Regeling vervallen per 06-11-2010

Bomenverordening 1996

Geldend van 06-11-2010 t/m 05-11-2010

Intitulé

Bomenverordening 1996

HOOFDSTUK 1 HET BEWAREN VAN HOUTOPSTANDEN

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

  • 1. In deze verordening wordt verstaan onder:

    • a.

      boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam. In het kader van een herplant- of instandhoudingsplicht kunnen voorschriften gesteld en maatregelen genomen worden voor bomen kleiner dan 10 cm dwarsdoorsnede op 1,3 meter boven maaiveld;

    • b.

      houtopstand: één of meer bomen, hakhout, een houtwal, een grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken, een beplanting van bosplantsoen;

    • c.

      hakhout: één of meer bomen of boomvormers, die na te zijn geveld opnieuw op de stronk uitlopen;

    • d.

      bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet;

    • e.

      boomwaarde: het getal dat, overeenkomstig de Verbeterde Methode Raad, wordt gevonden door het produkt van de factoren:

      • -

        de oppervlakte in cm² van de dwarsdoorsnede op 1,3 meter boven het maaiveld;

      • -

        de geïndexeerde eenheidsprijs per cm²;

      • -

        de standplaatswaarde;

      • -

        de conditiewaarde;

      • -

        de waarde van de plantwijze;

    • f.

      monumentale boom of houtopstand: een boom of houtopstand die als zodanig is aangewezen op een door Burgemeester en Wethouders vast te stellen lijst van monumentale bomen en houtopstanden, als bedoeld in hoofdstuk 3 van deze verordening;

    • g.

      bijzondere of waardevolle boom, boomgroep of houtopstand: een boom, boomgroep of houtopstand die als zodanig door Burgemeester en Wethouders is gemerkt;

    • h.

      bomenfonds: een fonds waaruit Burgemeester en Wethouders een bijdrage kunnen verlenen in de kosten van maatregelen, die noodzakelijk zijn voor het duurzaam instandhouden van monumentale bomen of houtopstanden, bijzondere of waardevolle bomen of houtopstanden, beeldbepalende boomgroepen of bomen, boomgroepen of houtopstanden waarvoor een kapvergunning is geweigerd dan wel voor bomen, boomgroepen of houtopstanden waarvoor een instandhoudingsplicht is opgelegd;

    • i.

      bevoegd gezag: het bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

  • 2. In deze verordening wordt onder vellen verstaan het rooien, met inbegrip van het verplanten, alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige (vorm)beschadiging of ernstige ontsiering van een boom, een boomgroep of een houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

Artikel 2. Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

  • 1. Het is verboden een boom of houtopstand te vellen of te doen vellen.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor houtopstanden, die op bosbouwkundige of bedrijfs-economische wijze worden geëxploiteerd, indien het betreft:

    • a.

      populieren en wilgen als wegbeplantingen en éénrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, tenzij deze zijn geknot;

    • b.

      fruitbomen en windschermen om boomgaarden;

    • c.

      fijnsparren of andere coniferen, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;

    • d.

      kweekgoed;

    • e.

      houtopstand, die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde bosbouw-ondernemingen en niet gelegen is binnen een bebouwde kom tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt en, in geval van rijbeplanting, gerekend over het totale aantal rijen, niet meer bomen omvat dan 20;

    • f.

      houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving op last van Burgemeester en Wethouders, zulks onverminderd het bepaalde in artikelen 7 en 10 van deze verordening.

Artikel 3. Aanvraag vergunning

  • 1. De vergunning moet schriftelijk en onder opgave van de reden(en), onder bijvoeging van tenminste een gemaatvoerde schets van de huidige en de toekomstige situatie, alsmede de gewenste kapdatum, worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degenen, die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de boom of de houtopstand te beschikken.

  • 2. Wanneer de directeur Natuur, Bos, Landschap en Fauna van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij aan Burgemeester en Wethouders een afschrift heeft toegezonden van de ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 2. van de Boswet, wordt dit afschrift mede als een vergunningaanvraag beschouwd.

  • 3. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2.

Artikel 4. Weigering ex lege

De vergunning wordt geacht te zijn geweigerd, indien geen beslissing is genomen binnen twaalf weken van ontvangst van de aanvraag.

