Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Nunspeet

Algemene subsidieverordening Nunspeet

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieNunspeet
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingAlgemene subsidieverordening Nunspeet
CiteertitelAlgemene subsidieverordening Nunspeet 2019
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpbestuur en recht
Eigen onderwerpAlgemene Subsidieverordening

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

artikel 149 van de Gemeentewet

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Diverse subsidieregelingen (deelverordeningen)

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

15-10-201901-10-2019Nieuwe regeling

26-09-2019

gmb-2019-250418

0302-AZK-75203

Tekst van de regeling

Intitulé

Algemene subsidieverordening Nunspeet

De raad van de gemeente Nunspeet;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 27 augustus 2019 (0302-AZK-75203);

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht;

gezien het advies van de commissie Maatschappij en Middelen;

besluit vast te stellen de:

 

 

 

Paragraaf 1 Inleidende bepalingen

 

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. activiteit: een serie handelingen met een bepaald doel;

b. Awb: Algemene wet bestuursrecht;

c. beleidsdoelstelling: een beleidsvoornemen dat wordt beschreven op het niveau van concrete doelstellingen binnen een gedefinieerde tijdsbestek;

d. boekjaar: een tijdvak van twaalf maanden waarover een financieel verslag loopt;

e. college: burgemeester en wethouders van de gemeente Nunspeet;

f. deelverordening: een nadere regeling aanvullend op de algemene subsidieverordening waarin het college kan vaststellen welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie, en voor zover van toepassing, welke doelgroep(-en) voor subsidie in aanmerking komen, hoe de subsidie wordt berekend en hoe de subsidiebedragen worden uitbetaald.

g. de-minimisverordening: verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L 352), verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 352/9) en verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector (PbEU L 190/45), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving;

h. Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie, gelet op de artikelen 106, derde lid, 107, 108 of 109 van het Verdrag heeft vastgesteld, , waaronder de Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 2017/1084 van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 156/1); de Landbouw vrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 193/1); en de Visserij vrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 1388/2014 van de Commissie van 16 december 2014 waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 369/37);

i. egalisatiereserve: een reserve van de subsidieontvanger bedoeld om in de toekomst fluctuaties in de (exploitatie)kosten op te kunnen vangen.

j. incidentele subsidie: een subsidie die wordt verleend voor eenmalige of onvoorziene activiteiten, die worden gestart in het jaar waarvoor de subsidie is aangevraagd en waaraan geen rechten kunnen worden ontleend voor de daarop volgende jaren;

k. jaarlijkse subsidie: subsidie die per (boek)jaar aan een rechtspersoon wordt verstrekt;

l. meerjarensubsidie: een subsidie voor een periode van maximaal vier jaren gericht op het behalen van door het college bepaalde maatschappelijke effecten, beleidsdoelstellingen of activiteiten;

m. onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent;

n. prestatie: de product of dienst die de organisatie aan haar afnemers verleent;

o. raad: gemeenteraad van de gemeente Nunspeet;

p. resultaat: de aanwijsbare verandering of de gerealiseerde baat die één of meerdere diensten of producten bij haar afnemers teweeg brengen en daarmee bijdragen aan de beleidsdoelstelling;

q. Verdrag: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PbEU C 326/47).

 

Artikel 2. Reikwijdte

1. Deze verordening is van toepassing op de verstrekking van subsidies door het college, met uitzondering van subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen en subsidies als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, van de Awb (subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag bestaat).

2. Ten aanzien van subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag, kan het college bepalen dat deze verordening geheel of gedeeltelijk van toepassing is.

 

Artikel 3. Bevoegdheid college

Het college is bevoegd te besluiten over het verstrekken van subsidies met in achtneming van de in de gemeentebegroting opgenomen financiële middelen en door de raad vastgestelde subsidieplafonds.

 

Artikel 4. Deelverordeningen

Het college kan bij nadere regeling (hierna te noemen: deelverordening) vaststellen welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie. Voor zover van toepassing, wordt hierin tevens bepaald welke doelgroep(-en) voor subsidie in aanmerking komen, hoe de subsidie wordt berekend en hoe de subsidiebedragen worden uitbetaald.

