Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Geertruidenberg

de beleidsregels kindregeling 2017 gemeente Geertruidenberg

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieGeertruidenberg
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingde beleidsregels kindregeling 2017 gemeente Geertruidenberg
CiteertitelBeleidsregels kindregeling 2017 Gemeente Geertruidenberg
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Algemene wet bestuursrecht, titel 4.3
  2. Participatiewet, art. 35

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

20-10-2017Nieuwe regeling

26-09-2017

Gemeenteblad 2017, 180751

Onbekend

Tekst van de regeling

Intitulé

de beleidsregels kindregeling 2017 gemeente Geertruidenberg

Het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Geertruidenberg;

 

gelezen het daartoe strekkende voorstel behandeld in zijn vergadering van 26 september 2017;

 

gelet op het bepaalde in titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht, en

en artikel 35 van de Participatiewet;

 

gezien:

  • de extra middelen die het Rijk voor armoedebestrijding onder kinderen beschikbaar heeft gesteld,

  • de dringende wens van het Rijk deze middelen gericht en specifiek in te zetten voor kinderen onder 18 jaar,

  • het, in de gemeenteraad van Geertruidenberg op 10 november 2016 aangenomen amendement inzake armoedebeleid;

  

overwegende dat het noodzakelijk is om beleidsregels vast te stellen voor de kindregeling die in de gemeente Geertruidenberg wordt verstrekt;

  

besluit

 

vast te stellen: “de beleidsregels kindregeling 2017 gemeente Geertruidenberg”.

Hoofdstuk 1 ALGEMEEN

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • 1.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het Burgerlijk Wetboek (BW).

  • 2.

    Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

    • a.

      college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geertruidenberg;

    • b.

      wet: de Participatiewet;

    • c.

      kind: ieder mens jonger dan achttien jaar, tenzij volgens het op het kind van toepassing zijnde recht de meerderjarigheid eerder wordt bereikt.

    • d.

      toepasselijke bijstandsnorm: de op grond van paragraaf 3.2 van de Participatiewet van toepassing zijnde norm (inclusief de kostendelersnorm), verminderd met de op grond van paragraaf 3.3 van de Participatiewet vastgestelde verlaging;

    • e.

      draagkracht: het gedeelte van het inkomen of vermogen dat aangewend dient te worden voor financiering van de bijzondere kosten;

    • f.

      draagkrachtperiode: de periode waarover de draagkracht van een belanghebbende wordt vastgesteld;

    • g.

      inkomen: het inkomen volgens artikel 32 van de Participatiewet; de middelen als bedoeld in artikel 31 lid 2 en artikel 33 lid 5 van de Participatiewet worden niet tot het inkomen van belanghebbende gerekend;

    • h.

      vermogen: het in aanmerking te nemen vermogen volgens artikel 34 van de Participatiewet;

    • i.

      voorliggende voorziening: elke voorziening buiten de Participatiewet, zoals bedoeld in artikel 15 van de wet, waarop de persoon of gezin aanspraak kan maken dan wel een beroep kan doen ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven;

    • j.

      leverancier: de organisatie of detailhandel waar de kosten worden gemaakt.

Artikel 2. Doelgroep

Alle inwoners tot en met 17 jaar van de gemeente Geertruidenberg, waarvan de ouder(s) beschik(ken)t over een inkomen op of net boven de toepasselijke norm en geen of weinig eigen vermogen, kunnen een beroep doen op de kindregeling.

Artikel 3. Recht op bijzondere bijstand

  • 1.

    Ongeacht artikel 13 lid 1 sub f van de Participatiewet, heeft het kind recht op de kindregeling voor zover de ouder(s) niet beschik(ken)t over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode en de hoogte waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.

  • 2.

    Daarnaast geldt dat geen recht op de kindregeling bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening (artikel 15 Participatiewet).

  • 3.

    Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de betrokken persoon.

Artikel 4. De aanvraag

  • 1.

    Op grond van artikel 233 en 245 BW 1 dient de aanvraag ingediend te worden door de ouder(s);

  • 2.

    De mogelijkheid om een aanvraag kindregeling in te dienen geldt tot een jaar nadat de kosten zijn gemaakt.

Artikel 5. Hoogte van de kindregeling

  • 1.

    De maximale hoogte van de uitkering per jaar voor de maatschappelijke participatie zoals omschreven in artikel 9 van deze beleidsregels bedraagt:

     

    leeftijd

    hoogte uitkering

    0 t/m 5

    € 300

    6 t/m 11

    € 400

    12 t/m 17

    € 500

  • 2.

    In artikel 10 worden een aantal additionele kosten omschreven.