Artikel 5. Weigeringsgronden

  • 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 6 van deze verordening weigert het bevoegd gezag als bedoeld in de Wabo een vergunning indien de aanvraag betrekking heeft op een monumentale boom of houtopstand als bedoeld in hoofdstuk 3 van deze verordening.

  • 2. Het bevoegd gezag als bedoeld in de Wabo kan de vergunning weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van:

    • a.

      natuur- en milieuwaarden;

    • b.

      landschappelijke waarden;

    • c.

      cultuurhistorische waarden;

    • d.

      waarden van stadsschoon;

    • e.

      waarden voor recreatie en leefbaarheid;

    • f.

      dendrologische waarden;

    • g.

      kwaliteitsverbetering van de openbare ruimte door het verplaatsen of verwijderen van bomen en houtopstanden.

  • 3. Bij de beslissing op een aanvraag verwijzen Burgemeester en Wethouders zoveel mogelijk naar gemeentelijke bestemmings-, groen-, bomen- of landschapsplannen.

Artikel 6. Spoedeisende gevallen

Het bevoegd gezag als bedoeld in de Wabo kan toestemming geven tot direct vellen, indien sprake is van grote gevaarzetting, waaronder mede begrepen het gevaar voor besmettelijke ziekten.

Artikel 7.Voorschriften

  • 1. Aan een vergunning kan het voorschrift worden verbonden dat van de vergunning geen gebruik mag worden gemaakt dan nadat zes weken na de bekendmaking van de vergunning zijn verstreken, danwel indien gedurende deze termijn een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend en door de President van de Rechtbank een beslissing is genomen op dit verzoek.

  • 2. Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag als bedoeld in de Wabo te geven aanwijzingen moet worden herplant. Indien een gemeentelijk bestemmings-, bomen-, groen-, of landschapsplan de te vellen houtopstand direct of indirect als bijzonder of waardevol omschrijft, wordt in beginsel een herplantplicht opgelegd.

  • 3. Wordt een voorschrift als bedoeld in het tweede lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  • 4. Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften behoort het verbod om gedurende het broedseizoen geen gebruik te maken van de vergunning, tenzij het bevoegd gezag als bedoeld in de Wabo om zwaarwegende redenen van dit voorschrift afwijken. Voorts kunnen overige voorschriften ter bescherming van flora en fauna aan de vergunning worden verbonden.

  • 5. Wanneer een vergunning als bedoeld in artikel 2 wordt aangevraagd ter realisering van een bouwplan kan aan de vergunning het voorschrift worden verbonden dat van de vergunning geen gebruik mag worden gemaakt totdat de beslissing op de aanvraag van een bouwvergunning onherroepelijk is geworden.

Artikel 8. Bekendmaking

Indien een vergunning wordt verleend of geweigerd, wordt deze beslissing of mededeling zo spoedig mogelijk bekendgemaakt in een lokaal dag- of nieuwsblad.

Artikel 9. Vervaltermijn

De vergunning vervalt, indien daarvan niet binnen maximaal één jaar na het onherroepelijk worden daarvan gebruik is gemaakt.

Artikel 10. Herplant-/instandhoudingsplicht

  • 1. Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag als bedoeld in de Wabo is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kunnen Burgemeester en Wethouders aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond, dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, verplichten tot herbeplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzigingen binnen een door hen te stellen termijn dan wel verplichten tot het betalen van een financiële compensatie.

  • 2. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  • 3. Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kunnen het bevoegd gezag als bedoeld in de Wabo aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt, dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.

  • 4. Indien het bevoegd gezag als bedoeld in de Wabo van de in het derde lid genoemde bevoegdheid gebruikmaken kunnen zij daarbij bepalen dat de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, in aanmerking komt voor een bijdrage uit het Bomenfonds.

Artikel 11. Schadevergoeding

Burgemeester en Wethouders beslissen op een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 17, juncto artikel 13 vierde lid, van de Boswet.

Artikel 12. Afstand van de erfgrenslijn

De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heggen en heesters.

HOOFDSTUK 2 DE BESTRIJDING VAN BESMETTELIJKE ZIEKTEN

Artikel 13. Begripsomschrijving

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    iepeziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau;

  • b.

    iepespintkever: het insekt, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytys (F.) en Scolytus multistratus (Marsch) en Scolytus pygmaeus.

