Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Gouda

Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Gouda 2009

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieGouda
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingProcedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Gouda 2009
CiteertitelProcedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Gouda 2009
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpruimtelijke ordening, verkeer en vervoer
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Wet ruimtelijke ordening, art. 6.7
  2. Besluit ruimtelijke ordening, art. 6.1.3.3
  3. Algemene wet bestuursrecht

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

26-02-2009Nieuwe regeling

28-01-2009

Goudse Post, 25-02-2009

7.2.4

Tekst van de regeling

Intitulé

Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Gouda 2009

gelezen het voorstel van de burgemeester en wethouders van 2 december 2008, nr. 90;

 

gelet op artikel 6.7 Wet ruimtelijke ordening, artikel 6.1.3.3 Besluit ruimtelijke ordening en de Alemene wet bestuursrecht;

de Raad van de gemeente Gouda  

besluit:  

vast te stellen de Procedureverordening voor advisering en tegemoetkoming in planschade gemeente Gouda 2009.

artikel 1 begripsbepalingen  

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    aanvrager: degene die een aanvraag om tegemoetkoming in de schade als bedoeld in artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening indient;

  • b.

    adviseur: de door het college van brugemeester en wethouders aan te wijzen persoon als bedoeld in artikel 6.1.1.1, onder c, Besluit ruimtelijke ordening;

  • c.

    adviescommissie: schadebeoordelingscommissie als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van deze verordening;

  • d.

    Awb: Alemene wet bestuursrecht;

  • e.

    bestuursorgaan: burgemeester en wethouders of, indien toepassing is gegeven aan artikel 6.6, eerste lid van de wet, gedeputeerde staten, of, indien toepassing is gegeven aan artikel 6.6, tweede lid van de wet, Onze Minister dan wel Onze aangewezen Minister;

  • f.

    besluit: Besluit ruimtelijke ordening;

  • g.

    college: het college van burgemeester en wethouders van Gouda;

  • h.

    gemeente: gemeente Gouda;

  • i.

    planologische maatregel: oorzaak als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, Wet ruimtelijke ordening;

  • j.

    planschade: schade als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, Wet ruimtelijke ordening;

  • k.

    raad: de gemeenteraad van Gouda;

  • l.

    wet: Wet ruimtelijke ordening.

artikel 2 indiening van de aanvraag en de mededeling van ontvangst  

  • 1.

    Een aanvraag om tegemoetkoming in schade als bedoeld in artikel 6.1 Wro wordt bij het collegeingediend met gebruikmaking van een door het college vastgesteld formulier.

  • 2.

    Het college tekent de datum van ontvangst onverwijld aan op het formulier en zendt de aanvrageronverwijld een bewijs van ontvangst, waarin die datum is vermeld.

artikel 3 opdrachtverstrekking  

Binnen twaalf weken na het verstrijken van de termijnen als bedoeld in artikel 6.1.3.1 van het besluit verstrekt het college aan één of meerdere adviseurs gezamenlijk, opdracht om ter zake van eenaanvraag advies uit te brengen, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel 6.1.3.1 van het besluit ofaan artikel 4:5 van de Awb.

artikel 4 adviseur of adviescommissie  

  • 1.

    Voor de advisering over de op de aanvraag te nemen beschikking wordt door het college eenadviseur aangewezen die beschikt over voldoende deskundigheid inzake advisering op hetgebied van planschade.

  • 2.

    Indien het college, na advies te hebben ingewonnen van de in het eerste lid bedoelde adviseur,van oordeel is dat de aanvraag betrekking heeft op planschade vanwege inkomensderving en er, gezien de complexiteit, aard en omvang van de aanvraag, behoefte bestaat aan extradeskundigheid wordt door het college een tweede adviseur aangewezen die deskundig is op hetgebied van accountancy of van financieel economische bedrijfsvoering.

  • 3.

    Indien het college, na advies te hebben ingewonnen van de in het eerste lid bedoelde adviseur,van oordeel is dat de aanvraag betrekking heeft op planschade vanwege waardeverminderingvan een onroerende zaak en er, gezien de complexiteit, aard en omvang van de aanvraag,behoefte bestaat aan extra deskundigheid wordt door het college een tweede adviseuraangewezen die deskundig is ter zake van de waardering van onroerende zaken en vanwaardevermindering daarvan als gevolg van een planologische verslechtering.

