Treasurystatuut 2004

Geldend van 01-09-2004 t/m heden

Intitulé

Treasurystatuut 2004

1. Inleiding

In de raadsvergadering van 15 januari 2001 is het treasurystatuut van de gemeente Leiderdorp vastgesteld. Onder andere naar aanleiding van de invoering van het duale stelsel en de daarbij behorende wijziging in de gemeentewet is dit treasurystatuut beoordeeld. Door de wijziging van de bevoegdheden in de nieuwe gemeentewet is een herziening van het treasurystatuut noodzakelijk. De opzet van dit nieuwe treasurystatuut is gelijk gehouden aan het bestaande treasurystatuut.

Dit treasurystatuut is een aanvulling op de gemeentewet artikel 212, cq verordening op het lenings- en liquiditeitenbeheer.

De treasuryfunctie omvat alle activiteiten die zich richten op het besturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden, de financiële stromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico’s. De treasuryfunctie bestaat uit vier deelfuncties: risicobeheer, gemeentefinanciering, kasbeheer en debiteuren- en crediteurenbeheer;

De gemeente Leiderdorp onderkent het belang van een verantwoord en adequaat beheer van haar financiële middelen. Zij wenst haar activiteiten op het gebied van treasury op een zo transparant en beheersbaar mogelijke wijze in te richten.

Jaarlijks zal een financieringsparagraaf worden opgenomen in zowel de begroting, de jaarrekening als in de voor- en najaarsnota. Hierin worden de specifieke beleidsvoornemens respectievelijk de uitvoering van het beleid op het gebied van treasury besproken.

Bij het opstellen van dit treasurystatuut is rekening gehouden met de bepalingen van de wettelijke kaders (o.a. Gemeentewet, Wet fido, Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden en de Uitvoeringsregeling financiering decentrale overheden).

In het statuut worden allereerst het begrippenkader en de doelstellingen van de treasuryfunctie van de gemeente geformuleerd. Deze worden vervolgens geconcretiseerd voor de verschillende deelgebieden van treasury: risicobeheer, gemeentefinanciering en kasbeheer. Daarna worden de organisatorische randvoorwaarden van de treasuryfunctie weergegeven. Daarbij ligt het accent op de helderheid omtrent de verdeling van de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Tot slot worden in het statuut de uitgangspunten vastgelegd voor de informatie die noodzakelijk is om het gehele proces beheersbaar en meetbaar te maken en te houden.

In de Memorie van Toelichting worden waar nodig de in het statuut opgenomen artikelen toegelicht. Voor de volledigheid van dit statuut zijn de wettelijke teksten in de bijlage opgenomen.

2. Treasurystatuut 2004

I Begrippenkader

Artikel 1.

In dit statuut wordt verstaan onder:

  • -

    Derivaten Financiële instrumenten die hun bestaan ontlenen aan een bepaalde onderliggende waarde. De onderliggende waarden kunnen financiële producten, zoals leningen of obligaties zijn. Derivaten worden onder andere gebruikt om renterisico’s te sturen en financieringskosten te minimaliseren;

  • -

    Financiering Het aantrekken van benodigde financiële middelen voor een periode van minimaal één jaar. Deze middelen kunnen bestaan uit zowel eigen vermogen als vreemd vermogen;

  • -

    Geldstromenbeheer Al die activiteiten die nodig zijn om liquiditeiten te transfereren zowel binnen de organisatie zelf als tussen de organisatie en derden (betalingsverkeer);

  • -

    Intern liquiditeitsrisico De risico’s van mogelijke wijzigingen in de liquiditeitsplanning en meerjaren investeringsplanning waardoor financiële resultaten kunnen afwijken van de verwachtingen;

  • -

    Kasgeldlimiet Een bedrag op basis van de Wet fido ter grootte van een percentage van het totaal van de jaarbegroting van de gemeente bij aanvang van het jaar;

  • -

    Koersrisico Het risico dat de financiële activa van de organisatie in waarde verminderen door negatieve koersontwikkelingen;

  • -

    Kredietrisico De risico’s op een waardedaling van een vordering ten gevolge van het niet (tijdig) na kunnen komen van de verplichtingen door de tegenpartij als gevolg van insolventie of deficit;

  • -

    Liquiditeitenbeheer Het financieren en uitzetten van middelen voor een periode tot één jaar;

  • -

    Liquiditeitsplanning Een gestructureerd overzicht van de toekomstige inkomsten en uitgaven ingedeeld per tijdseenheid;

  • -

    Rating De inschatting van de kans op eventuele wanbetalingen bij toekomstige rente- en aflossingsbetalingen op schuldpapier;

  • -

    Renterisico Het gevaar van ongewenste veranderingen van de (financiële) resultaten van de gemeente door rentewijzigingen;

  • -

    Renterisiconorm Een bij de aanvang van het jaar op basis van de Wet fido gefixeerd percentage van het totaal van de vaste schuld van de gemeente dat bij de realisatie niet mag worden overschreden;

  • -

    Rentetypische looptijd Het tijdsinterval gedurende de looptijd van een geldlening, waarin op basis van de voorwaarden van de geldlening sprake is van een door de verstrekker van de geldlening niet beïnvloedbare, constante rentevergoeding;

  • -

    Saldobeheer Het beheer van de dagelijkse saldi op de rekeningen;

  • -

    Rentevisie Toekomstverwachting over de rente-ontwikkeling;

  • -

    Solvabiliteitsratio 0% Status die door een bancaire toezichthouder in een EU- lidstaat aan het schuldpapier van een instelling kan worden toegekend;

  • -

    Treasuryfunctie De treasuryfunctie omvat alle activiteiten die zich richten op het besturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden, de financiële stromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico’s. De treasuryfunctie bestaat uit vier deelfuncties: risicobeheer, gemeentefinanciering, kasbeheer en debiteuren- en crediteurenbeheer;

  • -

    Uitzetting Het tijdelijk toevertrouwen van liquiditeiten aan derden tegen vooraf overeengekomen condities en bedingen. Kortlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode tot één jaar en langlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode van één jaar of langer.

II Doelstellingen van de treasuryfunctie

Artikel 2.

De treasuryfunctie van de gemeente dient tot:

  • 1.

    Het verzekeren van duurzame toegang tot financiële markten tegen acceptabele condities;

  • 2.

    Het beschermen van gemeentelijke vermogens- en (rente-)resultaten tegen ongewenste financiële risico’s zoals renterisico’s, koersrisico’s, kredietrisico’s en liquiditeitsrisico’s;

  • 3.

    Het minimaliseren van de externe kosten bij het beheren van de geldstromen en financiële posities;

  • 4.

    Het optimaliseren van de renteresultaten binnen de kaders van de Wet fido respectievelijk de limieten en richtlijnen van dit statuut.

Risicobeheer

III Uitgangspunten risicobeheer

Artikel 3.

Met betrekking tot risicobeheer gelden de volgende algemene uitgangspunten:

  • 1.

    De gemeente mag leningen of garanties uithoofde van de “publieke taak” uitsluitend verstrekken aan door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurde derde partijen, waarbij vooraf advies van de afdeling Financiën wordt ingewonnen over de financiële positie en de kredietwaardigheid van de betreffende partij.

  • 2.

    De gemeente kan middelen uitzetten uithoofde van de treasuryfunctie indien deze uitzettingen een prudent karakter hebben en niet zijn gericht op het genereren van inkomen door het lopen van overmatig risico. Het prudente karakter van deze uitzettingen wordt gewaarborgd middels de richtlijnen en limieten van dit treasurystatuut;

  • 3.

    Het gebruik van derivaten is toegestaan maar deze worden uitsluitend toegepast ter beperking van financiële risico’s; Alvorens een derivatentransactie wordt afgesloten wint de gemeente het advies in van een externe adviseur en vindt goedkeuring plaats door het college van burgemeester en wethouders.

IV Renterisicobeheer

Artikel 4.
  • 1. De kasgeldlimiet wordt niet overschreden conform de Wet fido;

  • 2. De renterisiconorm wordt niet overschreden conform de Wet fido;

  • 3. Nieuwe leningen/uitzettingen worden afgestemd op de bestaande financiële positie en de liquiditeitsplanning;

  • 4. De rentetypische looptijd en het renteniveau van de betreffende lening/uitzetting wordt zo veel mogelijk afgestemd op de actuele rentestand en de rentevisie;

  • 5. De rentevisie van de gemeente wordt twee keer per jaar in de voor- en najaarsnota opgesteld op basis van de rentevisie van minimaal 2 vooraanstaande financiële instellingen.

  • 6. Binnen de kaders gesteld onder lid 3 en lid 4, streeft de gemeente naar spreiding in de rentetypische looptijden van uitzettingen.

V Koersrisicobeheer

Artikel 5.
  • 1. De gemeente beperkt de koersrisico’s op uitzettingen uithoofde van treasury, door daarbij uitsluitend producten te hanteren met minimaal een hoofdsomgarantie aan het einde van de looptijd of te beleggen in vastrentende waarden.