Artikel 6. Draagkracht

  • 1.

    Voor personen met een uitkering krachtens de Participatiewet geldt dat er geen sprake is van draagkracht uit inkomen of vermogen, tenzij uit (her-)onderzoeken is gebleken dat het vermogen wel meegenomen moet worden en/of het vermogen door sparen tijdens de bijstandsperiode is toegenomen tot boven de toepasselijke vermogensgrens.

  • 2.

    Voor personen met een IOAW- of IOAZ –uitkering geldt dat de draagkracht uit vermogen wel beoordeeld moet worden.

  • 3.

    De ingangsdatum draagkrachtperiode wordt vastgesteld op de dag dat de kosten worden gemaakt.

  • 4.

    De draagkrachtperiode geldt voor de duur van twaalf maanden, gerekend vanaf de dag dat de kosten worden gemaakt.

     

    Draagkracht uit inkomen

  • 5.

    De draagkracht uit inkomen wordt als volgt berekend:

    • a.

      het inkomen wordt niet als draagkracht in aanmerking genomen voor zover dat minder bedraagt dan 120 % van de geldende bijstandsnorm;

    • b.

      van het inkomen, voor zover dat 120% van de geldende bijstandsnorm of méér, maar minder dan 150 % bedraagt, wordt 35 % als draagkracht in aanmerking genomen;

    • c.

      van het inkomen, voor zover dat 150% van de geldende bijstandsnorm of méér bedraagt, wordt 50 % als draagkracht in aanmerking genomen;

    • d.

      de vastgestelde draagkracht wordt altijd ineens verrekend.

  • 6.

    Indien de ouder(s) is (zijn) toegelaten tot een MSNP (minnelijk schuldhulpverleningstraject via de Kredietbank Nederland) of een WSNP (wettelijk traject via de rechtbank) en het besteedbaar inkomen aantoonbaar minder bedraagt dan 120 % van de toepasselijk bijstandsnorm, wordt dit ook niet als draagkracht in aanmerking genomen.

  • 7.

    Indien de ouder(s) niet is (zijn) toegelaten tot een MSNP of WSNP, naar beoordeling van het meldpunt schuldhulpverlening is dat de ouder(s) niet te verwijten én het besteedbaar inkomen is lager dan 120 % van de toepasselijk bijstandsnorm, dan wordt dit ook niet als draagkracht in aanmerking genomen.

     

    Draagkracht uit vermogen

  • 8.

    Van het vermogen, voor zover dit méér bedraagt dan de geldende vermogensgrens bedoeld in artikel 34 lid 3 Participatiewet, wordt 100 % in aanmerking genomen. Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel 50, eerste lid van de Participatiewet.

Artikel 7. Beschikking/uitbetaling

  • 1.

    In de beschikking dient tot uitdrukking te komen wat de hoogte van de kindregeling is die wordt toegekend.

  • 2.

    Tevens dient in de beschikking tot uitdrukking te komen voor welke kosten de kindregeling wordt verstrekt.

  • 3.

    De kosten worden vergoed voor een periode van 12 maanden, gerekend vanaf de datum van de aanvraag.

  • 4.

    Er wordt zo veel mogelijk gebruik gemaakt van pro forma nota’s en rechtstreekse betaling aan de leverancier.

  • 5.

    Indien de bijstand niet (volledig) aan het beoogde doel wordt besteed, kan deze worden teruggevorderd.

  • 6.

    De bijdragen zoals vermeld in artikel 5 lid 1 (en betrekking hebbende op de kosten genoemd in artikel 9) worden in 2 gelijke delen uitbetaald, de eerste 50 % z.s.m. na datum toekenning, de overige 50 % nadat de besteding van het eerste deel door betrokkene is verantwoord middels het overleggen van (pro forma) nota’s of kwitanties.

  • 7.

    In de (pro forma) nota of kwitantie dient opgenomen te zijn de hoogte van de kosten, het doel van de kosten, de datum en naam/adres/rekeningnummer van de leverancier.

  • 8.

    Uiterlijk 3 maanden na afloop van de in sub 3 genoemde periode van 12 maanden kan steekproefsgewijs controle plaatsvinden op de besteding van de gehele aan betrokkene toegekende bijstand zoals vermeld in sub 6; de steekproef bestaat uit maximaal 10 % van het totaal aantal in die periode ingediende aanvragen.

  • 9.

    De vergoedingen, zoals vermeld in artikel 10 van deze beleidsregels worden pas uitbetaald,  nadat de daarop betrekking hebbende (pro forma) nota’s of kwitanties (conform omschrijving sub 7) zijn overlegd.

