Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Lingewaal

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Lingewaal houdende regels omtrent subsidie Algemene subsidieverordening Lingewaal 2017

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieLingewaal
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening van de gemeenteraad van de gemeente Lingewaal houdende regels omtrent subsidie Algemene subsidieverordening Lingewaal 2017
CiteertitelAlgemene subsidieverordening Lingewaal 2017
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze regeling vervangt de Algemene subsidieverordening Gemeente Lingewaal 2011.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

artikel 149 van de Gemeentewet

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

09-02-2018nieuwe regeling

14-12-2017

gmb-2018-27071

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Lingewaal houdende regels omtrent subsidie Algemene subsidieverordening Lingewaal 2017

De raad van de gemeente Lingewaal;

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders 19 september 2017

gezien amendement III van de gemeenteraad van 14 december 2017

 

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;

 

besluit vast te stellen de

 

Algemene subsidieverordening Lingewaal 2017

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 127), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving;

  • b.

    budgetsubsidie: de subsidie die het college per (boek)jaar of voor een bepaald aantal boekjaren, met een maximum van vier, aan een instelling verstrekt voor activiteiten met een structureel karakter, waarbij het college normen kan stellen met betrekking tot de aard en inhoud van die activiteiten;

  • c.

    de-minimisverordening: verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L 352), verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 352/9) en verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector (PbEU L 190/45), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving;

  • d.

    Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie, gelet op de artikelen 106, derde lid, 107, 108 of 109 van het Verdrag heeft vastgesteld;

  • e.

    garantstelling: de subsidie in de vorm van een garantiebesluit tot betaling van rente en aflossing van een door de instelling aan te gane geldlening ten behoeve van nieuwbouw, vervanging, verbouw, aanleg en eerste inrichting van accommodaties of overige kapitaalgoederen die bijdragen aan de basisvoorzieningen conform het manifest;

  • f.

    investeringssubsidie: een eenmalige subsidie ten behoeve van een lokale instelling in de kosten van een te plegen noodzakelijke investering in en aan accommodaties voor multifunctioneel gebruik of voor investeringen die randvoorwaardelijk zijn voor het behoud of de instandhouding van basisvoorzieningen conform het manifest;

  • g.

    manifest: ‘Het Manifest van Lingewaal’, de Structuurvisie Plus 2030, vastgesteld door de raad op 28 januari 2010, inclusief het addendum, vastgesteld door de raad op 2 juli 2015 en latere wijzigingen;

  • h.

    noodzakelijke investering: de investering zonder welke een vereniging/organisatie in haar bestaan wordt bedreigd, dan wel dat activiteiten niet (meer) kunnen plaatsvinden;

  • i.

    onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent;

  • j.

    Verdrag: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

  • k.

    waarderingssubsidie: een subsidie die het college verstrekt aan organisaties/verenigingen voor het realiseren van kleinschalige activiteiten op initiatief van vrijwilligers(organisaties) en adviesraden, die bijdragen aan de realisatie van gemeentelijke doelen, waarbij het college niet inhoudelijk stuurt op het resultaat van de activiteiten;

  • l.

    wet: Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 2. Reikwijdte

  • 1.

    Deze verordening is van toepassing op de verstrekking van subsidies door burgemeester en wethouders, op de volgende beleidsterreinen, met uitzondering van subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen en subsidies als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is):

    • a.

      Veiligheid;

    • b.

      Verkeer & vervoer en openbare ruimte;

    • c.

      Werk en inkomen;

    • d.

      Jeugd, jongeren en gezin;

    • e.

      Sport en cultuur, recreatie en landschap;

    • f.

      Maatschappelijke ondersteuning;

    • g.

      Milieu;

    • h.

      Ruimte en wonen.

  • 2.

    Ten aanzien van subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is kunnen burgemeester en wethouders bepalen dat deze verordening geheel of gedeeltelijk van toepassing is.

  • 3.

    Deze verordening is mede van toepassing op de verstrekking van investeringssubsidies en garantstellingen door de raad.

Artikel 3. Subsidieregelingen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere regeling (hierna te noemen: nadere regels) vaststellen welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie. Voor zover van toepassing, wordt hierin tevens bepaald welke doelgroepen voor subsidie in aanmerking komen, hoe de subsidie wordt berekend en hoe de subsidiebedragen worden uitbetaald.

Artikel 4. Europees steunkader

  • 1.

    Voor zover dat ten behoeve van het voldoen aan een Europees steunkader noodzakelijk is, kunnen burgemeester en wethouders bij nadere regels afwijken van deze verordening en deze aanvullen.

  • 2.

    Bij nadere regels waarbij is bepaald dat toepassing kan worden gegeven aan een Europees steunkader, verwijzen de nadere regels naar het desbetreffende steunkader.

  • 3.

    Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, verwijst de verleningsbeschikking naar de toepasselijke bepalingen van het steunkader.

  • 4.

    Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor vergoeding in aanmerking die voldoen aan de eisen van het desbetreffende steunkader.

  • 5.

    Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen ondernemingen alleen in aanmerking voor zover de subsidieverstrekking voldoet aan de voorwaarden van het desbetreffende steunkader.

Hoofdstuk 2 Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

Artikel 5. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

  • 1.

    De raad kan subsidieplafonds vaststellen.

  • 2.

    In dat geval bepalen burgemeester en wethouders bij subsidieregeling de wijze van verdeling van de betrokken subsidie.

  • 3.

    De raad kan een subsidieplafond verlagen als:

    • a.

      het wordt vastgesteld voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd; en

    • b.

      de subsidieaanvragen waarop het subsidieplafond betrekking heeft, moeten worden ingediend voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd.

  • 4.

    Bij de bekendmaking van een subsidieplafond dat kan worden verlaagd overeenkomstig het vorige lid, wordt gewezen op de mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan voor reeds ingediende aanvragen.

  • 5.

    Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld. Bij de verleningsbeschikking wordt daarop gewezen.

Hoofdstuk 3 Aanvraag van de subsidie

Artikel 6. Aanvraag

  • 1.

    Een aanvraag om subsidie wordt schriftelijk ingediend bij burgemeester en wethouders. Als hiervoor een aanvraagformulier is vastgesteld geschiedt dit met gebruikmaking daarvan.

  • 2.

    Bij de aanvraag legt de aanvrager in ieder geval de volgende gegevens over:

    • a.

      een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;

    • b.

      een begroting van en een dekkingsplan voor de kosten van deze activiteiten. Het dekkingsplan bevat een opgave van bij anderen aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan;

    • c.

      als de aanvrager een onderneming is:

      • -

        1° een opgave van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die al zijn of zullen worden ontvangen voor de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;

      • -

        2° een verklaring als bedoeld in de de-minimisverordening (de-minimisverklaring);

    • d.

      als het een subsidie betreft die per boekjaar aan een rechtspersoon wordt verstrekt, de stand van de egalisatiereserve op het moment van de aanvraag.

  • 3.

    Een rechtspersoon die voor de eerste maal subsidie aanvraagt, voegt een exemplaar van de oprichtingsakte of de statuten, alsmede van het jaarverslag, de jaarrekening of de balans van het voorgaande jaar toe aan de aanvraag.

  • 4.

    Bij nadere regel kan van de voorgaande leden worden afgeweken.

Artikel 7. Aanvraagtermijn

  • 1.

    Een aanvraag om een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt, wordt ingediend uiterlijk 1 juli voorafgaand aan het jaar, of de jaren waarop de aanvraag betrekking heeft

  • 2.

    Een aanvraag om een subsidie die per boekjaar wordt verstrekt wordt uiterlijk 13 weken voorafgaand aan dat boekjaar ingediend

  • 3.

    Andere aanvragen om subsidie worden ingediend 13 weken voordat de aanvrager voornemens is te beginnen met de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.

  • 4.

    Bij nadere regel kunnen andere termijnen worden gesteld.

Artikel 8. Beslistermijn

  • 1.

    Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 7, eerste lid, uiterlijk op 31 december van het jaar waarin de aanvraag is ingediend.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 7, tweede en derde lid, binnen 13 weken nadat de volledige aanvraag is ingediend.

  • 3.

    Op aanvragen is artikel 4:14 van de wet van toepassing .

  • 4.

    Bij nadere regel kunnen andere termijnen worden gesteld.

  • 5.

    Bij aanvragen om een subsidie die overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag worden aangemeld bij de Europese Commissie wordt de termijn verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen.