  • 2. Tevens beperkt de gemeente de koersrisico’s door conform artikel 7 de looptijd van de uitzettingen af te stemmen op de liquiditeitsplanning.

VI Kredietrisicobeheer

Artikel 6.
  • 1. Bij het uitzetten van middelen uithoofde van treasury gelden de volgende uitgangspunten:

    • a.

      Uitzettingen vinden uitsluitend plaats bij:

      • -

        Nederlandse overheden, andere publiekrechtelijke lichamen en instellingen met een solvabiliteitsratio van 0%;

      • -

        Financiële instellingen met tenminste een A-rating van één van de volgende erkende rating-bureau’s: Moody’s, Standard & Poors of Fitch IBCA;

    • b.

      Ten einde kredietrisico’s te spreiden wordt:

      • -

        Maximaal 1 miljoen Euro van de onder lid 1.a. bedoelde uitzettingen met een looptijd langer dan 1 jaar bij partijen met een A-rating geplaatst. De resterende middelen worden geplaatst bij partijen met een AA-rating of hoger of bij Nederlandse overheden of andere publiekrechtelijke lichamen met een solvabiliteitsratio van 0%.

    • c.

      Bij het verstrekken van leningen uithoofde van de publieke taak worden indien mogelijk zekerheden of garanties geëist.

VII Intern liquiditeitsrisicobeheer

Artikel 7.

De gemeente beperkt haar interne liquiditeitsrisico’s door haar treasury-activiteiten te baseren op een korte termijn liquiditeitsplanning (looptijd tot één jaar), als mede een meerjarige liquiditeitsplanning met een looptijd gelijk aan de lopende meerjarenbegroting.

VIII Valutarisicobeheer

Artikel 8.

Valutarisico’s worden in de gemeente uitgesloten door uitsluitend leningen te verstrekken, aan te gaan of te garanderen in Euro's. Eventuele valutarisico’s die voortvloeien uit operationele transacties worden door de gemeente direct ingedekt.

Gemeentefinanciering

IX Financiering

Artikel 9.

Bij het aantrekken van financieringen voor een periode van één jaar en langer gelden de volgende uitgangspunten:

  • 1.

    Financieringen worden enkel aangetrokken ten behoeve van de uitoefening van de publieke taak;

  • 2.

    Financiering met externe financieringsmiddelen wordt zoveel mogelijk beperkt door primair de beschikbare interne financieringsmiddelen (reserves en voorzieningen) te gebruiken teneinde het renteresultaat te optimaliseren, één en ander is mede afhankelijk van de rentevisie;

  • 3.

    Toegestane instrumenten bij het aantrekken van financieringen zijn: onderhandse leningen en, commercial paper (CP) en medium term notes (MTN);

  • 4.

    De gemeente vraagt schriftelijk offertes op bij minimaal 3 instellingen alvorens een financiering wordt aangetrokken.

X Langlopende uitzettingen

Artikel 10.

Bij het uitzetten van middelen uithoofde van de treasuryfunctie voor een periode van één jaar en langer gelden de volgende uitgangspunten:

  • 1.

    Uitzettingen worden uitsluitend gedaan onder de in artikel 4,5,6,7 en 8 genoemde voorwaarden;

  • 2.

    De gemeente vraagt schriftelijk offertes op bij minimaal 3 instellingen alvorens een langlopende uitzetting wordt gedaan.

XI Relatiebeheer

Artikel 11.

De gemeente beoogt het realiseren van gunstige c.q. marktconforme condities voor af te nemen financiële diensten en hiervoor gelden de volgende uitgangspunten:

  • 1.

    Bankrelaties en hun bancaire condities worden ten minste ééns per jaar beoordeeld, waarover jaarlijks in de jaarrekening wordt gerapporteerd;

  • 2.

    Bankrelaties dienen wat betreft hun kredietwaardigheid minimaal te voldoen aan de eisen die zijn gesteld in artikel 6;

  • 3.

    Financiële instellingen mogen slechts zijn:

    • ·

      een kredietinstelling die in Nederland op grond van de Wet toezicht kredietwezen 1995, of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte onder toezicht staat;

    • ·

      een effecteninstelling die in Nederland op grond van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte onder toezicht staat;

    • ·

      een beleggingsinstelling die in Nederland op grond van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte onder toezicht staat;

    • ·

      een verzekeraar die in Nederland op grond van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte onder toezicht staat;

    • ·

      een pensioenfonds dat in Nederland op grond van de Pensioen- en spaarfondsenwet onder toezicht staat;

  • 4.

    Tussenpersonen dienen geregistreerd te staan bij de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE) en daarvan een vergunning als makelaar te hebben ontvangen.

Kasbeheer

XII Geldstromenbeheer

Artikel 12.

Teneinde de kosten van het geldstromenbeheer te beperken wordt:

  • 1.

    Het liquiditeitsgebruik beperkt door de geldstromen op gemeenteniveau op elkaar en de liquiditeitsplanning af te stemmen. Hierbij wordt erop toegezien dat de liquiditeitspositie voldoende is om te garanderen dat de verplichtingen tijdig worden nagekomen.

  • 2.

    Het betalingsverkeer zoveel mogelijk elektronisch uitgevoerd binnen één bank;

XIII Saldo- en liquiditeitenbeheer

Artikel 13.

Voor het saldobeheer en het liquiditeitenbeheer gelden de volgende specifieke richtlijnen:

  • 1.

    De gemeente streeft naar concentratie van de overtollige liquiditeiten binnen één rentecompensatiecircuit bij de bank met de gunstigste condities;

  • 2.

    Indien er een liquiditeitsbehoefte ontstaat dan kan de gemeente kortlopende middelen aantrekken. Hierbij wordt – conform artikel 4 lid 1 - de kasgeldlimiet niet overschreden;

  • 3.

    Toegestane instrumenten bij het aantrekken van kortlopende middelen zijn daggeld, kasgeldleningen en kredietlimiet op rekening courant;

  • 4.

    Toegestane instrumenten bij het uitzetten van gelden voor een periode korter dan één jaar zijn rekening-courant, daggeld, spaarrekeningen en deposito’s;

  • 5.

    Bij het extern uitzetten van gelden korter dan één jaar zijn slechts de in artikel 6 genoemde tegenpartijen toegestaan, met inachtneming van artikel 4 lid 1;

  • 6.

    De gemeente vergelijkt bij minimaal 3 instellingen de tarieven bij een bedraghoger dan 1 miljoen euro alvorens middelen worden aangetrokken of uitgezet met een looptijd korter dan één jaar.

Administratieve organisatie en interne controle

XIV Uitgangspunten administratieve organisatie en interne controle

Artikel 14.

In het kader van de treasuryfunctie gelden de volgende algemene uitgangspunten op het gebied van administratieve organisatie en interne controle.

  • 1.

    De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van treasury-activiteiten zijn op eenduidige wijze schriftelijk vastgelegd;

  • 2.

    Bevoegdheden zijn via delegatie en mandaat nader schriftelijk vastgelegd;

  • 3.

    Bij de uit te voeren treasury-activiteiten is functiescheiding doorgevoerd met als belangrijkste voorwaarden:

    • a.

      iedere transactie wordt door minimaal twee functionarissen geautoriseerd (het vier-ogen-principe);

    • b.

      de uitvoering en controle geschiedt door afzonderlijke functionarissen;

    • c.

      de uitvoering en registratie in de financiële administratie geschiedt door afzonderlijke functionarissen.

  • 4.

    Tegenpartijen wordt gevraagd bevestigingen van iedere transactie te versturen naar de financiële administratie zonder tussenkomst van de personen die bevoegd zijn tot het sluiten van de transacties;

  • 5.

    De transacties worden onmiddellijk geregistreerd door de functionaris die de transactie heeft afgesloten en gecontroleerd door de functionaris die belast is met de interne controle.

XV Verantwoordelijkheden

Artikel 15.

De verantwoordelijkheden met betrekking tot de treasuryfunctie van de gemeente staan in onderstaande tabel gedefinieerd.

Functie

Verantwoordelijkheden

De Gemeenteraad

• Het vaststellen van treasurydoelstellingen, het

treasurybeleid, globale richtlijnen en limieten;

• Het vaststellen van het treasurystatuut;

• Het vaststellen van de financieringsparagraaf in begroting en jaarrekening;

• Het evalueren en als gevolg daarvan (eventueel) bijstellen van het treasurybeleid;

• Het uitvoeren van de niet aan het college van B&W

overgedragen treasury-activiteiten.

Commissie 1

• Het uitbrengen van advies over beleidsvoorstellen en

rapportages op het gebied van treasury aan de

Gemeenteraad.

Het college van B&W

• Het uitvoeren van het treasurybeleid (formele

verantwoordelijkheid);

• Het achteraf bekrachtigen van de afgesloten transacties (voor zover de Gemeenteraad dit niet aan zich heeft voorbehouden);

• Het houden van toezicht op het treasurybeleid en de uitvoering hiervan;

• Het rapporteren aan de Gemeenteraad over de uitvoering van het treasurybeleid.

