Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Maasgouw

Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasgouw houdende nadere regels omtrent maatschappelijke ondersteuning (Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Maasgouw 2020)

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieMaasgouw
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingBesluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasgouw houdende nadere regels omtrent maatschappelijke ondersteuning (Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Maasgouw 2020)
CiteertitelNadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Maasgouw 2020
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze regeling vervangt het Besluit maatschappelijke ondersteuning maatwerkvoorzieningen gemeente Maasgouw 2016.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Onbekend

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-2020nieuwe regeling

17-12-2019

gmb-2019-316568

Tekst van de regeling

Intitulé

Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasgouw houdende nadere regels omtrent maatschappelijke ondersteuning (Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Maasgouw 2020)

Het college besluit:

  • 1.

    de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Maasgouw 2020 vast te stellen per 1 januari 2020;

  • 2.

    de Nadere regels Jeugdhulp gemeente Maasgouw 2020 vast te stellen per 1 januari 2020;

  • 3.

    de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Maasgouw 2020 vast te stellen per 1 januari 2020;

  • 4.

    het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Maasgouw 2016 per 1 januari 2020 in te trekken;

  • 5.

    de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Maasgouw 2016 per 1 januari 2020 in te trekken;

  • 6.

    De Nadere regels Jeugdhulp gemeente Maasgouw 2018 per 1 januari 2020 in te trekken;

  • 7.

    Het college neemt besluiten 1 tot en met 4 onder het voorbehoud dat de raad op 17 december 2019 de Verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Maasgouw 2020 vaststelt.

 

Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Maasgouw 2020

 

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1. Begrippen

  • 1.

    In deze nadere regels betekent:

    • a.

      chronische ziekte: een langdurige lichamelijke of geestelijke aandoening, waarbij geen uitzicht is op volledige genezing;

    • b.

      huishouden: de gehuwden/samenwonenden, de alleenstaande, of de alleenstaande ouder, zoals staat in artikel 3 en 4 van de Participatiewet;

    • c.

      laag inkomen: een inkomen dat minder of gelijk is aan 130% van de toepasselijke bijstandsnorm alleenstaande (ouder) of gehuwden, volgens artikel 22 onder a en b van de Participatiewet. De kostendelersnorm van artikel 22a van de Participatiewet is voor de vaststelling van het lage inkomen niet van toepassing;

    • d.

      meerkosten: de directe en indirecte extra kosten van de belanghebbende door een chronische ziekte;

    • e.

      sociaal netwerk: personen zoals staat in artikel 9 lid 4 sub a onderdeel 4 en 5 van de verordening;

    • f.

      tegemoetkoming: een financiële bijdrage;

    • g.

      verordening: de Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Maasgouw 2020;

    • h.

      wet: de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • i.

      zorgplan: plan dat de aanbieder moet opstellen voor de start van de ondersteuning, waarin een beschrijving van de doelen van de behandeling omschreven staat;

    • j.

      zorgvrager: inwoner die zorg, hulp of ondersteuning ontvangt van een mantelzorger.

  • 2.

    Alle begrippen die in dit besluit staan en die geen nadere beschrijving hebben, betekenen hetzelfde als in de verordening, de wet en/of de Algemene wet bestuursrecht.

Hoofdstuk 2. Melding en onderzoek

Artikel 2. Melding van de hulpvraag

  • 1.

    Een cliënt kan de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning melden bij het college. De melding is ook mogelijk namens de cliënt.

  • 2.

    Het college bevestigt, behalve als de cliënt hier geen behoefte aan heeft, de ontvangst van een melding schriftelijk. Het college wijst de cliënt voor de start van het onderzoek op de mogelijkheid om gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. De cliënt kan de cliëntondersteuning ook gebruiken om de ondersteuningsbehoefte beter duidelijk te maken.

Artikel 3. Gesprek

  • 1.

    Na ontvangst van de melding volgt het onderzoek met een gesprek. Dit gesprek vindt niet plaats in spoedeisende gevallen of als het college een gesprek niet nodig vindt, al dan niet na overleg met de cliënt.

  • 2.

    Voor zover een aanbieder al betrokken is bij de cliënt, kan deze bij het gesprek aanwezig zijn.

