Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Hattem

Beleidsregels Werk & Inkomen 2019

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieHattem
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingBeleidsregels Werk & Inkomen 2019
CiteertitelBeleidsregels Werk & Inkomen 2019
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Onbekend

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

12-02-201901-01-2019Beleidsregels Werk & Inkomen 2019

12-02-2019

gmb-2019-51467

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsregels Werk & Inkomen 2019

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hattem heeft op 12 februari 2019 de Beleidsregels Werk & Inkomen 2019 vastgesteld.

Artikel 1.1 Eerste termijn inleveren gegevens bij aanvraag

Een aanvraag voor een bijstandsuitkering wordt digitaal ingediend via www.werk.nl. De aanvraag komt ook digitaal binnen bij de gemeente, zonder bewijsstukken. De aanvrager wordt schriftelijk uitgenodigd voor een gesprek over werk. Na dit gesprek volgt een uitnodiging voor afhandeling van de aanvraag. In de uitnodiging wordt aangegeven welke gegevens tijdens het gesprek moeten worden ingeleverd.

Artikel 1.2 Ingangsdatum bijstand afgewezen WW-aanvraag

De belanghebbende wiens WW-aanvraag is afgewezen dient zich binnen acht dagen na ontvangst van de afwijzing te melden voor een bijstandsuitkering. Het college kent de uitkering in dat geval in beginsel toe per datum van de WW-aanvraag. Bij een latere melding kent het college de uitkering toe per datum melding, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden die de latere melding rechtvaardigen.

Artikel 1.3 Afhandeling ingetrokken aanvragen

Het intrekken van een aanvraag moet door de belanghebbende altijd schriftelijk worden bevestigd. Verder geldt dat het intrekken van een aanvraag altijd door het college wordt bevestigd (geen bezwaarclausule).

Artikel 1.4 Categorieën aanvragen bij UWV i.p.v. college

Er wordt niet afgeweken van artikel 41 lid 2 Participatiewet.

Artikel 1.5 Locatie(s) indienen aanvraag

Het aanvragen van een bijstandsuitkering gebeurt digitaal via de site van het UWV-Werkbedrijf: www.werk.nl.

Artikel 1.6 Overdrachtstermijn

De overdrachtstermijn is niet verlengd

Artikel 1.7 Verkorte aanvraagprocedure na korte onderbreking bijstand

Het college hanteert geen vereenvoudigde aanvraagprocedure. Alle aanvragen dienen volgens de normale procedure gedaan te worden.

Wel zal hiermee rekening worden gehouden bij het opvragen van bewijsstukken. Stukken die nog geldig zijn en in het dossier aanwezig zijn worden niet nogmaals opgevraagd.

Indien belanghebbende minder dan 30 dagen voor de datum van melding nog recht op bijstand had, wordt dit recht niet geacht te zijn geëindigd en hoeft geen nieuwe aanvraag te worden gedaan. Wanneer het college hier aanleiding toe ziet, kan hier een uitzondering op worden gemaakt.

Artikel 1.8 Zoekperiode personen jonger dan 27 jaar

Jongeren voor wie de zoekperiode geldt, worden direct aangemeld bij WorkFast (tenzij zij niet in staat zijn om te werken/solliciteren). Wanneer zij tijdens de zoekperiode actief aan WorkFast hebben meegewerkt, hebben zij voldaan aan de verplichtingen uit de zoekperiode. Tijdens het WorkFast traject wordt ook de mogelijkheid voor scholing besproken.

Artikel 2.1 Bijzondere bijstand voor legeskosten verblijfsvergunningen en naturalisatie

Verblijfsvergunning

De kosten van verlenging of wijziging van een verblijfsvergunning worden gedeeltelijk aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van het bestaan die niet uit een inkomen op bijstandsniveau kunnen worden voldaan.

 

Op de bijzondere bijstand worden altijd de kosten van het goedkoopste identiteitsbewijs van de gemeente (identiteitskaart) in mindering gebracht op de bijzondere bijstand. Voor de kosten van een nieuw paspoort of een ID-bewijs wordt geen bijzondere bijstand verstrekt; ook niet in de vorm van een geldlening.

Naturalisatie

De kosten van naturalisatie worden niet als noodzakelijke kosten van het bestaan aangemerkt, zodat om deze reden verlening van bijzondere bijstand voor die kosten onmogelijk is.

Tarieven

Zie voor actuele tarieven https://ind.nl/Paginas/Kosten.aspx?pk_campaign=funnel-home&pk_kwd=kosten-aanvraag

Artikel 2.2 Bijstand voor vaste lasten woning gedetineerde

Voor de kosten van het aanhouden van woonruimte in de periode dat de betrokkene rechtens zijn vrijheid is ontnomen kan in de regel geen bijzondere bijstand worden verleend. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van betrokkene om terzake een afdoende regeling te treffen. In acute noodsituaties waarin dit niet mogelijk is, kan mogelijk de gemeente op grond van zeer dringende redenen bijzondere bijstand verstrekken voor woonkosten op grond van artikel 16 Participatiewet. Het betreft echter slechts heel uitzonderlijke situaties waarbij steeds een strikt individuele afweging van de omstandigheden noodzakelijk is. Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat er sprake moet zijn van acute levensbedreigende omstandigheden. Hiervan zal in situaties van detentie geen sprake zijn.

Artikel 2.3 Bijstand voor reiskosten bezoek gedetineerde

Omschrijving van de kosten

De kosten voor het vervoer van het woonadres van de bezoeker (=belanghebbende) naar inrichting waar de gedetineerde verblijft.

Voorliggende voorziening

Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand als een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening artikel 15 Participatiewet; zie ook Voorliggende voorzieningen). Voorzover bekend is er geen voorliggende voorziening.

Recht op bijzonder bijstand

De noodzaak voor het bezoeken van een gedetineerde wordt aanwezig geacht indien:

  • de gedetineerde behoort tot de 1ste of 2de-graads familie van belanghebbende, en;

  • de gedetineerde verblijft in een gesloten inrichting (= geen recht op verlof), en;

  • de inrichting verder dan 15 kilometer van het woonadres van de bezoekr is gelegen (maar binnen Nederland; zie ook paragraaf Algemene voorwaarden recht op bijstand), en;

  • de bezoekfrequentie maximaal 1 keer per maand per gezinslid bedraagt.

Hoogte van de bijzondere bijstand

De hoogte van de bijzonder bijstand is gelijk aan de goedkoopste vorm van openbaar vervoer voor het betreffende traject of een kilometervergoeding van € 0,30 per kilometer, zijnde het bedrag dat geldt voor noodzakelijke reiskosten op grond van de Regeling zorgverzekering. Genoemd bedrag geldt per 01-01-2019.

 

Op deze voor bijstand in aanmerking komende kosten worden het in aanmerking te nemen inkomen en vermogen (artikel 35 lid 1 Participatiewet) in mindering gebracht. Zie voor de gemeentelijke beleidsregels inzake het in aanmerking te nemen inkomen en vermogen en het al dan niet toepassen van het drempelbedrag Hoogte en vorm van de bijstand.

Vorm van de bijzondere bijstand

De bijzondere bijstand wordt verleend om niet.

Aan de bijstand verbonden verplichtingen

Naast de algemene verplichtingen wordt op grond van artikel 55 Participatiewet een bestedingsverplichting opgelegd. Betaling vindt plaats na inlevering van vervoers- en/of bezoekbewijzen.

Artikel 2.4 Bijstand en het vervullen van alternatieve straffen

Het verrichten van onbetaalde arbeid als alternatieve straf kan niet leiden tot een (gedeeltelijke) ontheffing van de arbeidsplicht.

Artikel 2.5 Meldingsplicht studie

Uitgangspunt is dat een studie van tevoren gemeld moet worden. Toch kan in het kader van de eventuele toepasselijkheid van een verlaging op grond van de Maatregelenverordening worden gesteld dat de belanghebbende voldoet aan zijn inlichtingenplicht door voor aanvang van de studie op het mutatieformulier hiervan melding te maken.

 

Naar aanleiding van de melding beoordeelt het college of het toestemming kan verlenen voor het volgen van die studie met behoud van uitkering. Middels een beschikking wordt de belanghebbende op de hoogte gesteld van de beslissing. Indien het college toestemming verleent wordt in de beschikking duidelijk omschreven waarvoor toestemming is verleend en onder welke voorwaarden.

 

De belanghebbende dient binnen een maand na aanvang van de studie een bewijs van inschrijving van het opleidingsinstituut te overleggen.

 

Let wel: het (achteraf) melden via het mutatieformulier na aanvang kan dus tot gevolg hebben dat een reeds aangevangen studie gestaakt moet worden, indien dit de directe arbeidsinschakeling belemmert.

Artikel 2.6. Meldingsplicht vakantie/verblijf in het buitenland

Voor vertrek

De belanghebbende is verplicht vooraf via het mutatieformulier melding te maken van verblijf in het buitenland. De belanghebbende moet melden wanneer en hoe lang hij naar het buitenland gaat. De reden van de meldingsplicht met betrekking tot het verblijf in het buitenland is gelegen in de bepaling van artikel 13 lid 1 onderdeel e Participatiewet en de vierwekentermijn.

Bij terugkomst

De belanghebbende is verplicht op de eerste werkdag na terugkeer van de vakantie zijn terugkomst te melden bij het college, in casu het loket van het Cluster Werk & Inkomen. Het feit dat iemand in het buitenland verblijft ontslaat hem/haar niet van de verplichting om het mutatieformulier in te leveren wanneer er wijzigingen zijn.

Artikel 2.7 Het kunnen volgen van onderwijs

Jongeren die uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen en in verband daarmee aanspraak hebben op studiefinanciering, komen niet in aanmerking voor algemene bijstand (zie artikel 13 lid 2 onderdeel c onder 1 Participatiewet). Het volgen van uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs is ook mogelijk zonder dat een jongere aanspraak heeft op studiefinanciering. Denk bijvoorbeeld aan het voortgezet onderwijs of de beroepsbegeleidende leerweg (BBL-opleiding). Kan een jongere nog zo’n door het Rijk gefinancierde opleiding volgen waarvoor geen recht op studiefinanciering bestaat, maar laat hij dat na, dan bestaat evenmin recht op algemene bijstand (artikel 13 lid 2 onderdeel c onder 2 Participatiewet).

 

Bovengenoemde hoofdregel is het uitgangspunt. Of iemand in staat is om een dergelijke opleiding te 'kunnen' volgen, wordt individueel bepaald.

Artikel 3.1 Wijze van korten inkomsten i.v.m. kamerhuurders/kostgangers

Indien een belanghebbende een huurder, onderhuurder of een kostganger heeft op basis van een commerciële huurovereenkomst, dan telt deze persoon niet mee voor de berekening van de hoogte van de kostendelersnorm (artikel 22a lid 4 onderdeel b Participatiewet). Bij het berekenen van de hoogte van de kostendelersnorm wordt daarom in dat geval geen rekening gehouden met de inkomsten uit verhuur. De (kale) huurinkomsten kunnen in dat geval worden gekort.

Artikel 3.2 Saldo lopende rekening bij vermogensvaststelling

Van het saldo op de lopende rekening wordt bij de aanvraag om bijstand en heronderzoeken geen bedrag vrijgelaten in verband met lopende uitgaven. Een negatief saldo op de lopende rekening moet als schuld worden aangemerkt en telt daarom mee bij de vaststelling van het vermogen.

Artikel 3.3 Moment vermogensvaststelling bij echtscheiding/verlating

Uitgangspunt is dat het vermogen wordt vastgesteld bij aanvang van de bijstand. In één situatie kan van deze hoofdregel worden afgeweken, te weten:

 

  • Wanneer de aanvrager verwikkeld is in een echtscheidingsprocedure of indien er sprake is van een verlating en een vermogen heeft dat minder bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens, of;

  • Wanneer er een aanvraag schulddienstverlening of bewindvoering loopt. De aanvrager heeft op dat moment vaak nog geen totaaloverzicht van zijn schulden. De informatie komt uiteindelijk vaak via schulddienstverlening of de bewindvoerder. De aanvrager blijft wel zelf verantwoordelijk voor het aanleveren van informatie.

In deze gevallen kan gewacht worden met de vermogensvaststelling totdat de boedelscheiding een feit is. In de toekenningsbeschikking moet dan de mededeling worden opgenomen dat het vermogen nog wordt vastgesteld en dat bij overschrijding van de toepasselijke vermogensgrens de teveel betaalde bijstand zal worden teruggevorderd.

Artikel 3.4 Vaststellen vermogen bij overname cliënt uit andere gemeente

Bij overname van een belanghebbende uit een andere gemeente dienen het vermogen en de toepasselijke vermogensgrens opnieuw te worden vastgesteld. Artikel 40 lid 1 Participatiewet bepaalt namelijk dat het recht op bijstand geldt jegens het college van de gemeente waar belanghebbende woonplaats heeft. Daardoor moet bij verhuizing naar een andere gemeente de bijstandsuitkering in de oude gemeente beëindigd worden en een nieuwe aanvraag worden ingediend bij het college van de nieuwe gemeente.

 

Gezien de algehele verantwoordelijkheid van het college voor de uitvoering van de Participatiewet, is het college dus ook verantwoordelijk voor het vaststellen van het vermogen van belanghebbende bij de aanvraag voor bijstand.

Artikel 3.5 Vaststelling vermogen bij wijziging leefvorm

  • 1.

    De hoogte van de vermogensgrens is gelijk aan de actuele vermogensgrens die geldt voor de nieuwe leefvorm van de belanghebbende (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwden).

  • 2.

    Stel het vermogen opnieuw vast (bezittingen minus schulden). Voorkom daarbij onbillijkheden en houd daarom in ieder geval rekening met het volgende: Het deel van het vermogen dat is ontstaan tijdens de bijstandsperiode door ontvangen rente en besparingen dient gelet op de vrijlatingsbepalingen buiten beschouwing te blijven.

Bij alleenstaande ouders die alleenstaanden worden is het onder omstandigheden aanvaardbaar dat een deel van het vermogen wordt overgedragen aan de (niet meer ten laste komende) kinderen waardoor het vermogen van de bijstandsgerechtigde alleenstaande lager wordt. Maak van deze mogelijkheid gebruik indien bij de oorspronkelijke vermogensvaststelling rekening is gehouden met vermogensbestanddelen van ten laste komende kinderen. De systematiek van de Participatiewet schrijft dit immers voor als de kinderen tot het gezin behoren. Een redelijke wetstoepassing brengt echter met zich mee dat zodra de betreffende kinderen de leeftijd van 18 jaar bereiken (en dus niet langer tot het gezin in de zin van de Participatiewet behoren) bij de vermogensvaststelling van de ouder niet langer rekening wordt gehouden met de vermogensbestanddelen van die kinderen (dus met het saldo op de bankrekening van het kind dat 18 jaar is geworden). Dit is slechts dan anders indien er voorafgaande aan de bijstandsverlening een vermogensoverheveling heeft plaatsgevonden van de ouder naar de kinderen met als kennelijk doel om het recht op bijstand (langer) te waarborgen.

Artikel 3.6 Beleid inzake korten voorlopige teruggave

Ontvangen bedragen aan teruggave en voorlopige teruggave worden gekort, voorzover deze betrekking hebben op een periode waarin bijstand wordt verleend.

 

Indien het aannemelijk is dat belanghebbende in aanmerking komt voor een voorlopige teruggave in verband met de heffingskorting wordt hem op grond van artikel 55 Participatiewet de verplichting opgelegd deze bij de belastingdienst aan te vragen. Laat hij dit na, dan wordt het bedrag waarover hij redelijkerwijs zou kunnen beschikken, gekort.

Artikel 3.7 Vrijlaten giften

Immateriële schadevergoeding

Andere dan de in artikel 31 lid 2 onderdeel l Participatiewet bedoelde uitkeringen en vergoedingen voor immateriële schade worden niet als middelen (inkomen of vermogen) in aanmerking genomen.

Het komt voor dat in een dergelijke vergoeding een component is opgenomen voor loonderving. Het loondervingsdeel wordt wel bij de middelentoets betrokken. Periodieke vergoedingen worden als inkomen gezien en een eenmalige vergoeding geldt als vermogen.

Materiële schadevergoeding

Andere dan de in artikel 31 lid 2 onderdeel l Participatiewet bedoelde uitkeringen en vergoedingen voor materiële schade worden niet als middelen (inkomen of vermogen) in aanmerking genomen, tenzij:

  • met hetzelfde doel bijstand is verstrekt of hiervoor later bijstand wordt gevraagd en/of;

  • betrokkene de ontvangen vergoeding niet besteed heeft voor het wegnemen van de geleden schade. Als iemand slechts een deel van de vergoeding heeft aangewend voor het wegnemen van de schade wordt het niet benutte deel als middelen gezien.

Giften

Er zal steeds individueel beoordeeld moeten worden in hoeverre een gift buiten beschouwing kan worden gelaten. Als het gaat om de hoogte van de gift, moet bezien worden of dit leidt tot een bestedingsniveau dat niet meer in overeenstemming is met hetgeen op bijstandsniveau gebruikelijk is (bijvoorbeeld wanneer de belanghebbende maandelijks een gift van € 450,- ontvangt). Gaat het om de bestemming van gift, dan zal bij een specifieke bestemming (bijvoorbeeld studiekosten of schulden) de vrijlating eerder in de rede liggen dan wanneer deze betrekking heeft op de algemeen noodzakelijk kosten van het bestaan (levensonderhoud).

Artikel 3.8 Woonkosten worden door een ander voldaan

De verlaging voor het ontbreken van woonkosten bedraagt 20% van de gehuwdennorm.

 

Deze verlaging wordt niet toegepast wanneer de uitkering is berekend met toepassing van de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de Participatiewet.

Artikel 3.9 Waarde auto bij vermogensvaststelling

Algemeen gebruikelijk

Op grond van artikel 34 Participatiewet worden niet alleen bezittingen in natura die, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn, niet als vermogen aangemerkt, maar ook bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn. Het college vindt:

 

  • eenautoofmotor met een waarde tot maximaal € 2.269,- algemeen gebruikelijk; Indien de waarde meer bedraagt dan € 2.269,- zijnde het bedrag dat ook in het kader van de kwijtschelding van belastingen op grond van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet geldt, wordt alleen dit meerdere in aanmerking genomen als vermogen.

  • caravans, campers en boten zijn vanwege hun aard, niet algemeen gebruikelijk.

  • dat de aanschaf van een auto of motor door de client moet worden toegelicht (aan de hand van facturen en/of bankafschriften enz.).

Waardevaststelling

Voor de vaststelling van de waarde van de auto's en motoren (inclusief btw) wordt in beginsel uitgegaan van de koerslijsten van de ANWB (verkoopprijzen), zijnde de in aanmerking te nemen waarde in het economisch verkeer (artikel 34 Participatiewet).

Van deze uitgangspunten wordt afgeweken indien er aantoonbare verschillen zijn tussen het goed en de uitgangspunten van de koerslijsten, bijvoorbeeld enerzijds een schade-auto en anderzijds een oldtimer.

Artikel 3.10 Reservering uitvaartkosten bij vermogensvaststelling

Een verzekering voor de kosten van begrafenis of crematie wordt geacht algemeen gebruikelijk te zijn (artikel 34 lid 2 onderdeel a Participatiewet) Dit kan zowel een verzekering in natura zijn of een verzekering die in contanten uitkeert. Dergelijke verzekeringen worden in beginsel vrijgelaten. Eigen reserveringen van belanghebbende in contanten en verzekeringen die niet voldoen aan onderstaande bepalingen worden, voor zover als zij te gelde gemaakt kunnen worden, op grond van artikel 31 lid 1 Participatiewet als middel in aanmerking te worden genomen:

 

  • Uitvaartverzekering welke in natura uitkeert, wordt altijd vrijgelaten;

  • Uitvaartverzekering welke contanten uitkeert kan worden vrijgelaten indien: - de waarde mag niet bovenmatig hoog zijn (richtbedrag per persoon = totaal aan begrafeniskosten volgens Prijzengids NIBUD); - het tegoed wordt bij overlijden uitgekeerd en anderszins niet tussentijds opvraagbaar of afkoopbaar dan wel slechts opvraagbaar of afkoopbaar tegen zeer ongunstige voorwaarden; - bij een hogere polis mag de bijstandsafhankelijkheid bij het afsluiten van de polis in ieder geval niet voorzienbaar zijn geweest en mag het tegoed alleen bij overlijden worden uitgekeerd en in het geheel niet tussentijds opvraagbaar of afkoopbaar zijn.

Artikel 3.11 Wanneer wordt toepassing gegeven aan de inkomstenvrijlating

In beginsel komt elke vorm van betaald werk in aanmerking voor de inkomstenvrijlating van artikel 31 Participatiewet (lid 2 onder o en r).

 

Verzwegen inkomsten kunnen (als zij achteraf geconstateerd worden) niet in aanmerking komen voor de vrijlating, daar het achteraf vrijlaten niet meer bijdraagt aan de arbeidsinschakeling.

 

De vrijlating bedraagt 25% van de inkomsten met een maximum per maand, gedurende maximaal 6 maanden (artikel 31 lid 2 onderdeel n Participatiewet).

 

Voor alleenstaande ouder geldt nog een vrijlating van 12,5% van de inkomsten wanneer zij de vrijlating van 25% gedurende een half jaar al hebben gehad (artikel 31 lid 2 onderdeel r). Deze vrijlating geldt gedurende maximaal 30 maanden.

De vrijlating kan worden toegekend met ingang van de eerste dag met inkomsten (of bij aanvang van de uitkering). De cliënt dient er op gewezen te worden dat de vrijlating slechts éénmalig gedurende zes maanden kan worden verstrekt. Deze zes maanden hoeven niet aaneengesloten te zijn.

Artikel 4.1 Inschrijving bij uitzendbureaus

Het college legt aan iedere belanghebbende de plicht op om zich bij zoveel mogelijk uitzendbureaus in te schrijven. Er wordt per geval beoordeeld wat haalbaar is. In individuele gevallen kan het college belanghebbenden hiervan tijdelijk ontheffen op grond van artikel 9 Participatiewet (lid 2).

Artikel 4.2 Beleidsregels ontheffing arbeidsplicht

In beginsel wordt geen ontheffing van de arbeidsverplichtingen verleend en geldt voor alle belanghebbenden de volledige plicht tot arbeidsinschakeling.

 

Een tijdelijke ontheffing wordt alleen verleend, indien daarvoor dringende redenen zijn.

 

De volgende situaties KUNNEN dringende redenen zijn om een belanghebbende tijdelijk ontheffing van de arbeidsverplichtingen te verlenen:

  • ingeval een alleenstaande ouder zorgtaken heeft voor één of meer ten laste komende kinderen van jonger dan 5 jaar of voor een gehandicapt kind jonger dan 18 jaar;

  • ingeval het gezien de medische en/of sociale omstandigheden naar oordeel van het college niet zinvol is belanghebbende arbeidsverplichtingen op te leggen;

  • ingeval betrokkene opgenomen is in een traject richting arbeidsmarkt, echter enkel voor zover de verplichtingen een belemmering zijn voor dit traject.

