Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Lopik

Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Lopik

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieLopik
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Lopik
CiteertitelVerordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Lopik
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerpindividuele voorzieningen en maatschappelijke ondersteuning

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Artikel 147 van de Gemeentewet
  2. Artikel 1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning
  3. Artikel 4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning
  4. Artikel 5 van de Wet maatschappelijke ondersteuning
Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-05-200901-01-2012Nieuwe regeling

21-04-2009

Zenderstreeknieuws

Raadsbesluit 21 april 2009, nr. 9b

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Lopik

 

 

HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN

Nr.: 9

Onderwerp: Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Lopik

 

De raad van de gemeente Lopik;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 17 maart 2009;

gelet op de bepalingen van artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet, alsmede artikel 1, 4 en 5 van de Wet Maatschappelijke ondersteuning;

 

b e s l u i t :

  • -

    - - - - - - -

     

    • 1.

      de ‘Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Lopik’ in te trekken;

    • 2.

      de navolgende ‘Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Lopik 2009’ vast te stellen.

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt verstaan onder:

  • a.

    Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning;

  • b.

    Compensatieplicht: De verplichting van het college van burgemeester en wethouders om aan personen met aantoonbare beperkingen, door het treffen van algemene en/of individuele voorzieningen een gelijkwaardige uitgangspositie te verschaffen ten opzichte van mensen zonder beperkingen in een vergelijkbare situatie, zodat zij, voor zover hun beperkingen dit toestaan, zelfredzaam zijn en in staat tot maatschappelijke participatie. Ook mantelzorgers en vrijwilligers die belemmeringen ondervinden in hun maatschappelijke participatie vallen onder de compensatieplicht.

  • c.

    Beperkingen: in de ICF beschreven problemen van lichamelijke, chronisch-psychische of psychosociale aard, die een persoon ondervindt bij het uitvoeren van activiteiten op het gebied van

    • het voeren van het huishouden, of

    • het normale gebruik van de woning, of

    • het verplaatsen in en om de woning, of

    • het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en

    • het ontmoeten van medemensen en op het op basis daarvan aangaan van sociale verbanden.

  • d.

    Mantelzorger: een persoon die buiten het kader van een hulpverlenend beroep, langdurige zorg biedt aan een hulpbehoevende in zijn directe omgeving, welke zorg de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt en waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie;

  • e.

    Vrijwilliger: een persoon die zich op vrijwillige basis en onbetaald inzet voor de samenleving;

  • f.

    Zelfredzaamheid: het lichamelijk, verstandelijk, geestelijk of financiële vermogen om voorzieningen te treffen die maatschappelijke participatie mogelijk maken;

  • g.

    Maatschappelijke participatie: normale deelname aan het maatschappelijke verkeer, hetgeen betekent dat een persoon, voor zover mogelijk, in staat is om:

    • een huishouden te voeren;

    • zijn woning normaal te gebruiken;

    • zich in en om de woning te verplaatsen;

    • zich zodanig te verplaatsen dat aansluiting wordt gevonden bij regionale, bovenregionale en landelijke vervoersystemen;

    • andere mensen te ontmoeten en sociale verbanden aan te gaan en te onderhouden om op die manier deel te nemen aan het lokale maatschappelijke leven;

  • h.

    Algemene voorziening: een voorziening die een regelarme en adequate oplossing biedt voor de beperkingen die een persoon ondervindt, in die zin dat er een beperkte toegangsbeoordeling plaatsvindt;

  • i.

    Individuele voorziening: een voorziening die op basis van een individuele, integrale en objectieve toegangsbeoordeling wordt verstrekt, indien een algemene voorziening geen adequate oplossing biedt;

  • j.

    Voorliggende voorziening: een algemene of individuele voorziening die voorligt aan de door de aanvrager gevraagde voorziening en een adequate oplossing biedt voor zijn beperkingen;

  • k.

    Eigen verantwoordelijkheid: de inspanning die in redelijkheid van de aanvrager of zijn directe omgeving kan worden verlangd om zelf een oplossing te vinden voor (de kosten van) het opheffen of verminderen van zijn beperkingen;

  • l.

    Goedkoopst adequate oplossing: de algemene of individuele voorziening die naar objectieve maatstaven gemeten, zowel een adequate als de meest goedkope oplossing biedt voor de beperkingen van een persoon.

  • m.

    Eigen bijdrage: een op basis van het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning Lopik door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen bijdrage, die bij de verstrekking van een individuele voorziening in natura of een persoonsgebonden budget betaald moet worden en kan worden afgestemd op het inkomen van de aanvrager;

  • n.

    Eigen aandeel: dat deel van de kosten van maatschappelijke ondersteuning, dat voor rekening komt of blijft van de aanvrager en overeenkomstig het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning Lopik in mindering wordt gebracht op een financiële tegemoetkoming;

  • o.

    Voorziening in natura: een voorziening die in eigendom, in bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke dienstverlening wordt verstrekt;

  • p.

    Persoonsgebonden budget: een in het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning Lopik nader te regelen geldbedrag waarmee de aanvrager een of meer aan hem te verlenen individuele voorzieningen kan verwerven;

  • q.

    Financiële tegemoetkoming: een in het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning Lopik nader te regelen tegemoetkoming in de kosten van een voorziening, die kan worden afgestemd op het inkomen van de aanvrager;

  • r.

    Forfaitaire vergoeding: een bijdrage die los van het inkomen en los van de werkelijke kosten van een voorziening wordt verstrekt al dan niet met inachtneming van een inkomensgrens;

  • s.

    Algemeen gebruikelijk: een voorziening die naar geldende maatschappelijke normen behoort tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als de aanvrager;

  • t.

    Meerkosten: de kosten van een te verlenen voorziening, die de algemeen gebruikelijke kosten te boven gaan;

  • u.

    Huisgenoot: iedere meerderjarige met wie de aanvrager duurzaam gemeenschappelijk een woning bewoont;

  • v.

    Budgethouder: een persoon aan wie op basis van deze verordening een persoonsgebonden budget is toegekend en die aan het college verantwoording over de besteding van het persoonsgebonden budget verschuldigd is;

  • w.

    College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lopik;

  • x.

    Productenoverzicht: overzicht van de door de gemeente gefinancierde of gesubsidieerde algemene en individuele voorzieningen;

  • y.

    Woonvoorziening: een voorziening die verband houdt met een maatregel die gericht is op het opheffen of verminderen van beperkingen die een persoon bij het normale gebruik van zijn woonruimte ondervindt;

  • z.

    Vervoersvoorziening: een voorziening die gericht is op het opheffen of verminderen van beperkingen die een persoon bij het zich lokaal verplaatsen ondervindt;

  • aa.

    Hulp bij het huishouden: een voorziening die gericht is op het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van het verzorgen van een huishouden van een persoon dan wel van de leefeenheid waartoe een persoon behoort;

  • bb.

    Rolstoelvoorziening: een voorziening die gericht is op het opheffen of verminderen van beperkingen die een persoon ondervindt bij het zich verplaatsen in en om de woning;

  • cc.

    ICF: International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF); uniform begrippenkader dat gehanteerd wordt als afwegingskader en als grondslag om de behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen ofwel te typeren;

  • dd.

    Uitvoeringsbesluit: het besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Lopik waarin zowel de eigen bijdragen, de financiële tegemoetkomingen en het persoonsgebonden budget worden geregeld, dit ter uitvoering van de Algemene Maatregel van Bestuur maatschappelijke ondersteuning als het gemeentelijk beleid ten aanzien van de algemene en individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning wordt uitgewerkt;

  • ee.

    Respijtzorg: vormen van ondersteuning om de mantelzorger te ontlasten;

  • ff.

    AWBZ: Algemene wet bijzondere Ziektekosten;

  • gg.

    Wvg: Wet voorzieningen gehandicapten;

  • hh.

    CIZ: het landelijke Centrum Indicatiestelling Zorg dat de indicatiestelling voor de AWBZ uitvoert.

Artikel 2 Compensatie- en motiveringsplicht

  • 1.

    Het college is verplicht om de in lid 2 genoemde personen door het treffen van algemene en individuele voorzieningen zodanig te compenseren dat zij een uitgangspositie verkrijgen die gelijkwaardig is aan de positie van iemand die de bedoelde voorzieningen niet nodig heeft, in die zin dat zij voor zover mogelijk zelfredzaam zijn en in staat tot maatschappelijke participatie. Deze verordening gaat over de individuele voorzieningen die het college in dit verband kan verstrekken.

  • 2.

    De volgende personen kunnen een aanvraag indienen voor individuele voorzieningen ter compensatie:

    • a.

      Mensen met een lichamelijke ziekte of gebrek en/of verstandelijke beperking;

    • b.

      Mensen met een chronisch psychisch probleem;

    • c.

      Mensen met een psychosociaal probleem;

    • d.

      Mantelzorgers.

  • 3.

    Bij het bepalen van compensatie houdt het college voor zover mogelijk rekening met persoonskenmerken, behoeften en wensen van de aanvrager en de (financiële) omstandigheden waarin de aanvrager verkeert.

  • 4.

    Het college moet in de beschikking op een aanvraag aangeven in hoeverre het genomen besluit bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van de aanvrager.

Artikel 3 Begrenzingen

  • 1.

    Een individuele voorziening kan slechts worden toegekend voorzover:

  • a.

    deze langdurig noodzakelijk is om bepaalde beperkingen die een persoon ondervindt, op te heffen of te verminderen, en

  • b.

    deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst adequate oplossing kan worden aangemerkt, en

  • c.

    deze in overwegende mate op het individu is gericht.

  • 2.

    In ieder geval wordt er geen individuele voorziening toegekend:

  • a.

    indien de aanvrager niet woonachtig is in de gemeente Lopik;

  • b.

    voorzover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de aanvrager voorafgaand aan het moment van beschikken heeft gemaakt;

  • c.

    indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft, reeds eerder op basis van deze, dan wel op basis van de Verordening voorzieningen gehandicapten is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet is verstreken. Dit geldt niet als de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen;

  • d.

    indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk is;

  • e.

    indien en voorzover er een adequate voorliggende algemene dan wel individuele voorziening beschikbaar is;

  • f.

    indien het tot de eigen verantwoordelijkheid behoort van de aanvrager om een oplossing voor de beperking te vinden;

  • g.

    voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw;

  • h.

    voor zover er aan de zijde van de aanvrager geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de voorziening wordt aangevraagd.

  • i.

    Indien voor de aangevraagde vervoersvoorziening geen adequate berging of adequate stallingsruimte aanwezig is.

HOOFDSTUK II VORM VAN TE VERSTREKKEN INDIVIDUELE VOORZIENINGEN

Artikel 4 Keuzevrijheid

  • 1.

    Een persoon die in aanmerking komt voor een individuele voorziening kan kiezen of de te verstrekken voorziening aan hem wordt verstrekt in natura of als persoonsgebonden budget. Deze keuzevrijheid is niet onbeperkt. De criteria op basis waarvan het college vaststelt in welke situaties de keuze tussen deze voorzieningen al dan niet wordt geboden, staan in het Uitvoeringsbesluit.

  • 2.

    Ten aanzien van nader te bepalen voorzieningen kan het college besluiten dat die uitsluitend worden verstrekt of in natura of in de vorm van een financiële tegemoetkoming. Dit wordt nader geregeld in het Uitvoeringsbesluit.

Artikel 5 Voorziening in natura

Indien een voorziening in natura wordt verstrekt is de bruikleenovereenkomst, huurovereenkomst, dienstverleningsovereenkomst of raamovereenkomst gemeente Lopik van toepassing.

Artikel 6 Financiële tegemoetkoming en forfaitaire vergoeding

  • 1.

    Bij verstrekking van een financiële tegemoetkoming worden de toepasselijke voorwaarden zoals genoemd in het Uitvoeringsbesluit in de beschikking opgenomen.

  • 2.

    Bij verstrekking van een forfaitaire vergoeding worden de toepasselijke voorwaarden zoals genoemd in deze verordening en nader uitgewerkt in het Uitvoeringsbesluit in de beschikking opgenomen.

Artikel 7 Persoonsgebonden budget

  • 1.

    Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt voor individuele voorzieningen, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan.

  • 2.

    Budgethouder is de aanvrager of diens wettelijke vertegenwoordiger.

  • 3.

    De omvang van het persoonsgebonden budget is de tegenwaarde van de voorziening die in de betreffende situatie in natura als goedkoopst adequate oplossing zou zijn verstrekt, indien nodig aangevuld met een vergoeding voor instandhoudingkosten.

  • 4.

    De wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld, wordt door het college opgenomen in het Uitvoeringsbesluit.

  • 5.

    Bij verstrekking van een persoonsgebonden budget worden de toepasselijke voorwaarden zoals genoemd in het Uitvoeringsbesluit in de beschikking opgenomen. Tevens worden daarin de omvang en de looptijd vastgesteld. Bij de beschikking wordt tenslotte een programma van eisen verstrekt waarin aangegeven is aan welke vereisten de met het persoonsgebonden budget te verwerven voorziening dient te voldoen.

  • 6.

    Op het persoonsgebonden budget is de Overeenkomst persoonsgebonden budget gemeente Lopik van toepassing, waarin de beschikking nader wordt uitgewerkt.

  • 7.

    Na verzending van de beschikking wordt het persoonsgebonden budget ter beschikking gesteld door storting op de rekening van de aanvrager.

  • 8.

    De budgethouder verstrekt na aanschaf van de voorziening waarvoor het persoonsgebonden budget verstrekt is, dan wel na afloop van de periode waarop het persoonsgebonden budget van toepassing is, die gegevens die het college nodig acht om de rechtmatigheid en doelmatigheid van de besteding te kunnen beoordelen. Dit wordt nader geregeld in het Uitvoeringsbesluit.

