Regeling vervallen per 29-03-2022

Bomenverordening Haarlem

Geldend van 23-03-2012 t/m 28-03-2022

Intitulé

Bomenverordening Haarlem

Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders, gelet op de Gemeentewet en de Boswet, is vastgesteld: de Bomenverordening Haarlem

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    houtopstand: één of meer bomen of boomvormers, andere houtachtige gewassen, een beplanting van bosplantsoen of een struweel met een de onder sub b genoemde minimale dwarsdoorsnede.

  • b.

    boom: een houtachtig, opgaand gewas, zowel vitaal als afgestorven, met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 20 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld.

  • c.

    monumentale boom: bijzondere beschermwaardige boom of houtopstand van 80 jaar of ouder met een levensverwachting van minimaal 10 jaar en met een bijzondere schoonheid- of zeldzaamheidswaarde, of een bijzondere functie voor de omgeving, welke is opgenomen in de lijst van monumentale bomen zoals bedoeld in artikel 5 van deze verordening.

  • d.

    waardevolle boom: bijzondere beschermwaardige boom of houtopstand van 50 - 80 jaar welke beeldbepalend is en met bijzondere schoonheid- of zeldzaamheidswaarde of een bijzondere historische functie voor de omgeving, dan wel een bijzondere beschermwaardige boom of houtopstand welke is opgenomen in de lijst van waardevolle bomen zoals bedoeld in artikel 5 van deze verordening.

  • e.

    hoofdbomenstructuur: vastgestelde opbouw en onderlinge samenhang van houtopstand in een bepaald gebied.

  • f.

    kappen: rooien; vellen; verplanten; het snoeien van meer dan 30procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben; het geheel of grotendeels verwijderen van het boven- en ondergrondse deel van de houtopstand.

  • g.

    rooien: het geheel verwijderen van het boven- en ondergrondse deel van de houtopstand.

  • h.

    kandelaberen: het terugsnoeien van de kroon tot een hoofdstam met takstompen.

  • i.

    boomwaarde: de monetaire waarde van een boom zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen.

  • j.

    groentoets: een beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor een houtopstand, op basis van landelijke richtlijnen van de Bomenstichting.

  • k.

    het college: het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 1a Positieve fictieve beschikking

Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht  (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op alle aanvragen voor vergunning of ontheffing ingevolge deze verordening.

Artikel 2 Kapverbod

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college houtopstand te kappen of te doen kappen.

  • 2. Het is eveneens verboden zonder vergunning van het college, ongeacht de dwarsdoorsnede, te kappen of te doen kappen indien sprake is van:

    • -

      een monumentale boom of waardevolle boom of bijzondere, beschermwaardige houtopstand als bedoeld in artikel 5;

    • -

      een houtopstand onderdeel uitmakend van de hoofdbomenstructuur;

    • -

      een houtopstand in het kader van een herplant- of instandhoudingplicht als bedoeld in de artikelen 9 en 10.

  • 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor bomen in een particuliere achtertuin met een oppervlakte van maximaal 100 m2, niet zichtbaar vanaf de openbare weg. Onder openbare weg wordt verstaan: de openbare weg als omschreven in de Algemene Plaatselijke Verordening, met uitzondering van brandgangen en besloten garagepleinen.

  • 4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor houtopstand die aantoonbaar op bedrijfseconomische wijze wordt geëxploiteerd als bedoeld in artikel 15 van de Boswet.

  • 5. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt verder niet voor:

    • a.

      houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving van het college, zulks onverminderd het bepaalde in de artikelen 9 en 10 van deze verordening.

    • b.

      het periodiek kappen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud.

    • c.

      het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud.

Artikel 3 Aanvraag vergunning

  • 1. De vergunning moet schriftelijk en gemotiveerd, onder bijvoeging van een situatieschets, worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene, die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.Indien de aanvraag de kap van meer dan twee bomen betreft, dient bij de aanvraag een herinrichtingsplan inclusief herplant te worden gevoegd. Indien de aanvraag van de kap gedaan wordt in het kader van de uitvoering van een fysiek project, dient tevens een groentoets overgelegd te worden.

  • 2. Wanneer door of namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan het college van het college een afschrift is toegezonden van de ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 2 van de Boswet, beschouwt het college dit afschrift mede als een vergunningsaanvraag.

Artikel 4 Verlenings-, weigerings- en opschortingsgronden

  • 1. Het college kan de vergunning om te kappen weigeren dan wel onder voorschriften verlenen.

