Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
ISD BOL

Beleidsregel van het dagelijks bestuur van ISD BOL houdende regels omtrent debiteuren (Beleidsregels Debiteuren ISD BOL 2020)

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieISD BOL
OrganisatietypeRegionaal samenwerkingsorgaan
Officiële naam regelingBeleidsregel van het dagelijks bestuur van ISD BOL houdende regels omtrent debiteuren (Beleidsregels Debiteuren ISD BOL 2020)
CiteertitelBeleidsregels Debiteuren ISD BOL 2020
Vastgesteld doordagelijks bestuur
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze regeling bevat de vroegst mogelijke datum van inwerkingtreding.

Deze regeling vervangt de Beleidsregels Debiteuren ISD BOL 2015.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Onbekend

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

05-02-2020nieuwe regeling

15-01-2020

bgr-2020-113

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsregel van het dagelijks bestuur van ISD BOL houdende regels omtrent debiteuren (Beleidsregels Debiteuren ISD BOL 2020)

Het Dagelijks Bestuur van ISD BOL

 

 

BESLUIT

 

  • Vast te stellen de Beleidsregels Debiteuren ISD BOL 2020

  • In te trekken de Beleidsregels Debiteuren ISD BOL 2015

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 – Begripsbepaling

  • 1.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader omschreven worden hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de IOAW, de Awb en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

  • 2.

    In deze beleidsregels en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a.

      Bbz: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004:

    • b.

      het Dagelijks Bestuur: het Dagelijks Bestuur van de ISD BOL;

    • c.

      bruteren: het verhogen van de vordering met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de uitkering verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig is, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het Dagelijks Bestuur af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen;

    • d.

      uitkering: de door het Dagelijks Bestuur verleende bijstand in het kader van de Participatiewet, uitkering IOAW, IOAZ of Bbz.

    • e.

      fraudevordering: vordering in verband met ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende uitkering als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht;

    • f.

      inlichtingenplicht: verplichting genoemd in artikel 17, eerste lid van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid van de IOAW en artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

    • g.

      terugvordering: een besluit van het Dagelijks Bestuur om tot terugvordering over te gaan;

    • h.

      invordering: alle handelingen (inclusief dwanginvordering) die de ISD BOL verricht om de vordering te innen;

    • i.

      Dwanginvordering: tenuitvoerlegging van een executoriale titel.

Artikel 2 - Toetsingskader

  • 1.

    Uitkering wordt teruggevorderd respectievelijk verhaald in de gevallen zoals vermeld in de Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz op de wijze zoals vermeld in deze beleidsregels.

  • 2.

    Het Dagelijks Bestuur maakt ten volle gebruik van de in de Participatiewet, de IOAW en IOAZ genoemde mogelijkheden tot verrekening.

  • 3.

    Voor zover het terugvordering van bijzondere bijstand betreft dienen daarnaast de nadere beleidsregels voor deze specifieke vormen van bijstand in acht te worden genomen.

  • 4.

    Het besluit tot terugvordering of invordering bevat in ieder geval:

    • a.

      Het bedrag van de openstaande vordering;

    • b.

      de hoogte en duur van de betalingsverplichting;

    • c.

      de rechtsgevolgen die intreden bij gebreke van (tijdige) nakoming van een betalingsverplichting.

  • 5.

    Het besluit tot verhaal bevat in ieder geval:

    • a.

      de gronden waarop verhaal wordt gezocht;

    • b.

      het verhaalsbedrag en de termijn waarbinnen de betaling wordt verlangd;

    • c.

      een mededeling dat al dan niet is gebleken van redenen om geheel of gedeeltelijk van verhaal af te zien.

Hoofdstuk 2 Terugvordering

Paragraaf 1 Bevoegdheid tot terugvordering

Artikel 3 - Bevoegdheid tot herziening en terugvordering van bijstand

  • 1.

    Het Dagelijks Bestuur maakt met inachtneming van deze beleidsregels gebruik van de bevoegdheid tot herziening, intrekking en/of terugvordering zoals deze haar op grond van artikel 58, tweede lid en artikel 59 van de Participatiewet alsmede artikel 25, tweede en derde lid en artikel 26 van de IOAW zijn toegekend.

  • 2.

    Voor zover bevoegdheid tot herziening van het recht op uitkering en/of terugvordering vervalt of wordt beperkt door vaste jurisprudentie is er geen bevoegdheid tot herziening van het recht op uitkering en/of (gedeeltelijke) terugvordering.

Artikel 4 - Afzien van herziening, intrekking of terugvordering

  • 1.

    Het Dagelijks Bestuur kan indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening, intrekking of terugvordering af te zien.

  • 2.

    Uitstroom uit de bijstand, perspectief op uitstroom uit de bijstand of een omvangrijke schuldenlast vormen op zichzelf of in samenhang bezien, geen dringende reden zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel.

  • 3.

    Terugvordering op grond van artikel 58 lid 2 sub f Participatiewet respectievelijk 25 lid 3 IOAW vindt niet plaats indien er vijfjaar zijn verstreken nadat het recht op uitkering van de belanghebbende is beëindigd en deze nog steeds niet de beschikking heeft over de middelen.

  • 4.

    Terugvordering in verband met belastingteruggaaf vindt enkel plaats voor zover het betreft terugvordering in verband met niet, dan wel niet juist gekorte heffingskorting met uitzondering van de gevallen genoemd in lid 5.

  • 5.

    Bij terugvordering naar aanleiding van een beëindigingsonderzoek wordt afgezien van terugvordering indien deze wordt veroorzaakt door een ontstaan recht of gewijzigd positief recht op heffingskorting(en) als gevolg van de reden van beëindiging van de uitkering.

Paragraaf 2 Invordering van teruggevorderde bijstand

Artikel 5 - De vaststelling van de betalingsverplichting / Verzoeken tot tussentijdse wijziging van een betalingsregeling

  • 1.

    Het aflossingsbedrag, zoals medegedeeld in het terugvorderings- of invorderingsbesluit, geldt als een opgelegde betalingsverplichting.

  • 2.

    Bij voorkeur binnen twee weken na de datum van bekendmaking van het besluit, kan de belanghebbende schriftelijk een verzoek indienen tot gespreide betaling, tot verlaging van de maandelijks vastgestelde betalingsverplichting of tot tijdelijk uitstel van de opgelegde betalingsverplichting, omdat hij niet in staat is deze schuld ineens of volgens de vastgestelde termijnen te voldoen.

  • 3.

    Het Dagelijks Bestuur neemt binnen de termijnen zoals deze zijn vastgelegd in de Wet dwangsom een besluit over het verzoek.

  • 4.

    Een ingediend bezwaar tegen het terugvorderingsbedrag of tegen de vastgestelde betalingsverplichting heeft geen schorsende werking, tenzij uit een eerste onderzoek van het bezwaarschrift blijkt dat de terugvordering en/of de betalingsverplichting duidelijk niet juist is.

Artikel 6 - Bepaling van de hoogte van de betalingsverplichting

  • 1.

    Indien de debiteur een uitkering ontvangt van ISD BOL vindt aflossing van de vordering plaats middels verrekening met de uitkering op grond van artikel 60 lid 3 en 4 Participatiewet respectievelijk artikel 28 lid 2 en 3 IOAW.

  • 2.

    Indien de debiteur geen uitkering meer ontvangt van ISD BOL wordt de aflossingsverplichting vastgesteld conform de regels zoals vastgesteld in de separate werkinstructie.

  • 3.

    Bij het vaststellen van de aflossingsverplichting wordt rekening gehouden met het inkomen en, indien er aanleiding bestaat aan te nemen dat dit van belang is, met het vermogen van de debiteur.

  • 4.

    Bij het vaststellen van de aflossingsverplichting wordt er naar gestreefd dat de vordering binnen 5 jaar wordt afgelost.

Artikel 7 - Rechtsgevolgen bij weigering van een minnelijke betalingsregeling of bij niet-nakoming van de betalingsverplichting: verrekening en/of beslag

  • 1.

    Indien de belanghebbende een eerder getroffen betalingsverplichting als bedoeld in artikel 5 van deze beleidsregels niet (meer) nakomt, wordt de belanghebbende na 14 dagen eenmalig aangemaand tot nakoming van zijn betalingsverplichtingen.

  • 2.

    Indien de belanghebbende, aan wie door ISD BOL een uitkering als bedoeld in artikel 60 lid 3 Participatiewet respectievelijk artikel 26 lid 3 IOAW wordt verleend, twee weken na bekendmaking van de aanmaning, zijn betalingsverplichting nog steeds niet (volledig) is nagekomen, wordt de (resterende) vordering op grond van artikel 60 lid 3 of 4 Participatiewet in samenhang met artikel 4:93 AWB verrekend met de maandelijkse uitkering.

  • 3.

    Ingeval verrekening met een ISD BOL uitkering niet mogelijk is, wordt er 2 weken na bekendmaking van de aanmaning een dwangbevel uitgevaardigd t.a.v. belanghebbende.

  • 4.

    Het dwangbevel wordt aan belanghebbende betekend per aangetekende brief of door een deurwaarder.

  • 5.

    Het dwangbevel wordt ten uitvoer gelegd door eenvoudig derdenbeslag overeenkomstig de artikelen 475 tot en met 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

  • 6.

    Indien verrekening of eenvoudig derdenbeslag niet mogelijk is wordt beoordeeld of inschakeling van een derde voor de invordering wenselijk is. Overdracht kan plaatsvinden op grond van de richtlijnen, zoals genoemd in de vastgestelde separate werkinstructie 'Werkgroep inschakeling deurwaarder'.

  • 7.