  • 9.

    Na ontvangst van de in het vorige lid genoemde gegevens beoordeelt het college of er aanleiding bestaat het persoonsgebonden budget geheel of ten dele terug te vorderen of te verrekenen. Dit met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 34 en 35.

Artikel 8 Eigen bijdragen en eigen aandeel

Als de aanvraag om een individuele voorziening wordt gehonoreerd, kan het college een eigen (inkomensafhankelijke) bijdrage vragen of de financiële tegemoetkoming afstemmen op het inkomen (eigen aandeel). Dit wordt nader geregeld in het Uitvoeringsbesluit.

HOOFDSTUK III COMPENSATIE VAN DE BEPERKINGEN BIJ HET VOEREN VAN EEN HUISHOUDEN: HULP BIJ HET HUISHOUDEN

Artikel 9 Vormen van hulp bij het huishouden

  • 1.

    Het college dient voorzieningen te treffen om aantoonbare beperkingen die een persoon ondervindt bij het voeren van een huishouden, voor zover mogelijk weg te nemen. Dit kunnen algemene en/of individuele voorzieningen zijn. Deze verordening gaat over de te verstrekken individuele voorzieningen.

  • 2.

    Een te verstrekken individuele voorziening kan bestaan uit

  • a.

    hulp bij het huishouden in natura (persoonlijke dienstverlening);

  • b.

    een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het huishouden, waarvan de hoogte wordt geregeld in het Uitvoeringsbesluit.

Artikel 10 Gebruikelijke zorg

In afwijking van het gestelde in artikel 9 komt een persoon niet of slechts gedeeltelijk in aanmerking voor hulp bij het huishouden als tot de leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt, een of meer huisgenoten of kinderen behoren, die in staat zijn (een deel van) het huishoudelijk werk te verrichten.

Artikel 11 Omvang van de hulp bij het huishouden.

  • 1.

    De omvang van de toe te kennen voorziening hulp bij het huishouden wordt uitgedrukt in klassen, waarbij de volgende klassen met de daarbij behorende uren kunnen worden toegekend:

  • a.

    Klasse 1: 0 tot en met 1,9 uur per week;

  • b.

    Klasse 2: 2 tot en met 3,9 uur per week;

  • c.

    Klasse 3: 4 tot en met 6,9 uur per week;

  • d.

    Klasse 4: 7 tot en met 9,9 uur per week;

  • e.

    Klasse 5: 10 tot en met 12,9 uur per week;

  • f.

    Klasse 6: 13 tot en met 15,9 uur per week.

  • 2.

    De hoogte van de bedragen die per klasse in de vorm van een persoonsgebonden budget worden verstrekt, worden jaarlijks door het college vastgesteld en vastgelegd in het Uitvoeringsbesluit.

HOOFDSTUK IV COMPENSATIE VAN DE BEPERKINGEN IN HET NORMALE GEBRUIK VAN DE WONING: DE WOONVOORZIENINGEN

Artikel 12 Vormen van woonvoorzieningen

  • 1.

    Het college dient voorzieningen te treffen om de aantoonbare beperkingen die een persoon in het normale gebruik van zijn woning ondervindt, voor zover mogelijk, weg te nemen. Dit kunnen algemene en/of individuele voorzieningen zijn. Deze verordening gaat over de te verstrekken individuele voorzieningen.

  • 2.

    Een te verstrekken individuele woonvoorziening kan bestaan uit

    • a.

      een woonvoorziening in natura;

    • b.

      een persoonsgebonden budget te besteden aan een woonvoorziening;

    • c.

      een financiële tegemoetkoming in de kosten van een woonvoorziening;

    • d.

      vergoeding van de aan de woonvoorziening verbonden kosten voor onderhoud en reparatie.

  • 3.

    De hoogte van de in het tweede lid onder b en c genoemde voorzieningen wordt geregeld in het Uitvoeringsbesluit.

Artikel 13 Soorten individuele woonvoorzieningen

De in artikel 12 lid 2 genoemde voorzieningen kunnen bestaan uit:

  • a.

    een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten;

  • b.

    een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;

  • c.

    een niet bouwkundige of niet woontechnische woonvoorziening;

  • d.

    een uitraasruimte.

Artikel 14 Primaat van de verhuizing

  • 1.

    Een persoon kan voor een tegemoetkoming in de verhuis-en inrichtingskosten in aanmerking komen als aantoonbare beperkingen het normale gebruik van de woning belemmeren.

  • 2.

    Een persoon kan uitsluitend voor een van de voorzieningen genoemd in artikel 13 onder b t/m d in aanmerking komen als verhuizing niet mogelijk of niet de goedkoopst adequate oplossing is.

Artikel 15 Uitsluitingen

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen en kamerverhuur. Ze zijn evenmin van toepassing op specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen.

Artikel 16 Hoofdverblijf

  • 1.

    Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan een woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling.

  • 3.

    De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente waar de aan te passen woning staat.

  • 4.

    Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de aanvrager de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken.

Artikel 17 Begrenzingen

    • 1.De aanvraag voor een woonvoorziening (zoals bedoeld in art. 13 onder b, c, d) wordt geweigerd indien:

  • a.

    de aanvrager gaat verhuizen terwijl in de te verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning werden ondervonden en voor verhuizing om deze reden geen aanleiding bestond;

  • b.

    de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak;

  • c.

    deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische deuropeners en hellingbanen;

  • d.

    voor zover de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;

  • 2.

    De aanvraag voor verhuis- en inrichtingskosten (zoals bedoeld in art. 13 onder a) wordt geweigerd indien:

    • a.

      de aanvrager gaat verhuizen terwijl in de te verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning werden ondervonden en voor verhuizing om deze reden geen aanleiding bestond.

    • b.

      de woonvoorziening aangevraagd wordt op het moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie te voorzien was dar deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak.

    • c.

      de aanvrager niet is verhuisd naar de gelet op zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college;

    • d.

      de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, verhuisd is vanuit of naar een woonruime die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg.

Artikel 18 Terugbetaling bij verkoop

  • 1.

    Als een woonvoorziening, die op grond van deze verordening is verstrekt, leidt of heeft geleid tot waardestijging van de woning en de eigenaar verkoopt de woning binnen een periode van 10 jaar nadat de voorziening gereed is gemeld, dan moet hij het college onverwijld informeren over de verkoop.

  • 2.

    De meerwaarde van de woning dient volgens het in het Uitvoeringsbesluit vastgelegde afschrijvingsschema te worden terugbetaald.

HOOFDSTUK V COMPENSATIE VAN DE BEPERKINGEN BIJ HET ZICH VERPLAATSEN IN EN OM DE WONING: DE ROLSTOELVOORZIENINGEN

Artikel 19 Vormen van rolstoelvoorzieningen

  • 1.

    Het college dient voorzieningen te treffen om de aantoonbare beperkingen die een persoon ondervindt bij het zich verplaatsen in en om de woning, voor zover mogelijk weg te nemen. Dit kunnen algemene en/of individuele voorzieningen zijn. Deze verordening gaat over de te verstrekken individuele voorzieningen.

  • 2.

    De te verstrekken individuele rolstoelvoorziening kan bestaan uit:

  • a.

    een rolstoelvoorziening voor dagelijks gebruik;

  • b.

    een rolstoelvoorziening voor incidenteel gebruik;

  • c.

    een (rolstoel)voorziening voor sportbeoefening;

  • d.

    een vergoeding van de aan de rolstoelvoorziening verbonden kosten voor aanpassingen, onderhoud, reparatie en indien van toepassing verzekering.

  • 3.

    De omvang van de in het tweede lid genoemde voorzieningen wordt geregeld in het Uitvoeringsbesluit.

Artikel 20 Rolstoelvoorziening voor dagelijks gebruik

  • 1.

    Een persoon kan in aanmerking komen voor een rolstoelvoorziening voor dagelijks gebruik indien aantoonbare beperkingen dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken en hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of een andere wettelijke regeling geen adequate oplossing bieden.

  • 2.

    De rolstoelvoorziening bedoeld in het vorige lid wordt in natura of als persoonsgebonden budget verstrekt.

Artikel 21 Rolstoelvoorziening voor incidenteel gebruik

  • 1.

    Een persoon kan in aanmerking komen voor een rolstoelvoorziening voor incidenteel gebruik indien aantoonbare beperkingen incidenteel zittend verplaatsen in en rond de woning noodzakelijk maken en hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of een andere wettelijke regeling geen adequate oplossing bieden.

  • 2.

    De rolstoelvoorziening bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend in natura verstrekt.

Artikel 22 Rolstoel- of andere sportvoorziening

  • 1.

    Een persoon kan in aanmerking komen voor een rolstoel- of andere sportvoorziening voor sportbeoefening indien aantoonbare beperkingen sportbeoefening zonder sportrolstoel onmogelijk maken.

  • 2.

    De in het vorige lid bedoelde rolstoelvoorziening wordt uitsluitend in de vorm van een forfaitaire vergoeding verstrekt.

Artikel 23 Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor AWBZ-bewoners

Een persoon die verblijft in een op grond van artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen erkende instelling komt uitsluitend voor een rolstoel in aanmerking indien hij geen recht heeft op een rolstoel, verstrekt op grond van de AWBZ.

HOOFDSTUK VI COMPENSATIE VAN DE BEPERKINGEN BIJ HET ZICH

LOKAAL VERPLAATSEN PER VERVOERMIDDEL:

DE VERVOERSVOORZIENINGEN

Artikel 24 Vormen van vervoersvoorzieningen

  • 1.

    Het college dient voorzieningen te treffen om de aantoonbare beperkingen die een persoon ondervindt bij het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel, voor zover mogelijk weg te nemen. Dit kunnen algemene en/of individuele voorzieningen zijn. Deze verordening gaat over de te verstrekken individuele voorzieningen.

  • 2.

    Het collectief vraagafhankelijk vervoer (de regiotaxi) geldt als een voorliggende voorziening.

  • 3.

    De te verstrekken individuele vervoersvoorziening kan bestaan uit:

    • a.

      een vervoersvoorziening in natura;

    • b.

      een persoonsgebonden budget;

    • c.

      een financiële tegemoetkoming te besteden aan een vervoersvoorziening.

    • d.

      een forfaitair bedrag te besteden aan een vervoersvoorziening;

    • e.

      een vergoeding van de aan de vervoersvoorziening verbonden kosten voor aanpassing, onderhoud, reparatie en indien van toepassing toegekende verzekering.

  • 4.

    De hoogte van de in het derde lid onder b en c genoemde voorzieningen wordt geregeld in het Uitvoeringsbesluit.

Artikel 25 Soorten individuele vervoersvoorzieningen

  • 1.

    De in artikel 24 lid 3 sub a genoemde voorzieningen kunnen bestaan uit:

  • a.

    een al dan niet aangepaste bruikleenauto;

  • b.

    een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen;

  • c.

    een open elektrische buitenwagen (scootermobiel);

  • d.

    een ander verplaatsingsmiddel.

  • 2.

    De in artikel 24 lid 3 sub b, c en d genoemde voorzieningen kunnen bestaan uit een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming of een forfaitaire vergoeding in de kosten van:

    • a.

      aanpassing van een eigen auto;

    • b.

      gebruik van een bruikleenauto;

    • c.

      gebruik van een taxi of een eigen auto;

    • d.

      gebruik van een individuele rolstoeltaxi;

    • e.

      aanschaf of gebruik van een ander verplaatsingsmiddel;

    • f.

      begeleiding door een derde.

Artikel 26 Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen

In het Uitvoeringsbesluit worden inkomensgrenzen genoemd. Indien het inkomen van een ongehuwde persoon of het gezamenlijk inkomen van gehuwde personen meer bedraagt dan 1,5 maal die inkomensgrenzen, wordt het bezit van een personenauto algemeen gebruikelijk geacht. In dat geval komen een auto of een met een auto vergelijkbare voorziening en de daarmee samenhangende gebruiks- en onderhoudskosten, niet in aanmerking voor verstrekking of vergoeding.

Artikel 27 Omvang in gebied en in kilometers

  • 1.

    Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving binnen de gemeentegrenzen, in het kader van het leven van alledag. Dit geldt niet als zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de aanvrager zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de aanvrager noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen.

  • 2.

    De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke participatie door middel van lokale verplaatsingen met maximaal een omvang per jaar van 3500 kilometer mogelijk maken.

HOOFDSTUK VII COMPENSATIE VAN DE BEPERKINGEN DIE EEN MANTELZORGER ONDERVINDT

Artikel 28 Beperkingen in maatschappelijke participatie

  • 1.

    Respijtzorg kan bestaan uit:

    • a.

      Ondersteuning bijvoorbeeld in de vorm van arrangementen;

    • b.

      Vormen van tijdelijke overname van de zorg.

  • 2.

    Een mantelzorger die beperkingen ondervindt in zijn maatschappelijke participatie kan in aanmerking komen voor de in lid 2 onder a genoemde vorm van respijtzorg.

  • 3.

    Een en ander wordt nader geregeld in het Uitvoeringsbesluit.

HOOFDSTUK VIII HET VERKRIJGEN VAN INDIVIDUELE VOORZIENINGEN

Artikel 29 Gebruik aanvraagformulier

Een aanvraag dient te worden ingediend door middel van een door het college ter beschikking gesteld formulier.

Artikel 30 Indienen van de aanvraag

De aanvraag dient te worden ingediend bij het daartoe bestemde loket.

Artikel 31 Inlichtingen, onderzoek, advies

  • 1.