De controller

• Het opzetten van administratieve richtlijnen op het gebied

van treasury;

• Het bewaken van de kwaliteit van de treasuryprocessen;

Functie

Verantwoordelijkheden

• Het controleren van de volledigheid en betrouwbaarheid

van de informatievoorziening van de treasuryfunctie en hierover rapporteren aan het college van B&W;

• Het voeren van de interne controle op de uitgevoerde treasurytransacties en hierover rapporteren aan het hoofd van de afdeling Financiën en het college van B&W.

Afdelingshoofd

Financiën

• Het uitvoeren van de aan haar/hem gemandateerde

treasury activiteiten zoals is opgenomen in het treasurystatuut en de financieringsparagraaf;

• Het conform het mandateringsbesluit aantrekken en uitzetten van gelden in het kader van het saldo- en liquiditeitenbeheer;

• Het zorgdragen voor juiste verantwoording van de uitvoering van de door hem/haar gemandateerde treasury-activiteiten;

• Het rapporteren aan B&W over de uitvoering van het treasurybeheer;

• Het afleggen van verantwoording aan het college van

B&W;

• Het meewerken aan controles door de controller over de uitvoering van de aan haar/hem gemandateerde activiteiten.

De afdelingshoofden

(budgethouders)

• Het zorgdragen voor een goede kwaliteit van de

informatie die hun afdelingen aanleveren aan de afdeling Financiën met betrekking tot toekomstige uitgaven en ontvangsten;

• Het zorgdragen voor het tijdig aanleveren van betrouwbare operationele informatie over toekomstige geldstromen aan de afdeling Financiën;

• Het fiatteren van betalingen en ontvangsten, ten laste c.q. ten gunste van hun budgetten.

De taakcoördinator

administratie

• Het uitvoeren van de activiteiten met betrekking tot de

volgende deelfuncties: het risicobeheer, gemeentefinanciering (financiering, uitzetting en relatiebeheer) en kasbeheer. Deze activiteiten moeten conform dit treasurystatuut en de financieringsparagraaf worden uitgevoerd en de transacties dienen geautoriseerd te zijn door het hoofd afdeling Financiën;

• Het in samenwerking met de beleidsmedewerker opstellen van de rentevisie;

• Het beheren van de geldstromen;

• Het in samenwerking met de beleidsmedewerker onderhouden van contacten met banken, geldmakelaars en overige financiële instellingen;

• Het schriftelijk vastleggen van de treasurytransacties en het doorgeven hiervan aan de kassier;

• Het afleggen van verantwoording aan het hoofd afdeling Financiën over de uitvoering van de aan haar/hem gemandateerde activiteiten.

De kassier

• Het overboeken van saldi tussen bankrekeningen;

• Het afhandelen van het contante en girale betalingsverkeer;

• Het aanleveren van tijdige, volledige en betrouwbare gegevens aan de gemeentelijke administratie;

Functie

Verantwoordelijkheden

• Het rapporteren aan het hoofd Financiën belast met

controle over de uitvoering van de aan haar/hem gemandateerde activiteiten.

Financiële administratie

• Het juist en volledig administreren van de bezittingen,

schulden, rechten, verplichtingen, inkomsten, uitgaven, ontvangsten en betalingen in de verplichtingen- en financiële administratie;

De beleidsmedewerker

van de afdeling Financiën belast met de Treasury

• Het ontvangen van de orderbevestiging van derden en

het controleren of deze overeenkomt met de transactie- informatie zoals verstrekt door de medewerker belast met treasury;

• Het in samenwerking met de taakcoördinator opstellen van de rentevisie;

• Het onderhouden van contacten met banken, geldmakelaars en overige financiële instellingen;

• Het afsluiten van financiële contracten voortvloeiend uit bovenstaande deelfuncties;

• Het in samenwerking met de beleidsmedewerker onderhouden van contacten met banken, geldmakelaars en overige financiële instellingen;

• Het voorbereiden van beleidsvoorstellen op treasurygebied;

• Het afleggen van verantwoording aan het hoofd afdeling Financiën over de uitvoering van de aan haar/hem gemandateerde activiteiten.

De financieel

consulenten

• Het adviseren van de afdelingen over de financiële

gevolgen van hun activiteiten en projecten.

De externe accountant

• Het in het kader van haar reguliere controletaak

controleren omtrent de feitelijke naleving van het treasurystatuut.

XVI Bevoegdheden

Artikel 16.

In onderstaande tabel staan bevoegdheden met betrekking tot treasury-activiteiten weergegeven alsmede de daarbij benodigde fiattering.

Bevoegd functionaris

(eerste handtekening)

Autorisatie door

(tweede handtekening)

Saldo-,liquiditeiten-engeldstromenbeheer

1.Het uitzetten van geld via rekening-

courant, daggeld, spaarrekeningen en deposito's.

Taakcoördinator

administratie

Comptabele

2.Het aantrekken van geld via daggeld,

kasgeldleningen en kredietlimiet op rekening-courant.

Taakcoördinator

administratie

Comptabele

3.Betalingsopdrachten voorbereiden en

versturen

Kassier

Comptabele

Bankrelatiebeheer

4.Bankrekeningen

openen/sluiten/wijzigen

Comptabele/ Kassier

College van B&W

5.Bankcondities en tarieven afspreken

Hoofd afdeling

Financiën

College van B&W

Risicobeheer

6.Het afsluiten van derivatentransacties

Hoofd afdeling

Financiën

college van B&W

Financieringenuitzetting

7.Het afsluiten van kredietfaciliteiten

Hoofd afdeling

Financiën

college van B&W

8.Het aantrekken van gelden via

onderhandse leningen, commercial papers (CP) en medium term notes (MTN).

Hoofd afdeling

Financiën

college van B&W

9.Het uitzetten van gelden met minimaal

een hoofdsomgarantie aan het einde van de looptijd of te beleggen in vastrentende waarden.

Hoofd afdeling

Financiën

college van B&W

10.Het verstrekken van leningen aan

derden uithoofde van de publieke taak

Hoofd afdeling

Financiën

college van B&W

11.Het garanderen van gelden uit hoofd

van de publieke taak

Hoofd afdeling

Financiën

college van B&W

XVII Informatievoorziening

Artikel 17.

Met betrekking tot de treasury-activiteiten dient tenminste de in de onderstaande tabel opgenomen informatie te worden verstrekt door de betreffende functionarissen:

Informatie

Frequentie

Informatie-

verstrekker

Informatie-ontvanger

1.Gegevens m.b.t.

toekomstige uitgaven en ontvangsten voor de liquiditeitsplanning

Maand

Budgethouders

Taakcoördinator

administratie

2.Liquiditeitsplanning

Maand

Taakcoördinator

administratie

Hoofd afdeling financiën

Beleidsmedew Financiën

Portefeuillehouder

3.Beleidsplannen treasury in

financieringsparagraaf van begroting

Jaar

Hoofd afdeling

Financiën

B&W

Gemeenteraad

4.Evaluatie treasury-

activiteiten in financieringsparagraaf van jaarrekening

Jaar

Hoofd afdeling

Financiën

B&W

Gemeenteraad

5.Voortgang onderdelen

treasury via voor- en najaarsnota

Halfjaar

Hoofd afdeling

Financiën

B&W

Gemeenteraad

6.Informatie aan derden

(toezichthouder en CBS)

zoals genoemd in art. 8

Wet fido

Kwartaal

Taakcoördinator

administratie

Derden

XVIII Inwerkingtreding

Artikel 18.

Dit statuut treedt in werking met ingang van - 2004 en daarbij vervalt het op

15 januari 2001 vastgestelde treasurystatuut.

3. Memorie van toelichting

In dit treasurystatuut wordt het treasurybeleid van de gemeente op hoofdlijnen vastgelegd. Dat gebeurt in de eerste plaats door het aangeven van de doelstellingen van de treasuryfunctie (in artikel 2). Vervolgens geeft het bestuur in het statuut aan binnen welke richtlijnen en limieten de doelstellingen dienen te worden gerealiseerd. Een richtlijn is een bindend voorschrift voor een handelswijze die gevolgd moet worden en een limiet is een type richtlijn die een uiterste grens aangeeft. Een belangrijk deel van de limieten en richtlijnen is bepaald door de Wet fido. Middels de limieten en richtlijnen wordt het “risicoprofiel” van de gemeente bepaald, waarbinnen de treasury-activiteiten dienen te worden uitgevoerd.