 

Artikel 5. Europees steunkader

1. Voor zover dat ten behoeve van het voldoen aan een Europees steunkader noodzakelijk is, kan het college bij deelverordening afwijken van deze verordening en deze aanvullen.

2. Bij deelverordening waarbij is bepaald dat toepassing kan worden gegeven aan een Europees steunkader, verwijst de deelverordening naar het desbetreffende steunkader.

3. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, verwijst de verleningsbeschikking naar de toepasselijke bepalingen van het steunkader.

4. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor vergoeding in aanmerking die voldoen aan de eisen van het desbetreffende steunkader.

5. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen ondernemingen alleen in aanmerking voor zover de subsidieverstrekking voldoet aan de voorwaarden van het desbetreffende steunkader.

 

Paragraaf 2 Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

 

Artikel 6. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

1. De raad kan bij het vaststellen van de begroting subsidieplafonds voor het volgende kalenderjaar vaststellen.

2. In het geval de raad een subsidieplafond heeft vastgesteld, bepaalt het college bij deelverordening de wijze van verdeling van het beschikbare bedrag.

3. De raad kan een subsidieplafond verlagen als:

a. het plafond wordt vastgesteld voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd; en

b. de subsidieaanvragen waarop het subsidieplafond betrekking heeft, moeten worden ingediend voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd.

4. Bij de bekendmaking van een subsidieplafond dat kan worden verlaagd overeenkomstig het vorige lid, wordt gewezen op de mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan voor reeds ingediende aanvragen.

5. Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld. Bij de verleningsbeschikking wordt daarop gewezen.

 

Paragraaf 3 De aanvraag

 

Artikel 7. Aanvraag

1. Een aanvraag om subsidie wordt schriftelijk ingediend bij het college. Als hiervoor een aanvraagformulier is vastgesteld, wordt hiervan gebruik gemaakt.

2. Bij de aanvraag legt de aanvrager in ieder geval de volgende gegevens over:

a. een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;

b. de doelstellingen en resultaten die met deze activiteiten worden nagestreefd en een beschrijving hoe de activiteiten aan dat doel bijdragen, en in het bijzonder ook een vermelding in welke mate de activiteiten gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen en op door de gemeente vastgestelde doelen of beleidsterreinen.

c. een begroting en dekkingsplan van de kosten van de activiteiten, waar de subsidie voor wordt aangevraagd. Het dekkingsplan bevat een opgave van bij andere bestuursorganen, private organisaties of personen aangevraagde subsidies of vergoedingen voor dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan.

d. als het een subsidie betreft die per boekjaar aan een rechtspersoon wordt verstrekt, de stand van de egalisatiereserve op het moment van de aanvraag.

3. Bij een meerjarensubsidie is de begroting genoemd in lid 2 onder c een meerjarenbegroting. De periode van de begroting is gelijk aan het subsidietijdvak waarvoor subsidie wordt aangevraagd. De meerjarenbegroting is opgesteld op hoofdlijnen.

4. Een rechtspersoon die voor de eerste keer een subsidie aanvraagt, voegt als bijlagen toe aan het aanvraagformulier een exemplaar van:

a. de oprichtingsakte;

b. de statuten;

c. een uittreksel uit het verenigingen- en/of stichtingenregister van de Kamer van Koophandel of, als dat niet mogelijk is, een schriftelijke opgaaf van de samenstelling van het bestuur;

d. het jaarverslag, de jaarrekening en de balans van het voorgaande jaar indien de rechtspersoon of diens rechtsvoorganger toen actief was.

5. Als de aanvrager een onderneming is, kan het college besluiten de volgende gegevens door de aanvrager in te laten dienen nadat de aanvraag is ontvangen:

a. een opgave van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die al zijn of zullen worden ontvangen voor de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;

b. een verklaring als bedoeld in de verordening met betrekking tot de-minimissteun (de-minimisverklaring);

6. De onder lid 5, sub a en b gevraagde gegevens moeten binnen vier weken nadat hierom is gevraagd door het college zijn ontvangen.