    Om zich een oordeel te kunnen vormen over de mate van beperkingen inventariseert het college de beperkingen en is met het oog daarop bevoegd om:

    • a.

      de aanvrager op te roepen om hem hierover vragen te stellen;

    • b.

      te vragen naar alle relevante informatie van betrokkene

    • c.

      een deskundige te betrekken bij het onderzoek

  • 2.

    Het college kan de door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies indien:

    • a.

      het handelt om een aanvraag van een persoon die nog niet eerder een aanvraag in het kader van deze verordening of de verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Lopik heeft ingediend;

    • b.

      het college dat overigens gewenst vindt.

  • 3.

    Een aanvrager is verplicht aan het college of de door hen aangewezen adviesinstantie die gegevens te verschaffen of te doen verschaffen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

  • 4.

    Bij de inventarisatie en advisering als bedoeld in de vorige leden wordt door het college en de adviseur gebruik gemaakt van de systematiek zoals neergelegd in de ICF classificatie.

Artikel 32 Samenhangende afstemming

  • 1.

    Om de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend af te stemmen op de situatie van de aanvrager stemt het college de inventarisatie van beperkingen als bedoeld in artikel 31 af op al de mogelijke AWBZ-indicaties en overige voorliggende voorzieningen.

  • 2.

    In het Uitvoeringsbesluit regelt het college de wijze waarop het de samenhangende afstemming als bedoeld in het vorige lid wil verwezenlijken.

Artikel 33 Wijzigingen in de situatie

  • 1.

    Degene aan wie op grond van deze verordening een voorziening is verstrekt, is verplicht aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening.

  • 2.

    In het geval het college reden heeft om aan te nemen dat de situatie van de persoon als bedoeld in het eerste lid gewijzigd is of zal worden, is artikel 31 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 34 Intrekking van een besluit tot verlening van een voorziening

  • 1.

    Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken indien:

    • a.

      niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening;

    • b.

      op grond van onjuiste gegevens een besluit genomen is en de gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen.

  • 2.

    Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt dat de tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor het geld is verstrekt.

Artikel 35 Terugvordering

  • 1.

    In geval een besluit is ingetrokken kan een op basis daarvan reeds uitbetaalde financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget worden teruggevorderd.

  • 2.

    In geval het recht op een in natura verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.

HOOFDSTUK IX SLOTBEPALINGEN

Artikel 36 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 37 Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet voorziet

  • 1.

    Het college beslist in gevallen waarin deze verordening niet of onvoldoende voorziet.

  • 2.

    Het college informeert de gemeenteraad tenminste eenmaal per jaar over de toepassing van dit artikel.

Artikel 39 Indexering

Het college kan jaarlijks per 1 februari de in het kader van deze verordening en het op deze verordening berustende Uitvoeringsbesluit geldende bedragen verhogen of verlagen conform de ontwikkelingen van de prijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek.

Artikel 40 Tevredenheidsonderzoek

Het college houdt jaarlijks een onderzoek naar de tevredenheid van vragers van maatschappelijke ondersteuning. De uitkomsten van dit onderzoek worden jaarlijks gepubliceerd.

Artikel 41 Evaluatie

  • 1.

    Het door de gemeente gevoerde beleid wordt uiterlijk twee jaar na inwerkingtreding van deze verordening geëvalueerd, daarna tenminste eenmaal per vier jaar. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt deze verordening aangepast.

  • 2.

    Tevens zendt het college jaarlijks na de inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een verslag over de werking van de verordening in de praktijk.

Artikel 42 Overgangsregeling bestaande aanspraken Wvg

  • 1.

    Personen die op het moment van inwerkingtreding van deze verordening nog rechten op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten gemeente Lopik genieten, behouden gedurende de looptijd van de beschikking, hun oude rechten en plichten, met dien verstande dat voor de eigen bijdrage de regeling als vermeld in lid 2 geldt.

  • 2.

    Voor de in het eerste lid genoemde personen geldt na een jaar na de inwerkingtreding van de wet de eigen bijdrage regeling zoals vermeld in het Uitvoeringsbesluit.

Artikel 43 Overgangsregeling bestaande aanspraken Awbz

  • 1.

    Personen die op het moment van inwerkingtreding van deze verordening nog rechten op grond van een indicatiebesluit op grond van de AWBZ (hulp bij het huishouden) genieten, behouden gedurende de looptijd van het indicatiebesluit hun oude rechten en plichten, met dien verstande dat voor de eigen bijdrage de regeling als vermeld in lid 2 geldt.

  • 2.

    Voor de in het eerste lid genoemde personen geldt na een jaar na de inwerkintreding van de wet de eigen bijdrage regeling zoals vermeld in het Uitvoeringsbesluit.

Artikel 44 Intrekking oude regeling

De Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Lopik en de daarop gebaseerde regelgeving wordt ingetrokken.

Artikel 45 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 mei 2009.

Artikel 46 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Lopik 2009.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 21 april 2009

de griffier,

de voorzitter,

 

 

 

 

 

 

 

 

MW. MR. G.M.G. DOLDERS

mw. mr. R.G. Westerlaken-Loos

Toelichting op de verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning GEMEENTE Lopik 2009

Inleiding

Het op 27 mei 2005 ingediende wetsvoorstel 30131 “Nieuwe regels betreffende maatschappelijke ondersteuning”, de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), is op 14 februari 2006 in de Tweede Kamer aangenomen. De Wmo is een wet die door de gemeenten verder zal moeten worden ingevuld. Dit geldt in het bijzonder voor het kernbegrip van de wet, de zogenaamde compensatieplicht. Dit begrip is bij amendement aan de wet toegevoegd en wordt niet in de wet zelf omschreven. De gemeenten moeten dus zelf invullen wat zij onder compensatieplicht verstaan en hoe zij daaraan vorm zullen geven.

De gemeente Lopik heeft zich hierbij laten leiden door de toelichting op het amendement.

Het begrip compensatieplicht zal echter uiteindelijk aan de hand van de jurisprudentie verder worden ingevuld.

De Wmo heeft de gemeenten opdracht gegeven om over de individuele voorzieningen regels te stellen bij verordening. In de verordening “Individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Lopik” (hierna ook: de verordening) en de onderliggende beleidsregels is vorm gegeven aan de compensatieplicht zonder de regels van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) en de regels rond de functie huishoudelijke verzorging uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) geheel los te laten. Dit is van belang om niet een vacuüm te laten ontstaan, te meer daar het overgangsrecht zoals geregeld in de Wmo bestaande cliënten maximaal één jaar het behoud van de oude rechten op grond van de AWBZ of de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) biedt.

Het overgangsrecht gaat er ook van uit dat voor alle nieuwe aanvragers nog drie maanden nadat de gemeentelijke verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning is vastgesteld de “oude” regels uit Wvg en AWBZ gelden. Gevolg hiervan is dat een gemeente die vanaf 1 januari 2007 voor nieuwe aanvragers ook direct nieuw beleid wil voeren, er voor moet zorgen dat de verordening op 1 oktober 2006 door de gemeenteraad is vastgesteld.

Dat betekent dat de gehele procedure van voorbereiding, inclusief inspraak, voordien plaats moet hebben gehad. Dit heeft grote druk gezet op het zo snel mogelijk schrijven van de verordening. Wij hebben desondanks geprobeerd om een duidelijke, goed leesbare verordening te maken. Daartoe is zowel de modelverordening VNG als de verordening die vanuit cliëntenperspectief is opgesteld, geraadpleegd. verordeningen Met deze verordening hopen wij “the best of both worlds” te hebben bereikt.

In de verordening is met name uitwerking gegeven aan de artikelen 5, 6, 15, 19 en 26 Wmo.

In de Wmo komen voorzieningen uit de Welzijnswet en voorzieningen uit de AWBZ en de Wvg bij elkaar. Voorzieningen uit de Welzijnswet worden als voorliggende voorzieningen aangeboden en worden daarom niet in deze verordening opgenomen.

De verordening gaat uitsluitend over de individuele voorzieningen. Er wordt slechts in zijn algemeenheid verwezen naar de (voorliggende ) algemene voorzieningen, maar deze worden niet benoemd, althans niet in de verordening. U vindt ze wel terug in het zogenoemde Productenoverzicht.

Alle bedragen en bijbehorende regelgeving worden opgenomen in het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Lopik.

Algemene toelichting

De kern van de Wet maatschappelijke ondersteuning wordt gevormd door het begrip “compensatieplicht“. Dit begrip is bij amendement in artikel 4 van de Wmo opgenomen en afkomstig van de Raad voor de Volksgezondheid en de Zorg.

Het is met name de toelichting op het amendement dat informatie geeft over de bedoeling van de wetgever met het begrip compensatieplicht. Die toelichting stelt:

“Het nieuw geformuleerde artikel strekt ertoe de algemene verplichting aan gemeenten op te leggen om beperkingen in de zelfredzaamheid op het gebied van het voeren van een huishouden, het zich verplaatsen in en om de woning en om zich lokaal per vervoermiddel te verplaatsen, weg te nemen. Onder zelfredzaamheid wordt in dit verband verstaan het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en financiële vermogen om zelf voorzieningen te treffen die deelname aan het normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken. Onder normale deelname aan het maatschappelijke verkeer wordt in ieder geval verstaan het kunnen voeren van een huishouden; het normale gebruik van een woning; het zich in en om de woning kunnen verplaatsen; het zich zodanig kunnen verplaatsen dat aansluiting kan worden gevonden bij regionale, bovenregionale en landelijke vervoerssystemen; het kunnen ontmoeten van andere mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die manier te kunnen deelnemen aan het lokale sociaal-maatschappelijk leven. Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of Functions, Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen.

De opdracht om compenserende voorzieningen te treffen wordt met dit artikel bij wet gegeven. De normering ervan wordt overeenkomstig de bestuurlijke structuur van de wet op het lokale niveau bepaald met inachtneming van alle bepalingen over de totstandkoming van het lokale beleid en de betrokkenheid van burgers en cliënten daarbij.”

Omdat er geen begripsomschrijving van het begrip compensatieplicht in het amendement is opgenomen, is in de verordening een begripsomschrijving opgenomen in artikel 1 onder b. In artikel 2 van de verordening wordt een en ander uitgewerkt.

De compensatieplicht geldt, zo geeft de tekst van artikel 4, lid 1 van de wet aan, voor de onderdelen:

  • a.

    het voeren van een huishouden,

  • b.

    het zich verplaatsen in en om de woning,

  • c.

    het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en

  • d.

    het ontmoeten van medemensen en het op basis daarvan aangaan van sociale verbanden

Uitgaande van een overgang van de drie Wvg-terreinen woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen plus de functie huishoudelijke verzorging uit de AWBZ naar de Wmo worden de onderdelen uit artikel 4 van de wet in de verordening als volgt uitgewerkt:

Ad a. het voeren van een huishouden

Onder het voeren van een huishouden wordt zowel de eerdere functie huishoudelijke verzorging, (hoofdstuk 3: hulp bij het huishouden) verstaan als het normaal kunnen gebruiken van een woning (hoofdstuk 4: de woonvoorzieningen).

Ad b. het zich verplaatsen in en om de woning

Bij het zich verplaatsen in en om de woning gaat het om de rolstoel inclusief (uitsluitend) de sportrolstoel (hoofdstuk 5: de rolstoelvoorzieningen)

Ad c. het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel

Hierbij gaat het om de vervulling van de vervoersplicht (hoofdstuk 6: de vervoersvoorzieningen);

Ad d. het ontmoeten van medemensen en het op basis daarvan aangaan van sociale verbanden.

Het ontmoeten van medemensen en het daaruit volgende aangaan van sociale verbanden wordt beschouwd als doelstelling voor de eerste drie verstrekkingenterreinen. Verder wordt hieraan met name aandacht besteed in het kader van algemene voorzieningen en niet zozeer als individuele verstrekking.

Dit onderdeel van de compensatieplicht keert daarom niet als afzonderlijk hoofdstuk in de verordening terug.

Tenslotte noemt de wet in artikel 4 als aparte doelgroepen voor de compensatieplicht de mantelzorgers en de vrijwilligers. Zie hoofdstuk 7 voor zover het de mantelzorger betreft.

In artikel 4 van de wet wordt het college opgedragen ten behoeve van de compensatie "voorzieningen te treffen". De wet stelt dus niet dat het steeds om individuele voorzieningen moet gaan. Om het onderscheid (en de rangorde) tussen algemene en individuele voorzieningen te benadrukken, is in deze verordening weliswaar het begrip algemene voorzieningen opgenomen maar wordt de wijze waarop de gemeente de (toegang tot de) algemene voorzieningen organiseert, bewust buiten de verordening gehouden.