Artikel 14. Verbod

  • 1. Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing op geheel ontbast iepehout en op iepehout met een doorsnede kleiner dan 4 centimeter.

  • 3. Burgemeester en Wethouders kunnen slechts ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod ten behoeve van het transport van gevelde iepen of delen daarvan. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 15. Aanschrijving

  • 1. Indien zich op een terrein één of meer iepen bevinden die naar het oordeel van Burgemeester en Wethouder gevaar opleveren van verspreiding van de iepeziekte of voor vermeerdering van de iepespintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door Burgemeester en Wethouders is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen voorwaarden:

    • a.

      indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;

    • b.

      de iepen te ontbasten en de bast te vernietigen;

    • c.

      de niet ontbaste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepeziekte wordt voorkomen.

  • 2. Indien gevaar voor besmetting door andere ziekten zulks noodzakelijk maakt kunnen Burgemeester en Wethouders de rechthebbende verplichten tot het treffen van bij aanschrijving vast te stellen maatregelen.

HOOFDSTUK 3 MONUMENTALE, BIJZONDERE OF WAARDEVOLLE BOMEN en HOUTOPSTANDEN

Artikel 16. Lijst van monumentale bomen en houtopstanden

  • 1. Burgemeester en Wethouders stellen een lijst van monumentale bomen en houtopstanden vast en kunnen daarin ambtshalve of op verzoek wijzigingen aanbrengen.

  • 2. Burgemeester en Wethouders kunnen een boom of een houtopstand van tenminste 50 jaar oud op de lijst plaatsen indien deze als monumentaal worden aangemerkt, omdat:

    • a.

      de boom of houtopstand van een in Leiden zeldzame soort, van een zeldzaam type of van een hoge leeftijdsklasse is, of

    • b.

      de boom of houtopstand onderdeel is van - en van vitale betekenis is voor - een biotoop van een (in de omgeving van Leiden) schaars voorkomende planten- of diersoort dan wel indien de boom of houtopstand anderszins van meer dan een normale ecologische betekenis is.

  • 3. Burgemeester en Wethouders leggen een voorgenomen besluit tot plaatsing op de lijst zonodig om advies voor aan de Commissie voor monumentale en bijzondere bomen.

  • 4. De lijst vermeldt tenminste een voor een ieder goed herkenbare omschrijving, de standplaats, het kadastrale perceelsnummer, de eigenaar en/of zakelijk gerechtigde en de reden van plaatsing van iedere boom, boomgroep of houtopstand. Zo nodig worden de onderdelen waarop de bescherming is gericht met name genoemd.

Artikel 17. Bekendmaking

Een besluit tot plaatsing op de lijst wordt onverwijld meegedeeld aan de eigenaar en/of zakelijk gerechtigde en voorts aan degenen die om plaatsing hebben verzocht. Van een besluit tot plaatsing op de gemeentelijke lijst doen Burgemeester en Wethouders voorts openbare kennisgeving.

Artikel 18. Wijziging van de lijst

  • 1. Burgemeester en Wethouders kunnen besluiten tot het afvoeren van een monumentale boom of houtopstand van de lijst indien:

    • a.

      de boom of houtopstand in een onomkeerbare slechte conditie verkeert;

    • b.

      sprake is van dreigend gevaar of schade voor derden;

    • c.

      de reden om tot plaatsing op de lijst over te gaan niet meer aanwezig is;

    • d.

      zwaarwegende belangen op het terrein van de volkshuisvesting, de ruimtelijke ordening of milieubeheer dit vereisen.

  • 2. Aan een besluit als bedoeld in het eerste lid kunnen voorschriften worden verbonden.

  • 3. Een besluit tot wijziging van de lijst wordt, behoudens het bepaalde in artikel 6 van deze verordening, niet eerder genomen dan na advies van de Commissie voor monumentale en bijzondere bomen.

