Besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant houdende regels omtrent de subsidie van urgentiegebieden (Subsidieregeling urgentiegebieden Noord-Brabant 2016)

Geldend van 27-04-2017 t/m heden

Intitulé

Besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant houdende regels omtrent de subsidie van urgentiegebieden (Subsidieregeling urgentiegebieden Noord-Brabant 2016)

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

 

Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

 

Overwegende dat de provincie met de maatschappelijke organisaties, bedrijfsleven en medeoverheden in het Brabant Beraad afspraken heeft gemaakt over het opheffen van overlast door veehouderijbedrijven, waarbij de gemeenten het initiatief hebben;

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten gemeenten en agrarische bedrijven financieel willen ondersteunen bij het opstellen en uitvoeren van verbeterplannen om de overlast aan te pakken;

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten daartoe op 7 september 2015 de Subsidieregeling urgentiegebieden Noord-Brabant 2015 hebben vastgesteld;

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten de subsidieplafonds in die regeling wensen aan te passen en daarbij tevens van de gelegenheid gebruik maken om diverse aanpassingen door te voeren, alsmede de eerste paragraaf van de regeling willen laten vervallen;

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten gebruik willen maken van de Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën van steun van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB EU L 187 van 26 juni 2014);

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten gebruik willen maken van de Verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën van steun van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB EU L 193 van 1 juli 2014);

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten gebruik willen maken van de Richtsnoeren (EU) nr. 2014/C van de Commissie van 1 juli 2014 voor staatssteun in de landbouw- en bosbouwsector en in plattelandsgebieden 2014-2020 (PB EU C 204 van 1 juli 2014);

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten vanwege het grote aantal redactionele wijzigingen de Subsidieregeling urgentiegebieden Noord-Brabant opnieuw wensen vast te stellen;

 

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

§ 1 Aanpassing of verplaatsing van agrarische ondernemingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

     belanghebbende: natuurlijke of rechtspersoon die betrokken is bij de overlast ofwel als gehinderde ofwel als veroorzaker;

  • b.

     beperkingen veehouderij: gebied als bedoeld in artikel 1, onder 1.14, van de Verordening ruimte 2014;

  • c.

     Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij: instrument als bedoeld in artikel 1, onder 1.1, van de Nadere regels Verordening ruimte 2014 - Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij;

  • d.

     BZV-score: de score die een veehouderij behaalt bij toepassing van de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij.

  • e.

    marktwaarde: het geschatte bedrag waartegen vastgoed, roerend goed of recht tussen een bereidwillige koper en een bereidwillige verkoper, na behoorlijke marketing in een zakelijke transactie zou worden overgedragen op de waardepeildatum, waarbij de partijen met kennis van zaken, prudent en niet onder dwang zouden hebben gehandeld;

  • f.

    urgentiegebied: gebied waar de kwaliteit van de leefomgeving of de gezondheidssituatie als gevolg van overlast door een veehouderij onder de maat is, blijkend uit tenminste de indicatoren geurhinder of fijn stof, bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, onderdeel a, onder III en IV en artikel 7.3, tweede lid, onderdeel a, onder III en IV van de Verordening ruimte 2014;

  • g.

     veehouderij: activiteiten die gekoppeld zijn aan het voortbrengen van producten door middel van het houden van vee;

  • h.

     verbeterplan: plan met als doel de overlast door de veehouderij in een urgentiegebied op te heffen.

Artikel 1.2 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door:

  • a.

     rechtspersonen

  • b.

     natuurlijke personen

Artikel 1.3 Subsidievorm

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2  Subsidies als bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 1.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op:

  • a.

     de aanpassing van een onderneming die veehouderij en de daaraan gekoppelde activiteiten uitoefent;

  • b.

     de verplaatsing van een onderneming die veehouderij en de daaraan gekoppelde activiteiten uitoefent.

Artikel 1.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

    met het project reeds is gestart voor indiening van de subsidieaanvraag;

  • b.

    de subsidieaanvrager in financiële moeilijkheden verkeert, als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder c, Verordening (EU) 651/2014, dan wel daarvoor in de plaats tredende regelgeving;

  • c.

    ten aanzien van de subsidieaanvrager een bevel tot terugvordering voor onrechtmatig verleende staatssteun uitstaat;

  • d.

    er sprake is van de verplaatsing van een agrarische onderneming en op de uitplaatsingslocatie en de daarbij behorende gronden is woningbouw toegestaan volgens een geldend bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening of volgens een geldend besluit als bedoeld in artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  • e.

    subsidie wordt aangevraagd voor projecten als bedoeld in artikel 1.4, onder b, en niet voor elke van de op de subsidieaanvraag betrekking hebbende locatie een taxatierapport is bijgevoegd.

