Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Overijssel

Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2017

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieOverijssel
OrganisatietypeProvincie
Officiële naam regelingUitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2017
CiteertitelUitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2017
Vastgesteld doorgedeputeerde staten
Onderwerpbestuur en recht
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

N.v.t.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

14-04-2018Wijziging artt. 3.3.1, 4.3.2, 4.3.3, 4.3.8, par. 4.5, 4.6, 6.10.3, 6.29.3, 7.2.3, 7.2.4, 7.2.6, 7.2.9, par. 7.4, par. 9.3, 9.4

10-04-2018

prb-2018-2716

2018/0141750
04-04-201814-04-2018Wijzigingsregeling

22-03-2018

prb-2018-2187

2018/0104185
02-02-201804-04-2018Wijziging artt. 2.8.4, 2.8.6, 3.1.1, 3.1.2, 3.1.3, 3.1.5, 3.1.7, 3.1.9, 3.1.11, 3.3.4, 3.5.3, 3.5.5, 6.15.1, 6.15.2, 6.15.3, 6.15.4, 6.24.5, 9.1.5, 6.13.1 – 6.13.9, 6.16.1 – 6.16.8, 6.22.1 – 6.22.9, 6.25.1 – 6.25.8, 6.29.1 – 6.29.11

30-01-2018

prb-2018-866

2017/0409273
02-01-201802-02-2018Wijziging artt. 1.1.1, 1.5.1, 2.2.5, 2.2.8, 2.6.1, 2.6.2, 2.6.3, 2.6.4, 2.6.5, 2.6.7, 2.6.8, 2.6.9, 2.6.10, 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3, 2.7.4, 2.7.9, 4.4.7, 3.3.3, 3.3.8, 3.8.6, 3.9.2.11, 4.2.6, 5.1.3, 5.1.6, 5.1.5, 5.1.8, 5.3.6, 5.4.4, 5.4.5, 5.4.7, 5.4.9, 6.1.7, 6.2.3, 6.8.7, 6.9.2, 6.9.7, 6.10.1, 6.10.5, 6.10.8, 6.10.10, 6.21.6, 6.27.1, 6.27.2, 6.27.3, 6.27.4, 6.27.5, 6.27.6, 6.27.7, 6.27.8, 6.27.9, 6.28.1, 6.28.2, 6.28.3, 6.28.4, 6.28.5, 6.28.6, 6.28.7, 6.28.8, 6.28.9, 7.3.3, 7.3.4, 7.3.5, 7.3.6, 7.3.8, 7.4.1, 7.4.2, 7.4.3, 7.4.6, 7.4.9, 7.11.3, 7.11.5, 7.11.8, 7.11.10 en parr. 3.7, 6.3, 6.12,

19-12-2017

prb-2017-6136

2017/0409273
29-11-201702-01-2018Wijziging artt. 6.9.7, 6.21.3

21-11-2017

prb-2017-5455

2017/0408789
16-11-201729-11-2017Wijziging art. 10.3.6

09-11-2017

prb-2017-5264

2017/0397104
14-10-201716-11-2017Wijziging

09-10-2017

prb-2017-4611

2017/0336499
22-07-201714-10-2017Wijziging

11-07-2017

prb-2017-3242

2017/0216958
09-05-201722-07-2017Nieuwe regeling

03-04-2017

prb-2017-2014

2017/0104095
06-04-201709-05-2017Wijziging

28-03-2017

prb-2017-1522

2017/0063984
25-02-201706-04-2017wijzigingsregeling

14-02-2017

prb-2017-812

2017/0015620
01-01-201701-01-2017Nieuwe regeling

20-12-2016

prb-2016-7088

2016/0512522 en 2016/0525510
01-01-201719-02-2017Aparte publicatie in provinciaal blad

20-12-2016

prb-2017-52

2016/0525510

Tekst van de regeling

Intitulé

Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2017

Gedeputeerde Staten van Overijssel hebben besloten:

  • 1.

    het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2011 per 1 januari 2017 in te trekken;

  • 2.

    het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssl 2017 vast te stellen en inwerking te laten treden op 1 januari 2017.

Het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2017 luidt als volgt:

 

Uitvoeringsbesluit Subsidies Overijssel 2017

 

Hoofdstuk 1 Algemeen

Paragraaf 1.1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1.1. Begripsomschrijvingen

Toelichting: In dit artikel wordt de betekenis van een aantal begrippen omschreven, die vaker in dit Uitvoeringsbesluit subsidies worden gehanteerd. Begrippen die in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) al worden omschreven, zijn niet in dit Uitvoeringsbesluit subsidies herhaald.

 

In dit Uitvoeringsbesluit 2017 wordt verstaan onder:

  • AGVV: de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (EG) nr. 651/2014, Pb L187/1 van de Europese Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard;

  • Asv: de Algemene subsidieverordening Overijssel 2005;

    Toelichting: Subsidies die niet op basis van een subsidieparagraaf worden verstrekt maar op basis van de Algemene Subsidieverordening Overijssel 2005 (Asv), worden ook wel Asv-subsidies genoemd. De Asv en het Ubs zijn een wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:23 Awb).

  • Awb: de Algemene wet bestuursrecht;

  • de-minimisverordening: de Verordening (EU) 1407/2013 van de Europese Commissie van 24 december 2013, betreffende de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) op de-minimissteun;

    Toelichting: Subsidie kan geoorloofde staatssteun zijn als het valt onder een Europese vrijstellingsverordening. Welke vrijstelling precies van toepassing is, wordt in de betreffende subsidieparagraaf of in de verleningsbeschikking vermeld.

  • de-minimisverordening landbouw: de Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Europese Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector;

  • de-minimisverordening visserij: de Verordening (EU) Nr. 717/2014 de Europese Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector;

  • Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van Overijssel;

  • LVV: de Landbouw vrijstellingsverordening (EU) Nr. 702/2014 van de Europese Commissie van 25 juni 2014, Pb L193/1, waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard

  • mede-overheden: de gemeenten, waterschappen, andere provincies en de rijksoverheid;

    Toelichting: Hier wordt een verschil gemaakt tussen gemeenten en waterschappen aan de ene kant en diverse vormen van (semi-)overheden aan de andere kant, zoals overheidsvennootschappen, geprivatiseerde overheidsonderdelen, zelfstandige bestuursorganen e.d. Ook een gemeenschappelijke regeling zoals bedoeld in de wet Gemeenschappelijke Regelingen, al of niet met private partners, valt niet onder het begrip mede-overheden.

  • Mkb-onderneming : een micro-, kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in de Aanbeveling van de Europese Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen, PbL124/36;

    Toelichting: Een kleine onderneming is een onderneming waar minder dan 50 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 10 miljoen EUR niet overschrijdt. Een micro-onderneming is een onderneming waar minder dan 10 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 2 miljoen EUR niet overschrijdt. Tot de categorie middelgrote ondernemingen behoren ondernemingen waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen EUR en/of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR niet overschrijdt.

  • Omgevingsvisie: de op 1 juli 2009 door Provinciale Staten vastgestelde visie en het uitvoeringsprogramma voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van de provincie Overijssel, inclusief de actualisatie zoals door Provinciale Staten vastgesteld op 3 juli 2013.

    Toelichting: De Omgevingsvisie is te vinden op www.overijssel.nl/thema's/ruimtelijke/omgevingsvisie/.

  • onderneming: een natuurlijke of rechtspersoon die tegen betaling een product of dienst op de markt brengt, ongeacht de rechtsvorm of de wijze van financiering;

  • onderneming in moeilijkheden: een onderneming als bedoeld in artikel 2 lid 18 van de AGVV dan wel artikel 2 lid 14 van de LVV;

    Toelichting: Van een onderneming in moeilijkheden is sprake:

    • a.

      in het geval van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (niet zijnde een mkb die minder dan drie jaar bestaat) als meer dan de helft van haar geplaatste aandelenkapitaal door de opgebouwde verliezen is verdwenen. Dit is het geval wanneer het in mindering brengen van de opgebouwde verliezen op de reserves (en alle andere elementen die doorgaans worden beschouwd als een onderdeel van het eigen vermogen van de onderneming), een negatieve uitkomst oplevert die groter is dan de helft van het geplaatste aandelenkapitaal;

    • b.

      in het geval van een onderneming als ten minste een aantal van de vennoten onbeperkt aansprakelijk is voor de schulden van de onderneming (niet zijnde een kmo die minder dan drie jaar bestaat) wanneer meer dan de helft van het kapitaal van de onderneming zoals dat in de boeken van de onderneming is vermeld, door de gecumuleerde verliezen is verdwenen;

    • c.

      wanneer tegen de onderneming een collectieve insolventieprocedure loopt of de onderneming volgens het nationale recht aan de criteria voldoet om, op verzoek van haar schuldeisers, aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen;

    • d.

      wanneer de onderneming reddingssteun heeft ontvangen en de lening nog niet heeft terugbetaald of de garantie nog niet heeft beëindigd, dan wel herstructureringssteun heeft ontvangen en nog steeds in een herstructureringsplan zit;

    • e.

      in het geval van een onderneming die geen kmo is als de afgelopen twee jaar:

      • 1.

        de verhouding tussen het vreemd vermogen en het eigen vermogen van de onderneming, volgens de boekhouding van de onderneming, meer dan 7,5 bedroeg, en

      • 2.

        de op basis van de EBITDA bepaalde rentedekkingsgraad van de onderneming lager lag dan 1,0.

  • subsidie: een subsidie als bedoeld in artikel 4:21 Awb, die voor een bepaalde termijn wordt verstrekt.

    Toelichting: De provincie verstrekt geen structurele subsidies. Afdeling 4.2.8 Awb ‘Per boekjaar verstrekte subsidies aan rechtspersonen’ is om die reden op provinciale subsidies niet van toepassing. De ‘bepaalde termijn’ wordt opgenomen in de subsidiebeschikking en is afhankelijk van de soort activiteit; dat kan om die reden variëren van een dag tot een aantal jaren voor grotere (infrastructurele) projecten. Als het gaat om jaarlijks min of meer doorlopende activiteiten is de gebruikelijke ‘bepaalde termijn’ maximaal vier jaar. Voor de periode van vier jaar is gekozen, omdat deze termijn én aansluit bij de zittingstermijn van Provinciale Staten (hoewel die termijnen uiteraard niet helemaal gelijk hoeven te lopen), alsmede de looptijd van beleidsnota’s én het een goede termijn is om te bezien of eerder vastgestelde beleidsdoelen nog gelden en, zo ja, die nog steeds met de verstrekte subsidies worden gediend. Een subsidie kan ook in de vorm van een garantstelling of een niet-marktconforme lening worden verstrekt; in dat geval is in de subsidieparagraaf of in de verleningsbeschikking vermeld hoe die garantstelling of gunstiger leningvoorwaarden er uit zien.]

  • subsidiabele kosten: de kosten die bij het verlenen en vaststellen van de subsidie in aanmerking komen voor de berekening van de hoogte van de subsidie;

  • subsidieperiode: de periode vanaf de datum van de ontvangst van de aanvraag tot en met de in de verleningsbeschikking of vaststellingsbeschikking opgenomen datum waarop de subsidiabele activiteit is uitgevoerd;

  • Ubs: Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel.

Artikel 1.1.2. Toepassingsbereik

Toelichting: Omdat het vereiste van een wettelijke grondslag niet in alle gevallen kan worden gesteld, maakt het derde lid van artikel 4:23 Awb enkele belangrijke uitzonderingen, de zogenaamde buitenwettelijke subsidies. Om ervoor te zorgen dat naast de Awb ook de bepalingen van de Algemene subsidieverordening of dit Uitvoeringsbesluit subsidies gelden voor het verstrekken van deze subsidies is de reikwijdte hiervan uitdrukkelijk benoemd.

In artikel 6 van de Algemene subsidieverordening zijn afwijkingsmogelijkheden van bepalingen gesteld bij of krachtens deze verordening opgenomen. Wanneer naast de provincie ook andere overheden of derden subsidiëren, kan een subsidieontvanger te maken krijgen met niet op elkaar afgestemde subsidiebepalingen. Elke subsidiënt heeft immers vaak zijn eigen specifieke bepalingen.

In dat geval wordt bij de behandeling van Europese subsidies de Europese regelgeving gevolgd. Voor alle overige subsidies geldt dat Gedeputeerde Staten in de subsidiebeschikking door maatwerk één of meerdere bepalingen van de verordening of het uitvoeringsbesluit buiten toepassing kunnen laten om de toepassing van conflicterende bepalingen te voorkomen.

De van de algemene reikwijdte uitgezonderde wettelijke grondslagen hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat zij door hun aard niet aansluiten bij de bepalingen in dit Uitvoeringsbesluit subsidies.

 

Dit Uitvoeringsbesluit subsidies is van toepassing op alle door Gedeputeerde Staten te verstrekken subsidies met uitzondering van subsidies op basis van de volgende wettelijke grondslagen:

  • Regeling POP 3 subsidies provincie Overijssel;

  • Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer Overijssel;

  • Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls natuur en landschap Overijssel;

  • Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer 2016;

  • Subsidieregeling Rivierdijken;

  • Subsidieverordening Bodemsanering Bedrijfsterreinen Overijssel;

  • Subsidieverordening Innovatiefonds Overijssel II B.V.;

  • Subsidieverordening Innovatiekrediet Overijssel;

  • Wet personenvervoer 2000.

Artikel 1.1.3. Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten kunnen een subsidieplafond vaststellen.

Toelichting: Artikel 5 van de Algemene subsidieverordening bepaalt dat Gedeputeerde Staten een subsidieplafond kunnen vaststellen en dat dit kan worden onderverdeeld in deelplafonds per subsidietijdvak of per onderdeel van provinciaal beleid. Genoemd artikel is de wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:25 Awb. Gedeputeerde Staten zullen voor de in dit uitvoeringsbesluit geregelde subsidieparagrafen een subsidieplafond vaststellen dat voor een heel kalenderjaar geldt. De Awb gaat er van uit dat het subsidieplafond bekend wordt gemaakt, vóór dat de periode waarop het betrekking heeft, ingaat. Zo kunnen potentiële aanvragers weten hoeveel geld er beschikbaar is.

Artikel 1.1.4 Wijze van verlening

Toelichting: Hoofdregel is dat subsidieaanvragen worden beoordeeld op volgorde van ontvangst van de volledige aanvraag. In het aanvraagformulieren worden gegevens gevraagd die nodig zijn om een aanvraag te kunnen beoordelen. In het aanvraagformulier kan ook om mee te sturen bijlagen worden gevraagd. Als daaraan is voldaan, is een aanvraag volledig. Wanneer een aanvraag niet volledig is wordt om aanvulling gevraagd. Als ook na de gevraagde aanvulling sprake is van onvoldoende gegevens om de aanvraag te kunnen beoordelen, wordt de aanvraag op basis van artikel 4:5 Awb buiten behandeling gelaten. De datum waarop de gevraagde gegevens zijn ontvangen, is de datum waarop de aanvraag als volledig wordt beschouwd. Deze datum is van belang om te bepalen welke aanvraag als eerst inhoudelijk beoordeeld wordt en daarmee ook bepalend voor de volgorde waarin de subsidies verleend worden. Bij de inhoudelijk beoordeling kan blijken dat er nog een toelichting op de gegevens nodig is; de aanvrager wordt in dat geval daartoe in de gelegenheid gesteld. Komt die toelichting er niet of is er na ontvangst daarvan nog steeds onduidelijkheid, dan kan de aanvraag gemotiveerd worden afgewezen omdat onvoldoende duidelijk aan de regels uit dit Uitvoeringsbesluit subsidies is voldaan.Omdat de aanvraag al eerder als volledig is beschouwd heeft het vragen van een nadere toelichting geen invloed op de volgorde waarin de subsidies worden verstrekt.

Gedeputeerde Staten kunnen in een bijzondere subsidieparagraaf afwijken van de hoofdwijze van verlening van de subsidie, door bijvoorbeeld te kiezen voor een verlening op basis van een vastgestelde kwaliteitsvolgorde, de zogenoemde tendersystematiek. Bij een tendersystematiek worden alle aanvragen die op de sluitingsdatum van de tender volledig waren met elkaar vergeleken en de hoogst scorenden in de ranking krijgen subsidie totdat het beschikbare subsidieplafond bereikt is. Bij de tendersystematiek kan een onvolledige aanvraag na sluitingsdatum om die reden alleen nog aangevuld worden voor zover het geen inhoudelijke aanvulling of wijziging van de aanvraag betreft. Het gaat dan om bijvoorbeeld een ontbrekende handtekening onder de aanvraag, een bankrekeningbewijs of andere gegevens die geen invloed hebben op de inhoud van de activteiten of de financiering ervan.

 

  • 1.

    Gedeputeerde Staten verlenen subsidie, voorzover het subsidieplafond dit toelaat, in volgorde van ontvangst van volledige aanvragen.

  • 2.

    Een aanvraag wordt als volledig beschouwd als:

    • a.

      het voorgeschreven aanvraagformulier is ingevuld; en

    • b.

      de gegevens zoals genoemd in artikel 1.2.1 en eventuele aanvullende gegevens die gevraagd worden in de betreffende subsidieparagraaf zijn overgelegd.

Artikel 1.1.5. Subsidiabele kosten

  • 1.

    Loonkosten van medewerkers in dienst van de aanvrager zijn subsidiabel als deze rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit toe te rekenen zijn, doelmatig en aantoonbaar zijn én de berekening ervan gebaseerd is op één van de volgende systematieken:

    Toelichting: Loonkosten zijn subsidiabel, indien de urenadministratie en de toerekening van kosten een getrouw beeld geven. Dat wil zeggen dat aangetoond moet kunnen worden dat de verantwoorde uren ook voor de gesubsidieerde activiteiten zijn gewerkt. Voor de berekening van de loonkosten wordt waar het kan aangesloten bij de praktijk en administratie van de subsidieontvanger. Dat brengt met zich mee dat ook de gangbare invulling daarvan geldt: onder ‘directe loonkosten’ vallen dan het totaal van het bruto loon volgens de loonstaat, de vakantie-uitkering, de niet van winst afhankelijke eindejaarsuitkering of 13e maand, de werkgeverslasten en de overige werkgeverspremies voor werkloosheids- en ziektekostenuitkeringen. De keuze is aan de subsidieaanvrager welk van de in het eerste lid onder sub a of b genoemde systematieken gehanteerd wordt.

    • a.

      volgens de loonkosten plus opslag. Voor de berekening van de loonkosten op deze wijze wordt de volgende formule gehanteerd: directe loonkosten per jaar delen door 1.600 uren per fulltime medewerker, vermeerderd met maximaal 40% als vergoeding voor de indirecte kosten; Toelichting: Hierbij vormen de loonstaten per medewerker die deelneemt aan het project de basis voor de berekening van de subsidiabele loonkosten. Het aantal productieve uren en percentage indirecte kosten (overhead) opslag waarmee het uurtarief mag worden berekend is maximaal 40%. .

    • b.

      het hanteren van een vast uurtarief van € 35 voor eigen werkzaamheden, directe loonkosten of voor arbeidskosten van personen waarvan het loon niet eenduidig bepaald kan worden. Toelichting: De subsidieaanvrager kan een vast uurtarief van € 35 hanteren voor loonkosten van personen waarvan het loon niet eenduidig bepaald kan worden.Dit uurtarief geldt ook voor bijvoorbeeld zzp-ers en andere vormen van inzet van arbeid die noch in loondienst zijn gemaakt noch als kosten derden zijn aan te merken..

  • 2.

    Kosten voor het gebruik van machines en apparatuur, zijn naar rato van het gebruik subsidiabel indien deze rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit toe te rekenen zijn. Dit geldt voor zowel machines en apparatuur die in bezit zijn als voor machines en apparatuur die nog worden aangeschaft ten behoeve van de te subsidiëren activiteit.

    Toelichting: Kosten die gemaakt worden voor gebruik van apparatuur ten behoeve van de subsidiabele activiteit zijn subsidiabel . Onder apparatuur vallen apparaten en machines, maar bijvoorbeeld ook bijkomende kosten zoals licenties voor software maar ook de eventuele onderhoudskosten van een machine of apparatuur. De kosten voor het gebruik van de apparatuur zijn naar rato van gebruik subsidiabel. Dit betekent dat de kosten niet volledig opgevoerd mogen worden indien de apparatuur breder ingezet wordt dan alleen voor de subsidiabele activiteit. Ook de eventuele afschrijvingskosten worden naar rato van gebruik opgenomen als kosten.

  • 3.

    Kosten van derden zijn subsidiabel indien deze kosten op factuur aantoonbaar aan een onafhankelijke derde verschuldigd zijn, rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit zijn toe te rekenen zijn, doelmatig zijn en betrekking hebben op activiteiten die binnen de subsidieperiode uitgevoerd zijn.  Het maximaal subsidiabele uurtarief van derden is € 130 exclusief Btw.

    Toelichting: Dit zijn de op factuur aantoonbare aan derden verschuldigde kosten die direct voor de subsidiabele activiteit worden gemaakt en doelmatig zijn, bijvoorbeeld door uitbesteding van een deel van de subsidiabele activiteit of in de vorm van kosten van voor de subsidiabele activiteit geleverde materialen, diensten en inhuur personeel. Doelmatig betekent onder andere dat het resultaat geleverd wordt tegen zo min mogelijke kosten. Daarnaast moeten de kosten worden gemaakt en de dienst of producten worden geleverd door een onafhankelijke derde. Er is bijvoorbeeld sprake van onafhankelijkheid als er:

    • geen onderlinge band is tussen de aanvrager en de derde. De derde kan zelfstandige besluiten nemen zonder dat er sprake is van een gezagsverhouding tussen de derde en de subsidieaanvrager;

    • geen sprake is van een dochter-/zuster-/moederonderneming die als derde wordt betrokken.

  • 4.

    Kosten voor de inzet van vrijwilligers zijn alleen subsidiabel als ze op factuur aantoonbaar zijn.

    Toelichting: Te denken valt bijvoorbeeld aan kosten als verzekeringspremie voor vrijwilligerinzet, lunches en andere kosten die door de aanvrager gemaakt worden om inzet van vrijwilligers te faciliteren. Het gaat hierbij niet om een vergoeding voor de inzet in uren van vrijwilligers, die is immers meestal niet op factuur aantoonbaar.

  • 5.

    De subsidie voor het verkrijgen van een controleverklaring bedraagt 100% van de kosten indien deze door Gedeputeerde Staten verplicht wordt gesteld en de kosten ervan op factuur aantoonbaar aan een onafhankelijke accountant zijn verschuldigd.

    Toelichting: Een controleverklaring is een verklaring die afgegeven wordt door een accountant waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt zijn uitgevoerd en de kosten zijn gemaakt. Wanneer Gedeputeerde Staten een controleverklaring verplicht stellen, wordt dit in de verleningsbeschikking opgenomen

Artikel 1.1.6 Niet subsidiabele kosten

Toelichting: Deze kosten worden niet meegenomen bij de berekening van de subsidie omdat ze niet aangemerkt zijn als kosten die direct aan de subsidiabele activiteiten toe te rekenen zijn.

 

  • 1.

    De in de begroting bij de subsidiabele activiteiten opgenomen kostenpost Onvoorzien, kosten die niet rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit toe te rekenen zijn, boetes, gerechtskosten, kosten voor financieringen, debetrente, leges, kosten voor het inhuren van een subsidieadviesbureau of andere subsidiebemiddelaar en vergoedingen voor de inzet in uren van vrijwilligers zijn niet subsidiabel;

  • 2.

    Btw is niet subsidiabel, tenzij door de subsidieaanvrager bij de verlening kan worden aangetoond dat de Btw over de subsidiabele activiteiten niet met de fiscus of via het Btw-compensatiefonds kan worden verrekend;

  • 3.

    Kosten van activiteiten die buiten de subsidieperiode zijn uitgevoerd, zijn niet subsidiabel, met uitzondering van de kosten als bedoeld in artikel 1.1.5 vijfde lid.

    Toelichting: Het begrip subsidieperiode is omschreven in artikel 1.1.1. Als bijvoorbeeld de activiteit is gestart voordat de aanvraag voor subsidie is ontvangen, dan kunnen alleen de kosten van het deel van de activiteit dat nog niet is uitgevoerd voor subsidie in aanmerking komen. In dat geval kan worden gevraagd om een specificatie van de kosten van de activiteiten die al zijn uitgevoerd.

  • 4.

    Gangbare apparaatkosten van medeoverheden, tenzij de aanvrager kan aantonen dat deze kosten specifiek worden gemaakt ten behoeve van de subsidiabele activiteit en anders niet zouden zijn gemaakt zijn niet subsidiabel;

Toelichting: In dit artikel is geregeld dat gangbare apparaatskosten van medeoverheden niet subsidiabel zijn. Conform artikel 1.1.1 worden onder medeoverheden gemeenten, waterschappen en provincies verstaan.

Gangbare apparaatskosten zijn over het algemeen de overheadkosten. Ook inzet van ambtelijke capaciteit is hiermee beperkt subsidiabel. Indien sprake is van inzet van vast personeel wat gedekt is in de gemeentelijke begroting en tot de reguliere formatie behoort, is dit niet subsidiabel. Ook worden geen capaciteitstekorten bij de gemeenten gesubsidieerd, omdat de gemeenten hier zelf verantwoordelijk voor zijn.

Dat betekent dus dat inzet van ambtelijke capaciteit alleen subsidiabel is als:

  • er sprake is van inhuur voor het project (dan zijn de kosten subsidiabel conform artikel 1.1.5 derde lid, kosten derden die rechtstreeks op het project drukken); of

  • er sprake is van inzet vaste formatie waarbij die vaste formatie aantoonbaar door tijdelijke inhuur of tijdelijke werktijduitbreiding gedurende de looptijd van het project wordt gerealiseerd; of

  • er sprake is van vast personeel dat ongedekt in de (gemeentelijke) begroting staat en zichzelf als het ware moeten terugverdienen.

Uit de aanvraag moet blijken dat van een of meer van deze uitzonderingen sprake is.]

Artikel 1.1.7 Algemene weigeringsgronden

Toelichting: Met dit artikel worden de weigeringsgronden uit artikel 4:35 Awb aangevuld. Dat wetsartikel maakt het bijvoorbeeld mogelijk een subsidie te weigeren als naar verwachting het gesubsidieerde project niet wordt uitgevoerd of als de aanvrager failliet is verklaard. In een subsidieparagraaf kunnen aanvullend of afwijkend bijzondere weigeringsgronden worden genoemd.

 

  • 1.

    Gedeputeerde Staten kunnen besluiten de subsidie geheel of gedeeltelijk te weigeren indien de kosten van de subsidiabele activiteit naar haar oordeel als niet doelmatig kunnen worden aangemerkt of redelijkerwijs anders kunnen worden gedekt.

    Toelichting: Omdat subsidies met gemeenschapsgelden worden gefinancierd, is een doelmatige uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten van belang. Een activiteit doelmatig uitvoeren betekent dat naar mening van Gedeputeerde Staten de betreffende inspanningen en uitgaven voor de te subsidiëren activiteiten daadwerkelijk bijdragen aan de realisatie van het beoogde doel en de hiervoor ingezette middelen en kosten daarmee in verhouding staan.Uit het gebruik van het woord ’kunnen’ blijkt dat het een facultatieve weigeringsgrond is. Gedeputeerde Staten zullen hierbij een belangenafweging maken en kunnen de subsidie weigeren als de activiteit ook zonder de gevraagde subsidie gerealiseerd kan worden.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie als de te verstrekken subsidie lager is dan € 1.000. Toelichting: Om de provinciale uitvoeringskosten ook doelmatig te houden, wordt een ondergrens gehanteerd voor een te verstrekken subsidie.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie indien sprake is van stapeling van subsidie. Er is sprake van stapeling van subsidie als voor dezelfde activiteit of dezelfde kosten al subsidie is verstrekt op grond van het Ubs of de Asv. Dit geldt niet indien sprake is van subsidie die verstrekt is uit Europese Fondsen of een subsidie in die verstrekt is in de vorm van een geldlening.

    Toelichting: Voor veel activiteiten geldt dat een combinatie van financiële bronnen bij elkaar wordt gebracht om realisering van die activiteiten mogelijk te maken. Een provinciale subsidie is daar vaak één van. Andere bronnen zijn onder andere subsidies van andere (semi-)overheden en/of Europese subsidies (vaak ook cofinanciering genoemd), private fondsen als het Oranjefonds of VSB-fonds, leningen van banken of revolverende overheidsfondsen, sponsoring, eigen middelen aanvrager of deelnemersbijdragen. Voor een provinciale subsidie geldt dat wanneer, zoals gebruikelijk, deze geen 100% van de subsidiabele kosten bedraagt, de aanvrager zelf het resterende deel gefinancierd moet krijgen uit andere bronnen dan provinciale subsidies. Gedeputeerde Staten vinden een dergelijke financiële betrokkenheid van de aanvrager van belang voor de realisatie van de activiteiten. Toelichting: Uitgangspunt is dat voor een activiteit één subsidieparagraaf is opgenomen in het Ubs. Toch kan het soms voorkomen dat meerder subsidieparagrafen of subsidiebronnen van de provincie ingezet kunnen worden. In dat geval kiest de aanvrager de meest passende of voor de aanvrager meest gunstige subsidieparagraaf of subsidiebron. Het is niet mogelijk om voor dezelfde activiteit of dezelfde kosten meerdere provinciale subsidies te ontvangen.

  • 4.

    Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie als uit de begroting blijkt dat de kosten niet gefinancierd kunnen worden.

  • 5.

    Gedeputeerde Staten weigeren een subsidie in de vorm van een geldlening als naar haar oordeel de lening naar verwachting niet terugbetaald kan worden.

  • 6.

    Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie als sprake is van een aanvrager ten aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarbij steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard..

Artikel 1.1.8 Staatssteun

Indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan kunnen Gedeputeerde Staten de subsidie alleen verstrekken indien voldaan wordt aan een Europese verordening op basis waarvan de subsidie toelaatbaar is verklaard.

 

Toelichting: Indien sprake kan zijn van staatssteun dan is in de betreffende subsidieparagraaf vermeld welke Europese verordening van toepassing is. Dit kan bijvoorbeeld de de-minimisverordening, de Algemene Vrijstellingsverordening( AGVV) of de Landbouwvrijstellingsverordening (LVV) zijn.

Subsidie op basis van de AGVV en de LVV kunnen alleen verstrekt worden als voldaan wordt aan de algemene en procedurele bepalingen zoals opgenomen in hoofdstuk 1 van de AGVV dan wel LVV en de betreffende van toepassing zijnde artikelen. Dit betekent in iedere geval dat de subsidie een stimulerend effect moet hebben. Ingeval van de AGVV betekent dit dat de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd nog niet zijn gestart. Ingeval van de LVV zijn de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd nog niet gestart en starten pas nadat de subsidie is verleend.

De subsidieontvanger mag niet in moeilijkheden verkeren en er mag geen terugvorderingsbesluit genomen zijn ten aanzien van eerder verleende staatssteun (de zogenoemde Deggendarfclausule).

Ook kan de subsidie lager worden verleend of vastgesteld indien de subsidie leidt tot overschrijding van de steunpercentages en steundrempels zoals opgenomen in hoofdstuk 1 dan wel het betreffende artikel van de AGVV of LVV. Alle financiële bijdragen van overheden, voor de betreffende activiteit, worden bij elkaar opgeteld om het totale subsidiebedrag te bepalen (cumulatie).

 

Paragraaf 1.2 De aanvraag

Artikel 1.2.1. Bij aanvraag in te dienen gegevens

  • 1.

    De aanvraag om een subsidie wordt schriftelijk bij Gedeputeerde Staten ingediend door gebruik te maken van het beschikbaar gestelde digitale aanvraagformulier.

    Toelichting: Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend door het invullen van een door of namens Gedeputeerde Staten beschikbaar gestelde digitaal aanvraagformulier op www.overijssel.nl/subsidie. Er zijn digitale formulieren voor subsidies op basis van subsidieparagrafen in dit Uitvoeringsbesluit, maar ook voor zogeheten ASV-subsidies die niet binnen het bereik van een subsidieparagraaf vallen. Doel van het aanvraagformulier is om aan de aanvrager te verduidelijken welke informatie hij bij de aanvraag moet geven zodat de behandeling van de aanvraag vlotter kan plaatsvinden. De volgende gegevens worden in ieder geval gevraagd in het aanvraagformulier:

    • a.

      een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;

    • b.

      de doelen en resultaten welke met die activiteiten worden nagestreefd, en hoe de activiteiten daaraan bijdragen;

  • 2.

