Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Huizen

Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Huizen houdende regels omtrent Richtlijnen Bijzondere Bijstand

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieHuizen
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingBeleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Huizen houdende regels omtrent Richtlijnen Bijzondere Bijstand
CiteertitelRichtlijnen Bijzondere Bijstand
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze regeling vervangt de Richtlijnen bijzondere bijstand.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Onbekend

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

29-01-202001-01-2020nieuwe regeling

19-12-2019

gmb-2020-13393

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Huizen houdende regels omtrent Richtlijnen Bijzondere Bijstand

 

1. Inleiding en uitgangspunten

1.1. Inleiding

De invulling en uitvoering van het bijzondere bijstandsbeleid is aan het college van burgemeester en wethouders. Het college heeft beleidsvrijheid bij de vaststelling van de draagkracht en de draagkrachtperiode van de belanghebbende, en tot op zekere hoogte bij de bepaling van de inhoud van het bijzondere bijstandsbeleid. In deze Richtlijnen wordt uitgewerkt hoe de gemeenten Huizen, Blaricum, Eemnes en Laren invulling geven aan de beleidsvrijheid ten aanzien van het verstrekken van individuele bijzondere bijstand.

1.2. Beleidsuitgangspunten

Bij de ontwikkeling van het bijzondere bijstandsbeleid spelen de volgende uitgangspunten een rol.

 

  • Geen strijd met rijksinkomensbeleid

Bij het verlenen van bijzondere bijstand blijft het uitgangspunt dat de verstrekking niet strijdig mag zijn met het rijksinkomensbeleid. Hierbij dient overigens wel rekening te worden gehouden met het feit dat de gemeente in bepaalde opzichten bevoegd is om zich te begeven op het terrein van het inkomensbeleid (hoogte en duur draagkracht, wel of geen drempelbedrag, gedeeltelijke vrijheid bij de invulling van het pakket).

 

  • Geen bijstand voor niet noodzakelijke kosten.

Artikel 14 Participatiewet somt een aantal posten op, die in elk geval niet worden gerekend tot de noodzakelijke kosten van het bestaan. Bijstandsverlening is dan niet mogelijk. Het gaat hier onder meer om kosten van medische behandelingen en verrichtingen die gerekend kunnen worden tot de ontwikkelingsgeneeskunde, alimentatieverplichtingen, geleden of toegebrachte schade, vrijwillige premiebetaling in het kader van een publiekrechtelijke verzekering en de betaling van een boete.

 

  • Het bijzondere bijstandsbeleid mag het beleid van voorliggende voorzieningen niet doorkruisen.

De bijzondere bijstand in het kader van de Participatiewet mag het beleid wat gevoerd wordt bij voorliggende voorzieningen niet doorkruisen (onder voorliggende voorziening wordt verstaan: elke voorziening buiten deze wet waarop de persoon of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven).

 

  • Bijzondere bijstand staat open voor alle minima

Bijzondere bijstand is niet voorbehouden aan personen met een bijstandsuitkering voor levensonderhoud. Ook degene, die beschikt over een ander inkomen (bijvoorbeeld inkomen uit arbeid, alimentatie, uitkering van het UWV kan een beroep op bijzondere bijstand doen, als dat inkomen niet toereikend is om bepaalde bijzondere noodzakelijke kosten te voldoen.

 

 

  • Het bijzondere bijstandsbeleid moet betaalbaar, laagdrempelig en efficiënt zijn.

Binnen de wettelijke mogelijkheden moet het bijzondere bijstandsbeleid het huidige niveau behouden. Het indienen van een aanvraag moet eenvoudig en laagdrempelig zijn.

 

  • Individualiseringsprincipe

Naast bovengenoemde uitgangspunten geldt uiteraard het individualiseringsprincipe van de Participatiewet. Dit is geregeld in artikel 18 lid 1 van deze wet. Dit betekent dat het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen dienen af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende(n). Het kan dus voorkomen dat de algemene richtlijnen moeten wijken voor individualisering als de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van persoon en/of gezin daartoe aanleiding geven.

2. Algemeen

2.1. Begripsbepaling

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • a.

    het college: het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Huizen, Blaricum, Eemnes en Laren;

  • b.

    Participatiewet: vervangt per 1 januari 2015 de WWB, de Wsw en een groot deel van de Wajong.

  • c.

    algemene bijstand: bijstand, die wordt verstrekt voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, zoals kosten van levensonderhoud, die uit het inkomen moeten worden voldaan;

  • d.

    de bijzondere bijstand (artikel 35 van de Participatiewet): bijstand die bestemd is voor de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van bestaan, die niet kunnen worden voldaan uit het inkomen, de toepasselijke bijstandsnorm of inkomensvoorziening en/of uit het aanwezige vermogen;

  • e.

    de bijstandsnorm: norm zoals bedoeld in artikel 5 lid c van de Participatiewet;

  • f.

    de individuele inkomenstoeslag: de toeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet;

  • g.

    de voorliggende voorziening: een voorziening die naar aard en doel geacht wordt passend te zijn voor een belanghebbende, waardoor geen recht op bijzondere bijstand bestaat;

  • h.

    de woonkosten bij een huurwoning: de per maand geldende rekenhuur als omschreven in artikel 5, van de Wet op de huurtoeslag;

  • i.

    de woonkosten bij een koopwoning: de kosten die de eigenaar verschuldigd is voor: de hypotheekrente, de premie voor opstalverzekering, het eigenaargedeelte van de onroerend zaak belasting, de omslagheffing voor huiseigenaren (de waterschapslasten), een vast bedrag voor kosten van groot onderhoud en ingrijpende reparaties. Deze kosten worden conform het budgethandboek NIBUD vastgesteld. Het gaat om onderhoud woning en onderhoud CV-installatie;

  • j.

    de Wlz: de Wet langdurige zorg;

  • k.

    de Wmo: de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • l.

    de Zvw: de Zorgverzekeringswet;

  • m.

    de WSNP: de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen;

  • n.

    het NIBUD: Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting;

  • o.

    de WSF: de Wet Studiefinanciering 2000;

  • p.

    de WTOS: de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.

2.2. Wettelijke bepalingen

Bij beoordeling van een aanvraag voor bijzondere bijstand zal het college zich steeds de volgende vier vragen moeten stellen. Als het antwoord op een vraag negatief is, wordt de volgende vraag niet beantwoord, omdat er geen sprake kan zijn van bijzondere bijstandsverlening. Deze vaste beoordelingsvolgorde is ontwikkeld in jurisprudentie.