Algemene voorzieningen zullen in de regel met een minimum aan procedures kunnen worden aangeboden: met geen of slechts een lichte toegangstoets.

artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk I Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

a.Wet:

Deze bepaling spreekt voor zich; zie ook de in artikel 43 van de Wet maatschappelijke ondersteuning opgenomen citeertitel van de wet.

b.Compensatieplicht:

Het compensatiebeginsel of de compensatieplicht is via het amendement-Miltenburg c.s. (30 131, nr. 65) aan het wetsvoorstel toegevoegd. In het amendement is geen begripsomschrijving van dit begrip opgenomen. Gevolg hiervan is dat er in de wet een begripsomschrijving van het cruciale begrip compensatieplicht ontbreekt. Daarom staat de begripsomschrijving van de compensatieplicht in de verordening. Voor de begripsomschrijving is gebruik gemaakt van het briefadvies van de Raad voor de Volksgezondheid en de Zorg, de ‘uitvinder’ van de compensatieplicht. Voor wat betreft de gelijkwaardige uitgangspositie is gebruik gemaakt van de toelichting op het amendement, evenals voor wat betreft de termen zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie.

c.Beperkingen:

De term “beperkingen” is ontleend aan de ICF. Het onder de toelichting op onderdeel 1.2 van dit artikel genoemde amendement-Miltenburg stelt over de ICF: “Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of Functions, Disabilities and Health (ICF classificatie) een uniform begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen.”

d.Mantelzorger:

De begripsomschrijving van het begrip “ mantelzorger” is ontleend aan de begripsomschrijving van “mantelzorg” in de wet (artikel 1, lid 1 onder b, van de wet). Het gaat om een persoon die buiten het kader van een hulpverlenend beroep, langdurige zorg biedt aan een hulpbehoevende in zijn directe omgeving. Die zorg overstijgt de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar en vloeit rechtstreeks voort uit de sociale relatie.

f.Zelfredzaamheid:

Deze begripsomschrijving komt uit de toelichting op eerder reeds genoemde amendement-Miltenburg c.s., dat het compensatiebeginsel aan de wet heeft toegevoegd.

g. Maatschappelijke participatie:

Ook deze begripsomschrijving is, evenals de onder f. genoemde, ontleend aan de toelichting op het amendement-Miltenburg c.s., dat het compensatiebeginsel aan de wet heeft toegevoegd.

h.Algemene voorziening:

Het gaat hier om voorzieningen, die met een minimum aan bureaucratie (kunnen) worden aangeboden en daarom bewust buiten deze verordening zijn gehouden. Daarbij valt te denken aan een scala van reeds bestaande of nog te ontwikkelen voorzieningen: algemeen maatschappelijk werk, maaltijdvoorziening, algemene woonvoorzieningen als klussendiensten en voorzieningendepots en vrijwilligersdiensten. De toegang is eenvoudiger dan bij individuele voorzieningen: geen of slechts een beperkte toegangsbeoordeling, geen formele beslissing (beschikking) en geen eigen bijdragen. In de regel gaat het om eenvoudige en veel voorkomende voorzieningen. Kenmerk van algemene voorzieningen is voorts dat zij altijd in natura verstrekt worden en nooit als financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget. Tenslotte worden algemene voorzieningen (meestal) niet gratis verstrekt. Er kunnen (algemeen gebruikelijke) kosten in rekening worden gebracht.

i.Individuele voorziening:

Algemene voorzieningen hebben in het kader van deze verordening voorrang op individuele voorzieningen. Waar mogelijk zal eerst worden verwezen naar een algemene voorziening, waar nodig zal een individuele voorziening worden verstrekt. Hoe de keuze zal worden gemaakt tussen beide categorieën voorzieningen hangt uiteraard helemaal af van de individuele situatie van de aanvrager. Door het college vast te stellen regels zullen afwegingscriteria geven, verder zal een op de individuele situatie afgestemd medisch advies vaak van groot belang zijn.

j.Voorliggende voorziening:

Als iemand beperkingen bij zijn maatschappelijke participatie en zelfredzaamheid ondervindt wordt eerst bekeken of er een algemene Wmo-, of andere algemene voorziening is die deze beperkingen op een adequate manier kan oplossen. Het pasje voor de regiotaxi (het collectief vraagafhankelijk vervoer) bijvoorbeeld is voorliggend op de individuele vervoersvoorzieningen.

Als dat het geval is zal de aanvrager op die mogelijkheid worden gewezen en komt hij niet in aanmerking voor een individuele voorziening. Pas als een algemene voorziening geen adequate oplossing biedt, komt een individuele voorziening in beeld. Ook bij de individuele voorzieningen onderling kan het voorkomen dat de ene voorligt aan de andere: de tegemoetkoming in de verhuis-en inrichtingskosten gaat vóór op de woonvoorziening woningaanpassing(het zgn. primaat van de verhuizing).

k.Eigen verantwoordelijkheid:

de inspanning die in redelijkheid van de aanvrager of zijn directe omgeving kan worden verlangd om zelf een oplossing te vinden voor (de kosten van) het opheffen of verminderen van zijn beperkingen. Indien en voor zover het oplossen van een bepaalde beperking tot de eigen verantwoordelijkheid behoort komt de aanvrager niet in aanmerking voor een individuele voorziening. Van een echtgenoot/huisgenoot kan en mag bijvoorbeeld verlangd worden dat hij de was doet; kookt en schoonmaakt en dergelijke. Zie ook het Protocol Gebruikelijk Zorg.

l.goedkoopst adequate oplossing:

m en n. Eigen bijdrage en eigen aandeel:

De bevoegdheid voor het vragen van een eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten van een voorziening vloeit voort uit artikel 15 lid 1 van de wet.

De Algemene maatregel van Bestuur, gebaseerd op artikel 15 lid 3 van de wet, geeft aan welke ruimte gemeentebesturen hebben voor het vaststellen van eigen bijdragen e.d. (het Besluit Maatschappelijke Ondersteuning). Voor de gemeente Lopik wordt dit uitgewerkt in het nog vast te stellen Uitvoeringsbesluit.

o.Voorziening in natura:

Natura-voorzieningen zijn individuele voorzieningen (hulpmiddelen) die niet in de vorm van enigerlei financiële bijdrage worden verstrekt. Daarbij kan worden gedacht aan verstrekking in huur, in bruikleen, in eigendom of in de vorm van dienstverlening.

p.Persoonsgebonden budget:

een geldbedrag dat een persoon die in aanmerking komt voor een individuele voorziening, onder door het college bepaalde voorwaarden mag besteden aan een compenserende voorziening naar eigen keuze. Nadere uitwerking omtrent de relatie tussen diverse compenserende voorzieningen en daarbij behorende persoonsgebonden budgetten vindt plaats in het Uitvoeringsbesluit.

q.Financiële tegemoetkoming:

Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat is bedoeld om een bepaalde voorziening te verwerven. Het is (vrijwel) nooit een kostendekkende vergoeding, maar een bedrag, bedoeld als tegemoetkoming in de kosten.

r.Algemeen gebruikelijk:

Evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten het geval was, is het ook onder de Wet maatschappelijke ondersteuning niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarover de aanvrager, gezien zijn individuele situatie, ook zonder zijn handicap of beperking, zou kunnen beschikken. Deze voorzieningen worden als algemeen gebruikelijk beschouwd. aanvrager zelf .

Wat in een concrete situatie als algemeen gebruikelijk te beschouwen is, hangt af van de geldende maatschappelijke normen van het moment van de aanvraag. Het begrip “algemeen gebruikelijk” is geconcretiseerd in de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Het begrip heeft vaak voor verwarring gezorgd, omdat algemeen gebruikelijke voorzieningen soms wel specifiek voor een handicap worden aangeschaft, maar vanwege hun algemeen gebruikelijke karakter toch niet vergoed worden. Om duidelijk te maken wat in de wet verstaan wordt onder dit begrip is de begripsomschrijving vanuit de jurisprudentie in de verordening opgenomen.

Het gaat daarbij om voorzieningen:

  • -

    die in de reguliere handel verkrijgbaar zijn;

  • -

    die niet speciaal voor gehandicapten bedoeld zijn;

  • -

    die niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten met hetzelfde doel.

  • s.

    Meerkosten:

Het begrip “meerkosten” hangt nauw samen met het begrip “algemeen gebruikelijk”; deze twee begrippen zijn elkaars tegenhangers. De meerkosten zijn de kosten, die in een direct oorzakelijk verband staan met het compenseren van de ondervonden beperking of het psychosociaal probleem, zoals die zijn genoemd in artikel 1, lid 1, onder g. achtste volzin van de wet. Een met de persoon als de aanvrager vergelijkbaar persoon zonder die beperking of dat psychosociale probleem heeft deze meerkosten per definitie niet, omdat daarvoor in diens situatie geen noodzaak is. Mede op de bestrijding van deze meerkosten, dus de kosten die voor een persoon als de aanvrager niet algemeen gebruikelijk zijn, is de wet gericht.

t.Huisgenoot:

Het uitgangspunt van deze begripsomschrijving ligt in het Protocol Gebruikelijke zorg, zoals tot aan de invoering van de wet door het Centrum Indicatiestelling Zorg werd toegepast als verzameling beleidsregels voor de AWBZ-indicatiestelling voor huishoudelijke zorg.

u.Budgethouder:

De invoering van het persoonsgebonden budget maakt het opnemen van het begrip “budgethouder” noodzakelijk. De budgethouder is de persoon die de beschikking krijgt over het budget en over de besteding daarvan ook verantwoording af dient te leggen.

w.Productenoverzicht:

Het Productenoverzicht Wet Maatschappelijke Ondersteuning informeert inwoners en organisaties over het voorzieningenaanbod in Lopik. Het geeft een globaal overzicht van het basisaanbod van de gemeente. De algemene en individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning zijn

uitgewerkt in producten.

x.Woonvoorziening:

Een woonvoorziening is gericht op het opheffen of verminderen van beperkingen die een persoon bij het normale gebruik van zijn woonruimte ondervindt.

y.Vervoersvoorziening:

Een vervoersvoorziening is gericht op het opheffen of verminderen van beperkingen die ene persoon ondervindt bij het zich lokaal verplaatsen. Iemand moet zich zodanig kunnen verplaatsen dat hij aansluiting kan vinden bij regionale, bovenregionale en landelijke vervoersystemen. Gelet op de centrale ligging en de aanwezigheid van een goede sneltramverbinding met Utrecht komt dit er voor onze gemeente op neer dat iemand zich moet kunnen verplaatsen binnen de gemeente grenzen. Voorliggende voorzieningen zijn het reguliere openbaar vervoer en het collectief vraagafhankelijk vervoer.

z. Hulp bij het huishouden:

Een voorziening die gericht is op het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van het verzorgen van een huishouden van een persoon dan wel van de leefeenheid waartoe een persoon behoort. Voorliggende voorziening is de zogenoemde gebruikelijke zorg.

aa. Rolstoelvoorziening:

Het gaat hierbij om het zich (niet) zittend kunnen verplaatsen in en om de woning. Ook een rolstoel voor sportbeoefening valt hieronder.

bb. ICF:

De International Classification of Functioning, Disability and Health, opgesteld door de Wereld Gezondheidsorganisatie (World Health Organisation, onderdeel van de Verenigde Naties). Het is een internationale classificatie van stoornissen, beperkingen en handicaps.

cc.:

Het Lopik waarin ter uitvoering van de Algemene Maatregel van Bestuur maatschappelijke ondersteuning worden geregeld de eigen bijdragen, de financiële tegemoetkomingen en het persoonsgebonden budget.

In dit Uitvoeringsbesluit worden ook de beleidsregels op de diverse terreinen van algemene en individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning uitgewerkt.

dd. Respijtzorg:

Respijtzorg staat voor twee soorten van ondersteuning:

  • §

    Vormen van tijdelijke overname van de zorg om de mantelzorger te ontlasten.

  • §

    Arrangementen die de mantelzorger de mogelijkheid bieden om te herstellen van overbelasting t.g.v. zijn taak als mantelzorger.

De eerste vorm van respijtzorg wordt toegekend aan de zorgbehoevende. De vervangende zorg kan in de thuissituatie plaats vinden of in een instelling of logeerhuis.

Wanneer het gaat om hulp bij het huishouden, wordt een voorziening toegekend volgens hoofdstuk 3 van deze verordening. Wanneer het gaat om een AWBZ-voorziening, biedt de gemeente zo nodig bemiddeling.

De tweede vorm van respijtzorg wordt toegekend aan de mantelzorger die in Lopik woont. Dit geldt ook wanneer de zorgbehoevende zelf buiten Lopik woont.

Artikel 2 Compensatie en motiveringsplicht

De kern van de Wet maatschappelijke ondersteuning wordt gevormd door het begrip “compensatieplicht“. Dit begrip is bij amendement 65 in de Wmo opgenomen en afkomstig van de Raad voor de Volksgezondheid en de Zorg. Voor nadere toelichting zie hierboven bij algemeen.

De in lid 4 gegeven omschrijving van de motiveringsplicht vloeit voort uit artikel 26 van de wet.

Artikel 3 Begrenzingen

Lid 1

Ad a.

Deze bepaling is in zijn kern ontleend aan de verordening Wet voorzieningen gehandicapten en aan de wet aangepast. Wat langdurig noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan, in tijd uitgedrukt, gaan om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin de beperking bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerk is in beide genoemde situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap op het moment van de aanvraag, onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de aanvrager. In dit kader zal de prognose van groot belang zijn. Zegt de prognose dat de betrokkene na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren, dan mag men van kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak.

De medisch adviseur speelt bij het antwoord op de vraag of er al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffende voorziening een belangrijke rol. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast staat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor een voorziening in het kader van deze verordening in aanmerking komt. Betrokkene kan een beroep doen op de hulpmiddelendepots van de Thuiszorgorganisaties die opgezet zijn in het kader van de AWBZ en/of ziektekostenverzekeraars. Uit deze depots kan men twee maal drie maanden een hulpmiddel gratis lenen, welke periode kan worden verlengd, zij het dat dan huur is verschuldigd. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig ligt zal van situatie tot situatie verschillen.

Een uitzondering op de regel dat de aangevraagde voorziening langdurig noodzakelijk moet zijn, wordt gevormd door situaties waarin voor een afzienbare periode hulp bij het huishouden nodig is, bijvoorbeeld bij ontslag uit het ziekenhuis na een opname of bij een ontregeld huishouden.

Ad b.

Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip adequaat bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Hoewel datgene wat de aanvrager als adequaat beschouwt mee zal moeten wegen in de beoordeling van het adequaat zijn van de voorziening, zal ook het criterium van het goedkoop zijn, de kosten van de voorziening, een rol spelen bij de uiteindelijke beoordeling van het al dan niet adequaat zijn van een voorziening. Het gaat immers om gemeenschapsgeld.

Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Het is uiteraard wel mogelijk een adequate voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst adequate voorziening, mits de aanvrager bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Het begrip goedkoopst adequaat geeft het college mogelijkheden tot sturen binnen het beleid.

Ad c.

Het probleem van het individu dient op grond van de wet te worden gecompenseerd. Dat individuele probleem staat dan ook centraal bij de beoordeling van de aanvraag voor een voorziening op grond van de wet.

Lid 2

Ad a.

Alleen inwoners van de gemeente Lopik kunnen in aanmerking komen voor een individuele voorziening. Als de mantelzorger in Lopik woont en de verzorgde buiten Lopik, dan kan de mantelzorger een aanvraag voor een individuele voorziening ten behoeve van hemzelf (b.v. arrangement) aanvragen in Lopik. Gaat het om vervangende zorg dan moet de verzorgde een aanvraag dienen in zijn eigen woonplaats.

Ad b.

Hier wordt gedoeld op de situatie dat de aanvrager een voorziening aanvraagt nadat deze reeds door de aanvrager gerealiseerd of aangekocht is. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden geweigerd. Er mag bijvoorbeeld pas nadat het college een beslissing over de aanvraag voor een woningaanpassing heeft genomen, een aanvang worden gemaakt met de werkzaamheden. Eerst op dat moment heeft het college alle op de aanvraag betrekking hebbende gegevens beoordeeld en op grond hiervan een besluit genomen over de te treffen voorziening.

Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst adequate oplossing beschouwt. Het college kan bijvoorbeeld ook factoren mee laten wegen die buiten de woonruimte van de aanvrager gelegen zijn, zoals een beschikbare aangepaste of goedkoop aan te passen woning elders, of een losse woonunit, waardoor een woningaanpassing wellicht niet noodzakelijk is.

Een ander voorbeeld: pas nadat het college een positieve beschikking voor een verhuiskostenvergoeding heeft gegeven, komt een aanvrager hiervoor in aanmerking. De aanvrager die verhuist of is verhuisd voordat advies is verkregen en de gemeente een afweging heeft gemaakt welke oplossing het meest adequaat is kan de aanvrager, krijgt geen verhuiskostenvergoeding.

In bepaalde gevallen kan het echter nodig zijn dat de aanvrager snel moet beslissen omdat de woning anders aan een andere woningzoekende wordt toegewezen. In deze of andere urgente gevallen is het verkrijgen van toestemming van het college ook voldoende. Maar in alle gevallen dient de aanvrager voorafgaand aan de verhuizing schriftelijk toestemming van de gemeente te hebben verkregen. Het hoeft hier uiteraard niet te gaan om de feitelijke verhuizing, maar om een situatie waarin men bepaalde onomkeerbare stappen heeft gezet die in de regel voorafgaan aan een verhuizing, zoals het sluiten van een koop- huur- of erfpachtovereenkomst inzake de te betrekken woning.

Ad c.

Onder c. wordt in dit artikel aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad, terwijl het de aanvrager kan worden verweten dat de voorziening verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid.

Indien een ander aansprakelijk is voor het verloren gaan, zal het college bekijken of het mogelijk is dat de aanvrager (of het college) deze derde hiervoor aansprakelijk stelt om zodoende de kosten te kunnen verhalen.

Indien in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan.

Ad d.

Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen waarover een met de aanvrager vergelijkbare persoon, ook los van de beperking, zou kunnen beschikken. Deze voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Dit beginsel wordt al tientallen jaren tijd gehanteerd in de sociale wetgeving (AAW/WAO, voormalige Wet-Rea, Wvg) en heeft tot een omvangrijke jurisprudentie geleid, die is vastgelegd in de definitie van dit begrip, zoals die is opgenomen in artikel 1 sub r van deze verordening. Wat in een concreet geval algemeen gebruikelijk is, hangt dus in beginsel af van de aard van de gevraagde voorziening. Daarnaast speelt de – financiële- situatie van de aanvrager een rol, bezien in relatie tot de maatschappelijke normen op het moment van de aanvraag. Met name die financiële situatie van de aanvrager kan leiden tot een uitzondering op het beginsel dat geen algemeen gebruikelijke voorzieningen worden verstrekt. Uit de bovengenoemde jurisprudentie blijkt immers dat een dergelijke uitzondering zich voordoet als het inkomen van de aanvrager – mede ten gevolge van aantoonbare kosten ten gevolge van zijn beperking, onder het in diens situatie geldende bijstandsniveau dreigt te geraken. Een andere uitzondering is het ten gevolge van een plotseling optredende handicap moeten vervangen van zaken die nog niet zijn afgeschreven. Zonder die handicap zouden ze nog niet zijn vervangen.

Ad e.

Zie hierboven bij toelichting op begrip voorliggende voorziening.

Ad f.

Wanneer iemand met beperkingen in de motoriek woonachtig is in een gelijkvloerse (deels aangepaste) woning en gaat verhuizen naar een woning met bijvoorbeeld een trap en een traplift nodig heeft, wordt hiervoor geen vergoeding toegekend. Bij de verhuizing dient men namelijk rekening te houden met aanwezige beperkingen.

Een ander voorbeeld is een aangepaste douche in de ene woning en een douchebak of bad in de nieuwe woning die problemen geeft. Verhuizing van een deels aangepaste woning naar een niet aangepaste woning geschiedt op eigen verantwoordelijkheid. Men doet er goed aan eerst overleg te hebben met de consulent van bureau Wmo over de mogelijkheden en de onmogelijkheden, alvorens men een bestaande situatie wijzigt, die gevolgen heeft voor de (reeds verstrekte) voorziening.

Ad g.

Het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw is vastgesteld in het Bouwbesluit 2003. Woonvoorzieningen die op dat uitrustingsniveau worden verstrekt, zijn in beginsel van voldoende kwaliteit; duurdere of andere voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Een duidelijke begrenzing derhalve. Garages bijvoorbeeld vallen daarom niet onder dit niveau. Alleen in die gevallen dat bijvoorbeeld vanuit welstandstoezicht hogere eisen worden gesteld, kan het college hierop een uitzondering maken. Over de hiermee gepaard gaande kosten moeten in een concrete situatie afspraken gemaakt worden. Ook bij hulp bij het huishouden speelt deze bepaling een rol. Indien bijvoorbeeld aanzienlijk meer hulp wordt gevraagd vanwege het feit dat men in een veel grotere of meer luxe woning woont, geeft deze bepaling een duidelijke grens aan.

Ad h.

In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren voorzieningen en vragen zij na het optreden van een beperking voorzieningen aan, die in hun situatie kunnen leiden tot de conclusie dat het optreden van beperkingen geen meerkosten met zich meebrengt. Daarvoor is deze onder i. genoemde bepaling bedoeld.

Ad i.

Voor het behoud van de scootmobiel is een adequate berging of adequate stallingsruimte noodzakelijk. De gemeente vergoedt het maken/aanpassen van de berging tot de hoogte van verhuiskosten. Als bijvoorbeeld een deurenverbreding de verhuiskosten overschrijdt dan vergoedt de gemeente dit niet. Het drempelvrij maken en het aanbrengen van de stroomvoorziening wordt standaard wel vergoed.

Hoofdstuk II Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen.

Artikel 4 Keuzevrijheid

De in artikel 6 van de wet genoemde verplichting om bij een aanspraak op een individuele voorzieningen de keuze te bieden tussen een persoonsgebonden budget en een voorziening in natura is niet absoluut. Er kunnen overwegende bezwaren bestaan om niet over te gaan tot verstrekking van een persoonsgebonden budget. Het college kan regels stellen om af te wegen in welke gevallen er sprake is van bezwaren van overwegende aard, die reden zijn om geen persoonsgebonden budget te verstrekken.

Naast deze keuzevrijheid bestaat er nog een tweede vorm van keuzevrijheid: namelijk de vrijheid om bij voorzieningen in natura te kiezen uit meerdere aanbieders. Deze keuzevrijheid wordt zo nodig in hetbesluit uitgewerkt.

Artikel 5 Voorziening in natura

Het doel van deze bepaling is het vastleggen van de rechten en plichten van het college en de aanvrager. Deze bepaling ziet op de situatie waarin het college eigenaar blijft van de verstrekte naturavoorziening of het college de zorg in natura zelf geregeld heeft. Als een voorziening in eigendom wordt verstrekt is er uiteraard niet een dergelijke overeenkomst nodig.

Artikel 6 Financiële tegemoetkoming en forfaitaire vergoeding

Lid 1.

Om te waarborgen dat de verstrekte financiële tegemoetkoming wordt besteed aan een noodzakelijke voorziening, en niet aan zaken die los staan van de doelen die met de wet worden beoogd, kunnen bij beschikking voorwaarden worden verbonden aan de verstrekking van een tegemoetkoming op grond van de wet.

Artikel 7 Persoonsgebonden budget

Lid 1.

2.Een persoonsgebonden budget wordt

verstekt voor individuele voorzieningen, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan. Het betreft vooral in de persoon van de aanvrager gelegen bezwaren bijvoorbeeld als er op voorhand al gerede twijfels zijn of de aanvrager het budget op verantwoorde wijze zal besteden(psychische gesteldheid van de aanvrager, schulden enz).

Het persoonsgebonden budget dient gezien te worden als een manier waarop een toegekende voorziening wordt verstrekt. De onder lid 1 van dit artikel genoemde bepaling spreekt dan ook voor zich en sluit aan op de bepaling in artikel 6 van de wet. Hierin is vastgelegd dat alleen bij toekenning van individuele voorzieningen in beginsel de keuze voor een persoonsgebonden budget moet worden geboden. Algemene voorzieningen vallen niet onder deze eis.

Lid 3.

Hierin is bepaald dat de hoogte van het persoonsgebonden budget is gekoppeld aan de tegenwaarde van de in de te verstrekken goedkoopst adequate voorziening. Er moet immers een referentiebedrag zijn, waarop het persoonsgebonden budget kan worden gebaseerd. “Goedkoopst adequaat” is een objectief vaststelbaar referentiepunt.

Verder kan een aanvullend bedrag worden vastgesteld voor de instandhoudingskosten van de voorziening.

Lid 4.

Voor de diverse soorten voorzieningen zal een nadere regeling worden gegeven in het Uitvoeringsbesluit. Het college bepaalt de omvang van een persoonsgebonden budget. Het gaat om een veelheid van verschillende persoonsgebonden budgetten voor verschillende voorzieningen, waarbij ter bevordering van de rechtsgelijkheid, eenduidige richtlijnen noodzakelijk zijn. Invulling van deze richtlijnen vindt plaats in het Uitvoeringsbesluit.

Lid 5.

Hierin is neergelegd de algemene eis dat er een program van eisen wordt vastgesteld, waarin wordt aangegeven aan welke eisen de met het persoonsgebonden budget te verwerven voorziening moet voldoen. Het program van eisen is dus een belangrijk document; als niet aan het program van eisen wordt voldaan kan dat gevolgen hebben voor de afrekening van het toegekende budget.

Lid 6.

Om misverstanden zoveel mogelijk te voorkomen wordt er in aanvulling op de beschikking een overeenkomst gesloten omtrent de voorwaarden waaronder het persoonsgebonden budget wordt verstrekt.

Lid 7.

Regelt tenslotte de feitelijke betaling van het persoonsgebonden budget. Over de wijze waarop de betaling plaatsvindt kunnen door het college nadere regels worden gesteld. Gedacht kan worden aan betaling in termijnen, bijvoorbeeld bij hulp bij de huishouding of in situaties waarin er twijfels zijn over het budgetbeheer. Zo kunnen financiële risico’s voor de gemeente worden beperkt en worden aanvragers minder snel geconfronteerd met hoge terugvorderingsbedragen.

Lid 8.

Het college is verantwoordelijk voor de rechtmatige en doelmatige besteding van gelden op grond van de wet en is dan ook bevoegd om te controleren of aanvragers hun persoonsgebonden budget besteden conform de toekenningsvoorwaarden

. Afhankelijk van de vraag waarvoor het persoonsgebonden budget is bedoeld en de wijze waarop de noodzakelijke voorziening is verkregen, worden bewijsstukken opgevraagd bij de budgethouder..

Mocht uit de controle blijken dat er aanleiding is het toegekende persoonsgebonden budget van de budgethouder terug te vorderen, dan dient de in de artikelen 34 en 35 genoemde procedure te worden gevolgd.

Artikel 8 Eigen bijdragen en eigen aandeel

Artikel 15 van de wet biedt de mogelijkheid bij verstrekking van voorzieningen in natura of een persoonsgebonden budget eigen bijdragen te vragen. Artikel 19 van de wet biedt de mogelijkheid de hoogte van financiële tegemoetkomingen af te stemmen op het inkomen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning wordt verleend: het zogeheten eigen aandeel.

De gemeenteraad heeft van de wetgever op grond van artikel 15 lid 1 van de wet de verordenende bevoegdheid gekregen op het punt van het heffen van de eigen bijdragen.

De raad van Lopik heeft met het vaststellen van de visienota Wmo de hoofdlijnen uitgezet waaronder het werken met een eigen bijdrage regeling.