    Indien moet worden overgegaan tot verrekening of beslaglegging als bedoeld in het tweede en vijfde lid van dit artikel, wordt de vordering niet verhoogd met de wettelijke rente en kosten tot de dag der algehele voldoening.

  • 8.

    Het voorgaande lid is niet van toepassing in het geval ISD BOL de invordering overdraagt aan een derde. In dat geval worden de door deze derde met de invordering verband houdende kosten en de wettelijke rente doorberekend aan de belanghebbende.

  • 9.

    Bij bezwaar of beroep tegen een besluit terugvordering wordt de invordering om praktische redenen opgeschort totdat het besluit rechtens onaantastbaar is geworden. Van deze beleidsregels kan gemotiveerd worden afgeweken.

Artikel 8 - Afzien van bevoegdheden als preferent schuldeiser en opschorting van de betalingsverplichting

  • 1.

    Het Dagelijks Bestuur is bevoegd om tijdelijk van zijn bevoegdheden als preferent schuldeiser, zoals beschreven in artikel 60 lid 7 Participatiewet af te zien indien door het vasthouden aan die bevoegdheid voor de belanghebbende een onevenredig nadeel ontstaat.

  • 2.

    Het Dagelijks Bestuur is bevoegd om wegens de in lid 1 genoemde redenen de betalingsverplichting tijdelijk op te schorten.

Paragraaf 3 Kwijtschelding van teruggevorderde bijstand

Artikel 9 - Bevoegdheid tot kwijtschelding bij schulden

  • 1.

    Het Dagelijks Bestuur kan op verzoek van de belanghebbende die een schuldsaneringstraject (niet zijnde WSNP) wil opstarten besluiten geheel of gedeeltelijk af te zien van invordering en een vordering geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden; en

    • b.

      redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; en

    • c.

      de vordering van de ISD BOL wegens teruggevorderde bijstand ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang; en

    • d.

      er geen sprake is van vorderingen als bedoeld in artikel 12 van deze beleidsregels, boetevorderingen, vorderingen in verband met fraude waarvoor geen boete is opgelegd en geen aangifte is gedaan op grond van het wetboek van strafrecht behoudens bijzondere omstandigheden.

  • 2.

    De kwijtscheldingsregeling als bedoeld in lid 1 van dit artikel treedt niet in werking voordat een besluit of overeenkomst tot schuldregeling tot stand is gekomen en succesvol is doorlopen.

  • 3.

    ISD BOL verleent, conform de wettelijke regels, medewerking aan een WSNP traject.

Artikel 10 - Intrekkings- en wijzigingsgronden van het kwijtscheldingsbesluit

  • 1.

    Het besluit tot kwijtschelding als bedoeld in artikel 9 wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien:

    • a.

      De belanghebbende zijn schuld aan de ISD BOL niet overeenkomstig de kwijtscheldingsregeling als bedoeld in artikel 9 lid 1 voldoet; of

    • b.

      de schuldregeling niet correct wordt doorlopen; of

    • c.

      onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.

Artikel 11 - Kwijtschelden of buiten invordering stellen van de vordering in overige gevallen

  • 1.

    Het Dagelijks Bestuur kan afzien van verdere terugvordering of van (verdere) invordering en gaat over tot kwijtschelding indien:

    • a.

      gedurende tien jaar volledig aan de betalingsverplichtingen is voldaan;

    • b.

      gedurende tien jaar niet volledig aan de betalingsverplichtingen is voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog is betaald;

    • c.

      gedurende tien jaar geen betalingen zijn verricht en niet aannemelijk is dat deze op enig moment verricht zullen gaan worden; of

    • d.

      tenminste tien jaar na terugvordering een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom, in één keer wordt afgelost.

  • 2.

    De in het eerste lid genoemde termijn is 5 jaar indien de vordering geen terugvordering betreft op grond van artikel 58 lid 1 Participatiewet of artikel 25 lid 1 IOAW.

  • 3.

    Besluiten tot afzien van (verdere) terugvordering of invordering worden individueel beoordeeld.

  • 4.

    Het op basis van dit artikel genomen besluit tot het (gedeeltelijk) afzien van terugvordering of invordering wordt ingetrokken, indien op een later tijdstip blijkt dat belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.

  • 5.

    ISD BOL gaat te allen tijde akkoord met een kwijtingsvoorstel in het kader van een schuldsaneringskrediet van de KBL.

Artikel 12 - Afzien van kwijtschelding

In afwijking van artikel 9 en artikel 11 van deze beleidsregels vindt er geen kwijtschelding plaats, indien het een vordering betreft die door pand of hypotheek op een goed of goederen is gedekt, behoudens voor zover deze niet op die goederen verhaald kan worden.

Paragraaf 4 Heronderzoeken

Artikel 13 - Heronderzoeken

Het Dagelijks Bestuur voert, voor zover nodig, periodiek onderzoeken uit ter bewaking van de terug- en invordering van vorderingen.

Hoofdstuk 3  

Verhaal Deel I

De beleidsregels in hoofdstuk 3 zijn van toepassing op alle verhaalszaken, waarbij de eersteaanschrijving van de verhaalsplichtige vóór 01 januari 2011 is verzonden.

Paragraaf 1 Bevoegdheid tot verhaal van kosten van bijstand en omvang van het verhaal

Artikel 14 - Bevoegdheid tot het verhalen van bijstand

Het Dagelijks Bestuur maakt in alle gevallen gebruik van de bevoegdheid om de kosten van bijstand te verhalen overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 61 tot en met 62i Participatiewet tenzij in deze regeling anders is bepaald.

Artikel 15 - Afzien van verhaal

  • 1.

    Het Dagelijks Bestuur ziet af van het nemen van een verhaalsbesluit ingevolge artikel 62 Participatiewet indien het op te leggen verhaalsbedrag lager is dan € 50,- per maand (€ 600,- per jaar).

  • 2.

    Het Dagelijks Bestuur ziet af van verhaal ten behoeve van ten laste komende kinderen voor zover de totaal berekende verhaalsbijdrage per kind per maand het bedrag van € 135,- te boven gaat.

  • 3.

    Het Dagelijks Bestuur ziet af van het nemen van een verhaalsbesluit ingevolge artikel 62 lid a en b Participatiewet voor zover dit betrekking heeft op verhaal van uitkering ten behoeve van de expartner.

  • 4.

    Het Dagelijks Bestuur ziet af van het nemen van een verhaalsbesluit ingevolge artikel 62 lid c Participatiewet (jong meerderjarigen).

  • 5.

    Het Dagelijks Bestuur ziet af van het nemen van een verhaalsbesluit ingevolge artikel 62f Participatiewet (verhaal op nalatenschap) indien het op te leggen verhaalsbedrag in totaal lager is dan €500,-.

  • 6.

    Het Dagelijks Bestuur kan om redenen van doelmatigheid geheel of gedeeltelijk afzien van het nemen van een verhaalsbesluit.

  • 7.

    Het Dagelijks Bestuur ziet geheel of gedeeltelijk af van het nemen van een verhaalsbesluit indien, gelet op de omstandigheden van degene op wie verhaal wordt gezocht of degene die de bijstand ontvangt of heeft ontvangen, dringende redenen aanwezig zijn.

Artikel 16 - Hoogte verhaalsbijdrage en ingangsdatum

  • 1.

    Bij vaststelling van het te verhalen bedrag wordt rekening gehouden met de maatstaven die gelden en de omstandigheden die van belang zijn in het geval dat de rechter dient te beslissen over de vraag of en, zo ja, tot welk bedrag een uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed zou moeten worden toegekend.

  • 2.

    De verhaalsbijdrage ingevolge artikel 62 Participatiewet wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de datum van eerste aanschrijving van degene op wie wordt verhaald, tenzij een andere datum wordt overeengekomen.

Paragraaf 2 Verhaal in rechte en invordering van verhaalbare kosten van bijstand

Artikel 17 - Verhaal in rechte

  • 1.

    Indien degene op wie wordt verhaald een door ISD BOL vastgestelde verhaalsbijdrage niet voldoet, wordt verhaal in rechte toegepast door middel van het indienen van een verzoekschrift bij de rechtbank met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De indiening van een verzoekschrift dient zo spoedig mogelijk plaats te vinden.

  • 2.

    Het Dagelijks Bestuur kan om redenen van doelmatigheid geheel of gedeeltelijk afzien van verhaal in rechte.

Artikel 18 - Invordering van door de rechter vastgestelde verhaalbare kosten van bijstand

  • 1.

    Indien een cliënt van ISD BOL recht heeft op kinder- of partneralimentatie op grond van rechterlijke uitspraak en deze niet wordt voldaan, wordt aan cliënt de verplichting opgelegd het LBIO in te schakelen en de gelden die betrekking hebben op de periode van bijstandsverlening aan ISD BOL te cederen.

  • 2.

    Slechts in uitzonderlijke omstandigheden wordt verhaal op grond van artikel 62b Participatiewet toegepast.

  • 3.

    Het besluit tot verhaal overeenkomstig de rechterlijke uitspraak wordt in het geval als bedoeld in lid 2 van dit artikel bij brief medegedeeld aan degene op wie wordt verhaald met de verplichting om het verschuldigde bedrag binnen de termijn genoemd in artikel 62b lid 2 Participatiewet te voldoen.

  • 4.

    Indien aan deze verplichting geen gevolg wordt gegeven, wordt aan degene op wie wordt verhaald twee weken na verstrijken van de betaaldatum een aanmaning verzonden.

  • 5.

    Indien de onderhoudsplichtige twee weken na bekendmaking van de aanmaning zijn betalingsverplichting niet nakomt, wordt er overgegaan tot dwanginvordering via een dwangbevel dan wel inschakeling van een deurwaarder.

