Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Maastricht

Uitvoeringsbesluit inkomstenvrijlating parttime werkzaamheden Participatiewet 2015

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieMaastricht
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingUitvoeringsbesluit inkomstenvrijlating parttime werkzaamheden Participatiewet 2015
CiteertitelUitvoeringsbesluit inkomstenvrijlating parttime werkzaamheden Participatiewet 2015
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerpHet stellen van nadere regels rondom het vrijlaten van inkomsten uit parttime werkzaamheden in het kader van de Participatiewet

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Regeling vervangt het uitvoeringsbesluit ontheffing plicht tot arbeidsinschakeling alleenstaande ouders en inkomstenvrijlating parttime werkzaamheden 2012

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Participatiewet

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

N.v.t.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-201501-07-2016Nieuwe regeling

16-12-2014

de Ster d.d. 19 december 2014

2014-42709

Tekst van de regeling

Intitulé

Uitvoeringsbesluit inkomstenvrijlating parttime werkzaamheden Participatiewet 2015

 

 

Uitvoeringsbesluit inkomstenvrijlating parttime werkzaamheden Participatiewet 2015

 

Hoofdstuk 1 Algemeen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit uitvoeringsbesluit wordt verstaan onder:

a.

college: college van burgemeester en wethouders;

b.

bijstandsnorm: de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c Participatiewet;

c.

grondslag: de voor de werkloze werknemer dan wel gewezen zelfstandige toepasselijke grondslag als bedoeld in artikel 5, derde tot en met het zevende lid, IOAW en artikel 5, vierde tot en met het zesde lid, IOAZ;

d.

inkomstenvrijlating: de inkomstenvrijlating als bedoeld in artikelen 31, tweede lid, onderdeel n. Participatiewet, 8, tweede lid IOAW en 8, derde lid IOAZ;

e.

inkomstenvrijlating alleenstaande ouders: de inkomstenvrijlating als bedoeld in artikelen 31, tweede lid, onderdeel r, Participatiewet, 8, vijfde lid IOAW en 8, negende lid IOAZ;

f.

de IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

g.

de IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

Hoofdstuk 2 Recht op inkomstenvrijlating bij arbeid

Artikel 2. Inkomstenvrijlating

1.

Een belanghebbende komt voor een inkomstenvrijlating en indien van toepassing, voor een daarop volgende inkomstenvrijlating alleenstaande ouders in aanmerking indien:

 

a.

duidelijk is dat belanghebbende niet direct bemiddelbaar is naar full-time arbeid en;

 

b.

met belanghebbende is afgesproken welke stappen hij moet ondernemen om de arbeidsparticipatie uit te breiden en welke voorzieningen daarbij nodig zijn (de afspraken worden in een besluit aan belanghebbende meegedeeld).

2.

Na uiterlijk 6 maanden worden de gemaakte en/of of bijgestelde afspraken bedoeld in het eerste lid onder b geëvalueerd. Alleen als de afspraken worden nageleefd, kan de vrijlating worden voortgezet. Is sprake van een verlengde vrijlating van 30 maanden dan worden de gemaakte en/of bijgestelde afspraken telkens uiterlijk na 6 maanden geëvalueerd. Ook dan geldt dat de vrijlating alleen wordt voortgezet indien de afspraken worden nageleefd.

3.

De vrijlating is eenmalig en wordt toegepast op de toepasselijke bijstandsnorm of grondslag;

4.

Belanghebbenden die bij op 1 maart 2012 al bijstand ontvingen en daarnaast parttime werkten komen niet in aanmerking voor vrijlating van inkomsten. Deze belanghebbende zijn al beoordeeld op basis van het oude beleid. Een uitzondering wordt gemaakt voor alleenstaande ouders met de volledige zorg voor een ten laste komend kind jonger dan 12 jaar. Waren deze op 1 maart 2012 al parttime werkzaam dan komen ze -mits ze voldoen aan de voorwaarden bedoeld onder het eerste en tweede lid - voor (verlengde) vrijlating in aanmerking.

Hoofdstuk 5 Slotbepalingen

Artikel 3 Hardheidsclausule

In situaties waarin dit besluit niet voorziet dan wel situaties waarin van kennelijke hardheid dan wel onbillijkheid sprake zou zijn, beslissen burgemeester en wethouders.

Artikel 4. Inwerkingtreding en intrekking

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2015. Het uitvoeringsbesluit ontheffing plicht tot arbeidsinschakeling alleenstaande ouders en inkomstenvrijlating parttime werkzaamheden 2012 wordt per 1 januari 2015 ingetrokken.