    Een aanvraag om subsidie bevat in ieder geval de volgende gegevens:

    Toelichting: Volgens artikel 4:29 Awb begint het subsidieproces met een aanvraag. Wat een aanvraag is en aan welke eisen deze moet voldoen staat in Afdeling 4.1.1. van de Awb. In het tweede lid is bepaald welke gegevens de aanvrager dient te overleggen bij zijn aanvraag voor subsidie. In dit artikellid is geregeld welke stukken en gegevens ingediend moeten worden bij een aanvraag voor subsidie. Het kan voorkomen dat voor bepaalde subsidies ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag aanvullende gegevens worden gevraagd. Dan zal dan blijken uit de betreffende subsidieparagraaf.

    • a.

      een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;

    • b.

      de doelen en resltaten welke met die activiteiten worden nagestreefd, en hoe de prestaties daaraan bijdragen;

    • c.

      een begroting waaruit de kosten van te subsidiëren activiteiten en de dekking daarvan blijkt, onder vermelding van de van toepassing zijnde subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 1.1.5.

  • 3.

    Indien sprake is van staatssteun in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU overlegt de aanvrager, aanvullend op het eerste en tweede lid:

    Toelichting: De Europese Commissie beoordeelt staatssteun op basis van 4 criteria:

    • De steun wordt door de overheid verleend of met overheidsmiddelen bekostigd;

    • Het verschaft een economisch voordeel aan een onderneming dat zij niet langs de normale commerciële weg gehad zou hebben;

    • Het voordeel is selectief, dat wil zeggen het komt ten goede aan bepaalde ondernemingen;

    • Het voordeel heeft een (potentiële) invloed op de handel tussen lidstaten.

    • a.

      een opgave van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die al zijn of zullen worden ontvangen voor de te subsidiëren activiteiten;

    • b.

      een verklaring als bedoeld in de de-minimisverordening;

      toelichting: Het voorgeschreven model van deze de-minimisverklaring is onderdeel van het betreffende aanvraagformulier.

  • 4.

    Wanneer de AGVV of de LVV van toepassing is overlegt de aanvrager tevens:

    • a.

      een Mkb-verklaring;

    • b.

      een verklaring waaruit blijkt dat de onderneming niet in moeilijkheden verkeert.

      toelichting: Aanvrager kan een modelverklaring die de provincie beschikbaar heeft gesteld gebruiken. Deze verklaring is te vinden op www.overijssel.nl/subsidies

Artikel 1.2.2. Indieningstermijn aanvraag

Een aanvraag voor subsidie kan het hele kalenderjaar worden ingediend.

Artikel 1.2.3. Beslistermijn

Toelichting: De in dit artikel genoemde termijnen zijn maximale beslistermijnen. Indien mogelijk zullen Gedeputeerde Staten eerder beslissen. Indien in een subsidieparagraaf een uiterste indieningstermijn is bepaald, dan wordt een aanvraag die na die datum is ontvangen afgewezen.Gedurende de termijn dat de aanvrager in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen, wordt de beslistermijn opgeschort (artikel 4:15 Awb).

 

  • 1.

    Gedeputeerde Staten beslissen op een aanvraag om een subsidie binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag, dan wel binnen 13 weken na sluiting van een in de subsidieparagraaf opgenomen indieningstermijn.

  • 2.

    De in het eerste lid bedoelde termijn van 13 weken bedraagt maximaal 22 weken indien:

    • a.

      sprake is van cofinanciering van een door de Raad van de Europese Unie, het Europees parlement en de Raad gezamenlijk of de Commissie van de Europese Gemeenschappen goedgekeurd programma;

    • b.

      ter beoordeling van de aanvragen een adviescommissie is ingesteld.

Paragraaf 1.3 Verlening van de subsidie

 

Toelichting: Het subsidiesysteem gaat uit van een drietal arrangementen:

  • arrangement. 1: kleinere subsidies tot € 25.000,

  • arrangement. 2: middelgrote subsidies van € 25.000 tot € 125.000, en

  • arrangement. 3: grotere subsidies vanaf € 125.000.

Bij deze arrangementen hangt de zwaarte van de verantwoordingseisen voornamelijk af van het subsidiebedrag. Gedeputeerde Staten bepalen op basis van de geldende arrangement subsidieverlening hoe de verantwoording plaatsvindt. Uitgangspunt is het subsidiebedrag. Hogere regelgeving of aanvullende verplichtingen kunnen tot een zwaardere verantwoording leiden. Doordat bij de verlening wordt aangegeven welk verantwoordingsregime van toepassing is, weet de subsidieontvanger tijdig wat van hem wordt verwacht.

Artikel 1.3.1. Verlening subsidie

  • 1.

    Gedeputeerde Staten geven een beschikking tot subsidieverlening, tenzij een subsidie direct wordt vastgesteld.

  • 2.

    Bij het besluit tot verlenen van subsidie geven Gedeputeerde Staten de datum aan waarop de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht en op welke wijze de verantwoording van de te ontvangen subsidie plaatsvindt.

  • 3.

    Een subsidie in de vorm van een geldlening wordt verleend onder de voorwaarde dat ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening een uitvoeringsovereenkomst wordt of is gesloten.

Artikel 1.3.2. Betaling en bevoorschotting

  • 1.

    Indien een beschikking tot subsidievaststelling als bedoeld in artikel 1.5.1. wordt gegeven, vindt de betaling van de gehele subsidie in één bedrag plaats.

    Toelichting: Als subsidie wordt verstrekt zonder dat daar een subsidieverlening aan vooraf is gegaan, dan vindt na vaststelling van de subsidie betaling van de subsidie in één bedrag plaats. Hierdoor is bevoorschotting niet aan de orde. Indien in de subsidiebeschikking het voorbehoud is gemaakt dat eerst een benodigde vergunning moet worden gekregen, kan betaling na ontvangst daarvan plaatsvinden omdat eerst aan het voorbehoud moet worden voldaan.

  • 2.

    Als een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 1.5.2. of artikel 1.5.3. wordt gegeven, kunnen Gedeputeerde Staten aan de subsidieontvanger voorschotten tot maximaal 100% van het verleende subsidiebedrag verstrekken.

    Toelichting: Gebruikelijk is dat Gedeputeerde Staten niet meer dan 90% bevoorschotten en de voorschotten in één of meer termijnen beschikbaar stellen, waarbij het aantal termijnen vaak zal afhangen van de looptijd en/of het te verwachten bestedingsritme van de gesubsidieerde activiteiten. In de verleningsbeschikking wordt de omvang en wijze van bevoorschotting opgenomen. Het woord ‘maximaal’ geeft aan dat het ook voor kan komen dat er geen voorschot wordt verstrekt. Dat kan het geval zijn als bijvoorbeeld de te subsidiëren activiteit nog afhankelijk is van een nog te krijgen vergunning. Voor het moment waarop de vergunning is ontvangen kan immers nog niet worden begonnen met de realisering van de activiteiten.

 

Paragraaf 1.4 Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 1.4.1. Meldingsplicht

Toelichting: De meldingsplicht is bedoeld als tegenhanger van het geven van meer vertrouwen in de vorm van onder andere het niet standaard verantwoording afleggen bij subsidies tot € 25.000,– het vragen van minder tussenrapportages en automatische bevoorschotting.

De subsidieontvanger is verplicht tijdig te melden als het aannemelijk is dat de gesubsidieerde activiteit niet, niet tijdig, niet geheel of niet volgens alle daaraan verbonden verplichtingen zal worden verricht. In dat geval zal de subsidie lager of op nihil worden vastgesteld of zullen nadere afspraken worden gemaakt over het aanpassen van de verplichtingen, bijvoorbeeld het geven van meer tijd voor de uitvoering van de activiteiten. Bij het niet voldoen aan deze informatieplicht kan, indien dat achteraf mocht blijken, met toepassing van artikel 4:49 Awb alsnog de subsidievaststelling worden ingetrokken, omdat de ontvanger wist en behoorde te weten dat de vaststelling onjuist was. Terugvordering van de subsidie, inclusief wettelijke rente van het hele subsidiebedrag, kan in zo'n geval passend worden geacht, omdat de ontvanger dan misbruik maakte van het gegeven vertrouwen, dat ten grondslag ligt aan dit Ubs.

 

De subsidieontvanger doet binnen vier weken via een digitaal formulier melding aan Gedeputeerde Staten, zodra:

  • a.

    naar verwachting de voorwaarden of verplichtingen die aan de subsidieverlening zijn opgelegd niet, niet geheel kunnen worden nagekomen; of

  • b.

    naar verwachting de activiteiten niet binnen de in de beschikking vermelde datum zullen worden nagekomen.

Artikel 1.4.2. Bestuursverklaring

Indien de subsidie minder dan € 125.000,– bedraagt én de kosten en baten van de te verrichten prestaties in verband met de aard van die activiteiten zodanig ongewis zijn dat een realistische begroting niet vereist kan worden of indien sprake is van staatssteun, kan de verplichting worden opgelegd dat de subsidieontvanger op basis van een verklaring inzake werkelijke kosten en baten mag aantonen dat de activiteiten zijn verricht. De subsidieontvanger maakt hierbij gebruik van het beschikbaar gestelde format.

Artikel 1.4.3. Tussenrapportage

Indien het verleende subsidiebedrag € 25.000 of meer bedraagt en de verlening betrekking heeft op activiteiten met een looptijd langer dan een jaar, kunnen Gedeputeerde Staten de verplichting opleggen tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten. Een dergelijke tussentijdse verantwoording wordt niet vaker dan één keer per jaar gevraagd.

Artikel 1.4.4. Instandhouding activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen de verplichting opleggen dat de resultaten van de activiteiten in stand worden gehouden voor een periode van maximaal vijf jaar.

Toelichting: Bij veel subsidies gaat het effect ervan zich pas voordoen als de gesubsidieerde activiteiten zijn gerealiseerd. Het kan daarom van belang zijn expliciet in de verleningsbeschikking of bij de directe vaststellingsbeschikking vast te leggen dat voor een bepaalde periode de de resultaten van de activiteiten in stand moet worden gehouden. Dat kan bijvoorbeeld het actief houden van een gesubsidieerde website zijn of het gebruiken van een met provinciale subsidie aangeschaft apparaat of voertuig.

Omdat de variëteit aan te subsidiëren activiteiten groot is, is één uniforme termijn niet goed uitvoerbaar. Daarom wordt in de betreffende subsidieparagraaf dan wel, bij ASV-subsidies, in het betreffende besluit bepaald of er sprake is van zo’n termijn en zo ja, voor hoe lang. Daarbij geldt vijf jaar instandhouding als maximale termijn.

Als de aard van de activiteiten zich daartegen verzet, wordt een dergelijke instandhoudingsverplichting niet opgenomen.

Artikel 1.4.5 Subsidieperiode

  • 1.

    Gedeputeerde Staten kunnen de verplichting opleggen om de activiteiten voor een in de verleningsbeschikking genoemde datum te starten dan wel binnen een in de verleningsbeschikking genoemde subsidieperiode af te ronden.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de subsidieontvanger de subsidieperiode aanpassen of verlengen indien sprake is van feiten en omstandigheden waarvan de subsidieaanvrager op het moment van de aanvraag niet op de hoogte kon zijn.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten verlenen geen uitstel indien de verlenging in strijd is met het beoogde beleidsdoel van de provincie of de activiteiten naar verwachting niet meer gerealiseerd gaan worden..

Toelichting: De subsidieperiode is de periode vanaf datum van de ontvangst van de aanvraag tot en met de in de verleningsbeschikking of vaststellingsbeschikking opgenomen datum waarop de subsidiabele prestatie moet zijn afgerond. Omdat de subsidiabele kosten op die periode betrekking hebben (met uitzondering van de accountantsverklaring) is het van belang die termijn die voor het realiseren van de activiteiten nodig is, realistisch te schatten

Artikel 1.4.6. Deugdelijke administratie

Toelichting: De subsidieontvanger voert een deugdelijke administratie, zodat bij vaststelling of een eventuele controle van de subsidie kan worden aangetoond dat de activiteit is uitgevoerd en wat aantoonbaar de daarmee samenhangende kosten en (eventuele) baten zijn. Dat kan bijvoorbeeld blijken uit een urenadministratie of andere gangbare manieren van inzichtelijk maken.

 

  • 1.

    De subsidieontvanger is verplicht voor de verstrekte en vastgestelde subsidies een administratie te voeren waaruit blijkt wat de voortgang is van de gesubsidieerde activiteiten en de financiering daarvan.

  • 2.

    Indien sprake is van kosten van derden dan dienen de facturen en betaalbewijzen te worden bewaard gedurende vijf jaar na subsidievaststelling.

 

Paragraaf 1.5 Vaststelling van de subsidie

Artikel 1.5.1. Subsidies tot € 25.000

Indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 25.000 wordt de subsidie door Gedeputeerde Staten direct vastgesteld.

Artikel 1.5.2. Subsidies vanaf € 25.000 tot € 125.000

  • 1.

    Indien de subsidieverlening € 25.000,– of meer bedraagt, maar minder dan € 125.000,–, dient de subsidieontvanger uiterlijk 13 weken na het realiseren van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, of binnen een in de regeling of verleningsbeschikking op te nemen afwijkende termijn, een aanvraag tot vaststelling in bij Gedeputeerde Staten.

  • 2.

    De aanvraag tot vaststelling bevat een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt:

    • a.

      dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn gerealiseerd;

    • b.

      dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

    • c.

      indien sprake is van staatssteun overlegt de aanvrager tevens een bestuursverklaring als bedoeld in artikel 1.4.2.

  • 3.

    Indien de activiteiten zijn gerealiseerd, wordt de subsidie vastgesteld op het verleende bedrag, tenzij bij de verlening is bepaald dat een verklaring als bedoeld in artikel 1.4.2 moet worden overlegd. In dat geval wordt de subsidie vastgesteld op basis van de werkelijke subsidiabele kosten, met als maximum het verleende bedrag.

    Toelichting: Uit het derde lid volgt dat wanneer de activiteiten niet of niet geheel of niet volgens de voorschriften zijn gerealiseerd, de subsidie naar redelijkheid lager of op nihil wordt vastgesteld. Daarbij wordt rekening gehouden met eventuele bijzondere omstandigheden. Redelijk kan ook zijn het naar rato lager vaststellen van de subsidie overeenkomstig de verhouding tussen de niet of niet helemaal gerealiseerde activiteiten en het daarmee samenhangende begrote bedrag. Het kan ook zijn dat staatssteunbepalingen ertoe leiden dat de subsidie lager dan de maximale verlening wordt vastgesteld, bijvoorbeeld omdat onder een maximaal staatssteunpercentage moet worden gebleven om binnen een vrijstelling te kunnen blijven vallen.

Artikel 1.5.3. Subsidies vanaf € 125.000

  • 1.

    Indien de subsidieverlening € 125.000,- of meer bedraagt, dient de subsidieontvanger uiterlijk 13 weken na het verricht zijn van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, of binnen een in de regeling of verleningsbeschikking op te nemen afwijkende termijn, een aanvraag tot vaststelling in bij Gedeputeerde Staten.

  • 2.

    De aanvraag tot vaststelling bevat een inhoudelijk verslag, een kostenverantwoording en, indien in de subsidieparagraaf of de verleningsbeschikking als zodanig verplicht, een accountantsverklaring conform het controleprotocol.

    Toelichting: Het controleprotocol is volgens een door Gedeputeerde Staten voorgeschreven model en te vinden op www.overijssel.nl/subsidie. Niet in alle gevallen wordt een accountantsverklaring gevraagd: in de subsidieparagraaf of de verleningsbeschikking wordt expliciet opgenomen wanneer het wel aan de orde is.

  • 3.

    Uit het inhoudelijk verslag als bedoeld in het tweede lid blijkt in welke mate de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn gerealiseerd.

    Toelichting:Het inhoudelijk verslag is vormvrij en mag daarmee een al voor andere doeleinden opgesteld verslag zijn, zolang het maar voldoende informatie geeft om vast te kunnen stellen in welke mate de activiteiten zijn gerealiseerd. Wanneer de activiteiten niet of niet geheel of niet volgens de voorschriften zijn gerealiseerd, wordt de subsidie naar redelijkheid lager of op nihil vastgesteld. Daarbij wordt rekening gehouden met eventuele bijzondere omstandigheden.

  • 4.

    Uit de kostenverantwoording als bedoeld in het tweede lid blijkt wat het totale bedrag is van de gerealiseerde subsidiabele kosten van de activiteiten en de dekking daarvan is, gespecificeerd naar:

    • a.

      loonkosten per medewerker in loondienst, met het bijbehorend uurtarief;

    • b.

      de afschrijvingskosten per machine of apparaat naar rato gebruik; en

    • c.

      de kosten van derden per factuur.

  • 5.

    Indien de activiteiten zijn gerealiseerd, wordt de subsidie vastgesteld op basis van de werkelijke subsidiabele kosten. Daarbij wordt uitgegaan van het in de subsidieparagraaf of de verleningsbeschikking genoemde subsidiepercentage, met als maximum het verleende bedrag.

    Toelichting: Indien de subsidiabele kosten lager uitvallen, dan zal de subsidie lager worden vastgesteld. De subsidie is een maximale bijdrage waarbij de provincie optreedt als (mede)financier. Meer subsidie ontvangen dan nodig is, is om die reden niet aan de orde. Is in de verleningsbeschikking bijvoorbeeld opgenomen dat de subsidie 40% van de begrote kosten bedraagt, dan geldt dat percentage ook bij de vaststelling van de subsidie. Vanuit financiële beheersbaarheid is de subsidie uiteindelijk nooit meer dan het maximaal verleende bedrag.

Artikel 1.5.4. Beslistermijn vaststelling subsidie

Gedeputeerde Staten stellen binnen 22 weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling de subsidie vast.

Hoofdstuk 2 Ruimtelijke ontwikkeling en waterbeheer

Paragraaf 2.1 Effectuering Ruimtelijk beleid

Artikel 2.1.1 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor onderzoek, visie- en planontwikkeling van ruimtelijke projecten die van provinciaal belang zijn op het gebied van ruimtelijke ordening en wonen.

Artikel 2.1.2 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1.1 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is een Overijsselse gemeente, een Overijssels gemeentelijk samenwerkingsverband of een Overijssels rechtspersoon die zich inzet voor ruimtelijke activiteiten in Overijssel; toelichting: Dit betekent dat particulieren geen aanvraag kunnen indienen.

  • b.

    het ruimtelijke project past binnen de centrale beleidsambities en onderwerpen van provinciaal belang zoals vastgelegd in de Omgevingsvisie Overijssel;

  • c.

    het ruimtelijke project heeft een regionale schaal, uitstraling of werking of vervult een voorbeeldwerking.

    toelichting: Regionaal betekent dat de resultaten van het ruimtelijke project neerslaan in ten minste twee Overijsselse gemeenten.

  • d.

    indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het  VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan artikel 2 van de de-minimisverordening.

Artikel 2.1.3 Grondslag subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten.

Artikel 2.1.4 Subsidiabele kosten

  • 1.

    Uitsluitend kosten van derden zoals bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.1.6 derde lid zijn kosten die voortvloeien uit financiele verplichtingen, aangegaan voordat de aanvraag is ontvangen wel subsidiabel.

    Toelichting: De start van het project kan eerder hebben plaatsgevonden dan de indiening van de subsidieaanvraag. Dit betekent dat de kosten die voortvloeien uit financiele verplichtingen, aangegaan voordat de aanvraag is ontvangen wel subsidiabel zijn.

Artikel 2.1.5 Niet subsidiabele kosten

In aanvulling op artikel 1.1.6 zijn de volgende kosten niet subsidiabel:

  • a.

    kosten voor bouw- en sloop;

  • b.

    kosten voor investeringen;

  • c.

    exploitatiekosten;

  • d.

    overheadkosten.

Artikel 2.1.6 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 2.1.7 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Effectuering ruimtelijk beleid.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een projectplan.

 

Paragraaf 2.2 Leefbare kleine kernen

Artikel 2.2.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • fysieke maatregelen: maatregelen die zichtbaar en tastbaar zijn;

  • kleine kern: een aaneengesloten bebouwd gebied met maximaal 15.000 inwoners;

  • ruimtelijke kwaliteit: het resultaat van menselijk handelen en natuurlijke processen dat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is;

  • sociale kwaliteit: sociale kwaliteit in Overijssel gaat over noaberschap, onder andere te zien aan de inzet van vrijwilligers, lokale initiatieven voor de eigen leefomgeving en coöperaties op het gebied van leefbaarheid waarbij het zelf organiseren van allerlei activiteiten door inwoners een impuls krijgt, en het bestaat uit de onderdelen delen en leren, zelfstandig leven, gezond bewegen en Overijssels noaberschap;

  • uitvoeringsplan: een beschrijving van de werkwijze en de maatregelen om tot uitvoering van een opgave te komen.

Artikel 2.2.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor fysieke maatregelen die de ruimtelijke kwaliteit, sociale kwaliteit, identiteit en leefbaarheid van de kleine kernen versterken.

Toelichting: Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor fysieke maatregelen die zichtbaar en tastbaar zijn in kleine kernen. Dit betekent dat de kosten die gemaakt worden ten behoeve van deze fysieke maatregel subsidiabel zijn. Planvormingsactiviteiten en onderzoek worden niet gezien als fysieke maatregel en komen daarom niet in aanmerking voor subsidie.

Artikel 2.2.3 Criteria

De aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.2.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is een Overijsselse gemeente of Overijssels waterschap;

  • b.

    de uitvoering van de maatregel geschiedt op basis van het uitvoeringsplan, waar de locatie onderdeel van uitmaakt;

  • c.

    de aanvraag is vooraf afgestemd met de provinciale beleidsmedewerkers ruimtelijke ontwikkeling of sociale kwaliteit;

  • d.

    er is ten minste één andere partij die gezamenlijk met de gemeente of het waterschap financieel bijdraagt voor ten minste 50% van de subsidiabele kosten.

Artikel 2.2.4 Grondslag subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 75.000,– per aanvraag.

Artikel 2.2.5 Subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 1.1.6 eerste lid zijn de vergoedingen voor de inzet in uren van vrijwilligers wel subsidiabel tegen een maximum uurtarief van € 15,- per uur.

Artikel 2.2.6 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 2.2.7 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Leefbare kleine kernen.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een uitvoeringsplan. Het uitvoeringsplan bevat onder andere de volgende onderdelen:

    • a.

      een beschrijving van de opgave: de aanleiding en probleemstelling;

    • b.

      een beknopte beschrijving van de locatie en de situatie;

    • c.

      een beschrijving van de bijdrage van de fysieke maatregelen aan de ruimtelijke kwaliteit, sociale kwaliteit en leefbaarheid;

    • d.

      een beschrijving van alle voorgestelde maatregelen, ook die waarvoor geen subsidie wordt aangevraagd;

    • e.

      een beschrijving van het resultaat;

    • f.

      een beschrijving van het draagvlak en participatie door derden;

    • g.

      een begroting van de kosten en financiering van de afzonderlijke maatregelen met daarbij het dekkingsvoorstel per maatregel;

    • h.

      de verwachte planning van de uitvoering.

Artikel 2.2.8 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien:

  • a.

    de te verlenen subsidie lager is dan € 25.000,–;

  • b.

    als vier keer subsidie is verstrekt op basis van deze subsidieparagraaf, voor activiteiten die vallen binnen de gemeentegrenzen van die gemeente;

    Toelichting: Een gemeente en waterschap kunnen samen vier keer een subsidie ontvangen op basis van deze subsidieparagraaf. Voorbeeld: Als een waterschap voor activiteiten die vallen binnen de betreffende gemeentegrens al een keer subsidie heeft ontvangen, dan kan een gemeente of een andere waterschap nog maar drie keer een subsidie ontvangen.

  • c.

    voor de betreffende kleine kern al een subsidie is verstrekt op basis van deze subsidieparagraaf.

Artikel 2.2.9 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht binnen twaalf maanden na datum van de subsidieverlening te starten met de uitvoering van de activiteit en deze binnen drie jaar na datum van subsidieverlening te hebben uitgevoerd.

Artikel 2.2.10 Bevoorschotting

In afwijking van artikel 1.3.2 verstrekken Gedeputeerde Staten geen voorschot. Het eerste voorschot wordt verstrekt na de start van de subsidiabele activiteit.

 

Paragraaf 2.3 Verbeteren van de haveninfrastructuur en -faciliteiten

Artikel 2.3.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • bedrijf: een privaatrechtelijke rechtspersoon, een vennootschap, een maatschap of een eenmanszaak;

  • kade: een verharde oever waarlangs schepen kunnen afmeren en aanleggen voor het laden en lossen van goederen.

Artikel 2.3.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:

  • a.

    het oplossen van knelpunten op het gebied van ondiepten bij bruggen en sluizen;

  • b.

    het aanleggen, uitbreiden of verbeteren van een kade;

    toelichting: Voor het afwikkelen van vervoersstromen via water is het op orde hebben van voldoende kades van groot belang. Gedeputeerde Staten stellen daarom subsidie beschikbaar voor het aanleggen, uitbreiden of verbeteren van een kade.

  • c.

    het verbeteren van de wacht- of ligplaatsfaciliteit ten behoeve van de binnenvaart.

Artikel 2.3.3 Criteria

  • 1.

    Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.3.2 voldoet aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvrager is:

      • i.

        een Overijsselse gemeente; of

      • ii.

        een bedrijf met kadefaciliteiten bestemd voor goederenvervoer indien de subsidieaanvraag wordt ingediend voor subsidie als bedoeld in artikel 2.3.2 sub b en sub c;

    • b.

      de activiteit vindt plaats in Overijssel;

    • c.

      de activiteit past binnen de beleidsdoelstellingen zoals omschreven in de Omgevingsvisie.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.3.2 sub a aan het criterium dat de activiteit is gericht op het verbeteren van de haveninfrastructuur ter bevordering van het gebruik van een rivier of een kanaal voor goederenvervoer, met uitsluiting van de opwaardering van het Twentekanaal of de zijtak daarvan.

    Toelichting: Opwaardering van het Twentekanaal of de zijtak daarvan is uitgesloten omdat hiervoor reeds subsidie is verstrekt door het Rijk.

  • 3.

    In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.2 sub b aan het criterium dat de activiteit uitsluitend is bedoeld voor openbare voorzieningen.

  • 4.

    In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.2 sub c aan de volgende criteria:

    • a.

      de activiteit is uitsluitend bedoeld voor openbare voorzieningen;

    • b.

      de activiteit betreft een maatregel die gerealiseerd wordt in of nabij een binnenhaven ten behoeve van wachtende of tijdelijk afgemeerde binnenvaartschepen.

  • 5.

    Indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het  VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan artikel 2 van de de-minimisverordening.

Artikel 2.3.4 Grondslag subsidie

  • 1.

    De subsidie als bedoeld in artikel 2.3.2 sub a bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 250.000,– per aanvraag.

  • 2.

    De subsidie als bedoeld in artikel 2.3.2 sub b bedraagt maximaal 25% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 150.000,– per aanvraag.

  • 3.

    De subsidie als bedoeld in artikel 2.3.2 sub c bedraagt maximaal 25% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 50.000,– per aanvraag.

Artikel 2.3.5 Subsidiabele kosten

Uitsluitend kosten van derden zoals bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel.

Artikel 2.3.6 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 2.3.7 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien de te verstrekken subsidie lager is dan € 25.000,–.

Artikel 2.3.8 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Verbeteren van de haveninfrastructuur en -faciliteiten.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een offerte waaruit de subsidiabele kosten blijken.

Artikel 2.3.9 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1, artikel 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht de activiteit uiterlijk op 31 december 2018 te hebben uitgevoerd.

 

Paragraaf 2.4 Investeringsimpuls verduurzaming goederenvervoer over water

Artikel 2.4.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • afmeerlocatie: een kade waarlangs binnenvaartschepen voor langere duur kunnen afmeren;

  • LNG: vloeibaar aardgas, bestemd als brandstof voor binnenvaartschepen;

  • LNG vulpunt: een installatie op een bunkerstation of kade waarmee LNG wordt afgeleverd in de brandstoftanks van vaartuigen;

  • walstroomfaciliteit: een stroomaansluiting aan de wal die binnenvaartschepen voorziet van stroom aan boord en die stroomlevering door generatoren of aggregaten van het schip vervangt zolang het schip afgemeerd ligt.

Artikel 2.4.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:

  • a.

    de aanschaf en aanleg van een walstroomfaciliteit;

  • b.

    de aanschaf en aanleg van een LNG vulpunt.

Artikel 2.4.3 Criteria

  • 1.

    Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4.2 voldoet aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvrager is:

      • i.

        een Overijsselse gemeente; of

      • ii.

        een bedrijf met een afmeerlocatie bestemd voor goederenvervoer.

    • b.

      de activiteit past binnen de beleidsdoelstellingen zoals omschreven in de Omgevingsvisie;

    • c.

      de activiteit is bestemd voor de scheepvaart in Overijssel;

    • d.

      indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het  VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan artikel 2 van de de-minimisverordening.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4.2 sub a aan de volgende criteria:

    • a.

      de walstroomfaciliteit voldoet aan de richtlijn Walstroom Binnenvaart 2009;

      toelichting: De Richtlijn walstroom binnenvaart 2009 is te vinden op www.walstroom.nl.

    • b.

      de walstroomfaciliteit wordt gerealiseerd op een afmeerlocatie;

    • c.

      er worden maximaal drie walstroomfaciliteiten per gemeente gesubsidieerd.

  • 3.

    In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4.2 sub b aan de volgende criteria:

    • a.

      het LNG vulpunt wordt gerealiseerd op een kade of in de nabijheid van een kade;

    • b.

      het LNG vulpunt is openbaar toegankelijk voor binnenvaartschepen;

    • c.

      het LNG vulpunt stoot geen onverbrand methaan uit;

    • d.

      er wordt maximaal één LNG vulpunt in de provincie Overijssel gesubsidieerd.

Artikel 2.4.4 Grondslag subsidie

  • 1.

    De subsidie als bedoeld in artikel 2.4.2 sub a bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 15.000,–.

  • 2.

    De subsidie als bedoeld in artikel 2.4.2 sub b bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 450.000,–.

Artikel 2.4.5 Subsidiabele kosten

Uitsluitend kosten van derden zoals bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel.

Artikel 2.4.6 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 2.4.7 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Investeringsimpuls verduurzaming goederenvervoer over water.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een offerte waaruit de subsidiabele kosten blijken.

Artikel 2.4.8 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien voor de activiteit al subsidie is verstrekt op basis van paragraaf 8.1 van het Uitvoeringsbesluit subsidies 2011 dan wel paragraaf 3.1 van dit Uitvoeringsbesluit.

Artikel 2.4.9 Verplichtingen subsidieontvanger

  • 1.

    In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht de activiteit uiterlijk op 31 december 2018 te hebben uitgevoerd.

  • 2.

    Overeenkomstig artikel 1.4.4 is de subsidieontvanger verplicht de walstroomfaciliteit of het LNG vulpunt in stand te houden op de bij de aanvraag vermelde locatie, voor een periode van vijf jaar.

  • 3.

    In aanvulling op artikel 1.4.4 is de subsidieontvanger verplicht de walstroomfaciliteit of het LNG vulpunt gedurende vijf jaar na realisatie in eigendom te behouden.

 

Paragraaf 2.5 Waterveiligheid en klimaatbestendigheid IJssel-Vechtdelta

Artikel 2.5.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • klimaatbestendigheid: het zodanig inrichten van een gebied dat de effecten van klimaatverandering opgevangen kunnen worden;

  • waterveiligheid: het beperken van de kansen op en effecten van overstromingen;

  • IJssel-Vechtdelta: het gebied welke ligt binnen de gemeentegrenzen van de gemeenten Zwolle, Zwartewaterland en Kampen.