Hoofdstuk 4 Weigering van de subsidie

Artikel 9. Weigerings-, intrekkings- en terugvorderingsgronden

  • 1.

    Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de wet weigeren burgemeester en wethouders de subsidie in ieder geval:

    • a.

      als de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt.

    • b.

      als het betreft een aanvrager tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard.

  • 2.

    Onverminderd het vorige lid weigeren burgemeester en wethouders de subsidie in ieder geval als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een Europees steunkader omdat:

    • a.

      subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het desbetreffende steunkader, of

    • b.

      de subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het desbetreffende steunkader.

  • 3.

    Onverminderd de vorige leden kunnen burgemeester en wethouders de subsidie verder in ieder geval weigeren als:

    • a.

      de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen of als ze onvoldoende ten goede komen aan de gemeente of haar ingezetenen;

    • b.

      niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd;

    • c.

      de aanvraag niet voldoet aan regels die zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen;

    • d.

      de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een wettelijk voorschrift, het algemeen belang of de openbare orde;

    • e.

      de activiteiten niet binnen het beleid van het gemeentebestuur passen of niet bijdragen aan de realisatie van gemeentelijke doelstellingen en/of de doelstellingen uit het manifest;

    • f.

      de aanvraag voor subsidie niet tijdig is ingediend;

    • g.

      de subsidieverstrekking niet is toegestaan totdat de Europese Commissie met toepassing van artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie verenigbaar is met de interne markt;

    • h.

      de aanvrager voor het jaar of de jaren waarop de aanvraag betrekking heeft met een functionaris een bezoldiging als bedoeld in artikel 1.1, onder e, van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector overeenkomt of is overeengekomen die hoger is dan het bedrag, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van die wet;

    • i.

      dit is beschreven in bij nadere regels nader te bepalen gevallen.

  • 4.

    Het college kan voorts een aanvraag voor subsidie weigeren voor zover de subsidieontvanger zelf in de kosten van activiteiten kan voorzien, hetzij uit eigen middelen, hetzij uit middelen van derden.

  • 5.

    Onder eigen middelen, zoals bedoeld in lid 4 van dit artikel, worden in ieder geval verstaan de middelen die vanuit contributies, acties en dergelijke zijn verworven, de algemene reserve en de egalisatiereserve.

  • 6.

    Burgemeester en wethouders vorderen een subsidie met rente terug als dit nodig is ter uitvoering van een terugvorderingsbesluit van de Europese Commissie of een onherroepelijke rechterlijke uitspraak.

Artikel 9a Niet subsidiabele kosten

  • 1.

    Er wordt geen subsidie verstrekt voor:

    • a.

      verrekenbare of compensabele omzetbelasting/BTW;

    • b.

      kosten die niet in redelijke verhouding staan tot de gestelde doelen of redelijkerwijs te verwachten resultaten van de activiteit;

    • c.

      kosten van boetes en sancties alsmede leges.

  • 2.

    Indien sprake is van een belastbare subsidiabele activiteit kan het bevoegd gezag bepalen dat de omzetbelasting/BTW in afwijking van het eerste lid, en onder a, voor subsidie in aanmerking komt.

  • 3.

    Indien van gemeentewege leges worden geheven van plaatselijke verenigingen en instellingen kan het bevoegd gezag bepalen dat de legeskosten in afwijking van het eerste lid, en onder c, geheel of gedeeltelijk voor subsidie in aanmerking komen.

Hoofdstuk 5 Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 10. Verantwoording

Voor zover dit niet is bepaald bij nadere regel, wordt bij de verleningsbeschikking vermeld op welke wijze de subsidieontvanger de besteding van de subsidie dient te verantwoorden.

Artikel 11. Algemene verplichtingen van subsidieontvangers

  • 1.

    Als aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan, meldt de subsidieontvanger dat onverwijld schriftelijk aan burgemeester en wethouders.

  • 2.

    Een subsidieontvanger informeert burgemeester en wethouders onverwijld schriftelijk over:

    • a.

      beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, of tot ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon;

    • b.

      relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden;

    • c.

      ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen niet, niet tijdig of niet geheel zullen kunnen worden nagekomen;

    • d.

      wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de gesubsidieerde rechtspersoon, de persoon van de bestuurder of bestuurders en het doel van de rechtspersoon.

Artikel 12. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen

  • 1.

    Bij subsidies hoger dan € 10.000, verleend voor activiteiten die meer dan een jaar in beslag nemen, kan de verplichting worden opgelegd tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording over de tot dan verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten. De verantwoording wordt niet vaker dan één keer per jaar verlangd.

  • 2.

    Bij nadere regels of verleningsbeschikking kunnen aan de subsidieontvanger ook andere verplichtingen dan genoemd in artikel 4:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden opgelegd, voor zover deze strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.

  • 3.

    Bij nadere regels kunnen verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie aan de subsidie worden verbonden, voor zover deze verplichtingen betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht.

  • 4.

    Bij nadere regels of verleningsbeschikking kan worden bepaald dat de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor aan burgemeester en wethouders een vergoeding verschuldigd is als zich een gebeurtenis als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht voordoet. Daarbij wordt tevens aangegeven hoe de hoogte van de vergoeding wordt bepaald.

  • 5.

    De subsidieontvanger behoeft de toestemming van burgemeester en wethouders voor handelingen als vermeld in artikel 4:71 van de wet.

Hoofdstuk 6 Verantwoording en vaststelling van de subsidie

Artikel 13. Wijze van verstrekken en eindverantwoording subsidies tot en met € 2.500

  • 1.

    Subsidies tot en met € 2.500 worden door burgemeester en wethouders direct vastgesteld of verleend en – tenzij toepassing wordt gegeven aan het volgende lid – binnen dertien weken nadat de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht, ambtshalve vastgesteld.

  • 2.

    Als bij verleningsbeschikking de subsidieontvanger wordt verplicht om op de daarbij aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen, vindt de vaststelling plaats binnen dertien weken nadat de gevraagde inlichtingen zijn verstrekt.

  • 3.

    In geval van verlening van een subsidie van ten hoogste € 2.500 wordt een voorschot verstrekt ter hoogte van de verleende subsidie.

Artikel 14. Eindverantwoording subsidies tussen € 2.500 en € 25.000

  • 1.

    Bij subsidies van meer dan € 2.500 maar minder dan € 25.000 dient de subsidieontvanger uiterlijk dertien weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht, een aanvraag tot vaststelling in.

  • 2.

    De aanvraag bevat een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan.

  • 3.

    Bij nadere regel kan worden bepaald dat op een andere manier wordt aangetoond in hoeverre de activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan.

  • 4.

    In geval van verlening van een subsidie van ten hoogste € 25.000 kunnen burgemeester en wethouders besluiten een voorschot te verstrekken ter hoogte van de verleende subsidie.

  • 5.

    Indien besloten wordt tot bevoorschotting van de subsidie, worden in het besluit tot subsidieverlening, de hoogte en de termijnen van de voorschotten bepaald.

Artikel 15. Eindverantwoording subsidies van meer dan € 25.000

  • 1.

    Bij subsidies van meer dan € 25.000 dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij burgemeester en wethouders:

    • a.

      in geval van een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt, uiterlijk vóór 1 april van het jaar dat volgt op het betrokken kalenderjaar;

    • b.

      in geval van een subsidie die per boekjaar wordt verstrekt, uiterlijk 13 weken na afloop van het betrokken boekjaar;

    • c.

      in andere gevallen uiterlijk 13 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht.

  • 2.

    De aanvraag tot vaststelling bevat:

    • a.

      een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan;

    • b.

      een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening);

    • c.

      een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop; en

    • d.

      een controleverklaring, opgesteld door een onafhankelijk accountant.

  • 3.

    Bij nadere regel kunnen andere termijnen worden vastgesteld of andere gegevens worden verlangd.

Artikel 16. Subsidievaststelling subsidies van meer dan € 2.500

  • 1.

    Burgemeester en wethouders stellen een subsidie van meer dan € 2.500 vast binnen 13 weken na de ontvangst van een aanvraag tot subsidievaststelling, tenzij bij nadere regel anders is bepaald.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders kunnen deze termijn verdagen, indien uit de aard van de subsidie of de verantwoording daarvan volgt dat voor de beslissing op de vaststelling van de subsidie een langere termijn nodig is dan de in het eerste lid genoemde termijn. Burgemeester en wethouders brengen de subsidieontvanger daarvan zo spoedig mogelijk van op de hoogte.

