De 1e herziening Verordening op de Rekenkamer gemeente Molenwaard 2015

Geldend van 15-12-2015 t/m heden

Intitulé

De 1e herziening Verordening op de Rekenkamer gemeente Molenwaard 2015

De raad van de gemeente Molenwaard;

Gelezen het raadsvoorstel van 15 december 2015;

Gelet op de bepalingen in de gemeentewet;

Besluit tot vaststelling van:

De 1e herziening Verordening op de Rekenkamer gemeente Molenwaard 2015

Paragraaf 1 Begripsbepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    Rekenkamer: de rekenkamer, zoals bedoeld in art. 81a van de Gemeentewet, die is ingesteld bij besluit van de gemeenteraad en die ten doel heeft om door middel van beleidsevaluaties en doelmatigheidsonderzoeken een bijdrage te leveren aan de doeltreffendheid van het beoogde beleid, alsmede de doelmatige voorbereiding en uitvoering daarvan.

  • b.

    Doelmatigheid of efficiëntie: het streven om met een zo beperkt mogelijke inzet van de beschikbare middelen het gewenste resultaat te bereiken.

  • c.

    Doeltreffendheid of effectiviteit: de mate waarin een organisatie erin slaagt met de geleverde prestaties de gestelde doelen of de gewenste maatschappelijke effecten te bereiken.

  • d.

    Rechtmatigheid: de mate waarin het gemeentelijk beleid voldoet aan de wettelijke kaders en regelgeving.

  • e.

    Auditcommissie: de commissie van de gemeenteraad die een coördinerende, informerende en adviserende rol vervult richting de gemeenteraad voor wat betreft financiële aangelegenheden.

Paragraaf 2 De taak, samenstelling en het lidmaatschap van de rekenkamer

Artikel 2 Taak van de rekenkamer

  • 1. Er is een gemeentelijke rekenkamer.

  • 2. De rekenkamer voert onderzoek uit naar de (maatschappelijke) effecten van het gemeentelijk beleid en naar de doelmatigheid, doeltreffendheid en rechtmatigheid van het gemeentelijk beleid.

Artikel 3 Samenstelling rekenkamer

  • 1. Aan de rekenkamer wordt leiding gegeven door de directeur rekenkamer die door de raad van buiten de kring van zijn leden wordt aangewezen voor een periode van zes jaar; deze directeur kan door de raad worden herbenoemd voor een gelijke of langere periode.

  • 2. De gemeenteraad benoemt een plaatsvervangend directeur. De artikelen 3, 4 en 5 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 3. De directeur en diens plaatsvervanger leggen, voordat zij de functie kunnen uitoefenen, in een vergadering van de raad in de handen van de voorzitter van de raad de eed (verklaring en belofte) af: “Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot (plaatsvervangend) directeur van de rekenkamer benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gunst heb gegeven of beloofd. Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of belofte heb aangenomen of zal aannemen. Ik zweer (beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als (plaatsvervangend) directeur van de rekenkamer naar eer en geweten zal vervullen. Zo waarlijk helpe mij God Almachtig! (Dat verklaar en beloof ik!)”

  • 4. De directeur, of diens plaatsvervanger, draagt zorg voor het bewaken van de uitvoering van de onderzoeksopzet en de werkwijze en het bevorderen van een zorgvuldige besluitvorming.

  • 5. De directeur rekenkamer en diens plaatsvervanger zijn niet ondergeschikt aan de raad, het college van burgemeester en wethouders of enig andere gemeentelijk gezag.

  • 6. De directeur rekenkamer en diens plaatsvervanger zijn geen ambtenaar in de zin van het ambtenarenreglement voor zover dit ondergeschiktheid impliceert.

Artikel 4 Einde van het lidmaatschap

  • 1. Het lidmaatschap van de (plaatsvervangend) directeur eindigt:

    • a.

      op eigen verzoek;

    • b.

      bij aanvaarding van een functie die onverenigbaar is met het lidmaatschap van de rekenkamer;

    • c.

      wanneer hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;

    • d.

      indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, surseance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld.

    • e.

      indien hij naar het oordeel van de raad ernstig nadeel toebrengt aan het in hem gestelde vertrouwen.

  • 2. De (plaatsvervangend) directeur kan door de raad worden ontslagen wanneer hij door ziekte, gebreken of ongeschiktheid niet in staat is zijn functie naar behoren te vervullen.

