Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Enschede

Nadere regels voor het aanleggen van een uitweg (op grond van artikel 2:12 Algemene Plaatselijke Verordening

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieEnschede
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingNadere regels voor het aanleggen van een uitweg (op grond van artikel 2:12 Algemene Plaatselijke Verordening
CiteertitelNadere regels aanleggen van uitwegen gemeente Enschede
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpopenbare orde en veiligheid
Eigen onderwerpAanleggen uitwegen

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Algemene Plaatselijke Verordening 2009, art. 2:12.2
  2. Algemene Wet bestuursrecht
  3. Gemeentewet

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

21-09-2015Nieuwe regeling

01-09-2015

Digitaal Gemeenteblad, 18 september 2015

Onbekend.

Tekst van de regeling

Intitulé

Nadere regels voor het aanleggen van een uitweg ( o p grond van artikel 2:12 Algemene Plaatselijke Verordening

Burgemeester en Wethouders van Enschede, gelezen het van LO/WTP van 01-09-2015

 

Gelet op het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht, de Gemeentewet en artikel 2:12.2 van de Algemene Plaatselijke Verordening,

 

Besluit:

 

Vast te stellen de navolgende Nadere regels aanleggen van uitwegen gemeente Enschede

 

Artikel 1 Algemene regels

Een uitweg mag worden aangelegd als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • 1.

    De bruikbaarheid van de weg wordt voldoende gewaarborgd. Daarbij geldt dat de aanleg van een uitweg er niet toe mag leiden dat een openbare parkeerplaats wordt opgeheven of niet meer bruikbaar is, met uitzondering van de volgende situaties:

    • -

      als de parkeerbalans niet wordt aangetast door de verwijdering van een openbare parkeerplaats ten behoeve van de uitweg,

    • -

      als de parkeerbalans wordt hersteld door de aanleg van een nieuwe openbare parkeerplaats in de onmiddellijke omgeving.

  • 2.

    De uitweg moet passen binnen de functie van de weg.

  • 3.

    Per perceel mag uitsluitend één uitweg worden aangelegd. Dit geldt ook als een perceel door meerdere wegen wordt omsloten, of als het gaat om aaneengesloten gronden die bestaan uit meerdere (kadastrale) percelen.

  • 4.

    De verkeersveiligheid moet voldoende gewaarborgd zijn. Hiervan is sprake als de uitweg qua vormgeving, uitvoering en uniformiteit als zodanig door de weggebruiker te herkennen is en door de aanleg van de uitweg geen verkeersgevaarlijke situaties ontstaan.

  • 5.

    De uitweg mag niet worden gebruikt als parkeerplaats voor motorvoertuigen, caravans, campers, bestel- en vrachtwagens of hiermee te vergelijken (motor)voertuigen of objecten. Ook mag er niet geparkeerd worden in de voortuin voor de voorgevel van het pand.

  • 6.

    Om de verkeersveiligheid te kunnen waarborgen:

    • a.

      mag de uitweg niet breder en langer zijn dan redelijkerwijs noodzakelijk is;

    • b.

      mag de uitweg enkel zodanig gesitueerd zijn dat er voldoende zicht is op de weg en vice versa;

    • c.

      mag de uitweg niet in een kruisingsvlak van wegen gesitueerd zijn;

    • d.

      mag de uitweg niet gesitueerd zijn binnen de directe invloedsfeer van een kruispunt dat wordt geregeld door een verkeerslicht;

    • e.

      mag de uitweg enkel zodanig gesitueerd zijn dat ten behoeve van de aanleg ervan geen lichtmast of andere objecten in de openbare ruimte verplaatst moeten worden. Bij andere objecten moet u denken aan bijvoorbeeld abri’s, verkeersborden, etc.;

    • f.

      mag de uitweg enkel zodanig gesitueerd zijn dat voldoende rekening wordt gehouden met bomen en bebording.

  • 7.

    De uitweg mag het uiterlijk aanzien van de omgeving niet op onaanvaardbare wijze aantasten. Hier is sprake van als:

    • a.

      De uitweg het bijzondere architectonische beeld van de weg of de wijk doorkruist;

    • b.

      De uitweg markante percelen, openbaar groen en/of bomenrijen en beplanting doorkruist;

    • c.

      De uitweg op onaanvaardbare wijze inbreuk maakt op de groenvoorziening van de gemeente. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de uitweg een groenstrook doorbreekt die voor het straatbeeld van belang wordt geacht. Hetzelfde geldt voor te beschermen bomen of houtopstanden die voor de aanleg van de uitweg moeten worden gekapt.

Artikel 2 Aanleg van een uitweg

  • 1

    De uitweg wordt door of namens de gemeente aangelegd overeenkomstig met het Toetsingskader Openbare Ruimte;

  • 2

    Alle kosten voor de aanleg van de uitweg en de kosten voor het verplaatsen van obstakels en/of objecten in de openbare ruimte zijn voor rekening van degene die heeft verzocht om de aanleg van de uitweg.

Artikel 3 Intrekking van verleende uitwegvergunningen/opheffing bestaande uitweg

Het college kan besluiten tot intrekking van een verleende vergunning en/of tot opheffing van de uitweg indien:

  • 1.

    De uitweg niet binnen een halfjaar is aangelegd na verlening van een uitwegvergunning;

  • 2.

    De uitweg niet meer als zodanig functioneel in gebruik is.

Artikel 4 Wegen die niet in beheer zijn bij de gemeente

De voorgaande artikelen zijn niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement.

 

Vastgesteld door Burgemeester en Wethouders van Enschede op 01-09-2015