  • 10.

    Sub 3 t/m 9 dienen in de beschikking te worden opgenomen, evenals de verplichting nota’s gedurende deze periode van 12 maanden te bewaren in verband met een mogelijke controle inzake sub 6. en 8. achteraf.

Artikel 8. Vorm van de bijzondere bijstand

De kindregeling wordt om niet verstrekt.

Hoofdstuk 2 BEPALINGEN TEN AANZIEN VAN SPECIFIEKE KOSTEN

Artikel 9. Maatschappelijke participatie

Onder de kosten voor maatschappelijke participatie van kinderen wordt verstaan:

  • a.

    lidmaatschap van een jeugd-, sport- of ontspanningsvereniging;

  • b.

    deelname aan muziek- en/of dansonderwijs;

  • c.

    bezoek aan zwembad (voor zwemlessen of diplomazwemmen zie artikel 10 van deze beleidsregels), bibliotheek, theater, concert en/of museum;

  • d.

    bezoek van of deelname aan sociale of culturele bijeenkomsten en evenementen;

  • e.

    reiskosten in verband met deelname aan activiteiten  genoemd in lid a t/m d van dit artikel op basis van 2e klasse openbaar vervoer; De kilometervergoeding bij het gebruik van de auto bedraagt € 0,19.

  • f.

    bezoek van attractiepark, dierentuin, bioscoop en/of vergelijkbare voorziening;

  • g.

    de deelname aan een werkweek of schoolkamp dat georganiseerd wordt door de school waar het kind onderwijs volgt.

  • h.

    indirecte onderwijskosten, zoals huur schoolkluisje, schoolreisjes, excursies en/of vakantiekampen, sportactiviteiten of bijlessen.

Artikel 10. Additionele kosten

Onder additionele kosten wordt verstaan:

  • a.

    Sportkleding bij deelname sportvereniging en voor zover niet aangeboden door vereniging (max. € 200 per 2 jaar);

  • b.

    Danskleding bij deelname dansonderwijs en voor zover niet aangeboden door dansschool (max. € 200 per 2 jaar);

  • c.

    Muziekinstrument bij deelname muziekles voor dat betreffende instrument en voor zover niet aangeboden door muziekschool (max. 300 eenmalig);

  • d.

    Zwemlessen + diploma’s A en B (max. kostprijs);

  • e.

    Fiets (max. € 300 per 3 jaar)

  • e.

    Schoolspullen ( max. € 50 per jaar);

  • f.

    Laptop (max. één per huishouden, eenmalig € 450);

 

0 t/m 5

6 t/m 11

12 t/m 17

kleding

€ 100

 € 250

€ 250

schoenen

€ 35

 € 75

€ 75

  • i.

    Verjaardagsbox van St. Jarige job (max. € 35 per jaar).

Hoofdstuk 3 SLOTBEPALINGEN

Artikel 11. Overgangsrecht

Bijzondere bijstand die is aangevraagd vóór de inwerkingtreding van deze beleidsregels wordt beoordeeld op grond van de voorgaande regelingen voor mensen met een laag inkomen. Overlap van verschillende regelingen is niet mogelijk.

Artikel 12. Gevallen waarin de beleidsregels niet voorzien

Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien toepassing van de beleidsregels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. In gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien, beslist het college.

Artikel 13. Terugvordering

Indien de bijstand niet (volledig) aan het beoogde doel wordt besteed, kan deze (gedeeltelijk) worden teruggevorderd.

Artikel 14. Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking de dag na publicatie.

Artikel 15. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als “ Beleidsregels kindregeling 2017 Gemeente Geertruidenberg”.

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van gemeente Geertruidenberg van 26 september 2017,

R.C.J. Nagtzaam drs. W. van Hees

Secretaris Burgemeester

ALGEMENE TOELICHTING

In Nederland groeit een aanzienlijk deel van de kinderen op in armoede. Landelijk gaat het om 11,9% van de kinderen van 0 tot en met 17 jaar. Daarbij kunnen ouders hun kinderen niet altijd voldoende voorzien in basisbehoeften als kleding en voedsel. Ook is voor deze kinderen een volwaardige participatie in de maatschappij en op school niet vanzelfsprekend. Bovendien kan het niet deelnemen aan bijvoorbeeld schoolreisjes, sportactiviteiten of cultuur een negatieve invloed hebben op de ontwikkeling van deze kinderen en verkleint het hun kansen om later op een goede manier te participeren in de samenleving. In dit licht heeft de Kinderombudsman in 2013 een onderzoek gepubliceerd over kinderen in armoede. In dit rapport, genaamd ‘Kinderen in armoede in Nederland’, heeft de Kinderombudsman een aantal aanbevelingen gedaan. Eén daarvan luidt dat het wenselijk is dat gemeenten meer aandacht besteden aan kinderen die opgroeien in armoede.