 

  • 1.

    Doen de kosten zich voor?

  • 2.

    Zijn de kosten in het individuele geval noodzakelijk?

  • 3.

    Vloeien de kosten voort uit bijzondere individuele omstandigheden?

  • 4.

    Kunnen de kosten worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm?

2.3. Drempelbedrag, inkomen, vermogen en draagkracht

 

2.3.1. Drempelbedrag

Op grond van artikel 35 lid 2 van de Participatiewet kan de gemeente per twaalf maanden een drempelbedrag hanteren voordat een aanvraag voor bijzondere bijstand kan worden ingediend.

Bij de verlening van bijzondere bijstand wordt geen drempelbedrag gehanteerd.

De redenen hiervoor zijn:

  • bij andere instanties wordt vaak ook al een eigen bijdrage gevraagd;

  • de psychologische barrière om bijzondere bijstand aan te vragen wordt verkleind;

  • de duidelijkheid naar de belanghebbende wordt vergroot;

  • de bijzondere bijstand is de laatste voorziening welke voor belanghebbende openstaat;

  • vermindering bureaucratie en administratieve afhandelingen.

2.3.2. Inkomen

  • 1.

    De inkomenscomponenten, die op grond van artikel 32 van de Participatiewet tot het inkomen worden gerekend, worden ook in het kader van de bijzondere bijstand als inkomen aangemerkt, echter exclusief vakantiegeld. De inkomenscomponenten waarover vakantiegeld wordt uitbetaald, worden verhoogd met het vakantiegeldpercentage, dat wordt toegepast voor de bijstand (percentage van artikel 19 lid 3 van de Participatiewet).

  • 2.

    De peildatum van het inkomen is de maand waarin de oudste kosten zijn gemaakt.

  • 3.

    Het inkomen van een zelfstandige is de jaarwinst verminderd met 23% (peildatum 1 januari). De jaarwinst wordt vastgesteld aan de hand van het jaarverslag van het boekjaar voorafgaande aan de peildatum.

2.3.3. Vermogen

  • 1.

    Het vermogen wordt op dezelfde manier vastgesteld als bij de algemene bijstand.

  • 2.

    Het vermogen wordt vastgesteld per de eerste dag van de maand waarin de oudste kosten zijn gemaakt. Dat betekent dat het vermogen bij een aanvraag bijzondere bijstand afzonderlijk van de vermogensvaststelling in het kader van de algemene bijstand wordt vastgesteld. De reden hiervoor is, dat een eerder vastgestelde vermogenspositie kan zijn gewijzigd.

  • 3.

    Er geldt een extra vermogensvrijlating (zie financieel besluit) indien er sprake is van uitvaartreservering, mits het geld is vastgezet ten behoeve van de uitvaart en niet eerder opneembaar is. Deze vrijlating geldt alleen als er geen uitvaartverzekering is afgesloten. Is een uitvaartverzekering afgesloten tegen een (veel) lager bedrag, dan kan een bedrag worden vrijgelaten tot het verschil van de verzekeringsdekking en de maximale extra vermogensvrijlating.

  • 4.

    Een auto, waarvan de waarde niet hoger is dan € 3.630,24 wordt vrijgelaten. De ANWB/BOVAG lijst wordt hiervoor gehanteerd, waarbij de laagste waarde (inkoop garagebedrijf) wordt genomen. De staat van de auto, bijv. schadevrij, kilometrage e.d. zijn daarbij van belang. Indien er sprake is van een afwijkende staat (bijv. schade, een hoog kilometrage) dan kan de waarde opgevraagd worden bij een garage.

2.3.4. Draagkracht

  • 1.

    De draagkracht bestaat uit draagkracht uit vermogen en draagkracht uit inkomen.

  • 2.

    Bijzondere bijstand wordt verstrekt onder aftrek van de draagkracht.

  • 3.

    Eerst wordt gekeken of er draagkracht uit vermogen is, daarna naar draagkracht uit inkomen.

2.3.5. Draagkracht uit inkomen

  • 1.

    Als een belanghebbende beschikt over een inkomen, dat hoger is dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm, dan is er draagkracht.

  • Voor een aantal kosten geldt echter dat er draagkracht is bij een inkomen hoger dan de toepasselijke bijstandsnorm. Deze kosten zijn vermeld in het derde lid onder b van dit artikel.

  • 2.

    Het inkomen kan worden verminderd in verband met buitengewone uitgaven. Er kan slechts van buitengewone uitgaven sprake zijn voor zover voor die uitgaven geen tegemoetkoming wordt verleend.

  • Als buitengewone uitgaven die van invloed zijn op het inkomen (voordat een draagkrachtpercentage wordt toegepast), worden de volgende kosten aangemerkt:

    • a.

      woonkosten, tot het verschil tussen de maximaal mogelijke huurtoeslag op basis van een inkomen op bijstandsniveau en de feitelijk ontvangen huurtoeslag;

    • b.

      voor eigen rekening blijvende reiskosten woon-werkverkeer;

    • c.

      formeel verschuldigde en betaalde alimentatie en onderhoudsbijdragen.

    • d.

      de toegepaste draagkracht bij de gemeentelijke belastingen .

  • 3.
    • a.

      Voor de vaststelling van de draagkracht wordt het inkomen voor zover het hoger is dan 110% van toepasselijke bijstandsnorm volledig in aanmerking genomen en als draagkracht vastgesteld.

    • b.

      Voor de vaststelling van de draagkracht wordt het inkomen voor zover het hoger is dan de toepasselijke bijstandsnorm volledig in aanmerking genomen en als draagkracht vastgesteld indien het de volgende kosten betreft

      • duurzame gebruiksgoederen;

      • levensonderhoud van jongeren van 18, 19 of 20 jaar;

      • arbeidsongeschiktheidsverzekering;

      • woonlasten;

      • schuldsanering;

      • verhuizing;

      • woninginrichting en kosten suppletie;

      • uitvaart.

2.3.6. Draagkracht uit vermogen

  • 1.

    Het vermogen wordt tot aan de van toepassing zijnde grens als bedoeld in artikel 34 lid 3 van de Participatiewet buiten beschouwing gelaten. Het vermogen boven deze grens wordt volledig in aanmerking genomen voor de draagkracht. Dit betekent ook dat de vrijlating van artikel 34 lid 2 onder c Participatiewet niet van toepassing is.