Artikel 1.6 Subsidievereisten

  • 1  Om voor subsidie als bedoeld in artikel 1.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

    • b.

       het project wordt uitgevoerd bij een onderneming die veehouderij en de daaraan gekoppelde activiteiten uitoefent;

    • c.

       het project wordt uitgevoerd bij een onderneming:

      • 1°.

         die maximaal 250 mensen voltijds in dienst heeft, en;

      • 2°.

         een jaaromzet heeft van maximaal €50 miljoen; of,

      • 3°.

         een jaarlijks balanstotaal van maximaal €43 miljoen.

    • d.

       het project maakt onderdeel uit van een verbeterplan, welke is ondertekend door de subsidieaanvrager en waaruit in ieder geval blijkt dat:

      • 1°.

         het project het meest kosteneffectief is ten opzichte van de onderzochte alternatieven;

      • 2°.

         ten minste 15% van de totale door overheden gefinancierde kosten van de uitvoering van het verbeterplan wordt gefinancierd door de gemeente of gemeentes waarin het project wordt uitgevoerd;

      • 3°.

         alternatieve financieringsmogelijkheden zijn onderzocht en indien mogelijk benut;

      • 4°.

         de uitvoering van het plan leidt tot het blijvend opheffen van de overlast van de veehouderij op de omgeving;

      • 5°.

         het plan de instemming heeft van de belanghebbenden in het urgentiegebied;

      • 6°.

         het plan de instemming heeft van de gemeente of gemeenten in het urgentiegebied.

    • e.

       het project leidt tot een lagere milieubelasting dan is toegestaan op basis van de aan de subsidieaanvrager verleende omgevingsvergunning of de verplichtingen voortvloeiend uit het Activiteitenbesluit milieubeheer;

    • f.

       het project leidt tot een lagere milieubelasting dan de geldende Europese milieunormen of, bij het ontbreken daarvan, door uitvoering van het project wordt voldaan aan de geldende provinciale en nationale milieunormen;

    • g.

       in het geval het project leidt tot veranderingen in het uiterlijk van de onderneming, draagt het project bij aan een goede beeldkwaliteit;

    • h.

       aan het project liggen ten grondslag:

      • 1°.

         een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze paragraaf;

      • 2°.

         een tijdsplanning;

      • 3°.

         een sluitende begroting.

  • 2  Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 1.4, onder b, in aanmerking te komen voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       de inplaatsingslocatie ligt buiten een gebied beperkingen veehouderij en buiten stedelijk gebied;

    • b.

       het project voldoet op de inplaatsingslocatie aan de geldende provinciale, nationale en Europese milieunormen.

  • 3  Indien een of enkele belanghebbenden niet met het verbeterplan hebben ingestemd, kan, in afwijking van het eerste lid, onderdeel d, onder 5°, de uitvoering van het plan desondanks doorgang vinden, indien de goede kwaliteit van de leefomgeving bereikt kan worden.

Artikel 1.7 Subsidiabele kosten

  • 1  Voor subsidie als bedoeld in artikel 1.4, onder a, komen voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie de volgende kosten in aanmerking:

    • a.

       40% van de investeringen die nodig zijn:

      • 1°.

         om te komen tot een lagere milieubelasting dan de geldende Europese milieunormen, of

      • 2°.

         om te voldoen aan de geldende provinciale milieunormen, bij het ontbreken van Europese milieunormen, zoals bedoeld onder 1º, of,

    • b.

       60% van de investeringen, bedoeld onder a, indien het project resulteert in een BZV-score van 7.25 of hoger;

  • 2  Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, komen voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie kosten voor de verwerving van grond in aanmerking tot een maximum van 10% van de totale kosten genoemd in het eerste lid, onder a en b.

  • 3  Voor subsidie als bedoeld in artikel 1.4, onder b, komen voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie, de volgende kosten in aanmerking:

    • a.

      getaxeerde daling van de marktwaarde van de uitplaatsingslocatie inclusief de eventuele aanwezige bedrijfswoningen als gevolg van de uitvoering van het project, waarbij de datum van indienen van de subsidieaanvraag geldt als waardepeildatum;

    • b.

       kosten voor sloop van gebouwen op de uitplaatsingslocatie;

    • c.

       notaris- en makelaarskosten, onderzoeks- en advieskosten en plankosten;

    • d.