In een reactie op het rapport van de Kinderombudsman heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gemeenten gevraagd om bij de intensivering van het armoede- en schuldenbeleid ook specifiek aandacht te besteden aan armoedebestrijding onder kinderen. Gemeenten kunnen dit bijvoorbeeld doen door een Kindpakket te ontwikkelen of een bundeling van kindvoorzieningen in natura met een soortgelijke strekking.

 

Op 20 september 2016 schrijft de staatssecretaris een brief aan de Tweede Kamer. De eerste alinea daarvan luidt:

Kansen voor álle kinderen

Kinderen die opgroeien in een gezin met weinig geld, staan vaak aan de zijlijn. Zij zitten minder vaak op sport of muziekles dan hun leeftijdsgenoten uit rijkere gezinnen, mijden verjaardagsfeestjes omdat ze geen cadeautje kunnen meenemen, kunnen niet mee op schoolreisje of beschikken niet over een

winterjas of een fiets. Het niet kunnen meedoen zorgt vaak voor een gevoel van uitsluiting en onzekerheid. Schaamte en stigmatisering kunnen van invloed zijn op de persoonlijke en psychische ontwikkeling van een kind en vergroten de kans op achterstand en ongelijkheid. Het kan ook leiden tot

onwenselijke economische en maatschappelijke gevolgen wanneer het talent van deze kinderen in de toekomst onvoldoende benut kan worden. Daarom stelt het kabinet, bovenop alle maatregelen van de afgelopen jaren, structureel 100 miljoen euro extra beschikbaar voor kinderen in armoede. Want alle kinderen in Nederland moeten mee kunnen doen. Sport, muziek en schoolreisjes, ze horen bij de basis voor ieder kind.”

 

De gemeente Geertruidenberg heeft al langere tijd een aantal verschillende regelingen die gericht zijn op (maatschappelijke participatie van) kinderen. In de 1e gewijzigde beleidsregels Bijzondere Bijstand Gemeente Geertruidenberg 2017 zijn deze 3 regelingen opgenomen in de artikelen 40. Overstapregeling, 41. Regeling bevordering maatschappelijke participatie van schoolgaande Kinderen en 42. Tegemoetkomingsregeling (lid 2: niet-schoolgaande kinderen (tot 4 jaar) die tot het gezin behoren, hebben recht op maximaal € 200,00 per periode van 12 maanden). Met de aankondiging van de extra middelen van het Ministerie voor armoedebestrijding onder kinderen, waarvan structureel € 81.300 per jaar beschikbaar zou komen voor Geertruidenberg, was

het college voornemens het bestaande beleid uit te breiden en wellicht zelfs een kindpakket in het leven te roepen. Het college werd hierin verder aangemoedigd door een amendement van de gemeenteraad d.d. 10 november 2016 (“Dat het college uiterlijk in de eerste helft van 2017 komt met

een passend voorstel inzake het voeren van een humaan armoedebeleid en daarmee adequate invulling geeft aan dit beleid, waardoor vangnetten als Stichting Leergeld tot een minimum beperkt moeten kunnen worden. In dit voorstel dient opgenomen te worden dat dit periodiek wordt herijkt in

relatie tot de vangnetten zoals die er op dat moment zijn”).

 

In bijgaande beleidsregels zijn alle bestaande regelingen in Geertruidenberg die gericht zijn op (maatschappelijke participatie van) kinderen samengevoegd. Bovendien zijn er een aantal kostensoorten uitgebreid, c.q. toegevoegd.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN

 

Artikel 1. Begripsomschrijving

 

Begrippen die in de Participatiewet voorkomen hebben in deze beleidsregels dezelfde betekenis als in de Participatiewet. Ten aanzien van een aantal begrippen die als zodanig niet in de Participatiewet zelf staan is een definitie gegeven in deze beleidsregels. Er is voor gekozen om de begrippen die zijn omschreven in Awb en BW 1 niet afzonderlijk te definiëren in deze beleidsregels. De begrippen die niet in genoemde wetten staan beschreven worden in het tweede lid verduidelijkt.

 

Artikel 2. Doelgroep

 

Dit artikel behoeft geen toelichting.

 

Artikel 3. Recht op bijzondere bijstand

 

Dit artikel behoeft geen toelichting.

