Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Noordwijk

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Noordwijk houdende regels omtrent financiën Financiële verordening Noordwijk 2019

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieNoordwijk
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening van de gemeenteraad van de gemeente Noordwijk houdende regels omtrent financiën Financiële verordening Noordwijk 2019
CiteertitelFinanciële verordening Noordwijk 2019
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze regeling vervangt de Financiële verordening Noordwijk 2017 en de Financiële verordening Noordwijkerhout 2017.

Deze regeling bevat de vroegst mogelijke datum van inwerkingtreding.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Onbekend

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

08-01-2019nieuwe regeling

02-01-2019

gmb-2019-3084

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Noordwijk houdende regels omtrent financiën Financiële verordening Noordwijk 2019 

Artikel 1. - Begripsbepaling

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • Team:

Iedere organisatorische eenheid binnen de gemeentelijk organisatie met een eigen rechtstreekse verantwoording aan het college.

 

 

  • administratie:

Het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie met als doel het besturen, functioneren en beheersen van de gemeente alsmede het afleggen van verantwoording.

 

 

  • financieel beheer:

Het geheel van maatregelen, voorzieningen en regels voor het opstellen, verwerken, vastleggen en controleren van de uitgaven, de verplichtingen, de ontvangsten.

 

 

  • autorisatieniveau

Het niveau waarop de gemeenteraad het college van burgemeester en wethouders machtigt om voor een bepaald jaar verplichtingen aan te gaan en uitgaven te doen voor een bepaald doel.

 

 

  • rechtmatigheid:

Het overeenstemmen van de financiële beheershandelingen en de vastlegging daarvan met de relevante wet- en regelgeving, zoals beschreven in het Besluit accountantscontrole provincies en gemeenten.

 

 

  • doelmatigheid:

Het realiseren van de beoogde maatschappelijke effecten van het beleid met een zo beperkt mogelijke inzet van middelen.

 

 

  • doeltreffendheid:

De mate waarin de beoogde maatschappelijke effecten daadwerkelijk worden gehaald.

 

 

  • EMU-saldo:

Het EMU-saldo is het totaal aan inkomsten min de uitgaven van de Rijksoverheid, sociale fondsen en lokale overheden. Hierbij zitten ook inkomsten en uitgaven met een kapitaalkarakter. Zoals aan- en verkopen van grond, investeringen, investeringsbijdragen en opbrengsten uit de verkoop van gas. Financiële transacties, zoals de verkoop van deelnemingen of kredietverstrekking, worden niet als inkomsten of uitgaven gezien.

  • Taakveld:

Voorgeschreven eenheden die betrekking hebben op de taken en de daaraan gerelateerde activiteiten van gemeenten waar baten en lasten mee gemoeid zijn. Een taakveld kan uit meerdere producten bestaan.

Artikel 2. – Planning- & Controlcyclus

  • 2.1

    Voor aanvang van een begrotingsjaar biedt het college van burgemeester en wethouders de raad ter kennisname een planning aan met daarin de data voor de aanbieding / vaststelling van de kadernota, de begroting met investeringsplan en meerjarenbegroting, de tussentijdse rapportages en de jaarstukken (spoorboekje).

Artikel 3. – Kaders begroting

  • 3.1

    Het college van burgemeester en wethouders biedt de gemeenteraad in de Kadernota een voorstel aan over de financiële en de beleidskaders voor de volgende meerjarenbegrotingsperiode. De gemeenteraad stelt de kaders vast.

  • 3.2

    De ramingen in de ontwerpbegroting zijn gebaseerd op de bestaande meerjarenbegroting, met daarin opgenomen de begrotingsuitgangspunten voor het komende jaar, geactualiseerde areaalgegevens, nieuwbeleid, en de ontwikkelingen van uit de algemene uitkering uit het gemeentefonds en de effecten van de jaarrekening.

  • 3.3

    Waar meerjarig onderhoudsplannen door de raad zijn vastgesteld, worden die als basis gehanteerd voor de ramingen van de onderhoudsbudgetten in de ontwerpbegroting.

  • 3.4

    In de begroting wordt een post onvoorzien incidenteel van € 130.000,- en een post onvoorzien structureel van € 50.000,- opgenomen.

Artikel 4. – Programma indeling

  • 4.1

    De raad stelt bij aanvang van de nieuwe raadsperiode de programma-indeling van de begroting en de jaarstukken voor die raadsperiode vast.

  • 4.2

    De raad stelt bij aanvang van de nieuwe raadsperiode van de door het college aan de programma’s toegewezen producten vast.

  • 4.3

    De raad stelt per programma de beleidsindicatoren vast. De programma bevatten ten minste de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

  • 4.4

    De raad stelt bij aanvang van de nieuwe raadsperiode vast over welke onderwerpen hij in extra paragrafen naast de verplichte paragrafen in de begroting en rekening kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd. De inhoud van de verplichte paragrafen bevat minimaal de onderdelen zoals genoemd in het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV).

Artikel 5. – Inrichting begroting en jaarstukken

  • 5.1

    Bij de begroting worden onder elk van de programma’s de geraamde lasten en baten weergegeven en bij de jaarstukken worden onder elk van de programma’s de gerealiseerde lasten en baten weergegeven.