Artikel 5 Citeertitel

Dit besluit kan worden aangehaald als: Uitvoeringsbesluit inkomstenvrijlating parttime werkzaamheden Participatiewet 2015.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2 Inkomstenvrijlating

In artikel 31 tweede lid onderdeel n Participatiewet staat de algemene inkomstenvrijlating van zes maanden vermeld. Die bedraagt 25% van de inkomsten met een maximum van € 194,00 per maand (de IOAW en IOAZ kennen een hoger maximum, namelijk € 306,56 per maand). De algemene vrijlating heeft niet alleen betrekking op alleenstaande ouders. Dat is wel zo met de vrijlating bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel r Participatiewet (en 8, vijfde lid IOAW en 8, negende lid IOAZ). Om de zorg voor kinderen te combineren met arbeid biedt dit artikel de mogelijkheid om de inkomstenvrijlating gedurende 30 aaneengesloten maanden te verlengen. De vrijlating bedraagt dan 12,5 % van de inkomsten met een maximum van € 121,29 per maand (voor de IOAW en IOAZ geldt een maximum van € 202,57 per maand).

In beide gevallen moet de inkomstenvrijlating bijdragen aan de arbeidsinschakeling. De inkomstenvrijlating wordt dan ook primair gezien als re-integratie instrument. Daarom wordt de vrijlating ook niet toegepast wanneer duidelijk is dat belanghebbende direct bemiddelbaar is naar full-time arbeid.

Om verder te kunnen bepalen of de algemene inkomstenvrijlating van 6 maanden en in voorkomende gevallen de daarop volgende inkomstenvrijlating van 30 maanden bijdraagt aan de arbeidsinschakeling wordt als voorwaarde gesteld dat met belanghebbende (periodiek) afspraken zijn gemaakt over welke stappen moeten worden genomen om de arbeidsparticipatie uit te breiden en welke voorzieningen daarbij nodig zijn. De gemaakte afspraken worden in een besluit aan belanghebbende meegedeeld.

Het moet voorts duidelijk zijn dat alleen inkomsten die conform de inlichtingenverplichtingen van de Participatiewet bij sociale zaken gemeld zijn voor vrijlating in aanmerking kunnen worden gebracht. Blijkt achteraf dat bijvoorbeeld meer inkomsten werden genoten dan gemeld dan kan over die meerdere inkomsten niet alsnog de vrijlating worden berekend. De niet gemelde inkomsten worden volledig gekort en/of teruggevorderd.

In het derde lid wordt benadrukt dat de vrijlating eenmalig is. Artikel 31, tweede lid onderdelen n en r spreken over een aaneengesloten periode. Het kan dus niet zo zijn dat de vrijlating over perioden verdeeld wordt toegepast totdat de maximale termijnen zijn verstreken.

Het vierde lid is afkomstig uit het vorige uitvoeringsbesluit en is hier gehandhaafd. Belanghebbenden die voor 1 maart 2012 (datum inwerkingtreding vorige besluit) al parttime werkzaamheden verrichten zijn destijds in dat kader al beoordeeld en komen ook nu niet meer voor vrijlating in aanmerking. De uitzondering voor alleenstaande ouders met de volledige zorg voor een ten laste komend kind jonger dan 12 jaar blijft van toepassing. Waren deze op de ingangsdatum op 1 maart 2012 al parttime werkzaam dan komen ze -mits ze voldoen aan de voorwaarden bedoeld onder het eerste en tweede lid van dit artikel- voor (verlengde) vrijlating in aanmerking. Hier blijft ook gelden dat de vrijlating conform artikel 31, lid 2 onder n en r WWB éénmalig wordt verleend. Omdat het in de praktijk nog om een enkel geval kan gaan wordt de mogelijkheid voor alleenstaande ouders hier nog opengehouden.

Van belang is hier verder nog dat de hiervoor genoemde vrijlatingen niet mogelijk zijn voor jongeren tot 27 jaar. Artikel 31, zevende lid Participatiewet, sluit dit namelijk uit.

N.B. De participatiewet kent inmiddels ook een structurele vrijlating voor belanghebbenden met een medische urenbeperking (artikel 31, tweede lid onderdeel z).

Daarin wordt aangeven dat deze in voorkomende gevallen kan worden toegepast tenzij de vrijlatingsbepalingen van artikel 31, tweede lid onder n of r van toepassing zijn. Duidelijk is dat de vrijlatingsmogelijkheid genoemd in onderdeel z ook geldt voor jongeren tot 27 jaar.

In een werkinstructie zal nader worden aangegeven hoe de vrijlatingen van artikel 31, tweede lid, onderdeel n, r en z in hun onderling verband moeten worden beschouwd voor belanghebbenden die ouder zijn dan 26 jaar (kunnen ze volgtijdelijk worden toegepast, in hoeverre kan er een keuze worden gemaakt, etc.).