  • 4.

    Indien naar het oordeel van het college het tweede en het derde lid van toepassing zijn, wordenzowel de in het tweede als het derde lid bedoelde adviseurs aangewezen.

  • 5.

    Bij aanwijzing van meerdere adviseurs vormen deze een adviescommissie, waarvan de in heteerste lid bedoelde adviseur voorzitter is.

  • 6.

    De adviescommissie wijst uit haar midden een rapporteur aan.

  •  

artikel 5 deskundigheid en onafhankelijkheid  

  • 1.

    Voordat een persoon als adviseur wordt aangewezen, kan het college verlangen dat dezeaantoont op grond van opleiding en ervaring deskundig te zijn met betrekking tot de in artikel 4,eerste, tweede of derde lid, bedoelde aspecten waarop deze persoon de aanvraag moetbeoordelen.

  • 2.

    Een adviseur mag niet werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van de raad. Eveneens mageen adviseur niet betrokken zijn bij de planologische maatregel waarop de aanvraag betrekkingheeft.

artikel 6 betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij aanwijzing adviseur of adviescommissie
  • 1.

    Voordat het college de opdracht tot advisering zoals bedoeld in artikel 2 verstrekt, stelt hetcollege de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede debelanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet schriftelijk op de hoogte van de aanwijzing van:

    • a.

      een adviseur als bedoeld in artikel 4, eerste lid, of

    • b.

      meerdere adviseurs als bedoeld in artikel 4, vijfde lid.

  • 2.

    De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden alsbedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet kunnen binnen twee weken na demededeling als bedoeld in het eerste lid schriftelijk en voldoende gemotiveerd een verzoek totwraking van één of meerdere adviseurs bij het college indienen.

  • 3.

    Het college beslist binnen twee weken na het verstrijken van de in het tweede lid bedoeldetermijn over een ingediend verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs.

artikel 7 werkwijze adviseur of adviescommissie
  • 1.

    Het college stelt aan de adviseur of de adviescommissie alle op de aanvraag betrekkinghebbende informatie, alsmede de voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van de adviseurof van de adviescommissie noodzakelijke bescheiden ter beschikking.

  • 2.

    Eén of meer personen die ingevolge hun functie belast zijn met de uitvoering van dezeverordening zal de adviseur of de adviescommissie bij de uitvoering van de adviesopdrachtbijstaan.

  • 3.

    De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie organiseert één of meerdere hoorzittingen,waar de aanvrager en de in het tweede lid bedoelde ambtelijke vertegenwoordiger(s) in de gelegenheid worden gesteld de aanvraag toe te lichten, onderscheidenlijk de voor de advisering over de aanvraag relevante informatie te verschaffen, dan wel een standpunt van de gemeente over de aanvraag aan de adviseur of de adviescommissie kenbaar te maken. Eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet worden eveneens in de gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar temaken.

  • 4.

    De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie bepaalt het tijdstip waarop de adviseur of de adviescommissie de situatie ter plaatse zal bezichtigen en nodigt de aanvrager voor de plaatsopneming uit.

  • 5.

    Ten behoeve van een taxatie van een bij de aanvraag betrokken onroerende zaak, wordt door de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie met de aanvrager een afspraak gemaakt.

  • 6.

    Van de in het derde lid bedoelde hoorzitting en van de in het vierde lid bedoelde bezichtiging wordt door, dan wel onder verantwoordelijkheid van, de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie een verslag gemaakt, dat onderdeel vormt van het uit te brengen advies.

  • 7.

    De adviseur of de adviescommissie betrekt de in artikel 6.1.3.4 besluit genoemde punten in de advisering.

  • 8.

    De adviseur of de adviescommissie kan voor de advisering met inachtneming van het bepaalde in artikel 6.1.3.5 van het besluit inlichtingen en adviezen inwinnen bij derden.

  • 9.

