Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Maastricht

Uitvoeringsbesluit boeten

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieMaastricht
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingUitvoeringsbesluit boeten
CiteertitelUitvoeringsbesluit boeten
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Rgeling vervangt de Beleidsregel waarschuwing bij geen benadelingsbedrag/verlaging boete bij verminderde verwijtbaarheid

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Participatiewet, artikel 18 a, lid 4 en lid 7; IOAW, artikel 20 a, lid 4 en lid 7; IOAZ, artikel 20 a, lid 7; Boetebesluit socialezekerheidswetten

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

N.v.t.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

27-03-201501-01-201301-01-2017nieuwe regeling

17-03-2015

de Ster d.d. 27 maart 2015

2015-08134

Tekst van de regeling

Intitulé

Uitvoeringsbesluit boeten

 

 

Uitvoeringsbesluit boeten

BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN MAASTRICHT,

Overwegende dat;

-

op grond van artikel 18a, vierde lid van de Participatiewet, artikel 20a, vierde lid van de IOAW en artikel 20a, vierde lid van de IOAZ nader invulling kan worden gegeven aan de bevoegdheid van het college om in bepaalde gevallen een waarschuwing op te leggen in plaats van een bestuurlijke boete;

-

op basis van het bepaalde in artikel 18a, zevende lid van de Participatiewet, artikel 20a, zevende lid van de IOAW en artikel 20a, zevende lid van de IOAZ in samenhang met artikel 2a van het Boetbesluit socialezekerheidswetten in het kader van het opleggen van een bestuurlijke boete aanvullende regels kunnen worden opgesteld rondom verminderde verwijtbaarheid en de hoogte van de boete.

Met in achtneming van:

-

hetgeen vermeld staat in de brief van 16 december 2014 van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de voorzitter van de Tweede Kamer en in de Verzamelbrief gemeenten van december 2014 van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, dit naar aanleiding van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 november 2014.

Besluit:

Vast te stellen: het Uitvoeringsbesluit boeten.

Artikel 1 Begrippen

a.

belanghebbende

degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken;

b.

benadelingsbedrag:

bedrag als bedoeld in artikel 18a, tweede lid van de Participatiewet of artikel 20a, tweede lid van de IOAW en IOAZ;

c.

boete:

de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a van de Participatiewet of artikel 20a van de IOAW en IOAZ en nader bepaald in artikel 2 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten;

d.

college:

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht;

e.

inlichtingenplicht

de inlichtingenplicht als genoemd in art. 17 eerste lid van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid van de IOAW en IOAZ of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

f.

IOAW:

Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

g.

IOAZ:

Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

Voor zover niet anders is bepaald, worden begrippen in deze beleidsregel gebruikt in dezelfde betekenis als in de Participatiewet, IOAW en IOAZ

Artikel 2 Waarschuwing bij geen benadelingsbedrag

1.

Indien het niet of niet behoorlijk nakomen door belanghebbende van de inlichtingenplicht niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, ziet het college af van het opleggen van een boete en volstaat het met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven. In dat geval legt het college een boete op van:

 

-€ 100,--

indien sprake is van opzet;

 

-€ 75,--

wanneer het gaat om grove schuld;

 

-€ 50,--

indien noch sprake is van verhoogde noch van verminderde verwijtbaarheid en;

 

-€ 25,--

wanneer het gaat om verminderde verwijtbaarheid, waarbij voor het bepalen daarvan aansluiting wordt gezocht bij de in artikel 3 genoemde criteria.

2.

Indien het niet of niet behoorlijk nakomen door belanghebbende van de inlichtingenplicht in de aanvraagfase van een uitkering of bij een lopende uitkering ertoe leidt dat het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld en er verder geen sprake is van een benadelingsbedrag, wordt in afwijking van het het eerste lid geen waarschuwing of boete opgelegd maar wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld dan wel afgewezen en wordt bij een lopende uitkering de uitkering opgeschort en evt. beëindigd.

Artikel 3 Verlaging boete bij verminderde verwijtbaarheid waarbij sprake is van een benadelingsbedrag

Het college verlaagt de boete met 75% indien sprake is van:

a.

verminderde verwijtbaarheid als bedoeld in artikel 2a, tweede lid, onder a, b en c van het Boetebesluit socialezekerheidswetten;

b.

een samenstel van omstandigheden die elk op zich niet, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot het oordeel dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid;

c.

“gedeelde verwijtbaarheid’, bijvoorbeeld bij (gedeeltelijke) omissies van de uitvoering

Artikel 4 Waarschuwing bij zelfmelden waarbij sprake is van een benadelingsbedrag

Indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid als bedoeld in artikel 2a, tweede lid, onder c van het Boetebesluit socialezekerheidswetten en er is een benadelingsbedrag, wordt de boete niet verlaagd als bedoeld in artikel 3 aanhef en onderdeel a, maar ziet het college af van het opleggen van een boete en volstaat het met het geven van een schriftelijke waarschuwing wanneer de overtreding binnen drie maanden na het ontstaan daarvan door belanghebbende is gemeld, tenzij dit melden plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven. In dat geval legt het college een boete op conform het bepaalde in artikel 3.