  • 2. Een vergunning wordt geweigerd indien het belang van verlening niet opweegt tegen één of meer van de volgende waarden van behoud van houtopstand:

    • -

      natuur- en milieuwaarden;

    • -

      landschappelijke waarden;

    • -

      cultuurhistorische waarden;

    • -

      waarden van stads- en dorpsschoon;

    • -

      waarden voor recreatie en leefbaarheid;

    • -

      monumentale- en waardevolle bomen;

    • -

      bijzondere houtopstand.

  • 3. In beginsel wordt geen vergunning verleend voor houtopstanden voorkomend op de vastgestelde lijst van bomen, als bedoeld in artikel 5.

  • 4. In beginsel wordt geen vergunning verleend indien het kappen in strijd is met de Flora- en faunawet, de Habitatrichtlijn, of andere regelgeving inzake natuurbescherming.

  • 5. De beslissing op een aanvraag van een vergunning tot kappen kan worden opgeschort als de aanvraag is ingediend in samenhang met de realisatie van een ander vergunningplichtig werk, zolang op die andere vergunningaanvraag niet is beslist.

  • 6. Een vergunning tot kappen kan worden opgeschort of geweigerd, nadat een bouw- of aanlegvergunning is verleend, indien de rechthebbende aanvrager van de vergunning tot kappen niet, of niet tijdig, of niet volledig de aanwezigheid van een beeldbepalende of anderszins waardevolle houtopstand heeft aangemeld aan het college.

  • 7. De burgemeester kan toestemming geven tot direct kappen, indien sprake is van grote gevaarzetting of vergelijkbaar spoedeisend belang.

Artikel 5 Monumentale- en waardevolle bomen en bijzondere houtopstand

  • 1. Het college stelt een lijst vast met monumentale en waardevolle bomen en bijzondere houtopstand, waarvoor in beginsel geen kapvergunning wordt afgegeven, tenzij sprake is van een ernstige bedreiging van de openbare veiligheid, noodtoestand of andere uitzonderlijke situaties.

  • 2. De in het eerste lid genoemde lijst bevat in ieder geval de bomen voorkomende in het landelijk Register van Monumentale Bomen van de landelijke Bomenstichting, eventueel aangevuld met lokale en toekomstige monumentale bomen en andere bijzondere houtopstand.

  • 3. De lijst met monumentale bomen omvat in ieder geval een voor een ieder goed herkenbare omschrijving, de standplaats, boomnummer en de reden van registratie van iedere houtopstand.

  • 4. De eigenaar van een houtopstand die vermeld staat op de lijst van monumentale bomen is verplicht het college onmiddellijk mededeling te doen van:

    • -

      eigendomsoverdracht van de houtopstand;

    • -

      het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van de houtopstand;

    • -

      de dreiging dat de houtopstand geheel of gedeeltelijk teniet kan gaan.

Artikel 6 Procedure

  • 1. Indien een vergunning wordt verleend of geweigerd, wordt deze beslissing direct openbaar gemaakt in een lokaal huis-aan-huisblad.

  • 2. Het college kan besluiten dat op de aanvraag van een kapvergunning als bedoeld in artikel 2 van deze verordening de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is.

Artikel 7 Standaardvoorwaarde van niet-gebruik

  • 1. Van een verleende vergunning mag geen gebruik worden gemaakt gedurende de termijn dat tegen het besluit tot de vergunningverlening bezwaar kan worden gemaakt, dan wel, indien tijdig een bezwaarschrift is ingediend, zolang geen beslissing op het bezwaarschrift is genomen.

  • 2. In afwijking van het voorgaande lid, wordt een vergunning welke is verleend met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht onder het standaardvoorschrift van feitelijk niet-gebruik gedurende veertien dagen, met ingang van de dag na die waarop het besluit is bekendgemaakt.

Artikel 8 Vervaltermijn vergunning

  • 1. De vergunning tot kappen als bedoeld in deze verordening vervalt indien daarvan niet binnen maximaal 18 maanden na het onherroepelijk zijn van de vergunning volledig gebruik is gemaakt.

  • 2. In afwijking van het voorgaande lid kan het college in geval van langdurige bouwprojecten besluiten de duur van de kapvergunning bij verlening te stellen op 3 jaar.

Artikel 9 vergunningsvoorschriften

  • 1. Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen moet worden herplant met daaraan verbonden een bepaalde onderhoudsplicht.

  • 2. Indien niet ter plaatse kan worden herplant, kan tot de aan een vergunning tot kappen te verbinden voorschriften behoren het voorschrift dat een geldelijke bijdrage gestort dient te worden in het Bomenbudget.