Artikel 19 - Indexering verhaalsbijdrage

De verhaalsbijdrage wordt niet geïndexeerd met uitzondering van de situatie als bedoeld in artikel 62d WWB.

Paragraaf 3 Heronderzoeken

Artikel 20 - Heronderzoeken

  • 1.

    Het Dagelijks Bestuur stelt periodiek een onderzoek in naar de draagkracht voor het voldoen van een verhaalsbijdrage ingevolge artikel 62 Participatiewet. Indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven, wordt als gevolg van dit onderzoek de verhaalsbijdrage gewijzigd vastgesteld.

  • 2.

    Indien de onderhoudsplichtige minder dan € 135,- per kind per maand bijdraagt, vindt een heronderzoek plaats uiterlijk drie jaar nadat de laatste beoordeling van de financiële draagkracht heeft plaatsgevonden. Afhankelijk van de financiële en/of maatschappelijke situatie van de onderhoudsplichtige kan een kortere periode worden vastgesteld.

  • 3.

    Zolang de onderhoudsplichtige per kind per maand € 135,- per kind per maand bijdraagt, vindt er geen heronderzoek naar de draagkracht van belanghebbende plaats.

Hoofdstuk 4  

Verhaal Deel II

De beleidsregels in hoofdstuk 4 zijn van toepassing op alle verhaalszaken, waarbij de eerste aanschrijving van de verhaalsplichtige vanaf 01 januari 2011 is verzonden.

Paragraaf 1 Bevoegdheid tot verhaal van kosten van bijstand en omvang van het verhaal

Artikel 21 - Bevoegdheid tot het verhalen van bijstand

Hét Dagelijks Bestuur ISD BOL maakt in alle gevallen gebruik van de bevoegdheid om de kosten van bijstand te verhalen overeenkomstig het bepaalde in artikel 61 tot en met 62i Participatiewet, tenzij in deze regeling anders is bepaald.

Artikel 22 - Verhaal op de onderhoudsplichtige ex-partner ten behoeve van de onderhoudsgerechtigde

Verhaal van uitkering op de onderhoudsplichtige ex-partner van een belanghebbende, aan wie het Dagelijks Bestuur een uitkering verstrekt ingevolge de Participatiewet geschiedt naar draagkracht en tot maximaal het bedrag van de bruto verstrekte uitkering.

Artikel 23 - Verhaal van uitkering ten behoeve van ten laste komende kinderen

Verhaal van uitkering, die ten behoeve van een ten laste komend kind wordt verstrekt, geschiedt naar draagkracht van de onderhoudsplichtige en tot maximaal de behoefte van het kind conform de Tremanormen, voor zover deze niet hoger is dan de bruto verstrekte bijstand.

Artikel 24 - Verhaal van uitkering ten behoeve van jong-meerderjarigen

Verhaal van bijstand ten behoeve van jong-meerderjarigen geschiedt naar draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) en tot maximaal het bedrag van de bruto aanvullende bijzondere bijstand voor levensonderhoud.

Artikel 25 - Verhaal van uitkering op een schenking

Verhaal van bijstand bij schenking geschiedt op degene, die de schenking heeft ontvangen.

De omvang van het verhaal is het volledige bedrag, waarmee bij de aanvraag van een uitkering met de geschonken middelen rekening had moeten worden gehouden. Uitzondering hierop is dat de schenker ten tijde van de schenking de noodzaak van bijstandverlening redelijkerwijs niet kon voorzien.

Artikel 26 - Verhaal van uitkering op een nalatenschap

Verhaal op een nalatenschap is aan de orde, als er ten onrechte uitkering is verleend aan iemand en de ten onrechte verleende uitkering ten tijde van zijn overlijden nog niet is teruggevorderd. Tevens, als er uitkering is verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht.

Verhaal op de nalatenschap vindt in voornoemde gevallen plaats tot het volledige bedrag van de terugvordering c.q. het nog openstaande bedrag van de geldlening of de geëffectueerde borgtocht.

Artikel 27 - Afzien van verhaal om dringende redenen

Het Dagelijks Bestuur ziet geheel of gedeeltelijk af van het nemen van een verhaalsbesluit indien, gelet op de omstandigheden van degene op wie verhaal wordt gezocht of degene die de bijstand ontvangt of heeft ontvangen, dringende redenen aanwezig zijn.

Artikel 28 - Vaststelling van het te verhalen bedrag

  • 1.

    Vaststelling van het te verhalen bedrag geschiedt volgens de zogenaamde Tremanormen en de omstandigheden, die van belang zijn in het geval dat de rechter dient te beslissen over de vraag of en, zo ja, tot welk bedrag een uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed zou moeten worden toegekend.

  • 2.

    De berekening van de verhaalsbijdrage geschiedt in beginsel via de netto-rekenmethode. Alleen als dit niet mogelijk is, wordt hier gemotiveerd van afgeweken.

  • 3.

    Is er sprake van een recente rechterlijke uitspraak inzake alimentatie (niet ouder dan 6 maanden), waarbij de hoogte van alimentatie op grond van de tremanormen is berekend dan wel gebaseerd is op een zelfstandig oordeel van de rechtbank, dan wordt deze uitspraak tot 2 jaar na datum uitspraak gevolgd door ISD BOL.

  • 4.

    Na afloop van bovengenoemde termijn én in het geval dat er geen berekening voor de vaststelling van de alimentatie is gemaakt, volgt een onderzoek naar de mogelijkheid om aanvullende verhaalsbijdrage op te leggen.

  • 5.

    De verhaalsbijdrage als gevolg van artikel 62 Participatiewet wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de datum van eerste aanschrijving van degene op wie wordt verhaald, tenzij een andere datum wordt overeengekomen.

Paragraaf 2 Verhaal in rechte en invordering van verhaalbare kosten van bijstand.

Artikel 29 - Indienen verzoekschrift ten behoeve van verhaal in rechte

  • 1.

    Indien degene op wie wordt verhaald een door het Dagelijks Bestuur vastgestelde verhaalsbijdrage niet voldoet, wordt verhaal in rechte toegepast door middel van het indienen van een verzoekschrift bij de Rechtbank met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De indiening van een verzoekschrift dient zo spoedig mogelijk plaats te vinden.

  • 2.

    Van verhaal in rechte wordt enkel afgezien als het verzoek om vaststelling in recht met grote waarschijnlijkheid wordt afgewezen. Een dergelijke beslissing wordt uitvoerig gemotiveerd.

Artikel 30 - Verhaal op grond van artikel 62b WWB

  • 1.

    Slechts in uitzonderlijke omstandigheden wordt gemotiveerd verhaal op grond van artikel 62b Participatiewet toegepast.

  • 2.

    Het besluit tot verhaal overeenkomstig de rechterlijke uitspraak wordt in het geval als bedoeld in lid 2 van dit artikel bij brief verteld aan degene op wie wordt verhaald met de verplichting om het verschuldigde bedrag binnen de termijn genoemd in artikel 62b lid 2 Participatiewet te voldoen.

  • 3.

    Indien aan deze verplichting geen gevolg wordt gegeven, wordt aan degene op wie wordt verhaald twee weken na verstrijken van de betaaldatum een aanmaning verzonden.

  • 4.

    Indien de onderhoudsplichtige twee weken na bekendmaking van de aanmaning zijn betalingsverplichting niet nakomt, dan wordt er op grond van artikel 4:117 Awb in samenhang met artikel 60 lid 2 Participatiewet een dwangbevel uitgevaardigd ten aanzien van belanghebbende. Het dwangbevel dient te voldoen aan de voorschriften ex artikel 4:122 Awb.

  • 5.

    Met het dwangbevel kan ISD BOL overgaan tot (vereenvoudigd) derdenbeslag (of executoriaal beslag door een gerechtsdeurwaarder).

Artikel 31 - Indexering verhaalsbijdrage

De verhaalsbijdrage wordt niet geïndexeerd met uitzondering van de situatie als bedoeld in artikel 62d WWB.

Paragraaf 3 Heronderzoeken

Artikel 32 - Heronderzoeken

  • 1.

    Het Dagelijks Bestuur stelt periodiek een onderzoek in naar de draagkracht voor het voldoen van een verhaalsbijdrage ingevolge artikel 62 Participatiewet

  • 2.

    Indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven, dient als gevolg van dit onderzoek de verhaalsbijdrage opnieuw te worden vastgesteld.

Hoofdstuk 5 Overige bepalingen

Artikel 33 - Hardheidsclausule en onvoorziene omstandigheden

  • 1.

    Het Dagelijks Bestuur kan in bijzondere gevallen gemotiveerd afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels.

  • 2.

    In gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien, beslist het Dagelijks Bestuur.

Artikel 34 - Citeertitel

Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als "Beleidsregels Debiteuren ISD BOL 2020".

Artikel 35 - Inwerkingtreding, overgangsrecht, vervallen bestaande uitvoeringsregels

  • 1.

    Deze beleidsregels treden in werking met ingang van 1 januari 2020.

  • 2.

    Met ingang van 1 januari 2020 worden de "Beleidsregels Debiteuren ISD BOL2015" ingetrokken.

Aldus vastgesteld in de vergadering van het Dagelijks Bestuur d.d. 15 januari 2020

de Voorzitter, de Secretaris,

Hoofdstuk 6 Toelichting op de uitvoeringsregels

 

Algemene toelichting

Terugvordering is op basis van de nieuwe fraudewet (Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving) verplicht voor terugvordering van ten onrechte of tot een te hoog ontvangen bedrag aan bijstand als gevolg van schending van de inlichtingenplicht (op basis van artikel 58 lid 1 Participatiewet en artikel 25 lid 1 IOAW). In alle andere gevallen is terugvordering nog steeds een bevoegdheid.