  • 3.

    Huisgenoten van de cliënt moeten de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet.

  • 4.

    Als het van belang is voor het onderzoek kan het college, onverminderd artikel 2.3.8 van de wet:

    • a.

      de cliënt, en bij gebruikelijke hulp zijn huisgenoten, oproepen om persoonlijk te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip voor een gesprek;

    • b.

      de cliënt, en bij gebruikelijke hulp zijn huisgenoten, oproepen persoonlijk te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip voor een gesprek en/of onderzoek door een of meer daarvoor aangewezen deskundigen.

Artikel 4. Onderzoek

  • 1.

    Het college onderzoekt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van de melding en voor zover nodig in aansluiting op artikel 2.3.2 lid 4 en artikel 2.3.5, lid 3 en lid 4 van de wet:

    • a.

      wat de precieze hulpvraag van de cliënt is;

    • b.

      welke problemen de cliënt heeft bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, of het zich kunnen handhaven in de samenleving;

    • c.

      welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de cliënt of het zich kunnen handhaven in de samenleving;

    • d.

      of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden;

    • e.

      of en in hoeverre specifieke deskundigheid moet worden ingeschakeld;

    • f.

      wat het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning moet zijn en binnen welke termijn dit resultaat moet zijn behaald.

  • 2.

    Als de cliënt een persoonlijk plan, zoals staat in artikel 2.3.2 lid 2 van de wet, aan het college geeft, betrekt het college dat plan bij het onderzoek op grond van lid 1.

Artikel 5. Onderzoeksverslag

  • 1.

    Na afloop van het onderzoek verstrekt het college aan de cliënt of zijn vertegenwoordiger een schriftelijk verslag van de uitkomsten van het onderzoek (het onderzoeksverslag).

  • 2.

    De cliënt ondertekent het onderzoeksverslag en zorgt ervoor dat een getekend exemplaar binnen 14 dagen wordt geretourneerd aan de contactpersoon waarmee hij het gesprek heeft gevoerd.

  • 3.

    Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het onderzoeksverslag toegevoegd.

Artikel 6. Aanvraag

  • 1.

    De cliënt of zijn vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening indienen door een aanvraagformulier in te vullen en te ondertekenen, of door ondertekening van het onderzoeksverslag.

  • 2.

    Als de cliënt op basis van het onderzoeksverslag niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, heeft de cliënt het recht om toch een aanvraag voor een maatwerkvoorziening in te dienen.

  • 3.

    De dag waarop de in lid 1 genoemde ondertekende aanvraag is ontvangen door het college geldt als aanvraag-datum.

  • 4.

    Het college kan zo nodig een nieuw onderzoek starten als de cliënt de aanvraag later dan vier weken, nadat het onderzoeksverslag aan de cliënt is verzonden, ondertekend retourneert.

Hoofdstuk 3. Maatwerkvoorzieningen

Artikel 7. Aanvullende criteria en voorwaarden voor een maatwerkvoorziening

  • 1.

    Het college kent aan een cliënt een maatwerkvoorziening voor het vervoer toe als hij, op basis van zijn beperkingen, het openbaar vervoer niet kan bereiken of gebruiken.

  • 2.

    Het college kent alleen een maatwerkvoorziening voor het vervoer in de vorm van een individuele voorziening toe, als de cliënt voldoende verkeersinzicht heeft om veilig aan het verkeer deel te kunnen nemen. Het college kan hiertoe een rijvaardigheidsproef laten afnemen door een deskundige.

  • 3.

    Het college kent alleen een maatwerkvoorziening toe in de vorm van een sportvoorziening, wanneer hij als gevolg van zijn beperkingen niet kan deelnemen aan een sport en er geen of onvoldoende andere participatiemogelijkheden zijn.

  • 4.

    Bij een toekenning van een maatwerkvoorziening voor een zaak die hij in bruikleen krijgt, geldt als voorwaarde dat de cliënt voor de maatwerkvoorziening de bruikleenovereenkomst aangaat die door het college is vastgesteld.

Hoofdstuk 4. Persoonsgebonden budget (pgb)

Artikel 8. Regels voor pgb: algemeen

  • 1.