De financieringsparagraaf in de begroting geeft de beleidsplannen voor de treasuryfunctie voor de komende jaren en in het bijzonder voor het eerstkomende jaar weer. Het bevat onder meer gegevens over de algemene ontwikkelingen en de concrete beleidsplannen binnen de kaders van het statuut. Het gaat hierbij vooral om de plannen voor het risicobeheer, de gemeentefinanciering (analyse financieringspositie, leningen- en garantieportefeuille en uitzettingsportefeuille) en het kasbeheer. Uit de toelichting zal moeten blijken dat de plannen binnen de kaders van de Wet fido en het treasurystatuut blijven. De financieringsparagraaf in het jaarverslag geeft in het bijzonder een verschillenanalyse tussen de plannen zoals deze zijn opgenomen in de begroting en de realisatie in het verslagjaar.

Artikel 2 In artikel 2 worden de doelstellingen van de treasuryfunctie in de gemeente weergegeven, hieronder worden deze doelstellingen afzonderlijk toegelicht.

Artikel 2 lid 1 In de eerste plaats dient de treasury ervoor te zorgen dat de gemeente “duurzaam toegang heeft tot de financiële markten tegen acceptabele condities”. De treasury dient te waarborgen dat de gemeente duurzaam in staat is de voor haar activiteiten benodigde middelen aan te trekken c.q. haar overtollige middelen uit te zetten op de financiële markten (bijv. bij banken). De condities die daar bij worden bedongen dienen, in het licht van de op het betreffende moment gebruikelijke condities, acceptabel (tenminste marktconform) te zijn.

Artikel 2 lid 2 Door haar activiteiten loopt de gemeente de volgende financiële risico’s: renterisico’s, koersrisico’s, kredietrisico’s, interne liquiditeitsrisico’s en valutarisico’s. Het is de taak van de treasury dergelijke risico’s zo veel mogelijk te beperken. In de artikelen 4 tot en met 8 wordt aangegeven op welke wijze dit wordt gewaarborgd.

Artikel 2 lid 3 De derde doelstelling van de treasuryfunctie is het minimaliseren van de kosten bij het beheren van de geldstromen en de financiële posities. Deze kosten bestaan o.a. uit rentekosten, provisies en kosten van het betalingsverkeer. Het is de taak van de treasury het beheer zo efficiënt mogelijk uit te voeren.

Artikel 2 lid 4 De gemeente streeft ernaar haar renteresultaten te optimaliseren.Dit betekent dat de gemeente geen middelen onbenut laat maar streeft naar zo hoog mogelijke renteopbrengsten (c.q. zo laag mogelijk rentekosten) zonder dat daarbij overmatige risico’s worden gelopen. De prioriteiten van de treasuryfunctie liggen in eerste instantie bij het beheersen en beperken van financiële risico’s, de treasuryfunctie is immers géén winstgerichte afdeling (“profit center”). Binnen het acceptabele risicoprofiel zoals vastgesteld in

de Wet fido en dit treasurystatuut kan desondanks worden gestreefd naar optimalisatie van de renteresultaten.

Artikel 3 lid 1 De Wet fido geeft twee belangrijke beleidsmatige uitgangspunten met betrekking tot treasury. Dit betreft de “publieke taak” waarvoor leningen en garanties dienen enerzijds en het prudente karakter van (overige) uitzettingen anderzijds. Er wordt hierbij dus een specifiek onderscheid gemaakt tussen het verstrekken van leningen “uithoofde van de publieke taak” en het uitzetten van middelen “uithoofde van treasury”.

De wet stelt geen eisen aan het verstrekken van leningen engaranties uithoofdevandepublieketaak.Wel wordt in de toelichting op de Wet fido het volgende aangegeven: “Het gemeentebestuur bepaalt de publieke taak. De begroting en de begrotingswijzigingen bepalen het budgettaire kader voor de uitoefening van de publieke taak”. In dit licht is het dus niet de afdeling Financiën die het politieke besluit voor dergelijke garanties en leningen voorbereidt. Wel wordt geadviseerd dat het gemeentebestuur het advies van de Treasury vanuit haar expertise in te winnen alvorens een beslissing te nemen t.a.v. het

verstrekken van leningen of garanties uithoofde van de publieke taak. De gemeente Leiderdorp heeft dit advies overgenomen. De afdeling Financiën adviseert over bijv. Financieringsvoorwaarden en de implicaties van de betreffende aanvraag voor de totale financiële positie van de gemeente. Daarnaast is het van belang

dat de afdeling Financiën de betreffende aanvraag opneemt in haar liquiditeitsplanning.

Artikel 3 lid 2 Conform de Wet fido, dienen uitzettingen “uithoofdevantreasury” (zie toelichting artikel 3 lid 1) een prudent karakter te hebben.

In de Wet fido en de bijbehorende ministeriële regelingen wordt het begrip “prudent” nader uitgewerkt. Het aangaan van financiële transacties met als oogmerk die financiële waarden te zijner tijd eventueel met winst te verkopen, is nadrukkelijk niet toegestaan

(zie artikel 2 lid 2 Wet fido en de memorie van toelichting op de Wet fido). Bankachtige activiteiten – het aantrekken en uitzetten van middelen met als doel het genereren van inkomen – zijn als gevolg van deze bepaling verboden. De richtlijnen en limieten van dit treasurystatuut vallen binnen de kaders van de Wet fido.

De limieten en richtlijnen van dit treasurystatuut zijn specifiek geformuleerd om het prudente karakter van de uitzettingen uithoofde van treasury te garanderen en hebben der halve géén betrekking op (eventueel) verstrekte leningen of garanties uithoofde van de “publieke taak” van de gemeente.

Artikel 3 lid 3 Derivaten zijn financiële instrumenten die hun bestaan ontlenen aan een bepaalde onderliggende waarde. Derivaten kennen een breed toepassingsgebied en worden onder andere gebruikt om renterisico’s te sturen en financieringskosten te minimaliseren. De Wet fido stelt dat derivaten uitsluitend mogen worden gebruikt ter beperking van financiële risico’s.

Gezien de (mogelijke) complexiteit van derivaten en de beperkte kennis binnen de organisatie betreffende dergelijke instrumenten, zal vooraf advies worden ingewonnen van een onafhankelijke adviseur.

Artikel 4 lid 1 Renterisicobeheer omvat het beperken van de invloed van (externe-) rentewijzigingen op de financiële resultaten van de gemeente ;

Een belangrijk uitgangspunt van de Wet fido is het vermijden van grote fluctuaties in de rentelasten van openbare lichamen. Teneinde een grens te stellen aan korte financiering (met een rentetypische looptijd tot één jaar) is in de Wet fido (evenals in de Wet filo) de kasgeldlimiet opgenomen. Juist voor korte financiering geldt dat het renterisico aanzienlijk kan zijn, aangezien fluctuaties in de rente bij korte financiering direct een relatief grote invloed hebben op de rentelasten. De kasgeldlimiet wordt berekend als een percentage1 van het totaal van de jaarbegroting van de gemeente bij aanvang van het jaar.

Artikel 4 lid 2 Het doel van de renterisiconorm is het beheersen van de renterisico’s op de vaste schuld (schuld met een rentetypische looptijd van één jaar of langer) door het aanbrengen van spreiding in de looptijden in de leningenportefeuille. De renterisiconorm kan worden berekend door een vastgesteld percentage2 te vermenigvuldigen met de totale vaste schuld.

Artikel 4 lid 3/4 De gemeente streeft ernaar om de aflossingen op de aangetrokken middelen te spreiden. Hierbij wordt enerzijds rekeninggehouden met de liquiditeitsplanning en anderzijds met de actuele rentestand en

de rentevisie. De gemeente tracht hierbij een rentevoordeel te behalen. Het kan hierdoor bijvoorbeeld voorkomen dat er een liquiditeitsbehoefte voor langere termijn (tijdelijk) met kort geld wordt voldaan omdat de rente voor korte leningen beduidend lager is dan de rente voor lange leningen. Uiteraard met inachtneming van de kasgeldlimiet en de renterisiconorm.

Uitzettingen van middelen worden afhankelijk van de liquiditeitplanning en de actuele rentestand en rentevisie voor korte of lange termijn uitgezet.

Artikel 4 lid 5 Een rentevisie is een toekomstverwachting over de rente- ontwikkeling, op basis waarvan een financierings- en beleggingsbeleid wordt gevoerd. Afhankelijk van de (interne- of externe) ontwikkelingen zal de gemeente haar rentevisie actualiseren. De rentevisie kan daarbij gebaseerd worden op de rentevisie van enkele gezaghebbende financiële instellingen, zoals de huisbankier. Afstemming van het beleid op de rentevisie betekent bijvoorbeeld het uitstellen van uitzettingen met een lange looptijd op het moment dat men een rentestijging verwacht.

Artikel 5 lid 1 Ten aanzien van de financiële instrumenten die kunnen worden gehanteerd voor uitzettingen in het kader van treasury, geldt in de Wet fido als belangrijkste uitgangspunt dat de hoofdsom van de betreffende uitzetting in tact blijft. Hieronder volgen voorbeelden van producten die conform dit artiekel kunnen voorkomen.