  • 3. De verplichtingen en voorschriften van dit artikel 9 kunnen gelden voor bomen kleiner dan de in artikel 1 genoemde minimummaat.

  • 4. In het voorschrift als bedoeld in het eerste lid wordt telkens bepaald binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

  • 5. Tot aan de vergunning tot kappen te verbinden voorschriften kan het voorschrift behoren dat pas tot kappen van houtopstand op en bij bouw- en aanlegwerken of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie mag worden overgegaan indien andere vergunningen of ruimtelijke ordeningsprocedures onherroepelijk geworden zijn of de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende gewaarborgd is.

  • 6. Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen behoren aanwijzingen ter bescherming van nabijgelegen houtopstand, zoals omschreven in de Kwaliteitsrichtlijnen Beheer Bomen (KBB) en voorschriften ter bescherming van in en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna.

  • 7. Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kan het voorschrift behoren tot het opstellen en overleggen van een Groentoets in geval van bouw of aanleg van werken nabij te behouden bomen.

  • 8. Degene aan wie een voorschrift of een verplichting als bedoeld in dit artikel is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 10 Herplant- en instandhoudingsplicht

  • 1. Indien houtopstand waarop het verbod tot kappen van toepassing is, zonder vergunning van het college is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het college aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn.

  • 2. De verplichtingen en voorschriften van dit artikel kunnen ook gelden voor bomen met een dwarsdoorsnede kleiner dan het in artikel 1 van deze verordening genoemde minimum.

  • 3. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herplant en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  • 4. Indien de houtopstand waarop het verbod tot kappen als bedoeld in dit artikel van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het college aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om:

  • 5. overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen;

  • 6. een Groentoets op te stellen en aan te bieden.

  • 7. Degene aan wie een voorschrift of een verplichting als bedoeld in dit artikel is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 11 Schadevergoeding

Het college beslist op een verzoek om schadevergoeding bij weigering van een vergunning tot kappen op grond van artikel 17, juncto artikel 13 vierde lid, van de Boswet.

Artikel 12 Afstand van de erfgrenslijn

De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heesters en heggen.

Artikel 13 Bestrijding van iepenziekte

  • 1.

    • Dit artikel verstaat onder:

      • a.

        iepenziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau);

      • b.

        iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus multistratus (Marsch) en Scolytus pygmaeus.

  • 2. Indien zich op een terrein één of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren van verspreiding van de iepenziekte of voor vermeerdering van de iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn:

    • a.

      indien de iepen in de grond staan, deze te kappen;

    • b.

      de iepen ter plaatse te ontbasten en de bast te vernietigen;

    • c.

      de niet ontbaste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepenziekte wordt voorkomen.

  • 3.

    • a.

      het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren;

    • b.

      het verbod is niet van toepassing op geheel ontbast iepenhout en op iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 centimeter;

    • c.

      het college kan ontheffing verlenen van het onder a. van dit lid gestelde verbod.

  • 4. Het niet voldoen aan de in het tweede lid bedoelde aanschrijving biedt een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden, voor risico en voor rekening van aangeschrevene, door of namens de gemeente kunnen worden verricht.

Artikel 14 Bescherming gemeentelijke houtopstand

Het is verboden om gemeentelijke houtopstanden, te snoeien, behoudens door de gemeente opgedragen boomverzorgende taken.

Artikel 15 Strafbepaling

  • 1. Degene aan wie een voorschrift als bedoeld in artikel 4, vijfde en zesde lid, artikel 5 vierde lid, artikel 7, artikel 8 eerste en tweede lid, artikel 9 eerste, tweede, derde, vierde, vijfde, zesde, zevende, achtste lid, artikel 10 eerste, tweede, derde en vijfde lid, artikel 13 tweede, derde en vierde lid en artikel 14 is gegeven, onderscheidenlijk een verplichting als bedoeld in artikel 10 derde lid is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is gehouden dienovereenkomstig te handelen.

  • 2. Hij die handelt in strijd met artikel 2, eerste of tweede lid, dan wel een voorschrift onderscheidenlijk een verplichting als bedoeld in het vorige lid niet na komt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie. Tevens kan een rechterlijke beoordeling op grond van dit artikel openbaar gemaakt worden. Bij de strafmaatbepaling kan rekening worden gehouden met de boomwaarde.

Artikel 16 Toezicht

  • 1. Met het toezicht en de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de personen werkzaam bij de gemeente Haarlem, die zijn benoemd in de volgende functies:

    • a.

      Milieu-opsporingsambtenaar

    • b.