       40% van de kosten ten behoeve van de aankoop van de inplaatsingslocatie en de aldaar te treffen investeringen voor het bereiken van eenzelfde productiecapaciteit ten opzichte van de uitplaatsingslocatie voor zover deze geen betrekking hebben op het bereiken van een BZV-score hoger dan 7.00. en voor zover het de getaxeerde marktwaarde van de uitplaatsingslocatie voor aanvang van het project, inclusief de eventueel aanwezige bedrijfswoningen, te boven gaat;

    • e.

       40% van de kosten ten behoeve van het bereiken van een BZV-score hoger dan 7.00;

  • 4  Onverminderd het bepaalde in het derde lid, komen voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie kosten voor de verwerving van grond tot een maximum van 10% van de totale kosten genoemd in het derde lid, onder d en e.

  • 5  In afwijking van het derde lid, onder e, komen voor subsidie als bedoeld in artikel 1.4, onder b, voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie, 60% van de kosten ten behoeve van het bereiken van een BZV-score hoger dan 7.00 in aanmerking indien het project resulteert in een BZV-score van 7.50 of hoger.

Artikel 1.8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 1.7 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

     kosten voor de aankoop van productierechten, betalingsrechten en eenjarige gewassen;

  • b.

     kosten voor afwateringswerkzaamheden;

  • c.

     investeringen om aan de geldende Europese milieunormen te voldoen;

  • d.

     kosten voor de aankoop van dieren;

  • e.

     kosten voor uitvoering van wettelijke taken;

  • f.

     kosten voor openbare infrastructuur en landschappelijke voorzieningen buiten het erf.

Artikel 1.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend van 6 maart 2017 tot en met 31 december 2017.

Artikel 1.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 1.4 en artikel 2.4 tesamen, voor de periode genoemd in artikel 1.9, vast op €3.700.000.

Artikel 1.11 Subsidiehoogte

  • 1  De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 1.4, onder a, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van €500.000.

  • 2  De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 1.4, onder b, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 750.000.

  • 3  Onverminderd het bepaalde in het tweede lid bedraagt de hoogte van de subsidie, genoemd in artikel 1.7 onderdeel 3, onder d en e en onderdeel 5, gezamenlijk maximaal €500.000.

  • 4  In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, kunnen Gedeputeerde Staten op schriftelijk verzoek van de gemeente of gemeenten waarin het project wordt uitgevoerd in bijzondere situaties de hoogte van de subsidie verhogen ter hoogte van een financiële bijdrage van de gemeente of gemeenten waarin het project wordt uitgevoerd.

  • 5  Onverminderd het maximum, genoemd in het eerste of tweede lid, wordt indien ter zake van een project reeds door een ander bestuursorgaan of door de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt, slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat voor het totale bedrag aan subsidies het maximum, genoemd in het eerste of tweede lid, niet wordt overschreden.

Artikel 1.12 Verdeelcriteria

  • 1  Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2  Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3  Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 1.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1.

    De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

    • a.

      in geval van vervreemding van de locatie of locaties waar het project is uitgevoerd, wordt in de verkoopovereenkomst een beding opgenomen ter instandhouding van het resultaat van het project aan koper en daaropvolgende kopers;

    • b.

      bij subsidies van € 25.000 en hoger overlegt de subsidieontvanger jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

    • c.

      de subsidieontvanger houdt een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten;

  • 2.

    Onverminderd het eerste lid, heeft de subsidieontvanger voor subsidies als bedoeld in artikel 1.4, onder a, de verplichting het project zo uit te voeren dat het project leidt tot een veehouderij met een BZV-score van tenminste 7.00.

  • 3.

    Onverminderd het eerste lid, heeft de subsidieontvanger voor subsidies als bedoeld in artikel 1.4, onder b, in ieder geval de volgende verplichtingen:

    • a.

      alle activiteiten in het kader van de agrarische onderneming op de uitplaatsingslocatie worden beëindigd;

    • b.

      alle gebouwen, bouwwerken en vaste installaties, inclusief kelderruimten, sleufsilo’s en vloerplaten ten behoeve van de veehouderij, met de bijbehorende fundamenten en ondergrondse voorzieningen van de uitplaatsingslocatie worden verwijderd, op een wijze die verantwoord is uit een oogpunt van milieuzorg en de bedrijfskavel wordt geëgaliseerd;

    • c.

      door de subsidieontvanger wordt een wettelijk bindende toezegging gedaan dat de sluiting van de betrokken productiecapaciteit definitief en onomkeerbaar is;