  • 3.

    Bij nadere regel kunnen categorieën subsidie-ontvangers worden aangewezen waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld zonder dat een aanvraag tot subsidievaststelling hoeft te worden ingediend.

  • 4.

    Als een aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het tijdstip, bedoeld in de artikelen 14, eerste lid en 15, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, is ingediend, gaan burgemeester en wethouders 6 weken na een eenmalig termijn over tot ambtshalve vaststelling.

Artikel 17. Berekening uurtarieven, uniforme kostenbegrippen

  • 1.

    Indien bij de bepaling van de subsidiabele kosten gebruik wordt gemaakt van uurtarieven, kan burgemeester en wethouders voorschrijven dat deze tarieven door de subsidieaanvrager worden berekend met gebruikmaking van een door burgemeester en wethouders voor te schrijven standaardberekeningswijze.

  • 2.

    Bij het hanteren van kostenbegrippen bij de berekening van uurtarieven wordt uitgegaan van door burgemeester en wethouders bepaalde definities.

  • 3.

    Bij subsidie waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen die tarieven en kostenbegrippen in aanmerking die voldoen aan de eisen van het toepasselijke steunkader.

Hoofdstuk 7 Aanvullende bepalingen voor investeringssubsidies en garantstellingen

Artikel 18. Aanvullend bij de aanvraag in te dienen gegevens

  • 1.

    Naast de gegevens uit artikel 6 dient de aanvrager voor een investeringssubsidie tevens in een uitvoeringsplan met kostenbegroting, waaruit blijkt dat de beoogde voorziening zo noodzakelijk is dat zonder de investering het voortbestaan en/of het functioneren van aanvrager in het geding is en waarmee beoordeeld kan worden in hoeverre de investering redelijk is.

  • 2.

    Naast de gegevens uit artikel 6 dient de aanvrager voor een garantstelling tevens te overleggen:

    • a.

      een begroting waaruit blijkt dat aanvrager de lasten voor rente en aflossing kan voldoen binnen zijn exploitatie;

    • b.

      tenminste twee offertes van financieringsinstellingen, waaruit blijkt dat de garantstelling voorwaardelijk is voor het aangaan van de lening.

Artikel 19. Maximale bijdrage investeringssubsidies

  • 1.

    De investeringssubsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten, binnen het vastgestelde subsidieplafond.

  • 2.

    De eigen bijdrage van de aanvrager bestaat uit het totaal aan eigen financiële middelen en zelfwerkzaamheid.

Artikel 20. Subsidieplafond en verdeling, besluiten tot investeringssubsidies

  • 1.

    Bij vaststelling van de begroting stelt de raad het maximaal beschikbare budget voor investeringssubsidies vast.

  • 2.

    De raad besluit op voorstel van burgemeester en wethouders over het verstrekken van investeringssubsidies.

  • 3.

    Bij het besluit uit het tweede lid overweegt de raad:

    • a.

      de mate waarin de investering bijdraagt aan het bereiken van doelstellingen van het gemeentelijk beleid;

    • b.

      de mate waarin de te plegen investering aan een accommodatie voor multifunctioneel gebruik noodzakelijk is voor het voorbestaan en/of functioneren van de aanvrager;

    • c.

      de mate waarin de investering bijdraagt aan de instandhouding of realisatie van basisvoorzieningen conform het manifest;

    • d.

      de mate waarin aanvrager zelf bijdraagt aan de investering.

Artikel 21. Besluiten tot garantstellingen

  • 1.

    De raad besluit op voorstel van burgemeester en wethouders over het verstrekken van een garantstelling.

  • 2.

    Bij het besluit uit het eerste lid overweegt de raad:

    • a.

      de mate waarin de investering waarvoor de garantstelling wordt gevraagd bijdraagt aan de instandhouding of realisatie van basisvoorzieningen conform het manifest;

    • b.

      de mate waarin aanvrager de lasten voor de investering binnen zijn exploitatie kan voldoen;

    • c.

      de mate waarin de garantstelling noodzakelijk is voor het verkrijgen van de lening.

Hoofdstuk 8 Overige bepalingen

Artikel 22 Evaluatie

  • 1.

    In afwijking van het gestelde in artikel 4:24 van de wet vindt geen verslaglegging plaats over de doeltreffendheid en de effecten van subsidies die op grond van deze verordening worden verstrekt.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders evalueert eenmaal in de vijf jaren de inhoud van de verordening.

Artikel 23. Hardheidsclausule

  • 1.

    Burgemeester en wethouders kunnen, in bijzondere gevallen een of meerdere artikelen van deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang van de aanvrager of subsidieontvanger leidt tot onbillijkheid van overwegende aard.

  • 2.

    Toepassing van het vorige lid wordt gemotiveerd in het besluit en hiervan wordt periodiek verslag gedaan aan de raad.

Artikel 24. Slotbepalingen

  • 1.

    De Algemene subsidieverordening Gemeente Lingewaal 2011, zoals laatst gewijzigd bij raadsbesluit van 25 oktober 2012 wordt ingetrokken. De op basis van de Algemene subsidieverordening Gemeente Lingewaal 2011 vastgestelde nadere regels blijven van kracht, zolang en in zoverre deze niet op grond van het bepaalde bij en krachtens deze verordening zijn ingetrokken.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag volgend op haar bekendmaking.

  • 3.

    Op aanvragen om subsidie die zijn ingediend voor de datum van bekendmaking zijn de bepalingen van de Algemene subsidieverordening Gemeente Lingewaal 2011 van toepassing, alsmede op besluiten die naar aanleiding van dien aanvragen zijn of worden genomen.

  • 4.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene subsidieverordening Lingewaal 2017.

     

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van 14 december 2017

De griffier,

H. H. Dame

De voorzitter,

L.H.M. van Ruijven-van Leeuwen

Toelichting

 

Algemene toelichting

De Algemene subsidieverordening gemeente Lingewaal 2017 (ASV) is gebaseerd op de modelverordening, die de VNG heeft opgesteld in 2013, inclusief de update die heeft plaatsgevonden in 2016. Het model is in 2013 herzien in het kader van het Project Kwaliteit Modelverordeningen, omdat het oude model uit 2009 tekortkomingen liet zien. Met name naar aanleiding van de inwerkingtreding van een nieuw Europeesrechtelijk staatsteunpakket in 2014 is in 2016 het model aangepast. Bij het opstellen van de ASV zijn de reeds bestaande lokale regels ongewijzigd overgenomen uit de ASV 2011.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In dit artikel is een aantal definities opgenomen. Deze definities gelden niet alleen voor deze verordening, maar ook voor de hierop te baseren regelingen. Deze definities zullen dus niet nogmaals in de verschillende subsidieregelingen opgenomen hoeven te worden. Ook kan hier niet van worden afgeweken.

 

Onder het begrip ‘Europees steunkader’ vallen i.i.g. zowel de in dit artikel benoemde algemene groepsvrijstellingsverordeningen als de in dit artikel benoemde de-minimisverordeningen.

 

Er is geen definitie opgenomen van subsidie. Wat onder een subsidie moet worden verstaan, is omschreven in artikel 4:21 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Kenmerken van een subsidie zijn dat er aanspraak is op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten.

 

Er is in de definities een onderscheid gemaakt tussen verschillende vormen van subsidie. De budgetsubsidie is een subsidie die bij voorkeur voor meerdere jaren wordt verleend en veelal op voortdurende activiteiten van een instelling betrekking heeft. Hierbij kan worden gedacht aan exploitatiesubsidies en subsidie in de loonkosten. In de verordening is bepaald dat deze voor een periode van ten hoogste vier jaren worden verstrekt. Na het verstrijken van die periode kan uiteraard opnieuw worden besloten een jaarlijkse subsidie te verstrekken. Voor de periode van 4 jaar is gekozen, omdat deze termijn aansluit bij de zittingstermijn van de raad (hoewel die termijnen uiteraard niet gelijk hoeven te lopen) én het een goede termijn lijkt om te bezien of eerder vastgestelde beleidsdoelen nog gelden en, zo ja, die met de verstrekte subsidies worden gediend.