Artikel 2.5.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten die bijdragen aan waterveiligheid dan wel klimaatbestendigheid van de IJssel-Vechtdelta.

Toelichting: Uit de definitie van klimaatbestendigheid en waterveiligheid en de criteria onder artikel 2.5.3 sub c en sub d valt af te leiden dat niet alle activiteiten die bijdragen aan klimaatbestendigheid en waterveiligheid in aanmerking komen voor de subsidie. Bij klimaatbestendigheid gaat het uitsluitend om maatregelen ter voorkoming van wateroverlast, droogte of hittestress. Energiemaatregelen vallen hier dus niet onder. Bij waterveiligheid moet het gaan om het treffen van maatregelen die zich richten op preventie, waterrobuuste inrichting of crisisbeheersing.

Artikel 2.5.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.5.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    er is sprake van samenwerking met ten minste één andere partij;

    toelichting: een aanvraag voor subsidie kan door iedereen worden ingediend. Wel moet de aanvrager aantonen dat sprake is van samenwerking. Er is sprake van samenwerking als ten minste één andere partij betrokken is bij de activiteit. Bij samenwerking valt te denken aan samenwerking met burgers, (overheids-)organisaties, ondernemingen en onderwijs etc. De vorm is vrij. Het kan een samenwerking zijn waarbij partijen afspraken met elkaar maken over de uitvoering van de activiteiten. Ook is sprake van samenwerking als er meerdere partijen financieel bijdragen aan de kosten. De aanvrager van de subsidie hoeft niet een samenwerkingsverband te zijn. Eén van de partijen kan als aanvrager de subsidie aanvragen.

  • b.

    de activiteit is innovatief in de IJssel-Vechtdelta;

    toelichting: De aanvrager moet aantonen waarom de activiteit innovatief is. Bij innovatie is vaak sprake van een nieuw(e) product, techniek of proces welke toegepast wordt. Ook een reeds eerder uitgevoerde activiteit welke wel nieuw is in de IJssel-Vechtdelta wordt aangemerkt als innovatief.

  • c.

    activiteiten die bijdragen aan waterveiligheid zijn gebaseerd op het principe van meerlaagsveiligheid, dit betekent dat de activiteiten zich richten op preventie, waterrobuuste inrichting of crisisbeheersing;

    toelichting: In het rapport ‘Leven met water’ staat dat waterveiligheid gebaseerd is op het principe van meerlaagsveiligheid:

    • 1.

      Preventie; het betreft de preventie van primaire en regionale keringen. De veiligheid wordt bepaald door overstromingskansen gebaseerd op de risicobenadering. Ook het concept van overstroombare dijken past binnen deze laag.

    • 2.

      Duurzame ruimtelijke inrichting; dit is een ruimtelijke inrichting door bij voorbeeld compartimentering waarbij bestaande hoogten in het landschap worden opgehoogd of verbonden door nieuwe dijken/wallen aan te leggen. Ook het bouwen op terpen of aanleg van waterrobuuste bouwwerken/infrastructuur valt onder deze laag. Ook bij deze tweede laag voor de waterveiligheid wordt de inrichting gebaseerd op overstromingsrisico’s.

    • 3.

      Crisisbeheersing; crisisbeheersing bestaat uit een flexibele evacuatiestrategie; effectieve risico- en crisiscommunicatie en het voorkomen van grootschalige keteneffecten bij uitval van vitale en kwetsbare infrastructuur.

  • d.

    activiteiten die bijdragen aan klimaatbestendigheid betreffen uitsluitend maatregelen ter voorkoming of beperking van wateroverlast, droogte of hittestress;

  • e.

    de activiteiten dragen bij aan de ambities en kaders zoals verwoord in het rapport ‘Leven met water, Strategie waterveiligheid en klimaatbestendigheid in de IJssel-Vechtdelta’;

    toelichting: In het rapport ‘Leven met water’ staat wat nodig is om een robuuste, waterveilige en klimaatbestendige IJssel-Vechtdelta te krijgen. Dit is verwoord aan de hand van een panorama, een realisatiestrategie en een uitvoeringsprogramma. Bij de realisatie van de opgave en hoofdambitie dienen de acht leidende principes als handvatten. Het gaat om de volgende principes:

    • waterveiligheid en klimaatbestendigheid als basis

    • waardevolle omgeving

    • toekomstvast investeringsperspectief

    • innovatie als motor en uithangbord

    • leefbaar en betrokken vanuit het gebied

    • bestuurlijk robuust

    • volhoudbaarheid door veerkracht

    • gebiedsontwikkeling als instrument

  • f.

    de aanvraag is vooraf afgestemd met een provinciale beleidsmedewerker of de programmaleider van het programma IJssel-Vechtdelta;

  • g.

    indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan voldoet de subsidie aan de de-minimisverordening of de de-minimisverordening landbouw.

Artikel 2.5.4 Grondslag subsidie

  • 1.

    De subsidie bedraagt maximaal 70% van de subsidiabele kosten.

  • 2.

    De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten indien de activiteit nieuw is in Nederland.

Artikel 2.5.5 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 2.5.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Waterveiligheid en Klimaatbestendigheid IJssel-Vechtdelta.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een plan van aanpak waarin in ieder geval is opgenomen:

    • a.

      een beschrijving van hoe de activiteiten bijdragen aan de ambities en kaders zoals verwoord in het rapport ‘Leven met water, Strategie waterveiligheid en klimaatbestendigheid in de IJssel-Vechtdelta’, uitgewerkt aan de hand van de acht leidende principes als genoemd in dit rapport;

    • b.

      een planning, een risicoparagraaf, een resultaatsbeschrijving, een begroting en een financieel plan.

Artikel 2.5.7 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien:

  • a.

    de te verstrekken subsidie lager is dan € 25.000;

  • b.

    de aanvraag betrekking heeft op activiteiten die wettelijk verplicht zijn;

  • c.

    de aanvraag betrekking heeft op waterveiligheid of klimaatbestendigheid welke tot de reguliere taak van de aanvrager of van de deelnemende partijen behoort;

  • d.

    de aanvraag betrekking heeft op reguliere taken van bijvoorbeeld een waterschap of een gemeente.

Paragraaf 2.6 Ruimtelijke kwaliteit groene omgeving

 

Algemene toelichting

De provincie zet in op verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied. Ruimtelijke ontwikkelingen zoals nieuwe functies en voorzieningen moeten daar aan bijdragen. Om dit samen met gemeenten te stimuleren is de werkwijze Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving ontwikkeld. Deze is inmiddels breed in gebruik. Belangrijke drager is deelname vanuit de samenleving.

Gedeputeerde Staten willen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen de investeringen in ruimtelijke kwaliteit versterken met inbreng van ideeën van omwonenden en daarmee belangen bij elkaar brengen. Daarnaast willen Gedeputeerde Staten bij nieuwe functies en voorzieningen gebiedsgerichte ontwikkelingen met ruimtelijke kwaliteit stimuleren die een voorbeeld kunnen zijn voor andere gebieden. Met deze subsidieregeling worden beide aspecten gestimuleerd. Met als resultaat voor een groter gebied een groter effect op de ruimtelijke kwaliteit, die beter aansluit bij wensen uit de samenleving.

Artikel 2.6.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • -

    fysieke maatregelen: maatregelen die zichtbaar en tastbaar zijn in de groene omgeving;

  • -

    landelijk gebied: het grondgebied buiten het bestaande bebouwde gebied van steden en dorpen;

  • -

    ruimtelijke kwaliteit: het resultaat van menselijk handelen en natuurlijke processen dat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is.

  • -

    uitvoeringsplan: een beschrijving van de werkwijze en de maatregelen om tot uitvoering van een opgave te komen.

Artikel 2.6.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:

  • a.

    participatie van een georganiseerde groep Overijsselse inwoners of omwonenden aan ruimtelijke ontwikkelingen met als doel verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied;

  • b.

    stimuleren van gebiedsgerichte ontwikkelingen met als doel het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied van Overijssel die een voorbeeld kunnen zijn voor andere gebieden;

  • c.

    realisatie van de fysieke maatregelen, die voortvloeien uit het onder sub a of b genoemde proces of aanpak.

    Toelichting: Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor zowel planvormingsactiviteiten (lid a en b) als voor fysieke maatregelen (lid c) die zichtbaar en tastbaar zijn in de groene omgeving. Dit betekent dat de kosten die gemaakt worden ten behoeve van deze fysieke maatregel subsidiabel zijn.

Artikel 2.6.3 Criteria

  • 1.

    Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub a voldoet aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvrager is een rechtspersoon in de vorm van een stichting, vereniging of coöperatie van inwoners of omwonenden in Overijssel;

      toelichting: particulieren kunnen geen aanvraag indienen.

    • b.

      de participatie is gericht op versterking van draagvlak en betrokkenheid bij concrete ruimtelijke initiatieven of concrete lokale ruimtelijke ontwikkelingen.

  • 2.

    Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub b voldoet aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvrager is een Overijsselse gemeente;

    • b.

      de aanvraag heeft betrekking op een concreet ruimtelijk plan, een procesaanpak of manier van werken die leidt tot verbinden van belangen;

    • c.

      het ruimtelijk plan, de procesaanpak of de manier van werken, als bedoeld onder sub b, levert aantoonbare meerwaarde op voor de ruimtelijke kwaliteit in het projectgebied zelf en is een voorbeeld voor andere landelijke gebieden in Overijssel.

  • 3.

    Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub c voldoet aan de volgende criteria:

  • 4.

    De aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 is vooraf afgestemd met de provinciale beleidsmedewerker ruimtelijke ontwikkeling.

Artikel 2.6.4 Grondslag subsidie

  • 1.

    De subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub a bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 10.000,– per aanvrager.

  • 2.

    De subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub b bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 20.000,– per aanvrager.

  • 3.

    De subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub c bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 75.000,- per aanvrager.

Artikel 2.6.5 Subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 1.1.6 eerste lid zijn de vergoedingen voor de inzet in uren van vrijwilligers wel subsidiabel tegen een maximum uurtarief van € 15,- per uur.

Artikel 2.6.6 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 2.6.7 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Ruimtelijke kwaliteit groene omgeving.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub c een uitvoeringsplan. Het uitvoeringsplan bevat in ieder geval de volgende onderdelen:

    • a.

      een beschrijving van de opgave: de aanleiding en probleemstelling;

    • b.

      een beknopte beschrijving van de locatie en de situatie;

    • c.

      een beschrijving van de bijdrage van de fysieke maatregelen aan de ruimtelijke kwaliteit van de groene omgeving;

    • d.

      een beschrijving van alle voorgestelde maatregelen, ook die waarvoor geen subsidie wordt aangevraagd;

    • e.

      een beschrijving van het resultaat;

    • f.

      een beschrijving van het draagvlak en participatie door derden;

    • g.

      een begroting van de kosten en financiering van de afzonderlijke maatregelen met daarbij het dekkingsvoorstel per maatregel;

    • h.

      de verwachte planning van de uitvoering.

Artikel 2.6.8 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien:

  • a.

    de aanvraag betrekking heeft op reguliere activiteiten of de bedrijfsvoering van de aanvrager;

  • b.

    de aanvraag betrekking heeft op ruimtelijke projecten van overheden;

    toelichting: een aanvraag wordt geweigerd indien de aanvraag betrekking heeft op bijvoorbeeld aanpassing van wegen of uitbreiding van bedrijventerreinen;

  • c.

    de te verstrekken subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub a lager is dan € 2.500,–;

  • d.

    de te verstrekken subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub b lager is dan € 5.000,–;

  • e.

    de te verstrekken subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub c lager is dan € 25.000,-;

  • f.

    aan de aanvrager al drie subsidies zijn verstrekt op basis van deze subsidieparagraaf;

  • g.

    de gemeente uitsluitend een aanvraag indient voor de subsidie als bedoeld 2.6.2 sub c.

Artikel 2.6.9 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht binnen twaalf maanden na datum van de subsidieverlening te starten met de uitvoering van de activiteit en deze binnen drie jaar na datum van subsidieverlening te hebben uitgevoerd.

Artikel 2.6.10 Bevoorschotting

Indien sprake is van een subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub c verstrekken Gedeputeerde Staten, in afwijking van artikel 1.3.2 geen voorschot. Het eerste voorschot wordt verstrekt na de start van de uitvoering van de fysieke maatregelen.

Paragraaf 2.7 Huisvesting statushouders

 

Algemene toelichting

De huisvestingstaakstelling legt een grote druk op de sociale huurwoningmarkt. Mede vanwege de schommelingen in de huisvestingstaakstelling en de toekomstige regionale woningbehoefte is het voor gemeenten lastig om hier steeds opnieuw op in te spelen.

Gedeputeerde Staten willen gemeenten ondersteunen met het realiseren van tijdelijke en flexibele woonvormen voor statushouders. Dit met als doel om bij te dragen aan passende woonvormen voor statushouders.

Artikel 2.7.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • huurprijs: huurprijs als bedoeld in artikel 237, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;

  • nieuwbouw: vervallen;

  • onzelfstandige woonvoorziening: vervallen;

  • statushouder: vreemdeling van 18 jaar of ouder die in Nederland een ‘verblijfsvergunning asiel’ voor bepaalde tijd heeft aangevraagd en als gevolg daarvan een verblijfsvergunning heeft ontvangen als bedoeld in artikel 8, onder a, b, c of d, van de Vreemdelingenwet 2000;

  • transformatie: vervallen;

  • tijdelijke woonvoorziening: vervallen;

  • verbouw: bestaand vastgoed met de functie wonen dat wordt verbouwd om minimaal 2 nieuwe zelfstandige woningen te creëren;

  • zelfstandige woonvoorziening: vervallen.

Artikel 2.7.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het beschikbaar stellen van tijdelijke woningen voor statushouders voor een periode van minimaal één jaar.

Toelichting: De subsidie wordt verleend voor het beschikbaar stellen van tijdelijke woningen voor statushouders. De subsidie wordt conform artikel 2.7.4 berekend per slaapkamer die beschikbaar gesteld wordt. De gemeente moet verantwoorden dat gedurende een periode van minimaal één jaar woningen beschikbaar gesteld zijn voor statushouders. Het is niet noodzakelijk dat de gesubsidieerde woningen alleen maar voor statushouders zijn. Het is mogelijk dat de gemeente woningen realiseert die de doorstroming op de woningmarkt stimuleren waardoor aantoonbaar elders locaties vrijkomen voor statushouders.

Artikel 2.7.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.7.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is een Overijsselse gemeente;

  • b.

    de aanvrager heeft concrete afspraken gemaakt met de uitvoerende partij over het beschikbaar stellen van woningen voor statushouders over een periode van minimaal 1 jaar, vastgelegd in een intentieverklaring;

  • c.

    de activiteiten zijn gestart na 1 mei 2016;

  • d.

    de aanvraag past binnen de kaders van het Statenvoorstel (PS/2016/1008) en de huisvestingstaakstelling van de aanvrager;

  • e.

    de aan de statushouder gevraagde maximale huurprijs per woning bedraagt niet meer dan de actuele aftoppingsgrens. De maximale huurprijs geldt niet voor huishoudens of gezinnen die bestaan uit zes of meer personen;

    Toelichting: De aftoppingsgrens is een begrip uit de huurtoeslag. Als je huurprijs hoger is dan deze grens wordt de huurtoeslag verlaagd.

  • f.

    de aanvraag is, voordat deze wordt ingediend, afgestemd met de provinciale beleidsmedewerker van Ruimte en bereikbaarheid.

Artikel 2.7.4 Grondslag subsidie

De subsidie bedraagt een forfaitair vastgesteld tarief van € 5.000,- per slaapkamer. De totale subsidie per aanvraag bedraagt maximaal € 250.000,- per aanvraag.

Toelichting : Een slaapkamer is een kamer waarin men hoofdzakelijk slaapt. De subsidie wordt berekend op basis van het aantal slaapkamers. De subsidie van € 5.000,- is bedoeld voor het realiseren van woonvoorzieningen voor statushouders. In dit bedrag is inbegrepen de kosten voor basisvoorzieningen zoals een keuken of sanitair en andere kosten die nodig zijn voor het realiseren van een op basis waarvan de subsidie wordt berekend.

Artikel 2.7.5 Subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 1.1.5 betreft de subsidie een forfaitair bedrag.

Artikel 2.7.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Huisvesting statushouders.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een intentieverklaring als bedoeld in artikel 2.7.3 sub b.

  • 3.

    In afwijking van artikel 1.2.1 tweede lid, onder c en d, hoeft de aanvrager geen begroting of dekkingsplan in te dienen.

Artikel 2.7.7 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 2.7.8 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsdieontvanger verplicht:

  • a.

    de activiteiten als bedoeld in artikel 2.7.2 uiterlijk 12 maanden na de datum van verlening van subsidie te hebben uitgevoerd;

  • b.

    de statushouders ten minste een jaar te huisvesten.

Artikel 2.7.9 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien aan de aanvrager driemaal subsidie is verstrekt op grond van deze subsidieparagraaf.

Paragraaf 2.8 Vitaliteit van binnensteden (stadsarrangementen)

Algemene toelichting

Gemeenten en de provincie selecteren gezamenlijk projecten die bijdragen aan het vitaler maken van de binnensteden. Een overzicht van die projecten wordt een stadsarrangement genoemd. Het kan gaan om projecten op het gebied van visievorming, uitwerking van concepten, maar ook om fysieke maatregelen om de binnenstad te veranderen.

Artikel 2.8.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • -

    stadsarrangement: een door de provincie en gemeente opgesteld overzicht van activiteiten die bijdragen aan de vitaliteit, leefbaarheid en kwaliteit van de binnenstad van de betreffende gemeente. In het stadsarrangement is opgenomen wat de maximale provinciale bijdrage is, wie de subsidieaanvrager is en waar het project uitgevoerd wordt.

Artikel 2.8.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen een subsidie verlenen voor activiteiten die de vitaliteit, leefbaarheid en kwaliteit van de binnenstad vergroten.

Artikel 2.8.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is een Overijsselse gemeente of een andere organisatie die genoemd is in het stadsarrangement als de subsidieaanvrager;

  • b.

    de activiteit is opgenomen in het stadsarrangement van de betreffende gemeente;

  • c.

    indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107, lid 1 van het VWEU, dan moet voldaan worden aan de de-minimisverordening;

  • d.

    een aanvraag wordt voordat deze wordt ingediend afgestemd met een provinciale beleidsmedewerker Stadsbeweging.

Artikel 2.8.4 Grondslag subsidie

De subsidie bedraagt een forfaitair vastgesteld tarief zoals opgenomen in het stadsarrangement van de betreffende gemeente.

Artikel 2.8.4a Subsidiabele kosten

Artikel 1.1.5 en artikel 1.1.6 zijn niet van toepassing.

Toelichting: De subsidie bedraagt een forfaitair vastgesteld tarief welke bij het opstellen van het betreffende stadsarrangement is vastgesteld (lumpsum bedrag).

Artikel 2.8.5 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks het subsidieplafond vast.

Artikel 2.8.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Vitaliteit van binnensteden (stadsarrangementen).

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager het door de provincie en gemeente opgestelde stadsarrangement.

  • 3.

    In afwijking van artikel 1.2.1 tweede sub c hoeft de aanvrager geen begroting en dekkingsplan te overleggen bij de aanvraag voor subsidie.

Artikel 2.8.7 Verplichtingen subsidieontvanger

De subsidieontvanger is, in aanvulling op artikel 1.4.1 en artikel 1.4.2 verplicht:

  • a.

    de activiteiten binnen drie jaar na subsidieverlening te hebben uitgevoerd;

  • 2.

    de ervaringen en kennis die opgedaan is te delen met partijen die er om vragen.

Artikel 2.8.8 Weigeringsgrond

In aanvulling op artikel 1.3.1 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien de aanvraag betrekking heeft op reguliere activiteiten of de bedrijfsvoering van de gemeente.

Hoofdstuk 3 Milieu en Energie

Paragraaf 3.1 Hernieuwbare energie en energiebesparing

Toelichting

Het doel van deze subsidieregeling is het ondersteunen en versnellen van investeringen in technische voorzieningen gericht op energiebesparing, en de opwekking van hernieuwbare energie. Ondernemers, overheden en andere organisaties kunnen in aanmerking komen voor de subsidie. Woningen komen niet in aanmerking voor de subsidie.

De subsidieregeling is een tenderregeling. Dit betekent dat de provincie het beschikbare subsidiebudget verdeelt op basis van een behaalde score en voor zover het subsidieplafond het toelaat. Het totale vermeden primaire energieverbruik is het belangrijkste beoordelingscriterium op basis waarvan de score wordt bepaald. De subsidie bedraagt maximaal 30% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 200.000,– per aanvraag, met uitzondering van zonne-energie. Voor zonne-energie geldt dat de subsidie maximaal 15% van de subsidiabele kosten bedraagt, met een maximum van € 100.000,- voor zonne-energie en een maximum van € 200.000,- voor de gehele aanvraag.

Artikel 3.1.1 Begripsbepalingen

  • -

    biobrandstof: verzamelnaam voor brandstoffen die zijn gemaakt uit biomassa. Er zijn verschillende soorten. Bijvoorbeeld biodiesel, bio-ethanol, biogas of bio-butanol.

  • -

    biomassa: de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval, conform Richtlijn2009/28/EG. De biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria voor biomassa ten behoeve van energiedoeleinden, zoals bedoeld in NTA 8080-1: 2015.nl en NTA 8080-2: 2015.nl.

  • -

    bodemenergie: technische voorziening waarmee, zonder per saldo grondwater te onttrekken, gebruik wordt gemaakt van de bodem voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door middel van een gesloten circuit van leidingen, met inbegrip van een bijbehorende warmtepomp, circulatiepomp en regeneratievoorziening, voor zover aanwezig.

  • -

    energiebesparing: reductie van het energieverbruik in een nieuwe situatie vergeleken met de situatie waarin een referentietechnologie wordt toegepast;

  • -

    energielijst: energie- en milieulijst van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) met bedrijfsmiddelen die voor de fiscale EnergieInvesteringsaftrek regeling (EIA) in aanmerking komen. Deze lijst wordt elk jaar geactualiseerd. De energielijst is te vinden op de website http://www.rvo.nl/.

  • -

    EPC: De Regeling Bouwbesluit 2012 stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe gebouwen. De maat die hierin wordt gebruikt voor energiezuinigheid is de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). De bepaling van de EPC ligt vast in de norm NEN 7120 Energieprestatie van Gebouwen (EPG). (Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 december 2011, nr. 2011-2000589667, tot vaststelling van nadere voorschriften voor bouwwerken).

  • -

    hernieuwbare energie: energie uit zonne-energie, windenergie, waterenergie, bodemenergie en energie uit biomassa.

  • -

    primaire energie: de fossiele energie zoals gas, olie of kolen die nodig is aan de bron om het uiteindelijke energiegebruik te dekken. De omrekenfactor voor primair energiegebruik van elektriciteit is gebaseerd op het meest recente cijfer uit CBS publicatie (2015) conform referentieparkmethode

    Toelichting: Dit betekent dat bijvoorbeeld voor een gebruik van 1 kWh elektriciteit aan de bron in een conventionele elektriciteitscentrale 2,42 kWh energie nodig is. Er gaat immers energie verloren tijdens de omzetting naar elektriciteit, tijdens transport, etc.

  • -

    Regeling Bouwbesluit 2012: Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 december 2011, nr. 2011-2000589667, tot vaststelling van nadere voorschriften voor bouwwerken;

  • -

    technische voorziening: bedrijfsmiddelen zoals genoemd in de energielijst of bedrijfsmiddelen ten behoeve van hernieuwbare energie;

  • -

    totale vermeden primaire energieverbruik: het vermeden primaire energieverbruik over een periode van 15 jaar door energiebesparing + het vermeden primaire energieverbruik over een periode van 15 jaar door hernieuwbare energie– het eigen primaire energieverbruik van de aanvullende technische voorzieningen over een periode van 15 jaar;

  • -

    waterenergie: technische voorziening waarbij de kracht van stromend en vallend water benut wordt voor het opwekken van elektriciteit. De as van de turbine is verbonden met een generator waarmee energie wordt opgewekt.

  • -

    windenergie: technische voorziening waarmee elektriciteit wordt opgewekt uit de stroming van lucht met behulp van een windturbine.

  • -

    zonne-energie: technische voorziening waarmee elektriciteit- of warmteopwekking plaatsvindt door middel van photo-voltaïsche (PV) panelen, zonneboilers en PV-panelen met een zonnecollector (PVT) met inbegrip van omvormers.

Artikel 3.1.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor investeringen in:

  • a.

    technische voorzieningen voor energiebesparing in of bij gebouwen, zoals opgenomen in de energielijst onder categorie A;

  • b.

    technische voorzieningen voor energiebesparing in bestaande of nieuwe bedrijfsprocessen zoals opgenomen in de energielijst onder categorie B;

  • c.

    hernieuwbare energie.

Artikel 3.1.3 Criteria

  • 1.

    Een aanvraag voor subsidie voldoet aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvrager is een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersoon, een maatschap, een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap, een eenmanszaak of een kerkgenootschap;

    • b.

      er is sprake van energiebesparing of hernieuwbare energie in Overijssel;

    • c.

      alleen investeringen in technische voorzieningen die een terugverdientijd hebben van vijf jaar of meer komen in aanmerking voor de subsidie;

    • d.

      indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan voldoet:

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.1.2 sub a aan de volgende criteria:

    • a.

      met de technische voorzieningen bij nieuwbouw van utiliteitsgebouwen waarbij een EPC-eis geldt, wordt tenminste een 25% lagere EPC bereikt dan wettelijk voorgeschreven op moment van aanvraag of wordt er, indien er geen EPC-eis geldt, een reductie van tenminste 25% gehaald ten opzichte van wat gangbaar is;

      Toelichting: De EPC-eisen zijn te vinden op de website http://www.rvo.nl/.

    • b.

      met de technische voorzieningen bij bestaande utiliteitsgebouwen wordt tenminste een energieprestatie van label A++ bereikt of wordt een energielabel bereikt dat minimaal 4 stappen beter is dan dat het was of wordt minimaal de energieprestatie-eis uit de Regeling Bouwbesluit 2012 voor nieuwbouw bereikt.

  • 3.

    In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.1.2 sub c aan de volgende criteria:

    • a.

      windenergie komt alleen in aanmerking voor de subsidie als sprake is van installaties die bedoeld zijn voor kleinschalige opwekking, met een maximale hoogte van 25 meter en een maximaal vermogen van 50 kilowattpiek;

    • b.

      zonne-energie komt alleen in aanmerking voor de subsidie als het wordt gecombineerd met investeringen zoals bedoeld in artikel 3.1.2 sub a, sub b of bodemenergie, windenergie, waterenergie of energie uit biomassa;

    • c.

      energie uit biomassa komt alleen in aanmerking voor subsidie als er geen sprake is van biobrandstoffen waarvoor een leverings- of bijmengverplichting geldt;

    • d.

      indien sprake is van waterenergie dan voldoet die aan Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement.

Artikel 3.1.4 Grondslag subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 30% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 200.000,– per aanvraag, met uitzondering van zonne-energie. Voor zonne-energie geldt dat de subsidie maximaal 15% van de subsidiabele kosten bedraagt, met een maximum van € 100.000,- voor zonne-energie en een maximum van € 200.000,- voor de gehele aanvraag.

Toelichting Indien de te verlenen subsidie staatssteun oplevert dan mag de totale overheidssteun voor dezelfde activiteit niet meer bedragen dan 30% van de subsidiabele kosten. Wanneer voor dezelfde activiteit al steun is verleend dan kan dit betekenen dat onder toepassing van artikel 8 van de AGVV afgeweken wordt van de in dit artikel genoemde maximum percentage.

Artikel 3.1.5 Subsidiabele kosten

Uitsluitend de volgende kosten zijn subsidiabel:

  • a.

    aanschafkosten van de technische voorzieningen overeenkomstig artikel 1.1.5 derde lid;

  • b.

    loonkosten ten behoeve van de installatie van de technische voorziening overeenkomstig artikel 1.1.5 derde lid of eerste lid sub b;

    Toelichting: Indien sprake is van eigen loonkosten van de aanvrager ten behoeve van de installatie van de technische voorziening dan zijn deze overeenkomstig artikel 1.1.5 eerste lid sub b, subsidiabel voor een vast tarief van € 35,- per uur. Voor loonkosten van derden geldt artikel 1.1.5 derde lid.

Artikel 3.1.6 Niet subsidiabele kosten

In aanvulling op artikel 1.1.6 zijn de volgende kosten niet subsidiabel:

  • a.

    advieskosten;

  • b.

    andere voorbereidingskosten dan kosten voor de installatiewerkzaamheden;

  • c.

    kosten projectmanagement- of projectbegeleiding;

  • d.

    kosten voor gronden;

  • e.

    onderhoudskosten;

  • f.

    exploitatiekosten.

Artikel 3.1.7 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien:

  • a.

    sprake is van woningen;

  • b.

    sprake is van wettelijk vereiste technische voorzieningen, waaronder technische voorzieningen die op grond van de Regeling Bouwbesluit 2012 voor nieuwbouw verplicht zijn;

  • c.

    sprake is van aanschaf van voertuigen voor het vervoer over de weg, vaartuigen voor de binnenvaart of railgebonden voertuigen;

  • d.

    voor zonne-energie al subsidie is aangevraagd of verstrekt door een ander bestuursorgaan;

    Toelichting: Dit betekent dat de aanschafkosten en loonkosten ten behoeve van de installatie voor zonne-energie niet subsidiabel zijn. Voorbeeld is de SDE+.

  • e.

    subsidie wordt aangevraagd voor LED-verlichting of een HR-ketel.

Artikel 3.1.8 Indieningstermijn aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.2.2 geldt dat een aanvraag om subsidie kan worden ingediend:

    • a.

      vanaf 15 februari en ontvangen uiterlijk op 1 april vóór 17.00 uur;

    • b.

      vanaf 1 augustus en ontvangen uiterlijk op 15 september vóór 17.00 uur.

  • 2.

    Een onvolledige aanvraag voor subsidie kan na sluitingsdatum alleen volledig worden gemaakt voor zover het geen inhoudelijke aanvulling of wijziging van de aanvraag betreft.

    Toelichting: Doordat het een tenderregeling is, is het voor de gelijktijdige beoordeling nodig dat alle stukken voor de sluiting van de aanvraagtermijn ingediend zijn. Na de sluitingsdatum is er alleen ruimte voor het herstel van kleinigheden die niet inhoudelijk van aard zijn, zoals een handtekening of een bankrekeningnummer.

Artikel 3.1.9 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier ‘Hernieuwbare energie en energiebesparing’

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie

    • a.

      een projectplan waarin is beschreven:

      • i.

        een omschrijving van de investering;

      • ii.

        indien sprake is van activiteiten als bedoeld in artikel 3.1.2 sub a of b een onderbouwing van de energiebesparing van de investering over een periode van 15 jaar in GigaJoule, kWh of m3;

      • iii.

        indien sprake is van activiteiten als bedoeld in artikel 3.1.2 sub c een onderbouwing van de hernieuwbare energie van de investering opgewekt over een periode van 15 jaar in GigaJoule, kWh of m3;

      • iv.

        onderbouwing van het eigen energieverbruik van de investering over een periode van 15 jaar in GigaJoule, kWh of Nm3, of aangeven dat geen sprake is van eigen energieverbruik van de investering;

      • v.

        onderbouwde terugverdientijd van de investering;

      • vi.

        vervallen

      • vii.

        vervallen

    • b.

      een ingevulde door de provincie beschikbaar gestelde rekentool “Berekening vermeden primaire energie”, waaruit het vermeden primaire energieverbruik over een periode van 15 jaar in Gigajoule, Kwh of Nm3 blijkt;

      Toelichting: De rekentool is te vinden op www.overijssel.nl/subsidie.