  • 2.

    Voor de volgende kosten wordt het volledige vermogen als draagkracht in aanmerking genomen, en is de vrijlating van artikel 34 lid 3 Participatiewet niet van toepassing:

    • duurzame gebruiksgoederen.

    • schuldsanering;

    • verhuizing;

    • woninginrichting;

    • kosten crematie/uitvaart.

2.3.7. Draagkrachtperiode

  • 1.

    De draagkrachtperiode gaat in op eerste dag van de maand waarin de oudste kosten zijn gemaakt.

  • 2.

    Indien de aanvraag betrekking heeft op nog te maken kosten, wordt het inkomen en vermogen vastgesteld per de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is gedaan.

  • 3.

    De draagkracht wordt voor personen jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd telkens voor een periode van één jaar vastgesteld, beginnende op de eerste dag van de maand waarin de kosten gemaakt zijn.

  • 4.

    De draagkracht wordt voor personen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd en ouder telkens voor een periode van drie jaar vastgesteld, beginnende op de eerste dag van de maand waarin de kosten gemaakt zijn.

  • 5.

    Indien één persoon jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd en één ouder dient gekeken te worden naar het soort inkomen. Wanneer hierin nog wijzigingen worden verwacht, dient de draagkracht voor één jaar te worden vastgesteld.

  • 6.

    Bij elke volgende aanvraag binnen het draagkrachtjaar wordt rekening gehouden met de vastgestelde jaardraagkracht; de vastgestelde (resterende) draagkracht blijft dus gelden.

  • 7.

    In afwijking van het zesde lid kan in bijzondere situaties, waarin een jaardraagkracht onrechtvaardig werkt, de draagkracht voor een afwijkende periode worden vastgesteld. De aanvangsdatum van de draagkrachtperiode kan op een andere dag bepaald worden, indien de omstandigheden dat vragen.

  • 8.

    In afwijking van het zesde lid wordt de draagkracht in het vastgestelde draagkrachtjaar gewijzigd als het inkomen met meer dan 10% daalt of stijgt.

2.4. Aanvraag

  • 1.

    Aanvragen voor bijzondere bijstand kunnen worden ingediend tot en met één jaar na het moment waarop de kosten zijn gemaakt.

  • 2.

    In afwijking van lid 1 moet in de volgende gevallen bijzondere bijstand worden aangevraagd voordat de kosten zijn gemaakt.

    • verhuis- en woninginrichtingskosten;

    • duurzame gebruiksgoederen

    • eenmalige en/of periodieke kosten die hoger zijn dan € 500,- per jaar, tenzij het bewindvoeringskosten betreft.

2.5. De wijze van verstrekken

  • 1.

    De bijzondere bijstand wordt in beginsel “om niet” (zonder terugbetaalverplichting) verstrekt.

  • 2.

    In afwijking van lid 1 wordt bijzondere bijstand in de volgende gevallen verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht indien:

    • a.

      het bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen betreft;

    • b.

      redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien;

    • c.

      de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;

    • d.

      de aanvraag een door de belanghebbende te betalen waarborgsom betreft;

    • e.

      het bijstand ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast betreft.

    • f.

      als het een zelfstandige als bedoeld in het Bbz betreft, die een uitkering ontvangt op grond van het Bbz.

  • 3.

    De bijstand die in de vorm van een renteloze geldlening wordt verleend, moet worden terugbetaald.

  • 4.

    De aflossingstermijn van een renteloze geldlening wordt vastgesteld op drie jaar. Indien er na maximaal 36 maanden nog een restant bestaat, dan wordt dit omgezet in bijstand om niet.

  • Belanghebbende moet dan wel aan de voorwaarde voldaan hebben, dat hij de vastgestelde maandelijkse aflossingsbedragen volledig heeft betaald. De maanden dat een belanghebbende tijdelijk uitstel van aflossing heeft gekregen tellen niet mee bij de periode van 36 maanden.

  • 5.

    Van lid 4 kan worden afgeweken als blijkt dat:

    • a.

      belanghebbende op korte termijn een aanzienlijk hoger bedrag kan aflossen; of

    • b.

      belanghebbende in de eerste drie jaar nalatig is geweest met het aflossen van de geldlening; of

    • c.

      belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan kan worden verweten met betrekking tot het ontstaan of voortduren van de situatie welke tot het verstrekken van bijstand in de vorm van een geldlening heeft geleid. De looptijd wordt in dit geval langer aangezien belanghebbende het volledige bedrag moet aflossen.

  • 6.

    De hoogte van de maandelijkse aflossing van de renteloze lening wordt afgestemd op omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Dit betekent dat bij het bepalen van het maandelijkse aflossingsbedrag de beslagvrije voet in acht wordt genomen.

2.6. Uitbetaling

De individuele bijzondere bijstand kan alleen worden verleend voor daadwerkelijk gemaakte kosten, waarvoor betalingsbewijzen moeten worden overgelegd. Als het betalingsbewijs geen factuur betreft, moet de factuur alsnog achteraf worden overgelegd.

2.7. Terugvordering

De bepalingen betreffende terugvordering zijn van overeenkomstige toepassing op de bijzondere bijstand (artikel 58 Participatiewet).

3. Kosten van algemene aard

3.1. Bijzondere bijstand voor jongmeerderjarigen

Algemeen

Een belanghebbende van 18, 19 of 20 jaar heeft slechts recht op bijzondere bijstand voor zover de noodzakelijke kosten van het bestaan van de belanghebbende uitgaan boven de bijstandsnorm en voor deze kosten geen beroep kan worden gedaan op de ouders, omdat:

  • de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of

  • de belanghebbende redelijkerwijs het onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken.

Voorwaarden

  • 1.

    Van noodzakelijke bestaanskosten, die de bijstandsnorm te boven gaan, kan uitsluitend sprake zijn ingeval de belanghebbende zelfstandige huisvesting heeft én zelfstandige huisvesting noodzakelijk is.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op het verschil tussen de norm voor een belanghebbende van 21 jaar in vergelijkbare omstandigheden, en de toepasselijke bijstandsnorm voor een 18,19 en 20 jarige, waar afwijking in het individuele geval mogelijk blijft.

