Regeling vervallen per 01-01-2006

Verordening externe klachtbehandeling

Geldend van 01-01-2002 t/m 31-12-2005

Intitulé

Verordening externe klachtbehandeling

De raad van de gemeente Loon op Zand;

Gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 23 augustus 2005, nummer 2005/77;

Gelet op het advies van de commissie Algemeen Bestuurlijke Zaken en Burgerparticipatie d.d. 6 september 2005;

Gelet op titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht en de Wet Nationale Ombudsman;

Besluit:

vast te stellen de navolgende ‘’Verordening externe klachtbehandeling’.

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder;

  • a.

    verzoekschrift een schriftelijke uiting van ongenoegen over de wijze waarop een bestuursorgaan of een persoon, werkzaam onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan, zich in een bepaalde aangelegenheid jegens een natuurlijk persoon of een rechtspersoon heeft gedragen;

  • b.

    ombudsman: een lokale of regionale onafhankelijke klachtinstantie;

  • c.

    plaatsvervanger plaatsvervangend ombudsman, onderscheidenlijk plaatsvervangende leden;

  • d.

    verzoeker degene die het verzoekschrift indient.

Artikel 2 Instelling ombudsman

  • 1. Er is een ombudsman

  • 2. De ombudsman is niet ondergeschikt aan enig bestuursorgaan

  • 3. De ombudsman ontvangt ter zake van de uitoefening van zijn werkzaamheden geen instructies in het algemeen of voor een enkel geval.

Artikel 3 Samenstelling ombudsman

  • 1. De ombudsman wordt benoemd, geschorst en ontslagen door de raad.

  • 2. Indien de ombudsman een commissie is, benoemt de raad het oneven aantal leden de voorzitter.

  • 3. De raad benoemt een genoegzaam aantal plaatsvervangers.

  • 4. Bij verhindering van de ombudsman, onderscheidenlijk de leden worden ze vervangen door een plaatsvervanger.

  • 5. Deze verordening is van overeenkomstige toepassing op de plaatsvervangers.

Artikel 4 Onverenigbare betrekkingen

  • 1. Tot ombudsman, onderscheidenlijk leden daarvan zijn niet benoembaar:

    • a.

      burgemeester en wethouders;

    • b.

      leden van de raad en leden van commissies waaraan bevoegdheden van een gemeentelijk bestuursorgaan zijn toegekend;

    • c.

      zij die een openbare betrekking hebben waaraan een vaste beloning of toelage is verbonden bij het bestuursorgaan ten aanzien waarvan de ombudsman bevoegd is;

    • d.

      bestuurders en personeelsleden van enig publiekrechtelijk samenwerkingsverband waarin de gemeente deelneemt;

  • 2. De ombudsman, onderscheidenlijk de leden vervullen geen betrekkingen en verrichten geen werkzaamheden waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van de functie op de handhaving van de onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.

Artikel 5 Eed of belofte

Alvorens zijn ambt te aanvaarden legt de ombudsman in de handen van de voorzitter van de gemeenteraad af:

  • a.

    de eed of de verklaring en belofte dat hij tot het verkrijgen van zijn benoeming rechtstreeks nog middellijk, onder welke naam of onder welk voorwendsel ook, aan iemand iets heeft gegeven of beloofd, alsmede dat hij om iets in zijn ambt te doen of te laten rechtstreeks noch middellijk van iemand enig geschenk of enige belofte heeft aangenomen of zal aannemen;

  • b.

    de eed of belofte van trouw aan de Grondwet en de wetten, en dat hij zijn plichten als ombudsman naar een en geweten zal vervullen.

Artikel 6 Geheimhoudingsplicht

De ombudsman is verplicht tot geheimhouding van hetgeen hem bij de uitoefening van zijn taak bekend is geworden, voor zover dat uit de aard der zaak volgt.

Artikel 7 Zittingsduur en vergoeding

  • 1. De ombudsman, onderscheidenlijk de leden worden benoemd voor een periode van vier jaar.

  • 2. Zij kunnen eenmaal voor eenzelfde periode worden herbenoemd.

  • 3. De aftredenden blijven hun functie vervullen totdat in de opvolging is voorzien.

  • 4. De ombudsman, onderscheidenlijk de leden ontvangen een vergoeding voor hun werkzaamheden en tegemoetkoming in de kosten.

Artikel 8 Ontslag

  • 1. De ombudsman, onderscheidenlijk de leden worden ontslagen:

    • a.

      op eigen verzoek;

    • b.

      bij de aanvaarding van een ambt of betrekking die onverenigbaar is met het lidmaatschap;

    • c.

      wanneer zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf zijn veroordeeld, dan wel hun bij zo’n uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;

    • d.

      wanneer zij ingevolge onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele zijn gesteld, in staat van faillissement zijn verklaard, surseance van betaling hebben verkregen of wegens schulden zijn gegijzeld;

    • e.

      wanneer zij naar het oordeel van de raad door handelen of nalaten ernstig nadeel toebrengen aan het in hen te stellen vertrouwen;

    • f.

      wegens opheffing van de ombudsman.