      Technisch beheerder openbaar groen (boomspecialist)

  • 2. Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.

Artikel 17 Overgangsbepaling

De Verordening op de houtopstanden van 11 maart 1992 zoals laatstelijk gewijzigd op 23 november 2000, blijft van toepassing voor de afhandeling van kapvergunningaanvragen die zijn ingediend voor inwerkingtreding van de Bomenverordening Haarlem.

Artikel 18 Slotbepaling

  • 1. Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Bomenverordening Haarlem’.

  • 2. De verordening treedt in werking op de achtste dag na bekendmaking.

  • 3. Op het moment van inwerkingtreding van deze verordening vervalt de Verordening op de Houtopstanden van 11 maart 1992; laatstelijk gewijzigd 23 november 2000.

Toelichting

Toelichting Bomenverordening Haarlem

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

  • a.

    Houtopstand. Het kernbegrip van deze verordening, waarop het kapverbod en de

    vergunningplicht van toepassing zijn. Door dit begrip consequent centraal te stellen wordt duidelijk dat de bescherming betrekking heeft op meer dan bomen alleen.

    Boomvormer. Een boomvormer is een houtig, opgaand gewas met ontwikkeling van één of meer hoofdtakken. Een boomvormer kan uitgroeien tot een boom, een meerstammige boom of een boomachtige struik. In het alledaagse spraakgebruik heeft een boom één of slechts enkele stammen. In de natuur bestaat er echter een geleidelijke overgang: heester - struik - struikachtige boom - (meerstammige) boom.

    Bosplantsoen. Aanplant van jong bos, bestaande uit hoofdzakelijk heesters, struiken en boomvormers.

    Struweel. Een begroeiing van hoofdzakelijk inheemse soorten heesters en struiken.

    Dode bomen. Met ‘zowel vitaal als afgestorven’ is bedoeld ook het kappen van dode of bijna dode bomen vergunningplichtig te maken. Hiermee kan voorkomen worden dat een kwaadwillende boomeigenaar er voor zorgt dat een gezonde boom dood gaat of dat hij `bij vergissing´ een gezonde boom kapt. Het kan tevens wenselijk zijn om dode bomen te bewaren vanwege hun ecologisch waardevolle functies of omdat er wettelijk beschermde diersoorten in nestelen.

  • b.

    Boom. Afbakening van het begrip boom is van belang in verband met het aangeven van de ondergrens van de bescherming. De minimale diktemaat is de meest gangbare en meest heldere vorm van afbakening. Voor bomen in een particulier in gebruik zijnde achtertuin van meer dan 100 m2 is er voor gekozen de dwarsdoorsnedenmaat van minimaal 20 centimeter te behouden (zie artikel 2 lid 3). De oppervlakte van de tuin wordt gemeten exclusief de oppervlakte van de op het perceel staande opstallen: het onbebouwde oppervlak.

    Ook voor alle andere bomen blijft de maat van 20 centimeter gehandhaafd. Dit geldt tevens voor onder andere verenigingen van eigenaren, woningbouwverenigingen, projectontwikkelaars e.d.. Enerzijds vanwege het algemeen belang van bomen in openbaar gebied en anderzijds vanwege het waarborgen van inspraakmogelijkheden van belanghebbenden. De betrokkenheid van burgers bij bomen in hun straat is immers groot en indien de gemeente deze gemeentelijke bomen eveneens kapvergunningvrij maakt, kan dit op veel onbegrip stuiten.

  • f.

    Kappen. Elke wijze van het te gronde richten van een houtopstand ongeacht of dit gedeeltelijk is, bijvoorbeeld bij kappen, of volledig, zoals bij rooien (inclusief stobbe verwijderen). Ook ingrepen die een ingrijpende wijziging betekenen, zoals kandelaberen of het snoeien van meer dan 30 procent van het kroonvolume, vallen onder kappen. Dit om het ernstig beschadigen of ontsieren van een boomkroon tegen te kunnen gaan. Het instandhouden door periodieke snoei van de door kandelaberen of knotten ontstane kroonvorm is niet vergunningplichtig. De eerste keer kandelaberen of knotten is wel vergunningplichtig. Het verwijderen van hoofdwortels, waarvan kan worden aangenomen dat daardoor de houtopstand ernstige schade oploopt, valt eveneens onder het begrip kappen. Door de verordening ook van toepassing te laten zijn op het ernstig beschadigen of ontsieren van samengestelde verschijningsvormen, worden grootschalige ingrepen in houtopstand eveneens vergunningplichtig.

  • i.