  • 5.2

    Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt een overzicht van nieuw voorgenomen investeringen voor een periode van vier jaren weergegeven: het investeringsplan.

  • 5.3

    Bij de uiteenzetting van de financiële positie in begroting wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het BBV inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenramingen en investeringen en grondexploitatie.

  • 5.4

    In de jaarrekening wordt inzicht gegeven in de financiële positie van de gemeente op balansdatum einde jaar.

  • 5.5

    In de jaarrekening wordt van de investeringen de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten weergegeven.

Artikel 6. – Autorisatie begroting, investeringskredieten en begrotingswijzigingen

  • 6.1

    De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de totale lasten en baten per programma en het overzicht van de algemene dekkingsmiddelen, overhead, vennootschapsbelasting en onvoorzien.

  • 6.2

    Bij de begrotingsbehandeling biedt het college de raad tevens het investeringsplan voor de komende vier jaar aan, met het voorstel om met dit plan in te stemmen. Voor elk voornemen wordt op een later tijdstip een afzonderlijk voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet aan de raad aangeboden.

  • 6.3

    Voor de in het investeringsplan opgenomen investeringsvoornemens van het eerstvolgende begrotingsjaar, kleiner dan € 100.000,- wordt bij vaststelling van de begroting een voorstel gedaan om deze investeringskredieten tegelijk met de vaststelling van de begroting beschikbaar te stellen.

  • 6.4

    Bij de behandeling van de tussenrapportages in de raad doet het college voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde budgetten en de investeringskredieten en het bijstellen van het beleid.

  • 6.5

    Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college vooraf aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel met een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet aan de raad voor. Bij investeringen groter dan € 1.000.000,- informeert het college de raad in het voorstel over het effect van de investering op de schuldpositie van de gemeente.

Artikel 7. – Tussentijdse rapportage

  • 7.1

    Op de tijdstippen als bedoeld in de planning in artikel 2 informeert het college de raad door middel van tussentijdse rapportages (Voorjaarsnota, Najaarsnota en de Decembernota) over de realisatie van de begroting in de voorliggende maanden van het lopende boekjaar.

  • 7.2

    De tussenrapportages bevatten een uiteenzetting over de uitvoering en de bijstelling van het beleid en een overzicht met de bijgestelde raming van:

    • a.

      de baten en de lasten per programma uitgesplitst naar producten;

    • b.

      het overzicht van de algemene dekkingsmiddelen inclusief overhead, vennootschapsbelasting en onvoorzien;

    • c.

      het totale saldo van de baten en de lasten volgend uit de onderdelen a en b;

    • d.

      de (beoogde) toevoegingen en onttrekkingen aan reserves per programma; en

    • e.

      het resultaat, volgend uit de onderdelen c en d, alsmede de realisatie en raming van de uitputting van de investeringskredieten.

  • 7.3

    In de tussentijdse rapportages worden afwijkingen op de oorspronkelijke ramingen van de baten en lasten van elk programma en van de investeringskredieten toegelicht.

  • 7.4

    Periodieke voortgangsrapportages over grootschalige niet cyclische investeringsprojecten met een krediet van meer dan € 5 miljoen worden eens per kwartaal opgesteld en aan het college aangeboden.

  • 7.5

    Indien biedt het college in december van elk kalenderjaar de raad een nota (genoemd de Decembernota), waarin wordt voorgesteld om voor de afwijkingen op de oorspronkelijke ramingen van baten en lasten een begrotingswijziging vast te stellen.

Artikel 8. – Informatieplicht

  • 8.1

    Het college hanteert een actieve informatieplicht naar de raad toe; met name situaties met politiek bestuurlijke relevantie.

  • 8.2

    Het college informeert in ieder geval vooraf de raad en neemt pas een besluit, nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen van:

    • a.

      aankoop en verkoop van goederen en diensten;

    • b.

      nieuwe meerjarige verplichtingen;

    • c.

      niet eerder bij de begroting opgenomen investeringskredieten;

    • d.

      strategische aan- en verkopen groter dan het bedrag zoals genoemd in de raad vastgestelde nota Grondbeleid;

    • e.

      het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties;

    • f.

      het verstrekken van kapitaal aan instellingen en ondernemingen.

Artikel 9. – Jaarstukken

  • 9.1

    Het college legt jaarlijks aan de raad verantwoording af door middel van het jaarverslag en de jaarrekening. In de jaarstukken worden in elk geval verschillen toegelicht die groter zijn dan € 100.000,- ten opzichte van de raming.

  • 9.2

    De raad stelt in het controleprotocol voor het accountantsonderzoek de kaders vast voor de uitvoering van de accountantscontrole.

  • 9.3

    Het college actualiseert jaarlijks het normenkader en stelt een overzicht vast van de in het controlejaar geldende wet- en regelgeving. Het normenkader wordt ter informatie aan de raad aangeboden.

Artikel 10. – EMU-saldo

  • 10.1

    Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van de gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.

Artikel 11. – Investerings- & afschrijvingsbeleid

  • 11.1

    De raad stelt eens in de 4 jaar de nota investerings- en afschrijvingsbeleid vast. Hierin worden de kaders aangegeven welke investeringen worden geactiveerd en welke niet, en welke afschrijvingsmethode wordt gehanteerd.