    Alvorens een advies uit te brengen zendt de adviseur of de adviescommissie binnen zestien weken na de dagtekening van de opdracht tot advisering een concept daarvan aan de gemeente, aan de aanvrager, aan eventuele andere betrokken bestuursorganen en aan de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie kan deze termijn onder opgaaf van redenen met een daarbij aan te geven termijn met ten hoogste vier weken verlengen.

  • 10.

    De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen alsmede de belanghebbenden alsbedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet worden in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na de toezending van het concept advies schriftelijk hierop te reageren.

  • 11.

    In het geval tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissie binnen vier weken na het verstrijken van de in het achtste lid bedoelde termijn een advies uit aan het college,waarbij de betreffende reacties zijn betrokken.

  • 12.

    In het geval geen of niet tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissie binnen twee weken na het verstrijken van de in het achtste lid bedoelde termijn een advies uitaan het college.

  • 13.

    De adviseur of adviescommissie zendt een afschrift van het definitieve advies aan de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen en aan de belanghebbenden als bedoeld in artikel6.4a, tweede en derde lid, van de wet.

artikel 8 beschikking van het college  

  • 1.

    Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van het advies op het verzoek en maakt ditbesluit binnen deze termijn bekend aan de aanvrager.

  • 2.

    Het college kan de in het eerste lid bedoelde beslissing, onder opgaaf van redenen, eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.

artikel 9 uitbetaling  

Indien het college een vergoeding van planschade vaststelt, vindt uitbetaling plaats op een dooraanvrager aangegeven rekening zo spoedig mogelijk na het onherroepelijk worden van dezebeschikking.

artikel 10 slotbepalingen  

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als “Procedureverordening voor advisering tegemoetkomingin planschade gemeente Gouda 2009”.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 28 januari 2009.

De raad der gemeente voornoemd,

, voorzitter

, griffier

toelichting op de procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Gouda 2009  

algemeen

Krachtens artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kan degene die in de vorm van inkomensderving of vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden alsgevolg van een planologische maatregel, op aanvraag een tegemoetkoming in planschade worden toegekend, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijvenen voor zover de tegemoetkoming in planschade niet voldoende anderszins verzekerd is.

 

Afdeling 6.1 (Tegemoetkoming in schade) van de Wro bevat bepalingen over het tijdstip waarbinnen aanvragen moeten worden ingediend (artikel 6.1, vierde en vijfde lid, Wro), is uitgewerkt welke schadein ieder geval voor rekening van de aanvrager dient te blijven (artikel 6.2 Wro) en wordt ingegaan opzaken die het bestuursorgaan bij het nemen van een beslissing op het aanvragen om een tegemoetkoming in planschade dient te betrekken (artikel 6.3 Wro).

 

Artikel 6.1, derde lid, Wro stelt eisen aan de aanvraag om een tegemoetkoming, die op grond vanartikel 6.7 Wro in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn uitgewerkt. De regels in het Bro leiden tot een uniformering en standaardisering van regels omtrent de inrichting en behandeling en de wijze van beoordeling van een aanvraag om tegemoetkoming in schade. Onder de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro 1985) bestond de noodzaak dat iedere gemeente een regeling voor de behandeling van de verzoeken om planschade moest opstellen. De regeling met betrekking tot de behandeling van de aanvragen is nu terug te vinden in het Bro.

 

In het Bro zijn in afdeling 6.1 (Tegemoetkoming in schade) de vereisten voor het indienen van een aanvraag, alsmede een aantal procedurevoorschriften en de regels voor het aanwijzen van een adviseur opgenomen. Artikel 6.1.3.2 Bro verplicht het college een adviseur aan te wijzen die advies uitbrengt over de op de aanvraag te nemen beslissing. In artikel 6.1.3.3, eerste lid, Bro wordt voorgeschreven dat de gemeente een verordening (= raadsbevoegdheid) moet vaststellen over de wijze waarop een adviseur wordt aangewezen en de wijze waarop deze tot een advies komt. In artikel 6.1.3.3, tweede lid, Bro wordt bepaald dat de verordening in ieder geval betrekking moet hebben op:

  • a.

    de deskundigheid en de onafhankelijkheid van de adviseur;

  • b.

    de gevallen waarin een adviescommissie wordt ingeschakeld;

  • c.

    het tijdstip waarop de adviseur wordt ingeschakeld;

  • d.

    de wijze waarop de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen en debelanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro vooraf in deaanwijzing van de adviseur worden gekend, dan wel na deze aanwijzing kunnen wraken;

  • e.

    de wijze waarop de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen en debelanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro onderverslaglegging worden gehoord en bij de opstelling van het advies worden betrokken, en de hierbijgeldende termijnen.