    Toekenning van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb vindt alleen plaats op basis van een gemotiveerd verzoek van de cliënt of zijn vertegenwoordiger, door indiening van een budgetplan bij de aanvraag.

  • 2.

    Uit het budgetplan moet blijken:

    • a.

      wat de hulpvraag is en wat de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie zijn;

    • b.

      op welke wijze de ondersteuning zal bijdragen tot de doelen, waarvoor de maatwerkvoorziening bedoeld is;

    • c.

      welke maatwerkvoorziening met het pgb zal worden aangeschaft of ingekocht;

    • d.

      waarom de cliënt een pgb wenst;

    • e.

      dat cliënt in staat is, of met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, om als opdrachtgever op te treden, aanbieders uit te kiezen, een zorgovereenkomst met ondersteuners te sluiten, werkbriefjes en rekeningen goed te keuren en de kwaliteit van de ondersteuning te beoordelen;

    • f.

      hoe en door wie de cliënt de maatwerkvoorziening wil laten realiseren, en hoe hij tot deze keuze is gekomen;

    • g.

      hoe de kwaliteit van de ondersteuning en de aanbieder wordt gewaarborgd.

  • 3.

    Het pgb mag niet besteed worden aan de bemiddeling bij het aanvragen van een voorziening of aan het administratieve beheer van het pgb. Er is geen sprake van een vrij besteedbaar bedrag.

  • 4.

    Het pgb voor diensten kan enkel worden besteed door declaratie achteraf van de daadwerkelijk geleverde uren ondersteuning, op basis van een overeengekomen uurtarief. Gebruik van een maandloon is daarbij niet toegestaan.

  • 5.

    De cliënt is niet toegestaan om het administratieve beheer van het pgb en tegelijkertijd de levering van de maatwerkvoorziening uit te besteden aan dezelfde organisatie of persoon.

  • 6.

    De cliënt en zijn vertegenwoordiger overleggen bij het budgetplan een schriftelijke machtiging en verklaring dat het beheer van het pgb op verantwoorde wijze wordt uitgevoerd.

  • 7.

    In geval van pgb voor aanpassing van een bestaande zaak, waarvan het als algemeen gebruikelijk wordt beschouwd dat deze verzekerd is, wordt geen aanvullend pgb verstrekt voor de (meer)kosten van de verzekering.

  • 8.

    Bij het bepalen van de hoogte van het pgb voor een maatwerkvoorziening voor het wonen in de vorm van een woningsanering, wordt rekening gehouden met de reeds verlopen afschrijvingsperiode:

    • a.

      -100% indien het artikel niet ouder is dan twee jaar;

    • b.

      -75% indien het artikel tussen de twee en vier jaar oud is;

    • c.

      -50% indien het artikel tussen de vier en zes jaar oud is;

    • d.

      -25% indien het artikel tussen de zes en acht jaar oud is;

    • e.

      -0% indien het artikel ouder is dan tien jaar.

  • 9.

    De cliënt die een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb voor een zaak is toegekend, legt binnen zes weken na aanschaf of realisatie van de voorziening verantwoording af over de besteding van het pgb. Hiertoe overlegt de cliënt aan het college de factuur dan wel het betalingsbewijs van de aangeschafte voorziening.

  • 10.

    In bijlage 1 van dit besluit zijn de pgb tarieven opgenomen, die volgen uit artikel 9 lid 4 van de verordening.

Artikel 9. Regels voor pgb: kwaliteit

  • 1.

    Bij diensten geleverd door anderen dan personen uit het sociaal netwerk moet de aanbieder aan de volgende voorwaarden voldoen:

    • a.

      de organisatie of (zelfstandig) ondernemer dient als aanbieder van ondersteuning in de zin van de wet ingeschreven te zijn bij de Kamer van Koophandel;

    • b.

      de organisatie of ondernemer voldoet aan de eisen van de kwaliteit, zoals gesteld in hoofdstuk 3 van de wet en in artikel 14 van de verordening;

    • c.