Artikel 4.3 Betekenis ‘onverwijld uit eigen beweging’ in artikel 17 lid 1 Participatiewet

  • Het college verstaat onder ‘onverwijld uit eigen beweging’, dat belanghebbende de bedoelde inlichtingen in ieder geval vermeldt op het eerstvolgende mutatieformulier vanaf het moment waarop het te melden feit zich heeft voorgedaan, dan wel;

  • Kenbaar werd voor belanghebbende.

Het mutatieformulier wordt de eerste werkdag van de maand ingeleverd en heeft betrekking op de voorgaande maand.

Artikel 4.4 Belanghebbende beschikt niet meer over bewijsstukken

De verwijtbaarheid ten aanzien van het niet, niet tijdig of onvolledig verstrekken van de gevorderde bewijsstukken wordt altijd individueel beoordeeld. Daarbij wordt er vanuit gegaan dat belanghebbende in beginsel over alle te vorderen bewijsstukken dient te beschikken dan wel hierover (als nog) kan beschikken door deze, op eigen initiatie en voor eigen rekening, op te vragen.

 

Het niet, niet tijdig of onvolledig verstrekken van gevorderde bewijsstukken leidt in beginsel dan ook tot:

  • het buiten behandeling stellen van de aanvraag met in achtneming van artikel 4:5 Awb of,

  • het opschorten van de bijstand op grond van artikel 54 Participatiewet.

Artikel 4.5 Periode over te leggen bankafschriften

Bij aanvraag en heronderzoek is de belanghebbende verplicht van alle bank-, krediet-, creditcard-, spaar- en effectenrekeningen (van alle gezinsleden) alle afschriften te overleggen die betrekking hebben op de periode van 3 maanden voorafgaande aan de datum van de aanvraag of het heronderzoek.

 

Bij gerichte individuele fraude-onderzoeken kan deze periode worden verlengd.

Artikel 4.6 Procedure inleveren maandelijks mutatieformulier

  • 1.

    De belanghebbende is verplicht om zijn mutatieformulier in te leveren wanneer er wijzigingen zijn of wanneer hij inkomsten heeft. Belanghebbenden die hun mutatieformulier niet op tijd hebben ingeleverd, worden schriftelijk verzocht (termijn van orde) om dit alsnog te doen binnen vijf werkdagen na dagtekening van de brief. Met de betaling van de uitkering wordt gewacht totdat het mutatieformulier is ingeleverd. De reden hiervoor is dat het recht op bijstand over de betreffende maand niet kan worden vastgesteld

  • 2.

    Belanghebbenden die hun mutatieformulier ook niet binnen bovengenoemde termijn inleveren, worden schriftelijk verzocht dit alsnog binnen 5 werkdagen (hersteltermijn) te doen. Daarbij wordt vermeld dat het recht op uitkering wordt opgeschort op grond van artikel 54 lid 1 Participatiewet en er mogelijk een boete zal worden toegepast. Ook wordt er gewezen op het feit dat indien ook nu niet aan het verzoek tot inlevering van het mutatieformulier wordt voldaan de uitkering wordt beëindigd per de eerste dag waarop de inkomsten of de wijziging betrekking heeft.

  • 3.

    Indien de belanghebbende binnen de hersteltermijn het mutatieformulier niet inlevert, volgt intrekking van het recht op uitkering per ingang van de eerste dag waarop de inkomsten of de wijziging betrekking hebben of vanaf de datum dat het recht op uitkering niet meer is vast te stellen. Aan belanghebbenden die alsnog binnen de hersteltermijn hun mutatieformulier inleveren kan een boete worden opgelegd of worden volstaan met een waarschuwing.

Artikel 4.7 Categorieën die zijn vrijgesteld inleveren maandelijks mutatieformulier

Er zijn geen categorieën van belanghebbenden aangewezen die zijn vrijgesteld van de verplichting om een mutatieformulier in te vullen.

 

Elke belanghebbende die algemene bijstand of periodieke bijzondere bijstand ontvangt, moet bij inkomsten of wijzigingen een mutatieformulier invullen en inleveren bij de uitkeringsadministratie in Oldebroek.

 

In individuele gevallen kan om dringende reden worden afgezien van de verplichting tot het inleveren van het mutatieformulier.

Artikel 4.8 Meldingsplicht vrijwilligerswerk

De belanghebbende is verplicht om aanvaard vrijwilligerswerk op het eerstvolgende mutatieformulier te melden.

 

Onbetaalde werkzaamheden:

  • die de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt belemmeren, en/of;

  • waarvoor belanghebbende redelijkerwijs een beloning, anders dan een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 31 lid 2 onder k Participatiewet kan bedingen, worden niet aangemerkt als vrijwilligerswerk.

Werkzaamheden worden geacht de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt te belemmeren voor zover het een volledige arbeidsweek onmogelijk maakt, indien het niet gebruikelijk is het te verrichten naast een volledige baan of anderszins de inschakeling in betaalde arbeid belemmert.

 

Zie voor het verrichten van werkzaamheden waarvoor belanghebbende een beloning had kunnen bedingen Inkomen.

Artikel 4.9 Duur aanvultermijn bij aanvraag op grond van artikel 4:5 lid 1 Awb

De aanvultermijn krachtens artikel 4:5 lid 1 Awb bedraagt in beginsel vijf werkdagen. Indien belanghebbende redelijkerwijs meer of minder tijd nodig heeft kan deze termijn langer of korter worden vastgesteld. De maximale aanvultermijn bedraagt acht weken.

 

Wanneer belanghebbende van mening is dat hij niet binnen de gestelde termijn aan het verzoek kan voldoen, moet hij binnen deze termijn om verlenging van de termijn vragen.

Artikel 4.10 Duur hersteltermijn tijdens bijstand

In het geval belanghebbende verwijtbaar de van belang zijnde gegevens niet, niet tijdig of niet volledig heeft verstrekt of anderszins onvoldoende medewerking verleent, wordt belanghebbende een termijn van orde verleend van vijf werkdagen om zijn verzuim te herstellen.

 

Na afloop van de termijn van orde schort het college het recht op uitkering op conform de procedure van artikel 54 Participatiewet.

 

De termijn waarbinnen belanghebbende zijn verzuim kan herstellen is in beginsel vijf werkdagen. De maximale duur van de opschorting bedraagt op grond van artikel 54 lid 1 Participatiewet acht weken.

Artikel 4.11 Beleidsregels huisbezoek

Het huisbezoek moet een beter beeld opleveren over met name de woon- en leefsituatie van belanghebbende in relatie tot de uitkering. Het huisbezoek is een belangrijk verificatie-instrument. Als uitgangspunt zal in de volgende situaties een huisbezoek worden afgelegd.

Uit oogpunt van dienstverlening

Het betreft hier huisbezoeken bij cliënten die als gevolg van hun immobiliteit of een communicatieve handicap niet zelf in staat zijn om naar de dienst te komen.

Als maatwerk voor bijstandsverlening

Het gaat hier met name om bijstand voor woninginrichting. Om de noodzaak en omvang van bijstand te beoordelen is het vaak nodig de situatie ter plekke vast te stellen.

Als verificatie van de woon- en leefsituatie, zoals:

  • verificatie of belanghebbende ook werkelijk op het opgegeven adres woont;

  • verificatie met wie de woning wordt gedeeld;

  • verificatie of sprake is van een gezamenlijke huishouding.

Deze verificaties vinden alleen via een huisbezoek plaats voor zover het college geconfronteerd wordt met inconsistentie van gegevens en deze inconsistentie onvoldoende wordt verklaard (gerede twijfels bij de juistheid van de verstrekte informatie). In het geval het huisbezoek plaatsvindt in het kader van een fraudeonderzoek, dan is het gebruikelijk dat het huisbezoek afgelegd wordt door de consulent en een sociaal rechercheur. Deze laatste maakt vervolgens een rapportage waarin de bevindingen worden beschreven.

Als verificatie van de vermogens- of inkomenssituatie

Verificatie van het verrichten van bedrijfsmatige activiteiten en om de vermogenspositie nader te toetsen, voor zover er onduidelijkheid is over de aard en omvang van de activiteiten c.q. het vermogen.

 

(Onaangekondigd huisbezoek

Een huisbezoek wordt als uitgangspunt aangekondigd. Onder aangekondigd wordt ook verstaan een mededeling in de spreekkamer dat de consulent, eventueel vergezeld van een sociaal rechercheur, samen met belanghebbende naar zijn huis gaat.

 

Bij inconsistentie van gegevens waarvoor geen plausibele verklaring kan worden afgelegd is een onaangekondigd huisbezoek mogelijk. Daarnaast kan in het kader van een bijzondere onderzoek (repressieve controle) een onaangekondigd huisbezoek plaatsvinden. Bij een huisbezoek dient de consulent zich op verzoek van belanghebbende te legitimeren.

 

Overigens heeft belanghebbende, ook in het geval dat er sprake is van een bijzondere aanleiding voor het huisbezoek, het recht om het huisbezoek te weigeren. Indien hierdoor het recht op bijstand niet of niet meer kan worden vastgesteld, leidt dit er toe dat de bijstand moet worden beëindigd. Belanghebbende wordt dit, bij weigering van een huisbezoek, ook medegedeeld.

 

Zie ook het handhavingsbeleid.

Artikel 4.12 Personen zonder identiteitsbewijs

De belanghebbende die bij de aanvraag van bijstand niet beschikt over een geldig identiteitsbewijs zal zelf en voor eigen rekening een dergelijk document opnieuw moeten aanvragen.

 

Met inachtneming van artikel 4:5 lid 1 Awb wordt een hersteltermijn gegeven waarbinnen hij alsnog een identiteitsbewijs kan overleggen. In uitzonderlijke gevallen kan bij wijze van voorschot op grond van artikel 52 Participatiewet leenbijstand worden verstrekt.

Artikel 4.13 Personen zonder geldig identiteitsbewijs

Belanghebbende dient zich bij eerste aanvraag te kunnen legitimeren met een geldig identiteitsbewijs. Is de identiteit van belanghebbende met Nederlandse nationaliteit eenmaal vastgesteld, dan wordt ook een verlopen identiteitsbewijs of rijbewijs geaccepteerd als legitimatie, tenzij er twijfels bestaan omtrent het voortduren van het Nederlanderschap van betreffende belanghebbende.

Artikel 4.14 Uitleg budgetteringsplicht artikel 57 Participatiewet

Het college kan een budgetteringsplicht opleggen, indien er bij belanghebbende sprake is van schulden waardoor de betaling van de maandelijkse vaste lasten in het gedrang kan komen. In geval van bijzondere bijstand wordt bij een negatief saldo op de lopende rekening van belanghebbende, ten aanzien van betreffende bijzondere bijstand een budgetteringsplicht opgelegd. Indien aan belanghebbende een budgetteringsplicht is opgelegd op grond van artikel 57 onder a Participatiewet, wordt hem tezamen met de beschikking een machtigingsformulier gezonden. Zodra het machtigingsformulier ondertekend is ontvangen, gaat het college over tot rechtstreekse betaling van de maandelijkse huur- en energierekeningen van de belanghebbende aan de desbetreffende schuldeisers door middel van inhoudingen op de uitkering.

Artikel 4.15 Afzien van verlaging en waarschuwing i.p.v. verlaging

Deze richtlijn is geïntegreerd in richtlijn Hoogte verlaging bij schending geüniformeerde verplichtingen en Hoogte verlaging bij schending niet-geüniformeerde verplichtingen.

 

Artikel 4 van de verordening bepaalt het volgende:

 

Een verlaging wordt toegepast op de uitkering respectievelijk de bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 van de PW over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het toepassen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende bijstandsnorm.

Maatregel met terugwerkende kracht

In afwijking van het bovenstaande kan de maatregel met terugwerkende kracht worden opgelegd, voorzover de uitkering of bijzondere bijstand nog niet is uitbetaald.

 

Als verlaging niet mogelijk is, omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken, kan de verlaging met terugwerkende kracht worden toegepast op de uitkering over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad dan wel de uitkering over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden.

 

Verlagen in de toekomst

Een op te leggen maatregel die niet kan worden uitgevoerd omdat de uitkering van de belanghebbende inmiddels is beëindigd, wordt alsnog toegepast wanneer de belanghebbende binnen twaalf maanden na beëindiging opnieuw een uitkering ontvangt.

Artikel 4.17 Termijn heroverweging besluit tot verlaging

Op grond van artikel 18 lid 3 PW heroverweegt het college een beslissing tot een verlaging krachtens de PW indien de verlaging dan nog voortduurt binnen 3 maanden na de datum van de beslissing.

Artikel 4.18 Mutatieformulier of inkomstenformulier

Belanghebbende moet een mutatieformulier inleveren wanneer hij inkomsten heeft of wijzigingen heeft die van invloed kunnen zijn op de uitkering. Het formulier moet de eerste werkdag van de maand (achteraf) binnen zijn bij de uitkeringsadministratie.

Artikel 4.19 Verlagen algemene bijstand, bijzondere bijstand, inkomens- of studietoeslag

Berekeningsgrondslag

Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm.

Toepassing verlaging op bijzondere bijstand

In afwijking hiervan kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als:

  • 1.

    aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 Participatiewet; of

  • 2.

    de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft.

Toepassing onderdeel a

Bij toepassing van onderdeel a, moet "bijstandsnorm" worden gelezen als "bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 Participatiewet verleende bijzondere bijstand".

Toepassing onderdeel b

Bij toepassing van onderdeel b moet "bijstandsnorm" worden gelezen als "de verleende bijzondere bijstand".

Artikel 4.20 Afspraken met OM bij fraudebedrag onder € 50.000,00

Het college heeft geen afspraken met het OM gemaakt.

Artikel 4.21 Tegenprestatie naar vermogen

Onderstaand beleid is opgenomen in de verordening.

Inhoud van een tegenprestatie

Als tegenprestatie gelden onbeloonde maatschappelijke nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, voor zover die werkzaamheden:

  • 1.

    naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt;

  • 2.

    niet zijn bedoeld als re-integratie-instrument;

  • 3.

    worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; en

  • 4.

    niet leiden tot verdringing.

Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening beleidsregels vast waarin in ieder geval de duur en omvang van de tegenprestatie wordt aangegeven en wanneer sprake is van verdringing op de arbeidsmarkt.

Het opleggen van een tegenprestatie

Het college kan een belanghebbende een tegenprestatie opleggen.

Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening met de volgende factoren:

  • 1.

    Het vermogen om een tegenprestatie te verrichten;

  • 2.

    De persoonlijke situatie en individuele omstandigheden;

  • 3.

    Het verrichten van mantelzorg of vrijwilligerswerk.

Een belanghebbende dient zelf een passende tegenprestatie te zoeken.

Indien een belanghebbende dit nalaat bepaalt het college zelf de inhoud van de tegenprestatie.

Toelichting:

Tegenprestatie ‘naar vermogen’

De werkzaamheden die als tegenprestatie ingezet worden, moeten naar vermogen door een belanghebbende verricht kunnen worden. De term 'naar vermogen' heeft betrekking op de mogelijkheden waarover een belanghebbende beschikt om deze werkzaamheden te verrichten. Immers, niet alle onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden kunnen worden opgedragen aan elke uitkeringsgerechtigde (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30).

Persoonlijke situatie en individuele omstandigheden

Bij het opdragen van de tegenprestatie houdt het college rekening met de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding en werkervaring (Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). Hierbij wordt rekening gehouden met het fysieke en psychische vermogen van een belanghebbende. Voorts wordt bij opdragen van een tegenprestatie rekening gehouden met praktische omstandigheden zoals reistijd, beschikbaarheid van kinderopvang.

Mantelzorg

Onder mantelzorg wordt verstaan: zorg ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensteen als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.

Vrijwilligerswerk

Onder vrijwilligerswerk wordt verstaan: werk dat in enig verband onverplicht en onbetaald wordt verricht, voor anderen of de samenleving.

Artikel 4.22 Waarschuwing i.p.v. bestuurlijke boete

Wanneer sprake is van schending van de inlichtingenplicht zonder benadelingsbedrag (nulfraude), of een benadelingsbedrag lager dan € 150,- wordt volstaan met een waarschuwing in plaats van een boete. Indien binnen twee jaar na het opleggen van de waarschuwing (datum beschikking) opnieuw sprake is van schending van de inlichtingenplicht zonder benadelingsbedrag of een bedrag lager dan € 150,-, wordt wel een boete opgelegd.

Artikel 4.23 Aanvullende criteria van omstandigheden die leiden tot verminderde verwijtbaarheid

In artikel 2a Boetebesluit socialezekerheidswetten zijn criteria opgenomen die in ieder geval leiden tot verminderde verwijtbaarheid. Daarnaast wordt altijd in het individuele geval afgewogen of er dringende redenen zijn die leiden tot verminderde verwijtbaarheid of die het verlagen of afzien van een boete rechtvaardigen.

Artikel 4.24 Nadere regels bewijsopdracht

Er worden geen nadere regels gesteld. In het individuele geval wordt afgewogen wat noodzakelijk is.

Artikel 4.25 Overgangsrecht en matigen boete

Bij een schending van de inlichtingenplicht die is begaan vóór 1 januari 2013 en niet is opgeheven of geconstateerd vóór 1 februari 2013 wordt een boete opgelegd conform het nieuwe recht. Uit jurisprudentie blijkt echter dat het college in zo'n geval moet beoordelen of matiging van de boete aan de orde is. Grondslag daarvoor is artikel 15 IVBPR (zie CRvB 19-05-2009, nr. 08/655 WWB). Het college moet de boete volgens deze jurisprudentie herberekenen:

  • voor de periode tot 1 januari 2013 moet voor de hoogte van de boete worden gekeken naar het oude recht (de afstemmingsverordening) zoals dat gold vóór 1 januari 2013;

  • voor de periode ná 1 januari 2013 moet het college het nieuwe recht (de bestuurlijke boete) in aanmerking nemen.

Voor zover het bedrag van deze herberekening lager is dan het boetebedrag dat volgens het nieuwe recht zou moeten worden opgelegd, moet het college de boete matigen tot het bedrag van de herberekening.

Artikel 4.26 Hoogte verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichtingen

Onderstaand beleid is opgenomen in de Maatregelenverordening.

Duur verlaging

Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de PW niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand.

Verrekenen verlaging

Het bedrag van de verlaging, wordt toegepast over de maand van oplegging van de maatregel en de volgende 2 maanden als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

Geen verrekening

Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de PW, vindt geen verrekening als hierboven bedoeld plaats.

Besluit

In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering worden in ieder geval vermeld:

  • 1.

    de reden van de verlaging;

  • 2.

    de duur van de verlaging;

  • 3.

    het percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd; en

  • 4.

    indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging.

Samenloop

Eén gedraging, schending meerdere verplichtingen

Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in artikel 18 lid 4 Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld.

 

Meerdere gedragingen, schending één of meerdere verplichtingen

Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in artikel 18 lid 4 Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.

 

Samenloop met bestuurlijke boete (één gedraging)

Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in artikel 18 lid 4 Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17 lid 1 Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd.

 

Samenloop met bestuurlijke boete (meerdere gedragingen)

Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in artikel 18 lid 4 Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17 lid 1 Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.

 

Recidive

Verdubbeling van de duur van de oorspronkelijke verlaging

Als een belanghebbende zich, binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast (of waarmee is afgezien van een verlaging) op grond van schending van geüniformeerde verplichtingen, opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld.

Artikel 4.27 Hoogte verlaging bij schending niet-geüniformeerde arbeidsverplichtingen

Het beleid met betrekkingen tot de IOAW en IOAZ is opgenomen in richtlijn 13.11 Overzicht hoogte verlagingen.

 

Het verlagen van de bijstand in het kader van de Participatiewet bij schending van niet-geüniformeerde verplichtingen

 

Op grond van de maatregelenverordening worden de volgende verlagingen toegepast:

 

Hoogte en duur van de verlaging

Gedraging

0% (schriftelijke waarschuwing)

Eerste categorie

1. het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV of het niet tijdig laten verlengen van de registratie;

 

Tweede categorie

1. het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a PW;

2. het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de PW, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vie weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de PW, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de PW;

20% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand

3. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9 eerste lid, onderdeel b, van de PW niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de PW;

4. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de PW;

5. het niet of onvoldoende nakomen van de medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de PW.

100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand

Derde categorie

1. het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zoer dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18 lid 4 Participatiewet.

Als een belanghebbende niet meewerkt aan het afleggen van de taaltoets als bedoeld in artikel 18b, tweede lid, van de PW, wordt een verlaging opgelegd van: 20% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand;

Niet meewerken aan taaltoets

40% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand

Als belanghebbende zich binnen 12 maanden nabekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege het niet meewerkenaan het afleggen van de taaltoets opnieuw schuldig maakt aan dezelfde verwijtbare gedraging.

Telkens 100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand

Als belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit in de zin van artikel 7, onderdeel b, van deze verordening, opnieuw schuldig maakt aan dezelfde verwijtbare gedraging.

Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

 

10% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand

Benadelingsbedrag tot en met € 1.000,-

20% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand

Benadelingsbedrag vanaf € 1.000,- tot € 2.000,-

40% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand

Benadelingsbedrag vanaf € 2.000,- tot € 4.000,-

100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand

Benadelingsbedrag vanaf € 4.000,- of hoger.

10% van de bijstandsnorm gedurende het aantal maanden dat eerder een beroep op bijstand is gedaan

In die gevallen waarbij sprake is van onverantwoord interen van vermogen. Hierbij geldt een maximum van 24 maanden.

Zeer ernstige misdragingen

 

100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand

Zich zeer ernstig misdragen tegenover personen en instanties belast met de uitvoering van de Participatiewet.

Overige verplichten (artikel 55 Participatiewet)

 

20% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand

Het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen strekkende tot arbeidsinschakeling;

20% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand

Het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaald vorm van bijstand;

40% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand

Het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand;

100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand

Het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.

Besluit  

In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering worden in ieder geval vermeld:

 

  • 1.

    de reden van de verlaging;

  • 2.

    de duur van de verlaging;

  • 3.

    het percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd; en

  • 4.

    indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging.

Samenloop

Eén gedraging, schending meerdere verplichtingen

Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze verordening genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld.

 

Meerdere gedragingen, schending één of meerdere verplichtingen

Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze verordening genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.

 

Samenloop met bestuurlijke boete (één gedraging)

Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in deze verordening genoemde verplichting als een in artikel 17 lid 1 Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd.

 

Samenloop met bestuurlijke boete (meerdere gedragingen)

Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening genoemde verplichting als een in artikel 17 lid 1 Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.

Recidive  

Verdubbeling van de duur van de oorspronkelijke verlaging

Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast (of waarmee is afgezien van een verlaging) opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. Het betreft:

 

  • gedragingen tweede en derde categorie;

  • tekortschietend besef van verantwoordelijkheid;

  • overige verplichtingen (artikel 55 Participatiewet).

Verdubbeling van de hoogte van de oorspronkelijke verlaging

Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast (of waarmee is afgezien van een verlaging) vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 6, eerste lid, 7, eerste lid of 11 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de hoogte van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. Het betreft:

 

  • gedragingen eerste categorie;

  • zeer ernstige misdragingen.