4. Woonkosten

4.1. Woonkostentoeslag

Algemeen

De toeslag op grond van de Wet op de huurtoeslag wordt gebaseerd op het actuele inkomen. Indien gedurende het jaar inkomensveranderingen optreden, kan de huurtoeslag tussentijds worden aangepast. Ook andere mutaties die van invloed zijn op de huurtoeslag zoals hoogte van de huur en gezinssamenstelling kunnen tussentijds worden gewijzigd. In veel situaties is het daarom niet meer noodzakelijk om een woonkostentoeslag te verstrekken.

Woonkostentoeslag kan worden verstrekt bij een koopwoning, bijvoorbeeld indien er sprake is van een dusdanige verlaging van het inkomen dat de woonkosten niet meer (volledig) vanuit dit inkomen betaald kunnen worden.

4.1.1. Woonkostentoeslag bij een huurwoning

Voorwaarden

  • 1.

    Indien de woonkosten van een huurwoning het bedrag genoemd in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag te boven gaan kan bijzondere bijstand worden verleend indien door verandering in inkomsten of een veranderde situatie wat betreft inwonenden de woonkosten niet zelf meer volledig kunnen worden voldaan.

  • 2.

    De woonkostentoeslag als bedoeld in lid 1 wordt in beginsel verleend voor de duur van maximaal zes maanden. Deze periode kan worden verlengd - indien en voor zover - bijzondere individuele omstandigheden daartoe noodzaken en belanghebbende voldoet aan de voorwaarden genoemd in lid 3. De maximum termijn waarover een woonkostentoeslag verleend kan worden bedraagt (zeer bijzondere gevallen daargelaten) twee jaar.

  • 3.

    Aan de woonkostentoeslag wordt met toepassing van artikel 55 van de Participatiewet de voorwaarde verbonden dat de belanghebbende naar vermogen probeert een goedkopere woonruimte te vinden (verhuisplicht), waarvan de huur in overeenstemming is met zijn inkomen. Belanghebbende dient woonruimte te zoeken binnen een straal van 30 kilometer van zijn huidige woning. Van zijn inspanningen dient de belanghebbende bewijsstukken te overleggen.

  • 4.

    De hoogte van de woonkostentoeslag wordt berekend op dezelfde manier als de huurtoeslag.

  • 5.

    Voor het gedeelte van de huur boven de huurgrens wordt 100% woonkostentoeslag toegekend.

  • 6.

    In afwijking van lid 3 geldt de verhuisplicht niet voor zelfstandigen die gedurende korte tijd een beroep doen op het besluit bijstandsverlening zelfstandigen met als doel een doorstart te maken. De verhuisplicht geldt wel voor zelfstandigen die hun bedrijf beëindigen of waar anderszins te verwachten is dat het beroep op woonkostentoeslag voortduurt.

Artikel 4.1.2. Woonkostentoeslag bij een koopwoning

Voorwaarden

  • 1.

    Aan een belanghebbende die een eigen woning bezit, die tevens door hem wordt bewoond en waarvan de hoogte van de woonkosten gelet op artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag geen belemmering vormt voor toekenning van de huurtoeslag wordt een woonkostentoeslag verstrekt.

  • 2.

    De woonkostentoeslag is gelijk aan het bedrag van de huurtoeslag die de belanghebbende gelet op zijn leefomstandigheden en financiële situatie op grond van de Wet op de huurtoeslag voor woonkosten per maand zou ontvangen.

  • 3.

    Indien de woonkosten van de koopwoning het bedrag genoemd in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag te boven gaan is verlening van bijzondere bijstand mogelijk, voor zover door een wijziging in inkomsten of een gewijzigde situatie wat betreft inwoning de woonkosten niet zelf meer volledig kunnen worden voldaan.

  • 4.

    De woonkostentoeslag wordt verstrekt voor een periode van maximaal zes maanden. Deze periode kan worden verlengd - indien en voor zover - bijzondere individuele omstandigheden daartoe noodzaken en belanghebbende voldoet aan de voorwaarden genoemd in lid 5. De maximum termijn waarover een woonkostentoeslag verleend kan worden bedraagt (zeer bijzondere gevallen daargelaten) twee jaar.

  • 5.

    Aan de woonkostentoeslag wordt met toepassing van artikel 55 van de Participatiewet, de voorwaarde verbonden dat de belanghebbende naar vermogen probeert een goedkopere woonruimte te vinden (verhuisplicht), waarvan de huur in overeenstemming is met zijn inkomen. belanghebbende dient woonruimte te zoeken binnen een straal van 30 kilometer van zijn huidige woning. Van zijn inspanningen dient de belanghebbende bewijsstukken te overleggen.

  • 6.

    De hoogte van de woonkostentoeslag wordt berekend op dezelfde manier als de huurtoeslag.

  • 7.

    Voor het gedeelte van de woonkosten boven de huurgrens wordt 100% woonkostentoeslag toegekend.

5. Kosten van medische aard

5.1. Ziektekostenverzekering

Algemeen

Op 1 januari 2006 is de Zorgverzekeringswet (Zvw) ingevoerd. De Zvw verplicht iedere inwoner van Nederland een zorgverzekering (basisverzekering) af te sluiten.

 

De Zorgverzekeringswet (Zvw), met het Besluit Zorgverzekering en de Regeling Zorgverzekering), is een passende en toereikende voorliggende voorziening voor medische behandelingen, medicijnen en hulpmiddelen. Jaarlijks wordt door de minister van Volksgezondheid vastgesteld welke zorg noodzakelijk is, welke medicijnen voorgeschreven kunnen worden en welke hulpmiddelen tot de noodzakelijke zorg horen. Al deze noodzakelijke zorg wordt opgenomen in de basisverzekering. De Zorgverzekeraars die de Zorgverzekeringswet uitvoeren hebben hier geen eigen beleidsvrijheid in. Als noodzakelijke zorg geweigerd wordt, staat de mogelijkheid van bezwaar en beroep open.

Op grond van art. 15 eerste lid van de Participatiewet bestaat er geen recht op bijstand voor kosten die onder de werking van deze en de hieronder beschreven voorliggende voorzieningen vallen.

 

Naast de basisverzekering zijn er aanvullende verzekeringen. Dit is geen wettelijke voorliggende voorziening, maar een particuliere verzekering voor kosten waarin mensen zelf horen te voorzien. Het wordt verwacht van mensen dat ze zich aanvullend verzekeren.