Bijvoorbeeld terugvordering omdat iemand later over middelen is gaan beschikken die betrekking hebben op dezelfde periode. Omdat terugvordering in die gevallen een bevoegdheid is (op basis van artikel 58 lid 2 en artikel 59 Participatiewet en artikel 25 lid 2 en 3 en artikel 26 IOAW), kan nog steeds worden afgezien van terugvordering van kruimelbedragen.

Echter, de regels om in aanmerking te komen voor een IAU of MAU vanwege een tekort op het

inkomensdeel zijn aangescherpt. In het kader van de MAU wordt door de Toetsingscommissie

Participatiewet nadrukkelijk bekeken of het handhavingsbeleid (inclusief het debiteurenbeleid) op orde is. Hierbij wordt door de Toetsingscommissie geen onderscheid gemaakt tussen verplichte terugvorderingen als gevolg van schending van de inlichtingenplicht en de bevoegdheid tot terugvordering (in alle overige gevallen).

In deze aangepaste beleidsregels debiteuren is derhalve de regel geschrapt dat vorderingen tot € 50,- uit doelmatigheidsoverwegingen niet worden teruggevorderd. Dit geldt ook voor vorderingen tot € 125,- die het gevolg zijn van een fout van ISD BOL. Dit betekent dat alle teveel betaalde bijstand wordt teruggevorderd, ook ingeval van kruimelbedragen.

 

Artikelsgewijze toelichting

Toelichting vindt plaats voor zover deze nodig is. Waar artikelen voor zich spreken blijft toelichting achterwege.

 

Hoofdstuk 1 Algemene Bepalingen

 

Artikel 2 - Toetsingskader

In dit artikel wordt het algemeen toetsingskader aangegeven.

Lid 1

In het eerste lid van dit artikel wordt aangegeven dat de terugvorderingsgronden gestoeld moeten zijn op

de Participatiewet/IOAW (limitatieve opsomming).

Lid 2

In het tweede lid van dit artikel wordt aangegeven dat het Dagelijks Bestuur ten volle gebruik maakt van de in de Participatiewet, de IOAW en IOAZ genoemde mogelijkheden tot verrekening.

Lid 3

In het derde lid wordt er op gewezen dat er mogelijk bijzondere regels zijn vastgesteld voor bepaalde vormen van bijzondere bijstand. Deze zijn dan opgenomen in de beleidsregels die betrekking hebben op deze specifieke vormen van bijstand. Op deze beleidsregels dient ook te worden getoetst.

Lid 4 en 5

In deze twee leden worden de minimale vereisten voor een besluit tot terugvordering respectievelijk een besluit tot verhaal aangegeven zoals deze ook vermeld staan in Schulinck. Dit om het toetsingskader duidelijk af te bakenen voor wat betreft de minimale eisen van een besluit. Nadere regels worden nog vastgesteld in het kader van KMS (waarschijnlijke benaming: "minimale kwaliteitseisen debiteuren").

 

Hoofdstuk 2 Terugvordering

 

Artikel 3 - Bevoegdheid tot herziening en terugvordering van bijstand

Lid 1

Dit artikel kan als zogenaamd kapstokartikel worden gezien. De Participatiewet/IOAW kent geen plicht tot herziening en terugvordering op grond van artikel 58 lid 2 en 59 Participatiewet / artikel 25 lid 2 en 3 en 26 IOAW maar een bevoegdheid. Dat betekent dat een algemene beleidsregel, waarbij wordt uitgesproken dat gebruik wordt gemaakt van die bevoegdheid, transparantie en rechtszekerheid biedt en bovendien willekeur wordt voorkomen. Met betrekking tot terugvordering bestaat er een verplichting tot

terugvordering op grond van artikel 58 lid 1 Participatiewet respectievelijk artikel 25 lid 1 IOAW. Deze artikelen worden dan ook niet in deze paragraaf genoemd.

Lid 2

In het tweede lid van dit artikel is opgenomen dat de bevoegdheid als plicht wordt uitgevoerd. Van die verplichting tot uitvoering zijn uitgezonderd die gevallen die in deze beleidsregels zijn opgenomen.

De Participatiewet/IOAW en overige wetten zoals de Awb en het Burgerlijk Wetboek kennen een aantal beperkingen op het gebied van terugvordering. Algemene regels in verband met verjaring staan hierin opgenomen en dienen te worden gerespecteerd.

Daarnaast is er jurisprudentie op dit gebied die telkens voortschrijdt. Voorbeeld hiervan is de 6 maanden leer. Deze jurisprudentie houdt in dat een bestuursorgaan een bevoegdheid tot terugvordering niet kan uitoefenen ter zake van betalingen die gedaan zijn meer dan zes maanden na de ontvangst van een signaal waaruit het uitvoeringsorgaan had moeten afleiden, dat ten onrechte of te veel wordt betaald. Zie CRvB 24-07-2007, nr. 06/3899 WWB en CRvB 21-10-1994, nr. 93/135 AOW. Er zijn echter meer algemene rechtsregels ontwikkeld in de jurisprudentie op basis waarvan geheel of gedeeltelijk van terugvordering moet worden afgezien. Zo zijn er expliciet situaties geformuleerd in de rechtspraak waarbij van brutering dient te worden afgezien. Omdat deze ontwikkeling niet stilstaat is hier gekozen voor een algemene formulering dat met deze ontwikkelingen rekening wordt gehouden. De publicaties in het handboek van Schulinck, dat door de ISD BOL als

referentiekader voor de uitleg van de Participatiewet wordt gehanteerd geldt hierbij als aanknopingspunt voor de beoordeling of iets vaste jurisprudentie is.

 

 

Artikel 4 - Afzien van herziening, intrekking of terugvordering

Lid 1

Inherent aan het nemen van een besluit tot herziening en/of terugvordering is dat er zich dringende redenen kunnen voordoen. Als gevolg van die dringende redenen kan dan besloten worden (ex artikel 4:84 Awb) af te zien van herziening en terugvordering. Het is niet mogelijk een limitatieve opsomming te geven van dringende redenen. Dat zou ook geen recht doen aan de individuele omstandigheden die dus bij uitstek verschillend zijn. Bij de beoordeling of er dringende redenen zijn om af te zien van herziening of terugvordering, kan aansluiting worden gevonden bij de jurisprudentie die op dit punt onder de WWB, Participatiewet, IOAW en de Abw is gevormd.

Lid 2

Als algemene leidraad kan daarbij gelden dat enkel financiële argumenten en/of perspectief op uitstroom onvoldoende aanleiding biedt om dringende redenen aan te nemen. Bovendien is uit de jurisprudentie gebleken dat het vooral aan de belanghebbende is om zijn omstandigheden dermate aan te kaarten dat daaruit de aanwezigheid van dringende redenen is te destilleren. De eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende speelt hierbij dus een grote rol.

Lid 3

Dit lid is bedoeld om de situatie te vermijden dat men eindeloos geconfronteerd wordt met een mogelijke vordering van de ISD BOL. De situatie doet zich met name voor indien er sprake is van mogelijke inkomsten uit een nalatenschap waarbij er sprake is van een langstlevende echtgenoot of indien er vorderingen uit ingewikkelde boedelscheiding of conflicten over alimentatie zijn waarvoor jarenlange procedures lopen. Zo lang de cliënt een uitkering ontvangt kan een dergelijke omstandigheid bewaakt worden en dient dit ook te gebeuren door de consulent. Nadat de uitkering beëindigd wordt dient het echter op enig moment duidelijk te zijn voor de cliënt in hoeverre er nog sprake is van mogelijke

vorderingen van ISD BOL en hoe hoog deze zijn (rechtszekerheidsbeginsel). Indien na vijfjaar nog niet duidelijk is of er sprake is van achteraf ontvangen middelen is het redelijk dat daarna geen onderzoek meer plaatsvindt. De cliënt krijgt hierdoor een zekerheid dat zijn relatie met ISD BOL wat betreft dit onderdeel op enig moment afloopt. Daarnaast wordt dit onderdeel ingevoegd om doelmatigheidsredenen. Na verloop van tijd wordt het vaak arbeidsintensiever dit soort zaken daadwerkelijk te bewaken. Daarnaast wordt het steeds moeilijker correct te beoordelen in hoeverre de ontvangen middelen daadwerkelijk betrekking hebben op de periode van bijstandsverlening. Indien een belanghebbende middelen verzwijgt is er sprake van fraude en is deze termijn uiteraard niet van toepassing.

Lid 4

Terugvordering van belastingteruggaaf vindt enkel plaats indien het gaat om te weinig gekorte heffingskorting. Deze keuze is gemaakt om redenen van doelmatigheid. Het is bijzonder arbeidsintensief om uit te zoeken welk gedeelte van een belastingteruggaaf te wijten is aan bijvoorbeeld hypotheekrenteaftrek of aftrek van ziektekosten. De tijd die met dergelijke onderzoeken gemoeid zijn wegen niet op tegen de mogelijke opbrengsten (kosten/baten analyse).

Lid 5

Bij de uitvoering van beëindigingsonderzoeken levert het opvragen van gegevens teneinde definitief de wederzijdse rechten en plichten vast te kunnen stellen vaak problemen op: belanghebbenden weigeren of laten na hun medewerking hieraan te verlenen. Voor belanghebbenden is het onbegrijpelijk en onlogisch om na beëindiging van de uitkering nog gegevens te moeten overleggen. Met name gegevens die uitsluitsel kunnen geven over een ontstaan recht of gewijzigd positief recht op heffingskorting(en) als gevolg van de reden voor beëindiging van de uitkering. Het gaat dan om beëindigingen van de uitkering door werkaanvaarding, aangaan huwelijk/duurzame gezamenlijke huishouding of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.