    • c.

      een ingevuld door de provincie beschikbaar gestelde format begroting en dekkingsplan Hernieuwbare energie en energiebesparing, waaruit duidelijk blijkt:

      • i.

        de aanschafbedragen van de technische voorzieningen inclusief de kosten van de installatie van de technische voorziening;

      • ii.

        indien van toepassing, de loonkosten aanvrager ten behoeve van de installatie van de technische voorziening;

    • d.

      offerte of offertes waaruit de aanschaf- en installatiekosten blijken, of een door een onafhankelijke derde opgestelde kostenraming;

    • e.

      indien aanwezig een kopie van de noodzakelijke vergunningen;

    • f.

      indien sprake is van technische voorzieningen als bedoeld in artikel 3.1.2 sub a:

      • i.

        bij nieuwbouw: EPC-waarde zoals wettelijk vereist volgens Regeling Bouwbesluit 2012 en een EPC berekening inclusief aanvullende technische voorzieningen die inzichtelijk maakt hoe de aanvullende technische voorzieningen bijdragen aan de verbetering van de EPC of, indien geen EPC-eis geldt, een energiebalans berekening uitgedrukt in MJ/m2;

      • ii.

        bij bestaande bouw: energielabel van de oude situatie en de nieuwe situatie die inzichtelijk maakt hoe de aanvullende technische voorzieningen bijdragen aan de verbetering van het energielabel of een berekening waaruit blijkt dat in de nieuwe situatie wordt voldaan aan de energieprestatie-eis uit de Regeling Bouwbesluit 2012.

Artikel 3.1.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 3.1.11 Volgorde van behandeling 

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.1.4 plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen, die voldoen aan de in artikel 3.1.3 gestelde criteria, in een volgorde op basis van behaalde score. Gedeputeerde Staten verstrekken de subsidie in de volgorde van behaalde score, voor zover het subsidieplafond dit toelaat.

    De score wordt bepaald op basis van de in Scoretabel 1 genoemde wegingscriteria.

  • 2.

    Bij een gelijke score bepaalt het totale vermeden primaire energieverbruik de volgorde.

    Scoretabel 1

    WEGINGSCRITERIA

    TE BEHALEN PUNTEN

    WEGINGS-FACTOR

    SCORE

    a. totale vermeden primaire energieverbruik (in GigaJoule)

    100.000 of hoger=10

    40.000 tot 100.000= 8

    20.000 tot 40.000= 6

    10.000 tot 20.000=4

    1.000 tot 10.000= 2

    0 tot 1.000= 0

    30%

    Punten x 0,3= score a

    b. totale vermeden primaire energieverbruik gedeeld door het aangevraagd subsidiebedrag (in GigaJoule/€)

    1,6 of hoger = 10

    0,8 tot 1,6= 8

    0,4 tot 0,8= 6

    0,2 tot 0,4= 4

    0,1 tot 0,2= 2

    0 tot 0,1= 0

    30%

    Punten x 0,3= score b

    c. mate van slaagkans van de investering(afhankelijk van de kwaliteit van het projectplan, de technische, financiële en juridische haalbaarheid en de mate waarin de activiteiten startgereed en/of obstakelvrij zijn)

    goed = 10

    voldoende = 6

    matig= 1

    20%

    Punten x 0,2= score c

    d. praktische navolging van de investering(afhankelijk van de mate waarin de kennis en expertise actief wordt gedeeld, voorbeeldwerking en herhaalpotentieel van de activiteit)

    goed = 10

    voldoende = 6

    matig= 1

    10%

    Punten x 0,1= score d

    e. Mate van combinatie van de verschillende subsidiabele activiteiten zoals genoemd in artikel 3.1.2

    3 subsidiabele activiteiten = 10

    2 subsidiabel activiteiten= 5

    1 subsidiabele activiteit = 0

    10%

    Punten x 0,1= score e

    Totaalscore =Score a+score b+score c+score d+ score e 

Artikel 3.1.12 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht de technische voorziening te hebben aangeschaft en geïnstalleerd en in gebruik te hebben genomen uiterlijk drie jaar na datum van subsidieverlening.

Artikel 3.1.13 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidievaststelling

In aanvulling op artikel 1.5.2 tweede lid of artikel 1.5.3 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag tot vaststelling (dus na afloop) tevens een ingevuld factsheet Subsidieregeling Hernieuwbare energie en energiebesparing.

Toelichting: Het factsheet is te vinden op www.overijssel.nl/subsidie.

Paragraaf 3.2 Haalbaarheidsstudies nieuwe energie en energiescans

Artikel 3.2.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • energiebesparing: technische, logistieke of organisatorische voorzieningen die leiden tot verminderd verbruik van energie, zoals gedefinieerd in het protocol Monitoring energiebesparing 2001;

    toelichting: Het protocol Monitoring energiebesparing 2001 is de vinden op de website http://www.ecn.nl/ (publicatienummer: ECN-C-01-129).

  • energieopwekking: duurzame energie opwekkingsvoorzieningen die het geheel of gedeeltelijk gebruikmaken van energie uit hernieuwbare energiebronnen mogelijk maken, zoals gedefinieerd in het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie;

    toelichting: Het protocol Monitoring Hernieuwbare Energie 2010 is te vinden op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, www.rvo.nl.

  • energiescan: een energieonderzoek dat inzicht geeft in het energieverbruik van een onderneming;

    toelichting: Informatie over de energiescan is te vinden op http://www.energiescanoverijssel.nl/.]

  • haalbaarheidsstudie: een studie naar de toepassing van innovatieve technieken gericht op één of meerdere energiebesparende maatregelen of duurzame energie opwekkingsvoorzieningen waarvan het onduidelijk is, of deze toepassing technisch inpasbaar of economisch rendabel is. De studie richt zich zowel op bouwkundige, technische, logistieke en organisatorische aspecten als het industriële verbruik;

  • brancheorganisatie: een vereniging of stichting van ondernemers met eenzelfde soort bedrijf, die zich verenigd hebben om collectieve belangen of deelbelangen van groepen leden of individuele belangen van leden te behartigen.

Artikel 3.2.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:

  • a.

    een haalbaarheidsstudie energieopwekking of energiebesparing;

  • b.

    een stimuleringsproject energiescans.

Artikel 3.2.3 Criteria

  • 1.

    Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.2.2 onder sub a voldoet aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvrager is een privaatrechtelijke rechtspersoon, een maatschap, een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap of een eenmanszaak, niet zijnde een holding of een moedermaatschappij van een concern;

    • b.

      een haalbaarheidsstudie heeft betrekking op één van de volgende investeringen:

      • i.

        energieopwekking uit hernieuwbare energiebronnen te weten bio-energie, geothermie, zonne-energie of waterenergie;

      • ii.

        energiebesparing door de distributie van restwarmte rechtstreeks naar de eindgebruiker.

      • iii.

        energiebesparing door bouwkundige, technische, logistieke of organisatorische aspecten.

    • c.

      de haalbaarheidsstudie is ten behoeve van inwoners of ondernemingen die gevestigd zijn in Overijssel;

    • d.

      uit het dekkingplan blijkt dat ten minste 10% van de subsidiabel kosten gedekt is met eigen geld of bijdrage van de aanvrager zelf, niet zijnde subsidie van het Rijk, gemeente of waterschap;

    • e.

      de aanvrager heeft een aantoonbaar belang bij de uitkomsten van de haalbaarheidsstudie. Dat belang kan zijn dat:

      • i.

        de aanvrager op basis van de haalbaarheidsstudie de investeringsbeslissing neemt; of

      • ii.

        dat de aanvrager eigenaar of mede-eigenaar is van het innovatieve concept dat wordt uitgewerkt;

    • f.

      een haalbaarheidsstudie naar energiebesparende maatregelen bij bedrijven is aantoonbaar uitgebreider dan het standaard energieonderzoek dat voor MKB-bedrijven beschikbaar is;

    • g.

      indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan de de-minimisverordening.

  • 2.

    Een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 3.2.2 onder sub b voldoet aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvrager is een Overijsselse gemeente of een brancheorganisatie;

    • b.

      het project is gericht op het stimuleren van MKB-ondernemingen in Overijssel om energiebesparende maatregelen te realiseren;

Artikel 3.2.4. Grondslag subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 15.000,– per aanvraag.

Artikel 3.2.5. Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Haalbaarheidsstudies energie en energiescans.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie de potentiële hoeveelheid energie die wordt opgewekt of bespaard in joules.

Artikel 3.2.6. Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 3.2.7. Weigeringsgronden

  • 1.

    In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien subsidie wordt gevraagd voor:

    • a.

      wettelijk vereiste onderzoeken en maatregelen;

    • b.

      een haalbaarheidsstudie die betrekking heeft op bewezen en rendabele technieken;

      toelichting: Voorbeelden van bewezen en rendabele technieken zijn warmte- en koude-opslag, warmteterugwinning, houtpelletkachels, lagetemperatuurverwarming, warmtepompen en zonnepanelen.

    • c.

      een haalbaarheidsstudie naar energiebesparende maatregelen in de woningbouw die leiden tot verbetering van minder dan 50 woningen;

    • d.

      een haalbaarheidsstudie die uitgaat van maatregelen voor nieuwbouw van utiliteitsgebouwen en van woningen met minder dan een 25% lagere EPC dan wettelijk voorgeschreven op moment van aanvraag;

    • e.

      een haalbaarheidsstudie die uitgaat van maatregelen in nieuwbouw van kantoren, woningen en scholen met een energiewaarde lager dan 8 in de GPR-score;

    • f.

      een haalbaarheidsstudie die uitgaat van maatregelen voor bestaande gebouwen die daarmee  een energieprestatie bereiken lager dan label A of label B en minder dan 3 labelstappen vooruitgaan;

    • g.

      een haalbaarheidsstudie naar energiebesparing of -projecten in huishoudens;

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien:

    • a.

      de aanvrager een ingenieurs- of adviesbureau betreft, tenzij het bureau de haalbaarheidsstudie uitvoert ter voorbereiding op een eigen investering in energiebesparing of energieopwekking;

    • b.

      aan de aanvrager op basis van deze subsidieparagraaf voor de activiteit in het betreffende kalenderjaar in totaal al twee keer of meer een subsidie is verstrekt.

Artikel 3.2.8 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsdieontvanger verplicht:

  • a.

    de subsidiabele activiteit binnen een 1 jaar na subsidieverlening te hebben uitgevoerd;

  • b.

    de haalbaarheidsstudie beschikbaar te stellen aan iedereen die er belangstelling voor heeft.

    toelichting: Indien de haalbaarheidsstudie bedrijfsgevoelige informatie bevat, wordt deze ook beschikbaar gesteld, waarbij de bedrijfsgevoelige informatie geanonimiseerd mag worden.

Paragraaf 3.3 Energiebesparende maatregelen (geld terug actie)

 

Toelichting: Het programma Nieuwe Energie is gericht op duurzame energie en energiebesparing met als doel het fossiele energiegebruik te verminderen. Met deze subsidieregeling wordt uitvoering gegeven aan het deelprogramma ‘Energiebesparing bij bedrijven en -terreinen'. Ondernemingen die een energieonderzoek hebben laten uitvoeren, kunnen een subsidieaanvraag indienen voor het uitvoeren van de maatregelen die voorgesteld worden in het energieonderzoek.

Artikel 3.3.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • energiebesparende maatregelen: technische, logistieke of organisatorische voorzieningen die leiden tot verminderd verbruik van energie, zoals deze naar voren komen in het energieonderzoek en gedefinieerd is in het protocol Monitoring energiebesparing. De energiebesparende maatregelen zijn gebaseerd op de erkende maatregelen voor energiebesparing en de aanvullingen daarop van Infomil;

    toelichting: Zonnepanelen worden aangemerkt als energieopwekking en komen daarom niet in aanmerking voor subsidie.

  • energieonderzoek: een onderzoek naar energiebesparingsmogelijkheden in gebouwen en industriële processen. Het onderzoek richt zich zowel op bouwkundige, technische en organisatorische aspecten, cultuurhistorische waarden als het industriële gebruik;

    toelichting: Een eenvoudige energiescan, zoals de digitale NZOscan, geeft niet alle mogelijke maatregelen weer. Voor een volledig overzicht wordt verwezen naar een energieonderzoek door een energieadviseur.

  • EPA-U: een Energie Prestatie Advies voor bestaande utiliteitsgebouwen

  • MKB-Nederland: brancheorganisatie voor het midden- en kleinbedrijf.

Artikel 3.3.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:

  • a.

    energiemaatregelen die genoemd zijn in het energieonderzoek;

  • b.

    een energieonderzoek.

Artikel 3.3.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.3.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is een privaatrechtelijke rechtspersoon, een maatschap, een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap, een eenmanszaak of een kerkgenootschap;

  • b.

    het energieonderzoek dient te zijn uitgevoerd na 1 januari 2013;

  • c.

    het energieonderzoek is uitgevoerd:

    • i.

      door een gecertificeerd energie-adviseur met aantoonbare ervaring in het Mkb;

      Toelichting: De ervaring van de energie-adviseur kan aangetoond worden door verwijzing naar referentieprojecten. Voorbeelden van certificatie zijn EPA, EPA-U of ander certificaat. Voorbeeld van een certificerende instantie is FeDec.

    • ii.

      door een branchespecialist; of

    • iii.

      in opdracht van of met subsidie van de provincie Overijssel of een Overijsselse gemeente.

  • d.

    de energiebesparende maatregelen hebben betrekking op het pand en de installaties daarbinnen waarvoor het energieonderzoek is uitgevoerd;

  • e.

    [vervallen.]

  • f.

    [vervallen.]

  • g.

    het vestigingsadres van het pand waarvoor de energiebesparende maatregelen worden toegepast is in Overijssel;

  • h.

    de energiebesparende maatregelen zijn gerealiseerd in de periode van maximaal zes maanden voorafgaand aan de subsidieaanvraag;

  • i.

    de minimale investering in een gerealiseerde energiebesparende maatregel per aanvraag bedraagt € 4.000. Bij een gezamenlijke aanvraag kan één van de Mkb-ondernemingen of een onafhankelijke energieadviseur, als aanvrager aangewezen worden. Deze aanvrager is de subsidieontvanger en draagt zorg voor de verdeling van de subsidie.

    toelichting: Gedeputeerde Staten willen het mogelijk maken dat partijen een gezamenlijke aanvraag kunnen indienen. De totale investering per aanvraag moet dan € 4.000 of meer bedragen.

  • j.

    indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan de de-minimisverordening.

Artikel 3.3.4 Grondslag subsidie

  • 1.

    De subsidie als bedoeld in artikel 3.3.2 sub a bedraagt maximaal 25% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 2.500 per aanvraag, waarbij de subsidie voor advieskosten maximaal 5% van het totale investeringsbedrag bedraagt.

    Toelichting: Overeenkomstig artikel 3.3.8 lid 1 sub c kan een aanvrager maximaal 1 keer subsidie per vestigingsadres ontvangen.

  • 2.

    De subsidie als bedoeld in artikel 3.3.2 sub b bedraagt

    • a.

      € 200,– indien de energiekosten minder dan € 10.000,- per jaar bedragen;

    • b.

      € 400,– indien de energiekosten tussen de € 10.000,- en de € 30.000,- per jaar bedragen.

Artikel 3.3.5 Subsidiabele kosten

  • 1.

    Uitsluitend kosten van derden als bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.1.6 derde lid zijn de kosten van activiteiten die uitgevoerd zijn voordat de aanvraag voor subsidie is ontvangen, wel subsidiabel mits deze activiteiten uitgevoerd zijn tot maximaal zes maanden voorafgaand aan de subsidieaanvraag.

Artikel 3.3.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Energiebesparende maatregelen.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.2.1. tweede lid sub c overlegt de aanvrager bij de aanvraag de volgende stukken:

    • a.

      het energieonderzoek waarin minimaal is beschreven:

      • i.

        het huidige energiegebruik;

      • ii.

        de energiebalans waarin minimaal 90% van het energiegebruik is toebedeeld aan de energiegebruikers;

      • iii.

        omschrijving van de energiemaatregelen, inclusief de verwachte investering en de verwachte energiereductie;

      • iv.

        en een plan van aanpak voor de uitvoering;

      • v.

        de quick wins;

    • b.

      kopieën van alle facturen en betaalbewijzen van de gemaakte en betaalde kosten.

Artikel 3.3.7 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 3.3.8 Weigeringsgrond

  • 1.

    In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien:

    • a.

      subsidie wordt aangevraagd voor uitsluitend een energieonderzoek;

    • b.

      het energieonderzoek is uitgevoerd na realisatie van de energiebesparende maatregelen;

    • c.

      aan de aanvrager voor het vestigingsadres al subsidie is verstrekt op basis van deze subsidieparagraaf;

    • d.

      de aanvrager een vereniging van eigenaars (VvE) betreft.

  • 2.

    In aanvulling op de eerste lid weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie voor een energieonderzoek als bedoeld in artikel 3.3.2 sub b indien:

    • a.

      het onderzoek voor 3 juli 2014 is uitgevoerd;

    • b.

      het energieonderzoek een energieonderzoek ten behoeve van een sportvereniging is;

    • c.

      energiekosten van de aanvrager meer dan € 30.000 per jaar bedragen.

Paragraaf 3.4 Logistieke biomassaprojecten

Artikel 3.4.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • biomassa: de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw (met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen), de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval (conform Richtlijn2009/28/EG);

  • logistiek biomassaproject: een project voor het realiseren van een nieuwe biomassaketen met de activiteiten organiseren, plannen, besturen en uitvoeren van de goederenstroom biomassa. Onderdelen van een logistiek project zijn stappen als inzameling van biomassa, voorbewerking, tussenopslag, transport, bewerking van biomassa (transitie) en distributie van warmte, elektriciteit of biobrandstoffen naar de eindafnemer. Doel van deze projecten is om tegen optimale kosten en kapitaalgebruik de biomassawaardeketen te sluiten en nieuwe energie uit biomassa te produceren;

    toelichting: Van oudsher zijn er twee omvangrijke afzetmarkten voor biomassa: de voedselmarkt en de bestaande markt voor onder meer hout, olie, vezels, veevoer en compost. Hier komt een groeiende waardeketen bij, namelijk voor het gebruik van biomassa als groene materialen, als groene grondstof voor specifieke toepassingen in de chemie, als transportbrandstof en voor opwekking van duurzame energie. Biomassa inzetten voor duurzame energie is economisch gezien de meest laagwaardige toepassing, maar vanuit het oogpunt van benutting van de energie-inhoud is energieopwekking thans de meest toegepaste verwerking van biomassa. Voor energieopwekking zijn de meeste productiehoeveelheden biomassa beschikbaar.De biomassaketen is een productketen en bestaat uit een aantal schakels die optimaal op elkaar afgestemd moeten worden.

    Biomassa kan tot waarde worden gebracht door het opzetten van een biomassaketen. Daarom spreek je ook van een biomassawaardeketen.De economische waarde binnen de keten neemt met elke schakel toe. Bijvoorbeeld gestapelde en gedroogde biomassa, en op maat verkleinde biomassa, heeft toenemend meer waarde voor de handel of de verwerker, dan verspreid liggende biomassa die nog ingezameld en voorbewerkt moet worden. Projecten worden opgezet met het doel om samenwerking in de biomassaketen te bevorderen. Er is nu nog weinig of geen samenwerking in de waardeketen en biomassa wordt daarom niet geoogst, verhandeld en ingezet. Er is dringend behoefte aan het verbindingen maken tussen de schakels van de biomassaketen, opdat er een volwaardige markt voor biomassa tot stand komt. Het sluiten van ketens vergt een nauwe samenwerking tussen partijen, een sterke logistieke organisatie, en een rendabele manier van (her)gebruik van reststromen.

  • deelnemer: een partij die aantoonbaar belang heeft bij het project, niet zijnde een natuurlijk persoon.

Artikel 3.4.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor logistieke biomassaprojecten.

 

toelichting: Deze regeling is bedoeld om ketenprocessen bij nieuwe biomassaprojecten  te sluiten en te optimaliseren. Onderdelen van een biomassaproject zijn stappen als inzameling, voorbewerking, tussenopslag, transport en bewerking van biomassa (transitie) en distributie van warmte, elektriciteit of brandstoffen naar een eindafnemer. Daar hoort ook bij het oogsten, eventueel voorbewerken (om kwaliteit te leveren) en tussenopslag (massa, continuïteit).

Artikel 3.4.3 Criteria

De aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.4.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de activiteit vindt in hoofdzaak, meer dan 80% van de subsidie, binnen de grenzen van de provincie Overijssel plaats;

  • b.

    de activiteit heeft een terugverdientijd van meer dan vijf jaar na subsidieverlening;

  • c.

    de biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria voor biomassa ten behoeve van energiedoeleinden, zoals bedoeld in NEN NTA 8080-1: 2015.nl en NTA 8080-2: 2015.nl.

  • d.

    de activiteit heeft als doel om tegen optimale kosten en kapitaalgebruik een nieuwe biomassawaardeketen te sluiten en hernieuwbare energie uit biomassa te produceren.

  • e.

    er zijn minimaal twee deelnemers aan het logistieke biomassaproject, niet zijnde een ingenieurs- of adviesbureau;

  • f.

    indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het  VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan artikel 2 van de de-minimisverordening.

Artikel 3.4.4 Grondslag subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 20.000,– per aanvraag.

Artikel 3.4.5 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 3.4.6 Weigeringsgrond

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien deze wordt aangevraagd voor:

  • a.

    wettelijk vereiste onderzoeken en maatregelen;

  • b.

    energiebesparende voorzieningen in huishoudens;

  • c.

    een puur plantaardige olie als energiebron in de sector mobiliteit en transport.

Artikel 3.4.7 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsdieontvanger verplicht de activiteit uiterlijk drie jaar na datum van subsidieverlening te hebben afgerond.

 

Paragraaf 3.5 Energielening Overijssel

Artikel 3.5.1. Begripsbepalingen

  • In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • energielening: stimuleringslening van Stimuleringsfonds Volkshuisvesting (SVn) ten behoeve van een energiemaatregel.

  • energielijst: lijst met de investeringen in bedrijfsmiddelen of in onderdelen daarvan, als bedoeld in de actuele energielijst, van de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), met uitzondering van windturbines en ongeacht of de betreffende energiemaatregel met of zonder SDE is.

    toelichting: De geldende Energielijst is te vinden op rvo.nl. De energielijst is een overzicht van RVO van energie-investeringen die voor de fiscale Energie Investeringsaftrek regeling (EIA)in aanmerking komen. Deze lijst wordt elk jaar opnieuw opgesteld. Het overzicht van de energie-investeringen is opgedeeld in 5 categorieën. Deze subsidieparagraaf richt zich op categorie A bedrijfsgebouwen, B processen en D duurzame energie. Dit betekent dat een onderneming een energielening kan aanvragen bij de provincie voor investeringen die genoemd worden onder categorie A, B en D van de energielijst, met uitzondering van windturbines.

  • energiemaatregel: een maatregel uit de categorie A, B of D van de Energielijst, met uitzondering van windturbines;

    toelichting: Een overzicht van investeringen die onder categorie A, B en D vallen is te vinden in de energielijst.

Artikel 3.5.2 Subsidiabele activiteit

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie in de vorm van rentekorting verstrekken voor een bij het SVn afgesloten, energielening ten behoeve van energiemaatregelen uit de energielijst.

Artikel 3.5.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.5.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is een privaatrechtelijke rechtspersoon, een maatschap, een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap, een eenmanszaak of een kerkgenootschap;

  • b.

    de aanvraag wordt gedaan voor een  energiemaatregel  ten behoeve van een vestiging  in de provincie Overijssel, niet zijnde een vestigingsadres met bestemming wonen;

  • c.

    de energiemaatregel betreft:

    • i.

      een technische voorziening ten behoeve van energiebesparing in of bij bedrijfsgebouwen, als bedoeld in de Energielijst onder categorie A; of

    • ii.

      een technische voorziening ten behoeve van energiebesparing bij processen, als bedoeld in de Energielijst onder categorie B;

    • iii.

      een technische voorziening ten behoeve van Duurzame energie opwekking in of bij bedrijfsgebouwen, als bedoeld in de Energielijst onder categorie D, met uitzondering van windturbines.

  • d.

    de lening wordt aangevraagd bij het SvN en heeft

    • i.

      een looptijd van 10 jaar indien de aanvrager een stichting, vereniging of een kerkgenootschap betreft en

    • ii.

      een looptijd van 5 jaar in alle andere gevallen;

  • e.

    de op de energielening te betalen rente bedraagt minimaal 1,5%;

  • f.

    de hoofdsom van de energielening bedraagt minimaal € 10.000,– en maximaal € 100.000,- en bestaat uit 100% van de afsluitkosten en maximaal 75% van de overige subsidiabele kosten;

  • g.

    indien de energiemaatregel Photo-voltaïsche panelen betreft, bevat het dak waar de Photo-voltaïsche panelen worden geplaatst geen asbest;

  • h.

    de aanvrager staat ten minste drie jaar ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en kan ten minste drie jaarverslagen van de meest recente boekjaren overleggen.

    toelichting: Voor de kredietbeoordeling van SVn dienen de laatste 3 jaarverslagen te worden overlegd.

  • i.

    indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het  VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan de de-minimisverordening of de de-minimisverordening landbouw indien de aanvrager een landbouwonderneming is.

Artikel 3.5.4 Grondslag subsidie

De rentekorting bedraagt in beginsel 3% en is gebaseerd op de geldende 5 jaars marktrente of 10 jaars marktrente die geldt op het moment dat de aanvraag voor de energielening is ontvangen door SvN.De in rekening gebrachte rente bedraagt minimaal 1,5%.

Artikel 3.5.5 Subsidiabele kosten

Uitsluitend de aanschafkosten, inclusief de kosten die betaald worden aan derden om de energiemaatregel bedrijfsklaar te krijgen en de afsluitkosten van de energielening van € 1.500,- zijn subsidiabel, conform artikel 1.1.5 derde lid.

Artikel 3.5.6 Niet subsidiabele kosten

In aanvulling op artikel 1.1.6 zijn de volgende kosten niet subsidiabel:

  • a.

    kosten voor bedrijfsmiddelen die eerder gebruikt zijn;

  • b.

    kosten voor grond, woningen, personenauto's en vaartuigen die niet bestemd zijn voor goederenvervoer, dieren, effecten, vorderingen, goodwill, vergunningen, ontheffingen, concessies en andere publiekrechtelijke dispensaties;

  • c.

    onderhoudskosten.

Artikel 3.5.7 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Energieleningen Ondernemingen.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een offerte waaruit de subsidiabele kosten van de energiemaatregel blijken.

Artikel 3.5.8 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks de maximale leenruimte vast.

Artikel 3.5.9 Weigeringsgrond

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien de benodigde vergunningen voor de energiemaatregel niet zijn verkregen.

Artikel 3.5.10 Bevoorschotting

In afwijking van artikel 1.3.2 wordt de rentekorting via de lening bij SVn verrekend.

Artikel 3.5.11 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht uiterlijk binnen vier maanden na ontvangst van de subsidieverleningsbeschikking een aanvraag voor de duurzaamheidlening in te dienen indienen bij SVn.

 

Paragraaf 3.6 Lokale energie-initiatieven

Artikel 3.6.1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • bedrijfsplan: een plan voor het starten van een nieuwe lokale energie-onderneming of het professionaliseren van een lokaal energie-initiatief tot een toekomstbestendige onderneming, en die voldoet aan de criteria die zijn opgenomen in bijlage 1 bij deze paragraaf.

    business case: een plan voor het starten van een energieproject, waarmee de haalbaarheid van het project wordt aangetoond en die voldoet aan de criteria die zijn opgenomen in bijlage 2 bij deze paragraaf;

  • energiebesparing: technische, logistieke of organisatorische voorzieningen die leiden tot verminderd verbruik van energie, zoals gedefinieerd in het Protocol Monitoring Energiebesparing 2001;

  • energieopwekking: duurzame energie opwekkingsvoorzieningen die het geheel of gedeeltelijk gebruikmaken van energie uit hernieuwbare energiebronnen mogelijk maken, zoals gedefinieerd in het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie;

  • energieproject: een project waarbij energiebesparing of energieopwekking gerealiseerd wordt en bijgedragen wordt aan vergroting van het aandeel duurzame energie;

  • lokaal energie-initiatief: een initiatief met als doel om een energieproject te realiseren, waarbij:

    • a.

      het aandeel nieuwe energie toeneemt en deze ambitie breed wordt uitgedragen; en

    • b.

      bewoners, organisaties of bedrijven in een specifiek gebied binnen Overijssel actief worden uitgenodigd om vrijwillig lid of klant te worden; en

    • c.

      het initiatief open staat voor iedereen die wil deelnemen; en

    • d.

      leden en klanten profijt hebben van de opbrengsten die door realisatie van het energieproject worden gehaald; en

    • e.

      er sprake is van een samenwerkingsverband en een bestuur van minimaal twee personen.

  •  

    toelichting: Een lokaal energie-initiatief start vaak, maar niet uitsluitend, met vrijwilligers, het initiatief kan verschillende rechtsvormen hebben. Sommige lokale energie-initiatieven groeien  uit tot een lokale duurzame energie onderneming.

  • Programma Nieuwe Energie: programma welke op 2 juli 2014 door Provinciale Staten is vastgesteld en aanpassingen ervan.

Artikel 3.6.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor een lokaal energie-initiatief, waarbij subsidie kan worden verstrekt voor 3 verschillende fases van het lokaal energie-initiatief:

  • a.

    Fase 1: de activiteiten in de idee- en ontwerpfase van een energieproject.

    Toelichting: Het gaat hierbij om activiteiten als het organiseren van bijeenkomsten, ideeën uitwerken, juridisch en financieel advies vragen, onderzoek naar haalbaarheid, aanvragen van vergunningen en de voorbereiding en het opstellen van een businesscase voor het energieproject.

  • b.

    Fase 2: het uitvoeren van de businesscase van het energieproject;

  • c.

    Fase 3: de professionalisering van het lokale energie-initiatief tot een toekomstbestendige onderneming;

    Toelichting: Hieronder vallen activiteiten die nodig zijn om een onderneming te starten en alle activiteiten die nodig zijn om het lokale energie-initiatief te verbreden naar meerdere activiteiten, meerdere bronnen, meerdere doelgroepen en/of meerdere wijken.]

Artikel 3.6.3 Criteria

  • 1.

    Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.6.2 voldoet aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvrager is een rechtspersoon, een maatschap, een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap, een eenmanszaak of een kerkgenootschap. Als aanvrager wordt ook aangemerkt een aanvrager die in oprichting is om de hiervoor genoemde rechtsvorm te verkrijgen;

    • b.

      er is sprake van een lokaal energie-initiatief in Overijssel;

    • c.

      de activiteit draagt bij aan de doelstelling en ambities van het Programma Nieuwe Energie;

    • d.

      het energieproject is naar het oordeel van Gedeputeerde Staten realistisch en financieel haalbaar;

    • e.

      een aanvraag of het idee om een lokaal energie-initiatief te starten, is vooraf besproken met een beleidsmedewerker Programma Nieuwe Energie van de provincie.

      toelichting: Gedeputeerde Staten willen vanaf het begin van een lokaal energie-initiatief betrokken zijn, om indien nodig deskundigheid in te brengen en te helpen om het lokaal energie-initiatief van de grond te kunnen krijgen. Gedeputeerde Staten zijn ondersteunend en niet sturend. De initiatiefnemers moeten uiteindelijk zelf de keuzes maken die nodig zijn om het initiatief van de grond te krijgen.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid voldoet een subsidie als bedoeld in artikel 3.6.2 sub b aan het criterium dat ter uitvoering van het energieproject een haalbare businesscase is opgesteld.

  • 3.

    In aanvulling op het eerste lid voldoet een subsidie als bedoeld in artikel 3.6.2 sub c aan het criterium dat de professionalisering van het lokale energie-initiatief tot een toekomstbestendige onderneming is gebaseerd op een haalbaar bedrijfsplan.

  • 4.

    Indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107, eerste lid van het VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan de de-minimisverordening.

  • 5.

    Indien sprake is van een aanvrager in oprichting, dan wordt de subsidie verleend onder de opschortende voorwaarde dat de aanvrager de rechtspersoonlijkheid verkrijgt.