Artikel 5 Verboden handelingen

  • 1. Het is de directeur van de rekenkamer en diens plaatsvervanger verboden de handelingen te verrichten als bedoeld in artikel 15 van de Gemeentewet. De raad kan, gehoord de directeur, een directeur die heeft gehandeld in strijd met dit verbod van zijn functie ontslaan.

  • 2. De directeur van de rekenkamer en diens plaatsvervanger zijn niet werkzaam bij een bedrijf dat opdrachten uitvoert in opdracht van de gemeente of bij een door de gemeente gesubsidieerde instelling, dan wel heeft geen andere (neven)betrekkingen die de onafhankelijke positie ten aanzien van de gemeente zou kunnen schaden.

  • 3. De directeur van de rekenkamer en diens plaatsvervanger overleggen aan de raad elk half jaar een lijst met daarin opgenomen de nevenfuncties die hij op dat moment vervult.

Paragraaf 3 De werkwijze van de rekenkamer

Artikel 6 Onderwerpen voor en beslissing tot uitvoeren van onderzoek

  • 1. De directeur van de rekenkamer kiest zelf de onderwerpen voor onderzoek, formuleert de probleemstelling en de onderzoeksvragen en stelt de onderzoeksopzet vast. Voordat hij een onderzoeksprogramma opstelt consulteert hij de auditcommissie.

  • 2. De directeur stelt in overleg met de auditcommissie de onderzoeksopzet vast.

  • 3. De onderwerpen van onderzoek worden jaarlijks voor 1 oktober als onderzoeksprogramma ter kennisname aan de raad voorgelegd.

  • 4. Bij het opstellen van het onderzoeksprogramma houdt de rekenkamer rekening met onderwerpen van onderzoeken die in opdracht van het college, zoals bedoeld in artikel 213a van de Gemeentewet, worden uitgevoerd.

  • 5. De directeur van de rekenkamer overlegt jaarlijks, voorafgaand aan het vaststellen van het onderzoeksprogramma, met de auditcommissie.

  • 6. De in lid 2 bedoelde onderzoeksopzet wordt door de rekenkamer rechtstreeks ter kennisneming voorgelegd aan de gemeenteraad.

  • 7. Bij de selectie van onderwerpen dient de rekenkamer de volgende criteria te hanteren:

    • a.

      Moet betrekking hebben op de doelmatigheid, doeltreffendheid of rechtmatigheid van beleid.

    • b.

      Er moet sprake zijn van een substantieel belang.

    • c.

      Het moet door de gemeente te beïnvloeden beleid betreffen.

    • d.

      Er moet sprake zijn van enige evenwichtige spreiding over de gemeentelijke beleidsterreinen in de opvolgende onderzoeken.

    • e.

      De resultaten moeten communiceerbaar zijn naar de bevolking.

Artikel 7 Uitvoering van het onderzoek en rapportage

  • 1. De rekenkamer is belast met en verantwoordelijk voor de uitvoering van het onderzoek volgens de door haar vastgestelde onderzoeksopzet.

  • 2. De rekenkamer beoordeelt of het wenselijk is de raad tussentijds te informeren.

  • 3. De rekenkamer is bevoegd van alle leden van het gemeentebestuur en van alle ambtenaren de mondelinge en schriftelijke inlichtingen in te winnen die zij nodig heeft voor de uitvoering van het onderzoek. De rekenkamer kan de bevoegdheid tot het inwinnen van inlichtingen mandateren aan medewerkers die haar bij de uitvoering van haar taak terzijde staan. De leden van het gemeentebestuur en de ambtenaren van de gemeente zijn verplicht de gevraagde inlichtingen binnen de door de rekenkamer gestelde termijn te verstrekken.

  • 4. De rekenkamer onderzoekt in beslotenheid, haar rapporten zijn openbaar. Op grond van de belangen genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van Bestuur kan de rekenkamer rapporten die aan de raad worden voorgelegd of gedeelten daarvan als geheim aanmerken. De rekenkamer en degenen die ten behoeve van de rekenkamer werkzaam zijn, zijn verplicht tot geheimhouding van al hetgeen hen in hun hoedanigheid van directeur, respectievelijk medewerker ter kennis is gekomen.

  • 5. De rekenkamer kan openbare informatieve vergaderingen beleggen.