 

Artikel 4. De aanvraag

 

Omdat deze regeling gericht is op kinderen in de leeftijd van 0 t/m 17 jaar, gaat het dus om minderjarige personen, die zelfstandig géén aanvraag voor deze regeling kunnen doen. Het zijn daarom dan ook de ouder(s) die namens de kinderen de aanvraag moeten indienen. Hiervoor is artikel 245 uit Burgerlijk Wetboek 1 van toepassing:

 

1 Minderjarigen staan onder gezag.

2 Onder gezag wordt verstaan ouderlijk gezag dan wel voogdij.

3 Ouderlijk gezag wordt door de ouders gezamenlijk of door één ouder uitgeoefend. Voogdij wordt door een ander dan een ouder uitgeoefend.

4 Het gezag heeft betrekking op de persoon van de minderjarige, het bewind over zijn vermogen en zijn vertegenwoordiging in burgerlijke handelingen, zowel in als buiten rechte.

5 Het gezag van de ouder die dit krachtens artikel 253sa of krachtens een rechterlijke beslissing overeenkomstig artikel 253t samen met een ander dan een ouder uitoefent, wordt aangemerkt als ouderlijk gezag dat door ouders gezamenlijk wordt uitgeoefend, tenzij uit een wettelijke bepaling het tegendeel voortvloeit.

 

Artikel 5. Hoogte van de kindregeling

 

Er is voor gekozen om jaarlijkse maximale bijdrage aan te passen aan de leeftijdscategorie, waarbij de kosten in het algemeen het hoogst zullen zijn in de leeftijdscategorie tussen 12 en 18 jaar.

 

Artikel 6. Draagkracht

 

In principe wordt aangesloten bij de draagkrachtbepalingen zoals vastgelegd in artikel 6 van de 2e gewijzigde beleidsregels bijzonder bijstand 2017.

De kindregeling, waar we het hier over hebben, is echter met name bedoeld om specifiek kinderen te bereiken die in armoede leven. Daarbij is de reden voor de reële inkomenspositie van de ouder(s) minder relevant. Kinderen kunnen natuurlijk niet verantwoordelijk gehouden worden voor het feit dat het inkomen van hun ouder(s) onder het minimum uit komt.

In het kader van deze regeling wordt dan ook meer gekeken naar de het besteedbare inkomen van de ouder(s). Daar waar dit onder het niveau van 120 % van de toepasselijke norm uitkomt, kan er vanuit gegaan worden dat de kinderen in een armoede situatie terecht zijn gekomen.

In deze beleidsregels is er voor gekozen om in gevallen, waarbij ouder(s) door schulden een besteedbaar inkomen onder 120 % de toepasselijke norm ontvangen, het inkomen gelijk te stellen aan die 120 % van toepasselijke norm. Hierdoor komen hun kinderen ook automatisch in aanmerking voor de kindregeling. Wel dient er ook op zijn minst sprake te zijn van een inspanning om de schuldpositie op te lossen om ook daadwerkelijk voor de regeling in aanmerking te kunnen komen (leden 6 en 7 van dit artikel).

 

Aanvullend biedt deze opzet ook een kans om mensen met schulden te bereiken. Zij kunnen gemotiveerd worden om mee te werken aan een vorm van schuldhulpverlening, met als doel de financiële problemen structureel op te lossen.

 

Artikel 7. Beschikking/uitbetaling

 

Ook in dit artikel wordt zo veel mogelijk aangesloten bij de bepalingen zoals vastgelegd in de  2e gewijzigde beleidsregels bijzonder bijstand 2017.

Om toch een grotere garantie te crëeren, dat de betalingen ook daadwerkelijk ten goede komen van de betreffende kinderen zijn specifiek de leden 4, 5, 7 en 9 opgenomen.

 

Artikel 8. Vorm van de bijzondere bijstand

 

 

HOOFDSTUK 2 BEPALINGEN TEN AANZIEN VAN SPECIFIEKE KOSTEN

 

Artikel 9. Maatschappelijke participatie

 

Dit artikel behoeft geen toelichting.

 

Artikel 10. Additionele kosten

 

Dit artikel behoeft geen toelichting.

 

 

HOORDSTUK 3 SLOTBEPALINGEN

 

Artikel 11. Overgangsrecht

 

Dit artikel behoeft geen toelichting.

 

Artikel 12. Gevallen waarin de beleidsregels niet voorzien

 

Dit artikel behoeft geen toelichting.

 

Artikel 13. Terugvordering

 

Dit artikel behoeft geen toelichting.

 

Artikel 14. Inwerkingtreding

 

Dit artikel behoeft geen toelichting.

 

Artikel 15. Citeertitel

 

Dit artikel behoeft geen toelichting.