Artikel 4.28 Taaltoets  

Voor alle gemeenten binnen de arbeidsmarktregio Zwolle wordt op eenduidige wijze invulling gegeven aan de Wet Taaleis Participatiewet. De ROC’s leveren een eenduidig en herkenbaar product aan de gemeenten en volgen dezelfde werkwijze.

 

Ook is het door de eenduidige werkwijze mogelijk dat toetsing bij één ROC plaatsvindt, maar dat de vervolgopleiding door een ander ROC gedaan wordt. Zeker gezien de aantallen deelnemers in de eerste maanden van 2017 is dit van groot belang. Zo kunnen vanuit de verschillende gemeenten groepen deelnemers gevormd worden, waardoor de kosten voor de gemeente laag blijven. Voor de deelnemers geldt de regel dat een half uur reistijd, gerekend van en naar de centrale toetsplaats, acceptabel is.

 

Wanneer inwoners vanuit Hattem aangemeld worden voor taaltoetsing, zal dit bekostigd worden uit deze middelen wanneer een taaltoets kandidaat voldoet aan de vereisen vanuit de WEB (analfabeet, laaggeletterd of vrijwillig inburgeraar).

 

Eventuele trajecten voor taalverhoging dienen door de inwoner zelf bekostigd te worden. Samen met de consulent zal gekeken worden wat de goedkoopst adequate voorziening hiervoor is. Dit kan het zoeken van een taalmaatje zijn of het volgen van een zelfstudie of taalcursus. In principe dienen trajecten voor taalverhoging door de inwoner zelf bekostigd te worden, maar wanneer hiervoor onvoldoende middelen aanwezig zijn bij de inwoner, zal per geval bekeken worden of het mogelijk is hieraan een gemeentelijke bijdrage te leveren. Deze bijdrage dient dan bekostigd te worden uit het Participatiebudget.

Artikel 5.1 Verlaging algemene bijstand wegens ontbreken woonkosten  

De verlaging voor het ontbreken van woonkosten bedraagt 20% van de gehuwdennorm. Deze verlaging wordt niet toegepast wanneer de uitkering is berekend met toepassing van de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de Participatiewet.

Artikel 5.2 Verlaging algemene bijstand schoolverlaters  

De verlaging voor schoolverlaters bedraagt 20% van de gehuwdennorm gedurende zes maanden, gerekend vanaf het tijdstip van de beëindiging van de aanspraak op studiefinanciering of tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten.Deze verlaging wordt niet toegepast wanneer de uitkering is berekend met toepassing van de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de Participatiewet of de bijstandsnorm al lager is dan de studiefinanciering die werd ontvangen.Daarnaast zal worden nagegaan met welke reden de opleiding is beëindigd. Dit zal worden meegewogen in het besluit om de bijstand te verlagen.

Artikel 5.4 Ingangsdatum normwijziging bij verblijf in inrichting  

Bij verblijf in een inrichting wordt de bijstandsnorm omgezet in een lagere norm op grond van artikel 23 Participatiewet (zak- en kleedgeldnorm) nadat, na de maand waarin de opname plaats vond, nog een volledige kalendermaand is verstreken. Dus een lopende uitkering algemene bijstand wordt pas met ingang van de eerste dag van de derde kalendermaand waarin de belanghebbende verblijft in een inrichting omgezet in de lagere norm op grond van artikel 23 Participatiewet (eventueel vermeerderd met bijzondere bijstand voor vaste lasten).

Artikel 5.5 Bijzondere bijstand voor vaste lasten tijdens verblijf in inrichting  

Voor onontkoombare kosten in verband met het aanhouden van de woning kan gedurende maximaal één jaar bijzondere bijstand worden verleend. Dit geldt ook voor gehuwden waarvan beide partners in een inrichting verblijven.

 

Bijzondere bijstand kan worden verleend voor de volgende kosten:

  • de kosten van een televisieabonnement;

  • de kosten van een telefoonabonnement (zie ook begripsomschrijving woonkosten; Woonkosten);

  • de kosten van een internetabonnement;

  • de kosten van de woninghuur;

  • de kosten van het maandelijkse termijnbedrag voor levering van energie;

  • de kosten van de inboedelverzekering.

Voor televisie-, telefoon- en internetabonnement geldt dat bijzondere bijstand slechts mogelijk is voor de periode van de opzegtermijn van deze abonnementen, gerekend vanaf moment van opname.

 

Indien vooraf vaststaat dat de opname langer dan een jaar zal duren dan kan er slechts bijstand worden verleend voor de periode van huuropzegging en kan, indien noodzakelijk, bijstand worden verstrekt in de opslagkosten van de inboedel. Wel moet daarbij worden beoordeeld of de totale opslagkosten in reële verhouding staan tot de waarden van de inboedel.

Artikel 5.6 Beleid inzake bijstandsverlening aan daklozen  

De gemeente is niet aangewezen voor bijstandsverlening aan adreslozen.

 

Belanghebbenden zonder adres kunnen zich voor bijstand wenden tot een van de volgende gemeenten:

 

Alkmaar, Almelo, Almere, Amersfoort, Amsterdam, Apeldoorn, Arnhem, Assen, Bergen op Zoom, Breda, Delft, Den Bosch, Den Haag, Den Helder, Deventer, Doetinchem, Dordrecht, Ede, Eindhoven, Emmen, Enschede, Gouda, Groningen, Haarlem, Heerlen, Helmond, Hilversum, Hoorn, Leeuwarden, Leiden, Maastricht, Nijmegen, Oss, Purmerend, Rotterdam, Spijkenisse, Tilburg, Utrecht, Venlo, Vlaardingen, Vlissingen, Zaanstad of Zwolle.

Artikel 5.7 Bijstand voor ALO-kop bij co-ouders  

Het is mogelijk dat een van de co-ouders niet de ALO-kop ontvangt van de Belastingdienst. Zie “Doelgroep” over de ALO-kop. Indien de ene co-ouder de ALO-kop ontvangt en de andere niet, moeten de co-ouders de verdeling van de ALO-kop in beginsel onderling regelen. In geval van zeer dringende redenen is het college wel gehouden de bijstand individueel hoger vast te stellen (zie “Individualisering en maximale verlaging / anticumulatie”). De juridische grond voor het afwijkend berekenen van de bijstand ingeval van co-ouderschap is gelegen in de individualiseringsbepaling van artikel 18 lid 1 Participatiewet.

Artikel 5.8 Vaststelling vermogen bij co-ouderschap  

Bij co-ouderschap wordt uitgegaan van de vermogensgrens van een alleenstaande ouder.

Artikel 5.9 Verlaging algemene bijstand voor personen van 18, 19 of 20 jaar  

In de normen van artikel 20 Participatiewet en artikel 21 Participatiewet is al rekening gehouden met het feit dat een jongere van 18, 19 of 20 jaar lagere algemeen noodzakelijk kosten van het bestaan heeft doordat hij meestal nog een beroep op zijn ouders kan doen. Nog eens verlagen is dan 'dubbelop'.

Artikel 5.10 Commerciële relatie kostendelersnorm

Wat een commerciële huurprijs is hangt af van de feitelijke situatie. Het gaat er om dat sprake is van een commerciële overeenkomst. Hierdoor wordt een zakelijk relatie tussen bewoner en de verhuurder verondersteld. De hoogte van de huurprijs hangt af van de individuele situatie.

 

Er moet sprake zijn van een individueel contract waarbij de huurder één huurprijs betaalt en die prijs dus niet deelt met andere bewoners.

 

Als slechts een bijdrage in de kosten of een tegenprestatie voor het medebewonen wordt geleverd, zoals boodschappen doen of schoonmaken, is geen sprake van een commerciële prijs, en is de kostendelersnorm van toepassing.

Artikel 6.1 Moment aanvragen bijzondere bijstand (terugwerkende kracht)  

Aanvragen voor bijzondere bijstand kunnen worden ingediend tot en met 2 maanden na het moment waarop de kosten zijn gemaakt. Hierbij kan worden uitgegaan van de notadatum. Het is dus mogelijk om met terugwerkende kracht bijzondere bijstand te verlenen. Dit in tegenstelling tot de algemene bijstand, waarbij dit in beginsel niet kan.

Artikel 6.2 Draagkrachtpercentages  

De draagkracht bedraagt:

  • 1.

    35% van het in aanmerking te nemen inkomen (zie onderdeel 2.3 van deze paragraaf). De inkomensgrens voor bijzondere bijstand is 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. De draagkracht is dus 35% van het inkomen boven deze 120%, plus;

  • 2.

    100% van het in aanmerking te nemen vermogen (zie onderdeel 2.3 van deze paragraaf). De draagkracht is dus het vermogen boven de vermogensgrens van artikel 34 lid 3 Participatiewet.

Bij het in aanmerking te nemen inkomen wordt uitgegaan van de norm die van toepassing is bij NIET-kostendelers. Dus de kostendelersnorm wordt niet toegepast.

Artikel 6.3 Draagkrachtperiode bijzondere bijstand  

Uitkeringsgerechtigden

Er wordt geen draagkrachtperiode vastgesteld. Zolang er recht op een bijstandsuitkering bestaat, is geen sprake van draagkracht.

 

Niet-uitkeringsgerechtigden

De draagkracht in het inkomen wordt vastgesteld voor een periode van één jaar, met ingang van de eerste dag van de maand waarin de aanvraag om bijstand is ingediend. Als op het moment van de aanvraag om bijstand reeds bijzondere noodzakelijke bestaanskosten zijn gemaakt, wordt de begindatum van het draagkrachtjaar vastgesteld op de eerste dag van de maand waarin de reeds gemaakte kosten zijn gemaakt.

 

Verrekening draagkracht

De draagkracht die is vastgesteld voor de draagkrachtperiode van een jaar wordt in één keer verrekend. Wanneer er daarna nog draagkracht resteert, wordt dit bij de volgende aanvraag/aanvragen bijzondere bijstand verrekend.

Artikel 6.4 Wijziging draagkracht tijdens draagkrachtperiode  

In het belang van de rechtszekerheid en de uitvoeringspraktijk geldt als uitgangspunt dat de draagkracht binnen de vastgestelde draagkrachtperiode in beginsel voor die periode definitief is. Met andere woorden: een eenmaal vastgestelde draagkracht wordt in beginsel niet meer aangepast.

Artikel 6.5 Drempelbedrag  

Er wordt geen drempelbedrag gehanteerd voor de kosten voor bijzondere bijstand.

Artikel 6.6 Stappenplan berekening bijzondere bijstand  

 

De berekening van de bijzondere bijstand verloopt als volgt:

  • 1.

    Bepaal de hoogte van de voor bijzondere bijstandsverlening in aanmerking komende kosten (zie Hoogte noodzakelijke kosten);

  • 2.

    Bepaal de draagkrachtperiode (zie Draagkrachtperiode);

  • 3.

    Bepaal het in aanmerking te nemen inkomen over de in stap 2 bepaalde draagkrachtperiode (zie paragraag B7.2. onderdeel 2.3);

  • 4.

    Bepaal het in aanmerking te nemen vermogen over de in stap 2 bepaalde draagkrachtperiode (zie paragraag B7.2. onderdeel 2.3);

  • 5.

    Bereken op grond van stap 3 en het (de) geldende draagkrachtpercentage(s) de draagkracht uit inkomen voor de draagkrachtperiode (zie Draagkracht);

  • 6.

    Bereken op grond van stap 4 en het (de) geldende draagkrachtperiode (zie Draagkracht);

  • 7.

    Bereken de totale draagkracht, te weten de som van stap 5 en 6.

 

Bereken het verschil tussen stap 1 en 7.

a). Indien een negatief bedrag resteert, wordt deze rest in mindering gebracht op de voor bijstand in aanmerking komende kosten van de volgende aanvraag in dezelfde draagkrachtperiode, totdat een positief bedrag resteert.

 

b). Resteert er een positief bedrag, dan wordt dit uitgekeerd als bijzondere bijstand. Indien de aard van de kosten daartoe aanleiding geeft wordt de bijstand gespreid over de draagkrachtperiode betaald (periodieke bijzondere bijstand). De voor bijstand in aanmerking komende kosten van de volgende aanvraag in dezelfde draagkrachtperiode komen dan in hun geheel voor bijstandsverlening in aanmerking.

 

Artikel 6.7 Adresgegevens zorgverzekeraars  

De gemeente heeft een collectieve verzekering afgesloten bij Menzis. Bij deze verzekering is het volledige eigen risico meeverzekerd.

 

Aanmelden bij de verzekering kan via www.gezondverzekerd.nl

Artikel 6.8 Waar en wanneer medisch advies vragen  

De medische noodzaak van kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd wordt vastgesteld aan de hand van het verstrekkingenpakket van voorliggende voorzieningen zoals de Zvw en de Wlz. In dit verband is het dus niet nodig een advies aan te vragen. Wanneer dit niet mogelijk is, kan een onafhankelijk advies worden opgevraagd.

 

Adviezen met betrekking tot medische beperkingen ten aanzien van de arbeidsverplichtingen kunnen ook worden ingewonnen bij een geschikte onafhankelijke organisatie.

Artikel 6.9 Standaard aanvullende of collectieve ziektekostenverzekering  

De gemeente heeft een collectieve verzekering afgesloten bij Menzis. Bij deze verzekering is het volledige eigen risico meeverzekerd.

 

Er geldt een inkomensgrens van 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm en de vermogensgrens uit de Participatiewet. Vermogen in een eigen woning telt niet mee. Wanneer iemand geen uitvaartverzekering heeft en de pensioengerechtigde leeftijd heeft, telt € 7.500,- van het vermogen niet mee.

 

Er kan deel worden genomen aan de collectieve verzekering OF gebruik gemaakt worden van de tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (beleidsregel 6.45).

 

Aanmelden bij de verzekering kan via www.gezondverzekerd.

 

Artikel 6.10 Brillen en contactlenzen  

De Zvw wordt in beginsel als een aan de PW voorliggende, toereikende en passende voorziening beschouwd. In gevallen waarin deze zorg, als zijnde niet noodzakelijk, niet tot de prestaties behoren die op grond van het bij of krachtens de Zvw bepaalde voor vergoeding in aanmerking komen wordt op grond van artikel 15 lid 1 PW géén bijzondere bijstand verstrekt.

Artikel 6.11 Overig beleid inzake medische kosten  

De Zvw wordt in beginsel als een aan de PW voorliggende, toereikende en passende voorziening beschouwd. In gevallen waarin deze zorg, als zijnde niet noodzakelijk, niet tot de prestaties behoren die op grond van het bij of krachtens de Zvw bepaalde voor vergoeding in aanmerking komen wordt op grond van artikel 15 lid 1 PW géén bijzondere bijstand verstrekt.

Artikel 6.12 Uitvaartkosten  

Omschrijving van de kosten

Alle kosten die verband houden met de begrafenis of cremate van een overledene, voor zover deze kosten noodzakelijk zijn.

 

Voorliggende voorzieningen

Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand als een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening artikel 15 lid 1 Participatiewet; zie ook Voorliggende voorzieningen. Denk ik dit geval bijvoorbeeld aan: • uitvaart-, levens- of ongevallenverzekering.

 

Recht op bijzondere bijstand

Bijzondere bijstand ten behoeve van uitvaartkosten kan verleend worden aan erfgenamen en bloed- en aanverwanten die krachtens de artikelen 392-396 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek tot onderhoud van de overledene verplicht zouden zijn geweest, voorzover de uitvaartkosten niet uit de nalatenschap voldaan kunnen worden en de erfgenaam of bloed-/aanverwante niet over toereikende middelen beschikt om (zijn aandeel in) de uitvaartkosten te voldoen.

 

Hoogte bijzondere bijstand

Aangezien de aanvrager(s) veelal geen volledige zeggenschap hebben gehad over de uitvoering van de uitvaart (wens van de overledene zelf, andere nabestaanden) gaat het te ver om tot in detail te berekenen welke kosten tot welk bedrag als noodzakelijk kunnen worden beschouwd. De totale kosten voor een uitvaart worden daarom noodzakelijk geacht tot een bedrag van € 5.785,-; binnen deze grens is er bestedingsvrijheid.Dit bedrag geldt voor 2017. Jaarlijks wordt dit bedrag geïndexeerd volgens het CBS indexeringspercentage.Richtprijzen per kostensoort kunnen worden afgeleid uit de richtprijzen opgenomen in de NIBUD-Prijzengids tabel 33-35 t/m 41.Op deze voor bijstand in aanmerking komende kosten worden de eventueel aanwezige voorliggende voorziening en de (eventueel) aanwezige draagkracht, overeenkomstig de regels opgenomen in Hoogte en vorm van de bijstand, in mindering gebracht.

 

Vorm bijzondere bijstand

De bijzondere bijstand voor uitvaartkosten wordt in beginsel om niet verleend.

 

Aan de bijstand verbonden verplichtingen

De beschikking moet vermelden, dat de belanghebbende verplicht is om de verleende bijstand te besteden aan het voldoen van zijn aandeel in de uitvaartkosten van de overledene.

 

Artikel 6.13 Kosten bewindvoering  

De conform de Regeling beloning en curatoren, bewindvoerders en mentoren vastgestelde kosten van de beloning van de beschermingsbewindvoerder komen, als belanghebbende die kosten zelf niet kan dragen, in aanmerking voor vergoeding uit de bijzondere bijstand.

 

Als de kantonrechter beschermingsbewind heeft ingesteld en de kosten daarvan heeft vastgesteld, moet het college de noodzaak van de kosten in beginsel aannemen.

Artikel 6.14 Kosten curatele  

De conform de Regeling beloning en curatoren, bewindvoerders en mentoren vastgestelde kosten van de beloning van de curator komen, als belanghebbende die kosten zelf niet kan dragen, in aanmerking voor vergoeding uit de bijzondere bijstand.

 

Als de kantonrechter curatele heeft ingesteld en de kosten daarvan heeft vastgesteld, moet het college de noodzaak van de kosten in beginsel aannemen.

Artikel 6.15 Kosten rechtsbijstand  

Omschrijving kosten

Het betreft kosten met betrekking tot het voeren van een juridische procedure. Het gaat daarbij met name om de kosten van een advocaat, griffierecht en proceskosten.

 

Voorliggende voorzieningen

Ten aanzien van de kosten van een advocaat bestaan er twee belangrijke voorliggende voorzieningen.

  • Rechtsbijstandsverzekering: de eerste is een rechtsbijstandsverzekering. Als de belanghebbende een rechtsbijstandsverzekering heeft afgesloten, betaalt de verzekeraar de kosten van de advocaat. Er bestaat dan geen recht op bijzondere bijstand (artikel 15 lid 1 Participatiewet; zie ook “Voorliggende voorzieningen”).Het feit dat de belanghebbende geen rechtsbijstandsverzekering heeft afgesloten is geen grond om een verzoek om bijzondere bijstand in de kosten van rechtsbijstand af te wijzen.

     

  • Wet op de rechtsbijstand (Wrb): Op grond van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) kan belanghebbende met een laag inkomen (en laag vermogen) tot de doelgroep van deze wet behoren. Deze wet voorziet in gesubsidieerde rechtsbijstand voor personen met een laag inkomen.Er is echter wel een eenmalige eigen bijdrage verschuldigd. Als er een toevoeging van de Raad voor de Rechtsbijstand aanwezig is, wordt deze eigen bijdrage beschouwd als noodzakelijke kosten van het bestaan. Voor deze kosten kan in dat geval bijzondere bijstand worden verstrekt. (Zie ook “Bewindvoering, mentor, curatele en rechtsbijstand”).De eigen bijdrage voor de rechtzoekende wordt verlaagd met €53,- als hij eerst (gratis) rechtshulp vraagt aan het Juridisch Loket. Als de belanghebbende een aanvraag bijzondere bijstand doet voor de kosten van de eigen bijdrage kan deze een diagnosedocument van het Juridisch Loket overhandigen waaruit blijkt dat inschakeling van een advocaat noodzakelijk is. De toevoeging van de Raad voor de Rechtsbijstand volstaat echter om de noodzaak te beoordelen.In de toekenning van de bijzondere bijstand voor de kosten van de eigen bijdrage gaat het college uit van een verlaging van € 54,- ook al heeft de belanghebbende zich niet eerst gericht tot het Juridisch Loket. Er bestaat recht op bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand indien op grond van een toevoeging krachtens de Wrb rechtsbijstand is/wordt verleend.

De volgende kosten komen in beginsel niet in aanmerking voor bijzondere bijstand:

  • 1.

    Vertaalksoten (alle rechtsgebieden):Advocaten kunnen namelijk (ingeval er een toevoeging is verleend!) kosteloos gebruik maken van een vertaalbureau, dat voor de kosten van de vertaling subsidie aan kan vragen bij de Raad voor Rechtsbijstand. De kosten van maximaal 2500 woorden worden vergoed.

     

  • 2.

    reiskosten van belanghebbende voor het bijwonen van rechtszittingen bij de bestuursrechter. In beginsel is het niet noodzakelijk dat belanghebbende in persoon aanwezig is op deze rechtszittingen zodat reiskosten ten behoeve van belanghebbende niet noodzakelijk zijn. Let op: dit geldt niet ten aanzien van privaat-, familie- en strafrechtszittingen (zie boven).

     

  • 3.

    de kosten gemaakt in de bezwaarfase anders dan de eigen bijdrage op grond van de Wrb.

     

  • 4.

    verdergaande rechtsbijstand ten vervolge op een spreekuur.

     

  • 5.

    Betreffende eigen bijdrage kan uit de norm worden voldaan.

     

Hoogte bijzondere bijstand

De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de werkelijk gemaakte kosten. De belanghebbende dient hiervan bewijsstukken te overleggen.Op deze voor bijstand in aanmerking komende kosten wordt de (eventueel) aanwezige draagkracht, overeenkomstig de regels opgenomen in “Hoogte en vorm van de bijstand”, in mindering gebracht.

 

Vorm bijzondere bijstand

Verleen de bijzondere bijstand voor kosten van rechtsbijstand in beginsel om niet (artikel 48 lid 1 PW). Indien de kosten het gevolg zijn van een tekortschietende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, verleen de bijzondere bijstand dan in de vorm van borgtocht of een geldlening (artikel 48 lid 2 onder b Participatiewet; zie ook “Lening en borgtocht”).

 

Griffierechten

 

Griffierechten in het bestuursrecht

Artikel 8:74, eerste lid Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat als het beroep gegrond verklaard wordt, de gemeente het griffierecht aan de belanghebbende moet terugbetalen. In andere gevallen kan de rechter bepalen dat de gemeente het griffierecht geheel of gedeeltelijk moet vergoeden aan de belanghebbende (artikel 8:74, tweede lid Awb).Uit het bovenstaande volgt dat het griffierecht meestal aan de belanghebbende wordt terugbetaald.De gemeente hoeft het griffierecht niet te vergoeden als het verzoek van de belanghebbende zodanig onredelijk is geweest. Omdat de kosten van het griffierecht (in het bestuursrecht) meestal aan de belanghebbende worden vergoed, wordt voor deze kosten geen bijzondere bijstand verstrekt.