Artikel 5 Inwerkingtreding en citeertitel

1.

Het Uitvoeringsbesluit boeten treedt met terugwerkende kracht in werking met ingang van 1 januari 2013 en is van toepassing op boetebeslissingen die na 24 november 2014 worden genomen met inbegrip van beslissingen met een op laatstgenoemde datum nog lopende bezwaar en beroepstermijn.

2.

Het uitvoeringsbesluit wordt aangehaald als: “Uitvoeringsbesluit boeten”.

Toelichting Uitvoeringsbesluit boeten

Algemene toelichting

Net als onder de WWB c.a. geldt ook binnen de Participatiewet dat bij schending van de inlichtingenplicht in de regel een boete moet worden opgelegd.In situaties waarbij het schenden van de inlichtingenplicht niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag heeft het college de bevoegdheid om geen boete op te leggen maar te volstaan met het geven van een waarschuwing. In een eerdere beleidsregel werd nader invulling gegeven aan deze bevoegdheid.

Daarnaast werd in die beleidsregel ook regelgeving opgenomen voor situaties waarin met betrekking tot het schenden van de inlichtingenplicht aan de zijde van de belanghebbende sprake is van verminderde verwijtbaarheid.

Op 24 november 2014 heeft de Central Raad van Beroep een vergaande uitspraak gedaan rondom het opleggen van boeten binnen de sociale zekerheid. Dat was aanleiding voor zowel de minister als de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om in brieven gericht aan de Tweede Kamer en de gemeenten de gevolgen van de uitspraak te belichten en aanbevelingen te doen. Daarbij werd tevens aangekondigd dat de diverse wetten op dit punt in 2016 worden aangepast.

Met dit uitvoeringsbesluit wordt de bestaande Beleidsregel waarschuwing bij geen benadlingsbedrag/verlaging boeten bij verminderde verwijtbaarheid al afgestemd op de aanbevelingen, zodat verder uitvoering kan worden gegeven aan de wettelijke verplichting binnen de Participatiewet om in geval van schending van de inlichtingenplicht een boete op te leggen.

Overigens blijft gelden dat wanneer de gedraging de belanghebbende in het geheel niet is aan te rekenen, dat dan géén boete kan worden opgelegd (art. 5:41 Algemene wet bestuursrecht). Gaat het om een gedeeltelijke verwijtbaarheid dan kan het college de boete matigen d.w.z. lager vaststellen.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1 Begrippen

In dit artikel is een aantal gehanteerde begrippen nader uitgewerkt. Zo is bij het begrip boete aangegeven dat hier wordt uitgegaan van de boete bedoeld in de Participatiewet, IOAW en IOAZ.

Daarin is nog steeds sprake van een maximale en minimale boete.

In artikel 2 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten is vervolgens de hoogte van de boete nader bepaald. Is sprake van een benadelingsbedrag dan is de maximale boete 100% en bij recidive 150% van het benadelingsbedrag. Is er geen benadelingsbedrag dan is de minimale boete

€ 150,-. Die minimale boete geldt ook bij een benadelingsbedrag dat lager is dan € 150,-.

In de nieuwe aanbevelingen wordt de minimale boete echter losgelaten en wordt de maximale boete nader bepaald door regels die binnen het strafrecht worden gehanteerd. De hoogte van de boete wordt daardoor afhankelijk van het feit of sprake is van opzet, grove schuld, bepaalde verwijtbaarheid of verminderde verwijtbaarheid. Bij grove schuld bedraagt de boete daardoor ten hoogste € 8.100,--.

Het is de bedoeling dat e.e.a. straks in de wetswijziging tot uitdrukking wordt gebracht.

Tenzij anders is bepaald, hebben de begrippen in deze beleidsregel dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ.

Artikel 2 Waarschuwing bij geen benadelingsbedrag

Lid 1.

Op grond van artikel 18a, vierde lid van de Participatiewet, artikel 20a, vierde lid van de IOAW en artikel 20a, vierde lid van de IOAZ is het college bevoegd om bij een eerste overtreding van de inlichtingenplicht waarbij geen sprake is van een benadelingsbedrag af te zien van het opleggen van een bestuurlijke boete en te volstaan met een waarschuwing.

In lid 1 wordt duidelijk gemaakt dat het college in die gevallen van deze bevoegdheid consequent gebruik maakt.

Indien binnen twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven wederom sprake is van een schending van de inlichtingenplicht zonder benadelingsbedrag dan is het college wettelijk gehouden tot het opleggen van een boete.

In artikel 2, derde lid van het Boetebesluit socialezekerheidswetten wordt die boete bepaald op € 150,- Hoewel in dit derde lid geen directe relatie wordt gelegd tussen dit bedrag en de minimumboete wordt gezien de hoogte van de minimumboete (ook € 150,-) die relatie wel verondersteld. Het loslaten van de minimumboete in eerdergenoemde brief van de minister en de bevindingen van de CRvB (evenredigheidstoets) hebben in ieder geval ook een effect op hoogte van de boete bij geen benadelingsbedrag. Met het oog hierop wordt er nu al voor gekozen het boetebedrag bij geen benadelingsbedrag te bepalen op € 100,-. Daarmee wordt wel nog vastgehouden aan een substantieel bedrag. Er is immers sprake van een herhaalde schending van de inlichtingenplicht en dan is het in het kader van een correctieve werking wenselijk dat een substantiële boete volgt.

