Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Heerlen

Gemeente Heerlen - Beleidsregel van burgemeester en wethouders van Heerlen inhoudende bepalingen met betrekking tot de algemene bijstand (beleidsregel algemene bijstand Heerlen 2020)

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieHeerlen
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingGemeente Heerlen - Beleidsregel van burgemeester en wethouders van Heerlen inhoudende bepalingen met betrekking tot de algemene bijstand (beleidsregel algemene bijstand Heerlen 2020)
Citeertitel
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerpbijstand uitkering

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Participatiewet

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

26-03-202001-01-2020Nieuwe regeling, oude regeling 2019 vervalt

17-03-2020

gmb-2020-78423

OBM-20000042

Tekst van de regeling

Intitulé

Gemeente Heerlen - Beleidsregel van burgemeester en wethouders van Heerlen inhoudende bepalingen met betrekking tot de algemene bijstand (beleidsregel algemene bijstand Heerlen 2020)

 

Beleidsregel van burgemeester en wethouders van Heerlen inhoudende bepalingen met betrekking tot de algemene bijstand

Artikel 1 Begrippen

  • 1.

    Begrippen die in deze beleidsregels worden genoemd en die tevens voorkomen in de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht hebben dezelfde betekenis als in die wetten.

  • 2.

    Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

    • a.

      De wet: de Participatiewet;

    • b.

      Aanvrager: degene die (algemene) bijstand aanvraagt;

    • c.

      Het college: burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen;

    • d.

      Norm: de normen genoemd in de artikelen 20 t/m 24 van de wet

    • e.

      Woning: een woning zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel k van de Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen, zoals bedoeld in onderdeel l van dat artikel;

    • f.

      Woonkosten:

1°. Indien een huurwoning wordt bewoond, de op de aanvangsdatum van het lopende tijdvak huurtoeslag per maand geldende huurprijs als bedoeld in artikel 1, onderdeel d van de Wet op de huurtoeslag, inclusief servicekosten zoals bedoeld in artikel 5, lid 3 van die wet. De servicekos-ten worden, voor zover deze zich voordoen, maximaal in aanmerking genomen tot de in artikel 5, derde lid, van de Wet op de huurtoeslag genoemde bedragen;

2°. Indien een eigen woning of woonwagen wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende som van de verschuldigde hypotheek-rente, premie kapitaalverzekering (voor zover deze verband houdt met de eigen woning) en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten, reserveringen voor onderhoud, onroerende zaakbelasting en verzekeringen;

3°. Indien een huur-woonwagen wordt bewoond zonder eigen aandrijving, de op de aanvangsdatum van het lopende tijdvak huurtoeslag per maand geldende huurprijs als bedoeld in artikel 1, onderdeel d van de Wet op de huurtoeslag, inclusief het bedrag dat verschuldigd is voor de huur van de standplaats.

 

Artikel 2 Eigen woning

  • 1.

    Bij bijstandsverlening zoals bedoeld in artikel 50, eerste lid van de wet, verlangt het college extra zekerheid in de vorm van een krediethypotheek of een pandrecht.

  • 2.

    Verdere bezwaring/tegeldemaking van de woning dan de krediethypo-theek of het pandrecht van de eigen woning of woonwagen wordt niet verlangd.

  • 3.

    De regels zoals opgenomen in het per 1 januari 2004 vervallen Besluit krediethypotheek bijstand zijn van toepassing op registergoederen als ook op niet registergoederen.

  • 4.

    Op het in het vorige lid gestelde bestaan de volgende uitzonderingen:

    • a.

      Het college verleent bijstand in de vorm van geldlening onder verband van hypotheek of pand als de bewoonde eigen woning met bijbehorend erf een waarde heeft die hoger is dan het bedrag zoals genoemd in artikel 34 lid 2 onder d van de wet.

    • b.

      Bijstand die in de vorm van een geldlening verstrekt is, komt niet voor kwijtschelding in aanmerking en moet worden terugbetaald.

    • c.

      De waarde van de eigen woning is gelijk aan de (recentste) WOZ-waarde.

    • d.

      De waarde van de woonwagen wordt vastgesteld door een beëdigd taxateur.

 

Artikel 3 Opname in inrichting

  • 1.

    Bij opname in een inrichting wordt de lopende bijstand gedurende 2 maanden na de maand van opname ongewijzigd voortgezet.

  • 2.

