4. HET GEMEENTELIJK TOEZICHT

Artikel 17. Aanwijzing van toezichthouders

Dit artikel geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om toezichthouders aan te wijzen.

Afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat een algemene regeling van de bevoegdheden van toezichthouders, zoals het recht op het betreden van plaatsen, op het vorderen van inlichtingen en het inzien van schriftelijke stukken.

In de regel wordt de GGD als toezichthouder aangewezen.

Artikel 18. Onderzoek door de toezichthouder

In dit artikel worden drie soorten van onderzoek door de toezichthouders onderscheiden:

-het eerste lid: het onderzoek naar aanleiding van een melding van het voornemen een peuterspeelzaal te gaan exploiteren;

  • -

    het tweede lid: het reguliere onderzoek bij bestaande peuterspeelzalen in de gemeente;

  • -

    het derde lid: het incidentele onderzoek bij een peuterspeelzaal, bijvoorbeeld naar aanleiding

van klachten of tips.

Wat betreft de termijn in het eerste lid wordt verwezen naar de opmerking bij artikel 4.

Het tweede lid bevat de opdracht aan het college om ervoor zorg te dragen dat tenminste één keer per twee jaar een controle wordt uitgevoerd.

Artikel 19. Het inspectierapport

De resultaten van een onderzoek worden door de (aangewezen) toezichthouder vastgelegd in een inspectierapport. Het inspectierapport vormt de basis voor het handhavend optreden door burgemeester en wethouders (zie artikel 20, eerste lid). Deze werkwijze is identiek aan de manier waarop handhaving op grond van de Wk gaat plaatsvinden.

Het derde lid bepaalt dat burgemeester en wethouders (en niet de door het college aangewezen toezichthouder) de houder in de gelegenheid stelt van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. Het bieden van gelegenheid om een zienswijze kenbaar te maken is op te vatten als het uitoefenen van een publiekrechtelijke bevoegdheid. Op

grond van de Awb (artikel 10:14) is delegatie van bevoegdheden aan ambtenaren niet toegestaan.

Het is wel mogelijk dat deze bevoegdheid in mandaat wordt overgedragen. In dat geval handelt de toezichthouder namens burgemeester en wethouders. De overige taken die in dit artikel worden genoemd zijn van feitelijke aard. Deze kunnen wel aan een toezichthoudend ambtenaar

worden overgedragen.

Artikel 20. Aanwijzing en bevel

Indien de houder de aanwijzing of het bevel niet opvolgt, kunnen burgemeester en wethouders overgaan tot het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een dwangsom. Het gaat

om algemene bevoegdheden van het college die zijn neergelegd in de Gemeentewet en de Awb.

Deze worden dan ook niet nader in de verordening geregeld.

Bestuursdwang houdt een waarschuwing in dat wanneer niet binnen een bepaalde termijn maatregelen worden getroffen, burgemeester en wethouders deze op kosten van de houder kunnen laten uitvoeren. Is bestuursdwang niet goed mogelijk, dan kan een dwangsom worden

opgelegd. Zijn er zoveel tekortkomingen, dan kunnen burgemeester en wethouders in de aanwijzing of bevel gelasten de exploitatie van de peuterspeelzaal te staken. Geeft de exploitant daaraan geen gehoor, dan gaat het college hiertoe over. Ook dit is een vorm van bestuursdwang.

Artikel 21. Strafbepaling

Deze bepaling spreekt voor zich.

HOOFDSTUK 5. SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN

Deze bepalingen spreken voor zich.