    • d.

      de subsidieontvanger werkt mee aan de verlening van een passende andere bestemming die veehouderij uitsluit door het gemeentebestuur aan de uitplaatsingslocatie en voor zover nodig, aan de daarbij behorende gronden, en in afwachting van de aanpassing van het bestemmingsplan worden geen bouwwerken op de uitplaatsingslocatie opgericht;

    • e.

      voor de uitplaatsingslocatie zijn na de indiening van de aanvraag om subsidie geen aanvragen om een omgevingsvergunning ingediend en de, ten tijde van de indiening van de aanvraag om subsidie, aanhangige aanvragen om een omgevingsvergunning of nog niet gebruikte omgevingsvergunningen zijn ingetrokken;

    • f.

      de subsidieontvanger toont door middel van een bodemonderzoek aan dat de bodemverontreiniging op de uitplaatsingslocatie en de daarbij behorende gronden, indien aanwezig, zijn teruggebracht tot een niveau dat in verband met het te verwachten grondgebruik aanvaardbaar kan worden geacht;

    • g.

      indien een melding als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit milieubeheer is gedaan voor de uitoefening van de agrarische onderneming, wordt een melding gedaan met betrekking tot het veranderen van de inrichting en de werking daarvan, inhoudende dat de uitoefening van de veehouderij op de uitplaatsingslocatie niet langer mogelijk is;

    • h.

      indien voor de uitoefening van de agrarische onderneming een omgevingsvergunning of een natuurbeschermingswetvergunning is verleend, worden deze ingetrokken of zodanig gewijzigd dat de uitoefening van de veehouderij op de uitplaatsingslocatie niet langer mogelijk is;

    • i.

      de aan de uitplaatsingslocatie verbonden productierechten en bijbehorende rechten mogen uitsluitend worden verplaatst naar de inplaatsingslocatie, waarbij de rechten, die niet worden verplaatst naar de inplaatsingslocatie, worden verkocht aan de provincie Noord-Brabant, waarbij de datum van indienen van de subsidieaanvraag geldt als waardepeildatum;

    • j.

      het project leidt op de inplaatsingslocatie tot:

      • 1°.

        een productiecapaciteit die tenminste 80% bedraagt van de productiecapaciteit op de uitplaatsingslocatie, of;

      • 2°.

        een productiecapaciteit die met tenminste 80% van de capaciteit op de uitplaatsingslocatie is uitgebreid indien de inplaatsingslocatie op de datum van inwerkingtreding van deze regeling al in het bezit is van de aanvrager;

    • k.

      het project leidt tot een veehouderij die op de inplaatsingslocatie tenminste 7.25 scoort op de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij;

    • l.

      subsidieontvanger toont met een schriftelijke rapportage aan dat voorafgaand aan de uitvoering van het project een dialoog is gevoerd met de omgeving :

      • 1°.

        gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij het project op de inplaatsingslocatie, en;

      • 2°.

        die de goedkeuring heeft van de gemeente of gemeenten waarin het project wordt uitgevoerd.

Artikel 1.14 Prestatieverantwoording

  • 1  Gedeputeerde Staten leggen in de beschikking tot subsidieverlening vast op welke wijze de subsidieontvanger aantoont dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

  • 2  Onverminderd het eerste lid en gelet op de toepasselijke Europese regelgeving overlegt de subsidieontvanger daarbij een overzicht van gerealiseerde kosten.

Artikel 1.15 Bevoorschotting en betaling

  • 1  Bij subsidies van € 25.000 en hoger verstrekken Gedeputeerde Staten een voorschot van 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2  Gedeputeerde Staten betalen het voorschot in vier gelijke delen, waarvan de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald op basis van besteding.

Artikel 1.16 Subsidievaststelling

Gelet op de toepasselijke Europese regelgeving worden de verleende subsidies vastgesteld op basis van prestaties en gerealiseerde kosten.

Artikel 1.17 Intrekking van de subsidievaststelling

Een beschikking tot subsidievaststelling wordt ingetrokken, indien binnen vijf jaar nadat deze is genomen voor de uitplaatsingslocatie een bestemmingsplan of een besluit als bedoeld in artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand komt op basis waarvan woningbouw is toegelaten.