Bij het uitzetten van gelden op rekening courant, spaarrekening, daggeld of deposito’s worden géén koersrisico’s gelopen. Het kan bij dergelijke producten echter voorkomen dat de opnamemogelijkheden beperkt zijn (in het bijzonder bij deposito’s en soms bij een spaarrekening). Certificates of deposit, commercial

papers, obligaties en medium term notes zijn vastrentende waarden die (tussentijds) verhandelbaar zijn. Bij tussentijdse verkoop kunnen koersrisico’s worden gelopen. Wanneer deze waarden tot het einde van hun looptijd worden aangehouden zal minimaal de nominale waarde worden uitgekeerd.

Garantieproducten zijn beleggingsproducten waarbij de uitgevende (financiële) instelling garandeert dat op de afloo p dat u m(een bepaald percentage van) de hoofdsom wordt uitgekeerd. Garantieproducten keren vaak minder of geen rente uit en bieden in plaats daarvan bijvoorbeeld een rendement dat gebaseerd is op

een aandelen-index (zoals de AEX-index). Garantieproducten waarbij minder dan 100% van de hoofdsom wordt gegarandeerd zijn expliciet niet toegestaan onder de Wet fido.

Bij garantieproducten is vaak enkel de hoofdsom gegarandeerd. Aangezien de reële waarde (de koopkracht) van de hoofdsom door inflatie kan verminderen, verdient het de aanbeveling om bij een langere looptijd naast een hoofdsomgarantie een minimaal rendement (bijv. ter hoogte van het inflatieniveau) te eisen.

Voor uitzettingen uithoofde van de publieke taak van de gemeente worden in dit statuut geen richtlijnen met betrekking tot producten opgenomen. Van belang is dat het college van burgemeester en wethouders bepaalt dat de betreffende uitzetting tot de “publieke

taak” van de gemeente behoort. In dit kader is het bijvoorbeeld mogelijk dat uitzettingen in de vorm van aandelen tot de publieke taak behoren.

Artikel 5 lid 2 Koersrisico’s kunnen nooit volledig worden uitgesloten. Als de organisatie in een vastrentende product heeft belegd maar – wegens wijziging in de liquiditeitsplanning - voor de afloopdatum deze uitzetting moet verkopen, dan wordt niet 100% van de hoofdsom terugbetaald, maar de huidige waarde van de uitzetting afhankelijk van de rente en resterende looptijd. Om deze koersrisico’s zoveel mogelijk te beperken stemt de gemeente de looptijd van de uitzetting af met de liquiditeitsplanning.

Artikel 6 lid 1a. Ter beperking van kredietrisico’s zijn in dit artikel richtlijnen opgenomen voor de minimale kredietwaardigheid van de partijen waar de gemeente middelen uitzet / belegt.

Een (credit-) rating is een beoordeling van de kredietwaardigheid van een instelling, die voor zowel de korte als voor de lange termijn wordt verschaft door gerenommeerde rating “agencies” zoals Standard & Poor’s, Moody’s en Fitch IBCA. De hoogste kredietwaardigheid wordt bij Standard & Poor’s en Fitch IBCA weergegeven met AAA, gevolgd door AA en A. Moody’s kwalificeert van hoog naar laag Aaa, Aa en A. Daarnaast kent men kwalificaties met letters B, C en D. Een A-rating staat voor “zeer kredietwaardig”.

Een solvabiliteitsratio van 0% (ofwel een “solvabiliteitsvrije status”) is een status die door een bancaire toezichthouder in een EU- lidstaat (bijv. De Nederlandsche Bank) wordt toegekend aan het schuldpapier van een instelling. Deze status houdt in dat een bank voor desbetreffend papier geen reserves (0%) hoeft aan te houden en wordt onder meer toegekend aan papier uitgegeven of gegarandeerd door (centrale) overheden. Het is de gemeente dus toegestaan om bij andere overheden geld uit te zetten, of om te beleggen in papier waaraan een overheidsgarantie is verbonden (zoals door het WSW geborgde leningen van woningcorporaties).

Artikel 6 lid 1b. Kredietrisico’s kunnen worden verminderd door spreiding aan te brengen in de uitzettingen. In verband met de complexiteit van het beoordelen en het volgen van de kredietwaardigheid van een financiële instelling, worden geen middelen (uithoofde van treasury) bij financiële instellingen zonder rating geplaatst.

De kredietrisico’s worden gespreid door de middelen uit te zetten bij meerdere tegenpartijen. Dit wordt bereikt door het stellen van een maximum aan de bedragen die de gemeente Leiderdorp bij een individuele geldnemer kan plaatsen. Deze limieten kunnen zowel worden vastgelegd in de vorm van percentages of bedragen, beiden hebben voor- en nadelen. Het nadeel van een percentage (van het totaal aan uitzettingen) is dat er ook een spreiding dient te worden aangebracht op het moment dat het totaal aan uitzettingen relatief klein is. Het nadeel van bedragen is dat het relatieve belang van het betreffende maximum uiteen kan lopen door wijzigingen in de financiële positie, bijvoorbeeld wanneer de uitzettingenportefeuille sterk toe of afneemt. In dit lid is gekozen voor bedragen.

Overigens betreft het hier specifiek de geldne m er,die niet noodzakelijk overeenkomt met de instelling waar het betreffende product in portefeuille wordt gehouden (bij het kopen van een staatsobligatie via een bank is de Nederlandse Staat de geldnemer

en niet de betreffende bank).

Artikel 7 Interne liquiditeitsrisico’s doen zich bijvoorbeeld voor wanneer de gemeente Leiderdorp gelden voor een bepaalde periode heeft uitgezet en gedurende de looptijd van de uitzetting blijkt dat de gelden (onverwacht) nodig zijn voor het doen van een investering. Dit kan tot gevolg hebben dat de gemeente Leiderdorp tijdelijk een lening moet aantrekken (wanneer de uitzettingen vast staan in bijvoorbeeld een deposito) ofwel tussentijds een uitzetting moet verkopen (bijvoorbeeld een obligatie). In beide gevallen kan dit negatieve gevolgen hebben voor de financiële resultaten.

Ter beperking van dit risico baseert de gemeente Leiderdorp haar financiële transacties op een liquiditeitsplanning waarin de toekomstige inkomsten en uitgaven van de gehele organisatie zijn gepland. Teneinde aansluiting te zoeken op de meerjarige investeringsplanning van de gemeente Leiderdorp is gekozen een liquiditeitsplanning met een periode van 4 jaar op te stellen.

In de praktijk is het opstellen van een betrouwbare en nauwkeurige liquiditeitsplanning niet eenvoudig. Dit heeft te maken met de inherente onzekerheden die verbonden zijn aan de activiteiten van de gemeente en hun financiële gevolgen. Het is daarom van groot belang dat de afdeling Financiën tijdig en volledig wordt geïnformeerd door de overige afdelingen over de financiële gevolgen van hun activiteiten.

Artikel 8 Dit betreft een ongewijzigde voortzetting van het beleid binnen de gemeente Leiderdorp. Valutarisico’s uithoofde van operationele transacties ontstaan bijvoorbeeld op het moment dat de gemeente een aankoop van goederen uit de Verenigde Staten met dollars moet betalen.

Artikel 9 lid 1 Het aantrekken van gelden met als doel deze met winstoogmerk te beleggen is door artikel 2 lid 2 van de Wet fido (zie ook memorie van toelichting op de Wet fido) nadrukkelijk niet toegestaan.

Artikel 9 lid 2 Teneinde de renteresultaten te optimaliseren wordt zoveel mogelijk intern gefinancierd, met inachtneming van de rentevisie.

Artikel 9 lid 3 Onderhandse geldlenin g enzijn leningen waarbij de voorwaarden van de lening in onderling overleg met de geldgevende partij kunnen worden vastgesteld. Een Medium Term Note (MTN)is een verhandelbare schuldbekentenis aan toonder, met een minimumlooptijd van twee jaar en een minimum- omvang van nominaal EUR 453.780,22. Deze maakt onderdeel uit van een medium term note programma. De term C o mm e rcial Paperstaat voor verhandelbare schuldbekentenissen met een looptijd korter dan twee jaar, uitgegeven door niet-kredietinstellingen.

Artikel 9 lid 4 Deze richtlijn beoogt de marktconformiteit van financieringen te waarborgen, voor bijv. te betalen rentepercentages, provisies, (boete-) clausules bij vervroegde aflossing etc. Middels het opvragen van meerdere offertes wordt bereikt dat de gemeente Leiderdorp een beter beeld heeft van de op dat moment gebruikelijke tarieven en voorwaarden op de financiële markten. Op basis daarvan kan een afgewogen keuze worden gemaakt. Doordat de geoffreerde tarieven slechts voor korte tijd (enige uren) worden verstrekt vindt vergelijking van de offertes plaats naar aanleidingvan telefonisch verkregen tarieven.

Artikel 10 Uitzetting betreft het uitzetten van middelen (uithoofde van treasury)voor een periode langer dan één jaar. In het onderdeel Risicobeheer (artikel 3 tot en met 8) is gedefinieerd op welke wijze de gemeente Leiderdorp het prudente karakter van haar uitzettingen waarborgt. In dit artikel worden aanvullende richtlijnen met betrekking tot uitzettingen geformuleerd.