In artikel 8 van de verordening krijgt het college de bevoegdheid tot vaststellen van eigen bijdragen gedelegeerd. De wijze waarop deze bevoegdheid wordt uitgevoerd, wordt door het college in het Uitvoeringsbesluit vastgelegd. Hoofdstuk III Compensatie van de beperkingen bij het voeren

van een huishouden: de hulp bij het huishouden

Artikel Vormen van hulp bij het huishouden

In artikel 4 lid 1 van de wet wordt het college opgedragen om voorzieningen aan te bieden ter ondersteuning van het voeren van een huishouden. In deze verordening wordt dit onderdeel opgesplitst in twee onderdelen. In hoofdstuk 3 van deze verordening gaat het om de voorziening “hulp bij het huishouden”.

Onder de AWBZ werd gesproken van de functie huishoudelijke verzorging. Om aan te geven dat onder de Wmo sprake is van een eigen begrip wordt in deze verordening het begrip ‘hulp bij het huishouden’ geïntroduceerd.

Hulp bij het huishouden kan in drie vormen als voorziening worden aangeboden. Als eerste en voorliggende voorziening geldt de algemene voorziening, de snelle en eenvoudige dienstverleningsoplossing zonder veel administratieve rompslomp, bijvoorbeeld (commerciële) boodschappendienst of maaltijdvoorzienignen. Deze algemene oplossing blijft hier verder buiten beschouwing.

Als individuele voorzieningen kennen we de hulp bij het huishouden in natura, waarbij het gaat om een vorm van persoonlijke dienstverlening en het persoonsgebonden budget (pgb) voor hulp bij het huishouden. Met dit pgb moet de aanvrager zelf hulp inhuren.

Artikel 1 Gebruikelijke zorg

Bij het vaststellen van de aanspraak op hulp bij het huishouden wordt allereerst bezien of en in hoeverre eventueel andere personen binnen de leefeenheid zelf de problemen kunnen oplossen. Deze ontwikkeling is al onder de AWBZ-indicatiestelling in gang gezet vanaf het midden van de jaren ’90 van de vorige eeuw. Voorzover de ondervonden problemen door middel van dergelijke gebruikelijke zorg kunnen worden opgelost, is er geen aanspraak op hulp bij het huishouden. In het Uitvoeringsbesluit wordtbepaald hoe er rekening wordt gehouden met gebruikelijke zorg bij het vaststellen van een aanspraak op een voorziening voor hulp bij het huishouden.

Artikel 1 Omvang van de hulp bij het huishouden

In de AWBZ werd tot de invoering van de wet geïndiceerd in klassen. Klassen zijn te vergelijken met standaardporties. Elke klasse is gekoppeld aan minimaal en een maximaal aantal uren per week binnen een vaste bandbreedte. Indien men bijvoorbeeld een indicatie heeft voor 1,5 uur hulp, wordt men ingedeeld in klasse 1. Mocht de behoefte aan hulp van de aanvrager enigszins stijgen of dalen binnen de bandbreedte van de toegekende klasse, dan hoeft daarvoor niet opnieuw geïndiceerd en beschikt te worden.

Zolang de objectief vastgestelde behoefte binnen de bandbreedte blijft, is er sprake van een toereikende voorziening.

Hoofdstuk IV Compensatie van de beperkingen bij het normale

gebruik van de woning: de woonvoorzieningen

Artikel 1 Vormen van woonvoorzieningen

De woonvoorziening kan in vier vormen als voorziening worden aangeboden. Als eerste en voorliggende voorziening geldt de algemene voorziening, de snelle en eenvoudige dienstverleningsoplossing zonder veel administratieve rompslomp. Deze oplossing blijft hier verder buiten beschouwing.

In lid 2 worden de individuele woonvoorzieningen genoemd:

Ad a.

een woonvoorziening in natura, bijvoorbeeld de losse tillift of een douchestoel.

Ad b.

het persoonsgebonden budget, te besteden aan een individuele woonvoorziening bijvoorbeeld een aanpassing van de woning.

Ad c.

de financiële tegemoetkoming voor woningeigenaren die niet zelf huren en soms ook

rechtspersoon zijn. Deze financiële tegemoetkoming wordt genoemd in artikel 7 lid 2 van de wet. Ander voorbeeld is de tegemoetkoming in de verhuiskosten.

Artikel 1 Soorten individuele woonvoorzieningen

Ad a.

Het college kan besluiten om een tegemoetkoming te verstrekken in de verhuis- en inrichtingskosten, indien verhuisd wordt naar een aangepaste of een goedkoper aan te passen woning dan de reeds bewoonde woning. Het college maakt de afweging tussen verstrekking van een tegemoetkoming in de verhuiskosten en een woningaanpassing. Een woonvoorziening, en dus ook een verhuiskostenvergoeding is, volgens de Wvg-jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, alleen bedoeld voor situaties waarin de ondervonden problemen in direct oorzakelijk verband staan met bouwkundige of woontechnische aspecten van de te verlaten woning zelf. Omgevingsfactoren als lawaai, stank, onveiligheidsgevoelens, overlast enz. zijn dus niet van belang. Uitgangspunt van het gemeentelijk beleid is dat zo goed mogelijk gebruik wordt gemaakt van de voorraad aangepaste woningen in de gemeente. De gemeente houdt hiervan een lijst bij.

Ad b.

Een bouwkundige of woontechnische woningaanpassing is een aanpassing van de woning zelf, ter compensatie van de problemen die in de woning spelen ten aanzien van de bewoner met een beperking.

Ad c.

Onder een woonvoorziening waarbij geen sprake is van een ingreep van bouw- of woontechnische aard zal in de praktijk met name woningsanering i.v.m. CARA verstaan worden. Ook kan onder deze categorie worden begrepen hulpmiddelen voor baden, wassen en douchen die niet nagelvast aan de woning zijn bevestigd, alsmede mobiele patiëntenliften. Deze laatste twee categorieën roerende woonvoorzieningen kunnen ook in de vorm van een voorziening in natura worden verstrekt, bijvoorbeeld in bruikleen of huur, zodat hergebruik mogelijk is.

Ad d.

Omdat met de Wet maatschappelijke ondersteuning niet wordt beoogd om het inhoudelijke beleidsterrein ten opzichte van de vervallen Wet voorzieningen te verbreden, noch om dat te versmallen, is de uitraasruimte als woonvoorziening opgenomen. Een uitraasruimte is een ruimte die op basis van het vervallen artikel 1, lid 1, onder e. van de Wet voorzieningen gehandicapten kan worden gedefinieerd als een verblijfsruimte, waarin een persoon die tengevolge van een beperking in de vorm van een ernstige gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan afzonderen of tot rust kan komen. Een zeer specifieke voorziening derhalve, die alleen op basis van een specifieke noodzaak en op basis van een specifieke beperking kan worden verstrekt. Het zal in de regel gaan om een kleine, veilige en prikkelarme ruimte.

Artikel 1 Primaat van de verhuizing

Al onder de Wet voorzieningen gehandicapten gold de regel dat bij een aanvraag voor een woningaanpassing eerst werd bezien of verhuizing naar een andere woning een oplossing kon bieden. Dit is het zogenaamde primaat van de verhuizing. In feite gaat het om een uitwerking van de regel dat in beginsel wordt gekozen voor de goedkoopst adequate voorziening. De mogelijkheid tot het hanteren van het primaat van de verhuizing is onder de Wet voorzieningen gehandicapten in de jurisprudentie erkend, zij het dat wel enkele duidelijke voorwaarden zijn gesteld.

In de eerste plaats moeten de financiële gevolgen van de verhuizing voor de woonlasten binnen aanvaardbare financiële grenzen vallen, een eis die ook onder de wet gesteld kan worden. Verder moet duidelijk zijn dat de oplossing in de vorm van een verhuizing kan worden gerealiseerd binnen een uit het advies blijkende medisch verantwoorde termijn. Dat houdt dus in dat het college zicht moet hebben op de woningvoorraad om een indicatie te kunnen geven van de mogelijkheden om binnen die medisch verantwoorde termijn te kunnen verhuizen naar een geschikte aangepaste of goedkoper aan te passen woning. Ook diverse andere relevante aspecten, nader uit te werken in de gemeentelijke beleidsregels, kunnen, afhankelijk van de situatie een rol spelen bij de afweging omtrent het toepassen van het primaat van de verhuizing in een concreet geval.

Artikel 1 Uitsluitingen

Een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming voor het treffen van voorzieningen wordt alleen verstrekt als het woonruimten betreft die als zelfstandige woonruimte in het kader van de Wet op de huurtoeslag ook als zodanig aangemerkt worden. Een uitzondering zijn aanpassingen aan woonschepen en binnenschepen; deze komen weinig voor en worden apart geregeld in het verstrekkingenbeleid. Verder worden geen woonvoorzieningen verstrekt in gemeenschappelijke ruimten van woongebouwen voor ouderen of gehandicapten of voorzieningen die in dergelijke gebouwen, ook in de wooneenheden, bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen.

Artikel 1 Hoofdverblijf

Lid 1

In eerste instantie geeft de gemeentelijke basisadministratie uitsluitsel. Voor bepaalde gezondheidszorginstellingen geldt dat de bewoners een briefadres elders kunnen aanhouden. De gemeente waar de aanvrager van de voorziening daadwerkelijk verblijft heeft de verplichting tot compensatie van beperkingen. In het geval van AWBZ-bewoners heeft deze verplichting geen betrekking op de woonvoorzieningen.

Lid 2 t/m 4

Onder de Wet voorzieningen gehandicapten waren AWBZ-bewoners uitgesloten van het recht op woonvoorzieningen. Een bovenwettelijke uitzondering hierop werd door onze gemeente gemaakt voor het zogenaamde bezoekbaar maken van een woonruimte voor bezoek aan ouders of andere familieleden. Omdat met de wet niet wordt beoogd om de omvang van de onder de Wet voorzieningen gehandicapten geregelde zorgplicht in te krimpen of uit te breiden, is de optie van het bezoekbaar maken ook weer in deze verordening opgenomen. Verdere verplichtingen dan hier genoemd in de verordening heeft de gemeente niet. “Bezoekbaar maken” is beperkt tot het bereikbaar maken van de woonruimte zelf en enkele essentiële ruimten daarin.

Artikel 17 Begrenzingen

Om in aanmerking te komen voor woonvoorzieningen moet er een duidelijke samenhang zijn tussen de ondervonden woonproblemen en de beperking die men heeft. Aanvragen voor woonvoorzieningen die hun oorzaak vinden in andere factoren dan die beperking, kunnen worden geweigerd op grond van dit artikel.

Lid 1

Ad a.

Onder a. wordt de verhuizing naar een inadequate woning genoemd als weigeringsgrond voor woonvoorzieningen. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden, maar gewoon omdat men daar zin in heeft. Uitzondering in deze bepaling is de zogeheten “belangrijke reden”. Daarbij moet gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders.

Ad b.

Onder d. wordt met name gedoeld op verhuiskostenvergoedingen voor senioren van 70 jaar en ouder; veel verhuizingen zijn als algemeen gebruikelijk te beschouwen, ook los van de beperking die men heeft. Te denken valt aan verhuizingen van het ouderlijk huis naar een zelfstandige woonruimte, verhuizing van senioren van 70 jaar en ouder naar een kleinere woning, omdat de eengezinswoning te bewerkelijk is geworden en kinderen reeds zelfstandig wonen.

Ad c.

Op basis van het feit dat voorzieningen op grond van de wet in hoofdzaak zijn gericht op het individu, worden in beginsel geen voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten van wooncomplexen verstrekt. Evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten gold, zijn er uitzonderingen gemaakt voor de in de verordening genoemde voorzieningen in gemeenschappelijk ruimten. De opsomming is limitatief, dat wil zeggen dat er niet meer hoeft te worden verstrekt dan er in de verordening is genoemd.

Ad d.

Deze afwijzingsgrond is afkomstig uit de verordening Wet voorzieningen gehandicapten, en is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor problemen zorgen.

Lid 2

Ad c.

Als een persoon met beperkingen verhuist, zal deze, in relatie tot die beperkingen, moeten zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de bedoeling dat men zo maar een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met “verhuizen” wordt hier overigens niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op alle niet of moeilijk omkeerbare handelingen die normaal gesproken voorafgaan aan een verhuizing, zoals het tekenen van een (voorlopig) koop-, huur- of erfpachtcontract.

Voor de toepassing van deze weigeringsgrond geldt dat de gemeente er op haar beurt voor zal moeten zorgen zicht te hebben op de aangepaste of makkelijk aan te passen woningvoorraad, niet alleen sociale huurwoningen, maar ook in de vrije sector en zonodig het koopwoningenbestand. Daarnaast moet de gemeente haar burgers goed informeren over de gang van zaken bij dit soort verhuizingen. Alleen dan kan worden gemotiveerd dat iemand al dan niet is verhuisd naar de voor zijn situatie meest geschikte woning.

Ad d.

Verhuizingen naar AWBZ- en andere zorginstellingen leiden ertoe dat de aanvrager buiten de doelgroep van de wet valt; deze mensen kunnen immers niet meer zelfstandig participeren, en hebben dus geen aanspraak op woonvoorzieningen, ook al omdat ze die onder de Wvg ook al niet hadden. Als er in de te verlaten woning geen problemen bij het normale gebruik van de woning werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men verhuisd naar een inadequate woning. In dergelijke situaties is er, evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten geen aanspraak op woonvoorzieningen, hetgeen al meermaals door de Centrale Raad van Beroep is bevestigd.

Artikel 18 Terugbetaling bij verkoop

Deze bepaling heeft als doel het door de eigenaar laten terugbetalen van een deel van de waardestijging, die het gevolg is van de aanpassing van de eigen woning op grond van de wet. De datum van de verkoop is daarbij bepalend, omdat op die datum reeds vaststaat wat de verkoopprijs van de woning en wat de meerwaarde ten gevolge van de aanpassing is. Het is aan het college om te bepalen of en in hoeverre in een concrete situatie gebruik van deze bepaling wordt gemaakt, aangezien er een afweging dient plaats te vinden tussen de kosten van het effectueren van deze bepaling (taxatie, administratieve lasten) in relatie tot de te verwachten baten.