 

Artikel 5 - De vaststelling van de betalingsverplichting / Verzoeken tot tussentijdse wijziging van een betalingsregeling

Lid 1

In eerste instantie wordt uitdrukkelijk vermeld dat de betalingstermijnen in de terugvorderings- en invorderingsbesluiten een verplichting inhouden. Dit dient vast te staan omdat het terugvorderingsbesluit de basis vormt voor een eventueel later dwangbevel.

Lid 2

Dit lid geeft aan dat de belanghebbende de mogelijkheid heeft een andere aflossingsregeling te vragen en hoe hij dit kan doen (schriftelijk in verband met de Wet dwangsom).

Lid 3

Een verzoek als bedoeld in lid 2 wordt gezien als een aanvraag (ex artikel 4:1 Awb) en valt onder de regels van de Wet Dwangsom wat betreft beslistermijnen.

Lid 4

Hier wordt bevestigd dat een ingediend bezwaar wettelijk gezien geen schorsende werking kent. Tot opschorting wordt echter wel overgegaan indien uit een eerste onderzoek blijkt dat de terugvordering en/of de aflossingstermijnen in zijn geheel niet juist zijn.

 

Artikel 6 - Bepaling van de hoogte van de betalingsverplichting

Lid 1

Verrekening is de meest eenvoudige en doeltreffende manier van invordering. Gelden worden voor uitbetaling aan de klant op de vordering in mindering gebracht en de ISD BOL gaat voor op eventuele beslagleggers. Van deze mogelijkheid wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt. Voor terugvordering in verband met fraude en boetevorderingen geldt een verplichting tot verrekening waaraan uiteraard gehoor wordt gegeven.

Lid 2

De praktische invulling van de beleidsregels wat betreft aflossing van vorderingen is vastgelegd in een werkinstructie. Op dit moment staat incasso in relatie tot het algemene standpunt "Kiezen voor werk" en is de mogelijkheid om een betalingsregeling te treffen vrij uitgebreid. Door het bieden van enige ruimte in de aflossingsregeling kan worden gestimuleerd dat klanten gaan werken en zo financieel meer ruimte overhouden. Indien er op enig moment meer nadruk wordt gelegd bijvoorbeeld handhaving of maximale incasso kan een werkinstructie hierop worden aangepast. De werkinstructie is opgenomen op intranet onder functiegerichte informatie.

Lid 3

Indien er een regeling moet worden getroffen met de debiteur kan het zo zijn dat deze een laag inkomen heeft maar beschikt over een aanzienlijk vermogen, bijvoorbeeld door ontvangst van een nalatenschap op nabetalingen van inkomsten. In dergelijke gevallen dient het vermogen van betrokkene nadrukkelijk mee te worden genomen bij de vaststelling van de aflossingsverplichting.

Lid 4

De beleidsregels van ISD BOL houden in dat vorderingen zo veel mogelijk binnen 5 jaar worden afgelost. Voor de meeste kleinere bedragen is dit een redelijke termijn om tot volledige aflossing te komen.

 

Artikel 7 - Rechtsgevolgen bij weigering van een minnelijke betalingsregeling of bij niet-nakoming van debetalingsverplichting: verrekening en/of beslag

Lid 1

Indien een regeling niet wordt nagekomen wordt de schuldenaar aangemaand om tot betaling over te gaan conform de regels die hiervoor gelden in de Awb.

Lid 2

Deze verrekening kan met onmiddellijke ingang worden toegepast. Deze situatie zal zich minder vaak voordoen omdat er in het minnelijke traject al wordt overgegaan tot verrekening indien betrokkene een uitkering van ISD BOL ontvangt. Hoewel voor het overgaan tot verrekening geen ingebrekestelling nodig is, is het aan te bevelen wel een aanmaning te versturen en deze termijn af te wachten. Op deze wijze kan een dwangbevel worden uitgevaardigd zonder een nieuwe aanmaanprocedure indien de uitkering wordt beëindigd voordat de vordering volledig is verrekend. Mocht er sprake zijn van beslaglegging door een derde inclusief de belastingdienst, dan heeft verrekening de voorkeur, omdat het verrekende geen deel uitmaakt van de inkomsten van belanghebbende en dientengevolge niet voor beslag vatbaar is.

Lid 3

Is verrekening niet mogelijk, dan is gedwongen invordering slechts mogelijk op grond van een uitvoerbare titel: het dwangbevel. Het dwangbevel dient te worden uitgevaardigd (uitvoerbare titel) op grond van artikel 60 lid 2 Participatiewet / 28 lid 1 IOAW / artikel 5:10 Awb (boete) in samenhang met 4:117 Awb. Het dwangbevel dient te voldoen aan de vereisten in artikel 4:122 Awb.

Lid 4

Betekening van het dwangbevel vindt bij ISD BOL plaats middels een aangetekende brief.

De Participatiewet bepaalt dat het dwangbevel ook per post kan worden bezorgd. Omdat ter postbezorging inhoudt dat dit geschiedt via de concessiehouder en PostNL (voormalig TNT) momenteel de énige concessiehouder is, betekent dit dat het dwangbevel per PostNL bezorgd moet worden. Verzending gebeurt bij aangetekend schrijven. Voor het terugvorderingsbesluit geldt dit niet. Mocht de belanghebbende weigeren de aangetekende briefte aanvaarden c.q. op te halen bij het postkantoor, dan volgt toezending per normale post. Dit ter info voor de klant dan wel als "extra" service.

Lid 5

De in artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de Raad voor de Kinderbescherming toegekende bevoegdheid tot het leggen van vereenvoudigd derdenbeslag komt gelijkelijk toe aan het Dagelijks Bestuur. Dit is meestal de meest efficiënte manier om tot incasso over te gaan zodat van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt als dit mogelijk is.

Lid 6

Als verrekening of eenvoudig derdenbeslag niet mogelijk is, dient te worden bekeken of een derde moet worden ingeschakeld. Dit is meestal een deurwaarder of een incassobureau. Het kan zo zijn dat op korte termijn weer acties door de ISD BOL kunnen worden uitgezet omdat te verwachten is dat betrokkene weer inkomsten gaat ontvangen (WW aanvraag loopt of betrokkene zit in detentie). In dat geval wordt de incasso aangehouden. Indien het duidelijk is dat er geen acties mogelijk zijn maar inschakeling van een derde wel tot resultaat kan leiden, omdat er bijvoorbeeld vermogen is in de vorm van geld of goederen is overdracht van de incasso wenselijk. Overdracht kan plaatsvinden op grond van de richtlijnen, zoals genoemd in de vastgestelde separate werkinstructie 'Werkgroep inschakeling deurwaarder'.

Lid 7

ISD BOL brengt in het geval zij zelf het dwangbevel ten uitvoer legt geen kosten daarvoor in rekening.

Lid 8

Het vorige is niet van toepassing als de ten uitvoerlegging wordt overgedragen aan derden: bijvoorbeeld een deurwaarder of een incassobureau. Het kan niet zo zijn, dat de invorderingskosten en rente, die een derde in rekening brengt, ten koste gaan van de invordering van de hoofdsom van de schuld(en).

Lid 9

Door het instellen van bezwaar of beroep wordt de werking van een besluit terugvordering weliswaar niet geschorst, maar het is niet praktisch om in een dergelijk geval door te gaan met de invordering (gegrond verklaring van een bezwaar is immers mogelijk!). De opschorting duurt voort tot het besluit terugvordering rechtens onaantastbaar is. Van deze richtlijn kan gemotiveerd worden afgeweken.

 

Artikel 8 - Afzien van bevoegdheden als preferent schuldeiser en opschorting van debetalingsverplichting

Lid 1

Een voorbeeld voor een situatie, waarin handhaving van preferentie onevenredig negatieve gevolgen heeft voor de belanghebbende: als belanghebbende door handhaving van de preferentie niet in staat is de gemaakte betalingsafspraken na te komen in het kader van een huur- of energieschuld, indien deze niet het gevolg zijn van strafbaar handelen van de belanghebbende. Hetgeen tot huisuitzetting c.q. afsluiten van de nutsvoorzieningen kunnen leiden.

Lid 2

Naast afzien van preferentie moet het in bepaalde gevallen mogelijk zijn om de betalingsverplichting tijdelijk op te schorten.

 

Artikel 9 - Bevoegdheid tot kwijtschelding bij schulden

Lid 1

Hoewel er door het Dagelijks Bestuur met uitzondering van de gevallen zoals hier omschreven altijd wordt overgegaan tot terugvordering, kan er bij de invordering voor worden gekozen kwijtschelding toe te passen indien er een schuldsaneringstraject wordt opgestart. Het gaat hierbij om een traject dat niet onder het regime van de WSNP valt.

Hierbij dient er aan de voorwaarden die in dit lid worden vermeld te worden voldaan. Dat wil zeggen dat:

  • a.

    de schuldsanering noodzakelijk moet zijn en

  • b.

    duidelijk moet zijn dat de regeling niet tot stand komt zonder medewerking van de ISD BOL. Hierbij moet er op worden gelet dat vorderingen waarvoor pand of hypotheek is gevestigd niet in een saneringstraject worden ingebracht. De volledige aflossing is gewaarborgd, zodat dit niet in het belang van ISD BOL zou zijn.

  • c.

    het saneringsvoorstel moet zodanig zijn dat het aflossingsbedrag dat wordt voorgesteld redelijk is ten opzichte van hetgeen andere schuldeisers wordt geboden.