  • 2. De ombudsman, onderscheidenlijk de leden kunnen worden ontslagen wanneer zij door ziekten of gebreken blijvend ongeschikt zijn om hun functie te vervullen.

Artikel 9 Schorsing

  • 1. De raad schorst de ombudsman onderscheidenlijk de leden indien:

    • a.

      zij zich in voorlopige hechtenis bevinden;

    • b.

      zij bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf zijn veroordeeld dan wel hun bij zo’n uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;

    • c.

      zij onder curatele zijn gesteld, in staat van faillissement zijn verklaard, surseance van betaling hebben verkregen of wegens schulden zijn gegijzeld ingevolge een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.

  • 2. De raad kan de ombudsman onderscheidenlijk de leden schorsen indien tegen hen een gerechtelijk vooronderzoek wegens misdrijf worde ingesteld of indien er een ander ernstig vermoeden is van het bestaan van feiten of omstandigheden die tot ontslag kunnen leiden.

  • 3. De raad kan bij de beslissing waarbij de ombudsman onderscheidenlijk een lid daarvan geschorst wordt, bepalen dat tijdens de duur van de schorsing geen vergoeding of slechts een gedeelte daarvan zal worden genoten.

  • 4. De raad beëindigt de schorsing zodra de grond hiervoor is vervallen.

Artikel 10 Secretariële ondersteuning

  • 1. De raad verschaft de ombudsman, in overleg met hem, voldoende middelen en wijst op voordracht van de ombudsman voldoende secretariële ondersteuning aan.

  • 2. De aangewezen functionaris is in de uitoefening van de functie uitsluitend verantwoording verschuldigd aan de ombudsman

  • 3. De functionaris is niet betrokken bij de behandeling van klachten die hem rechtstreeks aangaan.

Artikel 11 Taak

  • 1. De ombudsman onderzoekt verzoekschriften en beoordeelt of het bestuursorgaan zich in een bepaalde kwestie behoorlijk heeft gedragen.

  • 2. De ombudsman kan gedurende een onderzoek de klager en het bestuursorgaan of de personen werkzaam onder zijn verantwoordelijkheid voorstellen doen teneinde onderling tot een oplossing van de klacht te komen.

  • 3. De ombudsman is bevoegd uit eigen beweging een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop een bestuursorgaan zich in een bepaalde gelegenheid heeft gedragen.

  • 4. Ter afsluiting van het onderzoek stelt de ombudsman een rapport op.

  • 5. Voor zover de ombudsman dit nodig acht, maakt hij een reglement van orde voor zijn werkzaamheden.

Artikel 12 Recht indiening verzoekschrift

Eenieder heeft het recht de ombudsman schriftelijk te verzoeken een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop een bestuursorgaan van de gemeente zich in een bepaalde aangelegenheid jegens een natuurlijk persoon of een rechtspersoon heeft gedragen.

Artikel 13 Verplichte voorprocedure

  • 1.

    De verzoeker dient, alvorens het verzoek aan de ombudsman te doen, over de gedraging een klacht in bij het betrokken bestuursorgaan, tenzij dit redelijkerwijs niet kan hem kan worden gevergd.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing indien het verzoek betrekking heeft op de wijze van klachtbehandeling door het betrokken bestuursorgaan.

Artikel 14 Indienen verzoekschrift

Artikel 9:4 en 9:9 van de AWB zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 15 Niet bevoegd tot instellen onderzoek

De ombudsman is niet bevoegd een onderzoek in te stellen of voort te zetten naar een klacht die betrekking heeft op:

  • a.

    een algemeen verbindend voroschrift of algemeen beleid;

  • b.

    een gedraging waartegen bezwaar kan worden gemaakt onderscheidenlijk beroep kan worden ingesteld, tenzij die gedraging bestaat uit het niet tijdig nemen van een besluit;

  • c.

    een gedraging waarover een administratieve rechter uitspraak heeft gedaan;

  • d.

    een gedraging die door het instellen van een procedure aan het oordeel van een andere rechterlijke instantie dan een administratieve rechter onderworpen is;

  • e.

    kwesties over belastingen en andere heffingen, indien tegen een gedraging bezwaar kon worden gemaakt, beroep ingesteld of beklag gedaan;

  • f.

    gedragingen waarop de rechterlijke macht toeziet.