    Monetaire boomwaarde. De richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen en houtige gewassen (NVTB, Postbus 683, 7300 AK Apeldoorn, tel. 055-5999449) voor de monetaire boomwaarde worden jaarlijks vastgesteld aan de hand van de prijsindexcijfers van het CBS, marktprijsgemiddelden en andere kengetallen. De richtlijnen gelden als de meest deskundige methodiek voor de wijze van vaststellen van de geldwaarde van bomen en worden in de rechtspraak erkend. Het spreekt overigens voor zich dat bomen ook vele andere waarden dan monetaire waarde kunnen vertegenwoordigen.

  • j.

    Groentoets. Waardevolle houtopstanden worden regelmatig (ernstig) beschadigd of vernietigd door bouw en aanleg van huizen, wegen, rioleringen of kabels en leidingen. Vaak gebeurt dit ongewenst en onbedoeld, omdat er te laat is gekeken naar de gevolgen voor de bomen, waardoor ze niet ingepast of (onherstelbaar) beschadigd raken. De Groentoets is gebaseerd op de bomeneffectanalyse (BEA) van de Bomenstichting. De bomeneffectanalyse is een landelijke richtlijn voor een nauwgezette en onafhankelijke beoordeling, voorafgaand aan de voorgenomen bouw of aanleg. Deze standaardisering waarborgt de boomtechnische kwaliteit en garandeert een goede beoordeling van alle effecten en mogelijke alternatieven. Een Groentoets dient uitgevoerd te worden door een deskundig boomverzorger of boomtechnisch adviseur. De resultaten van deze beoordeling kunnen vervolgens worden meegenomen in de besluitvorming rond bouw of aanleg.

Artikel 2 Kapverbod

  • 1.

    Dit verbod is in verschillende opzichten ruimer dan het lijkt. Kappen is meer dan alleen omzagen en houtopstand is meer dan alleen een boom (zie artikel 1).

  • 2.

    In een aantal bijzondere gevallen is een kapvergunning verplicht, ongeacht de afmeting van de dwarsdoorsnede. Een vergunning is in de lid 2 genoemde gevallen derhalve ook verplicht indien de dwarsdoorsnede minder is dan de in artikel 1 sub b genoemde dwarsdoorsnede.

  • 3.

    De bevoegdheid tot het instellen van een verbod tot kappen bij gemeentelijke verordening wordt in artikel 15 van de Boswet beperkt. Deze beperking heeft inhoudelijk betrekking op de in artikel 15 lid 2 Boswet genoemde houtopstand:

    • a.

      populieren of wilgen als wegbeplantingen of éénrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, tenzij deze zijn geknot;

    • b.

      fruitbomen en windschermen om boomgaarden;

    • c.

      fijnsparren of andere coniferen, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;

    • d.

      kweekgoed;

    • e.

      houtopstand, die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en die niet gelegen is binnen een bebouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die:

      • -

        ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are;

      • -

        ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen, gerekend over het totale aantal rijen.

        De zinsnede “die aantoonbaar op bedrijfseconomische wijze worden geëxploiteerd” bedoelt alle hiervoor genoemde uitzonderingen conform de Memorie van Toelichting op de Boswet te beperken tot bomen met een aantoonbare economisch doel en te onderscheiden van sierbomen. Bij vrucht- of fruitbomen, zijn sierbomen die vruchten dragen dus wel kapvergunningplichtig. Onder het kapverbod valt niet het houden en de economische exploitatie van (vrucht)bomen niet.

  • 4.

    Het begrip dunning - velling ter bevordering van het voortbestaan van de houtopstand is weggelaten, om te voorkomen dat onder het mom van een vergunningsvrije dunning veel meer wordt weggehaald dan de gemeente bij een normale vergunningsaanvraag zou goedkeuren.

Artikel 3 Aanvraag vergunning

Een duidelijke situatieschets, op te stellen door de aanvrager, blijkt in de praktijk nodig aangezien men anders een tweede maal de kapvergunning voor een andere houtopstand zou kunnen gebruiken.

Met ‘fysiek project’ wordt bedoeld: de bouw en aanleg van werken. De groentoets wordt opgenomen in de nota Richtlijnen Fysieke Projecten.