Artikel 10 lid 2 Deze richtlijn beoogt de marktconformiteit van uitzettingen te waarborgen, voor bijv. het ontvangen rentepercentage, de hoogte van transactiekosten etc. Middels het opvragen van meerdere offertes wordt bereikt dat de gemeente Leiderdorp een beter beeld heeft van de alsdan gebruikelijke tarieven en voorwaarden op de financiële markten. Op basis daarvan kan een afgewogen keuze worden gemaakt. Doordat de geoffreerde tarieven slechts voor korte tijd (enige uren) worden verstrekt vindt vergelijking van de offertes plaats naar aanleiding van telefonisch verkregen tarieven.

Artikel 11 lid 1 Op het gebied van relatiebeheer beoogt de treasury het realiseren van zo gunstig mogelijke condities voor de door haar af te nemen diensten. Teneinde structuur aan te brengen in de momenten waarop de beoordeling van bankrelaties plaats heeft, is opgenomen dat deze beoordeling minimaal eens per jaar plaats moet hebben. Verantwoording over deze beoordeling wordt afgelegd in de financieringsparagraaf van de jaarrekening.

Artikel 11 lid 4 Tussenpersonen hebben een intermediairsfunctie bij het afsluiten van financiële transacties en vallen niet onder de “tegenpartijen”. De vereisten van lid 2 zijn voor tussenpersonen dan ook niet van toepassing. Teneinde dit te ondervangen stelt de gemeente Leiderdorp voor tussenpersonen als eis dat zij onder toezicht van de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE) staan en daarvan een vergunning als makelaar hebben ontvangen.

Artikel 12 lid 1 Geldstromenbeheer omvat met name het zorgdragen voor een efficiënt betalingsverkeer. Geldstromen kunnen bijvoorbeeld op elkaar worden afgestemd door een betalingsdatum af te stemmen op bepaalde verwachte ontvangsten. Hiermee wordt voorkomen dat de gemeente Leiderdorp tijdelijk middelen aan moet trekken (cq. middelen aan haar uitzettingenportefeuille moet onttrekken)

teneinde de betreffende betaling (tijdelijk) te financieren.

Artikel 12 lid 2 Het laten uitvoeren van het betalingsverkeer door één bank heeft als voordeel dat er geen kosten hoeven te worden gemaakt om gelden tussen verschillende banken over te boeken.

Artikel 13 lid 1 Het saldo en liquiditeitenbeheer betreft het beheer van de dagelijkse saldi op de rekeningen (-courant) van de gemeente Leiderdorp. Teneinde de noodzaak tot het doen van interne overboekingen te beperken, worden verschillende rekeningen die de gemeente Leiderdorp bij één bank aanhoudt opgenomen in een renteco m p e nsatieci r c ui t. Dit is een systeem waarbij de (valutaire) debet en creditsaldi van alle rekeningen van een organisatie worden samengevoegd tot één gecombineerd saldo, waarover de rente wordt berekend.

Artikel 13 lid 3 In dit lid worden limitatief de mogelijke korte termijn financieringsinstrumenten benoemd. De term d a ggeld (ook wel callgeld genoemd) staat voor een opgenomen of uitgezette lening voor onbepaalde tijd die dagelijks gewijzigd kan worden. Kasgeldleningenzijn niet verhandelbare leningen voor een vast bedrag en een vaste periode (maximaal 2 jaar) en tegen een vast rentepercentage. Kredietli m iet op de rekening c o urant betreft de mogelijkheid debet (“rood”) te staan op de rekening courant.

Artikel 13 lid 6 Bij het kort aantrekken of uitzetten van middelen groter dan

€ 1 miljoen worden de tarieven van 3 instellingen met elkaar vergeleken. Hierbij zijn tariefoverzichten (b.v. opgevraagd via internet) afdoende.

Artikel 14 Bij de treasuryfunctie zijn veel personen en organen betrokken. Het statuut legt expliciet het delegatie- en mandateringspatroon vast, in casu welke taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden de betrokken partijen hebben. Met het oog op de omvang van de transacties en de hiermee samenhangende risico’s, zijn in dit artikel een aantal specifieke uitgangspunten opgenomen teneinde een transparante functiescheiding aan te brengen tussen beleidsbepaling en de uitvoering en tussen de administratie en controle op financiële transacties.

Artikel 15 De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de functionarissen die binnen de gemeente Leiderdorp betrokken zijn bij de treasury- activiteiten zijn in artikel 15 respectievelijk artikel 16 beschreven. De toekenning van de genoemde functies en bijbehorende bevoegdheden en verantwoordelijk-heden aan functies en/of functionarissen vindt plaats via de hiertoe dienende documenten (mandaten, besluiten e.d.). Deze verantwoordelijkheden dienen te worden gecommuniceerd naar de betrokkenen.

Artikel 16 De eindverantwoordelijkheid voor het treasurybeleid ligt primair bij het bestuur van de gemeente Leiderdorp . Teneinde niet onnodig te worden belast met het dagelijkse treasurybeheer draagt het bestuur een deel van haar bevoegdheden over aan de ambtelijke organisatie. De praktische uitvoering van het beleid heeft dus vooral op ambtelijk niveau plaats, wat als voordeel heeft dat er slagvaardiger kan worden geopereerd. Bij de toewijzing van bevoegdheden is zoveel mogelijk rekening gehouden met de vereiste functiescheiding tussen besluitvorming, uitvoering, administratie en controle.

Artikel 17 De tabel in dit artikel geeft weer op welke wijze de informatievoorziening wordt gewaarborgd voor: operationele infor m atie(punt 1 en 2), beleids m atige infor m at i e(punt 3) en verantwoordingsinfor m a t ie(punt 4,5 en 6). Het verstrekken van juiste, tijdige, volledige en relevante verantwoordings-informatie moet gerekend worden tot de belangrijkste voorwaarden voor het kunnen beheersen van de financiële en interne risico’s van de gemeente Leiderdorp.

Artikel 17 pt. 1 Afdelingen dienen maandelijks informatie te verschaffen op de momenten waarop zich significante wijzigingen voordoen in hun verwachtingen omtrent tijdstip of omvang van toekomstige betalingen of ontvangsten (bijv. bij uitstel van een grote investering).

*

Wet van 14 december 2000, houdende nieuwe bepalingen inzake het financieringsbeleid van openbare lichamen (Wet financiering decentrale overheden)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op grond van veranderde omstandigheden en nieuwe inzichten ten aanzien van het financieringsbeleid van openbare lichamen wenselijk is nieuwe regels vast te stellen ter herziening van de Wet financiering lagere overheid;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    openbare lichamen:

    • 1°.

      provincies;

    • 2°.

      gemeenten;

    • 3°.

      waterschappen;

    • 4°.

      de in artikel 21, eerste lid, van de Politiewet 1993 bedoelde regio's;

    • 5°.

      lichamen, ingesteld met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen, die bevoegd zijn tot het aangaan, garanderen en verstrekken van geldleningen;

    • 6°.

      door Onze Ministers aan te wijzen andere bij wet ingestelde lichamen en organen;

  • b.

    rentetypische looptijd: het tijdsinterval gedurende de looptijd van een geldlening, waarin op basis van de leningvoorwaarden van de geldlening sprake is van een door de verstrekker van de geldlening niet beïnvloedbare constante rentevergoeding;

  • c.

    financiële derivaten: financiële instrumenten belichaamd in contracten waarin de voorwaarden zijn vastgelegd waartegen een transactie op een bepaald moment zal of kan plaatsvinden en waarvan de waarde afhankelijk is van één of meer onderliggende activa, referentieprijzen of indices;

  • d.

    vaste schuld: het gezamenlijk bedrag van:

    • 1°.

      de schuld uithoofde van geldleningen met een oorspronkelijke rentetypische looptijd van één jaar of langer, en

    • 2°.

      de voor een termijn van één jaar of langer ontvangen waarborgsommen;

  • e.

    netto-vlottende schuld: het gezamenlijk bedrag van:

    • 1°.

      de opgenomen gelden met een oorspronkelijke rentetypische looptijd van korter dan één jaar;

    • 2°.

      de schuld in rekening-courant;

    • 3°.

      de voor een termijn van korter dan één jaar ter bewaring in de kas gestorte gelden van derden, en

    • 4°.

      overige geldleningen die geen onderdeel uitmaken van de vaste schuld; verminderd met het gezamenlijk bedrag van:

    • 5°.

      de contante gelden in kas;

    • 6°.

      de tegoeden in rekening-courant, en

    • 7°.

      de overige uitstaande gelden met een rentetypische looptijd van korter dan één jaar;

  • f.

    gemiddelde netto-vlottende schuld per kwartaal: het gemiddelde van de netto-vlottende schuld op de eerste dag van iedere maand in het desbetreffende kwartaal;

  • g.

    kasgeldlimiet: een bedrag ter grootte van een percentage van het totaal van de jaarbegroting van het openbare lichaam bij aanvang van het jaar;

  • h.

    renterisico op de vaste schuld: mate waarin het saldo van rentelasten en rentebaten van een openbaar lichaam verandert door wijzigingen in het rentepercentage op leningen en uitzettingen met een oorspronkelijke rentetypische looptijd van één jaar of langer;

  • i.

    de renterisiconorm: een bedrag ter grootte van een percentage van het totaal van de vaste schuld van het openbare lichaam bij aanvang van het jaar;

  • j.