Artikel 12. – Voorzieningen voor oninbare vorderingen

  • 12.1

    Voor openstaande vorderingen betreffende belastingen, rechten en heffingen wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd ter grootte van het historisch percentage van oninbaarheid, rekening houdend met eventuele noodzakelijke correcties op grond van inschattingen ten aanzien van de oninbaarheid.

  • 12.2

    Voor de overige vorderingen wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een beoordeling op oninbaarheid van de openstaande vorderingen, ouder dan 12 maanden.

Artikel 13. – Reserves en voorzieningen

  • 13.1

    Het college biedt de raad eens in de 4 jaar een nota reserves en voorzieningen aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en behandeld in ieder geval de volgende onderdelen:

    • a.

      de vorming en besteding van reserves;

    • b.

      de vorming en besteding van voorzieningen;

    • c.

      de rentetoerekening aan de reserves en voorzieningen;

  • 13.2

    Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen wordt minimaal aangegeven:

    • a.

      het specifieke doel van de reserve;

    • b.

      de voeding van de reserve;

    • c.

      de maximale hoogte van de reserve;

    • d.

      de maximale looptijd van de investering / de reserve.

  • 13.3

    Indien een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen binnen de aangegeven maximale looptijd niet heeft geleid tot een investering, doet het college een voorstel aan de raad om de bestemmingsreserve vrij te laten vallen en aan de algemene reserve toe te voegen.

Artikel 14. – Kostenbepaling

  • 14.1

    Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast directe kosten, de overheadkosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen , reserves en voorzieningen voor de financiering van de in gebruik zijnde activa betrokken.

  • 14.2

    Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa, de kapitaallasten van de in gebruik zijnde activa en voor rioolheffing en afvalstoffenheffing de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de kosten van het kwijtscheldingsbeleid.

  • 14.3

    Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden toegerekend aan activiteiten welke geheel of deels worden bekostigd met een specifieke uitkering of subsidie, binnen het taakveld overhead apart geadministreerd en in de desbetreffende verantwoording over de besteding toegerekend aan de activiteiten.

  • 14.4

    Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden betrokken in de aangifte vennootschapsbelasting, binnen het taakveld overhead apart geadministreerd en voor de belastingaangifte aan de kostprijs van de vennootschapsbelastingplichtige activiteiten toegerekend.

  • 14.5

    Voor de berekening van de tarieven van de heffingen en leges wordt de overhead als volgt toegerekend aan de verschillende taakvelden: totale kosten overhead (taakveld 004) / totale omzet begroting exclusief reserves. Dat percentage wordt, eens in de 4 jaar berekend.

  • 14.6

    In afwijking van het vierde lid wordt voor de toerekening van de overhead aan het grondbedrijf 68% over de toegerekende uren aan de grondexploitaties in rekening gebracht.

  • 14.7

    Het percentage van de renteomslag voor de toerekening van de rente voor de financiering van de in gebruik zijn de activa, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld. Hierbij wordt gebruikt gemaakt van het renteschema zoals wordt uiteengezet in de notitie rente 2017 van de commissie BBV. De uitkomst van dit percentage van de renteslag wordt op een half procent afgerond.

  • 14.8

    Het rentepercentage voor de rentevergoeding over de reserves en voorzieningen in de renteomslag voor de kostprijsberekening als bedoeld in het zevende lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld.

  • 14.9

    In afwijking van het eerste lid worden bij vennootschapsbelastingplichtige activiteiten en grondexploitaties alleen de rentekosten voor de inzet van vreemd vermogen aan de kostprijs toegerekend. Bij projectfinanciering worden dan de werkelijke rentekosten toegerekend. In andere gevallen wordt uitgegaan van het gewogen gemiddelde rentepercentage van de portefeuille leningen.

Artikel 15. – Prijzen economische activiteiten

  • 15.1

    Voor de levering van goederen, diensten of werken aan overheidsbedrijven en derden en met welke bijbehorende activiteiten de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt tenminste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. Bij afwijking doet het college vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de activiteit wordt gemotiveerd.

  • 15.2

    Bij het verstrekken van leningen of garanties aan overheidsbedrijven en derden brengt de gemeente de geraamde integrale kosten in rekening. Bij afwijking doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de lening of garantie wordt gemotiveerd.

  • 15.3

    Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding van tenminste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen. Bij afwijking doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de kapitaalverstrekking wordt gemotiveerd.

  • 15.4

    Raadsbesluiten met de motivering van het publiekbelang als bedoeld in de vorige leden zijn niet nodig als sprake is van:

    • a.

      leveringen van goederen, diensten of werken en het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal aan andere overheden voor zover deze leveringen en verstrekkingen zijn bedoeld voor de uitoefening van de publieke taak door die andere overheid;

    • b.

      een bevoordeling van activiteiten in het kader van een bij wet opgedragen publiekrechtelijke taak;

    • c.

      een bevoordeling van activiteiten in het kader van een toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor prijsvoorschriften gelden;

    • d.

      een bevoordeling van sociale werkplaatsen;

    • e.

      een bevoordeling van onderwijsinstellingen;

    • f.

      een bevoordeling van publieke media-instellingen; en

    • g.

      een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de staatssteunregels van het Werkingsverdrag van de Europese Unie en daarmee verenigbaar is.