Artikel 16 Niet verplicht tot instellen onderzoek

  • 1. De ombudsman is niet verplicht een onderzoek in te stellen of voort te zetten indien:

    • a.

      het verzoekschrift niet voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 14;

    • b.

      het verzoek kennelijk ongegrond is;

    • c.

      het belang van de verzoeker dan wel het gewicht van de gedraging kennelijk onvoldoende is;

    • d.

      de verzoeker een ander si dan degene jegens wie de gedraging heeft plaatsgevonden;

    • e.

      het verzoek betrekking heeft op een gedraging waartegen door de verzoeker bezwaar gemaakt of beroep ingesteld had kunnen worden;

    • f.

      het verzoek betrekking heeft op een gedraging die door het instellen van een procedure aan het oordeel van een andere rechterlijke instantie dan een administratieve rechter onderworpen is geweest;

    • g.

      niet voldaan is aan het vereiste van artikel 13;

    • h.

      een verzoek, die dezelfde gedraging betreft bij hem in behandeling is of- behalve als er een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid bekend is geworden en dit tot een ander oordeel over de bedoelde gedraging had kunnen leiden- door hem is afgedaan;

    • i.

      zolang over een gedraging van het bestuursorgaan die nauw samenhangt met het onderwerp van het verzoekschrift een procedure aanhangig is bij een rechterlijke instantie, dan wel ingevolge bezwaar, administratief beroep of beklag bij een andere instantie;

    • j.

      zolang het verzoek betrekking heeft op een gedraging die nauw samenhangt met een onderwerp dat door het instellen van een procedure aan het oordeel van een andere rechterlijke instantie dan een administratieve rechter onderworpen is;

    • k.

      het verzoek betrekking heeft op een gedraging naar aanleiding waarvan de ombudsman heeft bevorderd dat alsnog naar behoren aan de klacht tegemoet is gekomen.

  • 2. Voorts is de ombudsman niet verplicht een onderzoek in te stellen indien het verzoek later dan een jaar wordt ingediend:

    • a.

      na de kennisgeving door het bestuursorgaan van de bevindingen van het onderzoek;

    • b.

      nadat de klachtbehandeling op andere wijze is geëindigd;

    • c.

      nadat de klachtbehandeling ingevolge artikel 9:11 AWB beëindigd had moeten zijn.

Artikel 17 Mededeling bij niet in behandeling nemen of voortzetten onderzoek

  • 1. Indien de ombudsman geen onderzoek instelt of voortzet, doet hij daarvan zo spoedig mogelijk en onder vermelding van de redenen schriftelijk mededeling aan de verzoeker, het bestuursorgaan en degene op wiens gedraging het verzoekschrift betrekking heeft.

  • 2. Indien een andere instantie bevoegd is ten aanzien van het verzoekschrift, zendt de ombudsman het verzoekschrift, na aantekening van de ontvangstdatum daarop, door aan de bevoegde instantie, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de verzoeker.

Artikel 18 Horen

  • 1. De ombudsman stelt het bestuursorgaan, degene op wiens gedraging het verzoek betrekking heeft, eventueel andere onder zijn verantwoordelijkheid werkzame personen en getuigen, evenals de verzoeker in de gelegenheid om schriftelijk of mondeling en al dan niet in tegenwoordigheid van elkaar hun standpunt toe te lichten.

  • 2. De ombudsman kan ook anderen, indien hij dit noodzakelijk acht voor het onderzoek, in de gelegenheid stellen om van een klacht kennis te nemen en daarover mondeling of schriftelijk verklaringen af te leggen.

  • 3. Indien een onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan werkzaam persoon geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college deze hiertoe op verzoek van de ombudsman verplichten.

Artikel 19 Verstrekking inlichtingen

Het bestuursorgaan, onder zijn verantwoordelijk werkzame personen- ook na het beeindigen van de werkzaamheden, getuigen alsmede de verzoeker verstrekken de ombudsman desgevraagd alle inlichtingen die voor de afhandeling van het verzoekschrift nodig zijn, tenzij zwaarwegende belangen zich daartegen verzetten.

Artikel 20 Bevindingen

In het rapport, genoemd in artikel 11, geeft de ombudsman gemotiveerd zijn bevindingen en zijn oordeel weer. De ombudsman kan tevens aan het bestuursorgaan zijn zienswijze kenbaar maken over eventueel te nemen maatregelen.

Artikel 21 Mededeling bevindingen

De ombudsman zendt zijn rapport aan het betrokken bestuursorgaan, alsmede aan de verzoeker en aan degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft.

Artikel 22 Evaluatie en jaarverslag

De ombudsman brengt jaarlijks aan de raad schriftelijk verslag uit van zijn werkzaamheden. Dit verslag wordt algemeen verkrijgbaar gesteld.

Artikel 23 Bekendmaking

Het college van burgemeester en wethouders maakt de inhoud van deze verordening op de gebruikelijke wijze binnen de gemeentelijke organisatie bekend.

Artikel 24 Citeertitel

Deze verordening worden aangehaald als: ‘’Verordening externe klachtbehandeling (ombudsman)’’.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Loon op Zand van 27 september 2001.
De raad voornoemd,
Voorzitter,
Secretaris,