    3%-norm voor het EMU-saldo van de overheid: de referentiewaarde voor het vorderingensaldo van de overheid zoals vastgelegd in artikel 104C en Protocol nr. 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie;

  • k.

    toezichthouder: het bestuursorgaan dat op grond van enige wettelijke bepaling is belast met het toezicht op de begroting van een openbaar lichaam;

  • l.

    Onze Ministers:

    • 1°.

      Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties indien het de in onderdeel a, onder 1°, 2°, 4° en 6° bedoelde lichamen en organen betreft;

    • 2°.

      Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat indien het de in onderdeel a, onder 3°, bedoelde lichamen betreft;

    • 3°.

      Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties indien het de in onderdeel a, onder 5°, bedoelde lichamen en organen betreft alsmede Onze Minister van Verkeer en Waterstaat voor zover aan de in onderdeel a, onder 5°, bedoelde lichamen en organen waterschappen deelnemen.

Artikel 2

  • 1.

    Openbare lichamen gaan leningen aan, zetten middelen uit of verlenen garanties uitsluitend ten behoeve van de uitoefening van de publieke taak.

  • 2.

    Openbare lichamen kunnen derivaten hanteren of, in afwijking van het eerste lid, middelen uitzetten anders dan ten behoeve van de publieke taak, indien deze uitzettingen of derivaten een prudent karakter hebben en niet zijn gericht op het genereren van inkomen door het lopen van overmatig risico. Terzake van de uitvoering van dit lid worden bij ministeriële regeling nadere regels gesteld.

  • 3.

    Openbare lichamen kunnen geldleningen slechts aangaan en verstrekken, dan wel de nakoming van uit geldleningen voortvloeiende verplichtingen ten aanzien van de betaling van rente en aflossing slechts garanderen, indien de geldleningen voldoen aan de daarvoor bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.

Artikel 3

  • 1.

    Onze Ministers stellen bij ministeriële regeling een percentage voor de berekening van de kasgeldlimiet vast. Onze Ministers zenden eens per drie jaar aan de Staten-Generaal een verslag houdende overwegingen met betrekking tot de hoogte van het percentage, bedoeld in de eerste volzin.

  • 2.

    Voor de kasgeldlimiet geldt een minimumbedrag van € 300 000.

  • 3.

    Onze Ministers kunnen bij ministeriële regeling een hoger minimumbedrag vaststellen dan het in het tweede lid genoemde bedrag.

  • 4.

    Het op basis van het eerste lid vast te stellen percentage voor de kasgeldlimiet en het op basis van het derde lid vast te stellen minimumbedrag kunnen verschillend zijn voor de verschillende categorieën openbare lichamen.

Artikel 4

  • 1.

    De gemiddelde netto-vlottende schuld per kwartaal van een openbaar lichaam overschrijdt de kasgeldlimiet niet.

  • 2.

    Indien een openbaar lichaam twee kwartalen achtereen niet aan het eerste lid heeft voldaan, geeft de toezichthouder het openbare lichaam een aanwijzing om hieraan alsnog te voldoen.

  • 3.

    Indien uit de eerstvolgende kwartaalrapportage van het openbare lichaam na de aanwijzing van de toezichthouder blijkt dat nog steeds niet wordt voldaan aan het eerste lid, legt het openbare lichaam een plan om aan het eerste lid te voldoen ter goedkeuring voor aan de toezichthouder. Zolang dit plan niet is goedgekeurd dan wel indien blijkt dat het plan niet ten uitvoer wordt gelegd, kan de toezichthouder bepalen dat voor het aangaan van nieuwe geldleningen met een oorspronkelijke rentetypische looptijd korter dan één jaar voorafgaande toestemming van de toezichthouder is vereist, en kan de toezichthouder een maximum vaststellen voor de schuld in rekening-courant van het openbare lichaam. Dit plafond wordt vastgesteld met inachtneming van de op dat moment bestaande betalingsverplichtingen van het openbare lichaam.

  • 4.

    Het voorafgaand toezicht, bedoeld in het derde lid, vervalt zodra het in het derde lid bedoelde plan naar het oordeel van de toezichthouder voldoende ten uitvoer wordt gelegd.

  • 5.

    De toezichthouder kan bij incidentele wijzigingen in het inkomsten- en uitgavenpatroon ontheffing verlenen van de in het eerste lid genoemde verplichting voor een periode van maximaal twee kwartalen. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen gesteld.

Artikel 5

  • 1.

    Onze Ministers stellen bij ministeriële regeling een percentage voor de berekening van de renterisiconorm en een minimumbedrag voor de renterisiconorm vast, alsmede regels ten aanzien van de bepaling van het renterisico op de vaste schuld.

  • 2.

    Het op basis van het eerste lid vast te stellen percentage voor de renterisiconorm en minimumbedrag kunnen verschillend zijn voor de verschillende categorieën openbare lichamen.

Artikel 6

  • 1.Het renterisico op de vaste schuld van een openbaar lichaam overschrijdt de renterisiconorm niet.

  • 2.

    De toezichthouder geeft, indien door een openbaar lichaam niet wordt voldaan aan het eerste lid, het openbare lichaam een aanwijzing om maatregelen te nemen ten einde het renterisico op de vaste schuld te verminderen.

  • 3.

    Indien het openbare lichaam geen gehoor geeft aan de aanwijzing van de toezichthouder, bedoeld in het tweede lid, legt het openbare lichaam een plan om aan het eerste lid te voldoen ter goedkeuring voor aan de toezichthouder. Zolang dit plan niet is goedgekeurd dan wel indien blijkt dat het plan niet ten uitvoer wordt gelegd, kan de toezichthouder bepalen dat voor het aangaan van vaste schuld voorafgaande toestemming van de toezichthouder is vereist.

  • 4.

    Het voorafgaand toezicht, bedoeld in het derde lid, vervalt zodra het in het derde lid bedoelde plan naar het oordeel van de toezichthouder voldoende ten uitvoer wordt gelegd.

  • 5.

    De toezichthouder kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid genoemde verplichting.

  • 6.

    Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen gesteld.

Artikel 7

  • 1.

    Indien een dreigende overschrijding van de 3%-norm voor het EMU-saldo van de overheid door een ongewenste ontwikkeling van het EMU-saldo van de openbare lichamen wordt veroorzaakt, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld ter beheersing van het EMU-saldo van de openbare lichamen.

  • 2.

    Een krachtens het eerste lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan vier weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.

Artikel 8

  • 1.

    Onze Ministers stellen bij ministeriële regeling regels ten aanzien van de berekening en de verstrekking door de openbare lichamen van gegevens, welke nodig zijn voor het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet.

  • 2.

    De gegevens hebben slechts betrekking op:

    • a.

      liquiditeits- en schuldpositie;

    • b.

      ontvangen waarborgsommen;

    • c.

      de kasgeldlimiet;

    • d.

      het renterisico op de vaste schuld;

    • e.

      de renterisiconorm;

    • f.

      aangegane geldleningen;

    • g.

      uitzettingen;

    • h.

      verleende garanties met betrekking tot de nakoming van uit geldleningen voortvloeiende verplichtingen; of

    • i.

      het EMU-saldo van de openbare lichamen.

Artikel 9

Onze Ministers zenden binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten- Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Artikel 10

[Wijzigt de Provinciewet.]

Artikel 11

[Wijzigt de Gemeentewet.]

Artikel 12

[Wijzigt de Waterschapswet.]

Artikel 13

De Wet financiering lagere overheid wordt ingetrokken.

Artikel 14

Onze Ministers kunnen gedurende een door hen te bepalen termijn en onder door hen te stellen voorwaarden aan openbare lichamen ontheffing verlenen van artikel 2, eerste en tweede lid, in verband met een zorgvuldige beëindiging van op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bestaande aanspraken en verplichtingen.