Artikel 16. – Vaststelling hoogte belastingen, rechten en heffingen

  • 16.1

    Het college doet de raad jaarlijks een voorstel ter vaststelling voor de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor belastingen, rioolrechten, afvalstoffenheffing en overige leges.

  • 16.2

    De besluiten voor het vaststellen van nieuwe prijzen c.q. het wijzigen van bestaande prijzen worden ter kennisname aan de raad aangeboden.

Artikel 17. – Financieringsfunctie

  • 17.1

    Het college** biedt de raad, eens in de 4 jaar, ter kennisname een nota Treasury aan. Het college stelt het statuut vast.

  • 17.2

    De nota Treasury bevat regels ten aanzien van de wijze waarop de financieringsfunctie wordt ingevuld en uitgevoerd.

  • 17.3

    Het college zorgt bij het uitoefenen van de financieringsfunctie voor:

    • a.

      het aantrekken van voldoende financiële middelen en het uitzetten van overtollige gelden om de programma’s binnen de door de raad vastgestelde kaders van de begroting uit te voeren;

    • b.

      het beheersen van de risico’s verbonden aan de financieringsfunctie zoals renterisico’s, koersrisico’s, kredietrisico’s en risico’s ten aanzien van participaties en garanties;

    • c.

      het beperken van de kosten van leningen en het bereiken van een voldoende rendement op uitzettingen;

    • d.

      het beperken van de interne verwerkingskosten en externe kosten bij het beheren van de geldstromen en financiële posities.

  • 17.4

    Het college van burgemeester en wethouders draagt bij de uitoefening van de financieringsfunctie zorg voor:

    • a.

      het aantrekken van voldoende financiële middelen en het uitzetten van overtollige gelden om de programma’s binnen de door de raad vastgestelde kaders van de begroting te kunnen uitvoeren;

    • b.

      het beheersen van de aan de financieringsfunctie verbonden rente-, koers- en kredietrisico’s;

    • c.

      het zoveel mogelijk beperken van de kosten van geldleningen en het bereiken van voldoende rendement op uitzettingen;

    • d.

      het beperken van de interne verwerkingskosten en externe kosten bij het beheren van de geldstromen en financiële posities.

Artikel 18. – Lokale Heffingen

  • 18.1

    Het college biedt de raad, eens in de 4 jaar, een nota lokale heffingen aan.

Artikel 19. – Weerstandsvermogen en Risicobeheersing

  • 19.1

    Het college biedt de raad, eens in de 4 jaar, een nota risicomanagement aan ter vaststelling.

  • 19.2

    Het college van burgemeester en wethouders stelt in de nota risicomanagement en weerstandsvermogen de kaders vast: de aanpak om de risico’s in beeld te brengen, de mogelijke consequenties te beoordelen en te bepalen hoe de risico’s worden beheerst. Het weerstandsvermogen vormt het vangnet om de financiële gevolgen van risico’s op te kunnen vangen voor zover deze op basis van risicomanagement niet zijn afgedekt.

  • 19.3

    Overeenkomstig de kaders rapporteert het college over de stand van het weerstandsvermogen ten opzichte van de vastgestelde norm. Het college doet zo nodig voorstellen tot bijstelling van het weerstandsvermogen.

Artikel 20. – Bedrijfsvoering

  • 20.1

    In de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting wordt, naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 14 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten, ingegaan op de tijdelijke en actuele onderwerpen die aandacht behoeven. In de paragraaf bedrijfsvoering van de jaarstukken wordt gerapporteerd over de bij de begroting bepaalde onderwerpen aangaande de bedrijfsvoering alsmede over nieuwe ontwikkelingen.

Artikel 21. – Onderhoud kapitaalgoederen

  • 21.1

    Het college draagt zorg voor het up-to-date houden van de onderhoudsplannen (riolering, gebouwen, wegen ed.). Een beheerplan mag maar maximaal 5 jaar oud zijn ten opzichte van het verslaggevingsjaar (Voor het verslaggevingsjaar 2019 is een beheerplan dus niet ouder dan het jaar 2014. Van deze 5 jaar kan alleen gemotiveerd afgeweken worden).

  • 21.2

    Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 12 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:

    • a.

      de voortgang van het geplande onderhoud;

    • b.

      de omvang van het achterstallig onderhoud.

Artikel 22. – Verbonden Partijen

  • 22.1

    Het college biedt de raad, eens in de 4 jaar, een nota verbonden partijen aan. Deze nota behandelt in ieder geval hoe de raad wordt geïnformeerd over ontwikkelingen bij verbonden partijen en hoe de raad invloed kan uitoefenen.

  • 22.2

    Het college stelt de raad bij de begrotingsbehandeling van de verbonden partij in de gelegenheid om haar zienswijze kenbaar te maken ook over ontwikkelingen bij de verbonden partij.

Artikel 23. – Grondbeleid

  • 23.1

    Het college biedt de raad, eens in de 4 jaar, een nota grondbeleid aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en behandelt in ieder geval:

    • a.

      De strategische visie van het toekomstige grondbeleid van de gemeente;

    • b.

      De ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten;

    • c.

      Het verloop van de grondvoorraad;

    • d.

      De uitgangspunten voor de verkoopprijzen van gronden.