 

Waarderingssubsidies zijn subsidies die worden verstrekt voor eenmalige, vernieuwende activiteiten die bijdragen aan meedoen aan de samenleving voor iedereen (zie Beleidskader Subsidiebeleid). Te denken valt aan projectsubsidies die worden gegeven voor door de subsidieontvanger te realiseren bijzondere projecten. Eenmalige subsidies hebben een looptijd, afhankelijk van de duur van het project en kunnen dus een looptijd hebben van langer dan een jaar. Waarderingssubsidies worden verstrekt om waardering voor de activiteiten van de ontvanger uit te drukken; het college wil daar naar aard en inhoud dan ook niet op sturen. Deze subsidies mogen naar eigen wens van de ontvanger worden besteed en kunnen dus zowel worden gestoken in de reguliere activiteiten van de ontvanger als in extra activiteiten. Hiermee wordt nog steeds recht gedaan aan het algemene uitgangspunt voor subsidieverstrekkingen in Lingewaal: het bevorderen van bepaalde voor de gemeente, dan wel haar ingezetenen positieve doelen. Een uiting van waardering voor degenen, die die doelen bevorderen, draagt bij aan hun motivatie en dus ook aan de wijze, waarop zij de doelen behartigen.

 

Investeringssubsidies zijn, conform het Beleidskader Subsidies, éénmalige subsidies, bedoeld voor (1) noodzakelijke investeringen in en aan accommodaties voor multifunctioneel gebruik. Onder 'noodzakelijk' wordt verstaan dat zonder de investering de vereniging/organisatie in haar bestaan wordt bedreigd, dan wel dat activiteiten niet (meer) kunnen plaatsvinden. De noodzaak moet blijken uit de aanvraag, dan wel uit de toelichting daarop. (2) Ook is subsidie mogelijk voor investeringen die randvoorwaardelijk zijn bij de instandhouding van basisvoorzieningen, bijvoorbeeld instrumenten voor muziekverenigingen.

De garantstelling gebruikt de gemeente Lingewaal om rechtspersonen in de gemeente te ondersteunen hun doelstellingen te verwezenlijken. Het gaat om leningen waarbij de gemeente garant staat voor rentebetalingen en aflossing van de lening. Hierdoor loopt de geldverstrekker minder risico. Voor de voorwaarden waaronder een garantstelling kan worden verstrekt, staan beschreven in artikel 22.

 

Naast de algemene beleidsdoelstellingen van Lingewaal vormt ‘Het Manifest van Lingewaal’ het belangrijkste toetsingskader voor gemeentelijke subsidies.

 

Artikel 2. Reikwijdte

Eerste lid

Met het eerste lid krijgt het college de bevoegdheid toegewezen om te besluiten over het verstrekken van subsidies waarop de Algemene subsidieverordening (hierna: ASV) van toepassing is.

Dit betreft in beginsel alle subsidies, met uitzondering van subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen en subsidies waar overeenkomstig artikel 4:23, derde lid, van de Awb geen wettelijke grondslag nodig is.

 

Tweede lid

Ten aanzien van subsidies waarvoor overeenkomstig artikel 4:23, derde lid, van de Awb geen wettelijke grondslag nodig is (zoals bijvoorbeeld incidentele subsidies) is de ASV in beginsel niet van toepassing. Dit lid geeft het college de bevoegdheid om de ASV (deels) van toepassing te verklaren als daartoe aanleiding bestaat.

 

Derde lid

Uitgezonderd van de bevoegdheid van het college zijn ook besluiten over het verstrekken van investeringssubsidies en garanties. De raad heeft ervoor gekozen om deze beslissingen zelf te nemen

 

Artikel 3. Subsidieregelingen

Met dit artikel krijgt het college de bevoegdheid om in nadere regels de te subsidiëren activiteiten te bepalen. Voor zover het college iets wenst te regelen met betrekking tot de doelgroepen die voor subsidie in aanmerking komen, de berekening van de subsidie en de wijze van uitbetalen, dient dit dan eveneens in de subsidieregeling te gebeuren.

 

In andere artikelen van ASV worden andere bevoegdheden gedelegeerd die betrekking hebben op de inhoud van de nadere regels: het afwijken van termijnen, het verbinden van bepaalde verplichtingen aan de subsidie, de wijze van verdelen van het subsidieplafond.

 

Voor zover het college geen gebruik maakt van deze bevoegdheid is het slechts in beperkte mate mogelijk om subsidies te verstrekken. De hoofdregel van de Awb is namelijk dat subsidieverstrekking gebaseerd moet zijn op een wettelijk voorschrift, zoals een subsidieregeling, waarin de te subsidiëren activiteiten staan vermeld. Op grond van artikel 4:23, derde lid, van de Awb, bestaan hierop maar vier uitzonderingen:

  • a.

    de spoedeisende subsidieverstrekking (tijdelijk, vooruitlopend op de vaststelling van een wettelijk voorschrift);

  • b.

    de subsidieverstrekking op grond van een begrotingspost (de begroting dient de subsidieontvanger en het bedrag dat ten hoogste kan worden vastgesteld te vermelden);

  • c.

    de incidentele subsidieverstrekking (voor uitzonderlijke gevallen, als er in beginsel slechts eenmalig subsidie zal worden toegekend);

  • d.

    de Europese subsidies (is voor gemeenten nauwelijks van belang).

 

Artikel 4. Europees steunkader

Om subsidies onder een Europees steunkader te brengen moet de subsidie op het toepasselijke steunkader worden toegesneden. Daarbij kan het nodig zijn dat er afgeweken wordt van de ASV, of dat deze aangevuld wordt. Het eerste lid maakt het college daartoe bevoegd.

 

Het tweede en derde lid zijn een uitvloeisel van de eis van de Europese Commissie dat in subsidieregelingen en -beschikkingen die gebruik maken van het Europees steunkader, het toepasselijke kader expliciet wordt vermeld.

 

Als sprake is van steun die valt onder een Europees steunkader, kunnen uiteraard alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor subsidie in aanmerking komen voor zover die voldoen aan de eisen en voorwaarden van het betreffende steunkader (lid 4). Net zo goed als dat bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, ondernemingen alleen in aanmerking komen als de subsidieverstrekking voldoet aan de voorwaarden van het desbetreffende steunkader (lid 5).

 

Artikel 5. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

De raad stelt de subsidieplafonds vast (lid 1) en vermeldt bij de bekendmaking de wijze van verdelen (eerste lid in combinatie met artikel 4:26, tweede lid, van de Awb). De wijze van verdelen kan ook worden bekendgemaakt door verwijzing naar de – door het college vastgestelde – nadere regel waarin de wijze van verdeling is vastgelegd (tweede lid in combinatie met artikel 4:26, tweede lid, van de Awb). Als er geen bestaande nadere regel is zal – in samenspraak tussen de raad en het college – geregeld (moeten) zijn dat óf de nadere regel en het subsidieplafond gelijktijdig in werking treden óf dat de nadere regel weliswaar voor het vaststellen van het subsidieplafond in werking treedt maar dat aanvragen pas ná het vaststellen van het subsidieplafond kunnen worden ingediend. Als dit niet (juist) geregeld is kan het subsidieplafond niet worden tegengeworpen aan aanvragers die hun aanvraag hebben ingediend voor bekendmaking (artikel 4:27, tweede lid, van de Awb). Bij de bekendmaking van de subsidieplafonds door de raad wordt er, indien van toepassing, gewezen op de mogelijkheid het subsidieplafond te verlagen (derde en vierde lid, zie verder hieronder).

Het college, dat via artikel 2 de bevoegdheid gedelegeerd heeft gekregen om te besluiten over het verstrekken van subsidies, is verder verplicht – in lijn met de mogelijkheid van artikel 4:34, eerste lid, van de Awb – (in bepaalde gevallen) om bij het gebruik maken van deze gedelegeerde bevoegdheid een begrotingsvoorbehoud te maken (vijfde lid).

 

Verlaging subsidieplafond

De verlaging van een subsidieplafond heeft in beginsel geen gevolgen voor aanvragen die vóór bekendmaking van de verlaging zijn ingediend (artikel 4:27, tweede lid, van de Awb). Dat is anders als aan de drie voorwaarden genoemd in artikel 4:28 van de Awb is voldaan:

  • 3.

    aanvragen voor de desbetreffende subsidie moeten worden ingediend voordat de begroting is vastgesteld of goedgekeurd,

  • 4.

    de verlaging vloeit voort uit vaststelling van de begroting, en

  • 5.

    de mogelijkheid van verlaging is aangekondigd bij de vaststelling van het oorspronkelijke subsidieplafond.

