Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Korendijk

De Re-integratieverordening Participatiewet WIHW 2017

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieKorendijk
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingDe Re-integratieverordening Participatiewet WIHW 2017
CiteertitelRe-integratieverordening Participatiewet WIHW 2017
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Participatiewet, artikel 6

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-11-201701-01-2017nieuwe regeling

12-09-2017

Gemeenteblad 2017, 188872

KDK/07538

Tekst van de regeling

Intitulé

De Re-integratieverordening Participatiewet WIHW 2017

 

 

De Re-integratieverordening Participatiewet WIHW 2017

Nummer: KDK/07538/i.06565

 

De raad van de gemeente Korendijk;

 

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 8 augustus 2017, inzake de Re-integratieverordening Participatiewet WIHW 2017;

 

gelet op artikel 6, tweede lid van de Participatiewet;

 

overwegende dat het noodzakelijk is om regels met betrekking tot de re-integratie bij verordening vast te leggen;

 

besluitvast te stellen:

 

De Re-integratieverordening Participatiewet WIHW 2017

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

 

Artikel 1. Begrippen

  • 1.

    In deze verordening wordt verstaan onder:

    • -

      het college: het college van Burgemeester en Wethouders van Korendijk;

    • -

      doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet;

    • -

      grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar;

    • -

      korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar;

    • -

      wet: Participatiewet.

Artikel 2. Verplichtingen van de persoon uit de doelgroep

  • 1.

    Een persoon uit de doelgroep die deelneemt aan een voorziening is gehouden te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de Ioaw, de Ioaz en de Wet Structuur Uitvoering Werk en Inkomen, deze verordening, alsmede aan de verplichtingen die aan de aangeboden voorziening zijn verbonden.

  • 2.

    Indien een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een voorziening, niet voldoet aan het gestelde in het eerste lid, kan het college de uitkering verlagen, conform hetgeen hierover is bepaald in de Afstemmingsverordening Participatiewet WIHW 2016.

  • 3.

    Indien een persoon uit de doelgroep, niet zijnde een uitkeringsgerechtigde, die gebruik maakt van een voorziening, verwijtbaar niet voldoet aan het gestelde in het eerste lid, kunnen de gemaakte kosten van het traject of de voorziening(en) bij deze persoon uit de doelgroep in rekening worden gebracht.

  • 4.

    Om een betere afweging te kunnen maken omtrent de voorziening die het meest geschikt is, kan de persoon uit de doelgroep, niet zijnde een uitkeringsgerechtigde, verplicht worden mee te werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden van de persoon uit de doelgroep op de arbeidsmarkt.

Hoofdstuk 2 Beleid en financiën

Artikel 3. Evenwichtige verdeling en financiering

  • 1.

    Het college kan de voorziening, bedoeld in artikel 9 en 10 aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een korte afstand tot de arbeidsmarkt.

  • 2.

    Het college kan de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 7, 8, 9 en 10, aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt.

  • 3.

    Het college biedt aan de persoon uit de doelgroep ondersteuning bij de arbeidsinschakeling aan en, voor zover het college dat noodzakelijk acht, een voorziening gericht op die arbeidsinschakeling.

  • 4.

    Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden van voorzieningen wordt door het college een afweging gemaakt, waarbij gekeken wordt of de ondersteuning of de voorziening, gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van de persoon uit de doelgroep, het meest doelmatig is met het oog op inschakeling in het arbeidsproces.

  • 5.

    Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan:

    • a.

      de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en

    • b.

      de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.

Artikel 4. Budgetplafonds

  • 1.

    Het college kan een of meer budgetplafonds vaststellen voor de verschillende

    voorzieningen. Een door het college ingesteld budgetplafond vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke voorziening.

  • 2.

    Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.

Hoofdstuk 3 Voorzieningen

Artikel 5. Algemene bepalingen over voorzieningen

  • 1.

    Het college kan ten aanzien van de voorzieningen, met inachtneming van hetgeen daarover in de wet en deze verordening is bepaald, nadere regels stellen. Deze regels kunnen betrekking hebben op:

    • a.

      de voorwaarden waaronder een voorziening wordt aangeboden;

    • b.

      de weigeringsgronden bij het aanvragen van voorzieningen;

    • c.

      de aanvraag van en de besluitvorming over loonkostensubsidies;

    • d.

      de betaling van subsidies en het verlenen van voorschotten;

    • e.

      de intrekking of wijziging van de beschikking inzake de subsidieverlening of – vaststelling;

    • f.

      het vragen van een eigen bijdrage;

    • g.

      overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en het verstrekken van subsidies.