  • 23.2

    In de paragraaf grondbeleid bij de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 16 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:

    • a.

      Het verloop van de grondvoorraad;

    • b.

      De te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten.

Artikel 24. – Administratie

  • 24.1

    De administratie is zodanig van opzet dat zij dienstbaar is voor:

    • a.

      het sturen en beheersen van activiteiten en processen in de gemeentelijke organisatie als geheel en in de teams;

    • b.

      het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van activa met economisch nut, activa met maatschappelijk nut, voorraden, vorderingen, schulden, contracten e.d.;

    • c.

      het verschaffen van informatie over uitputting van toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties;

    • d.

      het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid;

    • e.

      het afleggen van verantwoording over rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerd bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving;

    • f.

      de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving.

Artikel 25. – Financiële organisatie

  • 25.1

    Het college van burgemeester en wethouders zorgt voor:

    • a.

      een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de afdelingen;

    • b.

      een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden, verantwoordelijkheden;

    • c.

      de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten;

    • d.

      de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie;

    • e.

      de te maken afspraken met de afdelingen over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen;

    • f.

      de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van de lasten en baten aan de producten van de productenraming en de productenrealisatie;

    • g.

      het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten;

    • h.

      het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen; en

    • i.

      het beleid en de interne regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen,

      opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan.

Artikel 26. – Interne controle

  • 26.1

    Het college zorgt ten behoeve van het getrouwe beeld van de jaarrekening, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder a van de Gemeentewet, en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de balansmutaties, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder b van de Gemeentewet, voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college maatregelen tot herstel.

  • 26.2

    Het college zorgt voor de systematische controle van de registratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het vermogen van de gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd.

Artikel 27. – Intrekken oude verordening

De “Financiële verordening Noordwijk 2017” vastgesteld bij raadsbesluit 14 februari 2018, wordt ingetrokken per 1 januari 2019, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de jaarrekening en het jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar voorafgaand aan het jaar waarin deze verordening in werking treedt.

De “Financiële verordening Noordwijkerhout 2017” vastgesteld bij raadsbesluit 14 december 2017, wordt ingetrokken per 1 januari 2019, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de jaarrekening en het jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar voorafgaand aan het jaar waarin deze verordening in werking treedt.

Artikel 28. – Inwerkingtreding

  • 28.1

    Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2019.

Artikel 29. – Citeertitel

  • 29.1

    De regeling kan worden aangehaald als de “Financiële verordening Noordwijk 2019”

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 2 januari 2019,

M. Fabbricotti, griffier

J.H.M. Hermans – Vloedbeld, voorzitter

Toelichtingen op de financiële verordening 2019

 

Algemeen:

In deze verordening worden zaken niet zodanig strak en vast geregeld dat de minste afwijking kan zijn om het (financieel) rechtmatig handelen ter discussie te stellen bij de jaarrekeningcontrole. Uitwerkingszaken worden waar nodig in afzonderlijke regelingen vastgelegd.

 

Artikel 2. Planning- & controlcyclus

Door aan het begin van het begrotingsjaar een P&C planning vast te stellen, hoeft in deze financiële verordening niet in afzonderlijke artikelen te worden gewerkt met data.

 

Artikel 3.Kaders begroting

De beleidskaders die de raad vaststelt, worden voorzien van een financiële prognose, die vervolgens wordt gebruikt in de voorbereiding voor de komende meerjarenbegroting.

Het belang van de beheerplannen wordt geaccentueerd. De financiële vertaling van de hierin opgenomen onderhoudsplannen zijn basis voor de onderhoudsramingen in de begroting. Indien ramingen in de begroting afwijken van deze beheerplannen is een toelichting noodzakelijk.

 

Artikel 4. Programma-indeling

De raad stelt de indeling van de programma’s vast, en doet dat aan het begin van elke nieuwe raadsperiode. Deze bepaling ziet er op toe dat niet elk jaar nieuwe indelingen worden gebruikt, waarmee de vergelijkbaarheid van de opeenvolgende begrotingen wordt bemoeilijkt.

Het college wijst de producten aan elk van de programma’s toe.

 

Artikel 5.Inrichting begroting en jaarrekening

Het autorisatieniveau voor de begroting ligt op programmaniveau (zie art. 6). Daarom wordt per programma inzicht gegeven in de geraamde baten en lasten, door die te vermelden bij elk van de programma’s.

In het BBV staat de verplichting om in de begroting aandacht te besteden aan de investeringen. Dat is hier uitgewerkt, en uitgebreid naar de jaarrekening.

 

Artikel 6. Autorisatie begroting, investeringskredieten enbegrotingswijzigingen

Het autorisatieniveau waarop de gemeenteraad het college van burgemeester en wethouders machtigt om voor een bepaald jaar verplichtingen aan te gaan en uitgaven te doen voor een bepaald doel is een programma. Een programma bestaat uit een samenstel van een aantal samenhangende producten of een enkel product van de productenraming en productenrealisatie. Gesignaleerde of geconstateerde budgetafwijkingen leiden tot besluiten tot wijziging van de begroting, in elk geval voor zover daarmee het totaalbudget van lasten of baten van een programma wordt overschreden. Voorstellen daartoe worden ingediend bij de behandeling van de Voorjaarsnota (minimaal een indicatie van de invloed op de begrotingsbudgetten), de Najaarsnota en de Decembernota. Instemming met het investeringsplan voor de komende jaren impliceert niet dat daarmee ook tot de verstrekking van individuele investeringskredieten is besloten. Dat geldt uitdrukkelijk wel voor investeringskredieten kleiner dan € 100.000,-; daarvoor wordt in het raadsvoorstel voor de vaststelling van de begroting een afzonderlijk beslispunt opgenomen. De ruimte voor het doen van investeringen is opgenomen in de begroting.