Artikel 4 Verlenings-, weigerings- en opschortingsgronden

Dit artikel bevat de criteria, die in ieder besluit inzake een aanvraag tot kappen genoemd moeten worden. Stilzwijgend wordt ervan uitgegaan dat (te) zieke of gevaarlijke bomen altijd voor vergunning in aanmerking zullen komen. Ervaring leert dat de algemene termen waarin hier genoemde weigeringsgronden gesteld zijn nadere uitwerking behoeven van criteria voor boombelang en verwijderingsbelang. Deze criteria kunnen in een afwegingsmodel worden geplaatst dat als instrument bij de beoordeling van de aanvraag wordt gehanteerd. De beslissing op de aanvraag moet waar mogelijk verwijzen naar beleidsbesluiten. Ook de door derde-belanghebbenden ingediende zienswijzen moeten meegewogen worden.

‘Noodkap’ (lid 7)

In sommige gevallen zal de gebruikelijke kapvergunningsprocedure niet kunnen worden afgewacht. Het gaat dan om gevallen waarin de procedure voor het aanvragen/verlenen van een kapvergunning niet kan worden afgewacht, omdat er sprake is van grote gevaarzetting. Bijvoorbeeld een boom die dreigt om te vallen of andere vergelijkbare spoedeisende belangen van openbare orde of veiligheid. Hiermee wordt aangesloten bij de bevoegdheden van de Burgemeester op grond van de artikelen 173 en 175 van de Gemeentewet. Van de noodkap zal achteraf – met redenen omkleed – in ieder geval mededeling worden gedaan in een lokaal huis-aan-huisblad.

Monumentale boom.

Een boom of houtopstand welke is aangemerkt als monumentale boom kan in beginsel niet gekapt worden. Uitzonderingen zijn slechts mogelijk na toestemming van het college.

Waardevolle boom.

Een boom of houtopstand welke is aangemerkt als waardevolle boom kan in beginsel niet gekapt worden. Uitzonderingen zijn slechts mogelijk na toestemming van het college.

Bloedingsziekte paardekastanje

Zolang nieuwe onderzoeksresultaten hiertoe geen aanleiding geven, hoeven bomen die zijn aangetast door de kastanjeziekte niet direct te worden gekapt, tenzij deze een gevaar opleveren voor de omgeving. Het aangetast zijn door deze ziekte, brengt op dit moment dan ook niet automatisch met zich mee dat een kapvergunning verleend zal worden. In geval wegens aantasting wel een kapvergunning verleend wordt, zal in ieder geval als vergunningsvoorschrift worden opgelegd dat het aangetaste kastanjehout in afgesloten containers moet worden vervoerd en vernietigd door een ter zake kundig bedrijf.

Artikel 5 Monumentale en waardevolle bomen en bijzondere houtopstand

De lijst met monumentale bomen en de lijst met waardevolle bomen bevatten bijzondere beschermwaardige bomen en andere houtopstand. De lijst kan houtopstand bevatten met een kleinere dwarsdoorsnede dan in artikel 1 genoemd. Op deze wijze kan (landschappelijk) waardevolle houtopstand, zoals beeldbepalende Rhododendrons, magnolia´s of klimplanten of een nieuw aangeplante herdenkingsboom met een kleinere diktemaat, toch bescherming genieten.

Duurzaam behoud van houtopstand op de lijst van monumentale bomen heeft een hoge prioriteit. De houtopstand is extra beschermd doordat alleen bij hoge uitzondering een kapvergunning wordt verleend. Verder is het sterk aan te bevelen de monumentale bomen op te nemen in het bestemmingsplan op voorwaarde dat de opname precies uitgewerkt wordt in de bestemmingsplanvoorschriften en de (toekomstige) kroonprojectie zorgvuldig ingetekend wordt op de plankaart. Door het dwingend karakter van het bestemmingsplan zijn deze bomen direct in beeld bij iedere herbestemming. Er kunnen dus geen bouw- en aanlegactiviteiten plaatsvinden zonder dat dit aan de boombestemming getoetst wordt.

Artikel 6 Procedure

  • 1.

    Het besluit wordt bekend gemaakt in een huis-aan-huisblad. Tegen het besluit tot het verlenen van een kapvergunning kan door belanghebbenden bezwaar worden gemaakt.

  • 2.

    Het college kan besluiten dat op de aanvraag van een kapvergunning de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. Van deze procedure zal in elk geval gebruik worden gemaakt wanneer het gaat om fysieke projecten of bouwprojecten. Dit betekent dat de procedure dan begint met een openbare kennisgeving van het bestuursorgaan in een huis-aan-huisblad en ter inzage legging. In de kennisgeving wordt mededeling gedaan van het feit dat een ontwerpbesluit en daarop betrekking hebbende stukken ter inzage zullen worden gelegd. In die kennisgeving wordt de zakelijke inhoud van het ontwerpbesluit gemeld. Verder blijkt uit de kennisgeving waar en wanneer de stukken ter inzage liggen, wie er zienswijzen over het ontwerpbesluit naar voren kunnen brengen en op welke wijze dit kan gebeuren. Belanghebbenden hebben ingevolge artikel 3:16 Awb zes weken de tijd om hun zienswijzen in te dienen. Indien belanghebbenden het niet eens zijn met het daarna genomen besluit, volgt niet de mogelijkheid van bezwaar maar kunnen belanghebbenden rechtstreeks in beroep gaan bij de rechter.