 

Het beleid ten aanzien van de volksgezondheid wijzigt regelmatig. De stelregel is dat alleen kosten die in de basisverzekering zijn opgenomen noodzakelijk zijn. Kosten die buiten de basisverzekering gelaten worden zijn uit het oogpunt van de volksgezondheid niet noodzakelijk.

 

De Wet langdurige zorg (Wlz) voorziet in permanente verpleegzorg.

Deze voorziening is passend en toereikend voor de zorg die samenhangt met opname in een verzorg- of verpleeghuis.

De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) voorziet in vervoersvoorzieningen, woonvoorzieningen en huishoudelijke hulp. Deze wet is passend en toereikend omdat het uitgaat van de compensatieplicht. Als deze plicht voor de gemeente aanwezig is in een bepaalde situatie dan is bijzondere bijstand uitgesloten.

De Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) biedt alle benodigde voorzieningen aan gehandicapten om werken mogelijk te maken.

 

Al deze regelingen samen vormen een passend en toereikend systeem voor de noodzakelijke gezondheidszorg. Bijstandsverlening voor medische kosten zal dan ook maar zelden nodig zijn omdat de kosten die buiten deze regelingen zijn gelaten niet noodzakelijk worden geacht.

5.2. Premies en eigen risico ziektekostenverzekering

Algemeen

Voor de ziektekostenverzekering dient maandelijks een premie te worden betaald. Tevens is in de Zorgverzekeringswet (Zvw) een verplicht eigen risico opgenomen. Hier is sprake van een algemene maatregel, die geldt voor alle verzekerden. Daarnaast is het mogelijk een vrijwillig eigen risico af te sluiten. Hierdoor wordt er een lagere premie betaald.

 

Voorwaarden

  • 1.

    De nominale premie behoort tot de normale algemene bestaanskosten. Er wordt ervan uitgegaan dat de bijstandsnorm en zorgtoeslag voldoende is om de nominale premie te betalen. Het is niet mogelijk voor deze premie bijzondere bijstand te verlenen.

  • 2.

    Er kan geen bijzondere bijstand worden verleend voor het verplichte eigen risico. Alleen en voor zover er sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in de Participatiewet kan een uitzondering worden gemaakt. Het feit dan men niet in één keer het eigen risico kan betalen vormt geen zeer dringende omstandigheid.

  • 3.

    Er kan geen bijzondere bijstand worden verleend voor het vrijwillige eigen risico. Belanghebbende neemt hiervoor zelf het risico, dit risico kan niet worden afgewenteld op de gemeente.

5.3. Vergoeding van medische kosten

Algemeen

In grote lijnen zijn medische voorzieningen te onderscheiden in:

  • farmaceutische en geneeskundige hulp

  • verpleging/verzorging en revalidatie

  • overige hulp en verstrekkingen

  • hulpmiddelen kort- en langdurig

  • leef -, woon- en inkomensondersteunende voorzieningen.

Veel van deze zaken worden (gedeeltelijk) vergoed via verschillende wettelijke regelingen, zoals de Zorgverzekeringswet, de Wlz en de Wmo. Indien er sprake is van een kostensoort die vergoed kan worden via bovengenoemde regelingen is er sprake van een voorliggende voorziening.

5.3.1. Andere verzekeraars dan CZM (Collectieve Zorgverzekering Minima)

  • 1.

    Indien tot vergoeding van noodzakelijke ziektekosten vanuit de bijzondere bijstand wordt overgegaan, gebeurt dit onder aftrek van de vergoeding die de CZM biedt.

  • 2.

    Bijzondere bijstand is ook mogelijk als belanghebbende niet is aangesloten bij de CZM, maar wel bij een andere verzekeraar. Het gaat dan om een vergelijkbaar, aanvullend pakket waarvoor de verzekeraar de kosten niet vergoedt, of een lagere vergoeding geeft. In dat geval kunnen dezelfde bedragen worden vergoed als bij de vergoeding uit de aanvullende verzekering CZM of het verschil tussen de feitelijke vergoeding van het pakket en wat de aanvullende verzekering CZM vergoedt. Indien geen vergelijking is te maken tussen CZM en andere verzekering, dan kan de premiehoogte als leidraad dienen.

5.3.2. Besparingskosten

Besparingskosten zijn kosten, die belanghebbende ook zou moeten maken als er geen bijzondere omstandigheden waren. Bij een aanvraag om bijzondere bijstand voor het eigen aandeel in de kosten, dient te worden beoordeeld of er besparingskosten zijn (bijv. orthopedisch schoeisel).

5.4. Wettelijke eigen bijdrage

Algemeen

De wettelijke eigen bijdrage is het deel van de medische kosten uit de basisverzekering dat iemand zelf moet betalen. Hoe hoog die bijdrage is, wordt bepaald door de overheid en is voor iedereen hetzelfde. Voor sommige soorten zorg die worden vergoed vanuit de basisverzekering moet een wettelijke eigen bijdrage worden betaald.

 

Voorwaarden

  • 1.

    De wettelijke eigen bijdrage komen in aanmerking voor vergoeding vanuit de bijzondere bijstand;

  • 2.

    De wettelijke eigen bijdrage die worden vergoed via de CZM of aanvullende verzekering geldt als een voorliggende voorziening.

5.4.1. Eigen aandeel aanvullende verzekering

Algemeen

Aanvullende verzekeringen kennen soms een gedeeltelijke vergoeding toe. De verzekerde dient dan een deel van de kosten zelf te betalen. In het spraakgebruik wordt dit eigen aandeel wel een eigen bijdrage genoemd. Een aantal van deze eigen bijdragen wordt via de CZM vergoed.

 

Soms worden kosten wel vanuit een aanvullende ziektekostenverzekering vergoed. De pakketten van aanvullende verzekeringen komen mede tot stand door de vraag van consumenten. Opname van bepaalde kosten in aanvullende verzekeringen betekent niet automatisch dat het vanuit het oogpunt van bijstandsverlening om medisch noodzakelijke kosten gaat.

 

Voorwaarden

  • 1.

    Voor een aantal kosten voor het eigen aandeel vanuit de aanvullende verzekering is er specifiek beleid.

  • 2.

    Voor overige kosten voor het eigen aandeel vanuit de aanvullende verzekering is geen bijzondere bijstand mogelijk tenzij er sprake is van dringende redenen zoals bedoeld in de Participatiewet.