§ 2 Beëindiging van agrarische ondernemingen

Artikel 2.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

     belanghebbende: natuurlijke of rechtspersoon die betrokken is bij de overlast ofwel als gehinderde ofwel als veroorzaker;

  • b.

     beperkingen veehouderij: gebied als bedoeld in artikel 1, onder 1.14, van de Verordening ruimte 2014;

  • c.

    marktwaarde: het geschatte bedrag waartegen vastgoed, roerend goed of recht tussen een bereidwillige koper en een bereidwillige verkoper, na behoorlijke marketing in een zakelijke transactie zou worden overgedragen op de waardepeildatum, waarbij de partijen met kennis van zaken, prudent en niet onder dwang zouden hebben gehandeld;

  • d.

    urgentiegebied: gebied waar de kwaliteit van de leefomgeving of de gezondheidssituatie als gevolg van overlast door een veehouderij onder de maat is, blijkend uit tenminste de indicatoren geurhinder of fijn stof, bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, onderdeel a, onder III en IV en artikel 7.3, tweede lid, onderdeel a, onder III en IV van de Verordening ruimte 2014;

  • e.

    veehouderij: activiteiten die gekoppeld zijn aan het voortbrengen van producten door middel van het houden van vee;

  • f.

    verbeterplan: plan met als doel de overlast door de veehouderij in een urgentiegebied op te heffen.

Artikel 2.2 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door:

  • a.

     natuurlijke personen;

  • b.

     rechtspersonen.

Artikel 2.3 Subsidievorm

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2  Subsidies als bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 2.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op de beëindiging van een agrarische onderneming.

Artikel 2.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

     met het project reeds is gestart voor indiening van de subsidieaanvraag;

  • b.

     de subsidieaanvrager in financiële moeilijkheden verkeert, als bedoeld onder randnummer 35, vijftiende lid, Richtsnoeren (2014/C 204/01);

  • c.

     ten aanzien van de subsidieaanvrager een bevel tot terugvordering voor onrechtmatig verleende staatssteun uitstaat;

  • d.

     op de bedrijfskavel en de daarbij behorende gronden woningbouw is toegestaan volgens een geldend bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening of volgens een geldend besluit als bedoeld in artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

  • e.

    niet voor elke van de op de subsidieaanvraag betrekking hebbende locatie een taxatierapport is bijgevoegd.

Artikel 2.6 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

     het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

  • b.

     het project wordt uitgevoerd bij een onderneming die veehouderij en de daaraan gekoppelde activiteiten uitoefent;

  • c.

     het project wordt uitgevoerd bij een onderneming:

    • 1°.

       die maximaal 250 mensen voltijds in dienst heeft, en;

    • 2°.

       een jaaromzet heeft van maximaal €50 miljoen; of,

    • 3°.

       een jaarlijks balanstotaal van maximaal €43 miljoen.

  • d.

     de subsidieaanvrager heeft de laatste vijf jaar voorafgaand aan de subsidieaanvraag de onderneming onafgebroken actief geëxploiteerd, behoudens onderbrekingen in verband met de normale bedrijfsvoering of een wisseling van eigenaar- of beheerderschap;

  • e.

     de subsidieaanvrager voldoet aan de geldende Europese milieunormen;

  • f.

     de onderneming wordt beëindigd om dier-, plant- of volksgezondheidsredenen of sanitaire, ethische of milieuredenen;

  • g.

     het project maakt onderdeel uit van een verbeterplan, welke is ondertekend door de subsidieaanvrager en waaruit in ieder geval blijkt dat:

    • 1°.

       het project het meest kosteneffectief is ten opzichte van de onderzochte alternatieven;

    • 2°.

       ten minste 15% van de overheidsbijdrage in de bekostiging van de uitvoering van het verbeterplan wordt gefinancierd door de gemeente of gemeentes waarin het project wordt uitgevoerd;

    • 3°.

       alternatieve financieringsmogelijkheden zijn onderzocht en indien mogelijk benut;

    • 4°.

       de uitvoering van het plan leidt tot het blijvend opheffen van de overlast van veehouderij op de omgeving;

    • 5°.

       het plan de instemming heeft van de belanghebbenden in het urgentiegebied;

    • 6°.

       het plan de instemming heeft van de gemeente of gemeenten in het urgentiegebied;

  • h.

     aan het project liggen ten grondslag:

    • 1°.

       een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze paragraaf;

    • 2°.

       een taxatie van een beëdigd taxateur;

    • 3°.

       een tijdsplanning;

    • 4°.

       een sluitende begroting.

Artikel 2.7 Subsidiabele kosten

Voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4 komen voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie, de volgende kosten in aanmerking:

  • a.

     getaxeerde daling van de marktwaarde van de beëindigingslocatie inclusief de eventueel aanwezige bedrijfswoningen als gevolg van de uitvoering van het project, waarbij de datum van indienen van de subsidieaanvraag geldt als waardepeildatum;

  • b.

     de kosten die verbonden zijn aan de vernietiging van de productiecapaciteit.