  • 2.

    Het college kan een voorziening beëindigen als:

    • a.

      de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting, als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, niet nakomt;

    • b.

      de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep;

    • c.

      de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de wet;

    • d.

      naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;

    • e.

      de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening;

    • f.

      de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening;

    • g.

      de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.

Artikel 6. Incidentele loonkostensubsidie

  • 1.

    Het college kan subsidie (anders dan de loonkostensubsidie zoals bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet) verstrekken aan werkgevers die met een persoon uit de doelgroep een arbeidsovereenkomst sluiten.

  • 2.

    Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van de duur en de hoogte van de subsidie en ten aanzien van de verplichtingen die aan de subsidie worden verbonden.

  • 3.

    De subsidie wordt alleen verstrekt indien hierdoor de concurrentieverhoudingen niet

    onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing van reguliere arbeid plaatsvindt.

Artikel 7. Werkervaringsplaats

  • 1.

    Het college kan een persoon een werkervaringsplaats aanbieden als deze:

    • a.

      behoort tot de doelgroep, en

    • b.

      het doel van werkervaringsplaats is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie.

  • 2.

    Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.

  • 3.

    In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt;

    • b.

      het doel van de werkervaringsplaats en

    • c.

      de duur van de werkervaringsplaats.

Artikel 8. Persoonlijke ondersteuning en nazorg

  • 1.

    Het college kan aan een persoon, die behoort tot de doelgroep, persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon opgedragen taken aanbieden, in de vorm van structurele begeleiding, als hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem opgedragen taken te verrichten.

  • 2.

    Het college kan aan de werkgever, waarbij een uitkeringsgerechtigde algemeen geaccepteerde arbeid heeft aanvaard, gedurende maximaal de periode van zes maanden, een voorziening bieden gericht op het in stand houden van de dienstbetrekking.

Artikel 9. Premie

  • 1.

    Het college kan aan personen uit de doelgroep een premie in het kader van arbeidsinschakeling toekennen.

  • 2.

    Het college kan nadere regels stellen over de hoogte alsmede de voorwaarden waaronder een premie, zoals bedoeld in het eerste lid, wordt verstrekt.

  • 3.

    Dit artikel treed in werking op een door het college nader te bepalen datum.

Artikel 10 Overige vergoedingen

  • 1.

    Het college kan een vergoeding verstrekken voor noodzakelijke kosten, die gemaakt zijn in het kader van de arbeidsinschakeling.

  • 2.

    Geen aanspraak op de in het eerste lid genoemde vergoeding bestaat ,indien een beroep gedaan kan worden op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, geacht wordt voor een persoon uit de doelgroep toereikend en passend te zijn.

Artikel 11. Scholing

  • 1.

    Het college kan een persoon, die behoort tot de doelgroep, een scholingstraject aanbieden indien:

    • a.

      dit de kansen op de arbeidsmarkt vergroot;

    • b.

      er voor deze persoon geen mogelijkheid is tot het volgen van ’s Rijks kas bekostigd onderwijs;

    • c.

      het is afgestemd op de kwaliteiten en capaciteiten van de persoon behorende tot de doelgroep;

    • d.

      het college kan met betrekking tot dit artikel nadere regels stellen.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op personen, als bedoeld in artikel 7, derde lid, aanhef en onder a, van de wet.

Artikel 12. Participatievoorziening beschut werk

  • 1.

    Het college biedt de voorziening beschut werk alleen aan, indien door het UWV beoordeeld is, dat de persoon uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.

  • 2.

    Het aantal jaarlijks te realiseren dienstbetrekkingen is in beginsel beperkt tot het aantal, dat bij ministeriële regeling is vastgesteld.

  • 3.

    De datum van het (positief) advies van het UWV is bepalend voor de volgorde van het aanbod van de voorziening beschut werk.

  • 4.

    Wanneer het aantal (positieve) adviezen van het UWV het in enig jaar te realiseren aantal dienstbetrekkingen overtreft, kan het college, in overleg met betrokkene(n), een andere voorziening uit deze verordening inzetten, tot het moment dat de dienstbetrekking aanvangt.

  • 5.