    Na het verstrijken van de in het eerste lid genoemde termijn wordt de uitkering gewijzigd in de norm als bedoeld in artikel 23 van de wet.

  • 3.

    Als een belanghebbende ten tijde van opname in de inrichting geen woonlasten heeft, wordt de norm ingaande de opnamedatum gewijzigd.

 

Artikel 4 Saldo lopende rekening

Bij de vaststelling van het vermogen wordt het positieve saldo van de betaalrekening waarop de bijstand wordt betaald vrijgelaten tot maximaal één keer de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag.

 

Artikel 5 Uitvaartverzekering

  • 1.

    1.Bij de vermogensvaststelling wordt een verzekering die enkel bedoeld is voor de kosten van een uitvaart vrijgelaten.

  • 2.

    2.Als de verzekering wordt afgekocht tijdens de bijstandsverlening wordt de afkoopwaarde gerekend tot het vermogen.

 

Artikel 6 Motorvoertuigen

  • 1.

    Motorvoertuigen behoren tot het vermogen als bedoeld in artikel 34 van de wet.

  • 2.

    Eén auto of motor met een waarde tot maximaal 4.500,- wordt beschouwd als algemeen gebruikelijk. Als de waarde meer bedraagt dan € 4.500,-, wordt het meerdere aangemerkt als vermogen.

  • 3.

    De waarde van het motorvoertuig kan bij de vermogensvaststelling buiten beschouwing worden gelaten als het motorvoertuig onmisbaar is in verband met werk en/of invaliditeit en verkoop van de auto wegens bijzondere omstandigheden niet kan worden gevergd.

  • 4.

    Voor de vaststelling van de waarde van het motorvoertuig wordt als richtlijn de koerslijst van de ANWB gehanteerd, waarbij de laagste verkoopprijs leidend is.

 

Artikel 7 Verlaging algemene bijstand in verband met woonkosten

  • 1.

    Als er sprake is van het ontbreken van woonkosten en de kostendelers-norm niet van toepassing is, wordt de van toepassing zijnde norm verlaagd met 20 procent.

  • 2.

    Het vorige lid is uitsluitend van toepassing op belanghebbenden in de leeftijdscategorie van 21 jaar tot aan de pensioengerechtigde leeftijd.

 

Artikel 8 Verhoging alleenstaande ouder met toeslagpartner

Personen van 21 jaar of ouder die ten laste komende kinderen hebben en die niet in aanmerking komen voor het verhoogde kindgebonden budget voor alleenstaande ouders (de zogenaamde ALO-kop) omdat zij een toeslagpartner hebben, ontvangen een toeslag van 20 procent van de norm.

 

Artikel 9 Afkoop klein pensioen

De afkoopsom van een ouderdomspensioen wordt tot een bedrag van € 500,- netto niet als middel in aanmerking genomen.

 

Artikel 10 Verwervingskosten marginale zelfstandigen

Bij de vaststelling van het in aanmerking te nemen inkomen van een marginale zelfstandige, niet zijnde een PTO-er, wordt geen rekening gehouden met verwervingskosten.

 

Artikel 11 Transitievergoeding

Een transitievergoeding, zoals bedoeld in artikel 7:673 BW, wordt aangemerkt als vermogen.

 

Artikel 12 Intrekking

De “beleidsregel algemene bijstand Heerlen 2019” wordt ingetrokken per de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregel.

 

Artikel 13 Citeertitel en inwerkingtreding

  • 1.

    Deze beleidsregel wordt aangehaald als “Beleidsregel algemene bijstand Heerlen 2020”.

  • 2.

    Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na bekendmaking en heeft terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2020.

 

 

 

Aldus besloten tijdens de vergadering van het college van burgemeester en wethouders der gemeente Heerlen van 17 maart 2020

de wnd. burgemeester,

E.G.M. Roemer

de secretaris a.i.,

L. Schouterden

Artikelsgewijze toelichting

 

De spelregels in het per 1 januari 2004 vervallen Besluit krediethypotheek bijstand zijn van toepassing.

 

Artikel 2 Lid 1

Hypotheek wordt gevestigd op registergoederen (huizen en geregistreer-de

woonschepen). Pandrecht wordt gevestigd op niet-registergoederen

(woonwagens en niet-geregistreerde woonschepen).