 

De Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Gouda 2009 in verhouding tot de gemeentelijke Procedureregeling planschadevergoeding 2005

 

Met de inwerkingtreding van de verordening voor advisering tegemoetkoming in planschade kan deoude planschaderegeling nog niet in zijn geheel worden ingetrokken. De Goudse procedureregelingplanschadevergoeding 2005 is nog van toepassing op de volgende situaties:

- op een aanvraag ingediend vóór 1 september 2005 in het geval dat de planologische maatregel onherroepelijk is geworden vóór 1 september 2005 is de WRO van vóór 1 september 2005 van toepassing;

- op een aanvraag ingediend op of na 1 september 2005 maar vóór 1 juli 2008 in het geval de planologische maatregel onherroepelijk is geworden vóór 1 september 2005 is de WRO nog van toepassing (maar is geen verjaringstermijn van toepassing);

- op een aanvraag ingediend op of na 1 september 2005 maar vóór 1 juli 2008 in het geval de planologische maatregel onherroepelijk is geworden op of na 1 september 2005 en vóór 1 juli2008 van kracht is geworden, is de WRO van toepassing (met inbegrip van de verjaringstermijn);

- op een aanvraag ingediend op of na 1 juli 2008 maar vóór 1 september 2010 in het geval de planologische maatregel onherroepelijk is geworden vóór 1 september 2005 is de WRO nog van toepassing (maar is er geen verjaringstermijn van toepassing).

 

De Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Gouda 2009 isvan toepassing in de volgende situaties:

- op een aanvraag ingediend op of na 1 juli 2008 maar vóór 1 september 2010 in het geval de planologische maatregel onherroepelijk is geworden op of na 1 september 2005 maar vóór 1 juli2008 van kracht is geworden, is de Wro van toepassing (met inbegrip van de verjaringstermijn, maar er is geen sprake van het forfait normaal maatschappelijk risico);

- op een aanvraag ingediend op of na 1 juli 2008 maar vóór 1 september 2010 in het geval de planologische maatregel van kracht is geworden op of na 1 juli 2008, is de Wro onverkort van toepassing;

- op een aanvraag ingediend op of na 1 september 2010 geldt de Wro in alle gevallen.

 

Schematisch (overgangs)recht vergoeding planschade:

 

Datum aanvraag

Plan/besluit onherroepelijk vóór 1/9/2005

Plan/besluit onherroepelijk na 1/9/2005 en vóór 1/7/2008 van kracht

Plan/besluit van kracht na 1/7/2008

Vóór 1/9/2005

WRO van vóór 1 september 2005 van toepassing

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Tussen 1/9/2005 en vóór 1/7/2008

WRO nog toepasselijk maar geen verjaringstermijn van toepassing

WRO nog toepasselijk met inbegrip van verjaringstermijn van 5 jaar

Niet van toepassing

Tussen 1/7/2008 en vóór 1/9/2010

WRO nog toepasselijk maar geen verjaringstermijn van toepassing

WRO toepasselijk met inbegrip van verjaringstermijn, maar geen forfait normaal maatschappelijk risico

Wro onverkort van toepassing

op of na 1/9/2010

Wro onverkort van toepassing

Wro Onverkort van toepassing

Wro onverkort van toepassing

 

artikelgewijze toelichting

 

artikel 1 begripsbepalingen

 

Bij de definiëring van de begrippen is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de Wro en het Bro en voor zover dit noodzakelijk werd geacht is een aanvulling gegeven. Voor een juiste interpretatie van de verordening is naast raadpleging van artikel 1 ook kennisneming van de algemene bepalingen in artikel 6.1.1.1 Bro van belang. Ten behoeve van de duidelijkheid van de begrippen adviseur en adviescommissie is in deze verordening een van het Bro afwijkende omschrijving van het begrip adviseur opgenomen. Het begrip gemeente is afzonderlijk gedefinieerd om te verduidelijken dat indien de verordening het woord gemeente gebruikt, het de gemeente betreft waar de aanvraag om tegemoetkoming in planschade is ingediend.