 

Griffierechten civiel recht

De hoogte van de verschuldigde griffierechten is afhankelijk van de soort procedure en van de rechterlijke instantie die de zaak behandeld. Het is belangrijk duidelijk te krijgen of de belanghebbende wel griffierechten verschuldigd is. In een procedure bij de kantonrechter hoeft namelijk alleen de eiser griffierechten te betalen. De wederpartij in de procedure bij de Kantonrechter dus niet. Onderzoek verder of de hoogte van het griffierecht lager vastgesteld kon worden op grond van de Wet tarieven in burgerlijke zaken. Als dit mogelijk is, is er sprake van een voorliggende voorziening. Voor het gedeelte dat door middel van een voorliggende voorziening vergoed kan worden, kan geen bijzondere bijstand worden verstrekt.

 

Als de procedure noodzakelijk is (wat moet blijken uit een toevoeging van de Raad voor de Rechtsbijstand), wordt er, met inachtneming van het bovenstaande, bijzondere bijstand toegekend voor de kosten van het griffierecht. Het college legt in een beschikking aan de belanghebbende de verplichting op om op verzoek de uitspraak in het geschil te overleggen.Als blijkt dat de wederpartij het griffierecht heeft vergoed, zal tot herziening van de toekenning en terugvordering van de bijzondere bijstand overgegaan moeten worden.

 

NB In het strafrecht is geen griffierecht verschuldigd.

 

Overige proceskosten

Een juridische procedure kan verschillende kosten met zich meebrengen. Denk bijvoorbeeld aan reis-, verblijf- en telefoonkosten. Deze zogenaamde overige proceskosten worden niet vergoed.

 

Overige proceskosten in het bestuursrecht

Op grond van artikel 8:75 Awb kan de belanghebbende de kosten van de procedure vergoed krijgen. De rechter kan de gemeente namelijk verplichten de door de belanghebbende gemaakte kosten te vergoeden.De overige proceskosten in het bestuursrecht kunnen via een kostenveroordeling vergoed worden. Voor de overige proceskosten kosten kan dan ook geen bijzondere bijstand worden toegekend. Als de belanghebbende de kosten niet, dan wel gedeeltelijk, vergoed krijgt, zal de belanghebbende deze kosten zelf moeten voldoen.

 

Overige proeskosten in het civiel recht

In een civiele procedure bestaat de mogelijkheid om de wederpartij in de kosten van de procedure te laten veroordelen. De overige kosten van de procedure kunnen derhalve afgewenteld worden op de wederpartij. Als de belanghebbende zelf (een gedeelte van) de proceskosten moet voldoen, komt dit voor eigen risico. Voor deze overige proceskosten kan geen bijzondere bijstand worden verstrekt.

Artikel 6.16 Hoogte bijzondere bijstand 18 t/m 20-jarigen niet in inrichting  

Thuiswonenden:

Ouders kunnen aan hun onderhoudsverplichting voldoen door hun kind te laten inwonen. Een thuiswonende kan daarmee dus wel een beroep op zijn ouders doen en heeft daarom geen recht op aanvullende bijzondere bijstand.

 

Uitwonenden:

Wordt aanvullend op een lage norm van artikel 20 Participatiewet bijzondere bijstand verstrekt voor levensonderhoud dan wordt de hoogte hiervan in beginsel zodanig vastgesteld, dat de hoogte van de totale bijstandsuitkering (norm algemene bijstand op grond van artikel 20 Participatiewet + bijzondere bijstand op grond van artikel 12 Participatiewet) overeenkomt met hoogte van de bijstandsuitkering (norm + toeslag - verlaging) die in een vergelijkbare situatie zou gelden voor personen van 21 jaar.

 

LET OP: de vakantietoeslag wordt alleen berekend over de norm voor de algemene bijstand en niet over de aanvulling via de bijzondere bijstand.

Artikel 6.17 Hoogte bzijondere bijstand 18 t/m 20-jarigen in inrichting  

Wordt bijzondere bijstand voor zak- en kleedgeld verstrekt aan personen van 18 t/m 20 jaar die in een inrichting verblijven, dan wordt de hoogte van de bijzondere bijstand (artikel 12 Participatiewet) afgeleid van de normen algemene bijstand die gelden voor personen van 21 jaar of ouder die in een inrichting verblijven (artikel 23 Participatiewet; zie ook “Personen die in een inrichting verblijven”).

 

De hoogte van de bijstand is gelijk aan de som van de norm van artikel 23 lid 1 onderdeel a Participatiewet het bedrag van artikel 23 lid 2 onderdeel a Participatiewet. Voor zover de ouders kunnen bijdragen wordt het de bijstand verlaagd met het bedrag van die bijdrage.

 

Let op: de kinderbijslag eindigt op de eerste dag van het kwartaal volgend op de maand waarop het kind 18 jaar is geworden. Tot die tijd ontvangen kinderbijslag wordt in aanmerking genomen.

Artikel 6.18 Procedure verhaal bijzondere bijstand jongeren  

Er geldt geen bijzondere procedure.

 

In het geval bijzondere bijstand is verleend aan een 18, 19, of 20 jarige met toepassing van artikel 12 onderdeel b Participatiewet wordt deze bijstand niet op de ouders verhaald.

Artikel 6.19 Indirechte schoolkosten schoolgaande kinderen  

Omschrijving van de kosten

Indirecte studiekosten van ten laste komende kinderen in het voorgezet onderwijs.

 

Voorliggende voorzieningen

Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand als een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening (artikel 15 lid 1 Participatiewet; zie Voorliggende voorzieningen).

 

Het kindgebonden budget is in de plaats gekomen voor de WTOS en wordt als passende en toereikende voorliggende voorziening gezien.

 

Eventueel kan worden doorverwezen naar Stichting Leergeld voor kosten waarin toch niet kan worden voorzien.

Artikel 6.21 Baby-uitzet  

Omschrijving van de kosten

De kosten van een babyuitzet in verband met de geboorte van een kind. Zie Inrichtingskosten (duurzame gebruiksgoederen) voor zover de kosten betrekking hebben op duurzame gebruiksgoederen.

 

Voorliggende voorziening

Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand als een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening (artikel 15 lid 1 Participatiewet; zie Voorliggende voorzieningen). Denk in dit geval aan:

 

  • een lening bij een kredietverlenende instelling of een betalingsregeling bij de leverancier.

     

Recht op bijzondere bijstand

De kosten van een babyuitzet, als bedoeld in tabel 21 van de NIBUD-Prijzengids, behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kunnen worden voldaan uit een inkomen ter hoogte van de toepasselijke uitkering algemene bijstand door middel van reservering dan wel gespreide betaling achteraf. Dit betekent dat er in beginsel geen bijstandsverlening mogelijk is voor deze kosten. Alleen indien er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval kan er van deze regel worden afgeweken.

 

In hoeverre de belanghebbende voor de kosten van een babyuitzet heeft kunnen reserveren zal individueel beoordeeld moeten worden. In het algemeen geldt dat de belanghebbende in ieder geval vanaf de vierde maand van de zwangerschap voor deze kosten heeft kunnen reserveren.

 

Kosten van aangepaste kleding voor de moeder behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kosten kunnen worden voldaan uit een inkomen ter hoogte van de toepasselijke bijstandsnorm en komen derhalve niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.

 

Hoogte bijzondere bijstand

Bepaal de hoogte van de te verstrekken bijzondere bijstand aan de hand van de richtprijzen zoals opgenomen in tabel 21 van de NIBUD-Prijzengids. Voor artikelen uit tabel 22 kan in individuele gevallen eveneens bijzondere bijstand worden verstrekt.Indien de belanghebbende de kosten van de betreffende goederen niet kan voldoen uit bijstand ter hoogte van de richtprijzen is het nodig om hiervan af te wijken (zie Hoogte noodzakelijke kosten).

 

Op deze voor bijstand in aanmerking komende kosten worden de eventueel aanwezige voorliggende voorziening en de (eventueel) aanwezige draagkracht, overeenkomstig de regels opgenomen in Hoogte en vorm van de bijstand, in mindering gebracht.

 

Vorm en betaling bijzondere bijstand

Verleen de bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening. Alleen wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden (zie hiervoor), is het mogelijk om de bijzondere bijstand om niet te verstrekken (zie ook Lening en borgtocht).

 

Aan de bijstand verbonden verplichtingen

Verbind indien nodig een of meer van de volgende verplichtingen aan de toe te kennen bijzondere bijstand:

 

  • 1.

    De verplichting om uit de toegekende bijzondere bijstand de betreffende kosten te voldoen.

  • 2.

    De verplichting om betalingsbewijzen te overleggen.

  • 3.

    Specifieke verplichtingen in verband met het feit dat de bijstand wordt verlend in de vorm van een geldlening. Zie Lening en borgtocht.

Artikel 6.22 Maaltijdvoorziening  

Voorliggende voorziening

Er is geen voorliggende voorziening.

 

Recht op bijzondere bijstand

Alleen noodzakelijk gebruik van een warme maaltijdvoorziening kan voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. Een medische indicatie (eventueel een onafhankelijk advies aanvragen) of een sociale indicatie is in deze vereist.

 

Hoogte bijzondere bijstand

De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de werkelijke kosten onder aftrek van het bedrag voor een warme maaltijd volgens het NIBUD, dat verondersteld wordt in de norm te zijn inbegrepen.

 

Op deze voor bijstand in aanmerking komende kosten wordt de (eventueel) aanwezige draagkracht en het (eventueel) van toepassing zijnde drempelbedrag, overeenkomstig de regels opgenomen in Hoogte en vorm van de bijstand, in mindering gebracht.

 

Vorm van de bijstand

De bijstand wordt om niet toegekend.

Artikel 6.23 Verzorging en hulp  

De Wlz en Zvw vergoeden alle noodzakelijke kosten die verband houden met medische of paramedische behandeling. Beide regelingen gelden samen als een aan de Participatiewet voorliggende voorziening die passend en toereikend. Bijstandsverlening voor deze kosten is daarom in beginsel uitgesloten (artikel 15 Participatiewet; zie ook Voorliggende voorzieningen).

Artikel 6.24 Communicatie en signalering  

Telefoonkosten (gesprekskosten, abonnementskosten, aanschaf- en aansluitkosten) behoren in beginsel tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, die kunnen worden voldaan uit een inkomen op bijstandsniveau.

 

Indien het hebben van communicatie- of alarmeringsmiddelen gebaseerd is op een medische noodzaak zijn de regelingen op grond van de Wlz en Zvw voorliggende voorzieningen.

 

Voor deze kosten is in beginsel geen bijzondere bijstand mogelijk.

Artikel 6.25 Stookkosten  

Voorliggende voorziening

Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand als een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening (artikel 15 lid 1 Participatiewet; zie Voorliggende voorzieningen). Voor stookkosten zijn er geen voorliggende voorzieningen.

 

Recht op bijzondere bijstand

Tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan behoren ook de stookkosten. Aangezien de algemene bijstand dan wel een inkomen op bijstandsniveau voorziet in deze kosten kan er in beginsel geen bijstand worden verleend voor deze kosten.

 

Alleen indien er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval kan er aanleiding zijn bijzondere bijstand te verlenen voor deze kosten. Hiervan is in ieder geval sprake indien:

 

• er een medische noodzaak is voor het maken van deze kosten. De medische noodzaak van de meerkosten wordt door een onafhankelijk arts vastgesteld. In de adviesaanvraag wordt aangegeven dat het extra stook- of verwarmingskosten betreft en de naam van de behandelend specialist. Is er een medische noodzaak dan wordt vastgesteld of de noodzakelijke verwarming betrekking heeft op:

  • °

    het woonvertrek in de koude maanden;

  • °

    het woon- en slaapvertrek in de koude maanden;

  • °

    het woonvertrek gedurende het hele jaar;

  • °

    het woon- en slaapvertrek gedurende het hele jaar.

Het voorgaande is geen limitatieve opsomming van situaties waarin recht bestaat op bijzondere bijstand voor de stookkosten. Het betreft slechts een beleidsregel. Zowel op grond van de artikel 35 lid 1 Participatiewet als op grond van artikel 4:84 Awb kan en moet in individuele gevallen worden afgeweken.

 

Hoogte bijzondere bijstand

De hoogte van de voor bijzondere bijstand wordt bepaald aan de hand van het in het vermelde aantal graden dat de woning om medische redenen extra moet worden verwarmd. Elke graad extra betekent 7% meerverbruik ten opzichte van normaal, dus: aantal extra graden x 7% normaalverbruik = extra m³. Het aantal extra m³ x de prijs per m³ = de meerkosten.

 

Het Nibud geeft het normaalverbruik naar type woning per jaar en het meerverbruik in m3 bij 1 t/m 5 graden extra.

 

Op deze voor bijstand in aanmerking komende kosten wordt de (eventueel) aanwezige draagkracht en het (eventueel) van toepassing zijnde drempelbedrag, overeenkomstig de regels opgenomen in Hoogte en vorm van de bijstand, in mindering gebracht.

 

Vorm van de bijzondere bijstand

De bijzondere bijstand wordt om niet verleend.

 

Aan de bijzondere bijstand te verbinden verplichtingen

Aan de verlening van de bijzondere bijstand wordt de volgende verplichting verbonden:

 

  • • bestedingsverplichting (artikel 55 Participatiewet; zie Nadere verplichtingen artikel 55 Participatiewet): de bijstand moet worden aangewend voor het doel waarvoor zij wordt verstrekt.

Artikel 6.26 Reiskosten woon-werkverkeer  

Het college verstrekt geen bijzondere bijstand voor reiskosten woon-werkverkeer. Indien noodzakelijk kan het college reïntegratiemiddelen inzetten voor deze kosten.

Artikel 6.27 Reiskosten bezoek zieke familieleden  

Omschrijving van de kosten

De kosten voor het vervoer van het woonadres van de bezoeker (=belanghebbende) naar het verpleegadres waar de zieke verblijft.

 

Voorliggende voorziening

Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand als een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening (artikel 15 Participatiewet; zie ook Voorliggende voorzieningen). Denk in dit verband aan:

 

  • een aanvullende ziektekostenverzekering die belanghebbende heeft afgesloten (zie Relatie Zvw en Participatiewet en Voorliggende voorzieningen). Let op: op grond van het Zvw bestaat er geen recht op een vergoeding voor ziekenbezoek. Vergoeding van reiskosten in het kader van Zvw heeft alleen betrekking op medisch noodzakelijke reiskosten van belanghebbende zelf (zie Reiskosten voor medische behandelingen).

     

Recht op bijzondere bijstand

Belanghebbende wordt geacht uit een inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm de vervoerskosten te kunnen voldoen om in aanvaardbare mate deel te kunnen nemen aan het leven van alledag en sociale contacten te onderhouden. Het mag dus niet gaan om incidentele kosten.

 

De kosten moeten noodzakelijk zijn. De noodzaak voor het bezoeken van een zieke wordt aanwezig geacht indien:

 

  • 1.

    de zieke is een eerstegraads of tweedegraads familielid van belanghebbende, en;

  • 2.

    het verpleegadres ligt meer dan 10 kilometer van de woning van belanghebbende (maar binnen Nederland; zie ook Recht op bijstand).

Het aantal te vergoeden bezoeken (de frequentie) hangt onder meer af van de ernst van de situatie en de afstand tussen de woonplaats en het ziekenhuis of de inrichting. Een en ander zal individueel beoordeeld moeten worden.

 

Hoogte bijzondere bijstand

De bijzondere bijstand wordt afgestemd op de kosten van openbaar vervoer of, indien het gebruik van de auto goedkoper is dan wel openbaar vervoer geen reëel alternatief is vanwege de reistijd, een kilometervergoeding. De kilometervergoeding bedraagt € 0,30, zijnde het bedrag dat geldt voor noodzakelijke reiskosten op grond van de Regeling zorgverzekeringswet.

 

Op deze voor bijstand in aanmerking komende kosten worden het in aanmerking te nemen inkomen en vermogen (artikel 35 lid 1 Participatiewet) in mindering gebracht. Zie voor de gemeentelijke beleidsregels inzake het in aanmerking te nemen inkomen en vermogen en het al dan niet toepassen van het drempelbedrag Hoogte en vorm van de bijstand.

 

Vorm van de bijzondere bijstand

De bijzondere bijstand wordt verleend om niet.

 

Aan de bijstand verbonden verplichtingen

Naast de algemene verplichtingen (zie Verplichtingen en sancties) wordt op grond van artikel 55 Participatiewet een bestedingsverplichting opgelegd. Tevens moeten vervoers- of bezoekbewijzen worden overgelegd binnen 5 werkdagen na de aangevraagde bezoekdatum, ter controle van de bestedingsverplichting.

Artikel 6.28 Reiskosten bezoek Werkplein  

Omschrijving van de kosten

De kosten voor het vervoer van het woonadres van belanghebbende naar het UWV Werkbedrijf.

 

Voorliggende voorziening

Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand als een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening (artikel 15 Participatiewet; zie ook Voorliggende voorzieningen). Voorzover bekend zijn er geen voorliggende voorzieningen.

 

Recht op bijzondere bijstand

Tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan behoren ook de kosten van vervoer voor de deelname aan het maatschappelijk verkeer. Hieronder wordt ook begrepen het doen van aanvragen, het komen voor gesprekken e.d. op het UWV Werkbedrijf. Aangezien de algemene bijstand dan wel een inkomen op bijstandsniveau voorziet in deze kosten kan er in beginsel geen bijstand worden verleend voor deze kosten.

 

Daarnaast moeten aanvragen digitaal worden ingediend, waardoor er vaak geen noodzaak is om naar het UWV Werkbedrijf te reizen.

 

Artikel 6.29 Suppletie GKB-lening  

Er wordt geen suppletie verstrekt.

Artikel 6.30 Kosten schuldhulpverlening  

Iedereen kan in een zodanige positie raken, dat hij zijn financiële situatie niet (meer) kan beheren. Er kunnen problematische schulden ontstaan, of deze zijn reeds ontstaan. Indien dit het geval is, kan iedere inwoner van Hattem een beroep doen op schuldhulpverlening. Schuldhulpverlening is in eerste instantie een taak en een zorg van de gemeente.

 

De gemeente Hattem heeft deze taak uitbesteed aan de gemeente Zwolle (afdeling inkomensondersteuning). Hattemers kunnen zich eerst melden bij Op Ko€rs van Stichting Welzijn Hattem. Zij kijken wat zij voor belanghebbende kunnen betekenen (bijvoorbeeld hulp bij administratie). Wanneer zij constateren dat er sprake is van een problematische schuldensituatie kunnen zij doorverwijzen naar de gemeente Zwolle voor schuldhulpverlening.

 

Op Ko€ers kan vervolgens ook ondersteuning bieden bij het invullen van de benodigde formulieren en het verzamelen van de benodigde bewijsstukken.De kosten voor deze hulpverlening wordt doorberekend aan de gemeente Hattem. Er worden geen kosten in rekening gebracht bij de klant, waardoor bijzondere bijstand niet nodig is.

 

Recidive

Na een periode van doorgaans 36 maanden komt aan de schuldhulpverlening een eind en zijn belanghebbenden in principe schuldenvrij. Het kan voorkomen dat een belanghebbende binnen één of twee jaar weer (problematische) schulden ontwikkelt. Behoudens bijzondere situaties, vindt binnen 2 jaar geen schuldhulpverlening meer plaats.

 

Voor nadere informatie omtrent schuldhulpverlening

 

https://www.zwolle.nl/schulden/schulddienstverlening/schulden

Artikel 6.31 Kosten van sociaal culturele en educatieve activiteiten  

Voorliggende voorziening

Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening (artikel 15 lid 1 Participatiewet; zie Voorliggende voorzieningen). Denk in dit geval aan de activiteitenbijdrage (zie onder).

 

Recht op bijzondere bijstand

Er wordt geen bijzondere bijstand verleend voor kosten van deelname aan maatschappelijke, sportieve of culturele activiteiten, omdat de voorliggende voorziening als passend en toereikend wordt beschouwd.

 

Activiteitenbijdrage

De gemeente Hattem kent de activiteitenbijdrage:

 

Doel

De activiteitenbijdrage is bedoeld om binnen een huishouden sociale uitsluiting te voorkomen en de mogelijkheden tot participatie in de samenleving te bevorderen.

 

Voorwaarden

Er wordt een bijdrage toegekend wanneer aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

 

  • de aanvrager staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Hattem;

  • de aanvrager heeft gedurende drie kalendermaanden voorafgaand aan de maand waarin de aanvraag wordt ingediend een inkomen dat gelijk of lager is dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm;

  • bij een wisselend inkomen wordt uitgegaan van het gemiddelde inkomen over de laatste drie maanden;

  • de aanvrager heeft gedurende drie kalendermaanden voorafgaand aan de maand waarin de aanvraag wordt ingediend een vermogen dat gelijk of lager is dan de toepasselijke vermogensgrens van de Participatiewet;

  • de aanvrager heeft in het kalendaarjaar waarin de aanvraag wordt gedaan nog geen bijdrage voor bovengenoemde activiteiten ontvangen van de gemeente Hattem of een andere gemeente.

Niet voor een bijdrage komt in aanmerking de belanghebbende die 18 jaar of ouder is en een opleiding/studie volgt.

 

Hoogte

De bijdrage bedraagt € 168,- per lid (voor 2019) van het huishouden per kalenderjaar en is niet overdraagbaar. Dit bedrag wordt elk jaar per 1 januari aangepast met een percentage dat overeenkomt met het procentuele verschil tussen de gehuwdennorm per 1 januari van dat jaar en de gehuwdennorm van het daar aan voorafgaande jaar. De bedragen worden op hele euro’s naar boven afgerond.

 

Aanvragen

De aanvraag kan vanaf 1 januari van het betreffende kalenderjaar worden ingediend en kan tot en met 31 januari van het kalenderjaar erna worden ingediend.

 

Betaling

 

Betaling van de bijdrage vindt plaats na toekenning van de bijdrage. Achteraf kan de besteding van de bijdrage steekproefsgewijs worden gecontroleerd. De aanvrager is derhalve verplicht:

 

  • alle bewijsstukken te overleggen die noodzakelijk worden geacht voor deze controle;

  • de bijdrage terug te betalen als deze niet is besteed aan het doel waarvoor het verstrekt is.

Artikel 6.32 Bewassing en kledingslijtage  

Voorliggende voorziening

Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand als een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening (artikel 15 lid 1 Participatiewet; zie Voorliggende voorzieningen). Voor de kosten van bewassing en ten gevolge van slijtage zijn er geen voorliggende voorzieningen. Ter voorkoming van extra bewassing bestaat er op grond van de Regeling zorgverzekering wel recht op incontinentie-absorptiemiddelen.

 

Recht op bijzondere bijstand

Tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan behoren ook kosten van bewassing en ten gevolge van slijtage. Aangezien de algemene bijstand dan wel een inkomen op bijstandsniveau voorziet in deze kosten kan er in beginsel geen bijstand worden verleend voor deze kosten.

 

Alleen indien er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval kan er aanleiding zijn bijzondere bijstand te verlenen voor deze kosten. Hiervan is in ieder geval sprake indien:

 

  • als gevolg van lichamelijke gebreken of het extra wassen als gevolg van het noodzakelijk gebruik van zalf sprake is van meer dan normale slijtage.