      De organisatie of ondernemer voldoet aan de eisen van goed zelfstandig ondernemerschap, en:

      • 1.

        heeft vervangingsplannen in geval van ziekte;

      • 2.

        voert de noodzakelijke administraties;

      • 3.

        werkt conform arbeidstijdenbesluit en indien deze niet van toepassing is maximaal 40 uur per week.

    • d.

      de organisatie of ondernemer voldoet aan de normen voor verantwoorde zorg, zoals die voor de branche gelden;

    • e.

      er wordt gebruik gemaakt van een zorgplan met begeleidingsdoelen en termijnen als onderdeel van verantwoorde zorg en dit plan is afgestemd op de persoonlijke situatie van de cliënt waarbij rekening is gehouden met zijn persoonskenmerken;

    • f.

      cliëntbetrokkenheid en continuïteit van zorg maakt onderdeel uit van de bedrijfsvoering.

    • g.

      er is systematische kwaliteitsbewaking;

    • h.

      de (door de aanbieder in het kader van de geboden voorziening aangewezen) beroepskracht is vakbekwaam en heeft de diploma’s die noodzakelijk zijn voor een doeltreffende en efficiënte ondersteuning van specifieke cliënt;

    • i.

      de beroepskrachten, vrijwilligers en ervaringswerkers beschikken over een verklaring omtrent het gedrag volgens artikel 28 van de Wet Justitiële en strafvorderlijke gegevens, die niet ouder is dan zes maanden voor het tijdstip waarop betrokkene voor de organisatie of ondernemer ging werken;

    • j.

      de organisatie of ondernemer beschikt over een meldcode voor huiselijk geweld en kindermishandeling;

    • k.

      de organisatie of ondernemer meldt alle calamiteiten en geweldsincidenten bij de door het college aangewezen toezichthoudend ambtenaar.

    • l.

      er zijn geen feiten of omstandigheden bekend waarbij de organisatie of de ondernemer onprofessioneel gehandeld hebben, ondeskundige zorg hebben verleend en/of gehandeld hebben in strijd met relevante regelgeving waardoor niet voldaan wordt aan artikel 2.3.6 lid 2 van de wet.

  • 2.

    Bij diensten geleverd door personen uit het sociaal netwerk dient aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan:

    • a.

      deze persoon beschikt over een verklaring omtrent het gedrag volgens artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, die niet ouder is dan zes maanden voor het tijdstip waarop betrokkene start met de uitvoering van de betreffende ondersteuning;

    • b.

      deze persoon dient in staat te zijn om de gevraagde ondersteuning en kwaliteit te bieden;

    • c.

      er zijn geen aanwijzingen dat de persoon die de ondersteuning moet bieden overbelast is of dreigt te geraken;

    • d.

      er is een zorgplan met vermelding van begeleidingsdoelen en termijnen;

    • e.

      er is een afspraak over het melden van calamiteiten en geweld.

  • 3.

    Bij ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening Hulp bij het huishouden geldt voor ZZP’ers of freelancers, in afwijking van het gestelde in artikel 9 lid 4 sub a onderdeel 2 van de verordening, dat deze hiervoor niet gediplomeerd hoeven te zijn.

  • 4.

    Als de cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb voor een zaak, kan het college een programma van eisen vaststellen. Het programma van eisen bevat de inhoudelijke (kwaliteits)eisen aan de voorziening. De door de cliënt te betrekken voorziening dient te voldoen aan het programma van eisen.

Artikel 10. Regels voor pgb: vaardigheden

  • 1.

    Als de cliënt een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wenst, wordt getoetst of de cliënt voldoende in staat is om op eigen kracht, of met behulp van zijn vertegenwoordiger of sociaal netwerk:

    • a.

      zijn eigen belangen te behartigen;

    • b.

      de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren.

  • 2.

    De toets volgens lid 1 wordt uitgevoerd aan de hand van het gesprek als bedoeld in artikel 3 en/of het ingevulde budgetplan.

  • 3.