Artikel 3.6.4 Subsidiabele kosten

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.1.5 en artikel 1.1.6 zijn alle kosten subsidiabel die doelmatig, reëel en direct toe te rekenen zijn aan de subsidiabele activiteit. Indien sprake is van interne loonkosten van de aanvrager dan bedraagt het uurloon:

    • a.

      maximaal € 15,– voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.6.2 sub a;

    • b.

      maximaal € 35,– voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.6.2 sub b;

    • c.

      maximaal € 60,– voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.6.2 sub c.

  • 2.

    Indien sprake is van kosten van derden dienen deze te voldoen aan artikel 1.1.5 derde lid.

Artikel 3.6.5 Grondslag subsidie

  • 1.

    De subsidie als bedoeld in artikel 3.6.2 sub a en b bedraagt 100% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 50.000,– per lokaal energie-initiatief waarbij het maximum voor de activiteit als bedoeld in artikel 3.6.2 sub a € 20.000,– bedraagt. Gedeputeerde Staten kunnen hiervan afwijken indien sprake is van een energie-initiatief waarbij in fase 1 meer dan € 20.000,– aan kosten derden gemaakt gaat worden.

  • 2.

    Indien sprake is van het opwekken van zonne-energie bedraagt de subsidie als bedoeld in artikel 3.6.2 sub a en b 100% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 30.000 per lokaal energie-initiatief. Indien sprake is van het opwekken van zonne-energie en er is sprake is van te verwijderen asbest van daken, dan geldt het eerste lid.

  • 3.

    De subsidie als bedoeld in artikel 3.6.2 sub c bedraagt 100% van de subsidiabele kosten met een maximale subsidie van € 50.000,– per lokaal energie-initiatief. Indien het ingediende bedrijfsplan naar het oordeel van Gedeputeerde Staten voldoende onderbouwd is en haalbaar lijkt, maar verdere uitwerking behoeft dan kan maximaal € 3.000,– van de subsidie gebruikt worden voor de begeleiding door een externe deskundige om het bedrijfsplan te optimaliseren.

Artikel 3.6.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Lokale energie-initiatieven.

Artikel 3.6.7 Weigeringsgrond

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien de aanvraag uitsluitend:

  • a.

    betrekking heeft op de subsidiabele activiteit als bedoeld in artikel 3.6.2 onder sub a of

  • b.

    betrekking heeft op subsidie voor het opstellen van een bedrijfsplan.

    toelichting: Gedeputeerde Staten verlenen geen subsidie aan uitsluitend ideevorming en onderzoek naar de haalbaarheid van een Lokaal duurzaam energie-initiatief. Een idee en onderzoek naar haalbaarheid moet uiteindelijk leiden tot een businesscase.

Artikel 3.6.8 Voorschotverlening

In aanvulling op artikel 1.3.2 verstrekken Gedeputeerde Staten de aanvrager een voorschot op basis van de voortgang, behaalde resultaten en de benodigde financiële middelen. Om een voorschot te kunnen ontvangen voor de subsidie als bedoeld in artikel 3.6.2 sub b, moet de subsidieontvanger een businesscase overleggen. Om een voorschot te kunnen ontvangen voor de subsidie als bedoeld in artikel 3.6.2 sub c, moet de subsidieontvanger een bedrijfsplan overleggen. Er wordt geen voorschot verleend aan een subsidieontvanger die in oprichting is.

Toelichting: Gedeputeerde Staten verlenen een subsidie van maximaal € 100.000. Op basis van artikel 1.3.2 kunnen Gedeputeerde Staten een voorschot van maximaal 100% uitbetalen. Echter gezien de aard van de subsidie, is dit niet wenselijk. Het kan immers ook zijn dat na fase 1, de idee en ontwerpfase, blijkt dat het energieproject niet uitgevoerd kan worden. In de verleningsbeschikking worden go-or nogo momenten opgenomen en op basis van een tussengesprek met de provincie of een tussenrapportage besluiten Gedeputeerde Staten of een voorschot wordt verleend. Om een voorschot te kunnen ontvangen voor de subsidie als bedoeld in artikel 3.6.2 sub b (uitvoeren van een energieproject), moet de subsidieontvanger een businesscase overleggen. Om een voorschot te kunnen ontvangen voor de subsidie als bedoeld in artikel 3.6.2 sub c (professionalisering van het lokale energie-initiatief tot een toekomstbestendige onderneming) moet de subsidieontvanger een bedrijfsplan overleggen.

 

Paragraaf 3.7 Duurzame voucher energieaanbod

[Vervallen]

 

Paragraaf 3.8 Stimulering actieve marktaanpak verduurzaming woningen

Artikel 3.8.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder particuliere woningeigenaar: een meerderjarig natuurlijk persoon die volgens het kadaster de bestaande woning waarvoor een aanvraag wordt ingediend  in eigendom heeft.

Artikel 3.8.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten waarbij particuliere woningeigenaren geactiveerd worden om hun eigen woning in Overijssel te verduurzamen en daarbij het energielabel van hun woning op ten minste label B te brengen.

Toelichting: Het activeren van woningeigenaren kan door bijvoorbeeld in contact te komen met woningeigenaren, ze actief op te zoeken dan wel via een andere benadering, en ze te stimuleren  om energiemaatregelen te treffen. De subsidie is niet bedoeld voor de investeringen in de energiemaatregelen.

Artikel 3.8.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is een rechtspersoon, een maatschap, een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap, een eenmanszaak, een zelfstandige ondernemer of een kerkgenootschap;

  • b.

    indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan de de-minimisverordening;

  • c.

    de aanvraag is, voordat deze wordt ingediend, afgestemd met het gemeentelijk energieloket.

Artikel 3.8.4 Grondslag subsidie

  • 1.

    De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 150.000 per aanvraag.

    Toelichting: De subsidie bedraagt maximaal € 150.000 per aanvraag. Dit betekent dat een aanvrager (bv. een gemeente) meerdere aanvragen kan indienen, voor zover het subsidieplafond het toelaat.

  • 2.

    De subsidie bedraagt 70% van de subsidiabele kosten indien de aanvraag betrekking heeft op een innovatieve aanpak. Er worden maximaal twee subsidies per jaar verstrekt voor een innovatieve aanpak.

    Toelichting: Indien sprake is van een innovatieve aanpak dan dient de aanvrager in het aanvraagformulier te onderbouwen waarom sprake is van een innovatieve aanpak.

Artikel 3.8.5 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 1.1.6 sub d zijn gemeentelijke apparaatskosten in welke vorm dan ook, niet subsidiabel.

Artikel 3.8.6 Subsidiabele kosten

  • 1.

    Indien sprake is van een investering waarbij een machine of apparatuur wordt aangeschaft, dan is in afwijking van artikel 1.1.5 tweede lid, de aanschaf van de machine of apparatuur subsidiabel conform artikel 1.1.5 derde lid.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.1.6 eerste lid zijn de vergoedingen voor de inzet in uren van vrijwilligers wel subsidiabel tegen een maximum uurtarief van € 15,- per uur.

Artikel 3.8.7 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 3.8.8 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Stimulering actieve marktaanpak verduurzaming woningen.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een projectplan met een omschrijving van

    • a.

      het initiatief, de doelgroep, de aanpak;

    • b.

      de betrokken marktpartijen en hun inbreng;

    • c.

      de omvang van de activiteiten;

    • d.

      de te behalen prestaties;

    • e.

      de meetbare resultaten en verwachte conversiegraad;

    • f.

      bijdrage aan de ambitie om het energielabel van de betreffende woningen planmatig op ten minste label B te brengen;

    • g.

      de informatie-overdracht aan andere partijen;

    • h.

      de planning;

    • i.

      de aanvraag is afgestemd met het energieloket van de betreffende gemeente.

Artikel 3.8.9 Indieningstermijn aanvraag

In aanvulling op artikel 1.2.2 geldt dat een aanvraag om subsidie uiterlijk op 1 oktober 2019 ontvangen moet zijn.

Artikel 3.8.10 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien:

  • a.

    de gemeente de aanvrager is en deze gemeente de Bestuursovereenkomst Woonafspraken niet heeft getekend;

  • b.

    de aanvraag betrekking heeft op de bekostiging van de energiemaatregelen;

  • c.

    de aanvraag betrekking heeft op uitsluitend een reclamecampagne.

Artikel 3.8.11 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht:

  • a.

    de opgedane kennis, de aanpak of het initiatief te delen of beschikbaar te stellen aan andere partijen die erom vragen;

  • b.

    binnen drie maanden na subsidieverlening te starten met de activiteiten en deze te hebben uitgevoerd uiterlijk op 1 juli 2020.

Artikel 3.8.12 Aanvullende stukken bij de vaststelling van de subsidie

In aanvulling op artikel 1.5.2 tweede lid of artikel 1.5.3 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag tot vaststelling tevens de aantallen particuliere woningeigenaren die benaderd zijn en de bijbehorende conversiegraad.

 

Paragraaf 3.9 Hernieuwbare energie en energie-efficiëntie

Artikel 3.9.1 Begripsbepalingen en uitsluitingsgronden

Toelichting: In dit artikel wordt in het eerste lid een aantal begrippen verduidelijkt die in deze paragraaf van het Uitvoeringsbesluit worden gehanteerd.

Ad d

Onder andere biomassa wordt in het kader van deze subsidie-paragraaf als hernieuwbare energiebron aangemerkt.

De AGVV stelt geen eisen aan energie-installaties die biomassa gebruiken als brandstof om energie op te wekken. Om die reden is er in deze subsidie-paragraaf voor gekozen om alleen steun te verlenen aan het gebruik van energie-installaties die biomassa gebruiken als brandstof om energie op te wekken. Steun voor de productie van biobrandstoffen valt niet onder de onderhavige subsidie-paragraaf.

 

Biobrandstoffen zijn vloeibare of gasvormige producten die gewonnen worden uit plantaardig of dierlijk materiaal (biomassa) en worden gebruikt om energie op te wekken of als brandstof te dienen. Er bestaan al drie generaties biomassa. Tot biomassa van de eerste generatie worden voedselgewassen gerekend, zoals maïs, koolzaad, oliepalm, soja, suikerbiet, suikerriet en ook graan. Biomassa die niet aan voedsel zijn gerelateerd worden meestal de tweede generatie genoemd. Voorbeelden hiervan zijn houtsnippers, stro, de oneetbare gedeelten van voedselgewassen, dierlijk vet, gebruikt frituurvet en afval. Onder de derde generatie biomassa wordt in Nederland vooral algen verstaan. Algen worden overigens als bron voor biomassa niet op de markt verwacht voor het jaar 2020.

 

Ad o:

Naar verwachting levert de realisatie van een energieproject een aantal nieuwe arbeidsplaatsen op of kunnen als gevolg van het energieproject nieuwe arbeidsplaatsen worden behouden. De provincie wil daarin inzicht hebben.

 

Ad sub jj:

De subsidie-aanvrager moet in het projectplan aangeven wat de effecten zijn ten aanzien van energie-efficiëntie dan wel toename van hernieuwbare energie. Indien de subsidie-aanvrager een grote onderneming is, moet zij, naast het voorgaande, aantonen dat de subsidie een stimulerend effect op het energieproject heeft. Hierbij moet aan één of meer van de volgende criteria worden/zijn voldaan:

  • een wezenlijke toename van de omvang van het energieproject of de activiteit als gevolg van de subsidie;

  • een wezenlijke toename van de reikwijdte van het energieproject of de activiteit als gevolg van de subsidie;

  • een wezenlijke toename van de totale uitgaven van de subsidie-ontvanger voor het energieproject of de activiteit als gevolg van de subsidie;

  • een wezenlijke toename van de snelheid waarmee het betrokken energieproject of de activiteit wordt voltooid

Een eenvoudige verklaring van grote ondernemingen dat de subsidie de reikwijdte en omvang van het project vergroot volstaat niet om een stimulerend effect aan te tonen. Grote ondernemingen moeten de levensvatbaarheid van het project aan de hand van een vergelijking tussen scenario's met en zonder subsidie aantonen en daaruit moet blijken dat aan één of meer van de voorgaande criteria is voldaan.

 

Gedeputeerde Staten zullen de analyse van de grote onderneming en de door haar verstrekte bewijsstukken op hun geloofwaardigheid toetsen.

 

  • 1.

    In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • adviescommissie: door Gedeputeerde Staten bij besluit d.d. 13 november 2012 ingestelde commissie;

  • AGVVbank: een bank zoals gedefinieerd in de Wet op het financieel toezicht of een aan een bank gelieerd beleggingsfonds, al dan niet via een beheerder, zoals gedefinieerd in de Wet op het financieel toezicht waarbij de bank of het beleggingsfonds handelt op grond van een vergunning van de Autoriteit Financiële Markten;

  • basisniveau schilisolatie: per mogelijke soort woning is een basisniveau voor de schilisolatie vastgesteld; basisniveau van woninggebonden energieverbruik voor een: (a) rijwoning is 0,55 Gigajoule per m2, (b) galerijwoning 0,45 Gigajoule per m2, (c) portiekwoning 0,45 Gigajoule per m2 en voor (d) twee-onder-een-kap woning 0,50 Gigajoule per m2;

  • biomassa: de energie-installatie die biomassa gebruikt als brandstof om energie op te wekken, waarbij de invoer voor de energie-installatie per kalenderjaar voor maximaal 20% mag bestaan uit eerste generatie biomassa, mits deze biomassa geheel afkomstig is uit een gebied binnen een straal van 150 kilometer rondom de locatie waar de bio-energie-installate is gevestigd. De overige invoer dient te bestaan uit tweede of derde generatie biomassa, waarbij ten aanzien van de tweede generatie geldt dat deze per kalenderjaar voor minimaal 50% afkomstig moet zijn uit een gebied binnen een straal van 150 kilometer rondom de locatie waar de bio-energie-installatie is gevestigd. De biomassa (zowel eerste, tweede als derde generatie) dient te allen tijde te voldoen aan de eisen die voortvloeien uit de NTA 8080-1: 2015.nl en NTA 8080-2: 2015.nl  (Nederlandse Technische Afspraak). Voor houtige biomassa geldt dat deze voor 100% afkomstig moet zijn uit een van de lidstaten van de Europese Unie, waar bosbouw wordt geacht duurzaam plaats te vinden;

  • BW: het Nederlandse burgerlijk wetboek;

  • EU-norm:

    • een verplichte EU-norm waarbij de op milieugebied te bereiken normen per onderneming zijn vastgesteld, of

    • de verplichting op grond van Richtlijn 2010/75/EU om de beste beschikbare technieken (BAT's) te gebruiken en ervoor te zorgen dat de emissieniveaus van verontreinigende stoffen niet hoger zijn dan bij de toepassing van de BAT's. Voor de gevallen waarin de met de BAT's geassocieerde emissieniveaus zijn bepaald in uitvoeringshandelingen die op grond van Richtlijn 2010/75/EU zijn vastgesteld, zullen die niveaus gelden. Wanneer die niveaus als een bandbreedte zijn geformuleerd, zal de grens waar de BAT het eerst wordt bereikt, van toepassing zijn;

  • concern: een groep als bedoeld in artikel 2:24b BW waartoe de aanvrager voor een subsidie behoort, welke groep is gericht op een duurzame deelneming aan het economische verkeer;

  • de-minimissteun: steun die voldoet aan de voorwaarden van de de-minimisverordening;

  • dochtermaatschappij: een dochtermaatschappij als bedoeld in artikel 2:24a BW;

  • EBITDA: Earnings Before Interest, Taxes, Depreciation and Amortization;

  • energie-efficiëntiemaatregelen: maatregelen die een subsidie-aanvrager in staat stellen zijn energieverbruik, met name in zijn productiecyclus, - of in geval van woningcorporaties van hun huurders - te verminderen, waaronder in het geval van woningcorporaties mede wordt begrepen de bouwkundige aanpassingen aan woningen die nodig zijn om de energiemaatregelen te realiseren of andere onderhoud- of verbetermaatregelen die fysieke samenhang hebben met de te realiseren energie-efficiëntiemaatregelen;

  • Energiefonds Overijssel II B.V.: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Energiefonds Overijssel II B.V. die in mandaat voor Gedeputeerde Staten deze subsidieparagraaf uitvoert;

  • energieproject: een project waarbij:

    • energie-efficiëntiemaatregelen worden genomen waardoor het verbruik van niet-hernieuwbare energie in de provincie Overijssel wordt gereduceerd door middel van een bekende en bewezen techniek; of

    • binnen de provincie Overijssel hernieuwbare energie wordt opgewekt c.q. de opwekking van hernieuwbare energie wordt vergroot;

  • garantie: de overeenkomst tussen Energiefonds Overijssel II B.V. en de bank betreffende de zekerheid tot aflossing van het krediet dat de aanvrager van de garantie ten aanzien van het energieproject van de bank heeft verkregen;

  • gecreëerde arbeidsplaats: de permanent bezette en tot volledige dagtaak omgerekende arbeidsplaats op jaarbasis (1 fte), gebaseerd op een arbeidsovereenkomst voor een aaneengesloten periode van minimaal 12 maanden welke met het energieproject wordt geschapen of in stand wordt gelaten;

  • grote onderneming: een onderneming die niet onder de definitie van middelgrote- en/of kleine onderneming valt;

  • hernieuwbare energie: energie opgewekt met installaties waarbij uitsluitend van hernieuwbare energiebronnen wordt gebruikgemaakt, alsmede het aandeel in calorische waarde van de met hernieuwbare energiebronnen in hybride installaties opgewekte energie die ook met conventionele energiebronnen werken;

  • hernieuwbare energiebronnen: de volgende hernieuwbare, niet-fossiele energiebronnen: zonne-energie, geothermische energie, hydrothermische energie, aerothermische energie, waterkracht, biomassa, stortgas, rioolwaterzuiveringsgas, biogas;

  • in aanmerking komende kosten: de extra investeringskosten van het energieproject ten opzichte van de referentie-investering;

  • kleine onderneming: een onderneming in de zin van Bijlage I van de AGVV, met minder dan 50 werknemers, met een jaaromzet of een jaarlijks balanstotaal van maximaal € 10 miljoen. Een onderneming wordt niet als een kleine onderneming aangemerkt indien één of meer overheidsinstanties of openbare lichamen gezamenlijk direct of indirect zeggenschap heeft of hebben over 25% of meer van het kapitaal of de stemrechten, behoudens de in artikel 3, tweede lid, tweede alinea van Bijlage I van de AGVV bedoelde gevallen;

  • krediet: krediet dat de aanvrager van de garantie van de bank heeft gekregen voor het uitvoeren van een energieproject;

  • kredietovereenkomst: overeenkomst tussen de bank en de aanvrager van de garantie op grond waarvan de bank geld voor de uitvoering van een energieproject ter leen verstrekt of zal verstrekken;

  • maatschappelijk rendement: de als gevolg van de door de ontvangen subsidie gerealiseerde energie-efficiëntie c.q. opwekking van hernieuwbare energie en de als gevolg van de door de ontvangen subsidie gecreëerde arbeidsplaatsen gezamenlijk;

  • marktconforme premie: premie die wordt berekend conform de safe-harbour premies zoals opgenomen in paragraaf 3.3 van de Mededeling-garanties;

  • marktconforme rente: rente die wordt berekend conform de methode in de Mededeling-rentepercentages;

  • Mededeling-garanties: Mededeling van de Europese Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun in de vorm van garanties (Pb. 2008, C155/10) en de rectificatie van de Commissie daarop zoals gepubliceerd in Pb. 2008, C244/32, of diens opvolger;

  • Mededeling-rentepercentages: Mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (Pb. 2008, C14/6) of diens opvolger;

  • middelgrote onderneming: een onderneming in de zin van Bijlage I van de AGVV, met minder dan 250 werknemers, met een jaaromzet van maximaal € 50 miljoen, of een balanstotaal van maximaal € 43 miljoen. Een onderneming wordt niet als een middelgrote onderneming aangemerkt indien één of meer overheidsinstanties of openbare lichamen gezamenlijk direct of indirect zeggenschap heeft of hebben over 25% of meer van het kapitaal of de stemrechten, behoudens de in artikel 3, tweede lid, tweede alinea van Bijlage I van de AGVV bedoelde gevallen;

  • moedermaatschappij: de nauwst met een aanvrager verbonden persoon ten aanzien van wie een ratingverklaring is of kan worden afgegeven;

  • niet-hernieuwbare energie: energie die niet voldoet aan de definitie van hernieuwbare energie;

  • onderneming: een natuurlijke of rechtspersoon die een economische activiteit uitoefent ongeacht de rechtsvorm of de wijze van financiering; een concern wordt als één onderneming aangemerkt;

  • premiekorting: de korting op de premie ten opzichte van de marktconforme premie;

  • projectplan: een inhoudelijk werkplan waarin onder andere een beschrijving c.q. gemotiveerde inschatting van de door de ontvangen subsidie te verwachten energie-efficiëntie c.q. toename van hernieuwbare energie is opgenomen. Grote ondernemingen tonen in dit projectplan aan dat de subsidie een stimulerend effect, zoals bedoeld in artikel 6, derde lid, van de AGVV, op het energieproject heeft;

  • provincie: de publiekrechtelijke rechtspersoon de provincie Overijssel;

  • ratingverklaring: een door GS geaccepteerde verklaring waaruit de rating van de aanvrager van een subsidie blijkt conform de Mededeling-rentepercentages en Mededeling-garanties, dan wel van diens moedermaatschappij, indien de aanvrager geen rating heeft of kan verkrijgen vanwege het ontbreken van een kredietverleden;

  • referentie-investering:

    • bij energie-efficiëntiemaatregelen: een technisch vergelijkbare investering aan het energieproject die een lager niveau van milieubescherming biedt die overeenstemt met de verplichte EU-normen (voor zover die bestaan) en waarvan aannemelijk is dat zij zonder steun zou worden uitgevoerd. Een technisch vergelijkbare investering is een investering met dezelfde productiecapaciteit en alle andere technische eigenschappen (met uitzondering van die welke rechtstreeks op de extra investering voor milieubescherming betrekking hebben) die uit zakelijk oogpunt een geloofwaardig alternatief is voor het energieproject.

    • bij hernieuwbare energie: wanneer de kosten van investeringen in de productie van energie uit hernieuwbare energiebronnen kunnen worden vastgesteld ten opzichte van een vergelijkbare, minder milieuvriendelijke investering die zonder de steun op geloofwaardige wijze zou zijn verricht, levert dit verschil tussen de kosten van beide investeringen de met hernieuwbare energie verband houdende kosten op en geldt dit als de in aanmerking komende kosten;

  • rentekorting: de korting op rente ten opzichte van de marktconforme rente;

  • terugverdienplan: een plan waarin de haalbaarheid, de commerciële levensvatbaarheid en de terugverdientijd van het energieproject is uitgewerkt;

  • terugverdientijd: de tijd die nodig is om de extra investeringskosten terug te verdienen;

  • uitvoeringsovereenkomst: de overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Awb die de provincie Overijssel met de subsidieontvanger sluit ter uitwerking van de beschikking tot subsidieverlening;

  • verbonden persoon: met betrekking tot een tot het concern behorende rechtspersoon of vennootschap, elke persoon of vennootschap waarvan eerstbedoelde persoon of vennootschap een dochtermaatschappij is;

  • woningcorporatie: toegelaten instelling in de zin van artikel 70, eerste lid, van de Woningwet.

  • woonlasten: het totaal aan huur- en energiekosten per woning.

  • 2.

    Van subsidie zijn expliciet uitgesloten:

    Toelichting: In het tweede lid is aangegeven dat het verstrekken van subsidie voor bepaalde vormen van activiteiten dan wel bepaalde sectoren niet toegestaan is. Deze uitsluitingsgronden, met uitzondering van sub c (kolenindustrie) en e (wind- en kernenergie), vloeien voort uit artikel 1, lid 2, sub c, lid 3, sub a, en lid 4, sub c, van de AGVV. Om te bepalen of er sprake is van één van deze vormen van steun, dient dan ook acht te worden geslagen op het bepaalde in de AGVV, waarbij ook de definities van bepaalde begrippen in dat artikel in de AGVV zijn opgenomen. Subsidiëring voor wind-en kernenergie acht de provincie Overijssel niet wenselijk in het kader van de uitvoering van het Ubs.

  • a.

    exportsteun;

  • b.

    steun ten behoeve van werkzaamheden in de sectoren visserij en aquacultuur;

  • c.

    steun ten behoeve van werkzaamheden in de kolenindustrie;

  • d.

    steun aan ondernemingen in moeilijkheden;

  • e.

    steun ten behoeve van wind- en kernenergie.

  • 3.

    De uitvoering van deze paragraaf is door Gedeputeerde Staten gemandateerd aan de besloten vennootschap Energiefonds Overijssel II B.V.

    Toelichting: In het derde lid is bepaald dat Gedeputeerde Staten de uitvoering van deze paragraaf hebben gemandateerd aan de besloten vennootschap Energiefonds Overijssel II B.V. Provinciale Staten van de Provincie Overijssel hebben op 21 september 2011 (PS 2011/461) besloten tot uitwerking van een fonds genaamd "Energiefonds Overijssel". Het Energiefonds Overijssel biedt ondernemers en woningcorporaties de mogelijkheid om hun projecten op het gebied van energie-efficiëntie en het produceren van nieuwe energie te financieren. Niet op de traditionele manier met subsidies maar door participaties, leningen en garanties. Het Energiefonds Overijssel kent een totale omvang van maximaal door de Provincie Overijssel ter beschikking gestelde financiële middelen van € 250.000.000,–;  Voor de uitvoering van de activiteiten van het Energiefonds Overijssel heeft de provincie Overijssel de besloten vennootschap Energiefonds Overijssel I B.V.  opgericht,  welke vennootschap op haar beurt Energiefonds Overijssel II B.V. heeft opgericht. De besloten vennootschap Energiefonds Overijssel II B.V. is namens het college van Gedeputeerde Staten van de Provincie Overijssel op basis van het GS-mandaat verantwoordelijk voor het uitvoeren van deze paragraaf. Energiefonds Overijssel I B.V. houdt zich bezig met risicokapitaal.

 

Subparagraaf 3.9.1 Hernieuwbare energie door ondernemingen

 

Algemene toelichting

Deze subsidieparagraaf ziet op subsidies in de vorm van een geldlening of garantie voor de in aanmerking komende kosten van een energieproject voor de opwekking van hernieuwbare energie aan ondernemingen. De Provincie Overijssel beoogt daarmee ondernemingen te stimuleren om een energieproject voor de opwekking van hernieuwbare energie te ontwikkelen.

Alleen de in aanmerking komende kosten kunnen worden gesubsidieerd. Dit is een eis die voortvloeit uit de staatssteunregels. In de begripsbepalingen is gedefinieerd wat onder ‘in aanmerking komende kosten' moet worden verstaan.

Artikel 3.9.1.1 Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Gedeputeerde Staten kunnen aan een onderneming op aanvraag subsidie verlenen in de vorm van

    • a.

      een geldlening; of

    • b.

      een garantie.

      Ingeval van een geldlening wordt de subsidie conform artikel 3.9.1.15, eerste, derde en vierde lid terugbetaald.

      Ingeval een garantie door de bank wordt ingeroepen, wordt hetgeen de provincie aan de bank moet betalen door de onderneming aan de provincie conform artikel 3.9.1.15, eerste, tweede en vijfde lid terugbetaald.

  • 2.

    De subsidie bedoeld in het vorige lid kan uitsluitend worden verstrekt voor de in aanmerking komende kosten van een energieproject:

    • a.

      voor de opwekking van hernieuwbare energie;

    • b.

      waarbij het energieproject een terugverdientijd heeft van meer dan drie jaar.

  • 3.

    Per onderneming kan slechts één aanvraag per energieproject worden ingediend.

    Toelichting: De provincie Overijssel vindt het ongewenst dat meer dan één aanvraag per energieproject wordt ingediend. Daarom bevat het derde lid van dit artikel daartoe een uitzonderingsgrond ]

Artikel 3.9.1.2 Criteria

Toelichting: Gedeputeerde Staten zullen beleidsregels opstellen over de vraag in welke gevallen tot melding bij de Europese Commissie dient te worden overgegaan. Gedurende de meldingsprocedure kan de subsidie onder de opschortende voorwaarde van goedkeuring door de Europese Commissie worden verleend. De subsidie mag echter, voorafgaande aan de goedkeuring, niet worden uitgekeerd.

 

Een aanvraag voor een geldlening of garantie als bedoeld in artikel 3.9.1.1 eerste lid voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvraag voldoet, naar het oordeel van Gedeputeerde Staten, aan de voorwaarden van de de-minimisverordening of de AGVV. Gedeputeerde Staten kunnen, in voorkomend geval, het voornemen tot verlening van een subsidie voor een aanvraag die niet voldoet aan de de-minimisverordening of de AGVV aanmelden bij de Europese Commissie indien de aanvraag naar het oordeel van Gedeputeerde Staten een aanzienlijke bijdrage levert aan de beleidsdoelstellingen van de Provincie Overijssel op het gebied van hernieuwbare energie en de kans op goedkeuring door de Europese Commissie naar het oordeel van Gedeputeerde Staten hoog is. Gedeputeerde Staten kunnen de subsidie onder de opschortende voorwaarde van goedkeuring door de Europese Commissie verlenen.

  • b.

    De subsidie wordt verstrekt onder de opschortende voorwaarde dat ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening een uitvoeringsovereenkomst is gesloten. Gedeputeerde Staten kunnen aan het verstrekken van de subsidie de voorwaarde verbinden dat de aanvrager zekerheden aan Gedeputeerde Staten verschaft ter zekerheid van de subsidie.

    [Toelichting: Artikel 4:36 van de Awb maakt het sluiten van een zogenaamde uitvoeringsovereenkomst mogelijk met name met het oog op subsidies die worden verleend in de vorm van een garantie of een lening. In sub d van dit artikel is in overeenstemming met artikel 4:33 sub a van de Awb het sluiten van de uitvoeringsovereenkomst als voorwaarde voor subsidieverlening opgenomen. In artikel 3.9.1.15, eerste lid, is opgenomen dat de uitvoeringsovereenkomst uiterlijk acht weken na het verlenen van de subsidie wordt aangegaan. In artikel 3.9.1.11 zijn de belangrijkste uitgangspunten van de uitvoeringsovereenkomst opgenomen.]

  • c.

    De subsidie wordt slechts verleend voor zover, in geval van een geldlening, door de rentekorting, en, in geval van een garantie, door de premiekorting, de totale steun die de aanvrager met betrekking tot dezelfde - elkaar geheel of gedeeltelijk overlappende - in aanmerking komende kosten geniet, ongeacht of deze steun door het Rijk, andere publiekrechtelijke rechtspersonen of openbare lichamen dan wel de daaraan gelieerde instellingen is verstrekt, niet hoger is dan:

    • i.

      45% van de in aanmerking komende kosten als de aanvrager een grote onderneming is;

    • ii.

      55% van de in aanmerking komende kosten als de aanvrager een middelgrote onderneming is; en

    • iii.

      65% van de in aanmerking komende kosten als de aanvrager een kleine onderneming is;

  •  

    [Toelichting: Bij de verlening van de rentekorting en de premiekorting verlenen Gedeputeerde Staten staatssteun aan de aanvrager. De steun die de aanvrager per project geniet mag niet hoger uitkomen dan de genoemde steunpercentages en het steunplafond van € 15 miljoen. Daarbij is het van belang dat bij de beoordeling of de steunpercentages en het steunplafond zijn overschreden, alle steun, ongeacht uit welke bron (lokaal, regionaal, nationaal) de steun afkomstig is, die de aanvrager voor het project heeft ontvangen, meegeteld wordt. Als de aanvrager financiering van de EU heeft ontvangen wordt deze niet meegeteld voor de berekening van de steunpercentages en het steunplafond, mits die financiering niet direct of indirect onder de controle van de overheid staat of stond (bijvoorbeeld: EFRO-gelden staan onder controle van de overheid ook al is dit EU-financiering, en om die reden moeten zij meegeteld worden bij genoemde berekening als de aanvrager EFRO-subsidie heeft ontvangen voor dezelfde kosten). Gedeputeerde Staten zullen vóór de subsidieverlening toetsen of de subsidieverlening door Gedeputeerde Staten tot overschrijding van genoemde steunpercentages en/of steunplafond leidt. De steunpercentages zijn gebaseerd op artikel 41, lid 7, van de AGVV. Het steunplafond van € 15 miljoen vloeit voort uit artikel 4, lid 1, sub s, van de AGVV.