Hoofdstuk V Compensatie van de beperkingen bij het zich

verplaatsen in en om de woning: de rolstoelvoorzieningen

Artikel 19 Vormen van rolstoelvoorzieningen

Onder de Wet voorzieningen gehandicapten waren rolstoelen in de wet zelf als aparte categorie voorzieningen opgenomen. In de Wet maatschappelijke ondersteuning is dat niet het geval, maar aangezien met deze wet niet wordt beoogd het beleidsterrein ten opzichte van de voorafgaande Wet voorzieningen gehandicapten te verbreden of te versmallen, wordt de rolstoel gehandhaafd als de enige voorziening waarmee beperkingen bij het verplaatsen in en rond de woning in het kader van de wet gecompenseerd kunnen worden. Een definitie van een rolstoel is niet te geven, daarom wordt hier onder het begrip “rolstoel” een rolstoel begrepen te worden de rolstoel zoals iedereen die kent. Deze rolstoel kan zowel handbewogen als elektrisch aangedreven zijn. Een (elektrische)trippelstoel wordt niet als rolstoel beschouwd en wordt niet op grond van de wet verstrekt. De trippelstoel valt onder de door de Regeling Zorgverzekering te verstrekken voorzieningen. Een rolstoel kan zowel worden gebruikt als een verplaatsingsmiddel voor binnen als voor buiten. Primair doel van de rolstoel is het zittend verplaatsen, omdat lopend verplaatsen, ook met op grond van andere regelingen te verstrekken voorzieningen als looprekken, rollators, wandelstokken en krukken niet of onvoldoende mogelijk is. Kosten van onderhoud en reparatie van de rolstoel vallen eveneens onder de wet.

Voorzieningen die geen verband houden met het genoemde primaire verstrekkingsdoel, het verplaatsen, omdat ze nodig zijn in verband met therapeutische doeleinden, worden niet op grond van de wet verstrekt. Hierbij valt te denken aan aanpassingen voor het gebruik van zuurstofapparatuur en andere aanpassingen. Hier zijn voorliggende voorzieningen voor. Bij accessoires gaat het uiteraard alleen om medisch noodzakelijke en niet-algemeen gebruikelijke zaken.

De sportrolstoel valt in het kader van deze verordening onder het begrip rolstoel. Onder de Wet voorzieningen gehandicapten was de sportrolstoel, meestal verstrekt in de vorm van een forfaitaire financiële tegemoetkoming, een bovenwettelijke voorziening die alleen op basis van de verordening werd verstrekt.

De kosten van een verzekering worden alleen vergoed voor gemotoriseerde rolstoelen voor buitengebruik. Het gaat om een WA-verzekering.

Artikel 20 Rolstoelvoorziening voor dagelijks gebruik

Als een rolstoel voor het dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning langdurig medisch noodzakelijk is kan een rolstoel in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget verstrekt worden. Geen rolstoel wordt verstrekt als hulpmiddelen als krukken, een rollator, of andere hulpmiddelen een voldoende oplossing bieden voor het verplaatsingsprobleem. Wel kan, als dit noodzakelijk is, een rolstoel verstrekt worden in aanvulling op dergelijke voorzieningen, mits het gebruik dagelijks noodzakelijk is.

Artikel 21 Rolstoelvoorziening voor incidenteel gebruik

Het betreft situaties waarbij soms een rolstoel nodig is, terwijl het dagelijks verplaatsen in en om de woning zonder rolstoel plaatsvindt. Het recht op een dergelijke rolstoel kan in die situaties ingevuld worden via een rolstoelpool waarop de betrokkene een beroep op kan doen.

Hierdoor wordt voorkomen dat een groot aantal rolstoelen weinig frequent wordt gebruikt. De rolstoelen uit de rolstoelpool worden daarentegen wel frequent gebruikt. Uiteraard moet het daadwerkelijk mogelijk zijn een rolstoel uit de pool te lenen. De pool moet dan ook voldoende geschikte rolstoelen op voorraad hebben.

Artikel 22 Rolstoel- of andere sportvoorziening

Een rolstoel- of andere sportvoorziening, uitsluitend te verstrekken als een forfaitaire vergoeding, zal verstrekt worden als zonder de sportrolstoel sportbeoefening niet mogelijk is of zal zijn. Daarbij dient onder het begrip sportrolstoel uitsluitend een sportrolstoel verstaan te worden. Voorbeelden van andere sportvoorzieningen zijn de handbike en de monoski.

Artikel 23 Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor AWBZ-bewoners

Recht op een op grond van de AWBZ verstrekte rolstoel aan AWBZ-bewoners bestaat alleen indien de AWBZ-bewoner zowel de AWBZ-functie “verblijf”, als de functie “behandeling” geniet in één en dezelfde erkende AWBZ-instelling. Als een AWBZ-bewoner niet aan deze voorwaarde voldoet, is er ook geen recht op een AWBZ-rolstoel, en zal er door de gemeente een rolstoel moeten worden verstrekt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

Onduidelijkheid kan ontstaan, wanneer een instelling met alleen erkenning voor de AWBZ-functie “verblijf” (bijvoorbeeld een verzorgingshuis) de AWBZ-functie “behandeling” als het ware inkoopt bij een voor die functie wél erkende instelling. Het “verzorgingshuis met verpleegafdeling” is een veelvoorkomende situatie, waarin in de instelling wél beide AWBZ-functies kunnen worden “genoten”, maar de instelling zelf geen erkenning heeft voor beide AWBZ-functies, maar alleen voor de functie “verblijf”. Het gevolg is dat er geen recht op een AWBZ-rolstoel bestaat in een dergelijke situatie, juist omdat beide functies op die verpleegafdeling niet door één en dezelfde erkende AWBZ-instelling worden verzorgd, maar door twee verschillende AWBZ-instellingen, waarbij de ene instelling gebruik maakt van de erkenning van de andere instelling.

De vergoeding van kosten voor een verzekering is alleen van toepassing voor gemotoriseerde rolstoelen voor buitengebruik. Het gaat om een WA-verzekering.

Hoofdstuk VI Compensatie van de beperkingen bij het zich

lokaal Verplaatsen: de vervoersvoorzieningen

Artikel 24 Vormen van vervoersvoorzieningen

Lid 1

Louter de aantoonbare beperkingen van de persoon in relatie tot de beperkingen van de bestaande vervoerssystemen zijn bepalend zijn voor de vraag of, en zo ja in hoeverre de aanvrager in aanmerking komt voor een voorziening terzake.

Algemeen criterium om in aanmerking te kunnen komen voor een vervoermiddel is het ten gevolge van een beperking niet kunnen gebruiken van het openbaar vervoer. Die regel stamt uit de aan de Wet voorzieningen gehandicapten voorafgaande AAW, en wordt in de praktijk beoordeeld door te kijken naar de loopafstand van een aanvrager (de bekende 800-metergrens).

Doordat de streekbus, bijvoorbeeld voor iemand met een functionele beperking niet toegankelijk is, heeft men recht op een vervoersvoorziening. Psychische problemen (men durft niet in een drukke bus, men is bang voor de trein) zijn daardoor in principe geen indicatie voor een vervoersvoorziening. Hier moet een adequate voorziening getroffen worden. Deze kan wellicht beter gevonden worden buiten de wet, door middel van een therapie waardoor de blokkade opgeheven kan worden. Is in zo'n situatie de problematiek op te lossen, dan was de problematiek tijdelijk en viel deze derhalve terecht niet onder de wet, bij gebrek aan een langdurige noodzaak. Anders wordt het als blijkt dat het probleem niet therapeutisch opgelost kan worden. Dan is wel een langdurige noodzaak aanwezig en zou wel een vervoersvoorziening verstrekt kunnen worden.

Lid 2

Voorliggende voorziening voor de individuele vervoersvoorziening is het collectief vraagafhankelijk vervoer (de regiotaxi). Deze voorziening was in Lopik ook onder de Wvg al bekend. Toen kregen de personen die niet meer van het regulier openbaar vervoer gebruik konden maken maar (nog) wel van de regiotaxi een financiële tegemoetkoming in de vorm van een forfaitair bedrag. Dit bedrag konden zij gebruiken om met de regiotaxi te reizen maar desgewenst konden zij dit ook voor het vervoer met de eigen auto gebruiken. Dat gaat nu veranderen. De gemeente verstrekt aan degenen die daarvoor in aanmerking komen een pasje waarmee ze gebruik kunnen maken van de regiotaxi tegen openbaar vervoer tarief.

Individuele voorzieningen kunnen overigens ook in aanvulling op het gebruik van een collectief systeem (regulier openbaar vervoer of de regiotaxi) verstrekt kunnen worden. Dit is het geval wanneer het collectief systeem de vervoersbehoefte van de aanvrager die een aanspraak heeft, niet volledig dekt. Dit is volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep onder de Wvg van bijzonder belang bij mensen die slechts zeer beperkt mobiel zijn (mensen met een loopafstand van maximaal circa 100 meter). Alleen collectief vervoer is voor deze categorie mensen geen adequate voorziening.

Artikel 25 Soorten individuele vervoersvoorzieningen

Lid 1

Individuele voorzieningen in natura kunnen bestaan uit een diversiteit van vervoermiddelen, evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten.

Lid 2

Belangrijkste aanvulling ten opzichte van de Wet voorzieningen gehandicapten is het persoonsgebonden budget. De vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden budget door het college wordt in het Uitvoeringsbesluit uitgewerkt.

Artikel 26 Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen

Onder de Wvg is in de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep bepaald dat het stellen van een inkomensgrens voor een forfaitaire tegemoetkoming in vervoerskosten bij een inkomen van 1,5 x de bijstandsnorm niet in strijd was met de geldende zorgplicht. Iemand met een dergelijk inkomen wordt geacht de kosten van het lokaal vervoer of bezit en gebruik van een auto zelf te kunnen dragen. Er is een duidelijke relatie met het begrip “algemeen gebruikelijk”; indirect worden de kosten van vervoer in relatie tot het inkomen algemeen gebruikelijk geacht.

Artikel 27 Omvang in gebied en in kilometers

Onder de Wvg is de zorgplicht voor vervoer beperkt tot verplaatsingen in het kader van het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving; de wet spreekt nu in artikel 4 lid 1, onder c. over “het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel”. Dit lijkt nog beperkter te zijn dan de zorgplicht onder de Wet voorzieningen gehandicapten, maar aangezien met de Wet maatschappelijke ondersteuning niet is beoogd de reikwijdte van de Wvg te beperken of uit te breiden, is er geen reden om aan te nemen dat de alleen de letterlijk lokale verplaatsingen onder de wet zullen vallen. Vandaar dat in dit artikel, conform de onder de Wet voorzieningen gehandicapten gevormde jurisprudentie, wordt uitgegaan van de eigen woon- of leefomgeving, met als uitzondering de bovenregionale zorgplicht, zoals die ook in de Wvg-jurisprudentie is omschreven.

Sinds maart 2002 houdt de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep onder de Wet voorzieningen gehandicapten in dat een vervoersvoorziening of een combinatie van voorzieningen de mogelijkheid moet bieden om op jaarbasis minimaal 1.500 kilometer af te leggen. Lopik houdt een maximum van 3.500 km aan.

Hoofdstuk VII Compensatie van de beperkingen die een

mantelzorger ondervindt

Artikel 28 Beperkingen in maatschappelijke participatie

Respijtzorg kan bestaan uit:

  • a.

    Ondersteuning om de mantelzorger de mogelijkheid te bieden te herstellen van overbelasting t.g.v. zijn taak als mantelzorger. Voorzover de algemene voorzieningen zoals cursussen, lotgenotencontact en dergelijke onvoldoende blijken te zijn, kan er op maat een individuele voorziening worden geboden. bijvoorbeeld in de vorm van een arrangement. Deze individuele voorziening wordt verstrekt aan de mantelzorger die in Lopik woont. Dit geldt ook wanneer de zorgbehoevende zelf buiten Lopik woont;

  • b.

    Vormen van tijdelijke overname van de zorg om de mantelzorger te ontlasten. Deze voorziening wordt verstrekt aan de zorgbehoevende. De vervangende zorg kan in de thuissituatie plaats vinden of in een instelling of logeerhuis.Wanneer het gaat om hulp bij het huishouden, wordt een voorziening toegekend volgens hoofdstuk 3 van deze verordening. Wanneer het gaat om een AWBZ-voorziening, biedt de gemeente zo nodig verwijzing.

Hoofdstuk VIII Het verkrijgen van individuele voorzieningen

Artikel 29 Gebruik aanvraagformulier

In artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk wordt ingediend, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Dat betekent dat er altijd een eerste handeling van de kant van de aanvrager noodzakelijk is: er moet eerst een aanvraag worden ingediend.

In dit artikel is bepaald dat de aanvraag plaats dient te vinden op een daartoe beschikbaar gesteld aanvraagformulier. Als dat niet of niet volledig is gebeurd, zal het college de aanvrager verzoeken om binnen een bepaalde termijn alsnog het aanvraagformulier in te vullen dan wel de ontbrekende gegevens aan te vullen.

Artikel 30 Indienen van de aanvraag

Op basis van het amendement-Mosterd c.s. (kamerstuk nr. 30 131-54 ) is in artikel 5, lid 2, onder a. van de wet opgenomen dat de gemeenteraad bij verordening regels moet vaststellen over de wijze waarop de toegang tot individuele voorzieningen in samenhang met voorzieningen op het gebied van wonen en zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is geregeld.