Artikel 15

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 16

Deze wet wordt aangehaald als: Wet financiering decentrale overheden.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage, 14 december 2000

Beatrix

De Minister van Financiën, G. Zalm

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K. G. de Vries

De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, J. M. de Vries

Uitgegeven de eenentwintigste december 2000

De Minister van Justitie, A. H. Korthals

Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden

De Minister van Financiën;

Handelende in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken enKoninkrijksrelaties en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat;

Gelet op artikel 2, tweede lid, van de Wet financiering decentrale overheden,

Besluit:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    de wet: de Wet financiering decentrale overheden;

  • b.

    financiële instelling: een instelling die aan één van onderstaande bepalingen voldoet:

    • 1.

      een kredietinstelling die in Nederland op grond van de Wet toezicht kredietwezen 1995, of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte onder toezicht staat;

    • 2.

      een effecteninstelling die in Nederland op grond van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte onder toezicht staat;

    • 3.

      een beleggingsinstelling die in Nederland op grond van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte onder toezicht staat;

    • 4.

      een verzekeraar die in Nederland op grond van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte onder toezicht staat;

    • 5.

      een pensioenfonds dat in Nederland op grond van de Pensioen- en spaarfondsenwet onder toezicht staat;

  • c.

    solvabiliteitsratio: door een bancaire toezichthoudende autoriteit in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte voorgeschreven minimumniveau aansprakelijk vermogen tegenover aangehouden naar risicograad gewogen activum;

  • d.

    vastrentende waarden: openbare en onderhandse leningen;

  • e.

    nazorgfondsen:fondsen als bedoeld in artikel 15.47 van de Wet Milieubeheer.

Artikel 2

Bij het uitzetten van gelden, alsmede bij het afsluiten van derivaten door openbare lichamen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de wet, voldoen de tegenpartijen waarmee transacties terzake worden afgesloten aan onderdeel a, b of c:

  • a.

    financiële instellingen of door financiële instellingen uitgegeven waardepapier met minimaal een A rating, afgegeven door tenminste één gezaghebbende rating agency;

  • b.

    instellingen, voor wiens waardepapier een solvabiliteitsratio van 0% geldt;

  • c.

    financiële instellingen, met een kredietwaardigheid vergelijkbaar met het gestelde in onderdeel a, voor zover vastgelegd en onderbouwd in het financieringsstatuut en de begroting en het jaarverslag.

Artikel 3

Openbare lichamen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de wet, zetten uitsluitend gelden uit in de vorm van:

  • a.

    producten waarbij de hoofdsom tenminste aan het einde van de looptijd intact is, uitgezet bij een instelling die voldoet aan artikel 2;

  • b.

    vastrentende waarden, uitgegeven door een instelling die voldoet aan artikel 2.

Artikel 3a

  • 1.

    Nazorgfondsen mogen, in afwijking van artikel 3, gelden uitzetten in de vorm van beleggingen in aandelen die genoteerd zijn aan een van overheidswege toegelaten effectenbeurs en in onroerend goedfondsen die genoteerd zijn aan een van overheidswege toegelaten effectenbeurs, mits zeker wordt gesteld dat de hoofdsom, gecorrigeerd voor inflatie, ten minste aan het einde van dertig jaar intact is door middel van:

    • a.

      vastrentende waarden, uitgegeven door een instelling die voldoet aan artikel 2, of

    • b.

      overige uitzettingen tegen rente bij een instelling die voldoet aan artikel 2.

  • 2.

    Voor de bepaling van het gedeelte van de portefeuille dat aangehouden moet worden in de vorm van uitzettingen als bedoeld in het eerste lid onder a en b, geldt een nominale rekenrente van

    5% en een inflatiecorrectie van 2%.

Artikel 4

  • 1.

    Derivaten worden uitsluitend gebruikt ter beperking van financiële risico's. Dit houdt in dat geen open posities worden ingenomen. Derivaten worden afgesloten met een instelling die voldoet aan artikel 2;

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, laatste volzin, kunnen derivaten ook worden afgesloten op een gereglementeerde markt in de Europese Economische Ruimte, zoals bedoeld in de Richtlijn 93/22/EEG van de Raad van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte onder toezicht staande effecteninstelling. Een wijziging van deze Richtlijn gaat voor de toepassing van deze regeling gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.

Artikel 5

Deze regeling treedt in werking met ingang van de datum waarop de Wet financiering decentrale overheden in werking treedt.

Artikel 6

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden.

De Minister van Financiën, G. Zalm

(Tekst geldend op: 09-12-2003)

Uitvoeringsregeling Financiering decentrale overheden

De Minister van Financiën;

Handelende in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken enKoninkrijksrelaties en de Minister van Verkeer en Waterstaat;

Gelet op de artikelen 3, 5 en 8 van de Wet financiering decentrale overheden,

Besluit:

Artikel 1

In deze ministeriële regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Het bedrag aan renteherziening: et bedrag aan leningen die een onderdeel vormen van de vaste schuld, gesaldeerd met verstrekte geldleningen met een oorspronkelijke rentetypische looptijd van één jaar of langer, waarvan op grond van de leningvoorwaarden de rente in het lopende kalenderjaar op basis van de leningvoorwaarden eenzijdig door de tegenpartij kan worden herzien.

  • b.

    Het bedrag aan herfinanciering: Het bedrag aan nieuwe leningen in een jaar met een oorspronkelijke rentetypische looptijd van één jaar of langer, gesaldeerd met nieuw verstrekte leningen voor zover dezelfde rentetypische looptijd, voor zover dit het bedrag van de verplicht afgeloste leningen niet overstijgt.

  • c.

    De wet: De Wet financiering decentrale overheden.

Artikel 2

  • 1.

    Voor de openbare lichamen wordt het percentage, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet als volgt vastgesteld:

    • a.

      voor de provincies: 7,0%;

    • b.

      voor de gemeenten: 8,5%;

    • c.

      voor de waterschappen: 23%;

    • d.

      voor de gemeenschappelijke regelingen: 8,2%;

    • e.

      voor de in artikel 21, eerste lid, van de Politiewet 1993 bedoelde regio's: 6,2%.

  • 2.

    Voor de openbare lichamen wordt het in artikel 5 van de wet genoemde percentage als volgt vastgesteld:

    • a.

      voor de provincies: 20%;

    • b.

      voor de gemeenten: 20%;

    • c.

      voor de waterschappen: 20%;

    • d.

      voor de gemeenschappelijke regelingen: 20%;

    • e.

      voor de in artikel 21, eerste lid, van de Politiewet 1993 bedoelde regio's: 20%.

  • 3.

    Voor de renterisiconorm geldt een minimumbedrag van 5.509.275 gulden.

Artikel 3

Het renterisico op de vaste schuld in een jaar wordt als volgt berekend: de som van het bedrag aan herfinanciering en het bedrag aan renteherziening op de vaste schuld.

Artikel 4

  • 1.

    De openbare lichamen zenden aan de toezichthouder

    • a.

      Jaarlijks tezamen met het jaarverslag een opgave van:

      • 1°.

        Het begrotingstotaal bij aanvang van het voorgaande jaar;

      • 2°.

        De kasgeldlimiet bij aanvang van het voorgaande jaar;

      • 3°.

        De gemiddelde netto vlottende schuld in elk van de kalenderkwartalen van het voorgaande jaar;

      • 4°.

        De stand van de vaste schuld bij aanvang van het voorgaande jaar;

      • 5°.

        De renterisiconorm bij aanvang van het voorgaande jaar;

      • 6°.

        Het renterisico op de vaste schuld over het voorgaande jaar.

    • b.

      Aan het einde van ieder kwartaal een opgave van de laatst berekende gemiddelde netto-vlottende schuld en de kasgeldlimiet voor het desbetreffende kalenderjaar.

  • 2.

    De openbare lichamen als bedoeld in artikel 1, lid a, van de wet zenden aan het Centraal bureau voor de statistiek driemaandelijks een opgave van de stand van het EMU-saldo op een door het Centraal Bureau voor de Statistiek te bepalen wijze.

  • 3.

    Een openbaar lichaam kan toezending van de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde gegevens aan de toezichthouder achterwege laten, indien de kasgeldlimiet van deze openbare lichamen gelijk is aan het wettelijke minimumbedrag.

Artikel 5

Het Centraal Bureau voor de Statistiek zendt iedere drie maanden voor het einde van het eerstvolgende kwartaal verzamelopgaven van de in artikel 4, tweede lid, bedoelde gegevens aan Onze Minister van Financiën.

Artikel 6

De opgaven bedoeld in artikel 4, eerste lid, worden verstrekt overeenkomstig de als bijlage bij deze regeling gevoegde modelstaten.

Artikel 7

  • 1.

    Gedurende het jaar van inwerkingtreding van de wet, mag een openbaar lichaam in overleg met de toezichthouder stapsgewijs het nieuwe percentage van de kasgeldlimiet, als bedoeld in artikel 3 van de wet, eerste lid, bereiken.

  • 2.

    Gedurende het jaar van inwerkingtreding van de wet, is, in afwijking van artikel 2, tweede lid, een percentage van de renterisiconorm van 30% van toepassing.

Artikel 8

Deze regeling treedt in werking met ingang van de datum waarop de Wet financiering decentrale overheden in werking treedt.

Artikel 9

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling financiering decentrale overheden.


Noot
*

1 Op het moment van schrijven van dit statuut bedraagt dit percentage 8,5%.

2 Op het moment van schrijven van dit statuut bedraagt dit percentage 20%.