7. Bij deelverordening kan van de voorgaande leden worden afgeweken.

 

Artikel 8. Aanvraagtermijn

1. Een aanvraag om een jaarlijkse of meerjarensubsidie, moet zijn ontvangen voor 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar of de jaren waarop de aanvraag betrekking heeft.

2. Een aanvraag om een incidentele subsidie moet uiterlijk zijn ontvangen dertien weken voorafgaand aan de periode waarop de aanvraag betrekking heeft, maar kan niet eerder dan 26 weken voor aanvang van de periode worden ingediend.

3. Bij deelverordening kunnen andere termijnen worden gesteld.

 

Paragraaf 4 De subsidieverlening

 

Artikel 9. Beslistermijn

1. Het college beslist op een aanvraag om een jaarlijkse of meerjarensubsidie uiterlijk op 31 december van het jaar waarin de aanvraag is ingediend.

2. Het college beslist op een aanvraag om een incidentele subsidie, binnen 13 weken nadat de volledige aanvraag is ingediend.

3. Bij deelverordening kunnen andere termijnen worden gesteld.

4. Bij aanvragen om een subsidie die overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag worden aangemeld bij de Europese Commissie wordt de termijn verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen.

 

Artikel 10. Weigerings-, intrekkings- en terugvorderingsgronden

1. Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb weigert het college de subsidie in ieder geval:

a. als de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt, of

b. als het een aanvrager betreft tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun van Nederland onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard.

2. Onverminderd het vorige lid weigert het college de subsidie in ieder geval als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een Europees steunkader omdat:

a. subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het desbetreffende steunkader, of

b. de subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het desbetreffende steunkader.

3. Onverminderd de vorige leden kan het college de subsidie verder weigeren:

a. als de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen of als ze onvoldoende ten goede komen aan de gemeente of haar ingezetenen;

b. als niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd;

c. als de aanvraag niet voldoet aan regels die zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen;

d. als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een wettelijk voorschrift of de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten ontplooit die in strijd zijn met de wet en/of het algemeen belang of de openbare orde;

e. als de activiteit niet past binnen het beleid van de gemeente;

f. als de aanvraag niet past in de beleidsuitgangspunten van de inclusieve samenleving: iedereen doet (naar vermogen) mee;

g. als er geen evenwichtige verhouding is tussen de verwachte resultaten en de gevraagde bijdrage;

h. als de subsidieaanvraag wordt ingediend na het plaatsvinden van de activiteit en/of de aanvangsdatum van de periode waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

i. als met inbegrip van de aangevraagde subsidie er geen gerechtvaardigde verwachting is dat er voldoende financiële middelen beschikbaar zijn om de activiteit te kunnen realiseren (geen sluitende begroting aanwezig);

j. als de organisatorische en/of financiële continuïteit van de aanvrager en/of de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd onvoldoende is gewaarborgd;

k. voor activiteiten met een commercieel karakter of waarbij sprake is van winstoogmerk;

l. als de activiteit (partij)politieke, levensbeschouwelijke of religieuze vorming beoogt of betreft;

m. als de gelden niet of in onvoldoende mate worden besteed aan de activiteit waarvoor de subsidie beschikbaar wordt gesteld;

n. als de subsidieverstrekking niet is toegestaan totdat de Europese Commissie met toepassing van artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie verenigbaar is met de interne markt;

o. als de hoogte van de aangevraagde subsidie minder is dan € 200,--;

p. in de bij de betrokken deelverordening bepaalde gevallen.

4. Het college vordert een subsidie met rente terug als dit nodig is ter uitvoering van een terugvorderingsbesluit van de Europese Commissie of een onherroepelijke rechterlijke uitspraak.

 

Artikel 11. Meerjarensubsidie

1. Een meerjarensubsidie kan verleend worden omdat effecten van de activiteiten pas op langere termijn toetsbaar zijn en om de rechtszekerheid en continuïteit van de subsidieontvanger te bevorderen.