 

artikel 2 indiening van de aanvraag en mededeling van ontvangst

 

Vast moet staan dat het binnengekomen schrijven een aanvraag bevat om tegemoetkoming in schade als bedoeld in artikel 6.1 Wro en dat daarbij tevens wordt voldaan aan de vereisten van artikel 4:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb): de aanvraag moet worden ondertekend en ten minste bevatten: naam en adres van de aanvrager, de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd.

Aanvrager moet gebruikmaken van een door het college vastgesteld formulier volgens bijgevoegd model. Daarin moet aanvrager onder meer aangeven welke van de in artikel 6.1 Wro genoemde planologische maatregelen aan de orde is. Tevens wordt aan de hand van het formulier voor aanvrager duidelijk dat er voor een ontvankelijke aanvraag meer gevraagd wordt dan alleen een verzoekbrief om tegemoetkoming planschade als gevolg van een planologische maatregel. De planschade-oorzaak moet worden aangegeven en aanvrager moet de aard en hoogte van de tegemoetkoming nader motiveren en onderbouwen. Volgens artikel 4:2, tweede lid en artikel 4:5 Awb heeft het bestuursorgaan de mogelijkheid om later aanvulling van de aanvraag te verlangen. De wet noemt daarvoor geen termijn. Dit betekent dat het college op elk moment tijdens de behandeling van de aanvraag alsnog kan besluiten tot het laten aanvullen van de aanvraag, indien blijkt dat bepaalde belangrijke gegevens ontbreken. In het tweede lid is bepaalt dat de datum van ontvangst van de aanvraag wordt geregistreerd aangezien dit van belang is voor de bepaling van de wettelijke rente over de uit te kerenschadevergoeding en in verband staat met de verjaringsregeling (indiening moet plaatsvinden binnen vijf jaar nadat de desbetreffende bepaling van het bestemmingsplan of het desbetreffende besluit onherroepelijk is geworden). Het is ons beleid de envelop met postzegel of poststempel te bewaren.

 

artikel 3 opdrachtverstrekking

 

Het college dient binnen twaalf weken een opdracht te verstrekken aan één of meerdere adviseurs gezamenlijk, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel 6.1.3.1 Bro of aan artikel 4:5 van de Awb. Artikel 6.1.3.1, eerste lid, Bro geeft het college de bevoegdheid een aanvraag binnen vier, dan wel acht weken indien de aanvrager eerst nog een termijn krijgt de aanvraag aan te vullen, als kennelijk ongegrond af te wijzen. Artikel 6.1.3.1, tweede lid, Bro heeft betrekking op de bevoegdheid van artikel 4:5 Awb bestuursrecht waarbij een onvolledige aanvraag verder buiten behandeling moet worden gelaten. Volgens artikel 6.1.3.1, tweede lid, Bro moet het besluit tot het niet in behandeling nemen binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag aan de aanvrager worden medegedeeld. Voor zover de aanvrager in de gelegenheid is gesteld zijn aanvraag aan te vullen, krijgt het college acht weken de tijd na het tijdstip waarop de termijn om de aanvraag aan te vullen is verstreken, om het besluit tot niet verdere behandeling van de aanvraag bekend te maken. De laatst-genoemde beslistermijn kan met ten hoogste vier weken worden verlengd. Indien de aanvraag kennelijk ongegrond wordt verklaard of buiten behandeling wordt gelaten, is de verordening niet toepasselijk, tenzij de termijnen bedoeld in artikel 6.1.3.1 Bro worden overschreden. In het laatste geval dienen niettemin één of meerdere adviseurs te worden aangewezen en dient een opdracht te worden verstrekt. De opdracht wordt niet eerder verstrekt dan nadat de termijn om te wraken is verstreken en er geen verzoeken tot wraking zijn ingediend, dan wel door het college afwijzend is beslist over een ingediend verzoek tot wraking.