5.4.2. Resterende eigen aandeel in de kosten van aanschaf of reparatie van een kunstgebit of gedeeltelijke prothese (=plaatje)

Algemeen

Het resterende eigen aandeel in de kosten van aanschaf of reparatie van een kunstgebit of gedeeltelijke prothese komt voor bijstandsverlening in aanmerking.

 

Voorwaarden

  • 1.

    Een medisch advies is niet nodig.

  • 2.

    Afrekenspecificatie van de zorgverzekeraar dient te worden overgelegd.

5.4.3. Eigen aandeel tandheelkundige hulp

Algemeen

Voor het resterende eigen aandeel voor noodzakelijke tandheelkundige hulp kan bijzondere bijstand worden verleend, zeker waar het preventieve tandheelkundige hulp betreft.

 

Voorwaarden

  • Belanghebbende dient aanvullend verzekerd te zijn op het niveau van de CZM.

  • Voor het resterende eigen aandeel van noodzakelijke tandheelkundige hulp kan bijstand worden verleend, zeker waar het preventieve tandheelkundige hulp betreft. Duurdere (luxe) oplossingen zoals kronen en bruggen worden niet vergoed via de bijzondere bijstand.

  • In geval van twijfel over de noodzaak van de behandeling of als de kosten hoger zijn dan € 500,- kan de medische noodzaak van de voorziening via een aanvullend medisch advies te worden vastgesteld.

5.4.4. Eigen aandeel steunzolen, orthopedische of allergeenvrije schoenen

Algemeen

Het resterende eigen aandeel wordt vergoed voor zover de eigen bijdrage, die na ontvangst van de vergoeding van de zorgverzekeraar voor rekening van belanghebbende blijft - de kosten van normale schoenen te bovengaan en er sprake is van een positief medisch advies van de behandelend specialist (huidarts ingeval van allergeenvrije schoenen).

 

Voorwaarden

  • 1.

    Vergoed worden maximaal 3 paar schoenen per jaar voor personen van 16 jaar en ouder.

  • 2.

    Voor personen jonger dan 16 jaar moet het aantal schoenen (in verband met de groei) geïndividualiseerd worden.

  • 3.

    Voor de kosten van normale schoenen wordt verwezen naar de prijzen, zoals vermeld in de Prijzengids van het NIBUD.

  • 4.

    De hoogte van de vergoeding is de kosten van de schoenen, verminderd met de kosten van normale schoenen.

  • 5.

    Vergoeding van steunzolen is maximaal twee paar per jaar mogelijk.

5.5. Onderhoud of reparatie van een hoorapparaat plus batterijen

Algemeen

Onderhoud of reparatie van een hoorapparaat plus noodzakelijke batterijen komen in aanmerking voor bijzondere bijstand. Voor de aanschaf van een hoorapparaat dient een wettelijke eigen bijdrage van 25% te worden betaald, zie hiervoor 5.4..

 

Voorwaarden

  • 1.

    Bijstandsverlening is mogelijk voor de goedkoopste adequate oplossing.

  • 2.

    Voor de noodzakelijke batterijen is per jaar bijzondere bijstand mogelijk, zie financieel besluit.

5.6. Brillen en lenzen

Algemeen

Kosten van een bril of contactlenzen behoren tot de bijzonder noodzakelijke kosten van het bestaan en komen daarom in aanmerking voor bijzondere bijstand.

 

Voorwaarden

  • 1.

    Voor de maximale vergoeding van brillen en lenzen wordt aangesloten bij de vergoeding van de CZM.

  • 2.

    Vervanging van de glazen binnen 36 maanden is mogelijk indien de sterkte van de glazen moet worden aangepast. Vergoeding van montuur is in dat geval ook mogelijk indien bij verandering in de sterkte van de glazen de nieuwe glazen niet in het oude montuur passen. Ook kan worden gedacht aan opgroeiende kinderen waarbij het montuur te klein is geworden. Een advies van de oogarts dient te worden overlegd.

  • 3.

    Indien de maximale vergoeding voor een bril om medische redenen niet toereikend is, kunnen de noodzakelijke meerkosten worden vergoed, mits op advies van een oogarts.

  • 4.

    Vergoeding van duurdere lenzen dan de maximale vergoeding van CZM is alleen mogelijk op voorschrift van een oogarts.

  • 5.

    Lenzenvloeistof wordt vergoed tot een maximum per jaar, zie financieel besluit.

  • 6.

    Er wordt geen bijstand verleend voor de kosten van een contactlenzenabonnement.

6. Kosten van maatschappelijke aard

6.1. Kosten voor bewindvoering

Algemeen

Er dient een onderscheid te worden gemaakt in de kosten van vrijwillige- en verplichte bewindvoering.

Als de kantonrechter op grond van artikel 1:431 e.v. Burgerlijk Wetboek de noodzaak tot onderbewindstelling heeft beoordeeld en vastgesteld, bestaat er voor het college geen vrijheid meer de onderbewindstelling te beoordelen en evenmin om te bezien of er andere oplossingen mogelijk zouden zijn. De met bewindvoering samenhangende kosten komen in deze situatie in aanmerking voor bijzondere bijstand.

Als de rechtbank een bewindvoerder benoemt in het kader van de WSNP geldt het Besluit subsidie bewindvoerder schuldsanering als een passende en toereikende voorliggende voorziening.

Bij vrijwillige bewindvoering zal er moeten worden beoordeeld of men geen gebruik kan maken van andere voorliggende oplossingen zoals budgetbegeleiding via de Kredietbank Nederland.

 

Voorwaarden

  • 1.

    Indien er sprake is van verplichte onderbewindstelling kan bijzondere bijstand worden verleend. Als bewijs dient een beschikking van de kantonrechter te worden overgelegd.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt volgens de richtlijnen van het Landelijke Overleg Kantonsectorvoorzitters (LOK) vastgesteld.

6.2. Rechtshulp

Algemeen

Indien op grond van een toevoeging rechtsbijstand wordt verleend, dient het college de noodzaak voor het verlenen van rechtshulp aan te nemen. Een toevoeging (van een advocaat) vindt slechts plaats als de Raad voor de rechtsbijstand de procedure noodzakelijk acht. In het geval van een toevoeging worden de kosten (exclusief de eigen bijdrage) van de (toegevoegde) advocaat vergoed op grond van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb).