    Toetsing van de vaardigheden vindt plaats op de volgende onderdelen, waarbij beoordeeld wordt of de cliënt:

    • a.

      de eigen situatie overziet en een duidelijk beeld heeft van de ondersteuningsvraag;

    • b.

      op de hoogte is van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb;

    • c.

      in staat is om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden;

    • d.

      voldoende vaardig is om te communiceren met de gemeente, zorgverzekeraar of het zorgkantoor, de SVB en aanbieders;

    • e.

      in staat is om zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een aanbieder te kiezen;

    • f.

      in staat is om afspraken te maken en vast te leggen, en om dit te verantwoorden aan verstrekkers van het pgb;

    • g.

      in staat is te beoordelen en beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is;

    • h.

      in staat is inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan in geval van verlof of ziekte;

    • i.

      in staat is om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners te contracteren, aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren;

    • j.

      Over voldoende (juridische) kennis beschikt over het werk- of opdrachtgeverschap, of weet deze kennis te vinden en te gebruiken.

  • 4.

    Als de cliënt ervoor kiest om het pgb beheer door een derde te laten uitvoeren, geldt dat deze derde:

    • a.

      onafhankelijk moet zijn van de organisatie of persoon die de voorziening levert, en

    • b.

      voldoende nabij de cliënt staat in de vorm van fysieke aanwezigheid en tijd.

Hoofdstuk 5. Waardering mantelzorgers

Artikel 11. Jaarlijkse waardering mantelzorgers

  • 1.

    Een blijk van waardering wordt door het college op verzoek verstrekt aan de mantelzorger indien aan onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

    • a.

      de mantelzorger verleent mantelzorg aan een zorgvrager die ingezetene is van de gemeente;

    • b.

      de mantelzorger staat geregistreerd bij het lokale steunpunt mantelzorg;

    • c.

      de mantelzorger verleent langer dan drie maanden en meer dan acht uur per week onbetaalde zorg aan een chronisch zieke, gehandicapte of hulpbehoevende partner, vriend(in), ouder, kind of ander familielid.

  • 2.

    De waardering kan verstrekt worden aan meerdere mantelzorgers per zorgvrager. Elke afzonderlijke mantelzorger dient dan aan alle voorwaarden onder lid 1 te voldoen.

  • 3.

    De jaarlijkse blijk van waardering bestaat uit een éénmalige geldelijke waardering ten bedrage van € 175,-.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 12. Afwijkingsbevoegdheid

Het college kan in bijzondere gevallen in het voordeel van de belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze nadere regels als door toepassing ervan de cliënt duidelijk onevenredig wordt benadeeld.

Artikel 13. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze nadere regels treden in werking met ingang van 1 januari 2020.

  • 2.

    Het Besluit maatschappelijke ondersteuning maatwerkvoorzieningen gemeente Maasgouw 2016 wordt per 1 januari 2020 ingetrokken.

  • 3.

    Deze nadere regels worden aangehaald als: Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Maasgouw 2020.

Bijlage 1 Tarieventabel pgb gemeente Maasgouw 2020

 

Tariefstructuur persoonsgebonden budget Wmo 2020

 

Begeleiding en kortdurend verblijf

Vervoer

Hulp bij het huishouden

Categorie

Ondersteuning door:

Berekeningswijze

BGI

BGG

KDV 1

Vervoer regulier

Vervoer rolstoel

HBH

A

Een professionele organisatie

100% van het laagste ZIN-tarief van het betreffende kalenderjaar.

€ 52,20 per uur

€ 34,65 per dagdeel

€ 83,72 per etmaal

€ 7,50 per dag

€ 20,93 per dag

 

€ 27,30

per uur

B

Een ZZP-er of freelancer

80% van het laagste ZIN-tarief van het betreffende kalenderjaar. 2

€ 41,76 per uur

€ 27,72 per dagdeel

€ 66,98 per etmaal

€ 7,50 per dag

€ 20,93 per dag

 

€ 21,84

per uur

C

Een zorgprofessional in loondienst

 

Begeleiding en kortdurend verblijf: 80% van het laagste ZIN-tarief van het betreffende kalenderjaar

 

Hulp bij huishouden: zie categorie D, aangezien hiervoor geen opleiding is vereist.

€ 41,76 per uur

n.v.t.

n.v.t. 3

n.v.t.

n.v.t.

       

n.v.t.