 

Artikel 7.Tussentijdse rapportages

In de Voorjaarsnota en de Najaarsnota informeert het college de gemeenteraad over de uitvoering van het beleid, zoals dat in de programmabegroting is beschreven. Zo nodig worden voorstellen gedaan voor actualisering van budgetten. In de Decembernota wordt alleen een voorstel gedaan voor wijziging van de begroting, waarin compensatie wordt aangegeven voor budgetover- of onderschrijdingen. Daarnaast zal er voor grootschalige niet cyclische investeringsprojecten boven de € 5 miljoen eens per kwartaal aan het college worden gerapporteerd.

 

Artikel 8.Informatieplicht

Een uitwerking wordt gegeven van art. 169 gemeentewet, dat het college verplicht om vooraf aan het aangaan van bepaalde verplichtingen de raad inlichtingen te verstrekken. Het gaat hier om rechtshandelingen met een financieel gevolg.

 

Artikel 9.Jaarstukken

De jaarstukken zijn het sluitstuk van de begrotingscyclus: het college legt verantwoording af aan de gemeenteraad over de uitvoering van de begroting. De gemeenteraad bepaalt de kaders voor de accountantscontrole in het controleprotocol. De vaststelling van het normenkader voor de accountantscontrole is een bevoegdheid van het college. De gemeenteraad wordt hierover wel geïnformeerd door het college.

 

Artikel 10.EMU-saldo

Voor gemeentes is in de Wet houdbare overheidsfinanciën vastgelegd dat ze aandeel hebben in plafond voor het totale EMU-tekort van Nederland. Wordt dit gemeentelijke aandeel in het EMU-tekort door de gezamenlijke gemeenten overschreden dan kan dat tot een correctieve maatregel van het Rijk leiden of tot een boete uit Europa die naar de gemeenten wordt doorvertaald. Maar het kan ook zijn dat de overschrijding niet erg is.

Gemeenten krijgen in het voorjaar van het Rijk bericht of het gemeentelijk aandeel in het nationale toegestane EMU-tekort met de lopende begroting dreigt te worden overschreden. Ook wordt dan duidelijk of daarop actie van gemeenten is gewenst. Pas als dit laatste het geval is, moeten gemeenten met een individuele EMU-saldo hoger dan gemeentelijke EMU-referentiewaarde hun begroting neerwaarts bijstellen om de overschrijding van het collectieve aandeel ongedaan te maken. In het artikel is opgenomen dat het college de raad informeert bij een overschrijding van het toegestane EMU-tekort voor alle gemeenten. Als daarop actie nodig is van de gemeente, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.

 

Artikel 11.Investerings- en afschrijvingsbeleid

De regels voor waardering en afschrijving van activa legt het college in een afzonderlijke nota vast. Daarin worden onder meer de afschrijvingspercentages voor materiële vaste activa met economisch nut bepaald. Dat zijn maximale percentages, waarvan naar beneden kan worden afgeweken. De afschrijvingsmethodiek en –termijnen van een actief met economisch nut moet zijn afgestemd op de economische levensduur. Ook het beleid ten aanzien van activeren van activa met meerjarig maatschappelijk nut.

 

Artikel 12. Voorzieningen voor oninbare vorderingen

Voor de oninbaarheid van vorderingen moet een gemeente een voorziening vormen. De ‘overige’ openstaande vorderingen (d.w.z. anders dan gemeentelijke belastingen en heffingen) worden individueel op oninbaarheid beoordeeld. Omdat individuele beoordeling van de openstaande aanslagen en heffingen te bewerkelijk is, wordt die in de vorm van een bulkbeoordeling gemaakt. Rekening wordt gehouden met de invloed van de economische omstandigheden van het moment waarop de omvang van de voorziening wordt bepaald.

 

Artikel 13. Reserves en voorzieningen

De gemeenteraad heeft het budgetrecht, ook ten aanzien van de reserves en voorzieningen. De raad bepaalt welke omvang de reserves moeten hebben om risico’s te kunnen opvangen, en welke reserves voor specifieke bestemmingen worden gecreëerd, hoe die worden gevormd en aangewend. De bepaling in deze verordening dat het college het beleid voor reserves (en voorzieningen) in een afzonderlijke nota aan de raad voorlegt, benadrukt het belang van reserves voor de financiële positie van de gemeente.

 

Artikel 14. Kostenbepaling

Artikel 212 Gemeentewet bepaalt in het tweede lid, onder b, dat de verordening in ieder geval de grondslagen bevat voor de berekening van de door het gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en van tarieven voor rechten als bedoeld in artikel 229b en heffingen als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. De grondslagen voor de prijzen die de gemeente bij overheidsbedrijven en derden in rekening brengt, en voor de tarieven van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden gevormd door de opbouw van de kostprijs.