     

Het voorgaande is geen limitatieve opsomming van situaties waarin recht bestaat op bijzondere bijstand voor de kosten van bewassing en ten gevolge van kledingslijtage. Het betreft slechts een beleidsregel. Zowel op grond van de artikel 35 lid 1 Participatiewet als op grond van artikel 4:84 Awb kan en moet in individuele gevallen worden afgeweken.

 

Let op: Voor bewoners van verzorgingshuizen geldt dat alle waskosten zijn begrepen in de verzorgingsprijs.

 

Hoogte bijzondere bijstand

De hoogte van de voor bijzondere bijstand in aanmerking komende:

 

  • waskosten wordt bepaald aan de hand van de NIBUD-Prijzengids;

  • meerkosten van kleding wordt bepaald aan de hand van de Geïndixeerde GMD-lijst 2017.

Op deze voor bijstand in aanmerking komende kosten wordt de (eventueel) aanwezige draagkracht en het (eventueel) van toepassing zijnde drempelbedrag, overeenkomstig de regels opgenomen in Hoogte en vorm van de bijstand, in mindering gebracht.

 

Vorm van de bijzondere bijstand

De bijzondere bijstand wordt om niet verleend.

 

Aan de bijzondere bijstand te verbinden verplichtingen

Aan de verlening van de bijzondere bijstand wordt de volgende verplichting verbonden:

 

  • bestedingsverplichting (artikel 55 Participatiewet; zie Nadere verplichtingen artikel 55 Participatiewet): de bijstand moet worden aangewend voor het doel waarvoor zij wordt verstrekt.

Artikel 6.33 Bijzondere bijstand voormalig alleenstaande ouders  

Compensatie van inkomstenverlaging die samenhangt met of voortvloeit uit kosten ten behoeve van het meerderjarige kind, zijn geen kosten die betrekking hebben op de alleenstaande zelf. Daarom kan voor deze kosten geen bijzondere bijstand worden verleend.

 

In de Participatiewet is geen sprake meer van een normwijziging, nu de hoogte van de norm alleenstaande ouder en alleenstaande gelijkgesteld is. Alleenstaande ouders kunnen als gevolg van de Wet hervorming kindregelingen wel te maken krijgen met inkomensachteruitgang doordat zij geen recht hebben op de alleenstaande-ouderkop. Beleid dat wordt gevoerd als compensatie voor deze inkomstenverlaging, moet ook onder de Participatiewet worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid.

 

Er is geen bijzondere bijstand mogelijk voor deze kosten.

Artikel 6.34 Kosten van scholing en opleiding  

Voor de kosten van noodzakelijk geachte scholing wordt in beginsel geen bijzondere bijstand verleend. Indien nodig kan het college reïntegratiemiddelen inzetten ter dekking van deze kosten.

Artikel 6.35 Verwervingskosten

Voor algemene verwervingskosten wordt in beginsel geen bijzondere bijstand verleend. Indien nodig kan het college reïntegratiemiddelen inzetten ter dekking van deze kosten. Voor nadere toelichting zie het gemeentelijk beleid in het onderdeel Overige voorzieningen.

Artikel 6.36 Kosten kinderopvang (verwervingskosten)  

Sociaal medische indicatie

Een aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang op sociaal medische reden wordt gezien als een aanvraag bijzondere bijstand in het kader van de Participatiewet. De gemeente stelt de noodzaak vast en toetst aan de hand van de regels van de bijzondere bijstand of een tegemoetkoming mogelijk is.

 

Bij een verzoek om tegemoetkoming op grond van sociaal medische indicatie, moet de noodzaak tot kinderopvang op sociaal medische gronden worden vastgesteld. Indien nodig kan een advies worden opgevraagd bij een onafhankelijk arts.

 

Scholing of re-integratie

Wanneer iemand onder één van de volgende doelgroepenvalt, bestaat er recht op kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst:

 

  • 1.

    ouders in een re-integratietraject die een uitkering ontvangen op grond van de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) of de Algemene nabestaandenwet (Anw);

  • 2.

    minderjarigen die scholing of een opleiding volgen en algemene bijstand (kunnen) ontvangen;

  • 3.

    studenten.

 

De hoogte van de tegemoetkoming bedraagt maximaal het verschil tussen de werkelijke kosten van de kinderopvang en de toegekende kinderopvangtoeslag door de Belastingdienst.

 

Voor nadere toelichting zie het onderdeel Overige voorzieningen.

Artikel 6.37 Duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten  

Omschrijving kosten

De kosten van duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten. Voorbeelden hiervan zijn: wasmachine, koelkast, huisraad en vloerbedekking.

 

Voorliggende voorzieningen

Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand als een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening (artikel 15 lid 1 Participatiewet; zie Voorliggende voorzieningen). Denk in dit geval aan:

 

  • een lening bij een commerciële bank, de gemeentelijke kredietbank of een betalingsregeling met de leverancier mogelijk is;

  • de Wmo in de betreffende kosten voorziet.

    De Zvw/AWBZWlz in de betreffende kosten voorziet. Dit is het geval als bepaalde inrichtingselementen van woningen medisch noodzakelijk zijn. De betreffende voorzieningen staan vermeld in de Regeling zorgverzekering.

     

Recht op bijzondere bijstand

De kosten van duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kunnen worden voldaan uit een inkomen ter hoogte van de toepasselijke uitkering algemene bijstand door middel van reservering dan wel gespreide betaling achteraf. Dit betekent dat er in beginsel geen bijstandsverlening mogelijk is voor deze kosten. Indien de betreffende kosten voorzienbaar waren, versterkt dit het argument dat belanghebbende wordt geacht hiervoor te reserveren. Dit geldt ook voor de kosten van een computer.

 

Alleen indien er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval kan er van deze regel worden afgeweken. In dat geval wordt bijzondere bijstand verleend, ook als dit bijstand betekent in aanvulling op een voorliggende voorziening. Het feit dat belanghebbende wegens schulden niet heeft kunnen reserveren is op zich nog geen bijzondere omstandigheid.

 

De volgende omstandigheden kunnen mogelijk wel als bijzonder worden aangemerkt:

 

  • 1.

    Een noodzakelijke verhuizing: Als noodzakelijke verhuizing wordt aangemerkt een verhuizing die het gevolg is van een verhuisverplichting in verband met de verstrekking van een woonkostentoeslag (WKT; zie ook Woonkostentoeslag). Gelet op de voor verhuizing aanwezige hoge woonlasten in combinatie met de relatief korte periode waarbinnen de verhuizing moet plaatsvinden kan onvoldoende worden gereserveerd voor de noodzakelijk stoffering van deze nieuwe woning. Zie tabel 9 van de NIBUD-Prijzengids voor de kostensoorten die worden begrepen onder stoffering. Zie in dit verband ook onderdeel 6 van deze paragraaf voor de verhuiskosten zelf. In beginsel wordt er vanuit gegaan dat in de rest van de inrichting reeds is voorzien.

  • 2.

    Een eerste huisvestiging na het verlaten van een AZC. Gelet op het eerder genoten inkomen was er geen ruimte om te kunnen reserveren voor de kosten van een complete woninginrichting.

  • 3.

    Langdurige afhankelijkheid van een inkomen op bijstandsniveau. Indien belanghebbende 3 jaar is aangewezen op een inkomen tot 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt verondersteld dat dit inkomen geen mogelijkheid biedt om te reserveren. Indien belanghebbende recht heeft op een individuele inkomenstoeslag (zie Individuele inkomenstoeslag) is er in beginsel niet langer sprake van een bijzondere omstandigheid ten aanzien van het niet kunnen reserveren.

Hoogte bijzondere bijstand

De hoogte van de te verstrekken bijzondere bijstand wordt bepaald aan de hand van de richtprijzen zoals vermeld in de NIBUD-Prijzengids. Indien de belanghebbende de kosten van de betreffende goederen niet in redelijkheid kan voldoen uit bijstand ter hoogte van de richtprijzen is het nodig om hiervan af te wijken.

 

Bij complete woninginrichting wordt echter in afwijking hiervan uitgegaan van geïndexeerde bedragen op basis van het oude Prijzenboekje van Divosa 1998. Hieraan ligt het idee ten grondslag dat niet alle gebruiksgoederen - zoals bij de NIBUD-Prijzengids wel gebeurd - deel uit hoeven te maken van een complete woninginrichting. De Divosa-bedragen worden jaarlijks geïndexeerd met de alimentatie-index (zie Overzicht Indexeringspercentages alimentatie) en afgerond op hele euro's. Voor 2019 gelden dan de volgende bedragen:

alleenstaande (kamerbewoner)

€ 1.889,

alleenstaande (zelfstandig gehuisvest)

€ 3.837,-

gezin met 2 personen

€ 6.059,-

gezin met 3 personen

€ 6.816,-

gezin met 4 personen

€ 7.686,-

gezin met 5 personen

€ 8.486,-

gezin met 6 personen

€ 9.318,-

voor elk persoon extra

€ 764,-

Op deze voor bijstand in aanmerking komende kosten wordt de (eventueel) aanwezige draagkracht en het (eventueel) van toepassing zijnde drempelbedrag, overeenkomstig de regels opgenomen in Hoogte en vorm van de bijstand, in mindering gebracht.

 

Vorm en betaling bijzondere bijstand

De bijstand voor duurzame gebruiksgoederen wordt verleend in de vorm van een lening en wordt maandelijks afgelost met een bedrag wat overeenkomst met 6% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Kwijtschelding is van het restant bedrag is mogelijk wanneer 36 onderonderbroken aan de aflossingsverplichting is voldaan.Alleen wanneer er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden, is het mogelijk om de bijzondere bijstand om niet te verstrekken.

 

De bijstand voor de overige inrichtingskosten wordt in beginsel om niet verleend, tenzij zich ten aanzien van de belanghebbende omstandigheden voordoen als bedoeld in artikel 48 lid 2 Participatiewet.

 

Aan de bijstand verbonden verplichtingen

Aan de bijstand wordt een bestedingsverplichting verbonden en de verplichting om betalingsbewijzen te overleggen. Voor specifieke verplichtingen in verband met het feit dat de bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht zie Verplichtingen.

Artikel 6.38 Verhuiskosten  

Omschrijving kosten

Kosten in verband met verhuizing bijvoorbeeld de kosten in verband met het transport van de inboedel en dubbele vaste lasten voor woning gedurende overgangsperiode.

 

Voorliggende voorziening

Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand als een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening (artikel 15 lid 1 Participatiewet; zie Voorliggende voorzieningen). Denk in dit geval aan:

 

  • De Wmo, bijvoorbeeld als de verhuizing medisch noodzakelijk is in verband met een handicap van de betrokkene;

  • De werkgever, bijvoorbeeld als krachtens de CAO of een individuele arbeidsovereenkomst een tegemoetkoming in verhuiskosten betaald wordt door de werkgever;

  • Een geldlening bij een kredietverstrekkende instantie, voorzover het gaat om duurzame gebruiksgoederen.

     

Recht op bijzondere bijstand

De kosten in verband met verhuizing behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kunnen worden voldaan uit een inkomen ter hoogte van de toepasselijke uitkering algemene bijstand door middel van reservering dan wel gespreide betaling achteraf. Dit betekent dat er in beginsel geen bijstandsverlening mogelijk is voor deze kosten. Alleen indien er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval kan er van deze regel worden afgeweken (zie CRvB 20-04-1999, nr. 97/6694 ABW). Er is in ieder geval sprake van een bijzondere omstandigheid indien:

 

  • de verhuizing het gevolg is van een verhuisverplichting vanwege het bewonen van een woning met woonkosten die meer bedragen dan de maximale subsidiabele huur naar een woning met lagere lasten;

  • het een vrijwillige verhuizing betreft van een woning met woonkosten die meer bedragen dan de toepasselijke aftoppingsgrens (Wht) naar een woning waarvoor de woonkosten niet meer bedragen dan de kortingsgrens.

     

Hoogte bijzondere bijstand

De hoogte van de bijstand voor verhuiskosten is gelijk aan:

 

  • de werkelijke gemaakte kosten van huur van een aanhanger of busje (incl. brandstofkosten);

  • de kosten van stoffering, behang en verf zoals opgenomen in de NIBUD-Prijzengids (tabel 9);

  • de woonkosten van de nieuwe woning gedurende maximaal 1 maand, indien sprake is van dubbele lasten.

Op deze voor bijstand in aanmerking komende kosten wordt de eventueel aanwezige draagkracht, overeenkomstig de regels opgenomen in Hoogte en vorm van de bijstand, in mindering gebracht.

 

Vorm waarin de bijstand wordt verstrekt

De bijstand wordt om niet verstrekt.

 

Aan de bijstand te verbinden verplichtingen

Aan belanghebbende worden de volgende verplichtingen opgelegd:

 

  • De verplichting om uit de toegekende bijzondere bijstand de betreffende kosten te voldoen;

  • De verplichting om betalingsbewijzen over te leggen;

  • In geval van schulden of het dreigen van schulden kan grond van belanghebbende verplicht worden mee te werken aan het verrichten van betalingen in zijn naam uit de verleende bijstand aan de elverancier van de goederen of diensten.

Artikel 6.39 Eerste maand huur en administratiekosten  

Zie 6.38 (verhuiskosten)

Artikel 6.40 Overbrugging scherpe terugval in inkomen

Het college verstrekt geen bijzondere bijstand ter (gedeeltelijke) compensatie van een (scherpe) inkomensachteruitgang. De bijstandsnorm (norm + toeslag - verlaging) wordt toereikend geacht voor de voorziening in de algemeen noodzakelijke bestaanskosten.

Artikel 6.41 Overige bijzondere kosten  

Gelet op de grote diversiteit aan resterende kostensoorten waarvoor bijzondere bijstand kan worden verleend, zijn hier geen voorbeelden opgenomen. Deze zullen individueel moeten worden beoordeeld.

Artikel 6.42 In aanmerking te nemen middelen voor draagkracht  

Vaststelling van het inkomen

Het voor de draagkracht in aanmerking te nemen inkomen wordt bepaald aan de hand van het - meest waarschijnlijke - inkomen gedurende de draagkrachtperiode (zie Draagkrachtperiode). Daarbij wordt rekening gehouden met voorzienbare wijzigingen in het inkomen.

 

In aanmerking te nemen inkomen

1. Van het in aanmerking te nemen inkomen worden de middelen bedoeld in artikel 31 lid 2 Participatiewet en artikel 33 lid 5 Participatiewet niet tot het inkomen van belanghebbende gerekend. De middelen als bedoeld in genoemde artikelen worden dus ook voor de bijzondere bijstand vrijgelaten; dit deel van het inkomen wordt niet in aanmerking genomen als draagkrachtinkomen. Het inkomen wordt dus op dezelfde wijze vastgesteld als bij de algemene bijstand.

 

Inkomsten uit arbeid van ten laste komende kinderen (artikel 31 lid 2 onderdeel h Participatiewet) worden dus alleen vrijgelaten, indien het bijzondere bijstand betreft voor een ander in de bijstand begrepen persoon dan het minderjarig kind met inkomsten uit arbeid. Betreft het een aanvraag voor het minderjarige kind zelf dan moeten deze inkomsten wel worden meegenomen.

 

2. Op het inkomen als bedoeld in punt 1 worden eventueel van toepassing zijnde buitengewone lasten in mindering gebracht voorzover - indien van toepassing - voor deze kosten niet reeds bijstand of belastingteruggave is verleend. Denk daar bij aan:

 

  • de Wlz-bijdrage;

  • de kosten van alimentatie- of onderhoudverplichtingen.

3. Het inkomen na toepassing van punt 2 is het draagkrachtinkomen op basis waarvan de draagkracht wordt berekend. Zie hiervoor Draagkracht.

 

In aanmerking te nemen vermogen

100% van het vermogen dat uitstijgt boven het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34 lid 3 Participatiewet.

Artikel 6.43 Berekening woonkostentoeslag huurder  

Stap 1: rekenhuur: Bepaal of bereken de rekenhuur overeenkomstig de WHT (zie Rekenhuur).

 

Stap 2: maximale WKT (op grond van de WHT-systematiek)Bereken overeenkomstig de WHT-systematiek (zie "berekeningsformulier huurders") de maximale WKT.

 

Stap 3: ontvangen huurtoeslag in mindering brengenWanneer de woonkostentoeslag een aanvulling is op de (te lage) huurtoeslag, moet het bedrag dat aan huurtoeslag wordt ontvangen in mindering worden gebracht op de berekende maximale woonkostentoeslag (zie stap 2).

 

Stap 4: aanvullende WKT bij huur boven maximum huurgrensWanneer de huur meer bedraagt dan de maximum huurgrens (zie Voorwaarden), dan kan op grond van individuele omstandigheden overwogen worden om een (aanvullende) woonkostentoeslag te verlenen. Besteedt in dit verband in ieder geval aandacht aan het betoonde besef van verantwoordelijkheid: was de ontstane situatie te voorzien en dus te voorkomen? Daarnaast speelt de situatie op de lokale woningmarkt een rol.

 

Indien er aanleiding bestaat om een woonkostentoeslag te verstrekken, stel de hoogte hiervan dan vast op de woonkosten minus de eigen bijdrage die verschuldigd zou zijn bij een huur gelijk aan de maximum huurgrens (zie "berekeningsformulier huurders").De woonkostentoeslag wordt in dit geval toegekend voor de periode van maximaal 1 jaar. Daarbij wordt de verplichting opgelegd om te zoeken naar goedkopere huisvesting waarvoor wel recht bestaat op huurtoeslag. De periode waarover de woonkostentoeslag is toegekend kan na afloop tijdelijk worden verlengd indien het feit dat de belanghebbende nog niet over goedkopere woonruimte beschikt hem niet te verwijten valt.

Artikel 6.44 Berekening woonkostentoeslag eigenaren  

De berekening van de hoogte van de woonkostentoeslag voor eigenaren komt grotendeels overeen met die voor huurders. Alleen stap 1 is anders. Hieronder volgt een opsomming van de woonkosten van eigenaren die in aanmerking komen voor woonkostentoeslag.

 

Stap 1: Woonkosten

 

De woonkosten van eigenaren die in aanmerking komen voor woonkostentoeslag zijn:

 

–De rente die verband houdt met de woning.

  • Het gaat hier meestal om hypotheekrente. Verder geldt dat jaarlijks te ontvangen rijkssubsidie die betrekking heeft op de verschuldigde hypotheekrente hierop in mindering moet worden gebracht;

  • Hypotheekrente voor leningen anders dan voor de woning, bijvoorbeeld voor een auto of caravan, mogen niet worden meegeteld;

  • De aflossing van de hypotheek telt niet mee, dit geldt dus ook voor de premies van zogenaamde spaarhypotheken.

     

-Zakelijke lasten in verband met het hebben van eigendom, zoals:

 

  • rioolrechten;

  • eigenaarsdeel waterschaplasten;

  • erfpachtcanon;

  • premies van verzekeringen tegen brand- en stormschade (alleen voor de opstallen);

  • eigenaarsdeel onroerende zaakbelasting (dus niet het gebruikersdeel).

     

Stap 2 t/m 4

 

Voor het overige zij verwezen naar de stappen 2 t/m 4 van de berekening van de woonkostentoeslag voor huurders (zie hiervoor).

Artikel 6.45 Extra koste chronisch zieken, gehandicapten en ouderen  

Leven met een chronische ziekte of handicap brengt extra kosten met zich mee. Tot 2014 werd door het CAK een tegemoetkoming betaald voor deze extra kosten. Vanaf 2014 is het een taak van de gemeente om personen met een chronische ziekte of handicap te ondersteunen. De gemeente Hattem doet dit in de vorm van een financiële tegemoetkoming van € 385,-. De tegemoetkoming over 2018 gedurende het hele kalenderjaar 2019 worden aangevraagd. Gedurende 2019 kan de tegemoetkoming 2019 ook al worden aangevraagd voor zover het volledige eigen risico is verbruikt.

 

Om in aanmerking te komen voor de tegemoetkoming, gelden de volgende voorwaarden:

 

  • er is sprake van een chronisch zieke of gehandicapt;

  • aanvrager is ouder dan 18 jaar;

  • aanvrager staat ingeschreven in de gemeente Hattem;

  • aanvrager verblijft rechtmatig in Nederland;

  • aanvrager maakt(e) in 2018 en 2019 geen gebruik van de collectieve ziektekostenverzekering van de gemeente Hattem;

  • het inkomen is niet hoger dan 130% van de geldende bijstandsnorm;

  • het vermogen is niet hoger van de vermogensgrens die geldt voor een bijstandsuitkering; -vermogen in een eigen woning telt niet mee;

  • °

    wanneer er geen uitvaartverzekering is en aanvrager heeft de pensioengerechtigde leeftijd, dan telt € 7.500 ,- van het vermogen niet mee;

  • °

    schulden worden afgetrokken van het vermogen;

  • het verplicht eigen risico voor de zorgverzekering is volledig gebruikt (€ 385,- in 2018 en 2019);

  • °

    er kan contact worden opn met de gemeente wanneer wel een groot deel van het eigen risico is betaald;

  • °

    er zal worden beoordeeld of aanvrager toch in aanmerking kan komen voor een tegemoetkoming;

     

Wanneer aanvrager deze tegemoetkoming al ontvangt van het UWV, kan door de gemeente het verschil worden betaald tussen € 385,- en € 177,68 (tegemoetkoming van het UWV in 2018). De hoogte van de tegemoetkoming van het UWV in 2019 is nog niet bekend. Deze wordt in juli 2019 bekend. Een tegemoetkoming die voor deze datum is aangevraagd wordt pas betaald na bekendwording van dit bedrag (voor zover een tegemoetkoming van het UWV van toepassing is).

 

Er is sprake van een chronisch ziekte of handicap indien:

 

  • er sprake is van een langdurige aandoening;

  • er sprake is van een ziekte die een continue of herhaaldelijk behandeling van minstens zes maanden nodig heeft.

     

Er kan gebruik worden gemaakt van de collectieve ziektekostenverzekering OF de tegemoetkoming chronisch zieken.

Artikel 6.46 Dieetkosten  

Alleen indien er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval kan er aanleiding zijn bijzondere bijstand te verlenen voor deze kosten. Hiervan is in ieder geval sprake indien:

 

De hoogte van de bijzonder bijstand is gelijk aan de meerkosten van voeding zoals aangegeven in het advies. Het bij advies vastgestelde bedrag van de meerkosten wordt jaarlijks geïndexeerd met de alimentatie-index.

Artikel 6.47 Zelfzorgmiddelen bij een chronische aandoening  

De Wlz en Zvw vergoeden in het algemeen alle noodzakelijke kosten die verband houden met medische of paramedische behandeling. Beide regelingen gelden samen in het kader van de Participatiewet als een voorliggende voorziening die passend en toereikend is. Bijstandsverlening voor deze kosten is daarom in beginsel uitgesloten (artikel 15 Participatiewet).

Artikel 6.48 Tandheelkundige hulp  

De Zvw wordt in beginsel als een aan de PW voorliggende, toereikende en passende voorziening beschouwd. In gevallen waarin deze zorg, als zijnde niet noodzakelijk, niet tot de prestaties behoren die op grond van het bij of krachtens de Zvw bepaalde voor vergoeding in aanmerking komen wordt op grond van artikel 15 lid 1 PW géén bijzondere bijstand verstrekt.