Bij het opleggen van de boete moet er altijd een evenredigheidstoets plaatsvinden.

De boete kan in die zin -dus afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid- nog worden gematigd. In het eerste lid worden de daarmee verband houdende bedragen vermeld.

Lid 2.

De aanvraagfase van een door de gemeente te verstrekken uitkering vormt hier een specifieke situatie. Leidt het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht in de aanvraagfase van een uitkering ertoe dat het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld en is verder geen sprake van een benadelingsbedrag (er zijn bijvoorbeeld geen voorschotten verstrekt),dan wordt in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, de aanvraag buiten behandeling gesteld of in een voorkomend geval afwijzend op de aanvraag beschikt. Er volgt dan noch een waarschuwing noch een boete.

Een andere bijzondere situatie kan zich voordoen bij een lopende uitkering. Ook dan kan het bij het niet of niet behoorlijk nakomen door belanghebbende van de inlichtingenplicht gebeuren dat het recht op uitkering uiteindelijk niet kan worden vastgesteld. Is dan verder geen sprake van een benadelingsbedrag dan ligt het in de lijn dat de uitkering wordt beëindigd en dat er geen waarschuwing of boete volgt.

Artikel 3 Verlaging boete bij verminderde verwijtbaarheid waarbij sprake is van een benadelingsbedrag

Bij de bepaling van de hoogte van de bestuurlijke boete wordt de mate waarin de gedraging aan de belanghebbende kan worden verweten beoordeeld naar de omstandigheden waarin belanghebbende verkeerde op het moment dat hij de inlichtingenplicht had moeten nakomen.

Gelet op hetgeen vermeld wordt in artikel 2a van het Boetebesluit socialezekerheidswetten leiden bij de beoordeling van de mate waarin de gedraging aan de belanghebbende kan worden verweten in ieder geval de volgende criteria tot verminderde verwijtbaarheid:

-

de belanghebbende verkeerde in onvoorziene en ongewenste omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren en die hem weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan de inlichtingenplicht te voldoen, maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat hem niet volledig valt toe te rekenen dat de inlichtingen niet tijdig of volledig zijn verstrekt;

-

de belanghebbende verkeerde in een zodanige geestelijke toestand/ dat hem de overtreding niet volledig valt aan te rekenen, of;

-

de belanghebbende heeft wel inlichtingen verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd, tenzij de belanghebbende deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een inlichtingenplicht.

Overeenkomstig de aanbevelingen van de minister en de staatssecretaris van SZW wordt wanneer sprake is van de in de artikel 3 onderdeel a. genoemde situaties de boete gematigd met 75%.

Verder worden op basis van voornoemde aanbevelingen in de onderdelen b en c van artikel 3 nog twee criteria aangereikt aan de hand waarvan kan worden geconcludeerd dat van verminderde verwijtbaarheid moet worden gesproken.

Artikel 4 Waarschuwing bij zelfmelden waarbij sprake is van een benadelingsbedrag

Artikel 4 maakt een uitzondering op artikel 3, aanhef en onderdeel a, waar het de zogenoemde zelfmelders betreft. Het college ziet af van het opleggen van een boete en volstaat met het geven van een schriftelijke waarschuwing wanneer de overtreding binnen drie maanden na het ontstaan daarvan door belanghebbende is gemeld, tenzij dit melden plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven. In dat geval legt het college een boete op met in achtneming van het bepaalde in artikel 3.

De melding moet plaatsvinden voordat de overtreding is geconstateerd en moet niet in het kader van toezicht op de naleving zijn gedaan.

In de aanbevelingen wordt als voorbeeld van zelfmelders gedoeld op mensen die weliswaar iets te laat maar zelf wijzigingen in hun omstandigheden melden. Het gaat bijvoorbeeld om iemand die zelf meldt dat hij loon heeft ontvangen maar dit pas doet nadat hij zijn eerste loonstrook heeft ontvangen terwijl de uitkering al is uitbetaald.

Zoals de aanhef al aangeeft gaat het hier om situaties waarbij er een benadelingsbedrag is. In gevallen waarbij het zelfmelden niet leidt tot een benadelingsbedrag volgt een waarschuwing op grond van artikel 2.

Artikel 5 Inwerkingtreding en citeertitel

De inwerkingtreding van dit uitvoeringsbesluit sluit aan bij hetgeen door de Centrale Raad van Beroep is verwoord in zijn uitspraak van 24 november 2014.

Er is gekozen voor een kortere benaming/citeertitel van het besluit omdat dit beter werkbaar wordt geacht.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht op 17 maart 2015.

 

De secretaris,

P.J. Buijtels

 

De burgemeester,

O. Hoes