  • d.

    ten slotte wordt in beginsel niet akkoord gegaan met een minnelijk schuldsaneringstraject indien er sprake is van vorderingen als bedoeld in artikel 12 van deze beleidsregels. Dit zijn vorderingen waarvoor een pand of hypotheekrecht bestaat, zie verder de toelichting bij dit artikel. Daarnaast wordt niet akkoord gegaan als er sprake is van vorderingen in verband met fraude waarvoor geen bestuurlijke boete is opgelegd en geen aangifte is gedaan op grond van het Wetboek van Strafrecht en boetevorderingen.

Er dient in beginsel maximaal te worden teruggevorderd. Echter gelet op de beperkingen qua invordering die er in de praktijk nu eenmaal zijn moet ook hier gemotiveerd afwijken mogelijk zijn. Indien er sprake is van een vordering in verband met schending van de inlichtingenplicht waarvoor een boete is opgelegd dan wel aangifte is gedaan geldt het regime van artikel 60c Participatiewet / 29a IOAW en is meewerken aan een minnelijke schuldregeling in zijn geheel niet mogelijk.

Lid 2

In het tweede lid van dit artikel wordt de verplichting opgenomen dat niet tot kwijtschelding kan worden besloten indien er geen schuldregeling (of vergelijkbaar besluit) tot stand gekomen is dan wel het traject niet succesvol wordt doorlopen. Aan het begin van het traject wordt derhalve kwijtschelding verleend onder voorwaarde dat het traject succesvol wordt doorlopen. De definitieve kwijtschelding vindt pas plaats nadat het traject afgelopen is.

Lid 3

Indien er een WSNP regeling wordt opgestart volgt de ISD BOL de wettelijke regels. Hiervoor zijn geen beleidsregels nodig.

 

Artikel 10 - Intrekkings- en wijzigingsgronden van het kwijtscheldingsbesluit

In dit artikel wordt, in afwijking van het vorige artikel, geregeld dat die kwijtschelding wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende wordt gewijzigd indien de belanghebbende zijn betalingsverplichting volgens de kwijtscheldingsregeling niet nakomt. Er wordt niet voldaan aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 10 lid 1 van deze beleidsregels. Bovendien wordt het eerder genomen kwijtscheldingsbesluit ingetrokken of gewijzigd indien de belanghebbende zijn informatieplicht dermate slecht is nagekomen dat, als hij die wel goed zou zijn nagekomen, een ander besluit zou zijn genomen.

 

Artikel 11 - Kwijtschelden of buiten invordering stellen van de vordering in overige gevallen

Lid 1

Sedert de invoering van de WWB 2013 geeft de wet weer een kader ter beoordeling van het buiten invordering stellen van vorderingen. Deze zijn in de participatiewet opgenomen in artikel 58 lid 7 en in de IOAW in artikel 25 lid 6. Dit kader geldt voor de vorderingen op grond van artikel 58 lid 1 Participatiewet / artikel 25 lid 1 IOAW. Van de mogelijkheid om fraudevorderingen na 10 jaar buiten invordering te stellen dient gebruik te worden gemaakt. De voorwaarden in dit artikel garanderen dat er voldoende inspanningen moeten worden geleverd voor er buiten invordering kan worden gesteld. De realiteit is echter dat vorderingen vaak niet geheel kunnen worden geïncasseerd. Op deze wijze kan op enig moment een punt worden gezet wat betreft incasso.

Lid 2

Voor overige vorderingen geldt een termijn van 5 jaar, daar het hier geen fraude betreft is deze kortere termijn alleszins redelijk.

Lid 3

Bij de individuele beoordeling kan rekening worden gehouden met specifieke zaken zoals de ontstaansgrond van de vordering, de regelmaat van aflossing, de aflossingstermijn in relatie tot de financiële draagkracht, het reeds afgeloste bedrag in relatie tot de hoofdsom, niet financiële omstandigheden van belanghebbende, relatie tot handhaving. Dit zijn aanknopingspunten, voor de beoordeling is niet nodig dat deze allemaal worden nagelopen, een duidelijke motivering is voldoende.

Lid 5

In alle gevallen akkoord gaan met het voorstel van de KBL, omdat KBL deze klanten reeds uitvoerig heeft gescreend en beoordeeld of deze voor een schuldsaneringskrediet in aanmerking komen. Uitgaan van de deskundigheid en professionaliteit van de KBL.

We realiseren ons dat we met deze beleidsregel rechtstreeks ingaan tegen de aanwijzing van de minister voor wat betreft fraudevorderingen. Die gaat er, n.a.v. rechterlijke uitspraken en daar op volgende kamervragen van uit dat gemeente bij fraudevorderingen nooit akkoord gaan met een saneringsvoorstel tegen finale kwijting i.v.m. de harde formulering in de PW.

In werkafspraken is aangegeven dat “de maximale regelruimte hiertoe bij de medewerkers ligt”,

 

Artikel 12 - Afzien van kwijtschelding

Indien sprake is van een zekerheidsstelling door pand of hypotheek, vindt geen kwijtschelding van de vordering plaats. Het afzien van kwijtschelding heeft daarbij alles te maken met de over het algemeen lange termijn tot aflossingen van deze vordering en met de zekerheid waarvoor wordt gekozen om de vordering zeker te stellen. Enkel indien duidelijk is dat het zekerheidsrecht de vordering niet dekt kan voor dit ongedekte gedeelte wel worden gekozen voor kwijtschelding.

 

Artikel 13 - Heronderzoeken

Ter bewaking van openstaande vorderingen dienen zaken te worden geregeld. Dit kan vaak door middel van de gebruikte database (GWS). Via aanmaanprocedures en query's vindt een groot deel van de bewaking plaats. Voor het overige dient een heronderzoeksplan te worden vastgesteld. Omdat op dit gebied ontwikkelingen zich snel opvolgen is het wenselijk dat een dergelijk plan niet in de beleidsregels wordt opgenomen maar als een instructie wordt vastgesteld.

 

Hoofdstuk 3 Verhaal Deel I

Algemeen

In 2011 heeft een ingrijpende wijziging plaatsgevonden op het gebied van uitvoering van verhaal. Tot die tijd vond enkel verhaal met betrekking tot minderjarige kinderen, nalatenschap en schenking plaats en was dit beperkt. Vanaf 1 januari 2011 zijn de uitvoerings-/beleidsregels aangescherpt en vindt verhaal van kosten van bijstand zo maximaal mogelijk plaats. Er is gekozen voor een overgangsregeling waarbij mensen voor wie verhaal reeds aan de orde was op 1 januari 2011 het oude regime houden, dit is omschreven in VERHAAL DEEL 1. Voor zaken die na 1 januari 2011 zijn opgestart gelden de uitgebreidere regels zoals omschreven in VERHAAL DEEL 2.

 

Artikel 14 - Bevoegdheid tot het verhalen van bijstand

De artikelen 61 tot en met 62i Participatiewet zijn zogeheten 'kan-bepalingen'. Verhaal is derhalve een bevoegdheid van het college en - anders dan onder de Abw - niet een verplichting. Om geen misverstand te laten bestaan over wanneer bijstand moet worden verhaald, is de hoofdregel dwingend geformuleerd. Dit laat onverlet dat het Dagelijks Bestuur ambtshalve gehouden is bij toepassing van de beleidsregels, rekening te houden met haar inherente afwijkingsbevoegdheid op grond van artikel 4:84 Awb en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ook artikel 33 van deze beleidsregels (hardheidsclausule) kan een rol spelen.

 

Artikel 15 - Afzien van verhaal

Lid 1

Er wordt van verhaal afgezien indien het verhaalsbedrag lager is dan € 50,- per maand of € 600,- per jaar.

Lid 2

ISD BOL ziet af van verhaal ten behoeve van ten laste komende kinderen voor zover de totaal berekende verhaalsbijdrage meer bedraagt dan € 135,- per maand per kind.

ISD BOL stelt de verhaalsbijdrage ten behoeve van een minderjarig kind vast op maximaal € 135,- per kind.

Lid 3 en 4

Er dient te worden afgezien van verhaal ten behoeve van de ex-partner c.q. het meerderjarige kind.

Lid 5

Er kan worden afgezien van verhaal indien het bedrag lager is dan € 500,- per jaar. De keuze voor deze beperkingen is ingegeven door redenen van doelmatigheid c.q. een kosten-batenanalyse. Let op: conform deze beleidsregels wordt afgezien van het nemen van een verhaalsbesluit. Dat is iets wezenlijks anders dan het afzien van verhaal in rechte. Bij dat laatste is wel een verhaalsbesluit genomen, maar wordt vervolgens geen procedure aanhangig gemaakt bij de rechter indien de belanghebbende nalaat tot betaling over te gaan.

Lid 6

Het gaat hierbij om situaties waarbij de onderhoudsplichtige bijvoorbeeld over de grens woont. Wel adres en eventueel inkomen bekend maar geen mogelijkheid om feitelijk te innen bij weigerachtige betaling. In die gevallen kan worden afgezien van verhaal, net zoals bij zelfstandige ondernemers waarbij zich soortgelijke problemen kunnen voordoen. Uitgangspunt hierbij is dat men pas achteraf gaat afzien. Niet al op voorhand afzien van maar gewoon aanschrijven en kijken of ze (mogelijk toch) de opgelegde verplichtingen nakomen.

Lid 7

ISD BOL kan geheel of gedeeltelijk van verhaal afzien indien daarvoor, gelet op de omstandigheden van degene op wie verhaal wordt of degene die de bijstand ontvangt of heeft ontvangen, dringende redenen aanwezig zijn. In het algemeen kan er sprake zijn van dringende redenen indien bepaalde feiten ertoe nopen om af te zien van verhaal ter bescherming van lijf en geest van de belanghebbende. Uit de aard der zaak kan een dringende reden nimmer financieel van aard zijn: indien de onderhoudsplichtige niet in staat is om bij te dragen in de bijstandskosten is verhaal (tijdelijk) wegens het ontbreken van draagkracht niet mogelijk.