    Om te kunnen bepalen of het maximum steunpercentage en het steunplafond niet worden overschreden, dient per te verlenen subsidie te worden bepaald wat het steunbedrag is. In het geval de subsidie uit een lening bestaat, dient het steunbedrag als volgt te worden bepaald. Om te bepalen wat het steunbedrag is dat wordt verleend aan een aanvrager dient het verschil te worden vastgesteld tussen de rente die conform de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld (dit is in de definities in deze paragraaf gedefinieerd als "marktconforme rente") en de rente die daadwerkelijk wordt betaald door de aanvrager, waarbij van dit verschil de contante waarde moet worden berekend. Bij het vaststellen van de rente die op grond van de Mededinging-rentepercentages geldt, moet het rentepercentage worden vastgesteld dat van toepassing is op het moment van het verstrekken van de lening. Concreet wil dat zeggen dat steeds moet worden nagegaan welk basisrentepercentage van toepassing is op het moment van het verstrekken van de lening (zie http://ec.europa.eu/competition/state_aid/legislation/reference_rates.html) waarna vervolgens het basisrentepercentage met een opslag moet worden verhoogd. De hoogte van de opslag is afhankelijk van de rating van de aanvrager en de door de aanvrager verschafte zekerheden. De opslag varieert tussen 60 basispunten (0,6%) en 1000 basispunten (10%). Voor startende ondernemingen zonder kredietverleden, zoals special-purpose vehicles, geldt dat het basisrentepercentage met minstens 4% moet worden verhoogd, maar de opslag kan nooit lager zijn dan de opslag die geldt voor de moedermaatschappij als deze aanwezig is. Deze methode die in de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld dient verplicht te worden toegepast op grond van de AGVV. Wanneer de rente die op grond van de Mededeling-rentepercentages geldt, is vastgesteld, kan deze worden afgezet tegen de daadwerkelijk te betalen rente. Van het verschil tussen de daadwerkelijk te betalen rente over de lening en de rente die betaald zou moeten worden als het rentepercentage zou worden toegepast dat op grond van de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld, moet de contante waarde worden berekend. Voor de berekening van de contante waarde dient te worden uitgegaan van een percentage dat bestaat uit het basisrentepercentage dat de Europese Commissie publiceert op de website waarvan hiervoor een link is gegeven, vermeerderd met een opslag van 100 basispunten. Het is niet geoorloofd om een basisrente te gebruiken die op een andere manier is vastgesteld.

    Het steunbedrag dat op bovengenoemde wijze is berekend moet worden afgezet tegen de in aanmerking komende kosten om vast te stellen of het betreffende maximum steunpercentage niet wordt overschreden. Het steunbedrag mag voorts ook niet hoger zijn dan € 15 miljoen.

    In het geval de subsidie uit een garantie bestaat, dient het steunbedrag als volgt te worden bepaald. Om het steunbedrag te kunnen berekenen dat voortvloeit uit een garantie, dient het verschil te worden berekend tussen de marktconforme premie die wordt bepaald op grond van de Mededeling-garanties (dit is in de definities in deze paragraaf gedefinieerd als "marktconforme premie")en de daadwerkelijk door de begunstigde te betalen premie, waarbij de netto contante waarde van het premievoordeel moet worden berekend. De hoogte van de marktconforme premie is afhankelijk van de rating van de aanvrager. Voor startende ondernemingen zonder kredietverleden, zoals special-purpose vehicles, geldt dat de marktconforme premie minstens 3,8% is, en nooit lager kan zijn dan de premie die geldt voor de moedermaatschappij als deze aanwezig is.

    Om de marktconforme premie te bepalen dient op grond van de AGVV verplicht te worden uitgegaan van de Mededeling-garantie. Wanneer de marktconforme premie die op grond van de Mededeling-garantie geldt, is vastgesteld, kan deze worden afgezet tegen de daadwerkelijk te betalen premie. Van het verschil tussen de daadwerkelijk te betalen premie over de garantie en de marktconforme premie die is vastgesteld conform de Mededeling-garanties, moet de contante waarde worden berekend. Voor de berekening van de contante waarde dient te worden uitgegaan van een percentage dat bestaat uit het basisrentepercentage dat de Europese Commissie publiceert op de website waarvan hiervoor een link is gegeven, vermeerderd met een opslag van 100 basispunten. Het is niet geoorloofd om een basisrente te gebruiken die op een andere manier is vastgesteld.

    Het steunbedrag dat op bovengenoemde wijze is berekend moet worden afgezet tegen de in aanmerking komende kosten om vast te stellen of het betreffende maximum steunpercentage niet wordt overschreden. Het steunbedrag mag voorts ook niet hoger zijn dan € 15 miljoen.]

  • d.

    De subsidie wordt slechts verleend voor zover, in geval van een geldlening, door de rentekorting, en, in geval van een garantie, door de premiekorting, de totale steun die de aanvrager met betrekking tot dezelfde – elkaar geheel of gedeeltelijk overlappende – in aanmerking komende kosten geniet, ongeacht of deze steun door het Rijk, andere publiekrechtelijke rechtspersonen of openbare lichamen dan wel de daaraan gelieerde instellingen is verstrekt, niet hoger is dan € 15 miljoen.

  •  

    [Toelichting: Bij de verlening van de rentekorting en de premiekorting verlenen Gedeputeerde Staten staatssteun aan de aanvrager. De steun die de aanvrager per project geniet mag niet hoger uitkomen dan de genoemde steunpercentages en het steunplafond van € 15 miljoen. Daarbij is het van belang dat bij de beoordeling of de steunpercentages en het steunplafond zijn overschreden, alle steun, ongeacht uit welke bron (lokaal, regionaal, nationaal) de steun afkomstig is, die de aanvrager voor het project heeft ontvangen, meegeteld wordt. Als de aanvrager financiering van de EU heeft ontvangen wordt deze niet meegeteld voor de berekening van de steunpercentages en het steunplafond, mits die financiering niet direct of indirect onder de controle van de overheid staat of stond (bijvoorbeeld: EFRO-gelden staan onder controle van de overheid ook al is dit EU-financiering, en om die reden moeten zij meegeteld worden bij genoemde berekening als de aanvrager EFRO-subsidie heeft ontvangen voor dezelfde kosten). Gedeputeerde Staten zullen vóór de subsidieverlening toetsen of de subsidieverlening door Gedeputeerde Staten tot overschrijding van genoemde steunpercentages en/of steunplafond leidt. De steunpercentages zijn gebaseerd op artikel 41, lid 7, van de AGVV. Het steunplafond van € 15 miljoen vloeit voort uit artikel 4, lid 1, sub s, van de AGVV.

    Om te kunnen bepalen of het maximum steunpercentage en het steunplafond niet worden overschreden, dient per te verlenen subsidie te worden bepaald wat het steunbedrag is.In het geval de subsidie uit een lening bestaat, dient het steunbedrag als volgt te worden bepaald. Om te bepalen wat het steunbedrag is dat wordt verleend aan een aanvrager dient het verschil te worden vastgesteld tussen de rente die conform de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld (dit is in de definities in deze paragraaf gedefinieerd als "marktconforme rente") en de rente die daadwerkelijk wordt betaald door de aanvrager, waarbij van dit verschil de contante waarde moet worden berekend. Bij het vaststellen van de rente die op grond van de Mededinging-rentepercentages geldt, moet het rentepercentage worden vastgesteld dat van toepassing is op het moment van het verstrekken van de lening. Concreet wil dat zeggen dat steeds moet worden nagegaan welk basisrentepercentage van toepassing is op het moment van het verstrekken van de lening (zie http://ec.europa.eu/competition/state_aid/legislation/reference_rates.html), waarna vervolgens het basisrentepercentage met een opslag moet worden verhoogd. De hoogte van de opslag is afhankelijk van de rating van de aanvrager en de door de aanvrager verschafte zekerheden. De opslag varieert tussen 60 basispunten (0,6%) en 1000 basispunten (10%). Voor startende ondernemingen zonder kredietverleden, zoals special-purpose vehicles, geldt dat het basisrentepercentage met minstens 4% moet worden verhoogd, maar de opslag kan nooit lager zijn dan de opslag die geldt voor de moedermaatschappij als deze aanwezig is.

    Deze methode die in de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld dient verplicht te worden toegepast op grond van de AGVV. Wanneer de rente die op grond van de Mededeling-rentepercentages geldt, is vastgesteld, kan deze worden afgezet tegen de daadwerkelijk te betalen rente. Van het verschil tussen de daadwerkelijk te betalen rente over de lening en de rente die betaald zou moeten worden als het rentepercentage zou worden toegepast dat op grond van de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld, moet de contante waarde worden berekend. Voor de berekening van de contante waarde dient te worden uitgegaan van een percentage dat bestaat uit het basisrentepercentage dat de Europese Commissie publiceert op de website waarvan hiervoor een link is gegeven, vermeerderd met een opslag van 100 basispunten. Het is niet geoorloofd om een basisrente te gebruiken die op een andere manier is vastgesteld.

    Het steunbedrag dat op bovengenoemde wijze is berekend moet worden afgezet tegen de in aanmerking komende kosten om vast te stellen of het betreffende maximum steunpercentage niet wordt overschreden. Het steunbedrag mag voorts ook niet hoger zijn dan € 15 miljoen.

    In het geval de subsidie uit een garantie bestaat, dient het steunbedrag als volgt te worden bepaald. Om het steunbedrag te kunnen berekenen dat voortvloeit uit een garantie, dient het verschil te worden berekend tussen de marktconforme premie die wordt bepaald op grond van de Mededeling-garanties (dit is in de definities in deze paragraaf gedefinieerd als "marktconforme premie") en de daadwerkelijk door de begunstigde te betalen premie, waarbij de netto contante waarde van het premievoordeel moet worden berekend. De hoogte van de marktconforme premie is afhankelijk van de rating van de aanvrager. Voor startende ondernemingen zonder kredietverleden, zoals special-purpose vehicles, geldt dat de marktconforme premie minstens 3,8% is, en nooit lager kan zijn dan de premie die geldt voor de moedermaatschappij als deze aanwezig is.

    Om de marktconforme premie te bepalen dient op grond van de AGVV verplicht te worden uitgegaan van de Mededeling-garantie. Wanneer de marktconforme premie die op grond van de Mededeling-garantie geldt, is vastgesteld, kan deze worden afgezet tegen de daadwerkelijk te betalen premie. Van het verschil tussen de daadwerkelijk te betalen premie over de garantie en de marktconforme premie die is vastgesteld conform de Mededeling-garanties, moet de contante waarde worden berekend. Voor de berekening van de contante waarde dient te worden uitgegaan van een percentage dat bestaat uit het basisrentepercentage dat de Europese Commissie publiceert op de website waarvan hiervoor een link is gegeven, vermeerderd met een opslag van 100 basispunten. Het is niet geoorloofd om een basisrente te gebruiken die op een andere manier is vastgesteld.

    Het steunbedrag dat op bovengenoemde wijze is berekend moet worden afgezet tegen de in aanmerking komende kosten om vast te stellen of het betreffende maximum steunpercentage niet wordt overschreden. Het steunbedrag mag voorts ook niet hoger zijn dan € 15 miljoen.]

Artikel 3.9.1.3 Grondslag subsidie

Toelichting: Gedeputeerde Staten kiezen ervoor om niet de volledige in aanmerking komende kosten te subsidiëren. De provincie Overijssel wil dat de aanvrager ook zelf bijdraagt aan de financiering van het energieproject. De 80% genoemd in lid 3 is gebaseerd op de Mededeling-garanties.

 

  • 1.

    De subsidie bedraagt bij energieprojecten ter zake van hernieuwbare energie maximaal 80% van de in aanmerking komende kosten op het gebied van:

    • a.

      geothermie;

    • b.

      zonne-energie;

    • c.

      bio-energie;

    • d.

      warmtepompen met een minimale Coefficient Of Performance (COP) van 4;

    • e.

      warmtekracht.

  • 2.

    Indien een overheidsgarantie wordt afgegeven of gelijkwaardige zekerheid bedraagt de subsidie maximaal 100% van de in aanmerking komende kosten.

  • 3.

    In geval van een garantie bedraagt de garantie van Gedeputeerde Staten maximaal 80% van het krediet.

Artikel 3.9.1.4 Subsidiabele kosten

Toelichting: Bij de berekening van de steunintensiteit zijn alle gebruikte cijfers de cijfers vóór aftrek van belastingen en andere heffingen.

 

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.1.5 worden als subsidiabele kosten beschouwd de in aanmerking komende kosten.

  • 2.

    Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval niet:

    • a.

      administratieve kosten die gemaakt worden ten behoeve van het energieproject;

    • b.

      kosten die gemaakt worden ten behoeve van het aanvragen van de subsidie voor het energieproject;

    • c.

      kosten die anderszins al vergoed zijn onder andere door het Rijk, door andere publiekrechtelijke rechtspersonen of openbare lichamen dan wel de daaraan gelieerde instellingen of door de Europese Commissie.

Artikel 3.9.1.5 Indieningstermijn aanvraag

Toelichting: Op grond van artikel 1.2.2 kan gedurende het gehele kalenderjaar een subsidieaanvraag worden ingediend. Afwijking van artikel 1.2.2 is wenselijk omdat in de onderhavige regeling met subsidieplafonds wordt gewerkt voor een bepaald subsidietijdvak. De verwachting is dat er in de praktijk behoefte zal zijn om gedurende het gehele subsidietijdvak aanvragen om subsidie in te kunnen dienen. Om aanvragen toch zoveel mogelijk binnen het subsidietijdvak af te kunnen handelen, is in het eerste lid van dit artikel bepaald dat de subsidieaanvraag tot dertien weken voor het einde van het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft kan worden ingediend. In het tweede lid is bepaald dat de aanvraag vier weken voor het einde van het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft volledig moet zijn.

 

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.2.2 kan een subsidieaanvraag tot twaalf weken voor het eind van het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft worden ingediend door inzending van een daartoe opgesteld formulier. Het formulier vermeldt welke bijlagen bij de aanvraag dienen te worden overlegd.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.2.2 moet een subsidieaanvraag volledig zijn ingediend uiterlijk vier weken voor het eind van het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft.

Artikel 3.9.1.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

Toelichting: Dit artikel geeft voorschriften voor een aanvraag voor subsidie. Dit artikel dient in samenhang te worden gelezen met artikel 1.2.1. In aanvulling op de gegevens die een aanvrager op grond van artikel 1.2.1 bij de aanvraag moet indienen, dient de aanvrager aanvullende gegevens te overleggen ten behoeve van de beoordeling van de aanvraag.

 

  • 1.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 overlegt de aanvrager bij de aanvraag tevens een projectplan, dat in ieder geval de volgende gegevens dient te bevatten:

    • a.

      beschrijving c.q. inschatting van de door de ontvangen subsidie te verwachten opwekking van hernieuwbare energie;

    • b.

      een berekening van de in aanmerking komende kosten waarbij de kosten van het energieproject afgezet worden tegen de kosten van de referentie-investering; Toelichting: De voor subsidie in aanmerking komende kosten moeten worden gemotiveerd en gespecificeerd.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 overlegt de aanvrager bij de aanvraag een ratingverklaring, tenzij de aanvrager een special purpose vehicle is zonder kredietverleden en geen moedermaatschappij heeft.

  • 3.

    Indien de aanvrager voor dezelfde - elkaar geheel of gedeeltelijk overlappende-  in aanmerking komende kosten waarvoor zij subsidie aanvraagt reeds van het Rijk, andere publiekrechtelijke rechtspersonen of openbare lichamen dan wel de daaraan gelieerde instellingen of de Europese Commissie een vergoeding c.q. subsidie heeft ontvangen, overlegt zij de bewijsstukken waaruit deze vergoeding c.q. subsidie blijkt.

  • 4.

    In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag tevens een bedrijfsplan.

    Toelichting: Het bedrijfsplan moet in ieder geval de volgende gegevens bevatten:

    • de doelstelling van de aanvrager en hoe hij deze wil bereiken; de ideeën over het soort onderneming dat hij wil oprichten;

    • de geplande rechtsvorm;

    • vergunningen die nodig zijn om van start te gaan met het project;

    • meerjarige investeringsbegroting;

    • meerjarige exploitatiebegroting: op basis van de meerjarige omzetprognose moet de aanvrager aangeven hoeveel nettowinst hij verwacht te overhouden na aftrek van de investeringen (exploitatie) van de omzet;

    •  

      Ten slotte wordt in het bedrijfsplan verwacht dat de subsidieaanvrager zal aangeven welke werkgelegenheidseffecten door realisering van het energieproject te realiseren dan wel te verwachten zijn. Om die reden wordt van de subsidieaanvrager verwacht dat hij inzicht geeft in het aantal gecreëerde arbeidsplaatsen. Dit begrip is toegelicht in de definities. Daarbij moet tevens inzicht worden gegeven in het aantal gecreëerde arbeidsplaatsen dat na uitvoering van het energieproject waarvoor subsidie wordt aangevraagd zal blijven bestaan.

  • 5.

    In aanvulling op artikel 1,2,1 tweede lid overlegt de aanvrager, ingeval een garantie wordt aangevraagd, bij de aanvraag tevens een door een bank geoffreerde kredietovereenkomst en concept garantverklaring.

  • 6.

    In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag documentatie ten behoeve van het uitvoeren van een financiële due diligence, een technische due diligence, een duurzaamheidstoets en een fiscale en juridische due diligence.

    Toelichting: Bij documentatie ten behoeve van het uitvoeren van een financiële due diligence, een technische due diligence, een duurzaamheidstoets en een fiscale en juridische due diligence moet, afhankelijk van de aard van het energieproject waarvoor subsidie wordt aangevraagd, worden gedacht aan een zonurenanalyse, een technische analyse van de gebruikte technologie, taxatierapporten, identificatiebewijzen van bestuurders en aandeelhouders, een organisatieschema, projectcontracten, zoals afnamecontracten, inkoopcontracten en onderhoudscontracten.

Artikel 3.9.1.7 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Toelichting: Ingevolge artikel 4:22 van de Awb wordt onder subsidieplafond verstaan: het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens een bepaald wettelijk voorschrift. Artikel 4:25 van de Awb schrijft voor dat voor de vaststelling van een subsidieplafond een wettelijke grondslag is vereist. Artikel 3.9.1.7 geeft deze wettelijke grondslag.

De Awb eist dat het subsidieplafond bekend wordt gemaakt voordat de periode waarop het betrekking heeft ingaat. Zo kunnen potentiële aanvragers weten hoeveel geld er beschikbaar is. Op grond van artikel 4:25, tweede lid, Awb moet een aanvraag om subsidie worden geweigerd, als door verstrekking van de subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden.

Artikel 3.9.1.8 Volgorde van behandeling

Toelichting: In artikel 4:26 van de Awb is voorgeschreven dat bij of krachtens wettelijk voorschrift wordt bepaald hoe het beschikbare bedrag wordt verdeeld. Artikel 3.9.1.8 geeft deze wettelijke grondslag.

 

  • 1.

    Voor het bepalen van het bereiken van het van toepassing zijnde subsidieplafond, beslissen Gedeputeerde Staten op volgorde van het tijdstip van binnenkomst.

  • 2.

    Indien de aanvraag nog niet volledig is, wordt het tijdstip van binnenkomst bepaald door het moment waarop de aanvraag wel volledig is.

  • 3.

    Voor zover door verstrekking van subsidie voor aanvragen, die op dezelfde dag zijn ontvangen, het subsidieplafond wordt overschreden, wordt de onderlinge rangschikking van die aanvragen vastgesteld door middel van prioritering op basis van de hoogst verwachte energie-efficiëntie dan wel toename van hernieuwbare energie per aangevraagde Euro aan subsidie.

Artikel 3.9.1.9 Adviescommissie

Gedeputeerde Staten leggen een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.9.1.1, nadat de aanvraag volledig is, ter advies voor aan de adviescommissie, die binnen zes weken een advies aan Gedeputeerde Staten uitbrengt. Deze termijn kan met een termijn van maximaal twee weken worden verlengd.

Toelichting: Gedeputeerde Staten hebben bij besluit van 13 november 2012 een adviescommissie ingesteld die advies uitbrengt over elke aanvraag die is ingediend op grond van deze paragraaf.

Indien door verstrekking van subsidie voor aanvragen, die op dezelfde dag zijn ontvangen, het subsidieplafond wordt overschreden, wordt op grond van artikel 3.9.1.8, derde lid, de onderlinge rangschikking van die aanvragen vastgesteld door middel van prioritering op basis van de hoogst verwachte energie-efficiëntie dan wel toename van hernieuwbare energie per aangevraagde Euro aan subsidie. Ook over deze prioritering brengt de adviescommissie advies uit.]

Artikel 3.9.1.10 Weigeringsgronden

Toelichting: Deze weigeringsgronden gelden in aanvulling op artikel 1.1.7. De weigeringsgronden in artikel 1.1.7 zijn facultatief. Gedeputeerde Staten kunnen de subsidie geheel of gedeeltelijk weigeren als die weigeringsgronden zich voordoen. In dit artikel 3.9.1.10 zijn de weigeringsgronden imperatief geformuleerd. Als een van deze afwijzingsgronden zich voordoen, dan moeten Gedeputeerde Staten de aanvraag afwijzen. De afwijzingsgronden in sub c-h, k-l, vloeien voort uit de staatssteunregels. Deze afwijzingsgronden zijn gebaseerd op de AGVV: sub c is gebaseerd op artikel 41 van de AGVV; sub d is gebaseerd op artikel 5, tweede lid, sub b, van de AGVV jo. de Mededeling-rentepercentages die, zoals hiervoor is toegelicht, op grond van de AGVV verplicht toegepast moet worden om het steunbedrag te kunnen berekenen in geval van leningen; sub e is gebaseerd op artikel 5, tweede lid, sub c, onder i), van de AGVV jo. de Mededeling-garanties die, zoals hiervoor is toegelicht, op grond van de AGVV verplicht toegepast moet worden om het steunbedrag te kunnen berekenen in geval van garanties; sub f is gebaseerd op paragraaf 3.3. van de Mededeling-garanties die, zoals hiervoor is toegelicht, op grond van de AGVV verplicht toegepast moet worden om het steunbedrag te kunnen berekenen in geval van garanties; sub g is gebaseerd op artikel 1, vierde lid, sub a, van de AGVV; sub h is gebaseerd op 1, tweede lid, sub c, van de AGVV; sub k is gebaseerd op artikel 6, tweede lid, van de AGVV; sub l is gebaseerd op artikel 6, tweede en derde lid, van de AGVV. In de overige gevallen heeft een subsidie van de provincie Overijssel naar de mening van de provincie Overijssel geen toegevoegde waarde. Deze gevallen zijn in lid 2 sub a-b en i-j opgesomd. Voor deze gevallen wordt ook geen subsidie verleend door de provincie Overijssel.

 

  • 1.

    Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie als op basis van de aanvraag wordt beoordeeld dat het te verlenen subsidiebedrag lager is dan € 1.000.000 is per energieproject. Indien de aanvrager op dezelfde dag subsidie aanvraagt op grond van paragraaf 3.9.2, wordt voor het bepalen van het minimum tevens het te verlenen subsidiebedrag van die aanvraag betrokken.

  • 2.

    Indien de aanvraag ziet op een subsidie voor een zonne-energieproject weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie als op basis van de aanvraag wordt beoordeeld dat het te verlenen subsidiebedrag lager is dan € 500.000 per energieproject, het zonne-energieproject niet dupliceerbaar is én de som van toegekende subsidies aan zonne-energieprojecten lager is dan € 1.000.000 en meer is dan € 2.500.000.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie geheel of gedeeltelijk indien:

    • a.

      de werkelijke kosten naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet in redelijke verhouding staan tot het te verkrijgen resultaat;

    • b.

      het bedrijfsplan en/of projectplan naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet haalbaar of uitvoerbaar is.

      Toelichting: Voor deze weigeringsgrond geldt dat daar in ieder geval wordt verstaan de situatie waarin de uitkomst van een door een expert uitgevoerde financiële, technische, juridische of fiscale due diligence negatief is.

    • c.

      het verstrekte krediet of de geldlening niet ten behoeve van het energieproject wordt aangewend;

    • d.

      uit de ratingverklaring blijkt dat de aanvrager van een geldlening of diens moedermaatschappij tot de ratingcategorie CCC of lager behoort;

    • e.

      uit de ratingverklaring blijkt dat de aanvrager van een garantie of diens moedermaatschappij tot de ratingcategorie CCC+ of lager behoort;

    • f.

      de aanvrager van een garantie een grote onderneming is;

    • g.

      ten aanzien van de aanvrager een uitstaand bevel tot terugvordering voor onrechtmatig verleende staatssteun geldt;

    • h.

      de aanvrager in financiële moeilijkheden verkeert;

    • i.

      de aanvrager over onvoldoende financiële middelen beschikt om het energieproject uit te voeren;

      Toelichting: De aanvrager beschikt niet over voldoende financiële middelen om het energieproject uit te voeren als er geen bankfinanciering voor de dekking van de kosten van het energieproject die niet voor subsidiëring op grond van deze regeling in aanmerking komen.

    • j.

      de aanvrager op de markt gehele financiering voor het energieproject kan verkrijgen en met die financiering de commerciële levensvatbaarheid van het project met een zelfde maatschappelijk rendement, naar het oordeel van Gedeputeerde Staten, aannemelijk is;

    • k.

      de activiteiten reeds zijn aangevangen op het tijdstip van indiening van de subsidieaanvraag;

    • l.

      indien de aanvrager, zijnde een grote onderneming, naar het oordeel van Gedeputeerde Staten er niet in geslaagd is om het stimulerend effect van de subsidie in de zin van artikel 6, derde lid van de AGVV aan te tonen.

Artikel 3.9.1.11 Kenmerken van uitvoeringsovereenkomst, kredietovereenkomst en garantie

Toelichting: Zie toelichting artikel 3.9.1.2 over de achtergronden van de uitvoeringsovereenkomst.

Afgezien van de staatssteunrechtelijke beperkingen aan het geboden rentevoordeel, is de provincie Overijssel van mening dat het geboden rentevoordeel niet te groot mag zijn, omdat dan de afstand naar de markt te groot wordt en daarmee minder goede projecten worden gefaciliteerd. Dat geeft overstimulering en bemoeilijkt de transitie naar hernieuwbare energie en een normale markt zonder stimulering van de overheid.

 

  • 1.

    De hoogte van de geldlening en garantie per energieproject is maximaal de subsidiabele kosten.

  • 2.

    De looptijd van de geldlening en kredietovereenkomst bedraagt een bepaalde tijd, doch maximaal 15 jaar. Voor zonneprojecten is een langere looptijd mogelijk, mits deze aansluit bij de termijnen van de SDE+-subsidie.

  • 3.

    Ingeval van een geldlening wordt een rentekorting van maximaal 2% of 200 basispunten gehanteerd per jaar.

  • 4.

    De rente van de geldlening is gedurende de looptijd van de geldlening vast.

  • 5.

    Gedeputeerde Staten kunnen boetevrije vervroegde aflossing van de geldlening toestaan.

  • 6.

    De geldlening wordt onderhands verstrekt.

  • 7.

    Ingeval van een garantie is de maximale premiekorting gelijk aan het bedrag dat op grond van artikel 3.9.1.2 sub c, d en e van dit hoofdstuk is toegestaan.

  • 8.

    De hoogte van de garantie wordt verminderd naar rato van de aflossingen die worden gedaan op de kredietovereenkomst waarvoor de garantie is verstrekt.

Artikel 3.9.1.12 Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling

In afwijking van artikel 1.5.2 eerste lid dan wel artikel 1.5.3 eerste lid wordt een aanvraag tot vaststelling ingediend uiterlijk 13 weken voor aflossing van de lening of het einde van de garantie.

Toelichting: In dit artikel is aangegeven dat en wanneer de subsidieontvanger een aanvraag tot subsidievaststelling moet indienen.

Artikel 3.9.1.13 Ambtshalve vaststellen subsidie

Ingeval van een garantie kan deze ambtshalve worden vastgesteld zodra:

  • a.

    het krediet waarvoor de provincie een garantie heeft afgegeven is afgelost; of

  • b.

    ingeval de bank de garantie heeft ingeroepen: de vordering van de provincie op de ontvanger van de garantie is voldaan dan wel de provincie heeft besloten af te zien van verdere invordering.

    Toelichting: Onderdeel a van dit artikel geeft aan dat de garantie wordt vastgesteld op het moment dat de lening is afgelost. Dit geldt ook als de lening voortijdig is afgelost. Verder geeft dit artikel aan dat de garantie tevens zal worden vastgesteld als de bank de garantie heeft ingeroepen. Verder is opgenomen dat de garantie wordt vastgesteld als er geen vorderingen meer zijn ten aanzien van de aanvrager. Dit zou bijvoorbeeld kunnen gelden als de provincie Overijssel de restschuld van de bank overneemt nadat de bank de garantie heeft ingeroepen. In de beschikking tot verlening van de garantie kunnen Gedeputeerde Staten voorwaarden vastleggen over de vaststelling.

Artikel 3.9.1.14 Terugvordering

Als de ontvanger van de subsidie het energieproject niet uitvoert zoals is vastgelegd bij de beschikking tot het verlenen van de subsidie en niet heeft voldaan aan artikel 3.9.1.15 kunnen Gedeputeerde Staten besluiten eenmalig een premie van maximaal 5% van de hoogte van de afgegeven garantie bij de ontvanger van de garantie terugvorderen.

Toelichting: In dit artikel is opgenomen dat de provincie Overijssel een premie zal terugvorderen als blijkt dat de ontvanger van de subsidie zijn energieproject niet of op een ander manier gaat uitvoeren. Deze subsidieparagraaf is uiteindelijk bedoeld ter stimulering van hernieuwbare energie. Als gedurende de looptijd van het energieproject de activiteiten dusdanig wijzigen dat er geen sprake meer is van de opwekking van hernieuwbare energie, dan bereikt de provincie haar beleidsdoel niet. De provincie Overijssel had dan ook geen garantie af willen geven voor het project. De provincie Overijssel kan de garantie niet intrekken, omdat dan de bank met een risico wordt opgezadeld. Om deze reden wil de provincie Overijssel een deel van het premievoordeel dat een ontvanger van de garantie heeft terugvorderen.

Artikel 3.9.1.15 Verplichtingen subsidieontvanger

Toelichting: Dit artikel bevat de belangrijkste subsidieverplichtingen die aan de subsidieontvanger zullen worden opgelegd. Op grond van artikel 4:37 van de Awb kunnen de in dat artikel genoemde verplichtingen aan subsidieontvangers worden opgelegd zonder wettelijk voorschrift. Een aantal subsidieverplichtingen kunnen vanwege het bepaalde in artikel 4:38 en 4:39 van de Awb slechts worden opgelegd als dat in een wettelijke regeling, zoals dit Uitvoeringsbesluit, is bepaald. Om die reden zijn in dit artikel 3.9.1.15 een aantal subsidieverplichtingen geformuleerd.

 

  • 1.

    De aanvrager tekent uiterlijk acht weken na het verlenen van de subsidie met de provincie Overijssel een uitvoeringsovereenkomst.

  • 2.

    Ingeval van een garantie sluit de aanvrager uiterlijk acht weken na het verlenen van de subsidie met een bank de bij de aanvraag overlegde door een bank geoffreerde kredietovereenkomst en definitieve garantverklaring.

  • 3.

    De subsidie-ontvanger betaalt Gedeputeerde Staten jaarlijks rente over de geldlening. Ingeval van een garantie betaalt de subsidie-ontvanger aan Gedeputeerde Staten een jaarlijkse premie voor de verstrekte garantie.

  • 4.

    Ingeval van een geldlening betaalt de subsidie-ontvanger in ieder geval halfjaarlijks het overeengekomen aflossingsbedrag, met ingang van 1 januari van het tweede jaar volgende op de datum van verlening van de subsidie, terug aan Gedeputeerde Staten.

  • 5.

    Ingeval van een door de bank ingeroepen garantie, betaalt de subsidie-ontvanger aan Gedeputeerde Staten het door de provincie aan de bank betaalde terug.