Artikel 6.49 Geneeskundige geestelijke gezondheidszorg  

De Zvw wordt in beginsel als een aan de PW voorliggende, toereikende en passende voorziening beschouwd. In gevallen waarin deze zorg, als zijnde niet noodzakelijk, niet tot de prestaties behoren die op grond van het bij of krachtens de Zvw bepaalde voor vergoeding in aanmerking komen wordt op grond van artikel 15 lid 1 PW géén bijzondere bijstand verstrekt.

Artikel 6.50 Fysiotherapie en oefentherapie  

De Zvw wordt in beginsel als een aan de PW voorliggende, toereikende en passende voorziening beschouwd. In gevallen waarin deze zorg, als zijnde niet noodzakelijk, niet tot de prestaties behoren die op grond van het bij of krachtens de Zvw bepaalde voor vergoeding in aanmerking komen wordt op grond van artikel 15 lid 1 PW géén bijzondere bijstand verstrekt.

Artikel 6.51 Eigen risico  

Voorliggende voorziening

Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand als een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening (artikel 15 lid 1 Participatiewet; zie Voorliggende voorzieningen). Bij beantwoording van de vraag of onder een eigen risico voor de Zorgverzekeringswet (Zvw) vallende kosten voor bijstandsverlening in aanmerking komen, dient te worden opgemerkt dat de Zvw niet alleen een verplicht eigen risico voor iedere verzekerde van 18 jaar of ouder kent (artikel 18a lid 1 Zvw), maar ook een vrijwillig (hoger) eigen risico (artikel 19 lid 2 Zvw).

 

Vrijwillig (hoger) eigen risico

De onder een vrijwillig gekozen (hoger) eigen risico vallende kosten worden als niet noodzakelijk beschouwd en kunnen niet worden afgewenteld op de Participatiewet.

 

Verplicht eigen risico

De onder het verplicht eigen risico vallende kosten vormen weliswaar noodzakelijke kosten van het bestaan, maar aangezien het verplicht eigen risico een algemene maatregel betreft die voor alle Nederlanders geldt, is er geen sprake van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke bestaanskosten.

 

Recht op bijzondere bijstand

In beginsel is er geen ruimte voor bijzondere bijstandsverlening voor het verplicht eigen risico.

Artikel 6.52 Kosten mentorschap  

De noodzaak van het mentorschap moet in beginsel worden aangenomen als de rechter een mentor heeft benoemd. Dit betekent dat de kosten van het mentorschap in principe ook als noodzakelijk moeten worden gezien.

 

De algemene bijstand voorziet niet in de kosten van mentorschap. In het kader van de bijzondere bijstand is van belang te beoordelen of de kosten zich daadwerkelijk voordoen. Als de kantonrechter geen beloning heeft vastgesteld voor de werkzaamheden van de mentor, is belanghebbende de mentor geen beloning verschuldigd. De kosten doen zich dan dus niet voor en er is geen aanleiding bijzondere bijstand te verlenen.

 

Evenals de onder bewindstelling kan ook het mentorschap gezien worden als een bijzondere omstandigheid (vergelijk CRvB 10-06-2008, nr. 07/06 WWB).

 

Er is geen voorliggende voorziening waar belanghebbende een beroep op kan doen voor de kosten van het mentorschap. Afhankelijk van de draagkracht van belanghebbende zal het college daarom in voorkomende gevallen bijzondere bijstand moeten verlenen voor de kosten van het mentorschap.

Artikel 7.1 Gemeentelijke uitvoeringsregels inzake individuele inkomenstoeslag  

Inkomen

Onder inkomen wordt verstaan: het totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 Participatiewet en de algemene bijstand.

 

Peildatum

Onder peildatum wordt verstaan: de datum wartegen een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt.

 

Referteperiode

Onder referteperiode wordt verstaan: de periode van 3 jaar voorafgaand aan de peildatum.

 

Indienen verzoek

Een verzoek als bedoeld in artikel 36 lid 1 Participatiewet wordt ingediend door middel van een door het college beschikbaar gesteld formulier.

 

Het college kan bij het beoordelen van vervolgrechten ambtshalve beslissen.

 

Langdurig laag inkomen

Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36 lid 1 Participatiewet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm.

 

Hoogte indivividuele inkomenstoeslag

Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar (2019):

 

alleenstaande

€ 387,00

alleenstaande ouder

€ 497,00

gehuwden

€ 555,00

Uitsluiting een der gehuwden

Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge de artikel 11 Participatiewet of artikel 13 lid 1 Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande (ouder) zou gelden.

 

SItuatie op de peildatum bepalend

Voor toepassing van het bovenstaande is de situatie op de peildatum bepalend.

 

Indexering

De bedragen genoemd in het eerste lid worden jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro’s.

 

Beperking doelgroep

Uitgesloten van het recht op een individuele inkomenstoeslag zijn:

 

  • 1.

    Personen aan wie in de referteperiode een maatregel is opgelegd wegens een schending van een arbeids- of re-integratieverplichting;

  • 2.

    Personen die door het rijk bekostigd onderwijs volgens of tijdens de refereperiode hebben gevolgd.

Artikel 7.2 Gemeentelijke regels inzake individuele studietoeslag  

Indienen verzoek

Een verzoek als bedoeld in artikel 36b lid 1 Participatiewet wordt ingediend door middel van een door het college beschikbaar gesteld formulier.

 

De aanspraak op een individuele studietoeslag ontstaat niet eerder dan de dag van aanvraag.

 

Het college kan bij het beoordelen van vervolgrechten ambtshalve beslissen.

 

Advies over oordeel verdienen wettelijk minimumloon

Het college kan advies inwinnen over het oordeel of een persoon niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel mogelijkheden heeft tot arbeidsparticipatie overeenkomstig het gestelde in artikel 36b Participatiewet.

 

Aanspraak op individuele studietoeslag

Een persoon kan slechts eenmaal in een studiejaar in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag. Het studiejaar bedoeld in het eerste lid loopt van 1 augustus tot 1 augustus.

 

Een individuele studietoeslag bedraagt € 1.256,00 per studiejaar (2019).

 

Gedeelte van een studiejaar; naar rato

 

Indien ten tijde van de aanvraag over een gedeelte van een studiejaar aanspraak bestaat op een studietoeslag, is de hoogte van de studietoeslag naar rato.

 

Indexering

Het genoemde bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro’s.

 

Betaling individuele studietoeslag

De studietoeslag wordt in twee gedeelten verdeeld over het studiejaar uitbetaald.

 

Doelgroep

Voor de betaling van de tweede termijn wordt beoordeeld of de aanvrager nog tot de doelgroep behoort.

 

Afwijken individueel geval

Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien onverkorte toepassing daarvan zou leiden tot onredelijkheid of onbillijkheid.

 

Artikel 8.1 Gevallen waarin bij leenbijstand zekerheden als pand of hypotheek worden verlangd  

Het college maakt in beginsel geen gebruik van de mogelijkheden om een pand- of hypotheekrecht te vestigen.

 

In het geval de bijstandsbehoevendheid het gevolg is van een tekortschietend besef voor de verantwoordelijkheden van het bestaan verleent het college de bijstand echter als geldlening onder verband van pand of hypotheek als de door belanghebbende of zijn gezin bewoonde eigen woning met bijbehorend erf een waarde heeft van meer dan € 51.600,- (bedrag geldt per 1 januari 2019) en er (naar verwachting) meer bijstand verleend wordt op jaarbasis dan het wettelijk netto minimumloon op maandbasis.Daarbij worden voor de berekening van de waarde van de woning de daarop rustende schulden, alsmede de kosten van de pand- of hypotheekvestiging in mindering gebracht.

 

Hypotheek wordt gevestigd op registergoederen (huizen en geregistreerde woonschepen).

 

Pandrecht wordt gevestigd op niet-registergoederen (woonwagens en niet-geregistreerde woonschepen).

 

Artikel 8.2 Looptijd leenbijstand  

In beginsel dient er 36 maanden onafgebroken te worden afgelost op een lening. Wanneer hier aan is voldaan kan het restant van de lening worden kwijtgescholden.Bij stagnering van de aflossing kan worden overgegaan tot terugvordering van de gehele lening. De terugvordering dient volledig te worden betaald.

Artikel 8.3 Hoogte aflossing leenbijstand  

Bij een inkomen op bijstandsniveau:

 

  • 6% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (norm + toeslag - verlagingen) inclusief vt.

     

Bij een inkomen boven bijstandsniveau:

 

  • 6% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (norm + toeslag - verlagingen) inclusief vt, PLUS;

  • 35% van het inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm (norm + toeslag - verlagingen) na aftrek van buitengewone uitgaven (zie Hoogte en vorm van de bijstand).

     

Het gaat hier niet om leenbijstand voor duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten. De aflossing hiervan is vastgelegd in beleidsregel 6.37. Het gaat hier om bijvoorbeeld aflossing van algemene bijstand in de vorm van een lening.

Artikel 8.4 Matiging en opschorting aflossing leenbijstand  

Wijziging aflossingsbedrag

Wanneer tijdens de looptijd van de lening blijkt dat de belanghebbende niet in staat is om de aflossingsverplichtingen na te komen, kunnen deze worden gematigd (verminderd), indien sprake is van noodzakelijk te achten extra financiële lasten. Er is geen aanleiding voor matiging wanneer de extra financiële lasten het gevolg zijn van niet noodzakelijk te achten aankopen in de consumptieve sfeer.

 

Opschorting aflossing

Als alternatief voor matiging kunnen in de aflossingsverplichtingen tijdelijk worden opgeschort. Daarbij dient te worden bezien of schuldhulpverlening nodig is. Opschorting ten behoeve van andere schuldeisers, zeker wanneer de schulden zijn ontstaan terzake van niet-noodzakelijke uitgaven, is alleen mogelijk in uitzonderlijke gevallen en dient in de rapportage uitdrukkelijk te worden gemotiveerd.Tijdens heronderzoeken dient te worden bezien of, en zo ja in hoeverre, de matiging of opschorting van de aflossingsverplichting moet worden voortgezet. Wanneer er sinds de toekenning van de leenbijstand vijf jaar zijn verstreken en er is geen uitzicht op een situatie waarin de belanghebbende (weer) aan de volledige aflossingsverplichtingen kan gaan voldoen, wordt het restant van de leenbijstand omgezet in bijstand om niet.

Artikel 8.5 Aanpassing aflossing leenbijstand  

De hoogte van het aflossingsbedrag wordt voor belanghebbenden die een uitkering ontvangen bij elke wijziging van de normuitkering aangepast. In beginsel dus ieder half jaar. Het aflossingsbedrag wordt eveneens aangepast bij verandering van persoonlijke en financiële omstandigheden zoals wijziging van inkomsten, gezinssamenstelling, etc.

 

Voor belanghebbenden die geen uitkering meer ontvangen, wordt de hoogte van het aflossingsbedrag aangepast naar aanleiding van het (jaarlijks) debiteurenonderzoek, mits het inkomen met tenminste 10% is gewijzigd.

 

Een tussentijdse aanpassing van het aflossingsbedrag is wel mogelijk indien de belanghebbende daar zelf om verzoekt vanwege een verandering van persoonlijke en financiële omstandigheden, zoals wijziging van inkomsten, gezinssamenstelling, etc.

Artikel 8.6 Rente over leenbijstand  

Indien bijstand als geldlening wordt verstrekt, wordt in beginsel geen rente in rekening gebracht.Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven kan van de hoofdregel worden afgeweken en toch rente worden berekend. Een voorbeeld hiervan is het geval waarin de behoefte aan het verstrekken van leenbijstand het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.

Artikel 8.7 Gevallen waarin bijstand in natura wordt verstrekt  

Het college gaat in beginsel niet over tot bijstandsverlening in natura.

Artikel 8.8 Verkoop of vererving van woning ingeval van leenbijstand  

Bij verkoop of vererving van de woning moeten het restant van de hoofdsom alsmede de eventueel bijgeschreven rentevorderingen in één keer worden terugbetaald. Dit geldt ook wanneer de verkoop geschiedt in het kader van een om dringende redenen noodzakelijke verhuizing.

 

Wanneer de woning wordt verkocht wegens bijzondere omstandigheden van medische of sociale aard of wegens werkaanvaarding elders kan tot maximaal het (in het kader van de verkoop verplicht) afgeloste deel een nieuwe lening (onder verband van hypotheek of pand) worden verstrekt. De hypotheek- of pandovereekomst kan dan als het ware worden meegenomen naar de nieuwe woning. Voorwaarde hiervoor is dat de belanghebbende het na afrekening vrijgekomen vermogen (inclusief het op grond van artikel 34 lid 2 onderdeel b Participatiewet niet in aanmerking genomen vermogen) binnen drie maanden volledig inzet voor de aankoop van de nieuwe woning.

 

Bij verkoop van de woning tegen de waarde in het economisch verkeer komt, voorzover de opbrengst daartoe toereikend is, aan de belanghebbende in ieder geval een bedrag toe ter hoogte van het in artikel 34 lid 2 onderdeel d Participatiewet genoemde bedrag.

 

Indien bij verkoop van de woning tegen de marktwaarde het voor afrekening beschikbare bedrag (dus na aftrek van het in artikel 34 lid 2 onderdeel d Participatiewet genoemde bedrag) lager is dan de resterende vordering, wordt het verschil kwijtgescholden.

Artikel 8.9 Hereving geldlening i.v.m. eigen woning na onderbreking bijstand  

Wanneer binnen twee jaar na beëindiging van de bijstand die is verleend in de vorm van een geldlening in verband met vermogen gebonden in de woning opnieuw recht op bijstand bestaat, wordt deze verleend met toepassing van de laatste geldlening. De geldlening herleeft als het ware. Een reeds afgelost deel kan dan opnieuw als lening verstrekt worden.

 

Voor de toepassing van bovenstaande is het moment bepalend waarop de bijstand in de vorm van een geldlening (artikel 50 lid 2 Participatiewet) eindigt. Dit kan een moment zijn waarop er in het geheel geen recht meer bestaat op bijstand (bijvoorbeeld wegens werkaanvaarding of de ontvangst van vermogen), maar ook het moment waarop de bijstand in de vorm van de geldlening wordt omgezet in bijstand om niet, omdat het plafond van de geldlening bereikt is.

 

Duurt de onderbreking van de bijstand in de vorm van een geldlening langer dan twee jaar dan zal opnieuw de hoogte van de geldlening vastgesteld moeten worden. Daarbij moet de woning opnieuw worden getaxeerd en mag niet worden uitgegaan van de waarde van de woning in verband met een vorige periode van bijstandsverlening in de vorm van een geldlening.

Artikel 9.1 Moment uitbetalen vakantietoeslag  

De gereserveerde vakantietoeslag wordt betaald in juni.

 

In afwijking hiervan wordt bij beëindiging van de bijstand de vakantietoeslag uitbetaald uiterlijk in de tweede maand na de beëindiging (indien er geen vordering openstaat waarmee het vakantiegeld wordt verrekend).

Artikel 9.2 Verstrekken voorschotten tijdens aanvraag  

Op grond van Artikel 52 lid 1 Participatiewet wordt er binnen vier weken na de aanvraag om algemene bijstand een voorschot verstrekt.

 

Dit geldt echter niet, indien belanghebbende de voor de vaststelling van het recht op algemene bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt of indien belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent (artikel 52 lid 1 onderdeel a Participatiewet). Deze verplichting geldt evenmin indien bij de aanvraag duidelijk is dat geen recht op algemene bijstand bestaat (artikel 52 lid 1 onderdeel b Participatiewet).

 

De verplichting om een voorschot te verstrekken geldt pas vanaf het moment dat een aanvraag is ingediend. Personen jonger dan 27 jaar kunnen pas vier weken na de melding een aanvraag indienen (zie artikel 41 lid 4 Participatiewet). Over die eerste vier weken kan het college derhalve geen voorschot verstrekken, tenzij sprake is van een acute noodsituatie (zie “Toepassen artikel 16 Participatiewet”).

 

Artikel 52 lid 3 Participatiewet geeft het college de discretionaire bevoegdheid om een voorschot te verlenen in het kader van een aanvraag om bijzondere bijstand.De bevoegdheid tot het verlenen van voorschotten tijdens de aanvraag om bijzondere bijstand is beperkt tot situaties waarin de individuele omstandigheden in een concreet geval voorschotverlening noodzakelijk maken. Of voorschotverlening tijdens de aanvraag om bijzondere bijstand aan de orde is, zal dus steeds individueel beoordeeld moeten worden.

Artikel 9.3 Hoogte en duur voorschotten tijdens aanvraag  

Algemene bijstand

De hoogte van het voorschot bedraagt 90% van de bijstandsnorm (exclusief vakantietoeslag en minus de inkomsten) welke vermoedelijk voor belanghebbende van toepassing is. Het voorschot wordt verstrekt over de voorgaande maand, aangezien de betaling van de uitkering ook achteraf plaatsvindt (wanneer de aanvraag wordt gedaan op bijvoorbeeld 15 januari, wordt in februari een voorschot betaald over de periode van 15 tot en met 31 januari).

 

Bijzondere bijstand

Er wordt individueel beoordeeld of een voorschot noodzakelijk is.

Artikel 9.4 Verrekening van bij aanraag verstrekte voorschotten  

In beginsel wordt toegekende bijstand over een periode waarin belanghebbende op grond van artikel 52 Participatiewet een voorschot is verstrekt, verrekend met dit voorschot.

 

Ingeval belanghebbende hierdoor in ernstige financiële problemen zou geraken, kan het college met belanghebbende een gespreide terugbetaling van het voorschot overeenkomen. Zo mogelijk geschiedt dit door een maandelijkse inhouding op de uitkering van belanghebbende.

Artikel 9.5 Adres voorzitter GS  

Voorzitter van Gedeputeerde Staten van Gelderland

Postbus 9090

6800 GX ARNHEM

Artikel 9.6 Moment uitbetalen algemene bijstand exlusief vt  

De algemene bijstand exclusief vakantietoeslag wordt uitbetaald uiterlijk op de zevende dag van de maand volgend op de maand waarop de algemene bijstand betrekking heeft.

Artikel 9.7 Overbruggingsuitkeringen  

Het college verstrekt in beginsel geen overbruggingsuitkeringen voor algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. De voor belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt geacht toereikend te zijn. Indien een belanghebbende gesteld wordt voor noodzakelijke kosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, waardoor liquideitsproblemen kunnen ontstaan omdat hij deze niet uit de eigen middelen kan voldoen kan voor deze kosten bijzondere bijstand worden verstrekt (zie Recht op bijzondere bijstand ).

 

In het geval dat, ondanks het bovenstaande beleidsuitgangspunt, op grond van bijzondere omstandigheden aan belanghebbende toch een overbruggingsuitkering voor algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan wordt verstrekt, wordt de bijstand verstrekt als algemene bijstand om niet. Het college maakt, gezien de bijzondere situatie ten gevolge waarvan de noodzaak van een overbruggingsuitkering is ontstaan, geen gebruik van de bevoegdheid tot terugvordering ervan na beëindiging van de bijstand.

 

In principe verkeren cliënten die vanuit een AZC in Hattem komen wonen in bijzondere omstandigheden waardoor een overbruggingsuitkering (om niet) noodzakelijk kan zijn. Aan hen kan dan ook een overbruggingsuitkering worden toegekend van éénmaal de van toepassing zijnde bijstandsnorm exclusief vakantietoeslag.

 

De overbruggingsuitkering dient betaalt te worden als algemene bijstand (dus niet als bijzondere bijstand).

Artikel 10.1 Beleidsregels inzake beslag  

Beslag op de aan de debiteur toekomende goederen en/of periodiek inkomen, wordt gelegd conform de rechtsregels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Artikel 10.2 Gevallen waarin wordt afgezien van herziening en intrekking  

In gevallen waarin de bijstand herzien of ingetrokken kan worden, zie het college in beginsel niet af van herziening/intrekking.

Artikel 10.3 Gevallen waarin wordt afgezien van terugvordering  

Afzien van terugverordering of invordering

Het college kan afzien van het nemen van een terugverorderingsbesluit als:

 

  • de vordering niet verwijtbaar is en;

  • niet meer bedraagt dan € 125,00.

     

Dringende redenen

Van terugvordering of invordering wordt geheel of gedeeltelijk afgezien als er sprake is van dringende redenen. Het moet hier dan gaan om incidentele gevallen, gebaseerd op een individuele afweging van alle relevante feiten en omstandigheden.

 

Artikel 10.4 Moment van invordering  

De termijn waarbinnen de belanghebbende de ten onrechte ontvangen bijstand dient terug te betalen bedraagt tenminste zes weken na de datum van bekendmaking van de terugvordering (artikel 4:87 Awb).

 

Voor de verrekening, de aflossingsverplichting, de aflossingscapaciteit en kwijtschelding zie: Gemeentelijk debiteurenbeleid.

Artikel 10.5 Beleidsregels invordering  

Verrekening bijstand

  • 1.

    Als de belanghebbende bijstand ontvangt van de gemeente Hattem, wordt de vordering op grond van de Pw, IOAW of IOAZ in maandelijkse termijnen met deze bijstand verrekend. Deze verrekening vindt plaats op grond van artikel 60, lid 3 Pw en artikel 6:127 Burgerlijk Wetboek.

     

  • 2.

    Als belanghebbende bijstand ontvangt van een andere gemeente of een andere instantie zoals genoemd in artikel 60a Pw, wordt de vordering of geldlening in maandelijkse termijnen met deze bijstand verrekend. Deze verrekening vindt plaats op grond van het in dit lid genoemde artikel (pseudo-verrekening).

     

  • 3.

    Bij terugvordering op grond van artikel 58, lid 2 Pw en aflossing op leenbijstand bedraagt het in te houden bedrag 6% van de bijstandnorm inclusief vakantietoeslag.

     

  • 4.

    Bij terugvordering op grond van artikel 58, lid 1 Pw bedraagt het in te houden bedrag 10% van de bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag.

     

  • 5.

    Bij een IOAZ en IOAW uitkering wordt het aflossingsbedrag bepaald op 5% (niet verwijtbare vordering) respectievelijk 10% (verwijtbare vordering) van de bruto uitkeringsgrondslag.

     

  • 6.

    Als de bijstand van de gemeente op enig moment wordt beëindigd, wordt aan de belanghebbende verzocht om de verschuldigde aflossingen zelf te blijven voldoen. Er wordt vervolgens wel een onderzoek ingesteld naar de aflossingscapaciteit van de belanghebbende, en wanneer nodig wordt het aflossingsbedrag gewijzigd vastgesteld.

     

  • 7.

    Als de bijstand wordt beëindigd, wordt de reservering van het vakantiegeld met de vordering verrekend.

Vaststellen aflossingscapaciteit bij terugvordering

  • 1.

    In geval van terugvordering op grond van artikel 58, lid 2 Pw wordt de aflossingsverplichting gesteld op 6% van de geldende norm voor personen met een inkomen tot 120% van de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm. Van inkomsten boven 120% van de geldende bijstandsnorm wordt 35% vastgesteld als aflossingscapaciteit.