2. Een meerjarensubsidie wordt niet verleend als:

a. er bij de subsidie-verlenende of subsidie-ontvangende organisatie sprake is van geplande decentralisaties, fusies, bezuinigingen of beleidswijzigingen of;

b. er onvoldoende vertrouwen is in (het management) van de subsidie-ontvangende organisatie of;

c. als er sprake is van een nieuwe subsidierelatie of;

d. de kwaliteit van de geleverde prestaties niet het door het college gewenste niveau hebben.

3. Een meerjarensubsidie word altijd verleend met toepassing van het begrotingsvoorbehoud als bedoeld in artikel 4:34 Awb.

4. Het college kan met inachtneming van het bepaalde in de vorige leden een meerjarensubsidie verlenen voor een periode van maximaal vier kalenderjaren.

5. Als het college met inachtneming van het eerste en tweede lid een meerjarensubsidie verleent, wordt in de beschikking aangegeven op welk bedrag de aanvrager voor ieder jaar recht heeft, dan wel op welke wijze de verleende subsidie jaarlijks geïndexeerd wordt.

6. In verband met indexering past het college het subsidiebedrag jaarlijks aan conform de gemeentebegroting.

 

Artikel 12. Vermelding wijze van verantwoording

Voor zover dit niet is bepaald bij deelverordening, wordt bij de verleningsbeschikking vermeld op welke wijze de subsidieontvanger de besteding van de subsidie dient te verantwoorden.

 

Artikel 13. Betaling en bevoorschotting

1. Als besloten wordt tot bevoorschotting van de subsidie, wordt in de beschikking de hoogte en de termijnen van de voorschotten bepaald.

2. Als er sprake is van een van de volgende situaties aangaande een aanvrager, niet zijnde een natuurlijk persoon, worden geen voorschotten verstrekt:

a. een lopende procedure tot ontbinding of opheffing van de rechtspersoon;

b. beslag op (een deel) van het vermogen;

c. een ten aanzien van de aanvrager aangevraagde of verleende surseance van betaling;

d. een aangevraagd of uitgesproken faillissement.

 

Paragraaf 5 Verplichtingen subsidieontvanger

 

Artikel 14. Algemene verplichtingen van de subsidieontvanger

1. Als aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan, meldt de subsidieontvanger dat onverwijld schriftelijk aan het college.

2. Een subsidieontvanger informeert het college onverwijld schriftelijk over:

a. beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, of tot ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon;

b. relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden;

c. ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat de subsidieontvanger de aan de subsidie verbonden verplichtingen niet, niet tijdig of niet geheel zal kunnen nakomen;

d. wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de gesubsidieerde rechtspersoon, de persoon van de bestuurder of bestuurders en het doel van de rechtspersoon.

3. De subsidieontvanger verleent haar medewerking aan door of namens de gemeente ingesteld onderzoek dat is gericht op het verkrijgen van inlichtingen voor de ontwikkeling van het beleid of de controle op de rechtmatigheid van de besteding van subsidies.

 

Artikel 15. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen

1. Bij deelverordening of verleningsbeschikking kunnen aan de subsidieontvanger ook andere verplichtingen dan genoemd in artikel 4:37, eerste lid, van de Awb worden opgelegd, voor zover deze strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.

2. Bij deelverordening of verleningsbeschikking kunnen verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie aan de subsidie worden verbonden, voor zover deze verplichtingen betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht.

3. Bij deelverordening of verleningsbeschikking kan worden bepaald dat de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor aan het college een vergoeding verschuldigd is als zich een gebeurtenis voordoet als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Awb. Daarbij wordt tevens aangegeven hoe de hoogte van de vergoeding wordt bepaald.

4. Bij deelverordening of verleningsbeschikking kunnen verplichtingen worden verbonden met betrekking tot het beheer en gebruik van hetgeen met de subsidie tot stand is gebracht.

5. Het college kan de subsidieaanvrager verplichten om conform een door het college vastgesteld model de integrale kostprijs van de te subsidiëren activiteiten te bepalen.