D

Een niet professional in loondienst

 

Maximaal het uurloon dat afgeleid is van het wettelijk minimumloon (inclusief vakantiegeld en vakantie-uren) per 1 juli van het voorafgaande kalenderjaar, vermeerderd met 3%, en daarna vermeerderd met 20% van dat loon ten behoeve van werkgeverslasten.

€ 15,17 per uur

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

       

€ 15,17

per uur

E

Naaste familie

Het uurloon dat is afgeleid van het wettelijk minimumloon (inclusief vakantiegeld) per 1 juli van het voorafgaande kalenderjaar, vermeerderd met 3%.

€ 11,67 per uur

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

   

€ 11,67

per uur

 

Toelichting

 

Algemeen

In de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Maasgouw 2020 staat dat de gemeenteraad aan het college de bevoegdheid geeft om nadere regels vast te stellen als uitwerking van de verordening.

 

In deze nadere regels geeft het college hieraan invulling.

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 1. Begrippen

Begrippen die in deze nadere regels worden gebruikt, sluiten aan bij de begrippen uit de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Maasgouw 2020 en de Algemene wet bestuursrecht. Voor een aantal begrippen die niet in deze regelgeving zijn beschreven is een eigen definitie gegeven.

 

Chronische ziekte:

Een chronische ziekte is een lichamelijke of geestelijke aandoening waarbij uitzicht op volledige genezing ontbreekt. Ook is er sprake van een relatief lange ziekteduur.

 

Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) onderscheidt vier typen chronische ziekten, gerelateerd aan de gesteldheid van de ziekte en het ziekteverloop:

  • 1.

    Levensbedreigende ziekten: kanker, beroerte;

  • 2.

    Aandoeningen die tot periodiek terugkerende klachten leiden: astma, epilepsie;

  • 3.

    Aandoeningen die progressief verslechteren en invaliderend van aard zijn: chronisch hartfalen,reumatoïde artritis;

  • 4.

    Chronische psychische stoornissen, zoals persoonlijkheidsstoornissen, angststoornissen ofstemmingsstoornissen.

Ondanks dat er veel diverse chronische ziekten zijn, zijn er wel gezamenlijke kenmerken:

  • Aanhoudend: er is geen zicht op algeheel herstel met het huidige aanbod van behandelingen;

  • Blijvende invaliditeit;

  • Langdurig en intensief zorggebruik: men wordt afhankelijk van zorg voor het dagelijkse functioneren;

  • Lichamelijke en geestelijke gevolgen, zoals depressie en lichamelijke klachten;

  • Er treedt stapsgewijs een toename van symptomen op.

 

Er is gekozen om zoveel mogelijk uit te gaan van een aantal indicaties om te bepalen of een aanvrager bij de doelgroep hoort. De gedachte hierachter is dat wanneer een belanghebbende een (of meer) van de aangegeven indicaties heeft, ervan uit mag worden gegaan dat hij of zij chronisch ziek is.

 

Het gaat om één van de onderstaande indicaties:

  • -

    een maatwerkvoorziening volgens de Wmo 2015 voor langer dan een half jaar, waarbij de belanghebbende een bijdrage in de kosten betaalt

  • -

    een indicatie voor de Wet langdurige zorg

  • -

    een indicatie voor de Zorgverzekeringswet voor persoonlijke verzorging.

Belanghebbende kan ook op een andere manier bewijzen dat hij of zij chronisch ziek is. Bijvoorbeeld door een door huisarts of medisch specialist ondertekende verklaring.

 

Laag inkomen:

De doelgroep bestaat uit huishoudens waarvan het huishoudinkomen, in het jaar waarover de tegemoetkoming wordt aangevraagd, (samen) minder of gelijk is aan 130% van de bruto bijstandsnorm voor een alleenstaande (ouder) of gehuwden/samenwonenden. Bij de berekening wordt de bijstandsnorm voor personen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt gebruikt.

 

Bij de berekening van het inkomen wordt bij gehuwden/samenwonenden rekening gehouden met het bruto jaarinkomen van beide partners samen. Bij de berekening van het inkomen bij de alleenstaande of alleenstaande ouders wordt uitgegaan van het bruto jaarinkomen van de alleenstaande of alleenstaande ouder. Er wordt geen rekening gehouden met het inkomen van inwonende meerderjarige kinderen of andere inwonende personen.