 

artikel 4 adviseur of adviescommissie

 

Het college schakelt één of meerdere adviseurs gezamenlijk in voor de advisering over de op de aanvraag te nemen beschikking. In dit artikel is bepaald in welke gevallen een adviseur of een adviescommissie dient te worden ingeschakeld en over welke deskundigheid een adviseur dient te beschikken.

Een adviseur kan een natuurlijke persoon of een rechtspersoon zijn. De keuze tussen een natuurlijke persoon of een rechtspersoon wordt aan de gemeente overgelaten (volgt uit de Nota van Toelichting bij het Bro, Staatsblad. 2008, 145, pagina 63). Een adviesbureau gespecialiseerd in planschade kan derhalve worden aangewezen als adviseur bedoeld in het eerste lid, of als één van de adviseurs (tweede of derde lid) in een adviescommissie.

Hoewel voor iedere aanvraag een aanwijzing van één of meerdere adviseurs noodzakelijk is, staat de verordening er niet aan in de weg om telkens dezelfde adviseur(s) aan te wijzen (vaste adviseur/vaste adviescommissie).

In het eerste lid is bepaald dat een eerste adviseur wordt aangewezen die over voldoende deskundigheid op het gebied van planschadeadvisering dient te beschikken. Afhankelijk van de kennelijke oorzaak van de planschade kan een tweede en/of derde adviseur worden aangewezen, die over specifieke deskundigheid op het gebied van planschade wegens inkomensderving onderscheidenlijk wegens waardevermindering van een onroerende zaak als gevolg van een planologische verslechtering beschikt.

Het is aan het college om, na advies te hebben ingewonnen bij de (eerste) adviseur, te beoordelen of deze (eerste) adviseur zelfstandig kan adviseren, of dat er gezien de complexiteit, aard en omvang van de aanvraag behoefte is een tweede en/of derde adviseur bij de opdracht te betrekken die beschikt over specifieke deskundigheid. Het college zal de tweede en/of derde adviseur dan vervolgens moeten aanwijzen. Bij de aanwijzing van twee of meer adviseurs is er sprake van een adviescommissie (artikel 3, vijfde lid). De adviseurs dienen de in artikel 6.1.3.4 Bro genoemde zaken te betrekken.

Artikel 6.1.3.5, eerste lid, Bro bepaalt dat de adviseur of de adviescommissie zich door derden kan laten adviseren en bijstaan. Indien hiermee kosten zijn gemoeid, is instemming van het college vereist.

 

artikel 5 deskundigheid en onafhankelijkheid

 

Artikel 6.1.3.3, tweede lid onder a, Bro schrijft voor dat de verordening regels moet bevatten over de deskundigheid en de onafhankelijkheid van de adviseur. Om de deskundigheid van de adviseurs te waarborgen is in het eerste lid bepaald dat het college alvorens zij tot aanwijzing van een persoon als adviseur overgaat, kan verlangen dat deze persoon aantoont op grond van opleiding en ervaringdeskundig te zijn met betrekking tot de in artikel 3, tweede of derde lid, genoemde aspecten waarop hij of zij de aanvraag dient te beoordelen.

In aansluiting op artikel 3:5, eerste lid, Awb juncto artikel 6.1.1.1 onder c, Bro waaruit voortvloeit dat een adviseur niet werkzaam mag zijn onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan waaraan wordt geadviseerd, wordt in artikel 4, tweede lid, bepaald dat die adviseur eveneens niet werkzaam mag zijn onder verantwoordelijkheid van de raad. Voorts bepaalt artikel 4, tweede lid, dat een adviseur niet betrokken mag zijn bij de planologische maatregel waarop de aanvraag betrekking heeft. Dit betreft deskundigen die op enigerlei wijze betrokken zijn bij de in het geding zijn de planologische maatregel. In het bijzonder kan worden gedacht aan personen behorende tot de risicoanalysecommissie die optreedt in het kader van planologische maatregelen.