Artikel 2.8 vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend van 6 maart 2017 tot en met 31 december 2017.

Artikel 2.9 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 1.4 en artikel 2.4 tezamen, voor de periode genoemd in artikel 2.8, vast op €3.700.000.

Artikel 2.10 Subsidiehoogte

  • 1  De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.4, bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 400.000.

  • 2  Onverminderd het maximum, genoemd in het eerste lid, wordt indien ter zake van een project reeds door een ander bestuursorgaan of door de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt, slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat voor het totale bedrag aan subsidies het maximum, genoemd in het eerste lid, niet wordt overschreden.

Artikel 2.11 Verdeelcriteria

  • 1  Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2  Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3  Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 2.12 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

     alle activiteiten in het kader van de agrarische onderneming op de bedrijfskavel worden beëindigd;

  • b.

     alle gebouwen, bouwwerken en vaste installaties, inclusief kelderruimten, sleufsilo’s en vloerplaten ten behoeve van de veehouderij, met de bijbehorende fundamenten en ondergrondse voorzieningen van de bedrijfskavel worden verwijderd, op een wijze die verantwoord is uit een oogpunt van milieuzorg en de bedrijfskavel wordt geëgaliseerd;

  • c.

     door de subsidieontvanger wordt een wettelijk bindende toezegging gedaan dat de sluiting van de betrokken productiecapaciteit definitief en onomkeerbaar is en dat de subsidieontvanger dezelfde activiteit niet opnieuw zal beginnen op een andere plaats;

  • d.

     de subsidieontvanger werkt mee aan de verlening van een passende andere bestemming die veehouderij uitsluit door het gemeentebestuur aan de bedrijfskavel en voor zover nodig, aan de daarbij behorende gronden, en in afwachting van de aanpassing van het bestemmingsplan worden geen bouwwerken op de bedrijfskavel opgericht;

  • e.

     voor de bedrijfskavel zijn na de indiening van de aanvraag om subsidie geen aanvragen om een omgevingsvergunning ingediend en de, ten tijde van de indiening van de aanvraag om subsidie, aanhangige aanvragen om een omgevingsvergunning of nog niet gebruikte omgevingsvergunningen, zijn ingetrokken;

  • f.

     de subsidieontvanger toont door middel van een bodemonderzoek aan dat de bodemverontreiniging op de bedrijfskavel en de daarbij behorende gronden, indien aanwezig, is teruggebracht tot een niveau dat in verband met het te verwachten grondgebruik aanvaardbaar kan worden geacht;

  • g.

     indien een melding als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit milieubeheer is gedaan voor de uitoefening van de agrarische onderneming, wordt een melding gedaan met betrekking tot het veranderen van de inrichting en de werking daarvan, inhoudende dat de uitoefening van de veehouderij op de bedrijfskavel niet langer mogelijk is;

  • h.

     indien voor de uitoefening van de agrarische onderneming een omgevingsvergunning of een natuurbeschermingswetvergunning is verleend, worden deze ingetrokken of zodanig gewijzigd dat de uitoefening van de veehouderij op de uitplaatsingslocatie niet langer mogelijk is.

  • i.

     de aan de bedrijfskavel verbonden productierechten en bijbehorende rechten worden verkocht aan de provincie Noord-Brabant tegen de marktwaarde op moment van aanvragen van de subsidie;

  • j.

     in geval van vervreemding van de locatie of locaties waar het project is uitgevoerd, wordt in de verkoopovereenkomst een beding opgenomen ter instandhouding van het resultaat van het project aan koper en daaropvolgende kopers;

  • k.

     bij subsidies van € 25.000 en hoger overlegt de subsidieontvanger jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

  • l.

     de subsidieontvanger houdt een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 2.13 Prestatieverantwoording

  • 1  Gedeputeerde Staten leggen in de beschikking tot subsidieverlening vast op welke wijze de subsidieontvanger aantoont dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

  • 2  Onverminderd het eerste lid en gelet op de toepasselijke Europese regelgeving overlegt de subsidieontvanger daarbij een overzicht van gerealiseerde kosten.

Artikel 2.14 Bevoorschotting en betaling

  • 1  Bij subsidies van € 25.000 en hoger verstrekken Gedeputeerde Staten een voorschot van 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2  Gedeputeerde Staten betalen het voorschot in vier gelijke delen, waarvan de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald op basis van besteding.