Om te waarborgen dat de raad alleen overgaat tot verlaging van subsidieplafonds als die verlaging ook daadwerkelijk kan worden gebruikt zijn het derde en vierde lid opgenomen. Het komt er op neer dat een subsidieplafond alleen kan worden verlaagd als het oorspronkelijke subsidieplafond is vastgesteld voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld én de aanvragen voor de vaststelling van de begroting moesten zijn ingediend én er bovendien op de mogelijke verlaging wordt gewezen bij de bekendmaking van het plafond.

 

Artikel 6. Aanvraag

In het eerste lid is bepaald dat een aanvraag voor subsidie schriftelijk dient te worden gedaan; en dat als hiervoor een aanvraagformulier is vastgesteld, de aanvraag dan met gebruikmaking van dat formulier gedaan moet worden. Met ‘schriftelijk’ is meer bedoeld dan ‘op papier geschreven’. Zo kan een aanvraag ook digitaal worden gedaan, mits de digitale weg open is gesteld. In het tweede en derde lid is bepaald welke stukken en gegevens bij de aanvraag in elk geval overgelegd dienen te worden.

 

Bij een subsidie aan een onderneming moet voorkomen worden dat subsidie wordt verleend die niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna VWEU). Daarom zijn een tweetal aanvraagvereisten opgenomen die specifiek voor ondernemingen gelden. Ten eerste, om ontoelaatbare cumulatie te voorkomen wordt een overzicht gevraagd van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd die al zijn of zullen worden ontvangen voor de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd (tweede lid, onderdeel d, onder 1). Een subsidie kan namelijk ook uit een garantie, lening, korting op de grondprijs, etc. bestaan. Ten tweede, om subsidie onder de de-minimisverordening te kunnen verlenen moet de onderneming om een de-minimisverklaring gevraagd worden (tweede lid, onderdeel d, onder 2). Op basis van een ingeleverde de-minimisverklaring dient het college te controleren of verlenen van de subsidie in overeenstemming is met de de-minimisverordening.

 

Bij subsidieregeling kan het college besluiten hiervan af te wijken (vierde lid); bijvoorbeeld door voor aanvragen om bepaalde subsidies meer of andere gegevens en bescheiden te verlangen.

 

Artikel 7. Aanvraagtermijn

De aanvraagtermijnen zijn afhankelijk van het soort subsidie. Er wordt onderscheid gemaakt tussen subsidies die per kalenderjaar worden verstrekt en andersoortige subsidies. De datum van 1 juli voor (meer)jaarlijkse subsidies sluit aan bij de gemeentelijke P&C-cyclus. Andere subsidies, zoals waarderingssubsidies, kunnen in het voorafgaande jaar worden ingediend en zo worden meegenomen in de begroting van de gemeente (P&C-cyclus), of lopende het begrotingsjaar, voorafgaand aan de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Dit laatste maakt het mogelijk actuele initiatieven te ondersteunen, risico voor de aanvrager is dat het subsidieplafond al is bereikt dan wel wordt overschreden, waardoor geen subsidie wordt verstrekt.

 

Bij subsidieregeling kan het college besluiten af te wijken van de aanvraagtermijnen die vastgesteld zijn in het eerste tot en met derde lid (vierde lid).

 

Artikel 8. Beslistermijn

Hier worden de termijnen gegeven waarbinnen het college gehouden is te beslissen op een aanvraag voor subsidie. In de Awb staan geen strikte beslistermijnen op een aanvraag om subsidie. Ook hierbij is onderscheid gemaakt tussen subsidies per kalenderjaar en andere subsidies. Bij subsidieregeling kan het college besluiten af te wijken van de beslistermijnen die vastgesteld zijn in het eerste en tweede lid (vierde lid).

 

De beslistermijn bij aanvragen om een subsidie die bij de Europese Commissie aangemeld worden, wordt verdaagd totdat de Europese Commissie een eindebeslissing heeft genomen (vijfde lid). Dit om te voorkomen dat subsidie wordt verleend die niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie en vervolgens teruggevorderd dient te worden.

 

Artikel 9. Weigerings-, intrekkings- en terugvorderingsgronden

In het eerste lid worden de algemeen geldende weigeringsgronden van de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb, met nadere verplichte gronden aangevuld.

 

Ondanks dat er sprake is van staatssteun is het soms mogelijk om steun te verstrekken op basis van een vrijstellingsverordening, waardoor het college kan volstaan met een lichte kennisgevingsprocedure. Als dat niet mogelijk is, kan goedkeuring van de Europese Commissie gevraagd worden via een formele aanmelding. Als de Europese Commissie de steun echter niet goedkeurt, dan moet het college overgaan tot weigering (vandaar de verplichte weigeringsgrond in het eerste lid, onder a).

 

Wat betreft de verplichte weigeringsgrond opgenomen onder b dient het volgende opgemerkt te worden. Bepaalde Europese steunkaders verbieden – als er een bevel tot terugvordering uitstaat – alleen het verlenen van staatsteun onder de betreffende verordening; niet het verlenen van subsidies in het algemeen. Door de in het eerste lid, onder b, gekozen formulering van de weigeringsgrond in combinatie met het verplichtende karakter komt het in de ASV echter neer op een – op zichzelf verdedigbare – verbreding van de weigeringsgrond tot het verlenen van subsidies in het algemeen (als er een bevel tot terugvordering uitstaat).

 

In het tweede lid is een absolute weigeringsgrond opgenomen voor die gevallen dat overgaan tot subsidieverstrekking strijdigheid op zou leveren met een Europees steunkader omdat er dan subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het toepasselijke steunkader of omdat de betreffende subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het toepasselijke steunkader. Een onderneming wordt naar oordeel van de Europese Commissie beschouwd als een onderneming in moeilijkheden wanneer zij, zonder overheidsingrijpen, op korte of middellange termijn vrijwel zeker gedoemd is te verdwijnen. Meer informatie over dit begrip is te vinden in paragraaf 2.2 van de Richtsnoeren [van de Europese Commissie] voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (2014/C 249/01). Dat er sprake moet zijn van een stimulerend effect houdt in beginsel in dat de begunstigde aanvrager door de steun in staat wordt gesteld activiteiten of projecten uit te voeren die zij anders – zonder de steun – niet had uitgevoerd. Ook houdt het in beginsel in dat de steun niet mag worden verleend voordat de activiteit wordt gestart.

 

In het derde lid zijn enkele facultatieve weigeringsgronden opgenomen. Het college kan in deze gevallen weigeren, maar is daartoe niet verplicht

.

 

Onder j is een weigeringsgrond opgenomen waarmee het college een aanvraag kan weigeren als subsidieverstrekking niet is toegestaan dan nadat deze overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het VWEU (de meldingsprocedure) is goedgekeurd door de Europese Commissie. Het gaat hier om subsidieverstrekking die in beginsel niet ongeoorloofd is vanwege strijdigheid met de toepasselijke cumulatieregels of overschrijding van het toegestane bedrag aan de-minimissteun. In deze gevallen kan het college óf weigeren de subsidie te verstrekken óf de subsidie melden bij de Europese Commissie om langs deze weg goedkeuring te verkrijgen. Als het college besluit over te gaan tot melding, dan wordt in verband met de standstill-verplichting de beslistermijn verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen (zie artikel 8, vierde lid). Als de Europese Commissie besluit de voorgenomen subsidieverstrekking niet goed te keuren, dan zal het college de aanvraag alsnog weigeren (zie het eerste lid, onder a). Een subsidie die is of kan worden goedgekeurd kan uiteraard ook op een andere grond worden geweigerd.

 

Om toe te kunnen zien op de doelmatige besteding van subsidiegeld regelt onderdeel k dat het college de subsidie kan weigeren in het geval de te subsidiëren instelling bezoldigingen overeenkomt of is overeengekomen die hoger zijn dan het bedrag bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (hierna: Wnt). Het algemene bezoldigingsmaximum voor de publieke en semipublieke sector is per 1 januari 2016 vastgesteld op € 179.000; het wordt jaarlijks bij ministeriële regeling geïndexeerd (zie artikel 2.3, tweede, derde en vierde lid, van de Wnt). De gedachte achter deze weigeringsgrond is dat bij subsidieaanvragers die hogere bezoldigingen dan dat bedrag overeenkomen gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat een deel van de subsidie aan dergelijke bezoldigingen wordt besteed. Vanuit het oogpunt van doelmatige besteding van subsidiegeld wordt dit onwenselijk geacht.