De eigen bijdrage voor rechtsbijstand wordt verlaagd met € 54 (bedrag van 2019, dit wijzigt jaarlijks) wanneer een belanghebbende eerst (gratis) rechtshulp vraagt aan het Juridisch Loket alvorens een advocaat te raadplegen. Wanneer een belanghebbende niet eerst rechtsbijstand vraagt aan het Juridisch Loket en als gevolg daarvan wordt geconfronteerd met een hogere eigen bijdrage, kan de bijzondere bijstand worden afgestemd met € 50 wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.

 

Voorwaarden

  • 1.

    Er bestaat recht op bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage kosten van rechtsbijstand indien op grond van een toevoeging krachtens de Wrb rechtsbijstand wordt verleend.

  • 2.

    Indien wordt voldaan aan lid 1 kan bijzondere bijstand worden verleend voor de eigen bijdrage en de eventueel noodzakelijke bijkomende kosten zoals griffierecht.

  • 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de werkelijk gemaakte kosten; belanghebbende dient hiervan bewijsstukken te overleggen.

  • 4.

    Indien de procedure is gewonnen, dient onderzocht te worden of de tegenpartij is veroordeeld in deze kosten. De verleende bijstand dient dan te worden terugbetaald.

  • 5.

    Als een procedure ingevolge de Algemene Wet Bestuursrecht wordt gevolgd, wordt griffierecht terugbetaald door de rechterlijke instantie, indien de zaak door belanghebbende wordt gewonnen. Als hiervoor bijstand is verleend, dient deze door belanghebbende te worden terugbetaald.

6.3. Reiskosten

Algemeen

Reiskosten behoren tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten. Deze kosten kunnen uit de bijstandsnorm worden voldaan. In een aantal situaties is het mogelijk om bijzondere bijstand te verstrekken. Het gaat hier om reiskosten in verband met: bezoek aan gedetineerde, bezoek aan elders verpleegden/verzorgden (bijvoorbeeld ziekenhuis), bezoek aan uit huisgeplaatste kinderen.

 

Voorwaarden

  • 1.

    Voor alle reiskosten geldt dat een basisbedrag voor een enkele reis voor rekening van belanghebbende komt, zie financieel besluit.

  • 2.

    Voor alle reiskosten geldt dat de vergoedingen worden vastgesteld op basis van de tarieven van het openbaar vervoer.

  • 3.

    Het tweede lid is niet van toepassing als er vanwege gezondheidsredenen niet kan worden gereisd met het openbaar vervoer. In dit geval kan er een vergoeding op basis van gebruik van de eigen auto worden vastgesteld. Deze vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijk te rijden kilometers op basis van de kortste route. Het uitkeringsbedrag per kilometer is opgenomen in het financieel besluit.

6.3.1. Bezoek aan gedetineerde

De reiskosten in verband met bezoek aan een gedetineerde kunnen in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. De gedetineerde moet tot het gezin behoren.

 

Aanvullende voorwaarden

  • 1.

    Er kan bijzondere bijstand worden verleend indien:

    • a.

      de gedetineerde behoort tot het gezin en;

    • b.

      de gedetineerde verblijft in een gesloten inrichting en geen recht heeft op verlof;

  • 2.

    De bijzondere bijstand wordt gelimiteerd op een bezoekfrequentie van maximaal 1 keer per week per gezinslid.

6.3.2. Bezoek aan elders verpleegden/verzorgden

De reiskosten die gemaakt worden voor bezoek aan een elders verpleegde/verzorgde (bijvoorbeeld ziekenhuis of verzorgingstehuis) kunnen in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. De verpleegde/verzorgde moet tot het gezin behoren.

 

Aanvullende voorwaarden

  • 1.

    Er kan bijzondere bijstand worden verleend indien de verpleegde/verzorgde behoort tot het gezin.

  • 2.

    De bijzondere bijstand wordt gelimiteerd op een bezoekfrequentie van maximaal 1 keer per week per gezinslid.

  • 3.

    In bijzondere situaties kan op individuele basis worden afgeweken van de bezoekfrequentie zoals genoemd in lid 2.

6.3.3. Bezoek aan uit huisgeplaatste kinderen

De reiskosten voor bezoek aan een uit huisgeplaatst kind door ouder(s) komen voor bijzondere bijstand in aanmerking. De reiskosten die gemaakt worden in verband met een omgangsregeling omdat beide ouders niet dichtbij elkaar wonen, komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand.

 

Aanvullende voorwaarden

  • 1.

    Er kan bijzondere bijstand worden verleend indien er een bewijs van uithuisplaatsing is.

  • 2.

    De bijzondere bijstand wordt vastgesteld aan de hand van de bezoekregeling die opgesteld is door de instelling zoals bijvoorbeeld Bureau Jeugdzorg.

6.4. Uitvaartkosten

Algemeen

Bijzondere bijstand ten behoeve van begrafenis of crematie kan verleend worden aan de nabestaande van de overledene, voor zover de uitvaartkosten niet uit de nalatenschap voldaan kunnen worden en de nabestaande niet over toereikende middelen beschikt om (zijn aandeel in) de uitvaartkosten te voldoen. De nabestaanden zijn de echtgenoot, de partner, de ouder en de kinderen. De kosten van een begrafenis of crematie kunnen dus niet worden geacht te behoren tot de noodzakelijke bestaanskosten van de overledene zelf, omdat bijstandsverlening aan de overledene niet mogelijk is.

 

Voorwaarden

  • 1.

    De kosten voor een uitvaart komen tot een maximumbedrag in aanmerking voor bijzondere bijstand, zie financieel besluit.

  • 2.

    Het maximumbedrag is per uitvaart, niet per erfgenaam

  • 3.

    Indexatie van de kosten vindt jaarlijks plaats d.m.v. het indexeringspercentage voor alimentatie.

  • 4.

    Vergoed worden: de kosten van de uitvaart, onder aftrek van de eventuele uitkering van de uitvaartverzekering

  • 5.

    Bij overlijden in het buitenland wordt geen extra bijstand verleend voor de kosten van repatriëring.

  • 6.

    Er wordt geen bijstand verleend voor een begrafenis en/of uitvaart in het buitenland.