 

Met het begrip ‘huishouden’ worden de leefvormen bedoeld die staan in artikel 3 en 4 van de Participatiewet. Onder een huishouden kan dus worden verstaan een alleenstaande, een alleenstaande ouder of de gehuwden/samenwonenden met de minderjarige kinderen.

 

Personen uit deze huishoudens met een chronische ziekte komen één keer per jaar per persoon in aanmerking voor een tegemoetkoming in de meerkosten van een vast bedrag van € 200,-. Voor gehuwden of samenwonenden geldt dat partners los van elkaar een tegemoetkoming kunnen krijgen als ze chronisch ziek zijn.

 

Minderjarige kinderen met een chronische ziekte kunnen niet zelf een tegemoetkoming aanvragen. Dit moeten de ouders voor hen doen. Voor de beoordeling van het recht op tegemoetkoming voor de kinderen jonger dan 18 jaar wordt uitgegaan van het huishoudinkomen van de alleenstaande ouder of de gehuwden/samenwonenden. Het inkomen van de ouder(s)/verzorgende(n) waar het kind daadwerkelijk woont telt bij de beoordeling.

Als het bruto inkomen lager is dan 130% van de bijstandsnorm is er recht op een tegemoetkoming.

 

In 2019 zijn de bruto inkomensgrenzen (130% van de bijstandsnorm) per jaar:

  • Voor een alleenstaande (ouder): € 19.064,-.

  • Voor gehuwden of samenwonenden: € 26.190,-.

Deze inkomensgrenzen worden elk jaar verhoogd via de stijging van de landelijke bijstandsnormen in januari van dat jaar.

 

Tegemoetkoming:

Een vast bedrag als vergoeding voor de meerkosten.

 

Artikel 2. Melding van de hulpvraag

Het betreft een nadere uitwerking van artikel 3 van de verordening.

 

Artikel 3. Gesprek

Het betreft een nadere uitwerking van artikel 3 van de verordening. In lid 1 is bepaald dat het college kan afzien van het voeren van een gesprek. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn wanneer er sprake is van een relatief eenvoudige hulpvraag.

 

Artikel 4. Onderzoek

Het betreft een nadere uitwerking van artikel 3 van de verordening. Het in lid 1 opgenomen stappenplan vloeit voort uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 21 maart 2028, ECLI:NL:CRVB:2018:819).

 

Artikel 5. Onderzoeksverslag

Het betreft een nadere uitwerking van artikel 3 van de verordening.

 

Artikel 6. Aanvraag

Het betreft een nadere uitwerking van artikel 5 van de verordening.

 

Artikel 7. Aanvullende criteria en voorwaarden voor een maatwerkvoorziening

Het betreft een nadere uitwerking van artikel 6 en 7 van de verordening.

 

Artikel 8. Regels voor pgb: algemeen

Het betreft een nadere uitwerking van artikel 9 van de verordening. Volgens artikel 2.3.6 lid 2 van de wet, komt een cliënt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening, als:

  • -

    de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;

  • -

    de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen;

  • -

    naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.

Deze bepaling is in de verordening en in deze nadere regels verder ingevuld. Artikel 9 van deze nadere regels geeft een aantal algemene bepalingen die gelden bij pgb’s.

 

Lid 5

Vertegenwoordiger kan niet tevens hulpverlener zijn

Als de cliënt de aan een pgb verbonden beheerstaken uitvoert met hulp van de betrokken aanbieder, zijn personeel of op een andere wijze aan de aanbieder verbonden persoon, kan het college een aanvraag om een pgb weigeren op grond van belangenverstrengeling.

 

De cliënt moet op eigen kracht in staat zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen en ook de taken die aan een pgb verbonden zijn op verantwoorde wijze kunnen uitvoeren. Het betreft onder andere taken als het aangaan van een overeenkomst, het aansturen van de hulpverleners en het bijhouden van een administratie. Met hulp van een ondersteuner. zoals bijvoorbeeld kinderen of ouder(s) kan een cliënt dit ook op verantwoorde wijze uitvoeren. Maar als een hulpverlener tegelijkertijd ook het pgb beheert, waaruit hij bekostigd wordt, kan dit leiden tot belangenverstrengeling. Dit is ongewenst, omdat het belang van de hulpverlener niet boven dat van de cliënt mag gaan.