 

Als de doelmatige besteding van subsidiegeld niet in het geding is – bijvoorbeeld omdat het een zeer geringe subsidie betreft of duidelijk is dat de gelden niet besteed zullen worden aan de salariskosten – kunnen burgemeester en wethouders afzien van weigering ondanks dat er bij de aanvrager sprake is van bezoldigingen die het maximum overtreffen. Als de subsidiegelden niet besteed zullen worden aan salariskosten, dan zal het aan de aanvrager zijn om dit (uit eigen beweging) te onderbouwen.

 

De weigeringsgrond heeft betrekking op alle subsidieaanvragers, niet alleen op instellingen die al onder de Wnt vallen. Bovendien wordt gekeken naar alle bezoldigingen die door de aanvrager met functionarissen (met of zonder dienstbetrekking) zijn overeengekomen en dus niet alleen naar die bezoldigingen die zijn overeengekomen met een topfunctionaris als bedoeld in de Wnt.

 

Onderdeel l geeft het college de bevoegdheid in een nadere regel nog andere weigeringsgronden op te nemen, bijvoorbeeld weigeringsgronden die specifiek met de te subsidiëren activiteiten samenhangen.

 

Als de Europese Commissie tot het oordeel is gekomen dat een subsidie niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie, dan moet de verleende subsidie ingetrokken en teruggevorderd worden (inclusief rente). Het zesde lid geeft het college de bevoegdheid om hier uitvoering aan te geven.

 

Een subsidie kan ook (geweigerd en) ingetrokken worden in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. Dit volgt rechtstreeks uit artikel 6 van die wet.

 

Artikel 9a

Dit amendement voorziet in de invoering van een nieuw artikel 9a in de Algemene subsidieverordening. De huidige gemeentelijke regelgeving biedt geen mogelijkheden om de subsidieontvanger een deel van de subsidie te ontzeggen als die betreffende kosten verrekenbare of compensabele omzetbelasting/BTW betreft. Dit kan tot de situatie leiden dat bij een volledige subsidie een subsidieontvanger meer dan 100% van de kosten die hij maakt van overheidswege vergoed krijgt.

Immers, in die situatie ontvangt hij 100% van de kosten door middel van een subsidie en kan tevens de BTW terugvorderen. Dit is ongewenst.

Dat « kosten die niet in redelijke verhouding staan tot de gestelde doelen of redelijkerwijs te verwachten resultaten van de activiteit » en « kosten van boetes en sancties alsmede leges » niet voor subsidie in aanmerking komen, behoeft geen betoog. Dit behoudens het hierna te bespreken derde lid. BTW die de subsidieontvanger kan compenseren of verrekenen komt niet voor subsidie in aanmerking. Hierop wordt in het tweede lid een uitzondering gemaakt voor een met omzetbelastingbelaste subsidiabele activiteit. Indien de subsidiabele activiteit belaste is, dan krijgt de subsidieontvanger ook de BTW vergoed. De Belastingdienst bepaalt of sprake is van een belaste subsidie.

Leges komen evenmin voor subsidie in aanmerking. Hierop wordt in het derde lid een uitzondering gemaakt ten behoeve van plaatselijke verenigingen en instellingen. Plaatselijke verenigingen en instellingen zijn al sinds jaar en dag vrijgesteld van het betalen van leges, behalve ten aanzien van leges voor omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen (artikel 4, aanhef en onder 3, Legesverordening). In de bestaande uitvoeringspraktijk ontvingen sommige plaatselijke verenigingen en instellingen een subsidie voor de legeskosten van omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen als onderdeel van de subsidie voor bijvoorbeeld een verbouwing. Beide regelingen worden nu samengebracht in het derde lid.

Het « bevoegd gezag » in het tweede en derde lid is de raad dan wel het college. Wie in een concreet geval als bevoegd gezag moet worden gezien is afhankelijk van welk bestuursorgaan de subsidie verleent en vaststelt.

 

Artikel 11. Algemene verplichtingen van subsidieontvanger

Dit artikel bevat een meldingsplicht (eerste lid) en informatieplicht (tweede lid) die voor alle subsidie-ontvangers geldt. Met ‘schriftelijk’ in het eerste lid is meer bedoeld dan ‘op papier geschreven’. De melding kan ook digitaal worden gedaan als het college de digitale weg open heeft gesteld.

 

Artikel 12. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen

Dit artikel bevat een bevoegdheidsgrondslag voor het college om aan de subsidie bepaalde ’bijzondere‘ verplichtingen te verbinden, in aanvulling op wat reeds mogelijk is op grond van de Awb (zie artikel 4:37 van de Awb).

 

Wat betreft het tweede en derde lid wordt het creëren van deze mogelijkheid onder bepaalde voorwaarden geboden door de artikelen 4:38 (voor zover het betreft verplichtingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie) en 4:39 (voor zover het betreft verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie). In beginsel dient de verordening hiervoor een uitdrukkelijke grondslag te bieden, of – in het geval van verplichtingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie – de verleningsbeschikking.

 

Het tweede lid ziet op de verplichtingen die verband houden met de verwezenlijking van het doel van de subsidie. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan eisen inzake de deskundigheid van de personen die de te subsidiëren activiteit uit zullen voeren.

 

Het derde lid maakt het mogelijk om verplichtingen op te leggen die niet strekken tot verwezenlijking van het eigenlijke doel van de gesubsidieerde activiteit. Het betreft echter geen vrijbrief, deze verplichtingen moeten wel enig verband houden met de gesubsidieerde activiteit. Het kan bijvoorbeeld gaan om het opleggen van de verplichting om een extra inspanning te leveren om een bepaalde doelgroep te betrekken bij de gesubsidieerde activiteiten of om de activiteiten op de meest milieuvriendelijke manier uit te oefenen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met het opleggen van oneigenlijke subsidieverplichtingen terughoudendheid dient te worden betracht (Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 66). Als het college van deze aanvullende mogelijkheid gebruik maakt moet dat duidelijk gemotiveerd worden.

 

In artikel 4:41 van de Awb is bepaald dat in bepaalde gevallen de subsidie-ontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor een vergoeding verschuldigd is aan het bestuursorgaan. Het gaat daarbij om de volgende gevallen:

  • -

    als de subsidie-ontvanger voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen vervreemdt of bezwaart of de bestemming daarvan wijzigt;

  • -

    als de subsidie-ontvanger een schadevergoeding ontvangt voor verlies of beschadiging van voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen;

  • -

    als de gesubsidieerde activiteiten geheel of gedeeltelijk worden beëindigd;

  • -

    als de subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt ingetrokken of de subsidie wordt beëindigd, of

  • -

    de rechtspersoon die de subsidie ontving wordt ontbonden.

Deze vergoedingsplicht echter geldt alleen als hierin is voorzien in de verordening of subsidieregeling, of – als deze ontbreken – in de subsidiebeschikking. Daarbij moet zijn bepaald hoe de hoogte van de vergoeding wordt berekend (dit hoeft geen volledige compensatie te betreffen). Met het vierde lid krijgt het college de bevoegdheid om hier uitvoering en invulling aan te geven. In de praktijk zal dit alleen aan de orde zijn bij rechtspersonen die jaarlijks subsidie ontvangen, maar het is ook mogelijk in andere gevallen.

 

Artikel 13. Wijze van verstrekken en eindverantwoording subsidies tot en met € 2.500

Kenmerkend voor subsidies tot en met € 2.500 is dat deze op basis van vertrouwen worden verleend; er wordt niet meer standaard om verantwoording gevraagd. In plaats daarvan geldt een actieve meldingsplicht voor de subsidie-ontvanger bij niet nakoming van de voorwaarden (zie artikel 11). Achteraf kan een risicogeoriënteerde controle plaatsvinden bij de subsidie-ontvanger.

 

Als de subsidieontvanger al (positief) bekend is zal de subsidie bij een dergelijk klein bedrag meestal direct vastgesteld en uitbetaald kunnen worden (eerste lid). In andere gevallen kan er eerst verleend worden, gevolgd door een ambtshalve vaststelling (eerste lid). In zo’n geval wordt een eventueel voorschot in één termijn (lump sum) verstrekt en hoeft de subsidie-ontvanger geen aanvraag voor subsidievaststelling (verantwoording) in te dienen. Hierdoor kunnen de lasten voor zowel de subsidieaanvrager als de subsidieverstrekker worden bespaard, terwijl toch het risico voor de gemeente beperkt blijft.