7. Kosten van inrichting en verhuizing

7.1. Duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten

Bij inrichtingskosten moet een onderscheid worden gemaakt tussen de kosten voor duurzame gebruiksgoederen en de overige inrichtingskosten. Duurzame gebruiksgoederen zijn bijvoorbeeld een koelkast, wasmachine of meubels. Met overige inrichtingskosten worden de kosten bedoeld zoals verf en behang. Dit onderscheid is van belang voor de vorm waarin de bijzondere bijstand kan worden verstrekt.

7.1.1. Kosten aanschaf duurzame gebruiksgoederen

Algemeen

De kosten van inrichting, aanschaf en vervanging van normale duurzame gebruiksgoederen behoren tot de algemene kosten van bestaan en moeten in beginsel uit het inkomen worden betaald. Ook indien men een inkomen op het niveau van het sociaal minimum ontvangt wordt in principe voldoende ruimte in het inkomen aanwezig geacht om hiervoor vooraf te reserveren dan wel via gespreide betaling achteraf in te voorzien. Indien sprake is van bijzondere omstandigheden kan hiervan worden afgeweken. Voor het vaststellen van de noodzaak van vervanging van het duurzaam gebruiksgoed kan een huisbezoek worden afgelegd.

 

Woninginrichtingskosten voor voormalige asielzoekers

Bij een eerste huisvesting na het verlaten van een AZC wordt de voormalige asielzoeker geconfronteerd met de kosten van een ‘eerste inrichting’ in Nederland. Gelet op het eerder genoten inkomen was er geen ruimte om te kunnen reserveren voor de kosten van een complete woninginrichting. Deze kosten komen, voor zover deze niet voldaan kunnen worden uit eigen middelen of via een lening, voor bijzondere bijstand in aanmerking. Voor de hoogte van de bijzondere bijstand wordt aangesloten bij de maximumbedragen voor een complete woninginrichting van de Kredietbank Nederland.

 

Voorwaarden

  • 1.

    Belanghebbende wordt doorverwezen naar de Kredietbank Nederland voor een geldlening.

  • 2.

    Indien de Kredietbank Nederland de gemeente verzoekt om borg te staan dient een onderzoek te worden gedaan naar de noodzaak, behalve bij voormalige asielzoekers.

  • 3.

    Indien de noodzaak aanwezig is, dient de looptijd van de lening en eventueel de bijstand voor aflossing en rente (suppletie) te worden vastgesteld.

  • 4.

    Bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening is van toepassing, indien een lening bij de Kredietbank Nederland (met borgtocht) niet mogelijk is.

  • 5.

    Bijzondere bijstand om niet wordt slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden verleend.

  • 6.

    Het bedrag dat voor bijzondere bijstand in aanmerking komt, wordt vastgesteld aan de hand van de prijzengids van het NIBUD.

  • 7.

    Als sprake is van volledige woninginrichting wordt de bijstand vastgesteld op de maximale bedragen van de Kredietbank Nederland.

7.1.2. Verhuiskosten en overige inrichtingskosten

Algemeen

Verhuiskosten en kosten van woninginrichting zijn normale bestaanskosten die uit een inkomen op bijstandsniveau dienen te worden betaald. Alleen in bijzondere omstandigheden is bijstand in deze kosten mogelijk. Volgens jurisprudentie stelt de Centrale Raad van Beroep dat kosten zoals verf en behang naar hun aard niet als duurzame gebruiksgoederen kunnen worden aangemerkt.

 

Voorwaarden

  • 1.

    De noodzaak van de verhuizing moet vaststaan.

  • 2.

    De kosten zijn onvoorzien, er waren geen reserveringsmogelijkheden(vooraf of gespreide betaling achteraf).

  • 3.

    Er is geen voorliggende voorziening.

  • 4.

    Bij een verhuizing naar een andere gemeente neemt de gemeente van vertrek die kosten voor haar rekening, die direct betrekking hebben op het vertrek zelf.

  • 5.

    De kosten, die betrekking hebben op de nieuwe woning, komen voor rekening van de gemeente van vestiging.

  • 6.

    Wanneer er sprake is van dubbele huur, wordt ervan uitgegaan dat de huur van de oude woning dubbel is.

  • 7.

    Voor de verhuiskosten en overige inrichtingskosten wordt in principe bijzondere bijstand verleend om niet.

  • 8.

    Van lid 7 kan worden afgeweken indien zich ten aanzien van belanghebbende omstandigheden voordoen als bedoeld in artikel 48 lid 2 van de Participatiewet.

  • 9.

    Het bedrag dat voor bijzondere bijstand in aanmerking komt, wordt vastgesteld aan de hand van de Prijzengids van het NIBUD.

7.1.3. Waarborgsom

Algemeen

Het kan voorkomen dat de belanghebbende een waarborgsom moet voldoen ter verkrijging van een bepaalde prestatie zoals bij het betrekken van nieuwe woonruimte.

Over het algemeen krijgt de huurder deze waarborgsom bij beëindiging van het huurcontract weer terug. De waarborgsom blijft in feite toebehoren aan de huurder maar hij kan er niet over beschikken. Er kan een noodzaak bestaan om voor deze kosten bijzondere bijstand te verlenen.

 

Voorwaarden

Er kan bijzondere bijstand worden verleend voor een waarborgsom in de vorm van een (renteloze) geldlening.

8. Slotbepalingen

 

  • 1.

    Deze richtlijnen treden in werking op de 8e dag na publicatie en werken terug tot 1 januari 2020, onder gelijktijdige intrekking van de hiervoor geldende Richtlijnen bijzondere bijstand

  • 2.

    De bedragen, zoals genoemd in het Financieel besluit in de bijlage bij deze Richtlijnen bijzondere bijstand kunnen jaarlijks worden aangepast.

  • 3.

    In alle gevallen waarin deze Richtlijnen bijzondere bijstand niet voorzien of toepassing daarvan niet overeenkomt met de bedoeling van deze regels, beslist het college.

Aldus vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders van de gemeente ………..

op ……….…

De gemeentesecretaris,

De burgemeester,

9. Bijlage financieel besluit

 

Financieel besluit 2019

Bedrag

Batterijen

€ 69,00

Wettelijke eigen bijdrage

  • Zittend vervoer

 

€ 105,00

Lenzenvloeistof

€ 69,00

Basisbedrag enkele reis

€ 1,50

Reiskosten per km met auto

€ 0,19

Kosten uitvaart

€ 2666,00

Vermogensvrijlating uitvaartreservering

€ 2666,00