     

  • 2.

    In geval van terugvordering op grond van artikel 58, lid 1 Pw wordt de aflossingscapaciteit gesteld op 10% van de geldende norm voor personen met een inkomen tot 120% van de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm. Van inkomsten boven 120% van de geldende bijstandsnorm wordt 35% vastgesteld als aflossingscapaciteit.

     

  • 3.

    In voorkomende gevallen kan de hoogte van de aflossingsverplichting individueel worden bepaald.

     

  • 4.

    Als belanghebbende geen bijstand ontvangt en verzoekt om een aflossingsregeling kan hiermee worden ingestemd wanneer de vordering in 36 maanden afgelost kan zijn en het aflossingsbedrag minimaal € 50,- per maand bedraagt.

     

  • 5.

    Als de vordering niet in 36 maandelijkse termijnen kan zijn afgelost, wordt een onderzoek ingesteld naar de aflossingscapaciteit van de belanghebbende. Daarbij worden de financiële- en persoonlijke omstandigheden van belanghebbende in acht genomen.

     

  • 6.

    Als belanghebbende niet meewerkt aan een onderzoek naar zijn draagkracht, wordt het aflossingsbedrag ambtshalve vastgesteld. Ook kan onder toepassing van artikel 60, lid 6 Pw in dat geval direct beslag worden gelegd op het inkomen van de belanghebbende, waarbij de beslagvrije voet komt te vervallen.

     

  • 7.

    Het aflossingsbedrag zoals medegedeeld in het terugvorderingsbesluit, het besluit tot uitstel van betaling of dat met de belanghebbende op grond van een minnelijke regeling wordt overeengekomen, geldt als een opgelegde betalingsverplichting.

Artikel 11.1 Gevallen waarin wordt afgezien van verhaal  

In beginsel worden de kosten van bijstand niet verhaald. Indien van toepassing wordt de verplichting opgelegd om alimentatie te eisen.

Artikel 12.1 Frequentie heronderzoeken  

Wanneer daartoe aanleiding bestaat voert het college een heronderzoek uit naar het recht op bijstand. Met betrekking tot de mogelijkheden voor arbeidsinschakeling staat er altijd een heronderzoek gepland.

 

De frequentie is afhankelijk van het individuele geval.

Artikel 12.2 Procedure heronderzoeken  

De procedure van het heronderzoek bestaat uit de volgende onderdelen:

 

1. Het toezenden van het inlichtingenformulier e.a.

Belanghebbende krijgt schriftelijk bericht dat er een heronderzoek zal plaatsvinden. Hem wordt daarbij verzocht om het bijgevoegde algemene inlichtingenformulier ingevuld en ondertekend tezamen met een aantal bewijsstukken voor of op een bepaalde datum in te leveren. Daarbij wordt er op gewezen dat het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht kan leiden tot het opschorten van de uitkering gevolgd door een verlaging dan wel intrekking van de uitkering.

 

2. Het verstrekken van inlichtingen

Worden de gevraagde gegevens (of een deel daarvan) niet tijdig verstrekt dan wordt de bijstand opgeschort. De belanghebbende wordt hiervan schriftelijk in kennis gesteld, waarbij hem een hersteltermijn wordt gegeven om alsnog het gevraagde over te leggen. Daarbij wordt hij gewezen op de gevolgen van het ook niet binnen de hersteltermijn voldoen aan de inlichtingenplicht (intrekking). Meer informatie over het geven van hersteltermijnen is opgenomen in Overige gevallen (opschortingsprocedure artikel 54 Participatiewet).

 

3. De eerste controle

Zijn de gevraagde gegevens en bewijsstukken (tijdig) overgelegd, dan vindt aan de hand hiervan een eerste controle plaats. Daarbij gaat het vooral om de samenhang tussen de verschillende gegevens. Zo mogelijk vindt al een deel van de verificatie plaats. Eventuele vragen worden genoteerd ten behoeve van het heronderzoeksgesprek.

 

4. Het heronderzoeksgesprek

Er vindt een heronderzoeksgesprek plaats. Hierin wordt naast de informatie die nodig is voor het recht op bijstand met name ook gesproken over de verplichtingen, meer in het bijzonder de plicht tot arbeidsinschakeling (zie ook Plicht tot arbeidsinschakeling en tegenprestatie). De mogelijkheden tot arbeidsinschakeling kunnen evenwel onbesproken blijven als het college deze reeds als afwezig heeft aangemerkt (zie Wanneer een heronderzoek?) of wanneer deze in een afzonderlijk gesprek zijn besproken.

 

5. Het heronderzoek wordt afgerond

Het heronderzoek wordt, voorzover er wijzigingen zijn, afgerond met een beschikking waarin de nieuwe rechten en plichten van de belanghebbende worden vastgesteld.Indien er geen wijzigingen zijn wordt volstaan met een brief waarin belanghebbende wordt medegedeeld dat het heronderzoek geen aanleiding heeft geven om zijn recht op uitkering te wijzigen.

Artikel 12.3 Procedure beëindigingsonderzoek  

1. Blokkeren van de betaling

Indien het college de bijstand van een belanghebbende wil beëindigen, wordt de betaling van de bijstand geblokkeerd met onmiddellijke ingang of met ingang van de vermoedelijke beëindigingsdatum indien deze nog in de toekomst ligt.

 

2. Vragen om inlichtingen

Het college stuurt belanghebbende een brief waarin om bewijsstukken wordt gevraagd (indien nog niet aanwezig) met een termijn van inlevering, zijnde vijf werkdagen. Ingeval van beëindiging wegens werkaanvaarding of verkrijging van een andere uitkering dient in elk geval een stuk te worden overgelegd waaruit de ingangsdatum van werk of uitkering blijkt.

 

3. Rapportage en beschikking

Een rapportage en beëindigingsbeschikking worden zo spoedig mogelijk gemaakt (uiterlijk binnen 30 dagen) (Indien binnen 30 dagen een nieuwe aanvraag wordt gedaan: zie Korte onderbreking bijstand).

 

4. Nabetalen of terugvorderen

Volgt uit het beëindingsonderzoek dat belanghebbende nog recht heeft op nabetaling algemene bijstand of vakantietoeslag dan worden deze aan belanghebbende betaald. Eventueel teveel betaalde bijstand wordt van belanghebbende teruggevorderd. Zo mogelijk vindt er verrekening plaats.

 

Artikel 12.4 Reactie op weigering mee te werken aan beëindigingsonderzoek  

Indien belanghebbende geen gehoor geeft aan het verzoek om inlichtingen te verstrekken ten behoeve van het beëindigingsonderzoek wordt er in beginsel uitbetaald tot en met de maand waarover alle gegevens bekend zijn, met uitzondering van de gereserveerde vakantietoeslag.

 

Indien belanghebbende niet tijdig de gevraagde gegevens overlegt, wordt het recht op bijstand opgeschort met ingang van de daaropvolgende maand, waarbij aan belanghebbende een hersteltermijn wordt gegeven om alsnog de inlichtingen te verstrekken (procedure artikel 54 lid 1 Participatiewet).Indien belanghebbende alsnog de gevraagde inlichtingen verstrekt en er nog een recht op bijstand kan worden vastgesteld wordt dit verlaagd overeenkomstig de Maatregelenverordening.

 

Indien ten gevolge van de schending van de inlichtingenplicht het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld of anderszins wordt herzien of ingetrokken, wordt teveel betaalde bijstand teruggevorderd en voor zover mogelijk verrekend met gereserveerde vakantietoeslag.

Artikel 12.5 Frequentie deibiteurenonderzoeken  

In beginsel vindt een debiteurenonderzoek eenmaal per jaar plaats. Hiervan kan worden afgeweken wanneer daar in het individuele geval aanleiding toe is.

Artikel 12.6 Procedure debiteurenonderzoek  

Tijdens het heronderzoek wordt nagegaan of de aflossingsregeling is nagekomen en of deze correct is afgeboekt.

 

Indien en voor zover betaling ineens van de terugvorderingschuld niet mogelijk is, wordt de aflossing in overleg met belanghebbende vastgesteld. Tijdens het heronderzoek wordt nagegaan of de hoogte van de aflossing nog in overeenstemming met het inkomen is.

 

Wanneer belanghebbende niet mee wil werken aan het afspreken van een betalingsregeling of de betalingsregeling niet nakomt, wordt beslag gelegd op 100% van het inkomen boven de beslagvrije voet.

 

Heeft belanghebbende nog recht op vakantietoeslag of een individuele inkomenstoeslag, dan worden deze niet uitbetaald, maar verrekend met de terugvorderingsschuld.

Artikel 12.7 Het archiveren en bewaren van dossiers  

De dossiers worden bewaard in de archiefkasten op de afdeling. Van lopende dossiers dienen de afgelopen 3 jaar in de archiefkast te blijven, oudere stukken kunnen naar het archief in de kelder. Afgesloten dossiers (ook geen heronderzoeken of openstaande vorderingen meer) kunnen na 1 jaar naar het archief in de kelder.

Artikel 13.1 Duur aanvultermijn zelfstandigen  

De Bbz wordt uitgevoerd door het Regionaal Bureau Zelfstandigen (RBZ) te Zwolle. Indien nodig, zullen zij zorgdragen voor een aanvultermijn voor het inleveren van gegevens.

Artikel 13.2 Gegevens Bbz-commissie  

De beoordeling Bbz 2004 en IOAZ vindt, volgens onderstaand protocol, plaats door:

 

Regionaal bureau zelfstandigen

Stadskantoor Zwolle

Lübeckplein 2

Postbus 10007

8000 GA Zwolle

www.rbzzwolle.nl

 

PROCEDURES

 

Aanmelding

Klant meldt zich telefonisch, schriftelijk of per e-mail bij het Regionaal bureau zelfstandigen(Rbz).

De consulent zelfstandigen verstrekt informatie en zendt eventueel de benodigde schriftelijke informatie en formulieren toe. Tevens kan er reeds een afspraak worden gepland voor een bezoek op kantoor of bij het bedrijf.

 

Intake en opboeking

Screening, vaststelling doelgroep Bbz 2004/Ioaz en intakegesprek.

Gespreksbevestiging inname aanvraag en/of ontbreken (bewijs)stukken.

Opboeken van de gegevens in GWS4all volgens de gebruikelijke procedures bij het Regionaal bureau zelfstandigen(Rbz), inclusief toepassen hersteltermijnen.

 

Bevestiging via e-mail

De inname van de aanvraag wordt via de e-mail o.v.v. naam, adres, postcode en toegekend persoonsnummer bevestigd bij de gemeente Hattem.

 

Onderzoek en advisering

De consulent zelfstandigen onderzoekt de mogelijkheden o.g.v. het Bbz/Ioaz en vraagt in voorkomende gevallen een advies op bij derden (o.a. IMK, RVO, Flynth).

 

Voor lichte gevallen (uitkering en/of beperkt kapitaal) wordt het onderzoek door een consulent van het Rbz uitgevoerd.

 

In het algemeen moet er vanuit worden gegaan dat de gevalsaanvragen redelijk complex zijn, waardoor een onderzoek door een extern adviesbureau wenselijk wordt geacht.

 

Na afronding onderzoek en rapportage wordt door de consulent een definitief advies uitgebracht. Dit advies resulteert in een concept beschikking en bij toekenning inclusief de daarbij behorende overeenkomsten van geldlening of pandrecht o.g.v. het Bbz. Hierbij wordt het format van de gemeente Hattem gebruikt.

 

In die gevallen dat advies bij derden wordt ingewonnen dient de nota rechtstreeks naar de contactpersoon van de gemeente Hattem te worden verzonden.

 

Er wordt vooraf geen gesprek meer gevoerd met de aanvrager.

 

Wel wordt de aanvrager vooraf geïnformeerd over de bevindingen van de consulent.

 

Beschikking

  • Het Rbz verstuurt de beschikking, namens de gemeente Hattem, naar de aanvrager;

  • De beschikking wordt naar de contactpersoon van de gemeente Hattem gemaild, met een cc aan financiële administratie te Oldebroek.

     

Uitbetaling

  • Overeenkomstig de in de overeenkomst gemaakte afspraken vindt daarna de uitbetaling plaats door de gemeente Hattem;

  • Ook kunnen tussentijds, indien daarover afspraken zijn gemaakt, voorschotten worden verstrekt.

     

Bestandswerk

Het bestandswerk als gevolg van nieuwe aanvragen, zoals onderzoek jaarrekening, debiteurenonderzoek en heronderzoeken in het kader van Ioaz worden eveneens uitgevoerd door het Regionaal bureau zelfstandigen (Rbz).

 

Mocht de klant nalatig zijn bij het verstrekken van de gevraagde informatie of in het geheel niet meewerken, dient een tussentijdse rapportage te worden opgesteld. Deze rapportage kan via de mail worden verzonden naar de contactpersoon van de gemeente Hattem.

 

De heronderzoekstermijn wordt bepaald op 12 maanden.

 

Debiteurenbeheer

De contactpersoon van de gemeente informeert het Rbz over het betalingsverloop, voor zover de verplichtingen niet of onregelmatig worden nagekomen.

 

Één keer per jaar wordt door of namens de contactpersoon een totaaloverzicht doorgegeven, waarin opgenomen restantsaldo bedrijfskrediet en evt. achterstanden in aflossing en rente.

 

De consulent neemt vervolgens contact op met de klant en rapporteert over de uitkomsten.

 

In voorkomende gevallen wordt tevens een concept-beschikking opgesteld.

 

Terugvordering

Na invordering van het verstrekte of restant bedrijfskrediet middels een beschikking van de consulent wordt het schaduwdossier bij het Rbz afgesloten. De opdrachtgever draagt zelf zorg voor de terugvordering.

 

Bezwaar en beroepzaken

Op verzoek van de opdrachtgever neemt de consulent het voorbereiden en afhandelen van bezwaar en beroepzaken voor zijn rekening.

 

Voortgang

Jaarlijks vindt minimaal één bijeenkomst plaats met de contactpersonen van de gemeenten en een vertegenwoordiging van het Rbz.

 

Voorlichtingsmateriaal

Het Regionaal bureau zelfstandigen ontwerpt en beheert het foldermateriaal van de uit te voeren regelingen o.g.v. het Bbz en Ioaz.

 

De informatie kan ook worden verkregen via de website van het Rbz (rbzzwolle.nl)

Artikel 13.3 Bijzondere bijstand specifieke kosten zelfstandigen  

Er zijn geen aparte beleidsregels voor deze kosten. Er wordt een individuele afgeweging gemaakt.

Artikel 13.4 Marginale zelfstandigen  

Onder marginale zelfstandige activiteiten wordt verstaan (omschrijving zoals genoemd in punt 3 van de Verzamelbrief van 18-02-2003 van de Staatssecretaris SZW):

 

“Productieve activiteiten van geringe omvang, die bescheiden inkomsten opleveren en die voor eigen rekening en risico worden uitgevoerd door uitkeringsgerechtigden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt vanwege oorzaken als sociaal-culturele achtergronden, het ontbreken van een opleiding, het gebrek aan ervaring met het werken in loondienst, of de lange werkloosheidsduur. Kenmerkend voor de activiteiten is dat deze naar verwachting ook op termijn, niet zullen leiden tot voldoende inkomsten om zelfstandig in de kosten van het levensonderhoud te kunnen voorzien.

 

”Uit de bovenstaande definitie blijkt dat activiteiten als zelfstandige die gericht zijn op het (op termijn) wel zelfstandig kunnen voorzien in de kosten van het bestaan niet worden gerekend tot marginale zelfstandige activiteiten van bescheiden aard. Om die reden worden gevestigde zelfstandigen, startende zelfstandigen en bijstandsgerechtigden die aangemerkt worden als startende zelfstandigen (artikel 2 lid 3 Bbz 2004), ook al ligt het eigen inkomen beneden de bijstandsgrens, niet als marginaal zelfstandige aangemerkt. Voor hen gelden de regels voor bijstandsverlening aan zelfstandigen.

 

Er is geen aanleiding om ten aanzien van bijstandsgerechtigden die inkomsten verwerven uit marginale zelfstandige activiteiten af te wijken van de in de PW opgenomen algemeen geldende regels met betrekking tot de verrekening van die eigen inkomsten. Inkomsten uit marginale zelfstandige activiteiten zijn immers niet anders te waarderen dan inkomsten uit bijvoorbeeld enkele uren arbeid in loondienst.

 

Alle eigen inkomsten van bijstandsgerechtigden, waaronder begrepen worden de inkomsten uit marginale zelfstandige activiteiten dienen dan ook in beginsel voor 100% in mindering te worden gebracht op de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Dit is slechts dan anders indien belanghebbende recht heeft op een (gedeeltelijke) vrijlating van deze inkomsten.

 

Nadere uitleg. Op grond van de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is het bijstandsgerechtigden toegestaan om werkzaamheden te verrichten als zelfstandige, mits die werkzaamheden niet van een meer dan bescheiden omvang zijn en niet gericht zij op het (op termijn) wel zelfstandig kunnen voorzien in de kosten van het bestaan. In dit verband wordt dan ook gesproken over marginale zelfstandigen. De beoordeling of er sprake is van een marginale zelfstandige dan wel van een zelfstandige met werkzaamheden van meer dan bescheiden omvang dient volgens de CRvB plaats te vinden aan de hand van de zich in het concrete geval voordoende feiten en omstandigheden. Hierbij dient onder meer te worden gelet op de volgende aspecten (zie CRvB 06-04-1999, nr. 98/7798 NABW):

 

  • het tijdsbeslag van de werkzaamheden die betrokkene al of niet in loondienst verricht;

  • de al dan niet gebondenheid van de betrokkene aan die werkzaamheden voor de toekomst;

  • de intentie van de betrokkene;

  • de houding an de betrokkene tegenover (weder) inschakeling in de arbeid.

     

Het college kan indien daartoe aanleiding bestaat eerder verleende toestemming om werkzaamheden als marginale zelfstandige te verrichten weer intrekken. Van belang daarbij is dat belanghebbende voor de afbouw en beëindiging van zijn activiteiten een redelijke termijn wordt gegund. Zodoende kan hij eventuele lopende zaken afwikkelen. Indien belanghebbende het niet eens is met het intrekken van de toestemming, zal hij een bezwaarschrift moeten indienen. Aangezien dit geen schorsende werking heeft, zal hij aan de Voorzieningenrechter van de Rechtbank een voorlopige voorziening moeten vragen als hij toch zijn activiteiten wil blijven voortzetten (zie CRvB 15-10-2002, nr. 00/726 NABW).

 

Onderstaand wordt het gemeentelijke beleid vermeld ten aanzien van de marginale zelfstandigen.

 

Belanghebbenden met een uitkering op grond van de Participatiewet mogen bedrijfs- of beroepsmatige activiteiten ontplooien of continueren, voor zover deze van bescheiden omvang zijn, de marginale zelfstandige. De marginaal zelfstandige is geen zelfstandige. Om van werkzaamheden van “bescheiden omvang” te kunnen spreken, moet de daaraan bestede tijd en het verdiende inkomen bescheiden zijn. Voor de bepaling van de omvang van de werkzaamheden gelden de volgende criteria:

 

  • Maximaal 50% van de normale arbeidstijd van één van de partners mag besteed worden aan zelfstandige activiteiten. Indien beide partners deelnemen aan activiteiten als zelfstandige mag het totaal van de in de onderneming gewerkte arbeidstijd niet meer bedragen dan hierboven genoemd;

  • Maandelijks opgave op het mutatieformulier van het bedrijfsinkomen (omzet minus acceptabele bedrijfskosten, maximaal 50% van de omzet); tevens maandelijks een afschrift van een kosten-batenoverzicht (boekhouding) meezenden;

  • Maandelijks worden aan de hand van de opgave van het bedrijfsinkomen de inkomsten volledig (100%) verrekend met de PW-uitkering;

  • Het toepassen van de zelfstandigenaftrek voor de belastingheffing is niet toegestaan;

  • De netto winst mag jaarlijks niet hoger zijn dan € 7.280,00. *);

  • Wanneer de jaarlijkse netto winst het vorenstaande niveau bereikt moet in samenhang met de andere voorwaarden gekeken worden of belanghebbende door kan starten met toepassing van de bepalingen van de PW en het Bbz 2004 of dat de werkzaamheden teruggebracht moeten worden naar een meer bescheiden niveau;

  • Jaarlijks belastingaangifte doen en een afschrift hiervan, tezamen met de boekhouding, inleveren bij de afdeling Welzijn (Sociale Zaken);

  • Na ontvangst van de aanslag deze onverwijld in te leveren bij de afdeling Welzijn (Sociale Zaken);

  • Aan de hand van de boekhoudgegevens (netto winst), belastingaangifte en definitieve aanslag, wordt het recht op uitkering op grond van de Participatiewet over het betreffende jaar, indien nodig, herberekend waarbij de netto winst evenredig als inkomen wordt verdeeld over de maanden waarover in het betreffende jaar recht op bijstand heeft bestaan.

     

Voordat toestemming tot het verrichten van zelfstandige activiteiten wordt verleend, dient te worden vastgesteld dat er geen mogelijkheden bestaan op een baan in loondienst of een werkgelegenheidstraject. Belanghebbenden die activiteiten van bescheiden omvang als zelfstandige uitvoeren, moeten blijven voldoen aan de gebruikelijke verplichtingen die aan de uitkering worden gesteld. Daarnaast moeten aan de activiteiten verplichtingen worden gesteld die eigen zijn aan het zelfstandig ondernemerschap, te weten:

 

  • Ingeschreven staan bij de Kamer van Koophandel;

  • Niet meer dan 18 uur per week aan de zelfstandige activiteiten besteden (voor de inkomstenbelasting bestaat er derhalve geen recht op zelfstandigenaftrek);

  • De activiteiten mogen niet gericht zijn op uitbreiding van het bedrijf;

  • Er moet een deugdelijke boekhouding worden gevoerd;

  • De zelfstandige activiteiten moeten een eigen inkomen opleveren waardoor vermindering van de bijstand mogelijk wordt. De netto winst mag echter niet hoger zijn dan de minimum aftrek voor zelfstandigen bij een winst in de laagste categorie zoals genoemd in de tabel Zelfstandigenaftrek van de Belastingdienst. *)

De brutowinstmarge, het prijsniveau, dient zich redelijk te verhouden tot die van de con-currenten. De bedrijfskosten dienen in verhouding te zijn tot de omvang van het bedrijf, dit een tot maximum van 50% van de bruto-inkomsten.

 

*) Voor het jaar 2017 bedraagt dit € 7280,00. Zie Tabel Zelfstandigenaftrek Belastingdienst.

Artikel 13.5 Rapporterende instanties zelfstandigen  

Zie 13.2 voor Gegevens Bbz-commissie.

Artikel 13.6 Beleid startende zelfstandigen  

De mogelijkheden voor startende zelfstandigen worden beoordeeld door het Rbz (zie 13.2).

Artikel 13.7 Aangewezen gemeente voor bijtandsverlening aan schippers  

De bijstand aan een ondernemer in de binnenvaart wordt verleend door de centrumgemeente als bedoeld in artikel 36 Bbz 2004. Schippers die verblijven op het grondgebied van deze gemeente dienen zich voor bijstand te wenden tot de gemeente Nijmegen.