Met de herziening van het BBV met ingang van 2017 moeten de overheadkosten apart worden verantwoord. Ze worden bij de gemeente niet meer doorberekend aan de taakvelden. Daarmee vervalt de mogelijkheid om de integrale kostprijzen in de administratie van de baten en lasten op taakvelden van de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening in beeld te brengen. De kostprijzen moeten daarom extracomptabel worden berekend en vastgelegd.

 

Het eerste lid van artikel 14 bepaalt, dat de kostprijsberekeningen extracomptabel worden vastgelegd en dat de kostprijzen bestaan uit de directe kosten en een opslag voor de overhead en voor de rente over de inzet van vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van (vaste) activa die voor desbetreffende rechten en heffingen en voor de desbetreffende goederen, werken en diensten worden ingezet.

 

Het tweede lid bepaalt, dat ook bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa worden betrokken bij de kostprijsberekening. Voor de gemeentelijke rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht zoals de rioolheffing, worden in de kostprijsberekening ook de compensabele BTW en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid meegenomen.

 

Het derde lid geeft aan, dat de overheadkosten die kunnen worden toegerekend aan specifieke uitkeringen en subsidies, apart onder het taakveld overhead in de administratie worden afgezonderd en in de desbetreffende verantwoordingen over de besteding aan specifieke uitkeringen en subsidies worden toegerekend. Dit afzonderen kan door voor deze kosten aparte (hulp-)kostenplaatsen aan te maken en de kosten voortaan op deze (hulp-) kostenplaatsen te boeken

 

Het vierde lid geeft aan, dat de overheadkosten die kunnen worden toegerekend aan de activiteiten die onder de vennootschapsbelastingplicht vallen, apart onder het taakveld overhead in de administratie worden afgezonderd en in de belastingaangifte aan deze activiteiten worden toegerekend. Dit afzonderen kan door voor deze kosten aparte (hulp-) kostenplaatsen aan te maken en de kosten voortaan op deze (hulp-)kostenplaatsen te boeken.

 

Het vijfde lid geeft de definitie van de kostenverdeelsleutel voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijzen van rechten en heffingen waarmee de gemeente kosten in rekening brengt zoals de afvalstoffenheffing, en voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijzen van goederen, werken en diensten die door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden geleverd. Er wordt voor de toerekening van de overheadkosten bepaalt, dat deze plaatsvindt op basis van een percentage welke wordt berekend met de volgende formule: totale kosten overhead (taakveld 004) / totale omzet begroting exclusief reserves.

 

Het zesde lid geeft de definitie van de kostenverdeelsleutel voor de toerekening van de overheadskosten aan de grondexploitaties. Op basis van de toegerekende uren aan de grondexploitaties wordt 68% aan overhead in rekening gebracht. Met dit percentage wordt de berekening van de overhead aan de grondexploitaties gecontinueerd in vergelijking met vorige jaren.

 

Het zevende lid van artikel 14 geeft de berekeningswijze van de omslagrente voor het toerekenen van de rente aan de kostprijs voor de inzet van vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van activa. Het percentage van de omslagrente wordt afgeleid van de bij de begroting geraamde rentekosten over het vreemd vermogen als percentage van het aangetrokken vreemd vermogen voor de financiering en het in het achtste en negende lid bepaalde rentepercentage voor de rentevergoeding over de reserves en voorzieningen.

 

Het achtste lid verwijst naar de nota reserves en voorzieningen.

 

Het negende lid van artikel 14 bepaalt tenslotte, dat in de kostprijs van vennootschapsbelastingplichtige activiteiten en grondexploitaties geen rente over de inzet van reserves en voorzieningen wordt meegenomen. Die rente wordt door de rijksbelastingdienst niet als kosten geaccepteerd.

Grondexploitaties vallen bij de meeste gemeenten ook onder de vennootschapsbelastingplichtige activiteiten, maar dit hoeft altijd het geval te zijn. Voor de methodiek van het bepalen van de omslagrente wordt in dit lid aangesloten bij de Notitie Grondexploitaties (bijlage 3) van de Commissie BBV.

 

Artikel 15.Prijzen economische activiteiten

Als een gemeente goederen, diensten of werken levert aan overheidsbedrijven of derden dan mag zij deze activiteiten niet bevoordelen als het economische activiteiten betreft. Economische activiteiten zijn hier activiteiten waarmee de gemeenten in concurrentie met ander ondernemingen treedt. Het bevoordelingsverbod houdt feitelijk in dat tenminste een integrale kostprijs voor de levering van goederen, diensten werken en het verstrekken van leningen garanties en kapitaal in rekening moet worden gebracht.

Van deze verplichting kan worden afgeweken als de activiteiten worden ontplooid in het kader van het publiek belang. Daarvoor is wel nodig dat in een raadbesluit het publiek belang van de activiteit wordt gemotiveerd.

Voor het verplicht in rekening brengen van minimaal een integrale kostprijs voor de levering van goederen, werken en diensten of voor het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal gelden een aantal uitzonderingen. Deze uitzonderingen worden in het vierde lid opgesomd.