 

Artikel 16. Aanvullende verplichtingen meerjarensubsidies

1. Voor meerjarensubsidies gelden de volgende aanvullende verplichtingen:

a. Jaarlijks moet voor 1 december een activiteitenplan en begroting voor het komende jaar zijn ontvangen. In het activiteitenplan zijn de te behalen prestaties opgenomen;

b. Jaarlijks moet voor 1 juni een tussentijdse verantwoording over het voorgaande jaar zijn ontvangen. De tussentijdse verantwoording moet voldoen aan hetgeen bepaald is in artikel 20 lid 2 van deze verordening en aan hetgeen in de verleningsbeschikking is bepaald.

c. Na afloop van de termijn waarvoor de meerjarensubsidie is verleend moet voor 1 juni de eindverantwoording zijn ontvangen. Deze eindverantwoording moet voldoen aan hetgeen bepaald is in artikel 20 lid 2 van deze verordening en hetgeen in de verleningsbeschikking is bepaald.

2. Bij deelverordening of verleningsbeschikking kunnen andere termijnen worden vastgesteld of andere of minder gegevens worden verlangd.

 

Artikel 17. Egalisatiereserve

1. De reserves, voor zover deze (deels) met subsidiegelden zijn opgebouwd, mogen op de laatste dag van enig boekjaar niet hoger zijn dan tien procent van de in de begroting opgenomen baten afkomstig van subsidies van het desbetreffende boekjaar. Als dit wel het geval is, wordt de subsidie lager vastgesteld tot het bedrag waarmee wel aan deze voorwaarde is voldaan.

2. Maximaal tien procent van de in een boekjaar ontvangen subsidiegelden mag worden gebruikt voor vermogensvorming en reservering. Als dit percentage hoger is, wordt de subsidie lager vastgesteld tot het bedrag waarmee wel aan deze voorwaarde is voldaan.

3. Op ontvangers van een meerjarensubsidie is afdeling 4.2.8. van de Awb van toepassing.

4. Voor zover het verstrekken van subsidie heeft geleid tot vermogensvorming is de subsidieontvanger aan de gemeente een vergoeding verschuldigd van maximaal het met subsidie opgebouwde vermogen, met inachtneming van de reguliere afschrijving, als:

a. de subsidieontvanger de voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen vervreemdt, bezwaart of de bestemming ervan wijzigt;

b. de gesubsidieerde activiteiten geheel of gedeeltelijk worden beëindigd;

c. de rechtspersoon wordt ontbonden;

d. de subsidierelatie wordt beëindigd.

 

Paragraaf 6 Verantwoording

 

Artikel 18. Wijze van verstrekken en eindverantwoording subsidies tot en met € 5.000

1. Subsidies tot en met € 5.000 worden door het college direct vastgesteld, of verleend en ambtshalve vastgesteld binnen dertien weken nadat de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht of na het subsidietijdvak waarvoor de subsidie is verleend, tenzij toepassing wordt gegeven aan het volgende lid.

2. Als bij verleningsbeschikking de subsidieaanvrager wordt verplicht om op de daarbij aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen, vindt de vaststelling plaats binnen dertien weken nadat de gevraagde inlichtingen zijn verstrekt.

 

Artikel 19. Eindverantwoording subsidies € 5.000 - € 50.000

1. Bij subsidies van meer dan € 5.000 en ten hoogste € 50.000 dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij het college:

a. bij een jaarlijkse of meerjarensubsidie uiterlijk op 31 mei van het jaar volgend op het subsidietijdvak, waarvoor de subsidie is verleend;

b. bij een incidentele subsidie uiterlijk dertien weken nadat de activiteiten moeten zijn verricht.

2. De aanvraag tot vaststelling bevat:

a. een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan:

b. een overzicht van de activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel jaarverslag of jaarrekening);

c. een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop.

3. Bij deelverordening of verleningsbeschikking kan worden bepaald dat op een andere manier wordt aangetoond in hoeverre de activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan.

4. Bij deelverordening of verleningsbeschikking kunnen andere termijnen worden vastgesteld of andere of minder gegevens worden verlangd.

 

Artikel 20. Eindverantwoording subsidies van meer dan € 50.000

1. Bij subsidies van meer dan € 50.000 dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij het college:

a. bij een jaarlijkse of meerjarensubsidie uiterlijk op 31 mei van het jaar volgend op het subsidietijdvak, waarvoor de subsidie is verleend;

b. bij een incidentele subsidie uiterlijk dertien weken nadat de activiteiten moeten zijn verricht.

2. De aanvraag tot vaststelling bevat:

a. een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan;

b. een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening);

c. een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop; en

d. een verklaring, opgesteld door een onafhankelijk accountant:

bij een subsidie van € 50.000,-- tot € 100.000,-- zijnde een samenstellingsverklaring;

bij een subsidie van € 100.000,-- tot € 200.000,-- zijnde een beoordelingsverklaring;

bij een subsidie vanaf € 200.000,-- zijnde een goedkeurende controleverklaring zonder beperking.

3. Bij deelverordening of verleningsbeschikking kunnen andere termijnen worden vastgesteld of andere of minder gegevens worden verlangd.

 

Paragraaf 7 Subsidievaststelling

 

Artikel 21. Subsidievaststelling subsidies van meer dan € 5.000

1. Het college stelt een subsidie van meer dan € 5.000 vast binnen dertien weken na de ontvangst van een aanvraag tot subsidievaststelling, tenzij bij deelverordening anders is bepaald.

2. Deze termijn kan met ten hoogste dertien weken worden verdaagd.

3. Bij deelverordening kunnen categorieën subsidieontvangers worden aangewezen waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld zonder dat een aanvraag tot subsidievaststelling hoeft te worden ingediend.

4. Als een aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het tijdstip, bedoeld in de artikel 19, lid 1 en artikel 20, lid 1, is ingediend, kan het college de subsidieontvanger schriftelijk een nieuwe termijn stellen. Als de aanvraag niet binnen deze termijn wordt ingediend, kan zij overgaan tot ambtshalve vaststelling.

 

Artikel 22. Berekening van uurtarieven, uniforme kostenbegrippen

1. Het college kan een model vaststellen om de integrale kostprijs te bepalen van de te subsidiëren activiteiten.

2. Bij het hanteren van kostenbegrippen om tot de integrale kostprijs te komen wordt uitgegaan van de door het college voorgeschreven definities.

3. Bij subsidie waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen die tarieven en kostenbegrippen in aanmerking die voldoen aan de eisen van het toepasselijke steunkader.

 

Paragraaf 8 Slotbepalingen

 

Artikel 23. Hardheidsclausule

1. Het college kan, in bijzondere gevallen, een artikel of meerdere artikelen van de verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, met uitzondering van artikel 1, 2, 3, 4, 5 en 10 voor zover toepassing gelet op het belang van de aanvrager of subsidieontvanger leidt tot onbillijkheid van zwaarwegende aard. In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

2. In een deelverordening kan worden bepaald dat door het college van een of meer artikelen of artikelleden van die deelverordening kan worden afgeweken als daaraan vasthouden voor een subsidieaanvrager of -ontvanger gevolgen zou hebben die vanwege bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn tot de daarmee te dienen belangen.

 

Artikel 24. Evaluatieverslag

In afwijking van artikel 4:24 Awb wordt de verslaglegging over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk, meegenomen in de van toepassing zijnde beleidscyclus.

 

Artikel 25. Slotbepalingen

1. De Algemene subsidieverordening Nunspeet 2014 wordt ingetrokken, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op lopende subsidies die nog niet zijn vastgesteld bij inwerkingtreding van deze verordening.

2. Deze verordening treedt in werking op 1 oktober 2019.

3. Op aanvragen om subsidie die zijn ingediend voor inwerkingtreding van deze verordening en betrekking hebben op een subsidietijdvak na de inwerkingtreding, maar waarop voor de inwerkingtreding nog niet is beslist, is deze verordening van toepassing.

4. Verwijzingen in de deelverordeningen, nadere regels en beleidsregels naar de artikelen van de Algemene Subsidieverordening gemeente Nunspeet 2014 worden geacht te verwijzen naar artikelen van deze verordening waarin hetzelfde onderwerp wordt geregeld.

5. Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Algemene subsidieverordening Nunspeet 2019’.

 

 

 

 

 

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering

van 26 september 2019,

de griffier, de voorzitter,