 

artikel 6 betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij aanwijzing adviseur of adviescommissie

 

Dit artikel bepaalt dat de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro schriftelijk op de hoogte moeten worden gebracht van de aanwijzing van een adviseur of adviescommissie. De aanwijzing van een adviseur dient schriftelijk bekend te worden gemaakt. In het geval meerdere adviseurs worden aangewezen, worden deze aanwijzingen gezamenlijk schriftelijk bekend gemaakt. Indien de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen of andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro zich niet kunnen verenigen met de aanwijzing van één of meerdere adviseurs is er de mogelijkheid om één of meerdere adviseurs te wraken. Op verzoek van de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen of andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro kunnen één of meerdere adviseurs worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de vereiste deskundigheid en onafhankelijkheid schade zou kunnen lijden. Genoemde partijen worden gedurende twee weken in de gelegenheid gesteld een verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs bij het college kenbaar te maken. Het college moet binnen twee weken na het verstrijken van de termijn tot het indienen van een verzoek tot wraking beslissen.

 

artikel 7 werkwijze adviseur of adviescommissie

 

Dit artikel geeft de wijze weer waarop de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro onder verslaglegging worden gehoord en bij de opstelling van het advies worden betrokken. Tevens worden de hiervoor geldende termijnen vastgelegd.

In het tweede en derde lid is bepaald dat vanuit de gemeente bijstand wordt verleend aan de adviseur of adviescommissie, door alle voorhanden zijnde informatie met betrekking tot de aanvraag om tegemoetkoming in planschade ter beschikking te stellen. Daarnaast worden alle bescheiden die naar het oordeel van de adviseur of van de adviescommissie nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag aan hen ter beschikking gesteld.

Het derde, vierde en vijfde lid bevatten regels over achtereenvolgens de hoorzitting, de bezichtigingen de taxatie. Deze onderdelen behoeven niet afzonderlijk te worden georganiseerd. Het is mogelijk om de hoorzitting te combineren met de bezichtiging en/of taxatie. Volgens artikel 6.1.3.5, tweede lid, Bro mag van de bezichtiging worden afgezien, indien uit de inhoud van de aanvraag aanstonds blijkt dat deze behoort te worden afgewezen.

Het conceptadvies dient binnen zestien weken na dagtekening van de opdracht aan de gemeente, aanvrager, eventueel andere betrokken bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld inartikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro te worden toegezonden. Deze termijn kan met ten hoogste vier weken worden verlengd (negende lid).

Artikel 6.1.3.3, tweede lid onder e, Bro bepaalt dat de verordening aandacht moet schenken aan de wijze waarop de aanvrager, eventueel andere betrokken bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro bij de opstelling van het advies moeten worden betrokken. De Nota van Toelichting (pagina 66) bij het Bro noemt alsvoorbeeld dat de aanvrager in de gelegenheid wordt gesteld om binnen een bepaalde periode op het concept advies te reageren. In dit kader bepaalt het tiende lid dat de gemeente, de aanvrager,eventuele andere bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro in de gelegenheid worden gesteld om binnen vier weken schriftelijk op het concept advies te reageren.

Het elfde en het twaalfde lid bepalen de termijnen voor het uitbrengen van het advies aan het college. Het dertiende lid bepaalt dat de adviseur of adviescommissie een afschrift van het definitieve advies zendt aan de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen en aan de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, Wro.

 

artikel 8 beschikking van het college

 

Het college dat voornemens is een aanvraag geheel of gedeeltelijk af te wijzen, behoeft de aanvrager, naar mag worden aangenomen, niet te horen. Op grond van artikel 4:12 Awb geldt er geen hoorplicht bij beschikkingen van financiële aard. In het tweede lid is een verlengingsmogelijkheid opgenomen, indien de termijn in het eerste lid onverhoopt niet gehaald kan worden. Bij ingewikkelde aanvragen of verschillende zienswijzen kan verdaging noodzakelijk zijn.

 

artikel 9 en 10 uitbetaling en slotbepalingen

 

Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting.