Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Leeuwarden

Beleidsregels Jeugdhulp 2018-2 gemeente Leeuwarden

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieLeeuwarden
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingBeleidsregels Jeugdhulp 2018-2 gemeente Leeuwarden
CiteertitelBeleidsregels Jeugdhulp 2018-2 gemeente Leeuwarden
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerpBeleidsregels Jeugdhulp 2018-2 gemeente Leeuwarden

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

wet Jeugdwet

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Verordening Jeugdhulp 2018 gemeente Leeuwarden

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

15-06-2018wijziging

05-06-2018

gmb-2018-126586

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsregels Jeugdhulp 2018-2 gemeente Leeuwarden

 

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden;

 

gelet op de Jeugdwet 2015;

gelet op de Verordening Jeugdhulp 2018 gemeente Leeuwarden;

 

b e s l u i t

vast te stellen het:

Beleidsregels Jeugdhulp 2018-2 gemeente Leeuwarden

 

Deze beleidsregels zijn vastgesteld op 5 juni 2018.

 

 

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

 

In aanvulling op begripsbepalingen zoals deze in de Jeugdwet 2015 en de Verordening Jeugd gemeente Leeuwarden 2015 worden gebruikt, wordt in deze beleidsregels verstaan onder:

1. aanvraag: het verzoek van de jeugdige en/of ouder(s) aan de gemeente om een beslissing te nemen op de vraag om een individuele maatwerkvoorziening te verstrekken.

2. algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal bedoeld is voor jeugdigen en/of ouder(s) met een beperking en algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is als vergelijkbare producten.

3. algemene voorziening: het aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoefte, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruiker, toegankelijk is.

4. beschikking: schriftelijke beslissing op een aanvraag voor een individuele maatwerkvoorziening, die de gemeente aan de jeugdige en/of ouder(s) stuurt.

5. bovengebruikelijke hulp: ondersteuning geboden door partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten, die de gebruikelijke hulp in aard, omvang en intensiteit overstijgt.

6. budgetplan: het plan dat de jeugdige en/ of ouder(s) bij de aanvraag voor een persoonsgebonden budget indient, waarin de keuze voor een persoonsgebonden budget (in plaats van zorg in natura) gemotiveerd wordt en waarin aangegeven wordt aan welke vorm van ondersteuning het budget besteed gaat worden, door wie de ondersteuning geleverd gaat worden en welke activiteiten uit het budget betaald gaan worden.

7. eigen kracht: de eigen mogelijkheden en het probleem oplossend vermogen (capaciteit), tijd en middelen van de jeugdige en/of ouders(s) (gebruikelijke hulp en bovengebruikelijke hulp) en/of personen uit het sociaal netwerk (mantelzorg) om de opgroei en/of opvoedingsproblemen op te lossen.

8. familiegroepsplan: een plan dat de ouders zelf opstellen samen met het sociaal netwerk van de jeugdige en/of ouder(s).

9. formele ondersteuning: ondersteuning die met een vergoeding vanuit het persoonsgebonden budget wordt geboden door een professional, die alleen een zakelijke relatie met de jeugdige en/of ouder(s) heeft, niet zijnde een persoon uit het sociaal netwerk van de jeugdige en/of ouder(s).

10. gebruikelijke hulp: ondersteuning die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid geacht worden elkaar onderling te bieden.

11. gecertificeerde instelling (GI): een instelling die jeugdbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering uitvoert. Dit zijn onder andere Regiecentrum Bescherming en Veiligheid, William Schrikker Groep (WSG) Leger des Heils en het NIDOS.

12. gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek naar de melding van de behoefte aan ondersteuning van de jeugdige en/of ouder(s).

13. individuele maatwerkvoorziening: op de jeugdige en/of ouder(s) toegesneden ondersteuning, die op basis van zorgvuldig onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige en/of ouder(s) toegankelijk is.

14. informele ondersteuning: ondersteuning die met een vergoeding vanuit het persoonsgebonden budget geboden wordt door een persoon die geen formele ondersteuning biedt, zoals een persoon uit het sociale netwerk van de jeugdige en/of ouder(s) of een beroepskracht die niet voldoet aan de gestelde (kwaliteits-)eisen.

15. intensiteit: de intensiteit geeft de zwaarte aan van de behandeling, begeleiding of ondersteuning.

16. jeugdhulp: de ondersteuning aan jeugdige en/of ouder(s) die te maken hebben met opgroei- en opvoedingsproblematiek, die een bedreiging kan vormen voor een veilige (cognitieve, sociale, emotionele en lichamelijke) ontwikkeling van de jeugdige en/of zijn omgeving.

17. jeugdige: een persoon die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, dit impliceert ook een ongeborene.

In de volgende situaties kan het ook een persoon in de leeftijd van 18 tot en met 23 jaar betreffen:

a. als er voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar conform de Jeugdwet door de verwijzer is bepaald dat voortzetting of hervatting van reeds (eerder) ingezette jeugdhulp noodzakelijk is;

b. als in het kader van een strafrechtelijke beslissing door de rechter bepaald is dat (hoog) specialistische jeugdhulp noodzakelijk is;

c. als door de gemeente bepaald is dat de inzet van (hoog)specialistische jeugdhulp noodzakelijk is, bij een jeugdige die niet in aanmerking komt voor jeugdhulp in het kader van de Jeugdwet, geen aanspraak kan maken op de Wet langdurige zorg en de Zorgverzekeringswet en waarvoor ondersteuning in het kader van de Wmo niet passend is.

18. mantelzorg: ondersteuning die vrijwillig en onbetaald wordt geboden door een persoon uit het sociaal netwerk van de jeugdige en/of ouder(s).

19. melding: het bericht waarin aangegeven wordt dat de jeugdige en/of ouder(s) behoefte aan ondersteuning heeft.

20. ondersteuningsplan: het door de sociaal werkers opgesteld plan dat naar aanleiding van het onderzoek naar de melding van behoefte aan ondersteuning van de jeugdige en/of ouder(s) gemaakt wordt.

21. ondersteuningsprofiel: een algemeen geformuleerd profiel binnen specialistische jeugdhulp dat de aard van de ondersteuningsbehoefte weergeeft. Er zijn binnen specialistische jeugdhulp 10 ondersteuningsprofielen gedefinieerd.

22. onderzoek: het verhelderen van de behoefte van de jeugdige en/of ouder(s) aan ondersteuning en bekijken wat de mogelijke oplossingen zijn.

23. ouder: gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt.

24. participatie: deelname aan het maatschappelijk verkeer, waarbij de bewoner mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen, aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen en zich kan verplaatsen.

25. persoonsgebonden budget (PGB): een budget waarmee de jeugdige en/of ouder(s) zelf ondersteuning kan inkopen.

26. professional: beroepskracht met (middels diploma of ervaringscertificaat) aantoonbare specifieke kennis en vaardigheden ten aan zien van de opgroei-, opvoed- en ontwikkelingsproblematiek van de jeugdige en/of ouder(s) en/of de benodigde individuele maatwerkvoorziening, die kan aantonen dat hij voldoet aan de in de branche geldende (kwaliteits)eisen én een gericht op de individuele maatwerkvoorziening passende registratie heeft bij de KvK of in het beroepsregister of in loondienst is bij een formele zorgaanbieder.

27. sociaal netwerk: alle personen uit de omgeving van de jeugdige en/of ouder(s) die van betekenis (kunnen) zijn, zoals een partner, ouders, kinderen, familieleden, vrienden, kennissen en buren.

28. sociaal werker: (generalistische) professional die de jeugdige en/of ouders kan ondersteunen bij vragen op het gebied van werk, financiën, opvoeding, wonen, vrije tijd en sport, wet- en regelgeving, vrienden en relaties, zorg, ondersteuning en hulpmiddelen. Dit is een medewerker uit het sociaal wijkteam of en kan in bepaalde situaties ook een medewerker van de afdeling Publieke Dienstverlening van de gemeente zijn.

29. sociaal wijkteam: een team met generalistische professionals, die de jeugdige en/of ouder(s) kunnen ondersteunen bij hun vragen op het gebied van werk, financiën, opvoeding, wonen, vrije tijd en sport,

wet- en regelgeving, vrienden en relaties, zorg, ondersteuning en hulpmiddelen.

Met sociaal wijkteam wordt ook het dorpenteam, scholenteam of een gebiedsteam bedoeld.

30. team Integrale Vroeghulp: een team van medewerkers vanuit verschillende instellingen die betrokken zijn bij de zorg voor jonge kinderen, waaronder een kinderarts en orthopedagoog. Dit team staat voor het vroegtijdig onderkennen van ontwikkelingsproblematiek en/of gedragsproblematiek bij kinderen van 0-7 jaar en in een zo vroeg mogelijk stadium ondersteuning verlenen aan kind en ouder(s).

31. traject: een traject omvat alle ondersteuning die een jeugdige en/of ouder(s) nodig heeft in een bepaalde situatie.

32. trekkingsrecht: vorm waarin het PGB beschikbaar wordt gesteld. PGB-houders krijgen de budgetten niet op hun eigen bankrekening gestort. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) beheert de budgetten.

33. verordening: de verordening Jeugdhulp van de gemeente Leeuwarden.

34. verstrekkingsvorm: vorm waarin de ondersteuning wordt bekostigd, dat wil zeggen in de vorm van zorg in natura of een persoonsgebonden budget.

35. vertegenwoordiger: persoon of rechtspersoon die de jeugdige en/of ouder(s) vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.

36. vertrouwenspersoon: een persoon die de jeugdige en/of ouder(s) informeert, adviseert en/of begeleidt bij vragen, problemen, klachten of bezwaren in verband met de, al of (nog) niet verstrekte, ondersteuning vanuit de Jeugdwet.

37. voorliggende voorziening: voorziening waar de jeugdige en/of ouder(s) aanspraak op kan maken, zoals algemene voorzieningen, gebruikelijke voorzieningen, wettelijke voorzieningen en collectieve voorzieningen, die voorrang hebben op een voorziening in het kader van de Jeugdwet.

38. voorziening: aanbod van diensten, activiteiten of hulpmiddelen.

39. vrijwilliger: een persoon buiten het sociaal netwerk van de jeugdige en/of ouder(s) die vrijwillig en onbetaald ondersteuning biedt. Dit kan zowel op eigen initiatief als vanuit een organisatie, zoals een vrijwilligersorganisatie, een buurtvereniging of een kerk.

40. zelfredzaamheid: het in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen (ADL) en het voeren van een gestructureerd huishouden.

De noodzakelijke ADL in het kader van zelfredzaamheid betreffen: in en uit bed komen, aan- en uitkleden, bewegen, lopen, gaan zitten en weer opstaan, lichamelijke hygiëne, toiletbezoek, eten/drinken, medicijnen innemen, ontspanning en sociaal contact.

41. zorgaanbieder: een organisatie of persoon die ondersteuning biedt aan de jeugdige en/of ouder(s).

42. zorg in natura (ZIN): een verstrekking van een voorziening via een door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder.

 

Artikel 2. Vormen van ondersteuning

 

De gemeente Leeuwarden biedt de volgende vormen van ondersteuning

 

1. Preventieve jeugdhulp:

waaronder publieke jeugdgezondheidszorg (inclusief het Opvoedpunt) en het gesubsidieerde Preventief aanbod Jeugd.

2. Basisondersteuning:

Ondersteuning geboden door het sociaal wijkteam in de vorm van informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan een veilig (cognitieve, sociale, emotionele en/of lichamelijke) ontwikkeling van de jeugdige en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen.

3. Mantelzorgondersteuning:

Ondersteuning ten behoeve van de mantelzorger met als doel het blijvend kunnen bieden van de mantelzorg en het voorkomen van overbelasting van de mantelzorger, door waar nodig (deels of tijdelijk) taken over te dragen aan een vrijwilliger of professional.

4. Dyslexiezorg:

Ondersteuning voor jeugdigen met (een vermoeden van) ernstig enkelvoudige dyslexie (EED), in de vorm van dyslexieonderzoek en/of behandeling. Dyslexiezorg wordt geboden aan jeugdigen in de leeftijd van 7 tot en met 12 jaar, danwel aan jeugdigen waarvan de dyslexiezorg vóór de 13e verjaardag van de jeugdige is gestart.

Er is sprake van dyslexie wanneer bij een jeugdige lezen, spellen en schrijven, gezien de leeftijd en het onderwijsniveau, te moeizaam gaan terwijl het kind wel een gemiddelde intelligentie heeft.

Er is alleen sprake van EED als er volgens het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling 2.0 een diagnose is gesteld en er geen andere oorzaken zijn gevonden die de problemen kunnen verklaren.

5. Pleegzorg:

Ondersteuning waarbij pleegouders de jeugdige verblijf, verzorging en opvoeding bieden in combinatie met professionele begeleiding van het pleegkind, de pleegouders en de biologische ouders door een pleegzorgaanbieder. Pleegzorg kan zowel tijdelijk als langdurig en zowel 24/7 als in deeltijd of weekeind opvang (respijtzorg) geboden worden. Een pleeggezin kan zowel een gezin uit het pleeggezinnenbestand van een voorziening voor pleegzorg als een gezin uit het eigen netwerk van familie of bekenden zijn.

6. Specialistische jeugdhulp:

Alle ambulante jeugdhulp en jeugdhulp met verblijf, niet zijnde dyslexiezorg, pleegzorg of hoog specialistische jeugdhulp.

Specialistische jeugdhulp kan ingezet worden in de vorm van een traject gericht op herstel of een duurzaam traject. Een duurzaam traject zal meer gericht zijn op stabilisatie en een mate van verbetering en niet op volledig herstel.

Er kan maximaal 1 traject per jeugdige ingezet worden, maar er kunnen binnen één gezin wel meerdere trajecten voorkomen.

Ambulante jeugdhulp betreft jeugdhulp die op vaste of onregelmatige tijden plaats vindt bij de jeugdige thuis, op locatie van de aanbieder of elders (school, kinderdagverblijf e.d.). Bij zeer intensieve ambulante trajecten is het mogelijk om het component ThuisPLUS-Jeugd aan het ondersteuningsprofiel toe te voegen ter voorkoming van opname.

Bij Jeugdhulp met verblijf verblijft een jeugdige, op vrijwillige of gedwongen basis, in een (open) instelling. Verblijf wordt alleen als component in combinatie met een ondersteuningsprofiel verstrekt.

Specialistische Jeugdhulp (zowel ambulante jeugdhulp als jeugdhulp met verblijf) wordt op basis van een ondersteuningsprofiel en in de vorm van een traject geboden.

Binnen Specialistische Jeugdhulp zijn de volgende ondersteuningsprofielen vastgesteld:

 

1. Behoefte aan het verbeteren van psychosociaal functioneren jeugdige én verbeteren van gezinscommunicatie.

2. Behoefte aan het vergroten van specifieke opvoedingsvaardigheden ouders én hulp vanwege kind eigen problematiek.

3. Behoefte aan vergroten van specifieke opvoedingsvaardigheden van ouders met een beperking.

4. Behoefte aan het vergroten van specifieke opvoedingsvaardigheden voor ouders met eigen problematiek én hulp voor de jeugdige bij zijn ontwikkeling.

5. Behoefte aan het verminderen problematiek en verbeteren van het functioneren jeugdige door middel van zorg en behandeling.

6. Behoefte aan het leren van vaardigheden en verbeteren van functioneren voor jeugdige, rekening houdend met verminderen van eigen problematiek ouders en waarborgen veiligheid jeugdige.

7. Behoefte aan begeleiding en behandeling in samenhang met een verstandelijke beperking.

8. Behoefte aan begeleiding en behandeling in samenhang met een verstandelijke beperking én gedragsproblematiek.

9. Behoefte aan begeleiding vanwege een lichamelijke beperking.

10. Behoefte aan leren van vaardigheden en verbeteren functioneren voor 0-6 jarige binnen het gezin. Rekening houdend met verminderen van eigen problematiek ouders en waarborgen veiligheid van het jonge kind.

 

7. Hoogspecialistische jeugdhulp:

Zeer complexe, intensieve specialistische jeugdhulp, waarbij al dan niet gedwongen een klinisch vangnet (Jeugdzorg Plus) setting, een Driemilieuvoorziening (of vergelijkbare intramurale voorziening) noodzakelijk is. Het klinische vangnet is structureel en continu beschikbaar. Er is sprake van meervoudige ernstige problematiek, die vraagt om een multidisciplinaire aanpak vanuit meerdere jeugdhulpdisciplines.

8. Crisishulp:

Ondersteuning die directe inzet vraagt om de veiligheid van de jeugdige en/of ouder(s) te garanderen. Dit kan zijn in situaties waarbij gevaar voor een jeugdige dreigt door ernstige verwaarlozing, fysiek geweld of seksueel misbruik, situaties waarin een ouder of jeugdige dreigt met zelfdoding of een psychose heeft. Crisishulp kan zowel ambulant als residentieel zijn.

9. Jeugdbescherming:

Ondersteuning in de vorm van jeugdbeschermingsmaatregelen. Een (Voorlopige) Ondertoezichtstelling en een Gezagsbeëindigende maatregel zijn jeugdbeschermingsmaatregelen. Deze maatregelen kan de rechter opleggen als vrijwillige hulp niet toereikend is en de jeugdige ernstig bedreigd wordt in zijn ontwikkeling. Soms woont een kind daarom (tijdelijk) niet meer thuis. Gezinsvoogden van een gecertificeerde instelling begeleiden een gezin bij de opvoeding, tot de ouders dit weer zelfstandig kunnen.

Hiertoe gecertificeerde instellingen zijn het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid, William Schrikker Groep, Leger des Heils en Nidos.

10. Jeugdreclassering:

Ondersteuning in de vorm van intensieve begeleiding en controle voor jongeren die veroordeeld zijn of verdacht worden van een strafbaar feit. Dit kan zowel op basis van een proces-verbaal van de politie als van de leerplichtambtenaar zijn.

De jeugdreclassering wordt uitgevoerd door een gecertificeerde instelling of de volwassenreclassering.

 

TOELICHTING

 

Basisondersteuning

Basisondersteuning is een algemene voorziening en vrij toegankelijk voor alle bewoners ongeacht de leeftijd. De jeugdige en/of ouder(s) kan hier zonder voorafgaande weging door of besluit van de gemeente gebruik van maken en betaalt hiervoor geen bijdrage. De basisondersteuning vanuit het sociaal wijkteam impliceert tevens de onafhankelijke cliëntondersteuning.

 

Het uitgangspunt is dat de ondersteuning vanuit het sociaal wijkteam dicht bij de jeugdige en/of ouder(s) plaatsvindt, dat de jeugdige en/of ouder(s) centraal staat en dat het gaat om het leveren van maatwerk.