  • 6. De rekenkamer stelt betrokkenen in de gelegenheid om binnen een door haar te stellen termijn die ten minste twee weken bedraagt, hun zienswijze op het feitenonderzoek aan de rekenkamer kenbaar te maken. Betrokkenen zijn degenen wier taakuitvoering (mede) voorwerp van onderzoek is of is geweest. De rekenkamer bepaalt wie verder als betrokkenen worden aangemerkt.

  • 7. Na de ambtelijke hoor en wederhoor ten aanzien van de feiten zoals bedoeld in lid 6 formuleert de rekenkamer haar conclusies en aanbevelingen in een nota.

  • 8. De rekenkamer stelt het college in de gelegenheid om binnen een door haar te stellen termijn die ten minste twee weken bedraagt, zijn zienswijze op het onderzoek en de nota aan de rekenkamer kenbaar te maken.

  • 9. Na vaststelling door de rekenkamer worden het onderzoeksrapport en de nota met conclusies en aanbevelingen zo spoedig mogelijk aan de raad aangeboden. Hierbij worden de ambtelijke en bestuurlijke reacties gevoegd. De raad bespreekt de onderzoeksresultaten op basis van het rapport en de nota met conclusies en aanbevelingen. De raad stelt de eindconclusies vast.

Paragraaf 4 De ondersteuning van de rekenkamer

Artikel 8 Onderzoeksmedewerkers

  • 1. De rekenkamer is bevoegd ten laste van het budget als bedoeld in paragraaf 5 (tijdelijk) onderzoeksmedewerkers aan te stellen.

  • 2. Onderzoeksmedewerkers kunnen, indien de rekenkamer hen daartoe de bevoegdheid toekent, alle informatie verzamelen die de rekenkamer in het belang van het onderzoek nodig acht; zij hebben een geheimhoudingsplicht met betrekking tot die informatie en zijn alleen verantwoording verschuldigd aan de rekenkamer.

  • 3. De rekenkamer is tevens bevoegd ten laste van het budget als bedoeld in artikel 5 externe deskundigen in te schakelen. Het hiervoor in lid 2 gestelde is op de externe deskundigen dienovereenkomstig van toepassing.

Paragraaf 5 De kosten van de rekenkamer

Artikel 9 Budget

  • 1. De raad stelt jaarlijks bij de begroting een bedrag beschikbaar aan de rekenkamer.

  • 2. De rekenkamer is bevoegd binnen een aan haar bij de begroting beschikbaar gesteld budget uitgaven te doen ten behoeve van de uitvoering van haar taken.

  • 3. Ten laste van het in het voorgaande lid bedoelde budget worden de kosten gebracht van:

    • a.

      De detacheringskosten van de directeur rekenkamer.

    • b.

      De detacheringskosten van onderzoeksmedewerkers.

    • c.

      De kosten van externe deskundigen die mogelijk door de rekenkamer zijn ingeschakeld.

    • d.

      De mogelijke overige uitgaven die de rekenkamer nodig oordeelt voor de uitvoering van haar taak.

  • 4. Over de besteding van het budget, zoals bedoeld in lid 2, legt de rekenkamer verantwoording af aan de auditcommissie.

  • 5. Niet verbruikt budget kan door de rekenkamer worden opgespaard tot een maximum van € 20.000,-.

Artikel 10 Evaluatie

De raad evalueert het functioneren van de rekenkamer iedere twee jaar. Bij de evaluatie toetst de raad aan de volgende criteria:

  • a.

    keuze van de onderzoeksonderwerpen en het onderzoeksplan;

  • b.

    kwaliteit van het onderzoek (zoals leereffecten voor raad en college);

  • c.

    communicatie en competenties van de directeur;

  • d.

    functioneren van de klankbordgroep;

  • e.

    hoogte van het beschikbare onderzoeksbudget;

  • f.

    meerwaarde van de samenwerking van de gemeenten.

Paragraaf 6 Slotbepalingen

Artikel 11 Citeertitel; inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening kan worden aangehaald als Verordening Rekenkamer gemeente Molenwaard 2015.

  • 2.

    Deze verordening treedt op 15 december 2015 in werking.

Ondertekening

Besloten in de openbare raadsvergadering van 15 december 2015
De griffier, De voorzitter,
B.J. Nootenboom D.R. v.d. Borg