 

Artikel 16 - Hoogte verhaalsbijdrage en ingangsdatum

Bij vaststelling van de hoogte van de verhaalsbijdrage wordt rekening gehouden met de nettotremanormen. In het kader van de rechtszekerheid is bepaald om de (mogelijke) ingangsdatum van de verhaalsbijdrage te bepalen op de eerste van de maand volgend op de datum van eerste aanschrijving van belanghebbende.

 

Artikel 17 - Verhaal in rechte

In dit artikel is de hoofdregel bepaald dat verhaal in rechte wordt toegepast indien degene op wie wordt verhaald de door ISD BOL vastgestelde verhaalsbijdrage niet voldoet. Om doelmatigheidsredenen kan hiervan worden afgezien. Het verzoekschrift ziet uitsluitend op een periode van maximaal 6 maanden terug.

 

Artikel 18 - Invordering van door de rechter vastgestelde verhaalbare kosten van bijstand

Lid 1

Door de Rechtbank vastgestelde alimentatie laten innen via het LBIO. Hiervoor dient door cliënt een cessie-overeenkomst te worden getekend.

Lid 2

Invordering van bij de Rechtbank vastgestelde alimentatie conform artikel 62b Participatiewet wordt zelden toegepast. Het heeft de voorkeur dat de cliënt zelf het LBIO inschakelt en de inkomsten cedeert. Zo blijft de verantwoordelijkheid voor de voorliggende voorziening bij de klant en worden problemen voorkomen voor het geval de uitkering wordt beëindigd en er nog achterstanden zijn. Slechts indien dit om praktische redenen onmogelijk of onwenselijk is wordt in specifieke gevallen gebruik gemaakt van artikel 62b WWB.

Lid 3

De beschikking op grond van dit artikel heeft als gevolg van de 4 e tranche Awb geen executoriale titel meer. Daarnaast is van belang dat dit één van de weinige bepalingen is waarin een betalingstermijn van 30 dagen moet worden aangehouden in afwijking van de algemene regels van de Awb.

Lid 4 en 5

Het vierde lid spreekt voor zich. In het vijfde lid wordt aangegeven dat indien geen gevolg wordt gegeven aan de aanmaning, terstond wordt overgegaan tot dwanginvordering. Dit is inherent aan het wezen van artikel 62b Participatiewet Er is reeds sprake van wanbetaling jegens de ex-echtgenoot. Artikel 62b neemt dan de invordering over, als men op basis van dit artikel in gebreke is, is een coulante houding niet meer aan de orde. Er dient te worden overgegaan tot dwanginvordering, via een dwangbevel en vereenvoudigd derdenbeslag of via een deurwaarder.

 

Artikel 19 - Indexering verhaalsbijdrage

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

 

Artikel 20 - Heronderzoeken

Met betrekking tot onderhoudsplichtigen, die € 135,- per kind per maand of meer voldoen, is heronderzoek vergeefse moeite. Slechts als belanghebbenden zelf aangeven dat zij de verhaalsbijdrage niet meer kunnen opbrengen is er aanleiding tot een (mutatie) onderzoek.

Ingeval onderhoudsplichtigen minder dan € 135,- per kind per maand bijdragen, dient minimaal eenmaal per drie jaar een heronderzoek ingesteld te worden naar de draagkracht van belanghebbende. Afhankelijk van de financiële en/of maatschappelijke situatie van belanghebbende kan er reden zijn om vaker een heronderzoek in te stellen.

De kans dat een onderhoudsplichtige met een WIA-uitkering snel weer inkomsten uit arbeid heeft, is klein. Het heeft in zo'n geval weinig zin om na een jaar weer een heronderzoek naar de draagkracht in te stellen.

 

Hoofdstuk 4 Verhaal Deel II

 

Algemeen

 

In de volgende hoofdstukken wordt het strengere verhaalsregime weergegeven dat geldt voor mensen die na 1 januari 2011 voor het eerst zijn aangeschreven.

 

Inkomensbeleid:

Inkomen uit alimentatie is een voorliggende voorziening voor de bijstand en op grond van artikel 15 lid 1 Participatiewet bestaat er geen recht op bijstand voor zover er een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening. Voorwaarde om met toepassing van artikel 15 lid 1 Participatiewet een verzoek om bijstand (gedeeltelijk) af te kunnen wijzen is volgens de CRvB dat de belanghebbende ook daadwerkelijk een beroep op de betreffende voorziening kan doen (zie CRvB 25-05-1999, nr. 97/10163 ABW en CRvB 25-04-2000, nr. 98/5173 NABW). De mogelijkheid om de onderhoudsgerechtigde te verplichten om de voorliggende voorziening in de vorm van alimentatie voor zichzelf of voor eventuele kinderen "binnen te halen" dient dan ook zo veel mogelijk te worden aangegrepen.

Toekenning van alimentatie door de Rechtbank heeft ook voor de onderhoudsgerechtigde zelf voordelen. Na beëindiging van de uitkering kan hij/zij immers blijven beschikken over de alimentatie als welkome aanvulling op het maandelijks inkomen.

In het inkomensbeleid is opgenomen dat de verplichting tot het vragen en incasseren van alimentatie met gebruik van artikel 55 Participatiewet zo veel mogelijk wordt toegepast.

 

Artikel 21 - Bevoegdheid tot het verhalen van bijstand

De artikelen 61 tot en met 62i Participatiewet zijn zogeheten 'kan-bepalingen'. Verhaal is derhalve een bevoegdheid van het College/Dagelijks Bestuur en -anders dan onder de Abw- niet een verplichting. Keerzijde van deze medaille is echter, dat het Ministerie van SZW wél verwacht, dat de uitkeringsinstantie zich inzet om zoveel mogelijk terugontvangsten uit verhaal te genereren, zeker als er op de afdelingen Werk en Inkomen sprake is van tekorten. De indruk dat er in verhouding te weinig terugontvangsten voor verhaal zijn, kan zelfs leiden tot kortingen op het budget. Om geen misverstand te laten bestaan over wanneer bijstand moet worden verhaald, is de hoofdregel dwingend geformuleerd: Het Dagelijks Bestuur maakt in alle gevallen gebruik van de bevoegdheid om uitkering te verhalen.

Dit laat onverlet dat het Dagelijks Bestuur ambtshalve gehouden is bij toepassing van de beleidsregels, rekening te houden met haar inherente afwijkingsbevoegdheid op grond van artikel 4:84 Awb en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ook artikel 5 (hardheidsclausule staat in artikel 15) van deze beleidsregels (hardheidsclausule) kan een rol spelen.

 

Artikel 22 - Verhaal op de onderhoudsplichtige (ex-)partner ten behoeve van deonderhoudsgerechtigde

De onderhoudsplicht ten aanzien van de ex-partner is beschreven in de artikelen 157 t/m 160 Boek 1 BW. Voorwaarde voor verhaal van uitkering op de onderhoudsplichtige (ex-) partner is, dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de bijstandsbehoefte van de onderhoudsgerechtigde en de verlating/scheiding.

Deze voorwaarde geldt niet voor toekenning van een onderhoudsbijdrage/alimentatie op grond van artikel 157 e.v. Boek 1 BW. Een door de Rechtbank toegekende (en ontvangen) alimentatie dient in mindering gebracht te worden op de uitkering.

Als onderhoudsplichtige (ex-)partner worden aangemerkt:

  • 1.

    De van de onderhoudsgerechtigde gescheiden levende echtgenoot/geregistreerde partner (M/V).

  • 2.

    De van tafel en bed gescheiden echtgenoot/geregistreerde partner(MA/).

  • 3.

    De van de onderhoudsgerechtigde gescheiden echtgenoot/geregistreerde partner (M/V).

  • Beperking onderhoudsplicht ten aanzien van de ex-partner.

    • a.

      Indien een huwelijk/partnerschap minder dan 5 jaar heeft geduurd en er zijn uit dit huwelijk geen kinderen geboren, dan eindigt de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na het verstrijken van een termijn, die gelijk is aan de duur van het huwelijk (artikel 157 lid 6 Boek 1 BW).

    • b.

      Als de rechter geen termijn heeft vastgesteld, eindigt de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na verstrijken van een termijn van 12 respectievelijk 5 jaar na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand (artikel 157 lid 4 Boekl BW).

    • c.

      Een verplichting van een gewezen echtgenoot/geregistreerd partner om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen eindigt, wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat, dan wel is gaan samenleven als waren zij gehuwd.

De onderhoudsplicht wordt vastgesteld naar draagkracht en tot maximaal het bedrag van de bruto verstrekte bijstand. Indien de onderhoudsplichtige over meer draagkracht beschikt dan de door de Rechtbank vastgestelde alimentatie, kan een aanvullende verhaalsbijdrage worden opgelegd.

 

Artikel 23 - Verhaal van uitkering ten behoeve van ten laste komende kinderen

De onderhoudsplicht ten aanzien van ten laste komende kinderen is beschreven in titel 17 van Boek 1 BW (artikelen 392 tot en met 07). De kring van mogelijke onderhoudsplichtigen is nogal ruim.

De vader:

  • -

    de biologische vader;

  • -

    de juridische vader: door erkenning/adoptie/geboorte staande huwelijk/bij toestemming tot verwekking door een derde.

De moeder:

  • -

    door geboorte;

  • -

    door adoptie.

Stiefouders.

Verhaal van uitkering, die ten behoeve van een ten laste komend kind wordt verstrekt, geschiedt naar draagkracht van de onderhoudsplichtige en tot maximaal de behoefte van het kind conform de Tremanormen, voor zover deze niet hoger is dan de bruto verstrekte bijstand.