 

Uit rechterlijke uitspraken volgt dat een aanbieder geen gewaarborgde hulp kan zijn als hij wordt betaald uit het pgb dat hij beheert (zie bijvoorbeeld Rechtbank Gelderland 10 september 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:3911 en de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraken van 21 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1488 en 11 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:232).

 

Lid 7

Hierbij moet gedacht worden aan aanpassingen aan de auto of de woning van een cliënt. Nu voor deze zaken het algemeen gebruikelijk (in voorkomende gevallen zelfs wettelijk verplicht) is om een verzekering af te sluiten, wordt geen pgb verstrekt voor eventuele (meer)kosten van een verzekering.

 

Lid 8

Woningsanering wil zeggen dat vloerbedekking of gordijnen wegens medische reden (longaandoening of allergie) vervangen moet worden. De vervanging van de artikelen is niet uit te stellen.

Het vervangen van vloerbedekking of gordijnen ouder dan 10 jaar is algemeen gebruikelijk. Er wordt dan ook geen pgb meer verstrekt voor de vervanging, afgezien van eventuele meerkosten die specifiek betrekking hebben op de beperking.

 

Artikel 9. Regels voor pgb: kwaliteit

Het betreft een nadere uitwerking van artikel 9 van de verordening. Anders dan bij maatwerkvoorzieningen in de vorm van zorg in natura, is bij pgb de cliënt degene die afspraken maakt met de zorgaanbieder. Omdat in te zetten voorzieningen veilig, doeltreffend en kwalitatief goed moeten zijn (artikel 9 lid 2 sub b van de verordening), bevat dit artikel een aantal minimale eisen aan de in te zetten aanbieders.

 

Artikel 10. Regels voor pgb: vaardigheden

Het betreft een nadere uitwerking van artikel 9 van de verordening. Zoals in artikel 2.3.6 van de wet is beschreven, moet de cliënt, al dan niet met behulp van een derde, in staat zijn om zijn belangen te behartigen en de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Het college moet hiertoe een toets uitvoeren. Dit artikel vormt het kader om de pgb-vaardigheid te toetsen. De toets sluit aan bij het kader dat ontwikkeld is door de VNG, het ministerie van VWS, ZN en Per Saldo (zie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/zorg-en-ondersteuning-thuis/vraag-en-antwoord/pgb-vaardigheid).

 

Lid 2

De vaardigheden van de cliënt worden getoetst gedurende het gesprek en op grond van het budgetplan. Wanneer daar aanleiding toe is, kan het college een tweede gesprek voeren om de vaardigheden te toetsen. De cliënt moet hieraan medewerking verlenen.

 

Artikel 11. Jaarlijkse waardering mantelzorgers

Het betreft een nadere uitwerking van artikel 19 van de verordening. Mantelzorgers zijn van groot belang binnen de gemeente. In dit artikel is de procedure opgenomen om mantelzorgers een jaarlijkse blijk van waardering te geven. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, gaat het bij mantelzorg om vrijwillige en onbetaalde hulp of ondersteuning vanuit het sociaal netwerk (CRvB 11 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:17, CRvB 24 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:368 en CRvB 24 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3348).

 

Artikel 12. Afwijkingsbevoegdheid

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

 

Artikel 13. Inwerkingtreding en citeertitel

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.


1

In het pgb tarief is de tijdens het kortdurend verblijf noodzakelijke begeleiding, ondersteuning en huishoudelijke verzorging verdisconteerd.

2

Voor vervoer, waarvan de noodzaak apart is geïndiceerd, geldt dat het tarief overeenkomstig is aan het laagste vervoerstarief dat het college in natura heeft vastgesteld wanneer een cliënt daadwerkelijk wordt vervoerd.

3

In verband met regelgeving m.b.t. Wml kan geen pgb voor BGG en KDV worden verstrekt voor de categorieën C, D en E. Indien geen andere oplossing voorhanden is, wordt in overleg met de cliënt een oplossing op maat gezocht.