  • 6.

    Terzake van de in de leden 3 tot en met 5 genoemde verplichtingen wordt in de uitvoeringsovereenkomst een betalingsregime afgesproken en kunnen daarin verplichtingen worden opgenomen ten aanzien van de kredietwaardigheid van de subsidie-ontvanger.

  • 7.

    De subsidie-ontvanger doet onverwijld mededeling aan Gedeputeerde Staten van de omstandigheid dat hij verwacht niet binnen de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen termijn te beschikken over de vereiste vergunningen, ontheffingen of andere (rechtens benodigde) toestemmingen in verband met het energieproject. De subsidie-ontvanger doet onverwijld mededeling aan Gedeputeerde Staten indien de bank de garantie zal inroepen, dan wel in het geval verwacht kan worden dat de bank de garantie in zal roepen.

  • 8.

    De subsidie-ontvanger dient binnen één jaar na subsidieverlening te starten met de uitvoering van het energieproject.

  • 9.

    De subsidie-ontvanger dient uiterlijk na verloop van de duur van de geldlening c.q het krediet aan te tonen dat het energieproject conform de aanvraag is uitgevoerd en voltooid. Daarbij rapporteert de aanvrager ook over het maatschappelijk rendement van het energieproject.  Indien de looptijd van de geldlening c.q. krediet langer duurt dan één jaar rapporteert de subsidie-ontvanger jaarlijks aan Gedeputeerde Staten over de voortgang van het project en overlegt daarbij in ieder geval de jaarrekening.

  • 10.

    In afwijking van artikel 1.4.3 kunnen Gedeputeerde Staten de verplichting opleggen tot het vaker dan één keer per jaar afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden inkomsten.

  • 11.

    Gedeputeerde Staten kunnen voorwaarden aan de subsidiebeschikking verbinden ten aanzien van:

    • de EBITDA ten opzichte van rente-en aflossingsverplichtingen;

    • het aanhouden van liquide middelen ten behoeve van onderhoud, rente en aflossingsverplichtingen en onvoorziene omstandigheden;

    • toestemming bij wijziging van aandeelhouders;

    • toestemming voor het aangaan van financiële verplichtingen met derden;

    • toestemming voor het wijzigen van overeenkomsten aangaande het energieproject;

    • toestemming voor uitkering van dividend en/of opname van cashflow ten behoeve van het concern.

  • 12.

    De activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt moeten binnen vier jaar na verlening van de subsidie zijn uitgevoerd.

  • 13.

    De aanvrager of diens moedermaatschappij dient tot en met de subsidievaststelling dezelfde ratingcategorie te behouden als hij ten tijde van de subsidieverlening had, tenzij de aanvrager een special purpose vehicle is zonder kredietverleden en geen moedermaatschappij heeft.

Artikel 3.9.1.16 Uitstel of ontheffing betalingsverplichting

  • 1.

    Ingeval van een geldlening kan de subsidie-ontvanger Gedeputeerde Staten verzoeken om het subsidiebedrag in andere termijnen terug te betalen.

  • 2.

    Ingeval van een geldlening kan de subsidie-ontvanger Gedeputeerde Staten deugdelijk gemotiveerd verzoeken om ontheffing te verlenen van de verplichting genoemd in artikel 3.9.1.15 vierde lid. Ingeval van een door de bank ingeroepen garantie kan de subsidie-ontvanger Gedeputeerde Staten deugdelijk gemotiveerd verzoeken om ontheffing te verlenen van de verplichting genoemd in artikel 3.9.1.15 vijfde lid.

  • 3.

    De ontheffing, bedoeld in het tweede lid, kan worden verleend indien:

    • a.

      terugbetaling door bijzondere omstandigheden niet mogelijk is;

    • b.

      een strikte toepassing van artikel 3.9.1.15 naar het oordeel van Gedeputeerde Staten door bijzondere omstandigheden zou leiden tot een onredelijke beslissing.

      Toelichting: Ter zake van het derde lid kunnen Gedeputeerde Staten beleid opstellen.

  • 4.

    Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat bij het verzoek om ontheffing als bedoeld in het tweede lid van dit artikel een accountantsverklaring als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het BW wordt overgelegd.

  • 5.

    Er wordt geen uitstel of ontheffing verleend wanneer de ontheffing naar het oordeel van Gedeputeerde Staten in strijd is met de toepasselijke staatssteunregels, zoals onder meer bedoeld in artikel 3.9.1.17.

Artikel 3.9.1.17 Europese regelgeving

Toelichting: Aangezien het verlenen van de subsidie conform deze subsidieparagraaf staatssteun oplevert, is deze subsidieparagraaf gebaseerd op de AGVV en de de-minimisverordening en is zodanig ingericht dat de subsidieverlening moet voldoen aan de regels van de AGVV en de-minimisverordening. De genoemde Europese regelgeving stelt een groot aantal eisen aan het verstrekken van subsidies door Gedeputeerde Staten in de vorm van leningen en garanties. In deze paragraaf zijn niet alle in de Europese regelgeving gestelde eisen overgenomen. Bij de beoordeling van de aanvraag zal echter worden getoetst of de subsidie in overeenstemming met die eisen kan worden verstrekt. Zo niet, dan zal de subsidie worden geweigerd, tenzij het in artikel 3.9.1.2, sub a, tweede zin, genoemde geval zich voordoet. In artikel 3.9.1.2 sub c, tweede zin, is aangegeven dat Gedeputeerde Staten in voorkomend geval, het voornemen tot verlening van een subsidie voor een aanvraag die niet voldoet aan de de-minimisverordening of de AGVV kunnen aanmelden bij de Europese Commissie indien de aanvraag naar het oordeel van Gedeputeerde Staten een aanzienlijke bijdrage levert aan de beleidsdoelstellingen van de Provincie Overijssel op het gebied van hernieuwbare energie en de kans op goedkeuring door de Europese Commissie naar het oordeel van Gedeputeerde Staten hoog is. Gedeputeerde Staten kunnen de subsidie dan onder de opschortende voorwaarde van goedkeuring door de Europese Commissie verlenen. Voldoet de subsidie niet aan genoemde eisen en doet het geval in artikel 3.9.1.2 sub c, tweede zin, zich niet voor, dan is subsidieverlening in strijd met de staatssteunregels.

 

De subsidie wordt verstrekt met inachtneming van:

  • a.

    de AGVV; of

  • b.

    de de-minimisverordening;

  • c.

    de Mededeling-rentepercentages;

  • d.

    de Mededeling-garanties.

Artikel 3.9.1.18 Bevoorschotting

In afwijking van artikel 1.3.2 tweede lid verstrekken Gedeputeerde Staten in geval van een geldlening de aanvrager een voorschot van 100% van de verleende subsidie.

Toelichting: De bevoorschotting moet een wettelijke grondslag hebben. De aard van de subsidie noopt ertoe af te wijken van artikel 1.3.2. tweede lid, waarin een beperking is gegeven aan het te bevoorschotten subsidiebedrag.

 

Subparagraaf 3.9.2 Energie-efficiëntie door ondernemingen

 

Toelichting: Deze subparagraaf ziet op subsidies in de vorm van een geldlening of garantie aan ondernemingen voor de in aanmerking komende kosten van een energieproject waarbij energie-efficiëntiemaatregelen worden genomen. De provincie Overijssel beoogt daarmee ondernemingen te stimuleren om energie-efficiëntiemaatregelen te nemen.

Alleen de in aanmerking komende kosten kunnen worden gesubsidieerd. Dit is een eis die voortvloeit uit de staatssteunregels. In de begripsbepalingen is gedefinieerd wat onder ‘in aanmerking komende kosten’ moet worden verstaan.

Artikel 3.9.2.1 Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Gedeputeerde Staten kunnen aan een onderneming op aanvraag subsidie verlenen in de vorm van

    • a.

      een geldlening; of

    • b.

      een garantie.

      Ingeval van een geldlening wordt de subsidie conform artikel 3.9.2.15, eerste, derde en vierde lid terugbetaald.

      Ingeval een garantie door de bank wordt ingeroepen, wordt hetgeen de provincie aan de bank moet betalen door de onderneming aan de provincie conform artikel 3.9.2.15, eerste, tweede en vijfde lid terugbetaald.

  • 2.

    De subsidie bedoeld in het vorige lid kan uitsluitend worden verstrekt voor de in aanmerking komende kosten van:

    • a.

      een energieproject waarbij energie-efficiëntiemaatregelen worden genomen door

      • i.

        aanpassing/vervanging van bedrijfsruimten, of

      • ii.

        aanpassing  van de productie, niet zijnde mobiele productiemiddelen;

      • iii.

        aanpassingen aan woningen middels energie service companies (ESCO);

    • b.

      waarbij het energieproject een terugverdientijd heeft van meer dan drie jaar.

      toelichting: Onder bedrijfsruimten als bedoeld in het tweede lid van dit artikel kunnen ook maatschappelijk vastgoed, winkels en kantoren worden verstaan, zoals scholen, ziekenhuizen, zwembaden.

  • 3.

    Per onderneming kan slechts één aanvraag per energieproject worden ingediend.

    Toelichting: De provincie Overijssel vindt het ongewenst dat meer dan één aanvraag per energieproject wordt ingediend. Daarom bevat het derde lid van dit artikel daartoe een uitzonderingsgrond.

  • 4.

    Subsidie voor een energieproject op grond van deze paragraaf wordt niet verleend, indien voor dat energieproject al subsidie is verleend of aangevraagd op grond van paragraaf 8.20.1 "Hernieuwbare energie en energie-efficiëntie door woningcorporaties"van Uitvoeringbesluit subsidies Overijssel 2011.

    Toelichting: Lid 4 houdt verband met de trend dat zogenoemde ESCO's (Energy Service Companies) de aanleg, het beheer en onderhoud van energie-installaties of zelfs van hele gebouwen overnemen. De provincie Overijssel wil bij deze trend aansluiten door de mogelijkheid te bieden dat onder deze subsidieparagraaf subsidie kan worden verstrekt aan ESCO's. Met het bepaalde in lid 4 wil de provincie Overijssel stapeling van subsidies door woningcorporaties voorkomen.

Artikel 3.9.2.2 Criteria

Toelichting: Gedeputeerde Staten zullen beleidsregels opstellen over de vraag in welke gevallen tot melding bij de Europese Commissie dient te worden overgegaan. Gedurende de meldingsprocedure kan de subsidie onder de opschortende voorwaarde van goedkeuring door de Europese Commissie worden verleend. De subsidie mag echter, voorafgaande aan de goedkeuring, niet worden uitgekeerd.

 

Een aanvraag voor een geldlening of garantie voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvraag voldoet, naar het oordeel van Gedeputeerde Staten, aan de voorwaarden van de de-minimisverordening of de AGVV. Gedeputeerde Staten kunnen, in voorkomend geval, het voornemen tot verlening van een subsidie voor een aanvraag die niet voldoet aan de de-minimisverordening of de AGVV aanmelden bij de Europese Commissie indien de aanvraag naar het oordeel van Gedeputeerde Staten een aanzienlijke bijdrage levert aan de beleidsdoelstellingen van de Provincie Overijssel op het gebied van energie-efficiëntiemaatregelen en de kans op goedkeuring door de Europese Commissie naar het oordeel van Gedeputeerde Staten hoog is. Gedeputeerde Staten kunnen de subsidie onder de opschortende voorwaarde van goedkeuring door de Europese Commissie verlenen.

  • b.

    De subsidie wordt verstrekt onder de opschortende voorwaarde dat ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening een uitvoeringsovereenkomst is gesloten. Gedeputeerde Staten kunnen aan het verstrekken van de subsidie de voorwaarde verbinden dat de aanvrager zekerheden aan haar verschaft ter zekerheid van de subsidie.

  • c.

    De subsidie wordt slechts verleend voor zover, in geval van een geldlening, door de rentekorting, en, in geval van een garantie, door de premiekorting, de totale steun die de aanvrager met betrekking tot dezelfde - elkaar geheel of gedeeltelijk overlappende - in aanmerking komende kosten geniet, ongeacht  of deze steun door het Rijk, andere publiekrechtelijke rechtspersonen of openbare lichamen dan wel de daaraan gelieerde instellingen is verstrekt, niet hoger is dan:

    • i.

      30% van de in aanmerking komende kosten als de aanvrager een grote onderneming is;

    • ii.

      40% van de in aanmerking komende kosten als de aanvrager een middelgrote onderneming is; en

    • iii.

      50% van de in aanmerking komende kosten als de aanvrager een kleine onderneming is.

      Toelichting: Bij de verlening van de rentekorting en de premiekorting verlenen Gedeputeerde Staten staatssteun aan de aanvrager. De steun die de aanvrager per project geniet mag niet hoger uitkomen dan de genoemde steunpercentages en het steunplafond van € 15 miljoen. Daarbij is het van belang dat bij de beoordeling of de steunpercentages en het steunplafond zijn overschreden, alle steun, ongeacht uit welke bron (lokaal, regionaal, nationaal) de steun afkomstig is, die de aanvrager voor het project heeft ontvangen, meegeteld wordt. Als de aanvrager financiering van de EU heeft ontvangen wordt deze niet meegeteld voor de berekening van de steunpercentages en het steunplafond, mits die financiering niet direct of indirect onder de controle van de overheid staat of stond (bijvoorbeeld: EFRO-gelden staan onder controle van de overheid ook al is dit EU-financiering, en om die reden moeten zij meegeteld worden bij genoemde berekening als de aanvrager EFRO-subsidie heeft ontvangen voor dezelfde kosten). Gedeputeerde Staten zullen vóór de subsidieverlening toetsen of de subsidieverlening door Gedeputeerde Staten tot overschrijding van genoemde steunpercentages en/of steunplafond leidt. De steunpercentages zijn gebaseerd op artikel 38, lid 4 en 5, van de AGVV. Het steunplafond van € 15 miljoen vloeit voort uit artikel 4, lid 1, sub s, van de AGVV. Om te kunnen bepalen of het maximum steunpercentage en het steunplafond niet worden overschreden, dient per te verlenen subsidie te worden bepaald wat het steunbedrag is.

      In het geval de subsidie uit een lening bestaat, dient het steunbedrag als volgt te worden bepaald. Om te bepalen wat het steunbedrag is dat wordt verleend aan een aanvrager dient het verschil te worden vastgesteld tussen de rente die conform de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld (dit is in de definities in deze paragraaf gedefinieerd als ‘marktconforme rente’) en de rente die daadwerkelijk wordt betaald door de aanvrager, waarbij van dit verschil de contante waarde moet worden berekend. Bij het vaststellen van de rente die op grond van de Mededinging-rentepercentages geldt, moet het rentepercentage worden vastgesteld dat van toepassing is op het moment van het verstrekken van de lening. Concreet wil dat zeggen dat steeds moet worden nagegaan welk basisrentepercentage van toepassing is op het moment van het verstrekken van de lening (zie http://ec.europa.eu/competition/state_aid/legislation/reference_rates.html), waarna vervolgens het basisrentepercentage met een opslag moet worden verhoogd. De hoogte van de opslag is afhankelijk van de rating van de aanvrager en de door de aanvrager verschafte zekerheden. De opslag varieert tussen 60 basispunten (0,6%) en 1000 basispunten (10%). Voor startende ondernemingen zonder kredietverleden, zoals special-purpose vehicles, geldt dat het basisrentepercentage met minstens 4% moet worden verhoogd, maar de opslag kan nooit lager zijn dan de opslag die geldt voor de moedermaatschappij als deze aanwezig is.

      Deze methode die in de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld dient verplicht te worden toegepast op grond van de AGVV. Wanneer de rente die op grond van de Mededeling-rentepercentages geldt, is vastgesteld, kan deze worden afgezet tegen de daadwerkelijk te betalen rente. Van het verschil tussen de daadwerkelijk te betalen rente over de lening en de rente die betaald zou moeten worden als het rentepercentage zou worden toegepast dat op grond van de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld, moet de contante waarde worden berekend. Voor de berekening van de contante waarde dient te worden uitgegaan van een percentage dat bestaat uit het basisrentepercentage dat de Europese Commissie publiceert op de website waarvan hiervoor een link is gegeven, vermeerderd met een opslag van 100 basispunten. Het is niet geoorloofd om een basisrente te gebruiken die op een andere manier is vastgesteld.

      Het steunbedrag dat op bovengenoemde wijze is berekend moet worden afgezet tegen de in aanmerking komende kosten om vast te stellen of het betreffende maximum steunpercentage niet wordt overschreden. Het steunbedrag mag voorts ook niet hoger zijn dan € 15 miljoen.

      In het geval de subsidie uit een garantie bestaat, dient het steunbedrag als volgt te worden bepaald. Om het steunbedrag te kunnen berekenen dat voortvloeit uit een garantie, dient het verschil te worden berekend tussen de marktconforme premie die wordt bepaald op grond van de Mededeling-garanties (dit is in de definities in deze paragraaf gedefinieerd als "marktconforme premie") en de daadwerkelijk door de begunstigde te betalen premie, waarbij de netto contante waarde van het premievoordeel moet worden berekend. De hoogte van de marktconforme premie is afhankelijk van de rating van de aanvrager. Voor startende ondernemingen zonder kredietverleden, zoals special-purpose vehicles, geldt dat de marktconforme premie minstens 3,8% is, en nooit lager kan zijn dan de premie die geldt voor de moedermaatschappij als deze aanwezig is.

      Om de marktconforme premie te bepalen dient op grond van de AGVV verplicht te worden uitgegaan van de Mededeling-garantie. Wanneer de marktconforme premie die op grond van de Mededeling-garantie geldt, is vastgesteld, kan deze worden afgezet tegen de daadwerkelijk te betalen premie. Van het verschil tussen de daadwerkelijk te betalen premie over de garantie en de marktconforme premie die is vastgesteld conform de Mededeling-garanties, moet de contante waarde worden berekend. Voor de berekening van de contante waarde dient te worden uitgegaan van een percentage dat bestaat uit het basisrentepercentage dat de Europese Commissie publiceert op de website waarvan hiervoor een link is gegeven, vermeerderd met een opslag van 100 basispunten. Het is niet geoorloofd om een basisrente te gebruiken die op een andere manier is vastgesteld.

      Het steunbedrag dat op bovengenoemde wijze is berekend moet worden afgezet tegen de in aanmerking komende kosten om vast te stellen of het betreffende maximum steunpercentage niet wordt overschreden. Het steunbedrag mag voorts ook niet hoger zijn dan € 15 miljoen.

  • d.

    De subsidie wordt slechts verleend voor zover, in geval van een geldlening, door de rentekorting, en, in geval van een garantie, door de premiekorting,  de totale steun die de aanvrager met betrekking tot dezelfde – elkaar geheel of gedeeltelijk overlappende – in aanmerking komende kosten geniet, ongeacht  of deze steun door het Rijk, andere publiekrechtelijke rechtspersonen of openbare lichamen dan wel de daaraan gelieerde instellingen is verstrekt, niet hoger is dan € 15 miljoen.

    Toelichting: Bij de verlening van de rentekorting en de premiekorting verlenen Gedeputeerde Staten staatssteun aan de aanvrager. De steun die de aanvrager per project geniet mag niet hoger uitkomen dan de genoemde steunpercentages en het steunplafond van € 15 miljoen. Daarbij is het van belang dat bij de beoordeling of de steunpercentages en het steunplafond zijn overschreden, alle steun, ongeacht uit welke bron (lokaal, regionaal, nationaal) de steun afkomstig is, die de aanvrager voor het project heeft ontvangen, meegeteld wordt. Als de aanvrager financiering van de EU heeft ontvangen wordt deze niet meegeteld voor de berekening van de steunpercentages en het steunplafond, mits die financiering niet direct of indirect onder de controle van de overheid staat of stond (bijvoorbeeld: EFRO-gelden staan onder controle van de overheid ook al is dit EU-financiering, en om die reden moeten zij meegeteld worden bij genoemde berekening als de aanvrager EFRO-subsidie heeft ontvangen voor dezelfde kosten). Gedeputeerde Staten zullen vóór de subsidieverlening toetsen of de subsidieverlening door Gedeputeerde Staten tot overschrijding van genoemde steunpercentages en/of steunplafond leidt. De steunpercentages zijn gebaseerd op artikel 38, lid 4 en 5, van de AGVV. Het steunplafond van € 15 miljoen vloeit voort uit artikel 4, lid 1, sub s, van de AGVV.

    Om te kunnen bepalen of het maximum steunpercentage en het steunplafond niet worden overschreden, dient per te verlenen subsidie te worden bepaald wat het steunbedrag is. In het geval de subsidie uit een lening bestaat, dient het steunbedrag als volgt te worden bepaald. Om te bepalen wat het steunbedrag is dat wordt verleend aan een aanvrager dient het verschil te worden vastgesteld tussen de rente die conform de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld (dit is in de definities in deze paragraaf gedefinieerd als ‘marktconforme rente’) en de rente die daadwerkelijk wordt betaald door de aanvrager, waarbij van dit verschil de contante waarde moet worden berekend. Bij het vaststellen van de rente die op grond van de Mededinging-rentepercentages geldt, moet het rentepercentage worden vastgesteld dat van toepassing is op het moment van het verstrekken van de lening. Concreet wil dat zeggen dat steeds moet worden nagegaan welk basisrentepercentage van toepassing is op het moment van het verstrekken van de lening (zie http://ec.europa.eu/competition/state_aid/legislation/reference_rates.html), waarna vervolgens het basisrentepercentage met een opslag moet worden verhoogd. De hoogte van de opslag is afhankelijk van de rating van de aanvrager en de door de aanvrager verschafte zekerheden. De opslag varieert tussen 60 basispunten (0,6%) en 1000 basispunten (10%). Voor startende ondernemingen zonder kredietverleden, zoals special-purpose vehicles, geldt dat het basisrentepercentage met minstens 4% moet worden verhoogd, maar de opslag kan nooit lager zijn dan de opslag die geldt voor de moedermaatschappij als deze aanwezig is. Deze methode die in de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld dient verplicht te worden toegepast op grond van de AGVV. Wanneer de rente die op grond van de Mededeling-rentepercentages geldt, is vastgesteld, kan deze worden afgezet tegen de daadwerkelijk te betalen rente. Van het verschil tussen de daadwerkelijk te betalen rente over de lening en de rente die betaald zou moeten worden als het rentepercentage zou worden toegepast dat op grond van de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld, moet de contante waarde worden berekend. Voor de berekening van de contante waarde dient te worden uitgegaan van een percentage dat bestaat uit het basisrentepercentage dat de Europese Commissie publiceert op de website waarvan hiervoor een link is gegeven, vermeerderd met een opslag van 100 basispunten. Het is niet geoorloofd om een basisrente te gebruiken die op een andere manier is vastgesteld.

    Het steunbedrag dat op bovengenoemde wijze is berekend moet worden afgezet tegen de in aanmerking komende kosten om vast te stellen of het betreffende maximum steunpercentage niet wordt overschreden. Het steunbedrag mag voorts ook niet hoger zijn dan € 15 miljoen. In het geval de subsidie uit een garantie bestaat, dient het steunbedrag als volgt te worden bepaald. Om het steunbedrag te kunnen berekenen dat voortvloeit uit een garantie, dient het verschil te worden berekend tussen de marktconforme premie die wordt bepaald op grond van de Mededeling-garanties (dit is in de definities in deze paragraaf gedefinieerd als ‘marktconforme premie’) en de daadwerkelijk door de begunstigde te betalen premie, waarbij de netto contante waarde van het premievoordeel moet worden berekend. De hoogte van de marktconforme premie is afhankelijk van de rating van de aanvrager. Voor startende ondernemingen zonder kredietverleden, zoals special-purpose vehicles, geldt dat de marktconforme premie minstens 3,8% is, en nooit lager kan zijn dan de premie die geldt voor de moedermaatschappij als deze aanwezig is.

    Om de marktconforme premie te bepalen dient op grond van de AGVV verplicht te worden uitgegaan van de Mededeling-garantie. Wanneer de marktconforme premie die op grond van de Mededeling-garantie geldt, is vastgesteld, kan deze worden afgezet tegen de daadwerkelijk te betalen premie. Van het verschil tussen de daadwerkelijk te betalen premie over de garantie en de marktconforme premie die is vastgesteld conform de Mededeling-garanties, moet de contante waarde worden berekend. Voor de berekening van de contante waarde dient te worden uitgegaan van een percentage dat bestaat uit het basisrentepercentage dat de Europese Commissie publiceert op de website waarvan hiervoor een link is gegeven, vermeerderd met een opslag van 100 basispunten. Het is niet geoorloofd om een basisrente te gebruiken die op een andere manier is vastgesteld.

    Het steunbedrag dat op bovengenoemde wijze is berekend moet worden afgezet tegen de in aanmerking komende kosten om vast te stellen of het betreffende maximum steunpercentage niet wordt overschreden. Het steunbedrag mag voorts ook niet hoger zijn dan € 7,5 miljoen.

Artikel 3.9.2.3 Grondslag subsidie

Toelichting: De provincie Overijssel heeft ervoor gekozen om niet de volledige in aanmerking komende kosten te subsidiëren. De provincie Overijssel wil dat de aanvrager ook zelf bijdraagt aan de financiering van het energieproject. De 80% genoemd in lid 3 is gebaseerd op de Mededeling-garanties.

 

  • 1.

    De subsidie bedraagt maximaal 80% van de in aanmerking komende kosten.

  • 2.

    Indien een overheidsgarantie wordt afgegeven of gelijkwaardige zekerheid bedraagt de subsidie maximaal 100% van de in aanmerking komende kosten.

  • 3.

    In geval van een garantie bedraagt de garantie van Gedeputeerde Staten maximaal 80% van het krediet.

Artikel 3.9.2.4 Subsidiabele kosten

Bij de berekening van de steunintensiteit zijn alle gebruikte cijfers de cijfers vóór aftrek van belastingen en andere heffingen.

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.1.5 worden als subsidiabele kosten beschouwd de in aanmerking komende kosten.

  • 2.

    Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval niet:

    • a.

      administratieve kosten die gemaakt worden ten behoeve van het energieproject;

    • b.

      kosten die gemaakt worden ten behoeve van het aanvragen van de subsidie voor het energieproject;

    • c.

      kosten die anderszins al vergoed zijn o.a. door het Rijk, door andere publiekrechtelijke rechtspersonen of openbare lichamen dan wel de daaraan gelieerde instellingen of door de Europese Commissie.

Artikel 3.9.2.5 Indieningstermijn aanvraag

Toelichting: Op grond van artikel 1.2.2 kan gedurende het gehele kalenderjaar een subsidieaanvraag worden ingediend. Afwijking van artikel 1.2.2 is wenselijk omdat in de onderhavige regeling met subsidieplafonds wordt gewerkt voor een bepaald subsidietijdvak. De verwachting is dat er in de praktijk behoefte zal zijn om gedurende het gehele subsidietijdvak aanvragen om subsidie in te kunnen dienen. Om aanvragen toch zoveel mogelijk binnen het subsidietijdvak af te kunnen handelen, is in het eerste lid van dit artikel bepaald dat de subsidieaanvraag tot dertien weken voor het einde van het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft kan worden ingediend. In het tweede lid is bepaald dat de aanvraag vier weken voor het einde van het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft volledig moet zijn.

 

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.2.2 kan een subsidieaanvraag tot twaalf weken voor het eind van het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft worden ingediend door inzending van een daartoe opgesteld formulier. Het formulier vermeldt welke bijlagen bij de aanvraag dienen te worden overlegd.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.2.2 moet een subsidieaanvraag volledig zijn ingediend uiterlijk vier weken voor het eind van het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft.

Artikel 3.9.2.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

Toelichting: Dit artikel geeft voorschriften voor een aanvraag voor subsidie. Dit artikel dient in samenhang te worden gelezen met artikel 1.2.1. In aanvulling op de gegevens die een aanvrager op grond van artikel 1.2.1 bij de aanvraag moet indienen, dient de aanvrager aanvullende gegevens te overleggen ten behoeve van de beoordeling van de aanvraag.

 

  • 1.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 overlegt de aanvrager bij de aanvraag tevens een projectplan, dat in ieder geval de volgende gegevens dient te bevatten:

    • a.

      beschrijving c.q. inschatting van de door de ontvangen subsidie te verwachten energie-efficiëntie;

    • b.

      een berekening van de in aanmerking komende kosten waarbij de kosten van het energieproject afgezet worden tegen de kosten van de referentie-investering; toelichting: De voor subsidie in aanmerking komende kosten moeten worden gemotiveerd en gespecificeerd.

  • 2.

    De aanvrager overlegt een ratingverklaring, tenzij de aanvrager een special purpose vehicle is zonder kredietverleden en geen moedermaatschappij heeft.

  • 3.

    Indien de aanvrager voor dezelfde – elkaar geheel of gedeeltelijk overlappende – in aanmerking komende kosten waarvoor zij subsidie aanvraagt reeds van het Rijk, andere publiekrechtelijke rechtspersonen of openbare lichamen dan wel de daaraan gelieerde instellingen of de Europese Commissie een vergoeding c.q. subsidie heeft ontvangen, overlegt zij de bewijsstukken waaruit deze vergoeding c.q. subsidie blijkt.

  • 4.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag tevens een bedrijfsplan;

    Toelichting: Het bedrijfsplan moet in ieder geval de volgende gegevens bevatten:

    • de doelstelling van de aanvrager en hoe hij deze wil bereiken; de ideeën over het soort onderneming dat hij wil oprichten;

    • de geplande rechtsvorm;

    • vergunningen die nodig zijn om van start te gaan met het project;

    • meerjarige investeringsbegroting;

    • meerjarige exploitatiebegroting: op basis van de meerjarige omzetprognose moet de aanvrager aangeven hoeveel nettowinst hij verwacht te overhouden na aftrek van de investeringen (exploitatie) van de omzet;

    • Ten slotte wordt in het bedrijfsplan verwacht dat de subsidieaanvrager zal aangeven welke werkgelegenheidseffecten door realisering van het energieproject te realiseren dan wel te verwachten zijn. Om die reden wordt van de subsidieaanvrager verwacht dat hij inzicht geeft in het aantal gecreëerde arbeidsplaatsen. Dit begrip is toegelicht in de definities. Daarbij moet tevens inzicht worden gegeven in het aantal gecreëerde arbeidsplaatsen dat na uitvoering van het energieproject waarvoor subsidie wordt aangevraagd zal blijven bestaan.

  • 5.

    Ingeval een garantie wordt aangevraagd, overlegt de aanvrager in aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid bij de aanvraag tevens een door een bank geoffreerde kredietovereenkomst en concept garantverklaring.

  • 6.

    Indien de aanvraag een energieproject betreft waarbij energie-efficiëntiemaatregelen worden genomen door aanpassing of vervanging van bedrijfsruimten, wordt een taxatierapport van een taxateur, die is ingeschreven bij één van de taxatieregisters VastgoedCERT of SCVM, overgelegd dat bij aanvraag niet ouder is dan drie maanden.

    Toelichting: Bij documentatie ten behoeve van het uitvoeren van een financiële due diligence, een technische due diligence, een duurzaamheidstoets en een fiscale en juridische due diligence moet, afhankelijk van de aard van het energieproject waarvoor subsidie wordt aangevraagd, worden gedacht aan een zonurenanalyse, een technische analyse van de gebruikte technologie, taxatierapporten, identificatiebewijzen van bestuurders en aandeelhouders, een organisatieschema, projectcontracten, zoals afnamecontracten, inkoopcontracten en onderhoudscontracten.

  • 7.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag documentatie ten behoeve van het uitvoeren van een financiële due diligence, een technische due diligence, een duurzaamheidstoets en een fiscale en juridische due diligence.

Artikel 3.9.2.7 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Toelichting: Ingevolge artikel 4:22 van de Awb wordt onder subsidieplafond verstaan: het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens een bepaald wettelijk voorschrift. Artikel 4:25 van de Awb schrijft voor dat voor de vaststelling van een subsidieplafond een wettelijke grondslag is vereist. Artikel 3.9.2.7 geeft deze wettelijke grondslag.