Artikel 2.15 Subsidievaststelling

Gelet op de toepasselijke Europese regelgeving worden de verleende subsidies vastgesteld op basis van prestaties en gerealiseerde kosten.

Artikel 2.16 Intrekking van de subsidievaststelling

Een beschikking tot subsidievaststelling wordt ingetrokken, indien binnen vijf jaar nadat deze is genomen, voor de bedrijfskavel een bestemmingsplan of een besluit als bedoeld in artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand komt op basis waarvan woningbouw is toegelaten.

§ 3 Slotbepalingen

Artikel 3.1 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2018 en vervolgens telkens na twee jaar aan Provinciale Staten een verslag over de werking van deze regeling.

Artikel 3.2 Intrekking

De Subsidieregeling urgentiegebieden Noord-Brabant 2015 wordt ingetrokken.

Artikel 3.3 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 15 april 2016.

Artikel 3.4 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling urgentiegebieden Noord-Brabant 2016.

Ondertekening

’s-Hertogenbosch, 22 maart 2016 Gedeputeerde Staten voornoemd,
de voorzitter prof. dr. W.B.H.J. van de Donk
de secretaris mw. ir. A.M. Burger
 
 

 Toelichting behorende bij de Subsidieregeling urgentiegebieden Noord-Brabant 2015

Algemeen

Juridisch kader Deze subsidieregeling is vastgesteld op grond van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant (Asv). Dit betekent dat een aantal aspecten van de verstrekking van subsidies niet in de subsidieregeling zijn vastgelegd, maar in de Asv. In de Asv staat onder meer waar de aanvraag moet worden ingediend, wat de beslistermijnen zijn voor Gedeputeerde Staten en algemene verplichtingen voor de subsidieontvanger, zoals de meldingsplicht. Voor een goed begrip van deze subsidieregeling is dus bestudering van de Asv noodzakelijk. Ook de Algemene wet bestuursrecht bevat algemene bepalingen die onverkort van toepassing zijn op subsidies, verstrekt op grond van deze subsidieregeling.

Artikelsgewijs§ 1 Aanpassing of verplaatsing van agrarische bedrijven

Artikel 1.6, eerste lid, onder d Verbeterplan De activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd, vloeien voort uit een voor het desbetreffende urgentiegebied vastgesteld verbeterplan, dat de instemming heeft van de belanghebbenden en de gemeente(n) in het desbetreffende urgentiegebied. De gemeente bepaalt samen met de belanghebbenden de ligging van het urgentiegebied. Uitgangspunt is dat alle belanghebbenden instemmen met het verbeterplan. Instemming blijkt uit ondertekening van het plan. Mocht één of enkele belanghebbende zich bijzonder oncoöperatief opstellen en niet met het plan willen instemmen, dan is dit acceptabel als de desbetreffende gemeente samen met de overige belanghebbenden aannemelijk maakt dat desondanks toch een goede kwaliteit van de leefomgeving bereikt kan worden, bijvoorbeeld door het toepassen van publiekrechtelijke bevoegdheden om de oncoöperatieve belanghebbende toch tot medewerking te dwingen. Het verbeterplan moet ertoe leiden dat in het urgentiegebied de normen voor geurbelasting en fijn stof, zoals opgenomen in de Verordening ruimte 2014 blijvend worden gerealiseerd. Daarnaast voorziet het verbeterplan in het opheffen van andere vormen van overlast zoals door geluid of verkeer.

Artikel 1.6, eerst lid, onderdeel d, onder 1 Dit betekent onder meer dat in geval van verplaatsing of beëindiging van bedrijven de uitplaatsingslocatie de meest profijtelijke herbestemming en gebruik moet krijgen. Het gaat hier om een herbestemming die, gelet op een goede ruimtelijke ordening en marktverwachtingen, leidt tot de hoogste verkoopwaarde.

Artikel 1.6, eerste lid, onder g  Beeldkwaliteit De goede beeldkwaliteit van het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd blijkt uit een ontwerp van de inpassing in de omgeving door bijvoorbeeld de vormgeving van de gebouwen, inrichting van het erf of de landschappelijke inpassing.