    Noodkap

    In geval van zogeheten noodkap is dit artikel niet van toepassing; zie de toelichting bij artikel 4 lid 7.

Artikel 7 Standaardvoorwaarde van niet-gebruik

1.Dit lid is bedoeld om te vermijden dat de boom al feitelijk gekapt is voordat derden kennis van de kapvergunning hebben kunnen nemen. Ter voorkoming van directe kap na de bekendmaking van het besluit, is een termijn van twee weken vastgesteld waarin niet gekapt mag worden en belanghebbenden de mogelijkheid hebben een beroepschrift en een verzoek tot voorlopige voorziening in te dienen. Als datum voor bekendmaking van het besluit geldt de datum van publicatie van het besluit in een lokaal huis-aan-huisblad. Deze datum zal over het algemeen dezelfde datum zijn als de datum van verzending van het besluit aan de aanvrager.

1.Noodkap

1.In geval van zogeheten noodkap is dit artikel niet van toepassing; zie de toelichting bij artikel 4 lid 7.

Artikel 8 Vervaltermijn vergunning

Dit artikel blijkt nodig te zijn om misbruik van (zeer) oude kapvergunningen tegen te gaan. Wel is de geldigheidsduur van de vergunning ten opzichte van de oude verordening gewijzigd van maximaal één jaar naar maximaal anderhalf jaar. Dit vanwege het feit dat de termijn van één jaar in de praktijk nogal eens tot ongewenste situaties kan leiden. Het college kan hierop een uitzondering maken in geval van langdurige bouwprojecten en de termijn stellen op maximaal 3 jaar.

In het geval het een vergunning voor het vellen van meer dan één boom betreft, is de vergunning voor alle bomen slechts 18 maanden resp. 3 jaar geldig, ook als in fasen gekapt wordt of één of enkele bomen al gekapt zijn.

Artikel 9 Bijzondere vergunningsvoorschriften

Herplantplicht. De voorschriften moeten concreet en precies worden uitgewerkt, bijvoorbeeld naar locatie, boomsoort of grootte. Uit de rechtspraak naar aanleiding van de herplantplicht blijkt dat beleidsmatige uitwerking van aard en omvang van de herplantplicht noodzakelijk is.

Andere werken. Lid 5 verwoordt de bevoegdheid van het college om de vergunningverlening afhankelijk te stellen van andere vergunningplichtige werken en de uitvoering daarvan.

Natuurbescherming. Lid 6 maakt het mogelijk op grond van de geldende natuurbeschermingsregels, waaronder de Flora- en Faunawet (wet van 25 mei 1998, Stb. 402) en Europese vogel- en habitatrichtlijnen, nadere concrete voorschriften op te leggen, bijvoorbeeld het niet kappen zolang er vogels broeden in de bomen of niet kappen op zodanige wijze dat nabije beschermde soorten planten of paddenstoelen vernield worden. Het niet mogen kappen in het broedseizoen dient in een vergunningsvoorschrift uitgewerkt te zijn. De bescherming van broedende vogels geldt reeds op grond van de wet (art. 12 Flora- en Faunawet), maar soms is er de behoefte aan concretere afbakening van begrippen als broedseizoen of wijze van kappen. Indien er aanleiding toe is, kan de uitvoering van deze bepaling door voorschriften bij de vergunningverlening worden geregeld.

Artikel 10 Herplant-/instandhoudingsplicht

Voorschriften. Herplantvoorschriften moeten concreet en eenduidig zijn en mogen zeer gedetailleerd soort, locatie en plantwijze voorschrijven, mits dit in het gangbare beleid past. De wijze waarop de zelfstandige herplant- en instandhoudingsplicht wordt uitgevoerd vraagt dus om beleidsmatige uitwerking. Deze uitwerking kan deel uitmaken van een breder opgezet handhavingsbeleid. Factoren die daarbij een rol spelen zijn de ernst van de overtreding, de mate van (on)verantwoordelijkheid die aan de overtreder kan worden toegekend en de feitelijke mogelijkheden tot uitvoering van herplant. Onder het handhavingsbeleid vallen ook de richtlijnen voor het effectief uitvoeren van de strafvervolging door politie en daartoe aangestelde opsporingsambtenaren, zoals bedoeld in artikel 14.