Artikel 13.8 Samenvatting beleid inburgering  

Sinds 1 januari 2013 is inburgering geen verantwoordelijkheid meer van de gemeente.

 

Op grond van overgangsrecht blijven gemeenten vanaf 2013 verantwoordelijk voor personen die voor 1 januari 2013 inburgeringsplichtig zijn geworden. De inburgering voor deze personen wordt uitgevoerd door de gemeente Zwolle.

Artikel 13.9 Hoogte bestuurlijke boete Wet inburgering  

Hoogte van de boete

De bestuurlijke boete bedraagt 20% van de voor de inburgeringsplichtige van toepassing zijnde norm verhoogd met de toeslag bedoeld in artikel 25 lid 2 Particpatiewet voorzover het een alleenstaande van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar of een alleenstaande ouder betreft.Indien de inburgeringsplichtige geen algemene bijstand (en evenmin een uitkering op grond van een de in artikel 4.23 Besluit inburgering genoemde socialezekerheidswetten of socialezekerheidsregelingen) ontvangt, wordt voor de bepaling van de hoogte van de boete uitgegaan van de norm die voor hem zou gelden in het geval hij wel belanghebbende in de zin van de Participatiewet zou zijn.

 

Recidive

Bij herhaling van een gedraging die in strijd is met de verplichtingen verbonden aan de WI binnen twaalf maanden nadat aan de inburgeringsplichtige ter zake van die gedraging een bestuurlijke boete is opgelegd, bedraagt de bestuurlijke boete 40% van de van toepassing zijnde norm verhoogd met de toeslag bedoeld in artikel 25 lid 2 Participatiewet voorzover het een alleenstaande van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar of alleenstaande ouder betrof.

Artikel 13.10 Kinderopvang voor sociaal-medische geindiceerden  

Een aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang op sociaal medische reden wordt gezien als een aanvraag bijzondere bijstand in het kader van de Participatiewet. De gemeente stelt de noodzaak vast en toetst aan de hand van de regels van de bijzondere bijstand of een tegemoetkoming mogelijk is.

 

Bij een verzoek om tegemoetkoming op grond van sociaal medische indicatie, moet de noodzaak tot kinderopvang op sociaal medische gronden worden vastgesteld. Indien nodig kan een advies worden opgevraagd bij een onafhankelijk arts.

Artikel 13.11 Overzicht hoogte verlagingen  

Zie voor de verlagingen de Maatregelenverordening.

Het verlagen van de bijstand in het kader van de IOAW en IOAZ bij schending van verplichtingen

 

Op grond van de Maatregelenverordening worden de verlagingen toegepast:

Hoogte en duur van de verlaging

Gedraging

 

Eerste categorie

10% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand

1. het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV Werkbedrijf of het niet tijdig laten verlengen van de registratie;

 

Tweede categorie

 

1. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;

2. het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in artikel 36 lid 1 IOAW en artikel 37 lid 1 onderdeel e IOAW of artikel 36 lid 1 IOAZ en artikel 37 lid 1 onderdeel e IOAZ, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening;

20% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand

3. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37 lid 1 onderdeel e IOAW of artikel 37 lid 1 onderdeel e IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38 lid 1 IOAW of artikel 38 lid 1 IOAZ;

4. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37 lid 1 onderdeel f IOAW of artikel 37 lid 1 onderdeel f IOAZ.

 

Derde categorie

100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand

1. het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen;

2. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid

3. het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 20 lid 1 onderdelen a of b IOA of artikel 20 lid 2 onderdelen a of b IOAZ.

4. het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 36 lid 1 IOAW en artikel 37 lid 1 onderdeel e IOAW of artikel 36 lid 1 IOAZ en artikel 37 lid 1 onderdeel e IOAZ, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening.

100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand

Zeer ernstige gedragingen tegenover het college of zijn ambtenaren onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW of IOAZ.

 

Besluit

In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering worden in ieder geval vermeld:

 

  • 1.

    de reden van de verlaging;

  • 2.

    de duur van de verlaging;

  • 3.

    het percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd; en

  • 4.

    indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging.

     

Samenloop

Eén gedraging, schending meerdere verplichtingen

Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze verordening genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld.

 

Meerdere gedragingen, schending één of meerdere verplichtingen

Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze verordening genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.

 

Samenloop met bestuurlijke boete (één gedraging)

Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in deze verordening genoemde verplichting als een in artikel 17 lid 1 Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd.

 

Samenloop met bestuurlijke boete (meerdere gedragingen)

Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening genoemde verplichting als een in artikel 17 lid 1 Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.

 

Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ

Als het college de uitkering op grond van artikel 20 lid 1 IOAW of artikel 20 lid 2 IOAZ blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege.

 

Recidive

 

Verdubbeling van de duur van de oorspronkelijke verlaging

Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast (of waarmee is afgezien van een verlaging) opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. Het betreft:

 

  • gedragingen tweede en derde categorie.

     

Verdubbeling van de hoogte van de oorspronkelijke verlaging

Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast (of waarmee is afgezien van een verlaging) vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 6, eerste lid, 7, eerste lid of 11 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de hoogte van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. Het betreft:

 

  • gedragingen eerste categorie.

Artikel 14.1 Afspraken met UWV inzake aanbieden voorzieningen aan personen met uitkering via UWV  

Achtergrondinformatie

Zie artikel 7 eerste lid onder a Participatiewet. Personen die werkloos worden na arbeid met loonkostensubsidie vanuit de gemeente vallen de eerste 2 jaar na hun werkloosheid of ziekte onder de verantwoordelijkheid van de gemeente als het gaat om hun re-integratie.

Artikel 14.2 Procedure aanvraag en toekenning re-integratievoorziening  

Onderstaand beleid is opgenomen in de Verordening re-integratie.

 

Beleid en evenwichtige verdeling

 

Het college biedt aan inwoners ondersteuning bij de re-integratie naar de arbeidsmarkt voor zover deze ondersteuning door het college noodzakelijk wordt geacht.

 

Het college onderzoekt nauwkeurig de individuele wensen, acties gericht opvergroting van zelfstandigheid, mogelijkheden en capaciteiten van een inwoner om de ondersteuning zo doelmatig en duurzaam mogelijk te realiseren. Waar mogelijk wordt rekening gehouden met individuele wensen. Het college legt dat vast in het trajectplan van de betreffende bewoner.

 

Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomenvoorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk.

 

Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan:

  • de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar; en

  • de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.

     

Een voorziening is mogelijk ten behoeve van organisaties met of zonder winstoogmerk.

 

Algemene bepalingen over voorzieningen

 

Het college stelt in het trajectplan na overleg met de belanghebbende vast welke voorziening wordt aangeboden aan een persoon uit de doelgroep van artikel 7 lid 1 onderdeel a Participatiewet.

 

Het college bepaalt de voorwaarden waaronder de voorziening wordt aangeboden bijvoorbeeld een budgetplafond of een bijdrage door de persoon uit de doelgroep van artikel 7 lid 1 onderdeel a Participatiewet.

Artikel 14.3 Afspraken niet nakomen/voortijdig afbreken van een re-integratie  

Onderstaand beleid is opgenomen in de Verordening re-integratie.

 

Algemene bepalingen over voorzieningen

 

Het college kan een voorziening beëindigen als:

 

  • de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld inde artikelen 9 en 17 van de Participatiewet, de artikelen 13 en 37 van de IOAW of de artikelen 13 en 37 van de IOAZ niet nakomt;

  • de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep;

  • de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet;

  • naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;

  • de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening;

  • de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruikmaakt van de aangeboden voorziening;

  • de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.

     

Terugvordering onnodig gemaakte re-integratiekosten

De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde, noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd. Terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek.

 

Zie Rechtbank Arnhem 14-09-2006, nr. AWB 06/999,ECLI:NL:RBARN:2006:AZ3540.

 

Maatregelgebied

In de Maatregelenverordening is het beleid opgenomen ten aanzien van het niet voldoen aan de arbeidsverplichtingen waaronder het gebruik maken van een voorziening in het kader van de Participatiewet.

Artikel 14.4 Overzicht gemeentelijke re-integratiepartners  

Hattem heeft op voorhand geen re-integratietrajecten ingekocht naast de afgesproken inzet van WorkFast gedurende het jaar 2015.

Artikel 14.5 Overzicht diagnostische instrumenten  

De gemeente Hattem gaat werken met de diagnostische methode van Dariuz: de Wegwijsmethode. In het eerste kwartaal van 2015 worden de consulenten gecertificeerd.

Artikel 14.6 Plan van aanpak/trajectplan  

Ten behoeve van de reïntegratie wordt een trajectplan gemaakt. Dit trajectplan beschrijft welke voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling worden ingezet c.q. aangeboden, alsmede de daaraan verbonden rechten en plichten van de belanghebbende. Tevens wordt het beoogde einddoel in het trajectplan opgenomen.

Artikel 14.7 Hulpverleningsinstellingen  

Alle informatie over hulpverleningsinstellingen wordt ontsloten via de digitale sociale kaart. Deze sociale kaart is aan het eind van het eerste kwartaal in 2015 gereed.

Artikel 14.8 Sociale activering  

Onderstaande volgt uit de Verordening re-integratie.

 

Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep van artikel 7 lid 1 onderdeel a Participatiewet activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering.Het college stemt de duur van de activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon.

Artikel 14.9 Scholing  

Onderstaand beleid is opgenomen in de Verordening re-integratie

 

Scholing

 

Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep van artikel 7 lid 1 onderdeel a Participatiewet scholing aanbieden. De scholing kan worden aangeboden in de vorm van subsidie of verstrekking in natura.

 

Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen:

 

  • Het gaat de capaciteiten van de te scholen persoon niet te boven; en

  • Het vergroot de kansen op de arbeidsmarkt; of

  • Het leidt tot duurzaam werk.

     

Scholing in combinatie met participatieplaats

Wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats niet over een startkwalificatie beschikt, dient het college aan deze persoon scholing of opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van de werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn gericht zijn vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het college hoeft aan een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van de persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van de persoon. Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet. Zie ook het gemeentelijk beleid over de voorziening participatieplaats in het onderdeel Overige voorzieningen.

Artikel 14.10 Loonkostensubsidie (overige doelgroep)  

De loonkostensubsidie (niet specifiek voor mensen met een arbeidshandicap) wordt in Hattem indienstnemingssubsidie genoemd. Het beleid is verwerkt in W017 onder Overige voorzieningen.

Artikel 14.11 Persoonlijke ondersteuning  

Onderstaande volgt uit de Verordening re-integratie.

 

Persoonlijke ondersteuning

Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het college persoonlijkeondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon opgedragen taken aanbiedenin de vorm van begeleiding als hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat isde aan hem opgedragen taken te verrichten.

 

Toelichting

Het moet gaan om een systematische ondersteuning voor de werknemer.Bijvoorbeeld een jobcoach of stage-jobcoach, die op vaste tijden en gedurende eenlangere periode de werknemer met beperkingen bij het verrichten van zijn takenondersteunt.Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemerzonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnenverrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordtbegeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via een dergelijkevoorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn. Verstrekking aan dewerknemer of de werkgever kan plaatsvinden in natura of geld.Zelfstandig bedrijfAan een niet-uitkeringsgerechtigde of een bijstandsgerechtigde kan tervoorbereiding voor het starten van een bedrijf of zelfstandig beroep ook eennoodzakelijke voorziening worden geboden.Een voorziening kan bestaan uit begeleiding of onderzoek door een deskundige.Ook de startende zelfstandige kan behoefte hebben aan en een beroep doen op dezevoorziening. De gevestigde zelfstandigen valt niet onder de doelgroep ex artikel 7lid 1 Participatiewet.

Artikel 14.12 Beschut werk  

Onderstaand beleid volgt uit de Verordening re-integratie.

 

Participatievoorziening beschut werk

Het college biedt de voorziening beschut werk aan een persoon aan van wie is vastgesteld dat deze alleen in een beschutte omgeving onder aanqepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en deze persoon:

 

  • behoort tot de doelgroep; of

  • een persoon is aan wie het UWV een uitkering verstrekt.

     

Onverminderd het bepaalde in het bovestaande krijgt een persoon van wie is vastgesteld dat deze alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en waarvoor een andere voorziening niet passend is en die nog niet in aanmerking is gekomen voor een beschut werkplek omdat het aantal geraamde beschut werkplekken in één jaar al is gerealiseerd, voorrang op personen van wie later is vastgesteld dat zij alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben.

 

Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken zet het college de volgende ondersteunende voorzieningen in:fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.

 

Het college biedt de volgende voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling aan tot het moment dat de dienstbetrekking beschut werk aanvangt:

 

  • arbeidsmatige dagbesteding of;

  • vrijwilligerswerk of;

  • andere vormen van maatschappelijke participatie of werk.

Artikel 14.13 Loonkostensubsidie artikel 10d Participatiewet  

In deze richtlijn is aanvullend beleid geformuleerd op de Verordening re-integratie. Daarnaast wordt de inhoud van wet en verordening hier kort weergegeven.

 

Vaststelling doelgroep loonkostensubsidie

 

Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. Iemand behoort tot de doelgroep als hij behoort tot de doelgroep van de Participatiewet én

 

  • 1.

    die persoon is niet meer in staat met voltijdse arbeid het wettelijk minimumlaan te verdienen; en

  • 2.

    die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie.

Het college kan advies inwinnen over het oordeel of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. De adviseur neemt daarbij bovenstaande criteria in acht.

 

Doel

Loonkostensubsidie is een voorziening die ingezet kan worden om mensen met een arbeidsbeperking aan betaald werk te helpen. Het gaat hierbij om personen die niet het wettelijk minimumloon per uur kunnen verdienen, en hierdoor niet volledig productief zijn. Voor personen die door een medische beperking alleen maar in deeltijd kunnen werken maar daarbij per uur wel volledig productief zijn, kan geen loonkostensubsidie worden ingezet.

 

Doelgroep

Dit instrument is vanuit de wet bedoeld voor uitkeringsgerechtigden met een loonwaarde tussen de 30 en 80 %. In de praktijk is het haalbaar om dit instrument in te zetten vanaf een loonwaarde van ongeveer 50 %.

 

Voorwaarden

  • Het betreft een uitkeringsgerechtigde die niet in staat is om zelfstandig met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen;

  • Voorafgaan aan het dienstverband wordt tijdens de inzet van een proefplaatsing de loonwaarde op de werkplek vastgesteld.

     

Termijn

Loonkostensubsidie is in principe niet gebonden aan een termijn en kan indien nodig voor een langere periode worden ingezet.

 

De loonwaarde en de loonkostensubsidie worden jaarlijks opnieuw beoordeeld. Wordt de loonkostensubsidie ingezet bij de voorziening beschut werk, dan worden de loonwaarde en loonkostensubsidie eenmaal per drie jaar vastgesteld.

 

Vaststelling loonwaarde

Het college maakt gebruik van de Dariuz Works loonwaardemeting of daaraan gelijkwaardig instrument om de loonwaarde van een persoon te bepalen.De loonwaardemethode is een objectieve meting van competenties gebaseerd op kennis van werknemers met een verminderde loonwaarde. De definitieve bepaling van de loonwaarde vindt eerst plaats na bedrijfsbezoek. De bepaling van de loonwaarde wordt vastgelegd in een schriftelijke rapportage met advies.Een definitieve loonwaardebepaling vindt alleen plaats als de persoon die behoort tot de doelgroep een werkgever heeft die een arbeidsovereenkomst met hem aangaat binnen de geldende cao.

 

Kostprijs

De loonkostensubsidie is een aanvulling op het loon dat op basis van de loonwaarde wordt verdiend, tot het wettelijk minimumloon. De hoogte van de subsidie is maximaal 70 procent van het wettelijk minimumloon. Wanneer de werknemer een Cao-loon heeft dat hoger is dan het WML dan komen de loonkosten boven WML voor rekening van de werkgever. De gemeente gaat bij het vaststellen van de loonkostensubsidie dus altijd uit van het WML.In de loonkostensubsidie wordt daarnaast een bedrag voor vergoeding van werkgeverslasten opgenomen, waarbij gedacht moet worden aan premies werknemersverzekering, inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en pensioenpremie.Loonkostensubsidie komt niet ten laste van het Participatiebudget, maar van het Inkomensdeel.

Artikel 14.14 Ondersteuning leer-werktrajecten  

In deze richtlijn wordt het beleid op grond van de Verordening re-integratie uitgewerkt.

 

Ondersteuning bij leer-werktraject

Het college kan ondersteuning bieden aan een persoon uit de doelgroep voor wie volgens het college een leer-werktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject en het personen betreft:

 

  • van zesties of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of;

  • van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie* hebben behaald.

     

*Startkwalificatie

Een diploma vwo of een diploma havo of een diploma mbo 2 of hoger.

Artikel 14.15 Overige voorzieningen  

Onderstaande volgt uit de Verordening re-integratie.

 

Hierin komen de volgende onderwerpen aan bod:

 

  • Werkervaringsplek en proefplaatsing;

  • Participatieplaats;

  • Detacheringsbaan;

  • Indienstnemingssubsidie kwetsbare werknemers;

  • Ververwingskosten

Werkervaringsplek en proefplaatsing

 

Het college kan een persoon uit de doelgroep van artikel 7 lid 1 onderdeel a Participatiewet een werkervaringsplek of proefplaatsing aanbieden als deze een afstand heeft tot de arbeidsmarkt. Dat betekent dat deelname aan de arbeidsmarkt redelijkerwijs niet mogelijk is zonder ondersteuning.Het doel van een werkervaringsplek is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie. Het doel van een proefplaatsing is het beoordelenof een persoon voldoende competenties heeft voor een beoogde werkplaats.Een werkervaringsplek kan worden aangeboden voor maximaal 6 maanden. Indien de arbeidsmarktkansen worden vergroot, kan dit eenmalig worden verlengd. Partijen sluiten een schriftelijke overeenkomst. In de overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd:

 

  • het doel van de werkervaringsplek; en

  • de werkzaamheden van de stagiaire; en

  • de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.

     

Een proefplaatsing duurt maximaal 3 maanden. Voorwaarden voor het verkrijgen van een proefplaatsing zijn dat:

 

  • De proefplaatsing 3 maanden achtereenvolgens wordt uitgevoerd welke periode 1x kan worden verlengd met maximaal 3 maanden: en

  • De proefplaatingsduur is gekoppeld aan het dienstverband; en

  • Alleen werkzaamheden worden verricht die passen binnen het doel en de opzet van de proefplaatsing; en

  • Aan de proefplaatsing een overeenkomst ten grondslag ligt; en

  • De werkgever de intentie uitspreekt om belanghebbende bij goed functioneren na de proefplaatsing in dienst te nemen.

     

Het college plaats de persoon niet als hierdoor de concurrentieverhoudingen onverantwoord worden beïnvloed of verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.

 

Participatieplaats

Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de Participatiewet onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten.

 

Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden gericht op de arbeidsinschakeling worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst. De werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten ondertekenen de overeenkomst met een maximale looptijd van 2 jaar. De looptijd kan hierna worden verlengd tot maximaal 2 jaar.

 

De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de Participatiewet bedraagt € 100, - per 6 maanden, als voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces.

 

Detacheringsbaan

Het college kan zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort tot de doelgroep van artikel 7 lid 1 onderdeel a Participatiewet naar een dienstverband met een werkgever waaronder een detacheerder.

 

Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed of er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.

 

Indienstnemingssubsidie kwetsbare werknemers

Het college kan een indienstnemingsubsidie verstrekken aan werkgevers die met een kwetsbare werknemer een arbeidsovereenkomst sluiten. Een kwetsbare werknemer is de persoon die behoort tot de doelgroep Participatiewet.

 

De indienstnemingsubsidie is mogelijk ten behoeve van arbeidsplaatsen in organisaties met of zonder winstoogmerk.

 

De indienstnemingsubsidie moet worden aangevraagd voor de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst. Voor het aanvragen van de indienstnemingsubsidie dient de werkgever gebruik te maken van een daarvoor vastgesteld formulier.

 

De indienstnemingsubsidie bedraagt ten hoogste 50 procent van de loonkosten gedurende de arbeidsperiode maar maximaal 1 jaar.

 

Het college bepaalt bij de subsidieverlening de tijdstippen en wijze van uitbetaling.Het college kan voorschotten verstrekken op de subsidie welke worden verrekend met de vaststelling.

 

De subsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed, geen verdringing plaatsvindt, geen andere substantiële financiële tegemoetkomingen worden verstrekt en voldaan wordt aan Europese regelgeving.

 

Verwervingskosten

Het college kan aan een belanghebbende een vergoeding voor verwervingskosten bieden.

 

Verwervingskosten kunnen worden toegekend als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

 

  • Bij aanvaarding van arbeid voor minimaal 6 maanden dat leidt tot (gedeeltelijke) uitkeringsonafhankelijkheid van belanghebbende. Dit moet blijken uit een door de werkgever en belanghebbende getekende arbeidsovereenkomst;

  • De arbeid wordt minimaal twaalf uren per week verricht;

  • Als een belanghebbende in het kader van een re-integratietraject noodzakelijke geachte verwervingskosten maakt, is dit er beoordeling van het college.

     

De hoogte van de verwervingskosten is maximaal € 300,-.

Artikel 15.1 Mandaat  

Het UWV Werkbedrijf is niet gemandateerd tot het nemen van besluiten inzake de verlening van bijstand.

 

Zie Mandaatbesluit voor de mandaten aan medewerkers van het Cluster Werk & Inkomen.

Artikel 15.2 Wijze waarop cliëntenparticipatie concreet vorm is gegeven  

De participatieraad bestaat uit maximaal 11 leden, een voorzitter en een secretaris. De raad adviseert het college gevraagd en ongevraagd over bestaand en toekomstig beleid, pikt signalen op en weet wat er speelt in de samenleving. De participatieraad heeft als doel zelfredzaamheid en participatie van inwoners te bevorderen en de kwaliteit van gemeentelijk beleid en de uitvoering te verbeteren.

Artikel 16.1 Adres rechtbank, sector bestuursrecht  

De Gemeente Hattem valt onder de Rechtbank Gelderland:

 

Locatie Arnhem:

Bezoekadres: Walburgstraat 2-4 6811 CD Arnhem

Correspondentie-adres: Postbus 9030 6800 EM Arnhem

Telefoonnummer: (026) 3592000

Artikel 16.2 Rechtstreeks beroep bij rechtbank  

Het college acht de bezwaarfase vanwege de volledige bestuurlijke heroverweging in beginsel onmisbaar

Artikel 17.1 Voorbeelden van inrichtingen  

Inrichtingen in de zin van de Participatiewet:

  • 1.

    Ziekenhuizen;

  • 2.

    Psychiatrische inrichtingen;

  • 3.

    Revalidatie- en herstellingsoorden.

     

Geen inrichtingen in de zin van de Participatiewet:

  • Blijf-van-mijn-lijfhuizen;

  • Projecten voor begeleid zelfstandig wonen (RIBW);

  • Opvang voor dak- en thuislozen.