In deze door de raad vast te stellen verordening wordt volstaan met het aanwijzen van een Wmo-loket waarbij de nadere uitwerking daarvan via het college geregeld zal worden.

Artikel 31 Inlichtingen, onderzoek, advies

Lid 1

Het college is bevoegd om de aanvrager op te roepen,hem vragen te stellen en een deskundige bij het onderzoek te betrekken. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn van de aanvraag.

Lid 2

Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht, geeft in een vijftal artikelen enige algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3:5 lid 1 Algemene wet bestuursrecht geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt: een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan.

In tegenstelling tot hetgeen er was bepaald in de Wet voorzieningen gehandicapten is in de wet niet geregeld dat er een adviseur benoemd moet worden. Advies zal in het kader van de uitvoering van de wet echter onontbeerlijk zijn. Het college zal daarom voor zover nodig adviseurs aanwijzen om in het kader van de wet advies uit te brengen, waarbij het streeft naar een deskundige en hoogwaardige intake door de gemeentelijke medewerkers zelf.

Om zich een oordeel te kunnen vellen over de mate van beperkingen vraagt het college een adviesinstantie om advies indien bij de aanvraag sprake is van nieuwe cliënten onder de 65 jaar of een complexe medische situatie. Advies wordt indien gewenst gevraagd wanneer het een eerste aanvraag door de betrokkene betreft. Dit bijvoorbeeld om te kunnen beoordelen of het wellicht om een progressief ziektebeeld gaat, waarbij vooruitlopend op dit proces reeds eerder ingrijpender maatregelen getroffen dienen te worden dan op het moment van de aanvraag nodig lijkt.

Doorslaggevend is echter dat vanaf het begin duidelijk geobjectiveerd wordt wat er medisch gezien speelt bij de betrokken aanvrager. Het spreekt voor zich dat bij overgang van AWBZ en Wvg naar deze wet voor diegenen die al een voorziening hadden niet gesproken wordt van eerste aanvraag. Van eerste aanvraag wordt gesproken als een aanvrager in zijn geheel niet bekend is bij deze wet.

Tot slot vraagt het college advies, indien dit overigens gewenst wordt geacht. Het zal duidelijk zijn dat hier een scala aan argumenten op te voeren valt. Door deze bepaling is het echter te allen tijde mogelijk om advies te vragen. Het is verstandig hierbij te (kunnen) motiveren waarom advies gevraagd wordt, met het oog op een eventuele beroepsprocedure, waarin dit een rol zou kunnen spelen.

Bij een aanvraag waar medische omstandigheden/argumenten een belangrijke rol spelen wordt altijd advies van de medisch adviseur opgevraagd, tenzij de aard, omvang en prognose van beperkingen duidelijk en onomstreden is. Dit om de aanvrager niet aan een onnodig onderzoek bloot te stellen en de besluitvorming te bespoedigen.

Met name wanneer de aard van de aandoening niet echt duidelijk is, is advies onontbeerlijk; soms kan een op het oog eenvoudige aanvraag leiden tot een stroom van verdere aanvragen, zonder dat duidelijk is wat iemand mankeert. Dat kan bij verstrekking van voorzieningen zelfs tot invaliderende effecten voor de aanvrager (contra-indicatie) en onnodige kosten voor de gemeente leiden. Dit probleem speelt in het bijzonder bij een aantal zogeheten (medisch) moeilijk objectiveerbare aandoeningen (m)moa’s.

Lid 3:

Deze bepaling spreekt voor zich; het is duidelijk dat informatie over de medische toestand, het inkomen, de woonsituatie en allerlei andere gegevens noodzakelijk kunnen zijn om een aanvraag te kunnen beoordelen. Het in artikel 30 genoemde aanvraagformulier voorziet hierin.

Uiteraard zal het college niet méér informatie opvragen dan noodzakelijk is voor het nemen van een besluit op de aanvraag. Weigert de aanvrager echter de voor het nemen van het besluit noodzakelijke gegevens te verstrekken, dan rest het college niets anders dan de aanvraag volgens de procedure van artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling te laten.

Ten aanzien van het omgaan met de – vaak privacygevoelige – gegevens moet het college rekening houden met de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp).

Lid 4

Bij de inventarisatie van de beperkingen en de advisering wordt door het college en de adviseur gebruik gemaakt van de zogenoemde ICF-classificatie van de Wereld Gezondheidsorganisatie. Dit op uitdrukkelijk verzoek van de (landelijke) cliëntenorganisaties. Ook in de toelichting op amendement 65, wordt dit uniforme begrippenkader van harte aanbevolen.

Het college onderschrijft deze aanbevelingen onder andere omdat bij de indicatiestelling van de diverse functies in de AWBZ deze classificatie ook wordt gehanteerd. Het gebruik van de ICF-classificatie zal daarom de bij wet voorgeschreven afstemming tussen de AWBZ en de Wmo vergemakkelijken.

Artikel 32 Samenhangende afstemming

In artikel 5, lid 2, onder b. van de wet is vastgelegd dat de raad in de verordening bepaalt op welke wijze de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend afgestemd wordt op de situatie van de aanvrager. Deze bepaling is bedoeld om, naast de toepassing van algemene bestuursrechtelijke zorgvuldigheidseisen, de inhoud van de voorzieningen zelf, vanuit cliëntperspectief, in samenhang te bezien.

Artikel 33 Wijzigingen in de situatie

Het spreekt voor zich dat wijzigingen in de situatie gemeld dienen te worden in al die gevallen dat zij van invloed zijn of kunnen zijn op de verstrekte of te verstrekken voorzieningen.

In het geval het college reden heeft om aan te nemen dat de situatie gewijzigd is of zal worden, hetzij op grond van de melding door betrokkene zelf, hetzij uit andere hoofde, is het college bevoegd om inlichtingen in te winnen, onderzoek te verrichten en dergelijke (vgl. artikel 31).

Artikel 34 Intrekking van een besluit tot verlening van een voorziening

Duidelijk is, dat verstrekking van voorzieningen gebonden is aan voorwaarden. Het is in verband met het kenbaarheidsvereiste, verwoord in de passage “waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed zijn of kunnen zijn op het recht op een voorziening”, van groot belang om de beschikkingsvoorwaarden duidelijk te vermelden in een beschikking.

Om misverstanden zoveel mogelijk te voorkomen, zal het college belanghebbende uitdrukkelijk en in een vroegtijdig stadium wijzen op de voorwaarden en verplichtingen die het recht op de voorziening met zich meebrengen. Een en ander wordt ook in de beschikking opgenomen. Daarnaast wordt in de beschikking ook expliciet gewezen op de verplichting om wijzigingen in de situatie aan het college door te geven.

Artikel 35 Terugvordering

De wet bevat geen bepalingen omtrent terugvordering van voorzieningen, hetgeen reden is om deze mogelijkheid op te nemen in de verordening, omdat er anders geen juridische basis is om voorzieningen terug te vorderen. Indien er, naar later blijkt, ten onrechte is uitbetaald of geleverd (voorziening in natura) is, kan het college de voorziening geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Het besluit tot herziening van het recht op de voorziening en de daaraan gekoppelde terugvordering biedt echter geen executoriale titel, zoals bijvoorbeeld in de Wet werk en bijstand het geval is bij terugvordering. Er is wel sprake van een civielrechtelijke vordering op grond van onverschuldigde betaling waarvoor het Burgerlijk Wetboek, boek 6 artikel 203 e.v. de wettelijke basis biedt. Aan de gerechtelijke procedure zijn kosten verbonden, met name in gevallen waarin de vordering hoger is dan € 5.000,- en dus een procedure met procureurstelling bij de rechtbank noodzakelijk is. Bij lagere bedragen kan een eenvoudige dagvaardingsprocedure bij de kantonrechter gevolgd worden, zonder verplichte procureurstelling.

Het ligt voor de hand dat van de terugvorderingsmogelijkheid in ieder geval gebruik wordt gemaakt indien er aan de zijde van de aanvrager sprake is van verwijtbaarheid.Wanneer deze dus bewust verkeerde gegevens heeft verstrekt, bijvoorbeeld over zijn inkomen. Ook kan terugvordering van een voorziening in natura aan de orde zijn wanneer de aanvrager in gebreke blijft zijn eigen bijdrage binnen de gestelde termijn en na aanmaning te voldoen.

Wanneer blijkt dat een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget binnen zes maanden na de uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor deze is verleend, kan deze betaling ook worden teruggevorderd. Het gaat hierbij om voorzieningen waarbij de uitbetaling van de tegemoetkoming of de vergoeding aan de aanschaf van de voorziening voorafgaat. Bij woningaanpassingen zal dit in de regel niet voorkomen omdat de uitbetaling pas dan plaatsvindt nadat de woningaanpassing is uitgevoerd. Artikel 35 is dus niet van toepassing op woningaanpassingen.

Hoofdstuk IX Slotbepalingen

Artikel 36 Hardheidsclausule

Artikel 36 bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager kan afwijken van de bepalingen van deze verordening, en dus niet van de in de wet zelf genoemde bepalingen. Zonodig wordt hierbij advies ingewonnen. Dit afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokken persoon met beperkingen of de eigenaar van de woonruimte.

Bij de woningeigenaar, bijvoorbeeld een corporatie kan gedacht worden aan een situatie waar het van belang is dat een woonruimte ook langer dan zes maanden leeg staat, omdat bijvoorbeeld bekend is dat een persoon met beperkingen voor wie de aangepaste woning uitermate geschikt is, op het punt staat om uit een revalidatiecentrum te worden ontslagen. In die gevallen kan het doelmatiger zijn om een langere periode een tegemoetkoming in de huurderving te verstrekken. Verder is met nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een regel. Het college moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt afgeweken.

Indien de hardheidsclausule in bepaalde gevallen relatief vaak moet worden toegepast, kan dit voor het college aanwijzing zijn dat de verordening en/of de beleidsregels moeten worden aangepast.

Artikel 37 Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet voorziet

Dit artikel geeft het college de mogelijkheid in alle niet-voorziene situaties naar bevind van zaken te handelen. Anders dan de hardheidsclausule van artikel 36, waar het om mogelijke afwijking van de verordening gaat, heeft dit artikel een aanvullende werking ten aanzien van de verordening.

Het college informeert de gemeenteraad tenminste eenmaal per jaar over de toepassing van dit artikel omdat veelvuldige toepassing ook hier aanleiding kan zijn voor aanpassing van de verordening.

Artikel 38 Mandaat aan CIZ

Is geschrapt

Artikel 39 Indexering

Deze bepaling, maakt het mogelijk alle bedragen die in het Uitvoeringsbesluit worden genoemd, te indexeren. Indexering voor de meeste van de op deze verordening gebaseerde normbedragen vindt plaats volgens het CBS-prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie. De Algemene Maatregel van Bestuur bepaalt in artikel 4.4, lid 1 dat ook de bedragen van de eigen bijdragen jaarlijks aan de hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie worden gewijzigd bij ministeriële regeling. Het ligt voor de hand wijzigingen in bedragen in deze verordening tegelijkertijd hiermee door te voeren.

Artikel 40 Tevredenheidsonderzoek

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 9 van de wet houdt het college jaarlijks een onderzoek naar de tevredenheid van vragers van maatschappelijke ondersteuning. De uitkomsten van dit onderzoek worden jaarlijks gepubliceerd en kunnen voor het college aanleiding zijn om de verordening en/of de beleidsregels aan te passen.

Vooral in de eerste jaren zal dit onderzoek een belangrijke graadmeter zijn voor het college en de raad.

Artikel 41 Evaluatie

Op grond van dit artikel wordt het gemeentelijk beleid uiterlijk twee jaar na inwerkingtreding van deze verordening geëvalueerd, daarna tenminste eenmaal per vier jaar. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt deze verordening aangepast.

Dat beleid omvat zowel het algemene beleid, zoals door de gemeenteraad neergelegd in de Visienota en de verordening, als het uitvoeringsbeleid, dat onder de bevoegdheid van het college is neergelegd in beleidsregels. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft, bijvoorbeeld omdat het voorzieningenniveau te hoog of te laag blijkt te zijn, dient de evaluatie te leiden tot aanpassing van de verordening of van de beleidsregels.

Tevens zendt het college jaarlijks na de inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een verslag over de werking van de verordening in de praktijk.

Artikel 42 Overgangsregeling bestaande aanspraken Wvg

In artikel 40 van de wet staat de overgangsregeling voor de Wvg. Deze wordt in de verordening niet integraal overgenomen, maar is uiteraard wel van toepassing.

Personen die op het moment van inwerkingtreding van deze verordening nog rechten op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten genieten, behouden gedurende de looptijd van de beschikking hun oude rechten en plichten.

Alle personen die een vervoersvoorziening Wvg hebben zijn schriftelijk geïnformeerd over het feit dat de wet gaat veranderen. De looptijd van de beschikkingen is tot uiterlijk 1 januari 2008, waarmee de wettelijke (maximale) overgangstermijn is acht is genomen.

Bij beschikkingen met een kortere looptijd, zal na verstrijken van de indicatieduur een heronderzoek plaatsvinden.

Artikel 43 Overgangsregeling bestaande aanspraken AWBZ

In artikel 41 van de wet staat de overgangsregeling voor de AWBZ. Deze wordt in de verordening niet integraal overgenomen, maar is uiteraard wel van toepassing, voorzover daarvan niet (kan alleen ten ten gunste van de aanvrager) wordt afgeweken.

Het gaat daarbij met name om de

is ersoonsgebonden budget (PGB)o

ersoonsgebonden budget . Ook Lopik kiest daar voor.

Lopik

Lopik

neemt haar het Uitvoeringsbesluit.