    Om de in artikel 10b, lid 1 van de wet bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken en te laten voortduren, zet het college, waar nodig, de volgende voorzieningen in:

    • -

      proefplaatsing voorafgaand aan het dienstverband;

    • -

      fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving;

    • -

      persoonlijke ondersteuning, zoals bedoeld in artikel 8 van deze verordening;

    • -

      no-riskpolis.

  • 6.

    Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de uitvoering van de participatievoorziening beschut werk.

Artikel 13. Participatieplaats

  • 1.

    Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder, met recht op algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet, onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten.

  • 2.

    Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden gericht op de arbeidsinschakeling worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst. De werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten ondertekenen de overeenkomst met een maximale looptijd van 2 jaar.

  • 3.

    De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt € 100,- per zes maanden, als voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. Artikel 14. Sociale activering Het college kan een persoon ,die behoort tot de doelgroep, activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering, voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening.

  • 1.

    Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon.

Artikel 15. Proefplaatsing

  • 1.

    Indien een werkgever het voornemen heeft om een persoon uit de doelgroep in dienst te nemen, kan er voorafgaand aan de arbeidsovereenkomst een proefplaatsing, met behoud van uitkering, worden ingezet.

  • 2.

    De proefplaatsing dient zo kort als mogelijk, doch maximaal 2 maanden, te worden ingezet.

Hoofdstuk 4 Slotbepalingen

Artikel 16. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de persoon uit de doelgroep afwijken van de bepalingen bij of krachtens deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 17. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie en heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2017.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening Participatiewet WIHW 2017.

  • 3.

    Met de inwerkingtreding van deze verordening wordt de Re-integratieverordening Participatiewet WIHW 2016, zoals vastgesteld op 16 februari 2016 ingetrokken.

  • 4.

    De tijdens de Re-integratieverordening Participatiewet WIHW 2016 in gang gezette re- integratievoorzieningen worden voortgezet en afgerond overeenkomstig de daarbij behorende overeenkomst en/of trajectplan.

  • 5.

    Vanaf 1 januari 2017 tot aan de publicatiedatum van deze verordening geldt,

    met betrekking tot de mogelijkheid van premies, het gestelde in de Re- integratieverordening Participatiewet WIHW 2016.

Besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Korendijk

d.d. 12 september 2017.

de loco griffier, de voorzitter,

K.K. Uitterlinden drs. S. Stoop

Toelichting

Algemeen

Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de aard van de opdracht die is gekregen, te weten het bij verordening regels stellen, waarin het beleid ten aanzien van haar re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van gedetailleerde regels, die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers, re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is. Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte voorziening binnen de kaders van de re-integratieverordening. Daarom is ervoor gekozen in de verordening de voorzieningen vast te leggen die het college in ieder geval kan aanbieden.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1. Begrippen

Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.

DoelgroepDe doelgroep wordt gevormd door personen, zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Participatiewet. Het betreft:

  • -

    personen, die algemene bijstand ontvangen;

  • -

    personen, als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid onderdelen b en c, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), artikel 35, vierde lid, onderdelen b en c, van de WIA en artikel 36, derde lid, onderdelen b en c, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren tenminste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is verleend;

  • -

    personen, als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Participatiewet;

  • -

    personen met een nabestaanden- of wezen uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW);

  • -

    personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk - personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ);

  • -

    personen zonder uitkering en, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het college aangeboden voorziening.

Artikel 2. Verplichtingen van de persoon uit de doelgroep

In de wet is al uitgebreid aangegeven welke verplichtingen gelden bij het recht op een uitkering. Wederom uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie zijn in het eerste lid de verplichtingen conform de wet geformuleerd.

Het tweede lid biedt de verbinding met de Afstemmingsverordening Participatiewet. Deze verordening regelt het opleggen van een maatregel indien de uitkeringsgerechtigde niet aan zijn verplichtingen voldoet.

Echter, voor personen zonder uitkering, Anw-ers en personen in gesubsidieerde arbeid kan de uitkering niet worden verlaagd als maatregel. Daarom is in het derde lid de mogelijkheid opgenomen dat in die gevallen (een deel van) de kosten die gemaakt zijn terug kan worden gevorderd. Daartoe is het noodzakelijk dat afspraken hierover schriftelijk wordt vastgelegd.

Het college kan een persoon uit de doelgroep verplichten mee te werken aan een onderzoek naar diens mogelijkheden en beperkingen, teneinde de juiste voorziening aan te bieden en/of subsidie vast te stellen. Uit het belastbaarheidsonderzoek en/of medisch onderzoek kan tevens een gedeeltelijke of gehele ontheffing van de arbeidsplicht volgen.  

Artikel 3. Evenwichtige verdeling en financiering

Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet moet in de verordening de verdeling van de voorzieningen over personen, waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden en de functionele beperkingen van die personen, worden vermeld. Hierin ligt besloten dat ook rekening wordt gehouden met de omstandigheden en functionele beperkingen van personen met een handicap. Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen, beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. In dit artikel is aan het voorgaande uitvoering gegeven, door specifieke voorzieningen aan te bieden aan personen met een korte of een lange afstand tot de arbeidsmarkt.

Rekening houden met omstandigheden en beperkingen

Het college houdt bij het inzetten van een voorziening niet alleen rekening met de afstand tot de arbeidsmarkt. Het college moet bij de inzet van de voorzieningen ook rekening houden met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. In het vijfde lid is opgenomen waarmee het college in ieder geval rekening moet houden.

Artikel 4. Subsidie- en budgetplafonds

Bij dit artikel wordt uitgegaan van de bevoegdheid van het college om plafonds in te stellen. Een mogelijkheid is dat bij de vaststelling van de plafonds wordt verwezen naar de bedragen die in het beleidsplan of in de begroting voor de verschillende voorzieningen worden gereserveerd.

Om de financiële risico’s te beheersen, kan een verdeling worden gemaakt van de middelen over de verschillende voorzieningen. Het uitgeput zijn van begrotingsposten kan echter nooit een reden zijn om aanvragen voor voorzieningen te weigeren. Om dat wel mogelijk te maken kan het college bij verordening subsidie- en budgetplafonds instellen.

De wet stelt dat het ontbreken van financiële middelen alleen geen reden kan zijn voor de afwijzing van een aanvraag. Er dient te worden nagegaan welke andere, goedkopere alternatieven er beschikbaar zijn. Dit houdt dus in dat er geen algemeen plafond ingesteld kan worden. Wat wel kan is dat per voorziening een plafond wordt ingebouwd; dit laat de mogelijkheid open dat er naar een ander instrument of vorm van ondersteuning wordt uitgeweken.

Een budgetplafond geldt voor de overige uitgaven die het college doet in het kader van voorzieningen. Een subsidieplafond geldt voor voorzieningen die subsidies inhouden, zoals de loonkostensubsidie. Een subsidieplafond dient wel bekendgemaakt te worden vóór de periode waarvoor deze geldt (art. 4:27 lid 1 Awb).

Artikel 5. Algemene bepalingen over voorzieningen

De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de arbeidsin-schakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk).

Beëindiginggronden

Het tweede lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in welke gevallen het dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositie-regeling in acht te worden genomen.

Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in artikel 5, tweede lid, van deze verordening. Een voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon zoals bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, 35, vierde lid, onderdelen b en c en 36, derde lid, onderdelen b en c, van de WIA. Voor deze doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden gedurende twee aaneengesloten jaren, waarbij het verdiende loon ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie is verstrekt.

De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde, noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd. Terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 6. (incidentele) Loonkostensubsidie

Voor het verstrekken van subsidies is een wettelijke basis in een verordening vereist. Daarin is, in lijn met het procedurele karakter van deze verordening, alleen het minimale geregeld. De nadere regelgeving wordt vastgesteld door het college. De gemeente dient bij het verlenen van een subsidie rekening te houden met de EU-regelgeving rond staatssteun. Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de arbeidsinschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld dat alle voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier werk te helpen.

De in dit artikel opgenomen loonkostensubsidie is niet noodzakelijk gericht op personen met een arbeidsbeperking, maar ondersteunt personen met een afstand tot de arbeidsmarkt. De in dit artikel geregelde loonkostensubsidie moet dus worden onderscheiden van de loonkostensubsidie zoals bedoeld in de artikelen 10c en 10d van de Participatiewet. De laatstgenoemde loonkostensubsidie is geïntroduceerd in de Participatiewet door de Invoeringswet Participatiewet en is specifiek bedoeld voor personen met een arbeidsbeperking. Dit is neergelegd in de verordeningloonkosten-subsidie Participatiewet WIHW. Het gaat hier dus niet om de loonkostensubsidie die verstrekt kan worden aan personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van een wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben (artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet).

Artikel 7. Werkervaringsplaats

Een werkervaringsplaats onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst. Bij een beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst toetst de rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst: persoonlijk verrichten van arbeid, loon en gezagsverhouding. Daarbij wordt gekeken naar een aantal aspecten zoals de bedoeling van de partijen en wat al dan niet schriftelijk is overeengekomen. De rechter besteedt vooral aandacht aan de feitelijke invulling van de overeenkomst.

Werkstage is gericht op uitbreiden kennis en ervaring De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij werkervaringsplaatsen weliswaar sprake is van het persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een werkstage in de regel geen sprake van beloning. Terughoudend zijn met het verstrekken van een gerichte stagevergoeding ligt daarom voor de hand. Er kan wel een onkostenvergoeding worden gegeven, mits er daadwerkelijk sprake is van een vergoeding van gemaakte kosten.

Doelgroep aanbieden werkstage Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een werkervaringsplaats aanbieden voor zover hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Van langdurige werkloosheid is sprake als een persoon gedurende twaalf aaneengesloten maanden of langer is aangewezen geweest op een uitkering. In een dergelijk geval kan sprake zijn van een afstand tot de arbeidsmarkt, maar dit hoeft niet altijd het geval te zijn.

Geen verdringing

In het tweede lid is bepaald dat de werkstage uitsluitend wordt verstrekt als er geen verdringing van de arbeidsmarkt plaatsvindt.

Opstellen schriftelijke overeenkomst

In het derde lid is bepaald dat voor de werkervaringsplaats een schriftelijke overeenkomst wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel van de stage worden opgenomen, evenals de wijze van begeleiding. Door deze schriftelijke overeenkomst kan nog eens worden gewaarborgd dat het bij een werkstage niet gaat om een reguliere arbeidsverhouding.

Artikel 8. Persoonlijke ondersteuning en nazorg

In artikel 10 eerste lid Participatiewet wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid. Het gaat dan om een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste tijden en gedurende een langere periode de werknemer met beperkingen bij het verrichten van zijn taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een systematische ondersteuning. Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via een dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn.

In het tweede lid wordt het bieden van nazorg mogelijk gemaakt. Het is belangrijk ervoor te zorgen dat personen uit de doelgroepen na uitstroom niet na een korte periode terugvallen in de uitkering.

Artikel 9. Premie

In de Participatiewet is geregeld dat een premie, die in het kader van de arbeidsinscha-keling wordt verstrekt, vrijgelaten kan worden (artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet). Voor personen jonger dan 27 jaar is deze premie niet vrijgelaten (artikel 31, vijfde lid, van de Participatiewet).

In beleidsregels kan worden vastgelegd welke premies dit betreft, de hoogte van de premie en de voorwaarden waaraan moet worden voldaan.

Artikel 10. Overige vergoedingen

Het is denkbaar dat de gemeente, ter stimulering van de arbeidsinschakeling, besluit diverse kosten te vergoeden voor activiteiten die daaraan bijdragen. et kan hierbij gaan om de volgende kosten:

  • a.

    Verhuiskosten;

  • b.

    Reiskosten;

  • c.

    Kosten voor kinderopvang;

  • d.

    Kosten van werkaanvaarding.

Artikel 11. Scholing

Jongeren Personen jonger dan 27 jaar, die nog mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks kas bekostigde onderwijs, kunnen sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling (artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Participatiewet).

Scholing in combinatie met participatieplaats Wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats niet over een startkwalificatie beschikt, dient aan deze persoon scholing of opleiding te worden aangeboden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van de werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn gericht zijn vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Er hoeft aan een persoon alleen geen scholing of opleiding te worden aangeboden, als dergelijke scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van de persoon te boven gaan, of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van de persoon. Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet.

Artikel 12. Participatievoorziening beschut werk

Het college biedt ambtshalve, of op verzoek, de voorziening beschut werk aan, aan een persoon van wie is vastgesteld dat deze alleen in een beschutte omgeving, onder aangepaste omstandigheden, mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en deze persoon behoort tot de doelgroep van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet, of een persoon is aan wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) een uitkering verstrekt (eerste lid). Het college is verplicht om iemand de voorziening beschut werk aan te bieden, wanneer die persoon daarop aangewezen is (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet). Deze verplichting geldt alleen voor het door het Rijk vastgestelde aantal beschut werkplekken (artikel 10b, zesde lid, van de Participatiewet).

In deze verordening is verder vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling ingezet worden tot het moment dat de dienstbetrekking beschut werk aanvangt (vierde lid) en om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (zesde lid).

Vaststelling doelgroep

Om vast te stellen of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort, vraagt het college een advies aan het UWV. Het UWV beoordeelt op basis van landelijke criteria of een persoon behoort tot de doelgroep beschut werk en adviseert het college hierover.

Een persoon, die denkt voor beschut werk in aanmerking te komen, kan ook zelf bij het UWV een verzoek tot beoordeling - of hij tot de doelgroep behoort - indienen. Een zelfstandig verzoek kan alleen ingediend worden door een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet of een persoon aan wie het UWV een uitkering verstrekt (artikel 10b, derde lid, van de Participatiewet). Een dergelijk verzoek kan alleen door de persoon zelf worden gedaan en niet door een andere belanghebbende, zoals een werkgever. Als het UWV tot het oordeel komt dat iemand tot de doelgroep beschut werk behoort, adviseert het UWV het college van de gemeente waar de betreffende persoon staat ingeschreven.

Op basis van het advies van het UWV neemt de gemeente het besluit of iemand tot de doelgroep beschut werk behoort. Alleen als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het UWV, kan de gemeente besluiten het advies niet te volgen.

Dienstbetrekking beschut werk

Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep beschut werk behoort, zorgt de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte omstandigheden aan de slag gaat. Naast de dienstbetrekking kunnen ook de voorzieningen, zoals genoemd in het vijfde lid worden ingezet.

Volgorde toekenning

Als is vastgesteld dat een persoon alleen in een beschutte omgeving, onder aangepaste

Omstandigheden, mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en deze persoon nog niet in aanmerking komt voor een beschut werkplek, omdat het aantal geraamde/vastgestelde plaatsen al is gerealiseerd, dan krijgt deze persoon voorrang op personen van wie later is vastgesteld dat zij alleen in een beschutte omgeving, onder aangepaste omstandigheden, mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Dit betekent dat de voorziening beschut werk in principe wordt toegekend op volgorde van datum advies van het UWV (derde lid).

Omvang voorziening beschut werk

De gemeente is verplicht om elk jaar een aantal beschut werkplekken te realiseren. Wanneer in enig jaar het aantal verplichte werkplekken is gerealiseerd, kan er een wachtlijst ontstaan. In de wachttijd totdat er een dienstverband beschikbaar is, staan in principe alle andere voorzieningen uit de verordening open. In overleg met de betrokkene(n) kan een keuze gemaakt worden.

13. Participatieplaats

Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid, van de Participatiewet). Het college kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of ouder, met recht op algemene bijstand, een participatieplaats aanbieden.

Additionele werkzaamheden

Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te verrichten werkzaamheden staan centraal, maar het leren werken of het (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerking met collega’s, zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van de Participatiewet). Na negen maanden wordt beoordeeld of de participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a, achtste lid, van de Participatiewet). Zo niet dan wordt de participatieplaats beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt opnieuw beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet. Als wordt geconcludeerd dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de persoon gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan de participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval dient een andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende lid, van de Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling plaats (artikel 10a, tiende lid, van de Participatiewet).

Premie

De persoon, die werkzaamheden verricht op een participatieplaats, heeft recht op een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt. De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet). De premie wordt vrijgelaten op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet. In verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het in de vrijlatingsbepaling genoemde bedrag.

Artikel 14. Sociale activering

Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet re-integratie, maar participatie voorop. Begrip sociale activering Onder 'sociale activering' wordt verstaan: het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie (artikel 6, eerste lid, onderdeel c, Participatiewet). Bij activiteiten in het kader van sociale activering, kan worden gedacht aan het zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van vrijwilligerswerk of deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt.

Doelgroep sociale activering Het college kan aan een persoon, die behoort tot de doelgroep, activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering, voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening.

Voor de verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering, is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen. waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening. Sociale activering heeft tot doel personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel, arbeidsinschakeling, niet kan worden bereikt, er geen grond is die persoon te verplichten om gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering.

College stemt duur activiteiten af op de persoon

Het tweede lid geeft het college de mogelijkheid om de duur van activiteiten in het kader van sociale activering nader te bepalen. Het college moet de duur afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een persoon.

Artikel 15. Proefplaatsing

De proefplaatsing is een vorm van werken met behoud van uitkering, die vooraf kan gaan aan een dienstbetrekking, om te bepalen of betrokkene geschikt is voor de betreffende werkplek

Artikel 16. Hardheidsclausule

De hardheidsclausule is ook van toepassing op de nadere regels (bij of krachtens deze verordening).