 

Artikel 2 Lid 4 sub a

De waarde van het vermogen in de woning wordt bepaald door de waarde bij vrije oplevering te verminderen met de op de woning drukkende schulden. De kosten van het vestigen van de krediethypotheek of het pandrecht worden opgenomen in de akte van de krediethypo-theek/pandrecht.

 

Artikel 4

Ten opzichte van de vorige beleidsregel is dit artikel inhoudelijk onveranderd, maar tekstueel vereenvoudigd.

 

Artikel 5

Ten opzichte van de vorige beleidsregel is dit artikel inhoudelijk onveranderd, maar tekstueel vereenvoudigd.

 

Artikel 6

Beleid was dat de waarde van een motorvoertuig bij de vermogensvast-stelling buiten beschouwing wordt gelaten als

a. het motorvoertuig ouder is dan 7 jaar, tenzij dat vanuit oogpunt van

de bijstandsverlening onverantwoord is;

b. het motorvoertuig onmisbaar is in verband met werk en/of

invaliditeit.

De waarde van een auto varieert, al naar gelang merk, type, kilometer-stand, staat van onderhoud etc. In plaats van de leeftijd van de auto, is een vast bedrag buiten beschouwing laten eerlijker en objectiever. Meerdere gemeenten doen dat (o.a. Amsterdam en Den Bosch).

 

Artikel 9

Onder de Participatiewet wordt voor gepensioneerden een klein pensioen (voor een alleenstaande en een alleenstaande ouder € 20,60 en voor gehuwden € 41,20 per maand) buiten beschouwing gelaten. Voor mensen die een klein pensioen afkopen is een dergelijke regeling er niet. De afkoopgrens voor kleine pensioenen wordt door de minister van SZW bepaald. Voor 2020 is dat vastgesteld op € 497,27 bruto per jaar. Dat is een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling.

 

Artikel 10

Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB is er bij de vaststelling van in aanmerking te nemen inkomen geen ruimte voor verrekening van verwervingskosten. In de beleidsregel Parttime Ondernemen (PTO) wordt als winst uit onderneming aangemerkt 60% van de bruto omzet. Dit voorkomt discussie rond verwervingskosten, die bovendien vaak oncontroleerbaar zijn (denk aan reis- en telefoonkosten privé of zakelijk) en voorkomt de perverse prikkel om verwervingskosten zo hoog mogelijk te doen zijn.

Er zijn parttime ondernemers, die geen gebruik willen maken van PTO en zo de spelregels willen ontlopen. Dat moet ontmoedigd worden. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep is er bij de vaststelling van het in aanmerking te nemen inkomen geen ruimte voor verrekening van verwervingskosten.

 

Artikel 11

Volgens vaste rechtspraak van de CRvB was een ontslagvergoeding bedoeld om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan voor de periode na ontbinding van de arbeidsovereenkomst en werd dus beschouwd als inkomen in de zin van artikel 32 Participatiewet.

De transitievergoeding op basis van de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB) is enerzijds bedoeld als compensatie voor ontslag, maar anderzijds ook bedoeld om de overgang naar betaald werk te vergemakkelijken.

De vraag is of de oude ontslagvergoeding en de nieuwe transitievergoe-ding zodanig vergelijkbaar zijn dat ook de transitievergoeding als inkomen moet worden aangemerkt.

De rechtbank Oost Brabant (18 april 2019) en de rechtbank Noord Holland

(4 oktober 2019) zijn van oordeel dat de transitievergoeding en de ontslagvergoeding niet zodanig van elkaar verschillen dat inzake het recht op bijstand voor de transitievergoeding een ander beoordelingskader zou moeten worden gehanteerd. Een uitspraak hierover van de CRvB is er, voor zover bekend, nog niet.

Volgens Schulinck kan de transitievergoeding als vermogen worden aangemerkt wegens het andere karakter dan de oude ontslagvergoeding.

In kamerstuk 33 818 (nota naar aanleiding van het verslag) staat: In reactie op de vragen van de leden van de D66-fractie merkt de regering op dat de transitievergoeding niet beschouwd dient te worden als een aanvullende inkomensvoorziening bij werkloosheid. Dit blijkt enkel al uit het feit dat de transitievergoeding verschuldigd is door de werkgever ongeacht het antwoord op de vraag of de werknemer na het eindigen van de arbeidsovereenkomst aansluitend werkloos is of aansluitend een andere arbeidsovereenkomst aan gaat. In beide genoemde situaties is de werkgever de transitievergoeding verschuldigd.