Artikel 19. Bijzondere of waardevolle bomen, boomgroepen of houtopstanden

  • 1. Burgemeester en Wethouders kunnen ambtshalve of op verzoek bomen of houtopstanden als bijzonder of waardevol aanmerken wanneer de boom of houtopstand:

    • a.

      beeldbepalend is voor het karakter van de omgeving, of

    • b.

      een onderdeel vormt van een houtopstand die als zodanig is aangemerkt in de hoofdstructuurkaart in de Bomennota en die karakteristiek is voor stad en/of landschap, of

    • c.

      ter gelegenheid van een belangrijke maatschappelijke gebeurtenis is geplant (een gedenkboom), of

    • d.

      bijzonder is door zijn uitzonderlijke hoogte, dikte, snoeiwijze of anderszins.

  • 2. Burgemeester en Wethouders kunnen ambtshalve of op verzoek een boomgroep als bijzonder of waardevol aanmerken wanneer deze op zichzelf of vanwege de stedebouwkundige ligging of vanwege de samenhang met de gebouwde omgeving beeldbepalend is.

  • 3. Indien een boom, boomgroep of houtopstand als bijzonder of waardevol is aangemerkt kunnen Burgemeester en Wethouders daarvoor slechts op zwaarwegende gronden en na advies van de Commissie voor monumentale en bijzondere bomen een kapvergunning verlenen en steeds onder de voorwaarde dat een nader door Burgemeester en Wethouders te bepalen financiële compensatie in het Bomenfonds wordt gestort.

Artikel 20. Bomenfonds

  • 1. Er is een bomenfonds voor het onderhoud en de instandhouding van monumentale, bijzondere of waardevolle bomen, boomgroepen of houtopstanden, of bomen, boomgroepen of houtopstanden waarvoor een kapvergunning is geweigerd dan wel voor bomen, boomgroepen of houtopstanden waarvoor een instandhoudingsplicht is opgelegd, alsmede voor de uitbreiding van aantallen bomen, boomgroepen of houtopstanden.

  • 2. Burgemeester en Wethouders stellen nadere regels vast voor storten van een bijdrage in en het toekennen van een bijdrage uit het bomenfonds.

HOOFDSTUK 4 STRAF- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 21. Strafbepaling

  • 1. Degene aan wie een voorschrift als bedoeld in artikel 7, eerste of tweede lid, of artikel 18, tweede lid, of artikel 19, tweede lid, is gegeven, onderscheidenlijk een verplichting als bedoeld in artikel 10 of artikel 15, eerste of tweede lid, is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is gehouden dienovereenkomstig te handelen.

  • 2. Indien overtreding van enig artikel van deze verordening niet strafbaar is gesteld krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordt overtreding van het bij of krachtens de in deze verordening genoemde artikelen gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie.

Artikel 22. Opsporing

Met de opsporing van de in deze afdeling strafbaar gestelde feiten zijn, behalve de ambtenaren, genoemd in artikel 141 van het Wetboek van strafvordering, belast de daartoe door Burgemeester en Wethouders aangewezen ambtenaren.

Artikel 23. Betreden van gebouwen en terreinen

Zo dikwijls de zorg voor de naleving van enig voorschrift van deze afdeling dit vereist, wordt hierbij aan hen die met de zorg voor de naleving daarvan zijn belast of daaraan moeten meewerken, de last verstrekt gebouwen, niet zijnde woningen, en terreinen te betreden, desnoods tegen de wil van de rechthebbende.

Artikel 24. Slot- en overgangsbepalingen

  • 1. Deze verordening kan worden aangehaald als: Bomenverordening 1996.

  • 2. Zij treedt in werking acht dagen na de dag waarop dit besluit bekend is gemaakt. Op die datum vervalt de Kapverordening 1983 met dien verstande dat:

    • a.

      vergunningen die op grond van de Kapverordening 1983 zijn verleend geacht worden te zijn verleend op grond van deze verordening;

    • b.

      aanvragen om een kapvergunning die voor de inwerkingtreding van deze verordening zijn ingediend behandeld worden overeenkomstig het bepaalde in de Kapverordening 1983;

    • c.

      aanvragen om een kapvergunning die na de inwerkingtreding van deze verordening worden ingediend, maar die noodzakelijk zijn voor de realisering van bouwplannen waarvoor vóór de inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag bouwvergunning is ingediend, behandeld worden overeenkomstig het bepaalde in de Kapverordening 1983.