Financiële herplant. Let op dat een financiële herplantplicht daadwerkelijk voor herplant elders gebruikt dient te worden blijkens de rechtspraak en niet voor extra snoeien of iets dergelijks. Bovendien moet die herplant zo nabij mogelijk uitgevoerd worden.

Artikel 11 Schadevergoeding

De Boswet schrijft voor dat een gemeentelijke verordening dit artikel moet bevatten, hoewel uit de (gepubliceerde) rechtspraak geen enkel geval van een schadeuitkering op grond van dit artikel bekend is. Rechters lijken niet snel (onredelijk) nadeel aanwezig te achten indien een vergunning om te kappen geweigerd wordt.

Artikel 12 Afstand van de erfgrenslijn

De leden één en twee van artikel 42 Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek geeft het bekende verwijderingrecht voor bomen binnen twee meter en heesters en hagen binnen een halve meter van de erfgrenslijn. Maar in artikel 5:42 lid 2 is in afwijking van het oude B.W. toegevoegd: "tenzij ingevolge een verordening of een plaatselijke gewoonte een kleinere afstand is toegelaten". Daarom is in deze verordening dit artikel toegevoegd dat de erfgrensafstand aanzienlijk verkleint. Met "nihil" voor heggen en heesters is bedoeld deze natuurlijke wijze van erfbegrenzing te beschermen en tot de normale standaard te maken. Vele bomen en heesters zullen door deze afstandverkleining beter beschermd worden.

Artikel 13 Bestrijding iepenziekte

Belangrijk is dat na velling ter plaatse wordt ontbast, om potentieel broedhout en verspreiding van de besmetting te voorkomen. De bast is het levende weefsel onder de schors en het is noodzakelijk de gehele bast te verwijderen.

Artikel 14 Bescherming gemeentelijke houtopstand

Artikel 14 kan gezien worden als een lex specialis ten opzichte van artikel 122 Algemene Plaatselijke Verordening (APV).

Tegen het toebrengen van schade aan, het beplakken of bekladden van, of het aanbrengen of anderszins bevestigen van één of meerdere voorwerpen aan de gemeentelijke houtopstand kan op grond van diverse artikelen in de APV worden opgetreden (zie o.a. artikel 75, 122 en 123 e.v. APV)

Artikel 15 Strafbepaling

De op grond van dit artikel ingestelde strafvervolging laat onverlet de mogelijkheid van het instellen door het college van een privaatrechtelijke vordering tot schadevergoeding wegens schade aan bomen of houtopstand.

Ratio. De strafmaatbepalingen zijn de basis voor aangifte bij de politie en eventuele strafvervolging door justitie. De bepalingen zijn overeenkomstig de grenzen van de Gemeentewet vastgesteld. Soms kan de rechter overgaan tot bijzondere maatregelen, zoals publicatie van een vonnis of voordeeltoekenning (dat wil zeggen dat justitie afziet van strafvervolging indien verdachte de schade vergoedt).

Samenloop. Ook een samengaan met andere delicten (vernieling van eigendom, belediging van personen, enz.) is vaak aanleiding om een illegale kap of beschadiging door justitie aan te laten pakken.

De op grond van dit artikel ingestelde strafvervolging laat onverlet de mogelijkheid

tot het instellen door het college van een privaatrechtelijke vordering tot schadevergoeding wegens schade aan publieke bomen of houtopstanden.

Schadevergoeding. De ingestelde strafvervolging staat het instellen van een privaatrechtelijke schadevordering als gevolg van waardevermindering of verlies van de boom niet in de weg. Wel blijken rechters en officieren in de praktijk terughoudend in het tweemaal juridisch aanpakken van hetzelfde feit.

Artikel 16 Toezicht

In Algemene wet bestuursrecht staan de bijzondere bevoegdheden van toezichthouders, waaronder het betreden van gebouwen, niet zijnde woningen, en het betreden van terreinen, desnoods tegen de wil van de rechthebbende.

Met de Technisch beheerder openbaar groen (boomspecialist) wordt bedoeld de ambtenaar die verantwoordelijk is voor de technische beoordeling van de bomen en eventuele herplant.

Alleen voor de toezichthouders is een bepaling opgenomen in deze verordening. Opsporingsambtenaren worden namelijk aangewezen in de artikelen 141 en 142 Wetboek van Strafvordering.