Er is keuzevrijheid voor de jeugdige en/of ouder(s) om voor een andere sociaal werker te kiezen in geval er problemen ontstaan in de relatie jeugdige en/of ouder(s) -sociaal werker. Wanneer een jeugdige en/of ouder(s) blijk geeft van twijfel aan de objectiviteit van de sociaal werker, zal de sociaal werker daarover met de jeugdige en/of ouder(s) in gesprek gaan.

Wanneer zij er samen niet uitkomen, en de jeugdige en/of ouder(s) nog steeds twijfelt aan de objectiviteit, heeft hij of zij recht op ondersteuning van een andere sociaal werker.

 

Mantelzorgondersteuning

Mantelzorgondersteuning is vrij toegankelijk, er worden geen toegangseisen of –criteria gesteld.

Wel worden de mantelzorgers geregistreerd om zo enerzijds een beter beeld te krijgen van de (wensen en behoeften van) mantelzorgers in de gemeente en anderzijds om deze mantelzorgers ook in de toekomst te kunnen benaderen om ze van een passend ondersteuningsaanbod te kunnen voorzien.

Mantelzorgondersteuning wordt in natura verstrekt, tenzij de mantelzorger veel kosten moet maken om zijn mantelzorgtaak te vervullen en deze kosten niet zelf kan dragen. Als een mantelzorger hierdoor onder de bijstandsnorm uitkomt, kan er een aanvraag voor bijzondere bijstand worden gedaan. Bij deze aanvraag zal getoetst worden, rekening houdend met de financiële draagkracht en draaglast van de aanvrager, of de kosten noodzakelijk en bijzonder zijn.

 

Bij mantelzorgondersteuning in natura valt te denken aan:

• Ondersteuning door een sociaal werker of vrijwilliger.

• Het bieden van een individuele maatwerkvoorziening waardoor de mantelzorger tijd voor zichzelf heeft om tot rust te komen, ook wel respijtzorg genoemd.

• Training om beter in staat te zijn om kwalitatief goede mantelzorg te kunnen leveren.

• Lotgenotencontact of mantelzorgcafé’s voor het onderhouden en uitbreiden van sociale contacten met gelijkgestemden.

• Waardering van mantelzorgers door middel van het organiseren van ontspannende activiteiten.

 

Voor alle vormen van mantelzorgondersteuning geldt dat de activiteiten gericht zijn op het behouden of herstellen van de balans tussen draagkracht en draaglast van het netwerk.

Als blijkt dat het sociale netwerk op dit moment zelfstandig in staat is de gevraagde ondersteuning te verlenen, dan houdt de sociaal werker een vinger aan de pols om te monitoren of de balans tussen draagkracht en draaglast van dit netwerk op termijn niet verstoord wordt.

 

Algemene voorziening

Van een algemene voorziening kan zonder voorafgaand onderzoek gebruik worden gemaakt, zoals het opvoedpunt, preventieve opvoedprogramma’s en maatjesprojecten.

 

Individuele maatwerkvoorzieningen

Een individuele maatwerkvoorziening is pas aan de orde als na onderzoek blijkt dat de jeugdige en/of ouder(s) als gevolg van (opgroei- en/of opvoedings-) problematiek niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met bovengebruikelijke hulp, met mantelzorg, met vrijwilligers of voorliggende voorzieningen voldoende in staat is of om het aanvaardbare niveau van de veilige ontwikkeling van de jeugdige te bereiken of te behouden (zie artikel 10).

Maatwerkvoorzieningen worden individueel aan de jeugdige en/of ouder(s) beschikt.

 

Inkomensondersteuning Gemeente Leeuwarden heeft, naast ondersteuning vanuit de Jeugdwet, ook verschillende mogelijkheden voor inkomensondersteuning voor bewoners met een laag inkomen en een laag eigen vermogen, ook wel minimaregelingen genoemd. De minimaregelingen zijn: de AV Frieso Compleet, het Kindpakket, individuele studietoeslag, individuele inkomenstoeslag, Bijzondere bijstand en Kwijtschelding van gemeentelijke heffingen (zie www.leeuwarden.nl/minimaregelingen).

 

• De AV Frieso Compleet is een aanvullende zorgverzekering voor de meerkosten van chronisch zieken en gehandicapten, waarvan de gemeente een deel van de premie betaalt. In deze aanvullende verzekering zitten vergoedingen voor de eigen bijdragen Wmo, alternatieve geneeswijzen, tandheelkunde, hulpmiddelen (waaronder brillen) en fysiotherapie.

• Het Kindpakket is een bijdrage in de kosten voor zwemlessen, schoolreisjes, schoolspullen, contributie voor sport- of muziekvereniging en sportattributen voor kinderen.

• De individuele studietoeslag is een financiële ondersteuning voor studenten die vanwege een beperking niet in staat zijn om bij te verdienen.

• De individuele inkomenstoeslag is een vrij te besteden geldbedrag die de gemeente 1 keer per jaar, onder bepaalde voorwaarden, verstrekt aan mensen die al 3 jaar of langer moeten leven van een laag inkomen. De hoogte van dit bedrag is afhankelijk van het type huishouden en bedoeld voor de aanschaf of vervanging van duurdere spullen.

• De bijzondere bijstand is bedoeld voor mensen die door bijzondere omstandigheden in een situatie terechtkomen, waarin het inkomen onvoldoende is om bepaalde kosten te kunnen betalen. Als daarnaast ook geen beroep gedaan kan worden op het sociaal netwerk, andere daarvoor beschikbare regelingen of eigen vermogen, dan kan bijzondere bijstand worden verstrekt. Bijzondere bijstand is niet alleen bedoeld voor mensen met een uitkering, maar kan door iedereen worden aangevraagd. Er wordt niet alleen gekeken naar de hoogte van het inkomen, maar vooral naar wat iemand te besteden heeft.

• Kwijtschelding van gemeentelijke heffingen kan gegeven worden aan mensen met een laag inkomen en een laag eigen vermogen. De gemeentelijke heffingen bestaan uit afvalstoffenheffing, rioolheffing en onroerend zaak belasting (OZB). De gemeente verleent geen kwijtschelding van hondenbelasting of een extra container.

 

Artikel 3. Melding

 

1. Een melding van behoefte aan ondersteuning kan door de jeugdige en/of ouder(s) worden gedaan. De persoon die namens de jeugdige en/of ouder(s) een melding doet, hoeft niet een vertegenwoordiger van de jeugdige en/of ouders(s) te zijn, maar kan ook een huisgenoot, iemand uit het sociaal netwerk van de jeugdige en/of ouder(s), een professionele hulpverlener of arts.

2. Een melding kan op de volgende manieren gedaan worden:

a. Bij het sociaal wijkteam of

b. Bij de afdeling Publieke Dienstverlening van de gemeente, telefonisch of fysiek bij het loket van het Gemeentehuis of

c. Digitaal via het meldingsformulier op de website van www.lwdvoorelkaar.nl.

3. In aanvulling op lid 1 kan de melding ook gedaan worden bij de huisarts, medisch specialist, jeugdarts, Gecertificeerde Instelling, Veilig Thuis of Raad voor de Kinderbescherming. In dit geval maakt de ontvanger een professionele afweging van de benodigde ondersteuning en kan een directe verwijzing doen. De artikelen 4 tot en met 12 zijn dan niet van toepassing.

4. Bij ontvangst van de melding wordt beoordeeld of het gaat om een vraag die direct in een eerste (telefonisch) contact beantwoord of afgehandeld kan worden of dat nader onderzoek nodig is. Indien er sprake is van een jeugdige en/of ouder(s) die al uitgebreid bekend is vanwege een eerdere melding van behoefte aan ondersteuning dan kan dit een reden zijn om af te zien van nader onderzoek. Dit dient altijd in overleg en met goedkeuring van de jeugdige en/of ouder(s) plaats te vinden.

5. Een melding wordt inclusief de datum van ontvangst geregistreerd. De melding wordt schriftelijk (per mail of per post) bevestigd, tenzij de jeugdige en/of ouder(s) dit niet wenst.

 

Artikel 4. Onderzoek

 

1. Een melding van behoefte aan ondersteuning wordt nader onderzocht op basis van het eventueel aanwezige familiegroepsplan van de jeugdige en/of ouder(s), één of meer gesprekken (zie artikel 6) met de jeugdige en/of ouder(s) en indien nodig middels het opvragen van gegevens van reeds betrokken professionals (waaronder leerkrachten en hulpverleners) en indien nodig aangevuld met een (medisch) advies van een deskundige.

2. Aan de hand van het algemeen toetsings- en afwegingskader (zie artikel 10) wordt onderzocht of de jeugdige en/of ouder(s) ondersteuning nodig heeft en zo ja, welke vorm van ondersteuning.

3. Het onderzoek wordt uitgevoerd op basis van de volgende processtappen:

a. Allereerst wordt vastgesteld wat de eigenlijke ondersteuningsvraag van de jeugdige en/of ouder(s) is.

b. Vervolgens wordt vastgesteld wat de aard van de opgroei- en opvoedproblematiek is.

c. Vervolgens wordt vastgesteld welke ondersteuning nodig is om de doelen te bereiken en in welke mate de ondersteuning nodig is.

d. Vervolgens wordt vastgesteld welk aandeel de jeugdige en/of ouder(s) op eigen kracht en/of het sociaal netwerk in de benodigde ondersteuning kan hebben.

e. Indien de mogelijkheden van de jeugdige en/of ouders ontoereikend zijn, wordt gekeken welke vorm van ondersteuning passend is, dit kan een individuele maatwerkvoorziening zijn.

4. Het onderzoek wordt uitgevoerd door een sociaal werker.

5. Voor het onderzoek naar de melding van behoefte aan ondersteuning geldt een behandeltijd van maximaal 6 weken na de melding.

Indien vanwege zorgvuldigheid van het onderzoek de termijn van 6 weken niet gehaald wordt, dan treedt de sociaal werker in overleg met de jeugdige en/of ouder(s) over de verlenging van de termijn.

Dit wordt vervolgens schriftelijk bevestigd, onder vermelding van de termijn waarbinnen het onderzoek naar verwachting wel is afgerond.

 

Artikel 5. Familiegroepsplan

 

1. Voorafgaand aan het gesprek biedt de sociaal werker de jeugdige en/of ouder(s) de mogelijkheid om een familiegroepsplan in te dienen. Het familiegroepsplan wordt opgesteld door de ouders samen met hun sociaal netwerk. In het plan beschrijft de jeugdige en/of ouder(s) zelf zijn situatie en worden de volgende zaken opgenomen:

a. Welke (opvoed-)problematiek de jeugdige of de ouder(s) heeft of ervaart.

b. Welke ondersteuning nodig is.

c. Wie die ondersteuning biedt/ kan bieden.

2. Indien ouder(s) bij het opstellen van het familiegroepsplan ondersteuning nodig heeft kan dit geboden worden door de sociaal werker of de Eigen Kracht Centrale (www.eigenkrachtcentrale.nl).

3. Het familiegroepsplan wordt betrokken bij het opstellen van het ondersteuningsplan. Aan het familiegroepsplan kunnen geen rechten, voor de toekenning van de aanvraag, worden ontleend.

4. Het familiegroepsplan dient binnen een redelijke termijn na de melding te worden ingediend maar voordat een aanvraag voor een individuele maatwerkvoorziening tot stand is gekomen.

 

Artikel 6. Gesprek

 

1. Het gesprek vindt in principe plaats in de thuissituatie van de jeugdige en/of ouder(s).

Mocht dit niet wenselijk of mogelijk zijn, dan kan het gesprek ook op een andere plek plaats vinden.

2. Het gesprek wordt gevoerd met de jeugdige en/of ouder(s) en/of vertegenwoordiger en indien mogelijk zijn mantelzorger.

Tijdens dit gesprek mag de jeugdige en/of ouder(s), indien de jeugdige en/of ouder(s) dit wenst, een vertrouwenspersoon mee nemen. Een vertrouwenspersoon mag vanwege belangenverstrengeling niet tevens de (beoogd) zorgaanbieder zijn.

3. Indien het in het belang van een herindicatie, herbeoordeling of evaluatie noodzakelijk wordt geacht kan de zorgaanbieder, met instemming van de jeugdige en/of ouder(s), uitgenodigd worden bij (een deel van) het gesprek met de jeugdige en/of ouder(s).

4. In het gesprek bespreekt de sociaal werker de onderwerpen die in artikel 8 van de verordening zijn vastgelegd.

5. De jeugdige en/of ouder(s) dient gegevens te verschaffen die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de aanvraag, zoals medische gegevens.

6. Het opvragen van gegevens mag uitsluitend plaats vinden met toestemming van de jeugdige en/of ouder(s).

Daarbij dient in de toestemmingsverklaring opgenomen te worden wie de gegevens opvraagt, bij wie de gegevens opgevraagd worden, om welke gegevens het gaat en met welk doel.

Ter bevordering van de snelheid in het opvragen van deze gegevens, kan de jeugdige en/of ouder(s) zelf de gewenste gegevens opvragen, met de vermelding welk belang hij heeft bij deze gegevens.

 

Artikel 7. Ondersteuningsplan

 

1. Op basis van het onderzoek, naar aanleiding van de melding van behoefte aan ondersteuning, wordt een verslag gemaakt en indien nodig een plan van aanpak. Dit noemen wij een ondersteuningsplan.

2. Het ondersteuningsplan vormt de basis voor de eventuele aanvraag voor een individuele maatwerkvoorziening.

In het ondersteuningsplan wordt aangegeven:

a. Wat de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of ouder(s) is.

b. In verband met welke opgroei- en opvoedingsproblematiek ondersteuning nodig is.

c. Welke doelstelling er wordt nagestreefd met de ondersteuning.

d. Op welke wijze deze ondersteuning wordt vormgegeven.

e. Welke afspraken er zijn gemaakt met de jeugdige en/of ouder(s).

f. Welk zwaarwegend advies (zie artikel 8) wordt opgesteld indien een individuele maatwerkvoorziening door of namens de jeugdige en/of ouder(s) wordt aangevraagd.

3. In het ondersteuningsplan wordt rekening gehouden met de wensen en behoeften van de mantelzorger.

4. Indien de jeugdige en/of ouder(s) kiest voor een persoonsgebonden budget in plaats van zorg in natura, dan wordt het budgetplan na goedkeuring toegevoegd aan het ondersteuningsplan.

5. De jeugdige en/of ouder(s) kan het ondersteuningsplan te allen tijde desgevraagd ontvangen. Het ondersteuningsplan wordt binnen 20 werkdagen na het gesprek aan de jeugdige en/of ouder(s) beschikbaar gesteld. Indien de gestelde termijn niet haalbaar is wordt de jeugdige en/of ouder(s) geïnformeerd over de reden van vertraging.

6. De jeugdige en/of ouder(s) krijgen de mogelijkheid om het ondersteuningsplan te lezen en een reactie hierop te geven. Naar aanleiding van de reactie van de jeugdige en/of ouder(s) worden feitelijke onjuistheden in het ondersteuningsplan aangepast. Opmerkingen en aanvullingen van de jeugdige en/of ouder(s) worden aan het ondersteuningsplan toegevoegd.

 

Artikel 8. Aanvraag

 

1. Een uitkomst van het onderzoek naar aanleiding van de melding van behoefte aan ondersteuning kan de aanvraag voor een individuele maatwerkvoorziening zijn. De aanvraag voor een individuele maatwerkvoorziening wordt vergezeld van een zwaarwegend advies van de sociaal werker.

2. Het zwaarwegend advies bestaat uit de volgende onderdelen:

a. De ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of ouder(s).

b. Het advies van de sociaal werker voor de in te zetten voorziening.

c. Het doel en resultaat dat bereikt moet worden met de in te zetten voorziening.

d. De motivatie waarom deze voorziening (duurzaam, goedkoop en adequaat) voorziet in de ondersteuningsbehoefte.

e. De conclusie van het advies van een deskundige (indien van toepassing).

3. Het zwaarwegend advies wordt vooraf besproken met de jeugdige en/of ouder(s).

De jeugdige en/of ouder(s) ontvangt (per mail of per post) een afschrift van het zwaarwegend advies, tenzij de jeugdige en/of ouder(s) dit niet wenst.

4. In het zwaarwegend advies wordt opgenomen of de jeugdige en/of ouder(s) wel/niet akkoord is met het zwaarwegend advies en indien van toepassing de reden waarom de jeugdige en/of ouder(s) niet akkoord is.

5. De aanvraag voor een individuele maatwerkvoorziening wordt, vergezeld van een zwaarwegend advies, door de sociaal werker doorgestuurd naar de gemeente en zo nodig vindt nog aanvullend onderzoek plaats.

6. Indien de sociaal werker na onderzoek van mening is dat een individuele maatwerkvoorziening voor de jeugdige en/of ouder(s) niet toegankelijk en passend is, staat het de jeugdige en/of ouder(s) vrij om zelf een aanvraag in te dienen.

Bij de behandeling van deze aanvraag wordt het zwaarwegend advies van de sociaal werker opgevraagd en meegenomen.

7. Indien de jeugdige en/of ouder(s) geen medewerking verleent aan een zorgvuldig onderzoek én zonder dit onderzoek de toegankelijkheid en passendheid van ondersteuning in de vorm van een individuele maatwerkvoorziening niet kan worden vastgesteld, dan adviseert de sociaal werker negatief op de aanvraag van de jeugdige en/of ouder(s).

 

Artikel 9. Beschikking

 

1. Op de aanvraag voor een individuele maatwerkvoorziening ontvangt de jeugdige en/of ouder(s) binnen 2 weken een beslissing van de gemeente, in de vorm van een beschikking.

Indien deze termijn overschreden lijkt te worden, zal op grond van de Algemene wet bestuursrecht de jeugdige en/of ouder(s) schriftelijk geïnformeerd worden over een verlenging of opschorting van deze termijn.

2. Indien er sprake is van meerdere individuele maatwerkvoorzieningen en de aanvraag betreft een wijziging van één van de individuele maatwerkvoorzieningen, dan volstaat een wijzigingsbeschikking voor dit onderdeel.

3. Indien de jeugdige en/of ouder(s) geen medewerking heeft verleend aan een zorgvuldig onderzoek én er is gebleken dat zonder dit onderzoek de toegankelijkheid en passendheid van ondersteuning in de vorm van een individuele maatwerkvoorziening niet is vast te stellen, kan de aanvraag voor een individuele maatwerkvoorziening afgewezen worden.

4. Een voorziening (ZIN en PGB) kan in beginsel niet met terugwerkende kracht worden verstrekt.

5. De duur van de beschikking is maximaal 1 jaar.

Indien de individuele maatwerkvoorziening afgegeven wordt in de vorm van een traject gericht op herstel, betreft het een te verwachten einddatum en is verlenging van de beschikking mogelijk.

6. In afwijking op lid 5 kan de looptijd langer dan 1 jaar zijn als er sprake is van:

a. Dyslexiezorg

b. Een overbrugging naar de start van het schooljaar.

c. Een ernstige lichamelijke/psychische beperking waarvoor langdurige ondersteuning nodig is.

d. Pleegzorg ‘Perspectief-biedend’, indien is besloten dat een jeugdige niet meer terug naar huis kan en langdurig in het pleeggezin zal verblijven. De beschikking zal in dit geval in principe een looptijd hebben tot de jeugdige de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.

7. In de beschikking worden de rechten en plichten met betrekking tot de verstrekte voorziening, conform artikel 13 van de Verordening, vastgelegd.

8. In de beschikking wordt, indien van toepassing, informatie opgenomen over het trekkingsrecht bij een PGB.

9. Indien de gemeente voornemens is een negatieve of afwijkende beschikking af te geven, neemt de sociaal werker contact op met de jeugdige en/of ouder(s) om deze hierover te informeren en uitleg te geven. Er wordt hierbij tevens de gelegenheid geboden om aanvullende informatie te geven en/of nader onderzoek in te stellen.

10. De jeugdige en/of ouder(s) heeft het recht om tegen de beschikking in bezwaar te gaan.

11. Indien een beschikking is afgegeven en het blijkt naderhand dat de geboden ondersteuning onvoldoende bijdraagt aan het te behalen resultaat, de geboden ondersteuning kwalitatief onvoldoende is of de geboden ondersteuning niet rechtmatig is, danwel het resultaat, de kwaliteit en/of de rechtmatigheid niet goed is vast te stellen, kan dit aanleiding zijn voor een (herbeoordelings-) onderzoek en/of een wijziging of het intrekken van de beschikking.

 

Artikel 10. Algemeen toetsings- en afwegingskader

 

Om te bepalen of ondersteuning in de vorm van een individuele maatwerkvoorziening voor de jeugdige en/of ouder(s) toegankelijk en passend is, worden de onderstaande aspecten in de weergegeven volgorde getoetst en/of gewogen:

 

1. verantwoordelijke gemeente: om te bepalen welke gemeente verantwoordelijk is voor het bieden van de ondersteuning wordt nagegaan welke gemeente als woonplaats geldt volgens het meest recente stappenplan woonplaatsbeginsel van de VNG.

Een individuele maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige en/of ouder(s) waarvan volgens het woonplaatsbeginsel de gemeente Leeuwarden verantwoordelijk is.

2. aard van de problematiek: er is sprake van opgroei- en opvoedingsproblematiek die een bedreiging kan vormen voor een veilige (cognitieve, sociale, emotionele en/of lichamelijke) ontwikkeling van de jeugdige.

Bij het bepalen van de mate van de opgroei- en opvoedingsproblematiek wordt gebruik gemaakt van de Zelfredzaamheid-Matrix (ZRM) inclusief het ouderschapssupplement en het ordeningsprincipe Kind in Fryslân.

a. De ZRM is een instrument om verschillende dimensies van zelfredzaamheid overzichtelijk in beeld te brengen. De ZRM heeft elf domeinen waarop de mate van zelfredzaamheid wordt beoordeeld. De domeinen van de ZRM zijn: Financiën, Dagbesteding, Huisvesting, Huiselijke relaties, Geestelijke gezondheid, Lichamelijke gezondheid, Verslaving, Activiteiten Dagelijks Leven, Sociaal netwerk, Maatschappelijke participatie en Justitie. Het ouderschaps-supplement omvat de domeinen: lichamelijke verzorging, sociaal-emotionele ondersteuning, scholing en opvang.

b. Het ordeningsprincipe Kind in Fryslân is een instrument dat vanuit dialoog tussen jeugdige en/of ouder(s) en betrokken hulpverleners bepaalt welke zwaarte van ondersteuning nodig is. Met behulp van het instrument wordt een inschatting gemaakt van de zwaarte van de benodigde ondersteuning. Er worden vier vormen onderscheiden: opvoedingsvragen, opvoedingsspanning, opvoedingsnood en opvoedingscrisis.

Indien er sprake is van opvoedingsvragen of opvoedingsspanning wordt indien nodig ondersteuning geboden vanuit voorliggende voorzieningen (zoals het Opvoedpunt) en/of de basisondersteuning. Indien er sprake is van opvoedingsnood wordt indien nodig ondersteuning geboden door middel van de individuele maatwerkvoorziening Specialistische Jeugdhulp of Hoogspecialistische Jeugdhulp. Bij opvoedingscrisis wordt indien nodig ondersteuning geboden door middel van Crisishulp

3. aanvaardbaar niveau: om het aanvaardbare niveau van een veilige ontwikkeling van de jeugdige te kunnen bepalen wordt het volgende gewogen:

a. Welk niveau past bij de mogelijkheden van de jeugdige en/of ouder(s).

b. Welk niveau staat in redelijke verhouding met de situatie met de jeugdige en/of ouders voordat er sprake was van een mogelijke bedreiging van een veilige ontwikkeling van de jeugdige.

c. Welk niveau staat in redelijke verhouding tot dat van personen in vergelijkbare omstandigheden en dezelfde leeftijdscategorie die zich veilig ontwikkelen.

4. eigen kracht: de mate waarin de jeugdige en/of ouder(s) en/of het sociaal netwerk van de jeugdige en/of ouder(s) op eigen kracht het aanvaardbare niveau van een veilige ontwikkeling kan bereiken of behouden.

5. gebruikelijke hulp: de mate waarin de jeugdige en/of ouder(s) met behulp van gebruikelijke hulp het aanvaardbare niveau van een veilige ontwikkeling kan bereiken of behouden.

Bij gebruikelijke hulp worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

a. Ouders zijn primair zelf verantwoordelijk voor de verzorging, opvoeding en ontwikkeling van hun kinderen. De zorgplicht van ouders strekt zich uit over het bieden van een woonomgeving waarin hun fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd, een passend pedagogisch klimaat en zorg in de zin van verzorging, begeleiding en stimulans die nodig is bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid, ongeacht de leeftijd van het kind. Deze handelingen worden als gebruikelijk aangemerkt.

b. Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter. Het hoeft niet te betekenen dat de ouder(s) deze hulp zelf uitvoeren. De gebruikelijke hulp kan ook door de ouder(s) aan derden uitbesteed worden of met eigen financiële middelen ingekocht worden.

c. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder, al dan niet naast fulltime (vrijwilligers)werk of opleiding, de gebruikelijke hulp over. De zorgplicht vervalt niet bij echtscheiding of beëindiging van de relatie. Er wordt wel rekening gehouden met de eventueel door de rechtbank vastgelegde afspraken.

d. Onder gebruikelijke hulp valt in ieder geval:

i. De aanwezigheid van ouders;

ii. Het bieden van ouderlijk toezicht;

iii. Het bieden van een beschermende woonomgeving;

iv. Het bieden van structuur;

v. Het bieden van begeleiding en stimulans bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

vi. Het begeleiden naar huisarts, ziekenhuis of therapie;

vii. Het maatschappelijk verkeer, als bezoek aan familie, vrienden, school, sport etc.;

viii. De zorg bij kortdurende ziekte.

e. Bij de beoordeling of en in welke mate er sprake is van gebruikelijke hulp worden in ieder geval de volgende aspecten gewogen:

i. De aard van de benodigde ondersteuning.

Gebruikelijke hulp bij jeugdigen kan ook handelingen omvatten dien iet standaard bij alle jeugdigen voorkomen. Het gaat dan om handelingen die een gebruikelijke hulphandeling vervangen. Voorbeelden kunnen zijn: het legen van een katheterzakje in plaats van verschonen; bij een jeugdige met een verstandelijke beperking oefenen met het gebruik van pictogrammen in plaats van oefenen met topografie of het geven van sondevoeding in plaats van eten.

ii. De mate van planbaarheid en uitstelbaarheid van de benodigde ondersteuning en de momenten van de dag waarop dit geboden wordt.

Het kan daarbij gaan om handelingen die in samenhang met reguliere zorgmomenten kunnen worden geboden.

iii. De frequentie en omvang van de ondersteuning.

iv. De duur van de benodigde ondersteuning. Is er sprake van een kortdurende situatie met uitzicht op herstel of een langdurende (chronische) situatie waarin extra ondersteuning nodig is.

v. De leeftijd en de ontwikkelingsfase van de jeugdige. Er wordt daarbij uitgegaan van een bandbreedte in de normale ontwikkeling. Er wordt rekening gehouden met de verschillen die in de ontwikkeling bestaan bij kinderen in dezelfde leeftijdscategorie. (zie tabel 1 in de toelichting).

vi. Gebruikelijke hulp is niet of in mindere mate van toepassing als uit objectief onderzoek blijkt dat de ouder(s) niet in staat is om (een aantal) taken over te nemen vanwege:

• (langdurige) Fysieke afwezigheid of;

• De beperking of beperkte leerbaarheid of;

• (dreigende) Overbelasting, waarbij het evenwicht tussen draagkracht en draaglast onder spanning staat.

6. bovengebruikelijke hulp: de mate waarin door de ouder(s) bovengebruikelijke hulp geboden kan worden. Indien de ouder(s) voldoende capaciteit, tijd en middelen heeft om de bovengebruikelijke hulp te bieden is geen aanvullende ondersteuning vanuit de Jeugdwet noodzakelijk.

7. mantelzorg: de mate waarin personen uit het sociaal netwerk van de jeugdige en/of ouder(s) bereid en in staat zijn om mantelzorg te bieden en de mate waarin de mantelzorgers hierbij ondersteuning nodig hebben om (dreigende) overbelasting tegen te gaan. Dit wordt bepaald door de totale belasting (gebruikelijke hulp, mantelzorg, werk en persoonlijke omstandigheden) van de mantelzorgers.

Mantelzorg is een vorm van ondersteuning die niet afdwingbaar is door de overheid en daarmee geen voorliggende voorziening. Er mag niet een bijdrage van mantelzorgers worden verlangd die ten koste gaat van (het zoeken naar) werk of inkomen of welzijn.

8. vrijwilligers: de mate waarin de jeugdige en/of ouder(s) met de ondersteuning van vrijwilligers het aanvaardbare niveau van een veilige ontwikkeling kunnen bereiken of behouden.

9. voorliggende voorzieningen: de mogelijkheden voor de jeugdige en/of ouder(s) om een beroep te doen op algemene voorzieningen, wettelijke voorzieningen en collectieve voorzieningen die voorliggend zijn op de Jeugdwet, zoals: het Opvoedpunt, Passend Onderwijs, kinderopvang, ziektekostenverzekering, de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg.

10. algemeen gebruikelijke voorziening: de mate waarin het voor de jeugdige en/of ouder(s) als persoon een algemeen gebruikelijke voorziening betreft.

Bij het bepalen of een voorziening voor de jeugdige en/of ouder(s) als persoon een algemeen gebruikelijke voorziening betreft, worden de volgende aspecten gewogen:

a. Had de jeugdige en/of ouder(s) als er geen sprake zou zijn van opgroei- en of opvoedproblematiek over de voorziening kunnen beschikken.

b. Past de voorziening volgens geldende maatschappelijke normen binnen het normale bestedingspatroon van de ouder(s).

c. Is er sprake van een plotseling optredende noodzaak van een voorziening, die zijn oorsprong vindt in de opgroei- en/ of opvoedproblematiek van de jeugdige en of ouder(s) (calamiteitenprincipe).

Een algemeen gebruikelijke voorziening wordt in principe door de jeugdige en/of ouder(s) zelf bekostigd. Dit geldt ook voor jeugdigen en/of ouder(s) met een inkomen op minimumniveau. Er wordt alleen ondersteuning vanuit de Jeugdwet geboden in situaties waarin:

• Een algemeen gebruikelijke voorziening vanwege de opgroei- en opvoedingsproblematiek noodzakelijk is én

• De jeugdige en/of ouder(s) door deze en andere (plotseling optredende) kosten die verband houden met zijn opgroei- en opvoedingsproblematiek, onder het in hun situatie geldende bijstandsniveau dreigt te raken.

11. eerdere verstrekking individuele maatwerkvoorziening: de mate waarin de aspecten uit lid 2 tot en met lid 10 gewijzigd zijn ten opzichte van de eerder verstrekte individuele maatwerkvoorziening.

12. deskundigenadvies: om te bepalen welke individuele maatwerkvoorziening het meest passend is, wordt advies gevraagd aan een professional (Zie artikel 1 lid 26). Een professional op het gebied van Jeugd dient in het Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) of het BIG-register opgenomen te zijn. BIG staat voor Beroepen Individuele Gezondheidszorg.

Indien het team Integrale Vroeghulp betrokken is of er sprake is van een bestaand hulptraject is het niet nodig een apart deskundigenadvies naast het advies van de betrokken hulpverlener in te winnen.

13. vorm van ondersteuning: Om te bepalen welke vorm van ondersteuning voor de jeugdige en/of ouder(s) toegankelijk en passend is worden naast de toetsing en weging van lid 1 tot en met 12 tevens de volgende uitgangspunten gehanteerd:

a. Ondersteuning vanuit het eigen sociaal netwerk of met inzet van vrijwilligers waar mogelijk, professionele ondersteuning alleen indien noodzakelijk.

b. Een lichte vorm van ondersteuning waar mogelijk, een zwaardere vorm van ondersteuning alleen indien noodzakelijk.

c. Kortdurende ondersteuning waar mogelijk, langdurige ondersteuning alleen indien noodzakelijk.

d. Ambulante ondersteuning ten behoeve van het thuis (kunnen blijven) wonen waar mogelijk, ondersteuning met verblijf alleen indien noodzakelijk.

e. Een verblijf in een gezinssituatie (pleegzorg of gezinshuis) waar mogelijk, verblijf in een instelling alleen indien noodzakelijk.

f. Ondersteuning dichtbij het eigen sociaal netwerk waar mogelijk, ondersteuning op afstand van het sociaal netwerk alleen indien noodzakelijk.

g. Ondersteuning middels groepsaanbod waar mogelijk, individuele ondersteuning alleen indien noodzakelijk.

14. goedkoopst adequate voorziening: de mate waarin de voorziening voor de jeugdige en/of ouder(s) duurzaam bijdraagt aan het behalen van het resultaat.

Zijn meer mogelijkheden adequaat, dan wordt gekozen voor de, naar objectieve maatstaven, goedkoopste voorziening (vanuit de Jeugdwet of andere wetten binnen het Sociaal Domein). Voorzieningen die (op termijn) kostenverhogend werken, zonder dat zij de voorziening passender maken, komen niet voor toekenning in aanmerking.

15. individuele maatwerkvoorziening: om te bepalen of een jeugdige en/of ouder(s) in aanmerking komt voor een individuele maatwerkvoorziening worden lid 1 t/m 14 van dit artikel gehanteerd.

Een individuele maatwerkvoorziening (ZIN of PGB) is pas aan de orde als na onderzoek blijkt dat de jeugdige en/of ouder(s) niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met bovengebruikelijke hulp, met mantelzorg, met voorliggende voorzieningen en /of vrijwilligers voldoende instaat is het aanvaardbare niveau van een veilige ontwikkeling van de jeugdige te bereiken of te behouden. Indien een jeugdige en/of ouder(s) in aanmerking komt voor een individuele maatwerkvoorziening wordt, mede op basis van het gestelde in artikel 11 Verstrekkingsvorm en artikel 12 Persoonsgeboden budget, een keuze gemaakt voor ZIN of PGB.

 

TOELICHTING

 

In de gemeente Leeuwarden wordt gewerkt vanuit het Leeuwarder model.

Het model faciliteert als het ware de beweging van complexe of langdurige ondersteuning naar meer informele ondersteuning. Op de lange termijn is de verwachting dat dienstverlening dichtbij, eigen netwerk en wijkondersteuning leidt tot efficiëntere en effectievere dienstverlening en reductie van dure specialistische zorg.

De idee achter het Leeuwarder model is dat de mate van zelfredzaamheid bepaalt welke ondersteuning we willen inzetten. Dit vergt een andere benadering dan voorheen. Niet het model ‘vraag-aanbod’ maar het individueel maatwerk bepaalt of er toegang wordt gegeven voor professionele ondersteuning. Waarbij de meest kwetsbaren professioneel geholpen worden en de zelfredzamen in principe op zichzelf of hun netwerk zijn aangewezen. Ook geldt dat bij het bieden van ondersteuning meer dan voorheen gekeken wordt naar mogelijkheden om de zelfredzaamheid te vergroten. Wij willen toe naar een situatie waar ondersteuning dicht bij mensen wordt geboden. Wijk- en buurtgericht waar dat kan, stedelijk als dat beter past, regionaal als het effectiever is. We doen dit voor elk van de domeinen: Wmo, Jeugd en Participatie en waar mogelijk zoeken we de samenhang.

 

Het Leeuwarder model onderscheidt drie sporen van ondersteuning:

 

Zelf- en samenredzaamheid

Zelf doen wat je kunt of een beroep doen op het eigen sociaal netwerk. Maar ook vormen van samenwerking in de wijk tussen jeugdige en/of ouder(s) die zich bijvoorbeeld verenigen in wijkpanels of wijkcoöperaties. Dit kan zijn zonder tussenkomst van professionals of als daar wel behoefte aan is, in samenwerking met wijkpartners of andere professionals.

 

Basisondersteuning

Naast de jeugdige en/of ouder(s) bewegen ook professionals zich in de wijk. In het sociaal domein zet de gemeente de sociale wijkteams centraal, die met generalistische sociaal werkers zich richten op alle leefgebieden van de jeugdige en/of ouder(s). De sociaal werkers gaan er op af en werken door middel van signalering, facilitering, activering en waar nodig ondersteuning met als doel het bevorderen van de zelfredzaamheid en sociale cohesie in de wijk.

 

Aanvullende ondersteuning

Waar nodig zet het sociaal wijkteam aanvullende ondersteuning in. De taken/activiteiten van de sociaal werkers zullen in de wijken worden uitgevoerd. Het sociaal wijkteam vormt een brug naar de jeugdige en/of ouder(s) in de wijk, functionarissen en andere professionals.

 

Tabel 1. Richtlijn gebruikelijke hulp van ouders aan minderjarige kinderen.

 

Kinderen van 0 tot 5 jaar

 

Hebben ouderlijk toezicht nodig.

 

Hebben ondersteuning, begeleiding en stimulans nodig bij alle Algemeen Dagelijkse Levensverrichtingen (ADL).

 

Hebben ondersteuning, begeleiding en stimulans nodig bij hun cognitieve, sociaal emotionele en lichamelijke ontwikkeling.

 

Hebben ondersteuning, begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid

 

Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

 

Hebben ondersteuning, begeleiding en stimulans nodig bij het gebruik van medicatie.

 

Hebben ondersteuning, begeleiding en stimulans nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding.

 

Hebben ondersteuning en begeleiding nodig bij verkeersdeelname.

 

 

Kinderen van 5 tot 12 jaar

 

Hebben ouderlijk toezicht nodig.

 

Hebben begeleiding en stimulans nodig bij ADL.

 

Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun cognitieve, sociaal emotionele en lichamelijke ontwikkeling.

 

Hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid

 

Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

 

Hebben begeleiding en stimulans nodig bij het gebruik van medicatie.

 

Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding.

 

Hebben begeleiding nodig bij verkeersdeelname.

 

Hebben vanaf 5 jaar een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 24 uur per week

 

 

Jeugdigen van 12 tot 18 jaar

 

Hebben toezicht nodig van ouders.

Vanaf 12 jaar kunnen ze enkele uren alleen gelaten worden.

Vanaf 16 jaar kunnen ze een dag en/of nacht alleen gelaten worden.

 

Hebben stimulans en/of controle nodig bij ADL.

 

Hebben begeleiding, stimulans en/of controle nodig bij hun cognitieve, sociaal emotionele en lichamelijke ontwikkeling.

 

Hebben begeleiding, stimulans en/of controle nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid.

 

Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

 

Hebben stimulans en controle nodig bij het gebruik van medicatie.

 

Hebben stimulans nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding.

 

Hebben een reguliere dagbesteding op school/opleiding.

 

Artikel 11. Verstrekkingsvorm

 

1. Een algemene voorziening kan alleen in de vorm van zorg in natura worden verstrekt.

2. Een individuele maatwerkvoorziening kan in de vorm van zorg in natura (ZIN) of persoonsgebonden budget (PGB) worden verstrekt.

3. Een combinatie van ZIN en PGB is mogelijk.

4. Een combinatie van ZIN en PGB binnen één individuele maatwerkvoorziening is alleen mogelijk als het PGB aangewend wordt voor informele ondersteuning.

5. In afwijking op lid 2 wordt een PGB in principe niet verstrekt voor Dyslexiezorg, Pleegzorg, Hoogspecialistische Jeugdhulp en Crisishulp.

 

Artikel 11A. Keuze aanbieder (ZIN)

 

1. Om te bepalen welke gecontracteerde aanbieder de noodzakelijke ondersteuning mag bieden, hanteert de verwijzer de volgende criteria:

a. De wens van de jeugdige en/of ouder(s) (en zijn netwerk)

b. De specifieke zorgbehoefte van de jeugdige en/of ouder(s)

c. Nabijheid van de zorgaanbieder (afstand van woonadres jeugdige en/of ouder(s))

d. Wachttijden/beschikbaarheid bij de zorgaanbieder

e. Levensovertuiging van de jeugdige en/of ouder(s)

f. Vanuit zorgperspectief vereiste zorgcontinuïteit

2. Als op grond van lid 1 blijkt dat meerdere gecontracteerde aanbieders aan de criteria voldoen en de jeugdige en/of ouder(s) heeft nog steeds geen voorkeur, dan beslist de jeugdige en/of ouder(s) via loting.

 

Artikel 12. Persoonsgebonden budget

 

Om te bepalen of een persoonsgebonden budget (PGB) voor de jeugdige en/of ouder(s) toegankelijk en passend is en conform de daarvoor opgestelde regels wordt besteed, worden de volgende aspecten getoetst en/of gewogen:

 

1. Om in aanmerking te komen voor een PBG dient te zijn voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. Er is op basis van het Algemeen toetsings- en afwegingskader (zie artikel 10) bepaald dat de jeugdige en/of ouder(s) in aanmerking komt voor ondersteuning in de vorm van een individuele maatwerkvoorziening.

b. De jeugdige en/of ouder(s) zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat de voorziening die een gecontracteerde zorgaanbieder levert niet passend is.

c. De jeugdige en/of ouder(s) danwel zijn vertegenwoordiger is voldoende vaardig om de aan de PGB verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren.

De taken die behoren bij het PGB zijn:

I. Het opstellen van een budgetplan.

II. Het opstellen van een zorgovereenkomst.

III. Opdrachtgever/werkgever kunnen zijn van de zorgaanbieder, met alle daarbij behorende verplichtingen waaronder het aansturen van de zorgaanbieder en het regelen van vervanging bij ziekte of vakantie.

IV. Verantwoord beheren van het budget, waaronder het controleren van declaraties, indienen van facturen en het voeren van een administratie.

V. Zicht houden op de kwaliteit, veiligheid en doeltreffendheid van de zorg en passende maatregelen nemen indien een van deze zaken onvoldoende is.

VI. Verantwoording afleggen aan de gemeente wanneer de gemeente daar om vraagt

VII. Wijzigingen, waaronder verhuizing of stopzetting van de zorg, direct doorgeven aan de gemeente en de Sociale Verzekeringsband (SVB).

d. Het ondersteuningsaanbod dat met een PGB zal worden ingekocht is veilig, doeltreffend en cliëntgericht.

Voor zorgaanbieders die vanuit het PGB formele ondersteuning bieden, gelden dezelfde eisen als bij zorgaanbieders die vanuit ZIN ondersteuning bieden, zie ook het kwaliteitskader Sociaal Domein gemeente Leeuwarden op de website www.lwdvoorelkaar.nl

2. In aanvulling op lid 1, sub c kan een persoon in de volgende gevallen in ieder geval geen PGB beheren als de persoon:

a. Niet over een woonadres beschikt volgende de BRP.

b. In detentie zit.

c. In de schuldsanering zit of daarvoor een verzoek heeft ingediend.

d. Surseance van betaling heeft aangevraagd of failliet is verklaard.

e. Een verslaving heeft, zoals alcohol, drugs of gokken.

f. Eerder een PGB heeft beheerd en toen gebleken is dat deze persoon onvoldoende vaardig was en/of de verplichtingen niet nakwam en/of sprake is geweest van fraude met een PGB.

3. De persoon die het PGB beheert mag niet tevens de (formele of informele) zorgaanbieder zijn, tenzij het een ouder van de jeugdige betreft of er in het geval van informele ondersteuning geen alternatief is.

4. Met een PGB kan de jeugdige en/of ouder(s) zelf individuele maatwerkvoorzieningen inkopen. De zelfgekozen zorgaanbieder kan in bepaalde gevallen meer passend en/of goedkoper zijn.

De jeugdige en/of ouders(s) voert met een PGB zelf regie over zijn eigen ondersteuning.

De jeugdige en/of ouder(s) kan met een PGB kiezen voor formele ondersteuning en/of voor informele ondersteuning (zie artikel 1 Begripsbepaling).

Inzet van het sociaal netwerk met een vergoeding vanuit een PGB kan alleen in situaties waarin:

a. De benodigde ondersteuning niet op eigen kracht kan worden opgelost én

b. Het de gebruikelijke hulp overstijgt én

c. Mantelzorg geen passende oplossing biedt én

d. Er geen mogelijkheden zijn in de vorm van een voorliggende voorziening én

e. Inzet van vrijwilligers niet mogelijk is én

f. Dit aantoonbaar tot een beter resultaat leidt en aantoonbaar doelmatiger is dan formele ondersteuning of zorg in natura.

5. De zorgaanbieder die ondersteuning vanuit een PGB niet mag niet tevens de rol van vertrouwenspersoon ten opzichte van de jeugdige en/of ouder(s) hebben (gehad)

6. Indien vanuit een PGB informele ondersteuning wordt ingezet moet er samen met het budgetplan een (nieuwe) Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) ingeleverd worden, tenzij de persoon die de informele ondersteuning biedt de gezaghebbende ouder is.

7. Het is toegestaan dat de jeugdige en/of ouder(s) samen met anderen ondersteuning inkoopt met het PGB.

Het ondersteuningsplan, de aanvraag, het budgetplan, de beschikking en de verantwoording blijft wel individueel.

8. Om te bepalen of met informele ondersteuning het beoogde resultaat behaald kan worden, worden de volgende aspecten gewogen:

a. Kan de jeugdige en/of ouder(s) zijn keus om een informele ondersteuning in te schakelen goed motiveren.

b. Heeft zorgaanbieder die de informele ondersteuning gaat bieden op geen enkele wijze druk uitgeoefend op de jeugdige en/of ouder(s) bij zijn keuze.

c. Is de zorgaanbieder die de informele ondersteuning gaat bieden in staat om het type, de omvang, de frequentie en de duur van de ondersteuning te bieden.

d. Wordt de kwaliteit van de geboden ondersteuning voldoende geborgd.

e. Wat is de totale belasting van de zorgaanbieder die informele ondersteuning biedt (gebruikelijke hulp, mantelzorg, betaald en onbetaald werk en persoonlijke omstandigheden).

f. Is het mogelijk om een keer over te kunnen slaan of zijn er mogelijkheden om tijdelijk de ondersteuning uit handen te kunnen geven in geval van vakantie of ziekte.

9. In het budgetplan dient het volgende te worden opgenomen:

a. Aan welke vorm van ondersteuning het budget besteed gaat worden.

b. Wat het beoogd resultaat van de ondersteuning is.

c. Door wie de ondersteuning geleverd gaat worden.

d. Welke activiteiten uit het budget betaald gaan worden.

e. Een begroting met daarin opgenomen het werkelijk tarief van de zorgaanbieder die de ondersteuning gaat bieden.

10. De jeugdige en/of ouder(s) dient voor het afsluiten van een zorgovereenkomst gebruik te maken van de door de SVB beschikbaar gestelde model zorgovereenkomsten.

11. Een uitbetaling vindt plaats op basis van een declaratie.

Een declaratie bevat in ieder geval:

a. De naam van de zorgaanbieder;

b. Het burgerservicenummer van de zorgaanbieder;

c. Het belastingnummer van de zorgaanbieder die formele ondersteuning biedt;

d. Een overzicht van de data en het aantal uren, dagdelen, etmalen waarop de ondersteuning is geboden;

e. Het tarief;

f. Ondertekening van de zorgaanbieder.

12. De volgende bestedingsregels gelden voor een PGB

a. Beheerkosten (coördinatie, administratie e.d.) mogen niet uit het PGB worden betaald.

b. Bemiddelingskosten mogen niet worden betaald vanuit het PGB.

c. Na het overlijden van de jeugdige mag, indien niet teruggevallen kan worden op het sociaal netwerk, vanwege activiteiten verband houdend met het overlijden maximaal een gemiddelde maandbedrag, berekend over de laatste drie gewerkte maanden, door de zorgaanbieder gedeclareerd worden.

d. Het bedrag dat niet verantwoord hoeft te worden betreft alleen de jaarlijks basislidmaatschapskosten voor ‘Per Saldo’(de belangenorganisatie voor PGB houders).

e. Er mag een feestdagen uitkering verstrekt worden van maximaal €100,- in totaal op jaarbasis.

f. Er mag maximaal € 0,19 per kilometer reiskosten aan zorgaanbieder die de ondersteuning biedt betaald worden op basis van een reisafstand vanaf 6 km (enkele reis) tot maximaal 150 km per persoon per keer (retour).

g. Voor sub d tot en met sub f wordt geen extra budget toegekend.

13. De jeugdige en/of ouder(s) die langer dan 4 weken (28 dagen) naar het buitenland gaat en dan ondersteuning in het buitenland wil inkopen, moet toestemming vragen van het college.

Het inkopen van ondersteuning in het buitenland is in uitzonderlijke situaties maximaal 13 weken per kalenderjaar toegestaan.

Het PGB wordt dan aangepast aan het tarief dat gehanteerd wordt in het land waar men gedurende deze periode verblijft, met een maximum van het binnen de gemeente Leeuwarden vastgestelde PGB tarief.

14. De jeugdige en/of ouder(s) mag, naar zijn of haar behoefte, de ene periode meer ondersteuning inkopen dan de andere periode, zolang het totaal beschikte budget (per kalenderjaar) niet wordt overschreden.

De jeugdige en/of ouder(s) is in dit geval wel verplicht om per periode een factuur in te dienen over de werkelijk ontvangen uren ondersteuning. Het afspreken van een vast maandloon is niet toegestaan.

15. Indien de jeugdige en/of ouder(s) een duurdere voorziening wil inkopen dan met het verstrekte PGB mogelijk is, dan kan dit, maar betaalt de jeugdige en/of ouder(s) het meerdere zelf.

16. Het PGB wordt niet rechtstreeks overgemaakt op de rekening van de jeugdige en/of ouder(s). Dit is wettelijk geregeld om misbruik en oneigenlijk gebruik van PGB tegen te gaan. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) doet de betalingen rechtstreeks aan de zorgaanbieder.

Deze regeling, trekkingsrecht geheten, geldt voor alle gemeenten.

17. De zorgovereenkomst die de jeugdige en/of ouder(s) afsluit met de zorgaanbieder die de ondersteuning vanuit het PGB gaat bieden, dient door de gemeente en de SVB goedgekeurd te zijn alvorens uren van de betreffende zorgaanbieder gedeclareerd kunnen worden.

18. Degene die daadwerkelijk de ondersteuning aan de jeugdige en/of ouder(s) biedt, dient dezelfde te zijn als de persoon danwel zorgaanbieder waarmee de jeugdige en/of ouder(s) de zorgovereenkomst heeft afgesloten. Dit is niet van toepassing bij vervangen van ziekte of vakantie.

19. Het aantal door de zorgaanbieder gewerkte en betaalde uren mag niet afwijken van het Arbeidstijdenbesluit en mag indien het Arbeidstijdenbesluit niet van toepassing is, niet meer bedragen dan veertig uur per week, bij het vaststellen of deze veertig uur per week overschreden wordt ka ook betrokken worden de hoeveel ondersteuning die deze persoon, al dan niet via een PGB, levert aan andere personen of gezinsleden.

20. De jeugdige en/of ouder(s) dient alle documenten die betrekking hebben op het PGB en de inhuur van een zorgaanbieder te bewaren.

Onder deze documenten vallen in ieder geval:

a. De beschikking afgegeven door de gemeente Leeuwarden.

b. Het PGB-budgetplan.

c. De zorgovereenkomst(en) en wijzigingen op de zorgovereenkomst(en).

d. De facturen/ loonspecificaties SVB.

e. Declaraties/ urenbriefjes.

21. De jeugdige en/of ouder(s) dient de in lid 20 genoemde documenten gedurende vijf jaar te bewaren en als daarom wordt gevraagd (een kopie van) de stukken aan de gemeente te verstrekken. De gemeente kan de stukken opvragen bij een steekproefsgewijze controle op de kwaliteit en/of rechtmatigheid van het PGB door de jeugdige en/of ouder(s) en/of de zorgaanbieder.

 

Artikel 13. Schending Inlichtingenplicht

 

1. Bij signalen danwel een vermoeden van schending inlichtingenplicht, conform de verordening artikel 15 lid 1, is de gemeentelijke toezichthouder bevoegd onderzoek te verrichten. De jeugdige en/of ouder(s), de budgethouder PGB en de zorgaanbieder(s) zijn verplicht aan dit onderzoek mee te werken en alle relevante schriftelijke en mondelinge informatie ten behoeve van dit onderzoek aan de gemeentelijke toezichthouder te verstrekken.

2. Het college kan bij geconstateerde schending inlichtingenplicht een besluit tot verstrekking van een individuele maatwerkvoorziening of het PGB geheel of gedeeltelijk intrekken.

3. Aanvullend op lid 2 kan het college, bij geconstateerde opzettelijke schending inlichtingenplicht, van de jeugdige en/of ouder(s) en van degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten individuele maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten PGB.

4. Indien de beschikking voor een PGB is gewijzigd of ingetrokken vanwege toerekenbaar handelen van de zorgaanbieder die ten laste van het PGB formele of informele ondersteuning levert, ontstaat een vordering op die zorgaanbieder. De vordering bedraagt het bedrag gelijk aan het door de zorgaanbieder, vanwege het toerekenbaar handelen, ten laste van het PGB ten onrechte ontvangen bedrag. Dit derdenbeding is onherroepelijk en blijft ook na beëindiging van de zorgovereenkomst van kracht.

 

Artikel 14. Invorderen

 

1. De wijze van invorderen van de geldswaarde van de ten onrechte genoten individuele maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten PGB (artikel 13, lid 3) vindt plaats conform artikel 4:92 van de Awb.

2. Het aflossingsbedrag, zoals medegedeeld in het terug- of betalingsbesluit, geldt als een opgelegde betalingsverplichting.

3. De betalingscapaciteit in het inkomen is gelijk aan het gedeelte van het inkomen dat de beslagvrije voet overschrijdt.

4. Indien en voor zover geïndiceerd wordt de beslagvrije voet, conform artikel 475d, vijfde lid Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, verhoogd.

5. Bij de vaststelling van de betalingsverplichting en de betalingscapaciteit in het inkomen dient rekening gehouden te worden met de bijzondere, financiële en persoonlijke omstandigheden van belanghebbende.

6. De termijn waarbinnen deze betalingsverplichting moet plaatsvinden moet worden voldaan bedraagt, conform artikel 4:87 van de Awb, zes weken.

7. Elk voorstel van de belanghebbende, waarbij het totaal bedrag van de nieuwe vorderingen in beginsel binnen een termijn van 36 maanden betaald wordt, wordt geaccepteerd.

8. Voor zover de belanghebbende beschikt over activa, die nauw samenhangen met de ontstaansgrond van de vordering, wordt teruggevorderd ten laste van deze activa.

9. Vervolgens wordt zoveel mogelijk ineens teruggevorderd ten laste van het vermogen, waaronder wordt verstaan alle aan de belanghebbende in eigendom toebehorende roerende en onroerende zaken en vermogensrechten, voor zover het vermogen na aftrek van alle schulden, uitgezonderd de gemeentelijke vorderingen, een bedrag van € 1.500,- te boven gaat.

 

Artikel 15. Hardheidsclausule

 

1. Indien toepassing van deze beleidsregels in een individueel geval zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aardt, kan het college hiervan ten gunste van de jeugdige en/of ouder(s) afwijken.

 

Artikel 16. Slotparagraaf

 

1. Vaststelling en inwerkingtreding

De beleidsregels Jeugdhulp 2018-2 gemeente Leeuwarden zijn vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders van Leeuwarden op 5 juni 2018 en treden in werking op 15 juni 2018, onder gelijktijdige intrekking van de Beleidsregels Jeugdhulp 2018.

2. Overgangsrecht

a. De beleidsregels Jeugdhulp 2018-2 gemeente Leeuwarden treden in werking op 15 juni 2018 en zijn van toepassing op alle aanvragen die vanaf de datum van inwerkingtreding worden ingediend;

b. De Beleidsregels Jeugdhulp 2018 zijn van toepassing op alle aanvragen die vanaf 1 januari 2018 tot 15 juni 2018 worden ingediend.

3. Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Beleidsregels Jeugdhulp 2018-2 gemeente Leeuwarden’.