Artikel 1.7, Subsidiabele kosten Alle investeringskosten die op basis van een verbeterplan moeten worden gemaakt komen in principe in aanmerking, uitgezonderd de kosten genoemd in artikel 1.8. Dit kunnen kosten zijn die ten behoeve van de desbetreffende onderneming worden gemaakt, maar ook kosten die gemaakt worden aan nabijgelegen woningen of erven. Kosten die betrekking hebben op de exploitatie, zoals energiekosten en onderhoudskosten vallen niet onder investeringskosten.  Uit het verbeterplan dient te blijken dat de te maken kosten tot de meest kosteneffectieve oplossing zal leiden. Investeringen die alleen betrekking hebben op het reduceren van de emissie van fijn stof zijn slechts dan subsidiabel voor zover door die investeringen de Europese en daarmee de provinciale norm onderschreden wordt. Overige investeringen moeten leiden tot een betere milieusituatie in vergelijking met de situatie op basis van vigerende vergunningen of op basis van de verplichtingen die voortvloeien uit het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 1.7, derde lid, onder d Een eventuele overschrijding van de huidige productiecapaciteit is dus niet subsidiabel.

Artikel 1.11, eerste, tweede en derde lid Overeenkomstig artikel 1.6, eerste lid, onderdeel d, onder 2º. geldt de verplichte bijdrage van de desbetreffende gemeente(n) voor het totale verbeterplan dat uit één of meer projecten kan bestaan, waaronder het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Het kan dus zo zijn dat de gemeentelijke bijdrage niet of slechts gedeeltelijk betrekking heeft op het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd.  Wanneer de gemeentelijke bijdrage betrekking heeft op het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd maakt de gemeente haar bijdrage over aan de provincie en verzorgt de provincie de subsidieverlening.

Artikel 1.11, vierde lid Indien één of meer gemeente(n) extra wens(t)(en) bij te dragen aan het project kan de maximale subsidie in bijzondere situaties met dat bedrag worden verhoogd. Bijzondere situaties zijn bijvoorbeeld situaties dat een te verplaatsen onderneming nog vrij jong is, het waardeverlies derhalve fors is en de verplaatsing als gevolg van het maximum subsidiebedrag van € 750.000 niet financierbaar is. Altijd zal overtuigend moeten worden aangetoond dat verplaatsing in die situatie de meest kosteneffectieve oplossing is. De desbetreffende overheid dient dan haar bijdrage aan de provincie te betalen, waarna de provincie de subsidieverlening verzorgt.

§ 2 Beëindiging van agrarische bedrijven Artikel 2.6, onder g, Verbeterplan De activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd, vloeien voort uit een voor het desbetreffende urgentiegebied vastgesteld verbeterplan, dat de instemming heeft van de belanghebbenden en de gemeente(n) in het desbetreffende urgentiegebied. De gemeente bepaalt samen met de belanghebbenden de ligging van het urgentiegebied. Uitgangspunt is dat alle belanghebbenden instemmen met het verbeterplan. Instemming blijkt uit ondertekening van het plan. Mocht één of enkele belanghebbende zich bijzonder oncoöperatief opstellen en niet met het plan willen instemmen, dan is dit acceptabel als de desbetreffende gemeente samen met de overige belanghebbenden aannemelijk maakt dat desondanks toch een goede kwaliteit van de leefomgeving bereikt kan worden, bijvoorbeeld door het toepassen van publiekrechtelijke bevoegdheden om de oncoöperatieve belanghebbende toch tot medewerking te dwingen. Het verbeterplan moet ertoe leiden dat in het urgentiegebied de normen voor geurbelasting en fijn stof, zoals opgenomen in de Verordening ruimte 2014 blijvend worden gerealiseerd. Daarnaast voorziet het verbeterplan in het opheffen van andere vormen van overlast zoals door geluid of verkeer.

Artikel 2.6, onderdeel g, onder 1º  Dit betekent onder meer dat in geval van verplaatsing of beëindiging van bedrijven de beëindigingslocatie de meest profijtelijke herbestemming moet krijgen. Het gaat hier om een herbestemming die, gelet op een goede ruimtelijke ordening en marktverwachtingen, leidt tot de hoogste verkoopwaarde.

Artikel 2.10, eerste lid Overeenkomstig artikel 2.6, onderdeel f, onder 2, geldt de verplichte bijdrage van de desbetreffende gemeente(n) voor het totale verbeterplan dat uit één of meer projecten kan bestaan, waaronder het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Het kan dus zo zijn dat de gemeentelijke bijdrage niet of slechts gedeeltelijk betrekking heeft op het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd.  Wanneer de gemeentelijke bijdrage betrekking heeft op het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd maakt de gemeente haar bijdrage over aan de provincie en verzorgt de provincie de subsidieverlening.

 

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

de voorzitter de secretaris prof. dr. W.B.H.J. van de Donk mw. ir. A.M. Burger