De berekening van de onderhoudsbijdrage voor een ten laste komend kind is een soort 3-trapsraket:

  • 1.

    De behoefte van het kind wordt bepaald aan de hand van het gezinsinkomen tijdens het huwelijk, de leeftijd van het kind en het aantal kinderen, voor wie een onderhoudsbijdrage moet worden betaald (op te zoeken in de Trematabellen).

  • 2.

    Is de behoefte hoger dan de verstrekte uitkering, dan kan maximaal de verstrekte uitkering worden verhaald. Het maximale bedrag wordt in dat geval naar beneden bijgesteld.

  • 3.

    Wat is de draagkracht van belanghebbende. Nadat bepaald is wat de onderhoudsplichtige zou moeten betalen, wordt via de draagkracht bepaald wat hij/zij kan betalen.

De berekening van de draagkracht geschiedt volgens de Tremanormen (netto-rekenmethode).

 

Artikel 24 - Verhaal van uitkering ten behoeve van jongmeerderjarigen

De onderhoudsplicht ten aanzien van jongmeerderjarigen is beschreven in de artikelen 395a en 395b Boek 1 BW. Op grond van artikel 12 Participatiewet kan een jongmeerderjarige een beroep doen op aanvullende bijzondere bijstand. Deze situatie zal in de praktijk waarschijnlijk zelden voorkomen. Immers, voordat er een beroep kan worden gedaan op de aanvullende bijzondere bijstand dienen de ouders door de jongere al te worden aangesproken, dit blijkt uit artikel 12 onder a Participatiewet. Daarnaast zal de

jongmeerderjarige in het huidige regime vaak een onderdeel uitmaken van het gezin en als zodanig geen zelfstandig recht op aanvullende bijzondere bijstand hebben. Verhaal van bijstand ten behoeve van jongmeerderjarigen geschiedt naar draagkracht van de

onderhoudsplichtige(n) en tot maximaal het bedrag van de bruto aanvullende bijzondere bijstand voor levensonderhoud. De berekening van de draagkracht geschiedt volgens de Tremanormen (netto-rekenmethode).

 

Artikel 25 - Verhaal van uitkering bij schenking

Indien iemand vlak voordat hij/zij een beroep doet op bijstand (een deel van) zijn/haar vermogen aan een derde schenkt, zodat met dit vermogen bij vaststelling van het recht op uitkering geen rekening kan worden gehouden, kan ISD BOL de schenking verhalen op degene die de schenking heeft ontvangen. De omvang van het verhaal is het gehele bedrag, waarmee bij vaststelling van het recht op uitkering rekening gehouden had moeten worden (artikel 62f sub a Participatiewet). De redenering hierachter is, dat indien de cliënt had kunnen beschikken over het bedrag van de schenking, ISD BOL navenant minder uitkering had hoeven te verstrekken.

Als de cliënt duidelijk kan maken, dat hij/zij ten tijde van de schenking niet kon vermoeden, dat hij/zij een beroep op een uitkering zou moeten doen, is verhaal niet aan de orde.

 

Artikel 26 - Verhaal van uitkering op de nalatenschap

Indien na overlijden van een cliënt blijkt, dat hem/haar ten onrechte uitkering is verstrekt, dient het bedrag van de ten onrechte verstrekte uitkering te worden verhaald op de nalatenschap van de cliënt. En wel tot het volledige bedrag van de terugvordering.

De vordering ontstaat in dit geval na overlijden van de cliënt. Bijstand verleend in de vorm van een geldlening of als gevolg van borgtocht wordt eveneens verhaald op de nalatenschap.

In dat geval vindt verhaal plaats tot maximaal nog openstaande bedrag van de geldlening of het bedrag van de geëffectueerde borgtocht.

 

Artikel 27 - Afzien van verhaal om dringende redenen

Dit artikel komt qua inhoud overeen met artikel 15 lid 7 van deze beleidsregels en bepaalt dat ISD BOL geheel of gedeeltelijk van verhaal kan afzien indien daarvoor, gelet op de omstandigheden van degene op wie verhaald wordt of degene die de bijstand ontvangt of heeft ontvangen, dringende redenen aanwezig zijn.

In het algemeen kan slechts sprake zijn van dringende redenen indien bepaalde feiten ertoe nopen om af te zien van verhaal ter bescherming van lijf en geest van de belanghebbende. Uit de aard der zaak kan een dringende reden nimmer financieel van aard zijn: indien de onderhoudsplichtige niet in staat is om bij te dragen in de bijstandskosten is verhaal (tijdelijk) wegens het ontbreken van draagkracht niet mogelijk. en beslissing om af te zien van verhaal wordt uitvoerig gemotiveerd.

 

Artikel 28 - Vaststelling van het te verhalen bedrag

Lid 1

De vaststelling van de hoogte van de verhaalsbijdrage geschiedt op basis van de Tremanormen. Bij de berekening wordt uitgegaan van de netto-rekenmethode.

Tevens wordt rekening gehouden met de omstandigheden, die van belang zijn, als de rechter dient te beslissen of en tot welk bedrag een alimentatie na echtscheiding of ontbinding van het huwelijk moeten worden toegekend.

 

Lid 2

In beginsel wordt netto gerekend. Indien dit niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat betrokkene een zelfstandige is, wordt er gekozen voor een andere rekenmethode: normaalgesproken de bruto rekenmethode. Dit wordt in de rapportage gemotiveerd.

Lid 3

Een recente rechterlijke uitspraak wordt gevolgd indien er met de Tremanormen is gerekend. Er is een berekening gemaakt en dan dient de onderhoudsplichtige enige vorm van rechtszekerheid te hebben. Als in de afgelopen 6 maanden alimentatie is opgelegd moet de onderhoudsplichtige er op kunnen vertrouwen dat deze voorlopig niet wijzigt. De uitspraak wordt dan gedurende twee jaar gevolgd. Indien er sprake is van alimentatie op basis van onderlinge afspraak in bijvoorbeeld een echtscheidingsconvenant zonder Tremaberekening, wordt deze niet gevolgd.

Lid 4

In het kader van de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid is bepaald om de (mogelijke) ingangsdatum van de verhaalsbijdrage te bepalen op de eerste van de maand volgend op de datum van de eerste aanschrijving van belanghebbende. Als dat redelijk is, kan van deze regel gemotiveerd worden afgeweken.

 

Artikel 29 - Indienen verzoekschrift ten behoeve van verhaal in rechte

In dit artikel is de hoofdregel bepaald dat verhaal in rechte wordt toegepast indien degene op wie wordt verhaald de door ISD BOL vastgestelde verhaalsbijdrage niet voldoet. Om doelmatigheidsredenen kan hiervan worden afgezien. De afweging of het verzoek om vaststelling in rechte enige kans van slagen heeft wordt door de medewerker Terugvordering en Verhaal gemotiveerd gemaakt.

 

Artikel 30 - Verhaal op grond van artikel 62b Participatiewet

Lid 1

Het besluit tot invordering van bij de Rechtbank vastgestelde alimentatie conform artikel 62b

Participatiewet heeft als gevolg van de 4e tranche Awb geen executoriale titel meer. Verhaal op deze wijze wordt slechts bij hoge uitzondering toegepast. In beginsel is de klant zelf verantwoordelijk voor incasso van alimentatie. In het inkomensbeleid wordt/is opgenomen dat nieuwe klanten de verplichting wordt opgelegd zelf te incasseren, indien nodig via het LBIO en een cessie aan ISD BOL.

Lid 2 en 3

Dit zijn procedurevoorschriften. Een nadere toelichting is niet nodig.

Lid 4

Indien de onderhoudsplichtige zijn betalingsverplichting niet nakomt, wordt overgegaan tot

dwanginvordering. Hetzij door inschakeling van een deurwaarder, hetzij door een dwangbevel en vereenvoudigd derdenbeslag. Betrokkene was al in gebreke ten opzichte van de onderhoudsgerechtigde en dan ook ten opzichte van ISD BOL. Een coulante houding en het treffen van een betalingsregeling is niet meer aan de orde.

 

Artikel 31 - Indexering verhaalsbijdrage

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

 

Artikel 32 - Heronderzoeken

Afhankelijk van de financiële en/of maatschappelijke situatie van belanghebbende kan er reden zijn om vaker een heronderzoek in te stellen. Bijvoorbeeld minimaal eens per 3 jaar heronderzoek met de mogelijkheid om de periode in te korten, als dat nodig is. Zolang iemand het maximale bedrag volgens de geldende beleidsregels voldoet, hoeft er geen heronderzoek vastgesteld te worden.

Let op: volgens de tremanormen wijzigt de bijstandsbehoefte van kinderen jaarlijks (gevolg van stijgende leeftijd)! De afweging of en wanneer er een heronderzoek wordt ingesteld, wordt gemotiveerd door de medewerker Verhaal en Terugvordering gemaakt. Hiervoor is een notitie opgesteld die beschikbaar is in het handboek ISD BOL.

 

Hoofdstuk 5 Overige Bepalingen

 

Artikel 33 - Hardheidsclausule en onvoorziene omstandigheden

Indien de toepassing van deze beleidsregels tot onbillijkheden leidt, kan het Dagelijks Bestuur ten gunste van de belanghebbende afwijken van deze bepalingen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan situaties waarbij de terugvordering een belemmering vormt voor de re-integratie.

Overigens laat dit artikel de werking van artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de individualiseringsbepalingen van de Participatiewet onverlet.

 

Artikel 34 - Citeertitel

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

 

Artikel 35 - Inwerkingtreding, overgangsrecht, vervallen bestaande regels

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.