 

Verder wordt in het geval van verlening gevolgd door ambtshalve vaststelling, in de subsidiebeschikking vermeld wanneer de gesubsidieerde activiteiten moeten zijn verricht. De subsidie wordt vervolgens, binnen een nader bepaalde termijn, ambtshalve vastgesteld door de subsidieverstrekker. In het tweede lid is een afwijkende termijn opgenomen voor situaties waarin speciale rapportageverplichtingen worden opgelegd.

 

Artikel 14. Eindverantwoording subsidies tussen € 2.500 en € 25.000

In dit artikel is bepaald op welke wijze subsidie-ontvangers subsidie tussen € 2.500 en € 25.000 aan het college dienen te verantwoorden; er dient een aanvraag tot vaststelling ingediend te worden (eerste lid), deze bevat een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan (tweede lid). Ingevolge artikel 10 wordt de wijze van verantwoording al bij het besluit tot verlening van de subsidie aan de subsidie-ontvanger bekend gemaakt.

 

Met betrekking tot het inhoudelijk verslag kan vooraf bij de subsidieverlening al zijn aangegeven op welke manieren het aantonen kan plaatsvinden. Er kunnen daarbij verschillende instrumenten worden gebruikt, zoals bestuurs- en activiteitenverslagen, een managementverklaring, een deskundigenverklaring of andere bewijsstukken (bijvoorbeeld een publicatie), enz. Het verslag kan ook bestaan uit een algemeen jaarverslag van een rechtspersoon. Het gaat er om dat duidelijk is dat de verkregen subsidie is aangewend voor het doel waarvoor de subsidie werd verstrekt. Voorts kan het college, overeenkomstig het derde lid, in een subsidieregeling aangeven andere bewijsmiddelen te verlangen dan een inhoudelijk verslag.

 

Voorschotten worden automatisch (ambtshalve) verstrekt volgens het in de verleningsbeschikking opgenomen bevoorschottingsritme. De bevoorschottingsbeschikking wordt ambtshalve gegeven gelijk met de verleningsbeschikking. De subsidieaanvrager hoeft geen aanvraag voor bevoorschotting in te dienen of tussentijdse overzichten van prestaties of uitgaven te overleggen. Dit leidt tot lastenbesparingen bij zowel de subsidieontvanger als de gemeente Lingewaal.

 

De bevoorschotting is mede afhankelijk van de aard van de te subsidiëren activiteit. Daarom is ervoor gekozen de termijnen, waarop de (automatische) bevoorschotting plaats vindt, niet in de verordening te noemen. In de verleningsbeschikking worden het bevoorschottingsritme en de hoogte van de voorschotten opgenomen.

 

Artikel 15. Eindverantwoording subsidies van meer dan € 25.000

Bij subsidies vanaf € 25.000 wordt uitgegaan van de traditionele afrekening van subsidies; op basis van gerealiseerde kosten en baten. De vaststelling van de subsidie vindt plaats op basis van uitgevoerde activiteiten en gerealiseerde kosten. Het derde lid biedt de basis om in een subsidieregeling te bepalen dat er ook andere, waaronder meer of minder, gegevens gevraagd worden.

 

Ook in dit artikel wordt de mogelijkheid tot bevoorschotting geboden.

 

Artikel 16. Subsidievaststelling subsidies van meer dan € 2.500

Het eerste lid bevat – overeenkomstig artikel 4:13 van de Awb – de termijn waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden; wel bestaat de mogelijkheid tot verdagen (tweede lid). Het merendeel van de aanvragen zal binnen deze beslistermijn kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen vergen soms meer tijd. De verdaging van de beslistermijn – voor de duur van ten hoogste de in het tweede lid nader bepaalde termijn – biedt dan uitkomst. Een besluit tot verdaging op grond van het tweede lid is appellabel (dit in tegenstelling tot een mededeling op grond van artikel 4:14 Awb) dat de – eventueel verdaagde – termijn niet gehaald wordt.

 

Artikel 17. Berekening van uurtarieven, uniforme kostenbegrippen

Een veel gebruikte methode voor de bepaling van de omvang van het subsidiebedrag is de berekening van de (gedeeltelijke) bijdrage aan de werkelijke kosten van subsidiabele activiteiten. Hierbij is een belangrijke basis voor de financiering/subsidie (kostengrondslag) de inzet van personeel. De subsidieontvanger moet zich verantwoorden over het aantal subsidiabele uren en de totstandkoming van de uurtarieven. Dit brengt hoge lasten met zich mee. Vooral de verschillende uitgangspunten en definities per subsidie ten aanzien van de subsidiabele kosten (bijvoorbeeld overheadkosten) leggen een grote (lasten)druk op de administratieve systemen van subsidieontvangers.

 

Bij het bepalen van de standaardberekeningswijzen voor de berekening van uurtarieven sluit het college aan bij de berekeningswijzen, volgens het Rijksbrede subsidiekader:

  • a.

    berekening op basis van integrale kosten;

  • b.

    berekening op basis van kosten per kostendrager, vermeerderd met een forfaitair vastgestelde opslag voor indirecte kosten of

  • c.

    een forfaitair vastgesteld uurtarief.

 

Voor de toepassing van de berekeningswijze op basis van kosten per kostendrager wordt het daarin van toepassing zijnde opslagpercentage voor de indirecte kosten door het college voorgeschreven. Voor de toepassing van een forfaitair vastgesteld uurtarief wordt het van toepassing zijnde uurtarief per kostendrager door het college voorgeschreven. Forfaitaire elementen zijn een hulpmiddel om de bepaling van de subsidiabele kosten, en daarmee van het subsidiebedrag, te vereenvoudigen en te uniformeren. Voorbeelden van forfaitaire elementen zijn: - het aantal werkbare uren op jaarbasis, - het uurtarief voor kosten van eigen arbeid (niet zijnde loonkosten) en - het uurtarief voor categorieën van loonkosten, bijvoorbeeld op basis van de Handleiding Overheidstarieven. Zo wordt voor de berekening van uurtarieven uitgegaan van een forfaitair vastgestelde standaard van 1.600 werkbare uren op jaarbasis.

 

Bij het bepalen van kostenbegrippen bij de berekening van uurtarieven hanteert het college de volgende definities, zoals die ook in het Rijksbrede subsidiekader worden gehanteerd:

 

  • -

    Subsidiabele kosten: kosten die bij het verlenen en vaststellen van de subsidie in aanmerking worden genomen, respectievelijk de feitelijke hoogte van die kosten.

  • -

    Kostendrager: kostenplaats of volume-eenheid voor kostenberekening, bijvoorbeeld personeels-/arbeidsuren, apparaat-/machine-uren en overige kostendragers als output van apparaten en machines en verbruikte materialen.

  • -

    Afschrijvingskosten: kosten die de economische waardevermindering weergeven van een investering tegen historische kostprijs gedurende de economische levensduur (periode waarna de investering economisch verouderd is), de eventuele restwaarde na de economische levensduur behoren niet tot de subsidiabele kosten.

  • -

    Loonkosten: totaal van de bruto loonkosten, niet winstafhankelijke emolumenten, dan wel extra verdiensten naast het loon, werkgeverslasten, kosten van secundaire arbeidsvoorwaarden en, indien van toepassing, een evenredig deel van de begrote kosten voor een eventuele wachtgelduitkering na ontslag, voor personeel dat werkzaamheden verricht ten behoeve van subsidiabele activiteiten.

  • -

    Urenbasis: het aantal werkbare uren per fte per jaar.

  • -

    Directe kosten: kosten van een kostendrager en kosten derden, die rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit worden toegerekend.

  • -

    Indirecte kosten: (overhead) kosten die niet rechtstreeks aan een subsidiabele activiteit worden toegerekend, maar via toerekening van een kostendrager.

  • -

    Kosten derden: op factuur aantoonbare aan derden verschuldigde kosten die direct voor de subsidiabele activiteit worden gemaakt, bijvoorbeeld door uitbesteding van een deel van de subsidiabele activiteit en kosten van voor de subsidiabele activiteit geleverde goederen en diensten.