 

Artikel 16.Vaststelling hoogte belastingen, rechten en heffingen

De bevoegdheid van de gemeenteraad voor het vaststellen van tarieven voor belastingen, heffingen en leges kan niet worden gedelegeerd. De vaststelling van de prijs voor een gemeentelijke dienst, levering of werk vergt een (privaatrechtelijk) besluit onder de bevoegdheid van het college. Maar, als bij de vaststelling van die prijzen een publiek belang in het geding is en prijzen lager dan marktconform worden vastgesteld, geeft de raad het college kaders mee voor het afwijken van marktconforme prijzen. De kaders voor het grondbeleid en de uitwerking daarvan worden in een afzonderlijke nota door de gemeenteraad vastgesteld.

 

Artikel 17. Financieringsfunctie

Het beleid en de organisatie van de treasury (de financieringsfunctie) krijgt vanuit art. 212 Gemeentewet speciale aandacht in de financiële verordening door te stellen dat de kaders en richtlijnen hierover worden uitgewerkt in het treasurystatuut.

Het college stelt het treasurystatuut vast in plaats van de raad Voor de wijziging is gekozen, omdat de financieringsfunctie grotendeels een uitvoeringsaangelegenheid is. Het treasurystatuut is een uitwerking van de Wet financiering decentrale overheden. Voorheen was in de Gemeentewet opgenomen dat het treasurystatuut door de gemeenteraad moest worden vastgesteld. Ten gevolge van de wet Dualisering gemeentebestuur is de Gemeentewet aangepast en is de voorgeschreven vaststelling door de gemeenteraad uit artikel 212 verdwenen. De raad geeft via de financiële verordening aan wat minimaal in het statuut dient te worden behandeld. Daarnaast is het statuut een levend document dat als gevolg van omstandigheden mogelijk vaker moet worden aangepast. Door vaststelling door het college kan dit sneller.

 

Artikel 18.Lokale Heffingen

Doel van de nota Lokale Heffingen is, naast het verstrekken van een overzicht en stand van zaken van het totaal aan gemeentelijke heffingen, het formaliseren van de gemeentelijke beleidslijn. Het vormt de basis voor de gemeentelijke belastingheffing voor de komende periode.

 

Artikel 19.Weerstandsvermogen en risicobeheersing

De nota risicomanagement en weerstandsvermogen geeft de kaders aan die bij de risicobeheersing worden toegepast. Wanneer de beschikbare weerstandscapaciteit ontoereikend dreigt te zijn, doet het college een voorstel om de omvang van deze middelen voor afdekking van risico’s te verhogen.

 

Artikel 20. Bedrijfsvoering

Geen verdere toelichting nodig

 

Artikel 21. Onderhoud Kapitaalgoederen

Geen verdere toelichting nodig

 

Artikel 22. Verbonden Partijen

De nota Verbonden Partijen biedt een leidraad voor zowel de ambtelijke organisatie als het gemeentebestuur bij het opzetten en monitoren van een samenwerkingsverband. De nota bevat kaders en richtlijnen voor het beleid verbonden partijen.

 

Artikel 23. Grondbeleid

In een Nota Grondbeleid legt de gemeente vast op welke wijze zij haar grondbeleidsinstrumentarium inzet. Zij kan bijvoorbeeld in een actieve rol zelf grond aankopen, zelf bouw-en woonrijp maken en via gronduitgifte haar doelen realiseren, of zij kan samenwerking zoeken met andere partijen, of in een meer faciliterende rol haar doelen verwezenlijken. Actief grondbeleid rust meer op privaatrechtelijke wetgeving en faciliterend grondbeleid rust meer op publiekrechtelijk wetgeving. Het feit dat de overheid tegelijk “speler” is en “regulator”, en daarmee een dubbele pet kan hebben vraagt om transparantie van beleid.

 

Artikel 24. Administratie

In zijn algemeenheid bepaalt dit artikel hoe de gemeentelijke administratie is ingericht, welke gegevens systematisch moeten worden vastgelegd, en aan welke eisen deze gegevens moeten voldoen.

 

Artikel 25.Financiële organisatie

In dit artikel wordt onder meer gedoeld op het “Organisatiebesluit”.

Dat wordt vastgesteld bij een besluit van het college. Daarin kan tevens de financiële organisatie geschetst en vastgelegd worden.

 

Artikel 26.Interne controle

Het is belangrijk om –voorafgaand aan de accountantscontrole op de jaarstukken– als organisatie zelf na te gaan of de cijfers in de administratie een getrouw beeld geven en of de financiële beheershandelingen die aan de baten en lasten en de balansmutaties ten grondslag liggen rechtmatig (zijn) verlopen. Kortom: de (verbijzonderde) Interne Controle moet op orde zijn.

 

Artikel 27/28. Intrekken oude verordening

De verordening is van toepassing op alle stukken van het begrotingsjaar 2017 en volgende. De jaarstukken van 2016 moeten nog voldoen aan de bepalingen van de ‘Financiële verordening 2015’ rbsl. 24 november 2014; die wordt ingetrokken.

Documenten die betrekking hebben op het begrotingsjaar 2016 e.v., en die vóór de vaststelling van deze verordening zijn opgemaakt (vgl. de begroting 2016), worden geacht te voldoen aan de bepalingen van deze verordening.