Hoofdstuk 7

 

Artikel 18. Aanvullend bij de aanvraag in te dienen gegevens

Hoofdstuk 7 is specifiek opgesteld voor twee bijzondere subsidievormen in Lingewaal, de investeringssubsidie en de garantstelling. Dit artikel verplicht de aanvrager bij zijn subsidieaanvraag aanvullende informatie te geven. Ten eerste is dat een uitvoeringsplan met een begroting van de kosten. Het uitvoeringsplan moet aantonen dat de beoogde investering noodzakelijk is voor de organisatie dan wel als basisvoorziening conform het manifest. Met de begroting, eventueel ook offertes, wordt de redelijkheid van de investering beoordeeld. Vraagt de organisatie een garantstelling door de gemeente aan, dan dient uit offertes van tenminste twee banken te blijken dat die garantstelling voorwaardelijk is voor het verkrijgen van de lening. Uit de exploitatiebegroting moet blijken dat de aanvrager de lasten voor rente en aflossing, die met de lening gemoeid zijn, meerjarig binnen zijn exploitatie kan dragen.

 

Artikel 19. Maximale bijdrage investeringssubsidies

Subsidiabel zijn investeringskosten voor nieuwbouw, uitbreiding en aanpassing van multifunctionele accommodaties, die de gemeente essentieel acht voor de uitvoering van sociaal-culturele activiteiten binnen de gemeentegrenzen, de zogenaamde basisvoorzieningen. Leidend principe hierbij is ‘sober en doelmatig’. Basisvoorzieningen zijn benoemd in het manifest. Het betreft accommodaties waar ‘ontmoeting’ als primaire functie centraal staat en waar activiteiten plaatsvinden om de sociale cohesie te bevorderen. De investering kan zich bijvoorbeeld richten op: - ontvangstruimte / garderobe; - activiteitenruimte, media- of bibliotheekruimte, ruimte voor peuterspeelzaalwerk, theaterzaal; - vergaderruimte; - horecagelegenheid (keuken/bar); - toiletruimte; - verwarmingsinstallaties t.b.v. deze ruimten; - etc. De kosten van nieuwbouw, uitbreiding of aanpassing van sociaal-culturele accommodaties worden zover als mogelijk gefinancierd met behulp van rijkssubsidies, provinciale subsidies en/of fondsen. Indien er geen of onvoldoende financieringsmogelijkheden zijn, kan de gemeente een subsidie verstrekken. Investeringen in deze accommodaties in eigendom van een lokale rechtspersoon zijn (na aftrek van rijkssubsidies, provinciale subsidies en middelen uit fondsenwerving) subsidiabel voor ten hoogste 50% van de kosten. Ten minste de helft van de overblijvende investering dient de aanvrager dus zelf op te brengen. De aanvrager kan de inbreng uit eigen middelen beperken door zelfwerkzaamheid en/of waar mogelijk een beroep te doen op sponsoren. Er is sprake van ‘aanpassing’ van een sociaal culturele accommodatie in geval van/indien: - de accommodatie anders niet geschikt is voor het uitoefenen van de beoogde functie(s); - verbouwing wordt beoogd om een dislocatie te kunnen afstoten; - functieverandering van ruimten wordt beoogd; - voorzieningen wenselijk zijn in verband met eisen voortkomend uit de wet- en regelgeving; - vervanging van een oliegestookte verwarmingsinstallatie; - aanbrengen van een traplift bij meerlaagse accommodaties. Niet subsidiabel zijn de kosten van (luxe) voorzieningen die naar oordeel van het college niet noodzakelijk zijn voor het dagelijkse gebruik van de accommodatie.

 

Artikel 20. Subsidieplafond en verdeling, besluiten tot investeringssubsidies

Bij vaststelling van de begroting stelt de raad het maximaal beschikbare budget voor investeringssubsidies vast. In principe reserveert de raad € 200.000,- per jaar voor het plegen van investeringen. Echter, dat bedrag is niet sec bedoeld voor subsidies, maar kan ook ingezet worden voor andere investeringen in basisvoorzieningen. Prioritering van de investeringsplannen kan volgen uit:- de mate waarin de doelstellingen van het gemeentelijk beleid worden bereikt, dan wel bijdragen aan Het manifest van Lingewaal;- instandhouding of realisatie van basisvoorzieningen;- multifunctioneel gebruik van de voorziening;- eigen bijdrage van de aanvrager aan de voorziening.

 

Artikel 21. Besluiten tot garantstellingen

Op grond van de “Wet financiering decentrale overheden” (Wet Fido) mag de gemeente Lingewaal garanties verstrekken voor de uitoefening van de publieke taak. Deze wet geeft aan het begrip “publieke taak” een beperkte invulling omdat dit in belangrijke mate politiek wordt bepaald op lokaal niveau. In principe bepaalt de gemeente dus zelf wat zij onder de publieke taak verstaat en hoe zij deze taak uitoefent. Een algemene voorwaarde is dat de activiteiten die de aanvrager verricht bijdragen aan de doelstellingen van de gemeente Lingewaal dan wel uit het manifest. Het kenmerk van een garantstelling is dat de gemeente een mogelijk financieel risico loopt. Anders dan bij een financiële instelling als een bank, een verzekeringsmaatschappij of een waarborgfonds, is het beoordelen van en waken over de financiële risico's van derden geen kerntaak van de gemeente. Anders gezegd, er zijn andere partijen die beter dan de gemeente in staat zijn financiële risico's af te dekken. Het financiële risico ontstaat ook doordat de gemeente geen invloed heeft op de bedrijfsvoering van de instelling die een aanvraag voor garantie doet. Gezien de risico’s verbonden aan het verlenen van garanties is in de kadernota subsidies het gemeentelijk beleid verwoord als: garanties: nee, tenzij ….Het gaat te ver om te stellen dat de gemeente nooit garant kan of wil staan. Er zijn situaties denkbaar dat een instelling nergens terecht kan voor het realiseren van een maatschappelijk relevante zaak. In die gevallen kan de gemeente garant staan, maar dan wel onder strikte voorwaarden. Zo moet de garantie noodzakelijk zijn om voor een lening in aanmerking te kunnen komen. Ook moet de organisatie middels haar financiële gegevens aantonen dat zij de lasten voor rente en aflossing meerjarig in haar exploitatie kan dragen. Ook moet het doel waarvoor de gemeente Lingewaal dit instrument gebruikt passen binnen het gemeentelijk beleid uit hoofde van de publieke taak en het algemeen belang. Het college bereidt een dergelijke garantstelling voor en doet de raad een voorstel daartoe.

 

Hoofdstuk 8

 

Artikel 22. Evaluatie

Artikel 4:24 van de wet verplicht eens in de vijf jaar verslag te doen over 'de doeltreffendheid en effecten in de praktijk van subsidies' die volgens deze verordening worden verstrekt. De wet biedt de mogelijkheid in de verordening hiervan af te wijken. Ervaring wijst uit dat een dergelijke evaluatie voor subsidies binnen het brede welzijnsterrein ondoenlijk is. Want wat levert de subsidie nu feitelijk op? En wat was er gebeurd wanneer geen subsidie was verstrekt? Vergelijkingsmethodieken zijn niet voorhanden en het antwoord op die vragen is dan ook niet of slechts zeer moeilijk te geven. En dat geldt in nog sterkere mate voor kleine subsidies. Dat is dan ook de reden om niet inhoudelijk op subsidies te evalueren. Wat wel meetbaar is, is in hoeverre de verordening voor aanvragers en gemeente een bruikbaar middel is. Daarom wordt de methodiek van de verordening en het proces van subsidieverstrekkingen wel periodiek geëvalueerd. Dit laat overigens onverlet dat in de verantwoording van subsidies wel resultaten worden aangegeven.

 

Artikel 23. Hardheidsclausule

Deze hardheidsclausule is opgenomen omdat in uitzonderlijke gevallen vasthouden aan een termijn in de ASV of de toepasselijke subsidieregeling wegens bijzondere omstandigheden onevenredig kan zijn tot de daarmee te dienen belangen. Op grond van het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders dan een andere termijn vaststellen.

 

Op grond van het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders bovendien in een subsidieregeling een hardheidsclausule opnemen die ziet op nader in die subsidieregeling aangegeven bepalingen. Een te treffen voorziening, die niet in de verordening of subsidieregeling is voorzien, dient altijd binnen de doelstellingen van de subsidie te passen.

 

In de hardheidsclausule is zo concreet en nauwkeurig mogelijk (dus door het benoemen van de specifieke artikelen) aangegeven op welke onderdelen van de regeling deze clausule niet van toepassing is.