De Awb eist dat het subsidieplafond bekend wordt gemaakt voordat de periode waarop het betrekking heeft ingaat. Zo kunnen potentiële aanvragers weten hoeveel geld er beschikbaar is. Op grond van artikel 4:25, tweede lid, van de Awb moet een aanvraag om subsidie worden geweigerd, als door verstrekking van de subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden.

Artikel 3.9.2.8 Volgorde van behandeling

Toelichting: In artikel 4:26 van de Awb is voorgeschreven dat bij of krachtens wettelijk voorschrift wordt bepaald hoe het beschikbare bedrag wort verdeeld. Artikel 3.9.2.8 geeft deze wettelijke grondslag.

 

  • 1.

    Voor het bepalen van het bereiken van het van toepassing zijnde subsidieplafond, beslissen Gedeputeerde Staten op volgorde van het tijdstip van binnenkomst.

  • 2.

    Indien de aanvraag nog niet volledig is, wordt het tijdstip van binnenkomst bepaald door het moment waarop de aanvraag wel volledig is.

  • 3.

    Voor zover door verstrekking van subsidie voor aanvragen, die op dezelfde dag zijn ontvangen, het subsidieplafond wordt overschreden, wordt de onderlinge rangschikking van die aanvragen vastgesteld door middel van prioritering op basis van de hoogst verwachte energie-efficiëntie dan wel toename van hernieuwbare energie per aangevraagde Euro aan subsidie.

Artikel 3.9.2.9 Adviescommissie

Gedeputeerde Staten leggen een aanvraag voor subsidie als bedoeld in arikel 3.9.2.1, nadat de aanvraag volledig is, ter advies voor aan de adviescommissie, die binnen zes weken een advies aan Gedeputeerde Staten uitbrengt. Deze termijn kan met een termijn van maximaal twee weken worden verlengd.

Toelichting: Gedeputeerde Staten hebben bij besluit van 13 november 2012 een adviescommissie ingesteld die advies uitbrengt over elke aanvraag die is ingediend op grond van deze paragraaf.

Indien door verstrekking van subsidie voor aanvragen, die op dezelfde dag zijn ontvangen, het subsidieplafond wordt overschreden, wordt op grond van artikel 3.9.2.8, derde lid, de onderlinge rangschikking van die aanvragen vastgesteld door middel van prioritering op basis van de hoogst verwachte energie-efficiëntie dan wel toename van hernieuwbare energie per aangevraagde Euro aan subsidie. Ook over deze prioritering brengt de adviescommissie advies uit.

Artikel 3.9.2.10 Weigeringsgronden

Toelichting: Deze weigeringsgronden gelden in aanvulling op artikel 1.1.7. De weigeringsgronden in artikel 1.1.7 zijn facultatief. Gedeputeerde Staten kunnen de subsidie geheel of gedeeltelijk weigeren als die weigeringsgronden zich voordoen. In dit artikel 3.9.2.10 zijn de weigeringsgronden imperatief geformuleerd. Als een van deze afwijzingsgronden zich voordoen, dan moeten Gedeputeerde Staten de aanvraag afwijzen. De afwijzingsgronden in sub c-h, k-m, vloeien voort uit de staatssteunregels. Deze afwijzingsgronden zijn gebaseerd op de AGVV: sub c is gebaseerd op artikel 38 van de AGVV; sub d is gebaseerd op artikel 5, tweede lid, sub b, van de AGVV jo. de Mededeling-rentepercentages die, zoals hiervoor is toegelicht, op grond van de AGVV verplicht toegepast moet worden om het steunbedrag te kunnen berekenen in geval van leningen; sub e is gebaseerd op artikel 5, tweede lid, sub c, onder i), van de AGVV jo. de Mededeling-garanties die, zoals hiervoor is toegelicht, op grond van de AGVV verplicht toegepast moet worden om het steunbedrag te kunnen berekenen in geval van garanties; sub f is gebaseerd op paragraaf 3.3. van de Mededeling-garanties die, zoals hiervoor is toegelicht, op grond van de AGVV verplicht toegepast moet worden om het steunbedrag te kunnen berekenen in geval van garanties; sub g is gebaseerd op artikel 1, vierde lid, sub a, van de AGVV; sub h is gebaseerd op 1, vierde lid, sub c, van de AGVV; sub k is gebaseerd op artikel 6, tweede lid, van de AGVV; sub l is gebaseerd op artikel 6, tweede en derde lid, van de AGVV; sub m is gebaseerd op artikel 38, lid 2, van de AGVV. In de overige gevallen heeft een subsidie van de provincie Overijssel naar de mening van de provincie Overijssel geen toegevoegde waarde. Deze gevallen zijn in lid 2 sub a, b, i en j opgesomd. Voor deze gevallen wordt ook geen subsidie verleend door de provincie Overijssel.

 

  • 1.

    Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie als op basis van de aanvraag wordt beoordeeld dat het te verlenen subsidiebedrag lager is dan € 1.000.000,- per energieproject. Indien de aanvrager op dezelfde dag subsidie aanvraagt op grond van paragraaf 3.9.1, wordt voor het bepalen van het minimum tevens het te verlenen subsidiebedrag van die aanvraag betrokken.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie geheel of gedeeltelijk indien:

    • a.

      de werkelijke kosten naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet in redelijke verhouding staan tot het te verkrijgen resultaat;

    • b.

      het bedrijfsplan en/of projectplan naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet haalbaar of uitvoerbaar is.

      toelichting: Voor deze weigeringsgrond geldt dat daar in ieder geval wordt verstaan de situatie waarin de uitkomst van een door een expert uitgevoerde financiële, technische, juridische of fiscale due diligence negatief is.

    • c.

      het verstrekte krediet of de geldlening niet ten behoeve van het energieproject wordt aangewend;

    • d.

      uit de ratingverklaring blijkt dat de aanvrager van een geldlening of diens moedermaatschappij tot de ratingcategorie CCC of lager behoort;

    • e.

      uit de ratingverklaring blijkt dat de aanvrager van een garantie of diens moedermaatschappij tot de ratingcategorie CCC+ of lager behoort;

    • f.

      de aanvrager van een garantie een grote onderneming is;

    • g.

      ten aanzien van de aanvrager een uitstaand bevel tot terugvordering voor onrechtmatig verleende staatssteun geldt;

    • h.

      de aanvrager in financiële moeilijkheden verkeert;

    • i.

      de aanvrager over onvoldoende financiële middelen beschikt om het energieproject uit te voeren;

      toelichting: De aanvrager beschikt niet over voldoende financiële middelen om het energieproject uit te voeren als er geen bankfinanciering voor de dekking van de kosten van het energieproject die niet voor subsidiëring op grond van deze regeling in aanmerking komen.

    • j.

      de aanvrager op de markt financiering voor het gehele energieproject kan verkrijgen en met die financiering de commerciële levensvatbaarheid van het project met een zelfde maatschappelijk rendement, naar het oordeel van Gedeputeerde Staten, aannemelijk is;

    • k.

      de activiteiten reeds zijn aangevangen op het tijdstip van indiening van de subsidieaanvraag;

    • l.

      indien de aanvrager, zijnde een grote onderneming, naar het oordeel van Gedeputeerde Staten er niet in geslaagd is om het stimulerend effect van de subsidie in de zin van artikel 6, derde lid van de AGVV aan te tonen;

    • m.

      indien aanvraag kosten betreffen ten behoeve van een investering die de onderneming als gevolg van een Europese norm reeds verplicht is te doen.

Artikel 3.9.2.11 Kenmerken van uitvoeringsovereenkomst, kredietovereenkomst en garantie

Toelichting: Zie toelichting artikel 3.9.2.2 over de achtergronden van de uitvoeringsovereenkomst.

Afgezien van de staatssteunrechtelijke beperkingen aan het geboden rentevoordeel, is de provincie Overijssel van mening dat het geboden rentevoordeel niet te groot mag zijn, omdat dan de afstand naar de markt te groot wordt en daarmee minder goede projecten worden gefaciliteerd. Dat geeft overstimulering en bemoeilijkt de transitie naar hernieuwbare energie en een normale markt zonder stimulering van de overheid.

 

  • 1.

    De hoogte van de geldlening en garantie per energieproject is maximaal de subsidiabele kosten.

  • 2.

    De looptijd van de geldlening en kredietovereenkomst bedraagt een bepaalde tijd doch maximaal de technische levensduur van het energieproject.

  • 3.

    Ingeval van een geldlening wordt een rentekorting van maximaal 2,5% of 250 basispunten gehanteerd per jaar.

  • 4.

    De rente is gedurende de looptijd van de geldlening vast.

  • 5.

    Gedeputeerde Staten kunnen boetevrije vervroegde aflossing van de geldlening toestaan.

  • 6.

    De geldlening wordt onderhands verstrekt.

  • 7.

    Ingeval van een garantie is de maximale premiekorting gelijk aan het bedrag dat op grond van artikel 3.9.2.2 sub c, d en e van dit hoofdstuk is toegestaan.

  • 8.

    De hoogte van de garantie wordt verminderd naar rato van de aflossingen die worden gedaan op de kredietovereenkomst waarvoor de garantie is verstrekt.

Artikel 3.9.2.12 Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling

In afwijking van 1.5.2 eerste lid dan wel artikel 1.5.3 eerste lid wordt een aanvraag tot vaststelling ingediend uiterlijk 13 weken voor aflossing van de lening of het einde van de garantie.

Toelichting: In dit artikel is aangegeven dat en wanneer de subsidieontvanger een aanvraag tot subsidievaststelling moet indienen.

Artikel 3.9.2.13 Ambtshalve subsidievaststelling

Ingeval van een garantie kan deze worden vastgesteld zodra:

  • a.

    het krediet waarvoor de provincie een garantie heeft afgegeven is afgelost; of

  • b.

    ingeval de bank de garantie heeft ingeroepen: de vordering van de provincie op de ontvanger van de garantie is voldaan dan wel de provincie heeft besloten af te zien van verdere invordering.

Toelichting: Onderdeel a van dit artikel geeft aan dat de garantie wordt vastgesteld op het moment dat de lening is afgelost. Dit geldt ook als de lening voortijdig is afgelost. Verder geeft dit artikel aan dat de garantie tevens zal worden vastgesteld als de bank de garantie heeft ingeroepen. Verder is opgenomen dat de garantie wordt vastgesteld als er geen vorderingen meer zijn ten aanzien van de aanvrager. Dit zou bijvoorbeeld kunnen gelden als de provincie Overijssel de restschuld van de bank overneemt nadat de bank de garantie heeft ingeroepen. In de beschikking tot verlening van de garantie kunnen Gedeputeerde Staten voorwaarden vastleggen over de vaststelling.

Artikel 3.9.2.14 Terugvordering

Als de ontvanger van de subsidie het energieproject niet uitvoert zoals is vastgelegd bij de beschikking tot het verlenen van de subsidie en niet heeft voldaan aan artikel 3.9.2.15 kunnen Gedeputeerde Staten besluiten eenmalig een premie van maximaal 5% van de hoogte van de afgegeven garantie bij de ontvanger van de garantie terug te vorderen.

Toelichting: In dit artikel is opgenomen dat de provincie Overijssel een premie zal terugvorderen als blijkt dat de ontvanger van de subsidie zijn energieproject niet of op een ander manier gaat uitvoeren. Deze subsidieparagraaf is uiteindelijk bedoeld ter stimulering van energie-efficiëntie. Als gedurende de looptijd van het energieproject de activiteiten dusdanig wijzigen dat er geen sprake meer is van energie-efficiëntie, dan bereikt de provincie Overijssel haar beleidsdoel niet. De provincie Overijssel had dan ook geen garantie af willen geven voor het project. De provincie Overijssel kan de garantie niet intrekken, omdat dan de bank met een risico wordt opgezadeld. Om deze reden wil de provincie Overijssel een deel van het premievoordeel dat een ontvanger van de garantie heeft terugvorderen.

Artikel 3.9.2.15 Verplichtingen subsidieontvanger

Toelichting: Dit artikel bevat de belangrijkste subsidieverplichtingen die aan de subsidieontvanger zullen worden opgelegd. Op grond van artikel 4:37 van de Awb kunnen de in dat artikel genoemde verplichtingen aan subsidieontvangers worden opgelegd zonder wettelijk voorschrift. Een aantal subsidieverplichtingen kunnen vanwege het bepaalde in artikel 4:38 en 4:39 van de Awb slechts worden opgelegd als dat in een wettelijke regeling, zoals dit Uitvoeringsbesluit, is bepaald. Om die reden zijn in dit artikel 3.9.2.15 een aantal subsidieverplichtingen geformuleerd.

 

  • 1.

    De aanvrager tekent uiterlijk acht weken na het verlenen van de subsidie met de provincie Overijssel een uitvoeringsovereenkomst.

  • 2.

    Ingeval van een garantie sluit de aanvrager uiterlijk acht weken na het verlenen van de subsidie met een bank de bij de aanvraag overlegde door een bank geoffreerde kredietovereenkomst en definitieve garantverklaring.

  • 3.

    De subsidie-ontvanger betaalt Gedeputeerde Staten jaarlijks rente over de geldlening. Ingeval van een garantie betaalt de subsidie-ontvanger aan Gedeputeerde Staten een jaarlijkse premie voor de verstrekte garantie.

  • 4.

    Ingeval van een geldlening betaalt de subsidie-ontvanger in ieder geval halfjaarlijks het overeengekomen aflossingsbedrag, met ingang van 1 januari van het tweede jaar volgende op de datum van verlening van de subsidie, terug aan Gedeputeerde Staten.

  • 5.

    Ingeval van een door de bank ingeroepen garantie, betaalt de subsidie-ontvanger aan Gedeputeerde Staten het door de provincie aan de bank betaalde terug.

  • 6.

    Terzake van de in de leden 3 tot en met 5 genoemde verplichtingen wordt in de uitvoeringsovereenkomst een betalingsregime afgesproken en kunnen daarin verplichtingen worden opgenomen ten aanzien van de kredietwaardigheid van de subsidie-ontvanger.

  • 7.

    De subsidie-ontvanger doet onverwijld mededeling aan Gedeputeerde Staten van de omstandigheid dat hij verwacht niet binnen de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen termijn te beschikken over de vereiste vergunningen, ontheffingen of andere (rechtens benodigde) toestemmingen in verband met het energieproject. De subsidie-ontvanger doet onverwijld mededeling aan Gedeputeerde Staten indien de bank de garantie zal inroepen, dan wel in het geval verwacht kan worden dat de bank de garantie in zal roepen.

  • 8.

    De subsidie-ontvanger dient binnen één jaar na subsidieverlening te starten met de uitvoering van het energieproject.

  • 9.

    De subsidie-ontvanger dient uiterlijk na verloop van de duur van de geldlening c.q het krediet aan te tonen dat het energieproject conform de aanvraag is uitgevoerd en voltooid. Daarbij rapporteert de aanvrager ook over het maatschappelijk rendement van het energieproject. Indien de looptijd van de geldlening c.q. krediet langer duurt dan één jaar rapporteert subsidie-ontvanger jaarlijks aan Gedeputeerde Staten over de voortgang van het project.

  • 10.

    In afwijking van artikel 1.4.3 kunnen Gedeputeerde Staten de verplichting opleggen tot het vaker dan één keer per jaar afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden inkomsten.

  • 11.

    Gedeputeerde Staten kunnen voorwaarden aan de subsidiebeschikking verbinden ten aanzien van:

    • de EBITDA ten opzichte van rente-en aflossingsverplichtingen;

    • het aanhouden van liquide middelen ten behoeve van onderhoud, rente en aflossingsverplichtingen en onvoorziene omstandigheden;

    • toestemming bij wijziging van aandeelhouders;

    • toestemming voor het aangaan van financiële verplichtingen met derden;

    • toestemming voor het wijzigen van overeenkomsten aangaande het energieproject;

    • toestemming voor uitkering van dividend en/of opname van cashflow ten behoeve van het concern.

  • 12.

    De activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt moeten binnen vier jaar na verlening van de subsidie zijn uitgevoerd.

  • 13.

    De aanvrager of diens moedermaatschappij dient tot en met de subsidievaststelling dezelfde ratingcategorie te behouden als hij ten tijde van de subsidieverlening had, tenzij de geldlening is geborgd door het Waarborgfonds Sociale Woningbouw.

Artikel 3.9.2.16 Uitstel of ontheffing betalingsverplichting

  • 1.

    Ingeval van een geldlening kan de subsidie-ontvanger Gedeputeerde Staten verzoeken om het subsidiebedrag in andere termijnen terug te betalen.

  • 2.

    Ingeval van een geldlening kan de subsidie-ontvanger Gedeputeerde Staten deugdelijk gemotiveerd verzoeken om ontheffing te verlenen van de verplichting genoemd in artikel 3.9.2.15 vierde lid. Ingeval van een door de bank ingeroepen garantie kan de subsidie-ontvanger Gedeputeerde Staten deugdelijk gemotiveerd verzoeken om ontheffing te verleen van de verplichting genoemd in artikel 3.9.2.15 vijfde lid.

  • 3.

    De ontheffing, bedoeld in het tweede lid, kan worden verleend indien:

    • a.

      terugbetaling door bijzondere omstandigheden niet mogelijk is;

    • b.

      een strikte toepassing van artikel 3.9.2.15 naar het oordeel van Gedeputeerde Staten door bijzondere omstandigheden zou leiden tot een onredelijke beslissing.

      toelichting: Ter zake van het derde lid kunnen Gedeputeerde Staten beleid opstellen.

  • 4.

    Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat bij het verzoek om ontheffing als bedoeld in het tweede lid van dit artikel een accountantsverklaring als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het BW wordt overgelegd.

  • 5.

    Er wordt geen uitstel of ontheffing verleend wanneer de ontheffing naar het oordeel van Gedeputeerde Staten in strijd is met de toepasselijke staatssteunregels, zoals onder meer bedoeld in artikel 3.9.2.17.

Artikel 3.9.2.17 Europese regelgeving

Toelichting: Aangezien het verlenen van de subsidie conform deze paragraaf staatssteun oplevert, is deze subsidieparagraaf gebaseerd op de AGVV en de de-minimisverordening en is zodanig ingericht dat de subsidieverlening moet voldoen aan de regels van de AGVV en de-minimisverordening. De genoemde Europese regelgeving stelt een groot aantal eisen aan het verstrekken van subsidies door Gedeputeerde Staten in de vorm van leningen en garanties. In deze paragraaf zijn niet alle in de Europese regelgeving gestelde eisen overgenomen. Bij de beoordeling van de aanvraag zal echter worden getoetst of de subsidie in overeenstemming met die eisen kan worden verstrekt. Zo niet, dan zal de subsidie worden geweigerd, tenzij het in artikel 3.9.2.2, sub a, twee zin, genoemde geval zich voordoet. In artikel 3.9.2.2 sub c, tweede zin, is aangegeven dat Gedeputeerde Staten in voorkomend geval, het voornemen tot verlening van een subsidie voor een aanvraag die niet voldoet aan de de-minimisverordening of de AGVV kunnen aanmelden bij de Europese Commissie indien de aanvraag naar het oordeel van Gedeputeerde Staten een aanzienlijke bijdrage levert aan de beleidsdoelstellingen van de Provincie Overijssel op het gebied van energie-efficiëntiemaatregelen en de kans op goedkeuring door de Europese Commissie naar het oordeel van Gedeputeerde Staten hoog is. Gedeputeerde Staten kunnen de subsidie dan onder de opschortende voorwaarde van goedkeuring door de Europese Commissie verlenen. Voldoet de subsidie niet aan genoemde eisen en doet het geval in artikel 3.9.2.2 sub c, tweede zin, zich niet voor, dan is subsidieverlening in strijd met de staatssteunregels.

 

De subsidie wordt verstrekt met inachtneming van:

  • a.

    de AGVV; of

  • b.

    de de-minimisverordening;

  • c.

    de Mededeling-rentepercentages;

  • d.

    de Mededeling-garanties.

Artikel 3.9.2.18 Bevoorschotting

In afwijking van artikel 1.3.2 tweede lid verstrekken Gedeputeerde Staten in geval van een geldlening de aanvrager een voorschot van 100% van de verleende subsidie.

Toelichting: De bevoorschotting moet een wettelijke grondslag hebben. De aard van de subsidie noopt ertoe af te wijken van artikel 1.3.2 tweede lid, waarin een beperking is gegeven aan het te bevoorschotten subsidiebedrag.

Paragraaf 3.10 Uitvoering Programma Nieuwe ENergie Overijssel 2017-2023

Algemene toelichting

De partners, zoals genoemd in artikel 3.10.3 kunnen subsidie ontvangen voor activiteiten die bijdragen aan de doelstellingen van het Energieprogramma.

Artikel 3.10.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder Energieprogramma: het op 29 november 2016 door Gedeputeerde Staten vastgestelde programma Nieuwe Energie Overijssel 2017-2023.

  • -

    energiestrategie: de regionale of lokale strategie uit te werken in het licht van de landelijke doelstelling om uiteindelijk energieneutraal te zijn in 2050 en de CO2 uitstoot met 80-95% naar beneden te brengen, en een wezenlijke bijdrage te leveren aan het Programma Nieuwe Energie Overijssel 2017-2023;

  • -

    gebiedsgerichte aanpak: de toekomstbestendige inpassing van ruimtelijke ontwikkelingen in de lokale sociale context, waarbij rekening wordt gehouden met bestaande of toekomstige functies, en het meest wenselijke energiesysteem.

Artikel 3.10.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten die bijdragen aan de doelstellingen van het Energieprogramma.

Artikel 3.10.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is een partner van het Energieprogramma, zijnde Natuur en Milieu Overijssel, VNO-NCW, MKB Nederland, het Bio-energiecluster Oost-Nederland of een Overijsselse gemeente;

  • b.

    de activiteit past binnen de kaders en doelstellingen zoals omschreven in de Omgevingsvisie;

  • c.

    een gemeente kan alleen subsidie ontvangen voor het opstellen van een energiestrategie of gebiedsgerichte aanpak inclusief het creëren van draagvlak tijdens dat proces bij bestuurders, bedrijven, inwoners en andere belanghebbenden;

  • d.

    een aanvraag is, voordat deze wordt ingediend, afgestemd met de programmaleider van het Energieprogramma.

Artikel 3.10.4 Grondslag subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten met een maximale subsidie van € 250.000,– per aanvraag, met uitzondering van de subsidie aan een gemeente. De subsidie aan gemeenten bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten voor een energiestrategie en 80% van de subsidiabele kosten voor een gebiedsgerichte aanpak met een maximum van € 100.000,- per aanvraag.

Artikel 3.10.5 Subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 1.1.6 derde lid zijn kosten van activiteiten die uitgevoerd zijn voordat de aanvraag voor subsidie is ontvangen wel subsidiabel mits deze gemaakt zijn vanaf 1 november 2016.

Artikel 3.10.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

1. De aanvrager maakt bij de aanvraag voor subsidie gebruik van het aanvraagformulier Uitvoering energieprogramma.

2. In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager tevens een projectplan.

Artikel 3.10.7 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

 

Paragraaf 3.11 Earth Hour Overijssel

Algemene toelichting

De visie van provincie Overijssel op duurzaamheid bestaat uit de overkoepelende missie Mooi, Leefbaar en Toekomstbestendig Overijssel en vijf kernambities:

  • -

    Een klimaatbestendig Overijssel;

  • -

    Een duurzame energiehuishouding;

  • -

    Kringlopen sluiten, of toegroeien naar een circulaire economie;

  • -

    Beter benutten van ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur;

  • -

    Natuur als ruggengraat.

Deze vijf duurzaamheidsambities zijn opgenomen in de omgevingsvisie evenals de opgave om te werken aan een gezond en veilig leefmilieu.

 

In de provincie vinden veel initiatieven plaats die deze ambities verder brengen of die bijdragen aan meer bewustzijn, kennis en inspiratie bij inwoners en bedrijven over de uitdagingen ten aanzien van duurzaamheid.

 

Earth Hour is een wereldwijde actie van het Wereld Natuur Fonds (WNF). Tijdens Earth Hour gaat bij gebouwen en woningen het licht een uur uit om aandacht te vragen voor het behoud van de aarde. Samen met miljoenen mensen over de hele wereld tellen honderden kinderen en volwassen in Overijssel gezamenlijk op de laatste zaterdag in maart om 20:30 uur af en staan zo een uur stil bij de aarde en de eigen leefomgeving.

 

Op basis van deze subsidieparagraaf kunnen initiatiefnemers subsidie ontvangen voor het organiseren en uitvoeren van deze bewustwordingsacties. Met de activiteiten vragen initiatiefnemers en deelnemers aandacht voor een duurzaam en gezond Overijssel, geven ze een signaal af en inspireren zij inwoners en bedrijven om in actie te komen en samen te werken. Voorbeelden van eerder georganiseerde activiteiten zijn inspiratiebijeenkomsten zoals twiners (Twitter-Wine-Diner), een nachtwandeling, sterren kijken, lichtjestoer, muziek, verhalenvertellers, theater, schilderen in het donker, een fotowedstrijd licht-donker en foto expositie. De te organiseren activiteiten voor Earth Hour Overijssel zijn gericht op de kernambities duurzaamheid.

Artikel 3.11.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Earth Hour: een wereldwijde actie van het Wereld Natuur Fonds (WNF). Tijdens Earth Hour gaat bij gebouwen en woningen het licht een uur uit om aandacht te vragen voor het behoud van de aarde.

 

Toelichting: Earth Hour 2018 vindt plaats op 24 maart 2018.

Artikel 3.11.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het voorbereiden en uitvoeren van aan Earth Hour 2018 gerelateerde activiteiten in Overijssel.

Artikel 3.11.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.11.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    er is sprake van een aanpak waarbij bewustwording over duurzaamheid centraal staat;

  • b.

    minimaal 200 inwoners van de betreffende gemeente doen mee of worden bereikt.

Artikel 3.11.4 Grondslag subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 5.000,- per aanvraag waarin is inbegrepen maximaal € 500,- voor eventuele catering.

Artikel 3.11.5 Subsidiabele kosten

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.1.6 eerste lid zijn de vergoedingen voor de inzet in uren van vrijwilligers wel subsidiabel tegen een maximum uurtarief van € 15,– per uur.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.1.6 derde lid zijn kosten die gemaakt zijn voordat de aanvraag is ontvangen wel subsidiabel, mits deze betrekking hebben op activiteiten die na 1 januari van het betreffende kalenderjaar zijn uitgevoerd.

Artikel 3.11.6 Indieningstermijn aanvraag tot subsidieverlening

In afwijking van artikel 1.2.2 geldt dat een aanvraag om subsidie ontvangen moet zijn uiterlijk op 1 maart van het betreffende kalenderjaar vóór 17.00 uur.

Artikel 3.11.7 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Earth Hour Overijssel.

Artikel 3.11.8 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 3.11.9 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien:

  • a.

    in het betreffende kalenderjaar, de aanvrager al subsidie heeft ontvangen op basis van deze subsidieparagraaf;

  • b.

    in het betreffende kalenderjaar al twee keer subsidie is verleend op basis van deze subsidieparagraaf aan een Earth Hour evenement in de betreffende gemeente;

  • c.

    de aanvraag uitsluitend betrekking heeft op een buurtfeest;

  • d.

    de aanvraag uitsluitend betrekking heeft op een bewustwordingscampagne via de media.

Artikel 3.11.10 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op artikel 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht bij te houden hoeveel inwoners in Overijssel zijn bereikt of deel hebben genomen.

Hoofdstuk 4 Vitaal Platteland

Paragraaf 4.1 Faunabeheereenheden

Artikel 4.1.1 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het opstellen en uitvoeren van een faunabeheerplan ten aanzien van het duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht.

Artikel 4.1.2 Criteria

Toelichting: Het opstellen en uitvoeren van faunabeheerplannen in Overijssel is in handen van de Stichting Faunabeheereenheid Overijssel (FBE) uit Deventer, statutair gevestigd in Zwolle.

 

Een aanvraag voor subsidie voor de uitvoering van een faunabeheerplan voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is een faunabeheereenheid, zoals vermeld in artikel 3.12 van de Wet natuurbescherming, werkzaam binnen de provincie Overijssel;

  • b.

    de aanvraag is gericht op de uitvoering van een door Gedeputeerde Staten goedgekeurd faunabeheerplan op basis van artikel 3.12 lid 7 van de Wet natuurbescherming.

Artikel 4.1.3 Grondslag subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten.

Artikel 4.1.4 Subsidiabele kosten

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.1.6 zijn leges subsidiabel.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.1.5 zijn kosten voor de bedrijfsvoering die toe te rekenen zijn aan het doel van de subsidie, subsidiabel.

Artikel 4.1.5 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 4.1.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het Aanvraagformulier Faunabeheereenheden.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een werkplan.

Paragraaf 4.2 Opruiming drugsafval

Artikel 4.2.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • drugsafval: afval dat ontstaat bij de productie van synthetische drugs;

  • erkende verwijderaar: verwijderaar die over de benodigde milieuvergunningen beschikt om afval volgens juiste regelgeving te kunnen en mogen verwijderen;

  • synthetische drugs: uit chemische grondstoffen geproduceerde verdovende middelen;

  • zakelijk gerechtigde: personen met een zakelijk recht op een zaak als bedoeld in boek 3 en 5 van het Burgerlijk wetboek.

Artikel 4.2.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de volgende activiteiten:

  • a.

    het opruimen van achtergelaten drugsafval in de openbare ruimte;

  • b.

    het opruimen van de bodemverontreiniging die voortvloeit uit het achterlaten van drugsafval in de openbare ruimte.

Artikel 4.2.3 Criteria

  • 1.

    Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 4.2.2 voldoet aan de volgende criteria:

    • a.

      aanvrager is een Overijsselse gemeente of een zakelijk gerechtigde;

    • b.

      er is sprake van achterlaten van drugsafval in de openbare ruimte;

    • c.

      het drugsafval is afkomstig van productie van synthetische drugs;

    • d.

      de grond waarop illegaal drugsafval is gedumpt:

      • i.

        is gelegen binnen de gemeentegrenzen; of

      • ii.

        op de grond is een zakelijk recht van de aanvrager gevestigd.

    • e.

      van het achterlaten van drugsafval is aangifte gedaan bij de politie;

    • f.

      het drugsafval is opgeruimd in het kalenderjaar voorafgaand aan de aanvraag;

    • g.

      indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan de de-minimisverordening.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 4.2.2, onder a, aan de volgende criteria:

    • a.

      het aangetroffen drugsafval is verwijderd conform de daartoe geldende wet- en regelgeving;

    • b.

      het aangetroffen drugsafval is verwijderd door een erkende verwijderaar.

  • 3.

    In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 4.2.2, onder b, aan de volgende criteria:

    • a.

      de bodemverontreiniging is een gevolg van het achterlaten van drugsafval als bedoeld in het eerste lid, onder b;

    • b.

      de bodemverontreiniging is verwijderd conform artikel 6 tot en met artikel 13 van de Wet bodembescherming.

Artikel 4.2.4 Grondslag

De subsidie bedraagt 50% van de subsidiabele kosten.

Artikel 4.2.5 Subsidiabele kosten

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.1.5 komen de volgende kosten die noodzakelijk zijn en toe te rekenen zijn aan de subsidiabele activiteit voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      de voor derden gemaakte kosten;

    • b.

      kosten van personeel, tegen een maximaal forfaitair uurtarief per gewerkt uur van € 60,–;

    • c.

      kosten uit onbetaalde eigen arbeid tot een bedrag van € 60,– per uur.

  • 2.

    De kosten in het eerste lid, onder b en c, zijn subsidiabel tot ieder maximaal 20% van de subsidiabele kosten.

Artikel 4.2.6 Indieningstermijn aanvraag

In afwijking van artikel 1.2.2 geldt dat een aanvraag om subsidie ontvangen moet zijn uiterlijk 1 mei 2018 vóór 17.00 uur.

Artikel 4.2.7 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Opruiming drugsafval.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager de volgende stukken:

    • a.

      een bewijs van aangifte van de politie met tenminste een kaart met de locatie waar het drugsafval is aangetroffen, foto's van de dumping en een beschrijving van de aangetroffen drugsgerelateerde afvalstoffen;

    • b.

      een bewijs van de gemaakte kosten voor verwijdering en afvoer van het drugsafval;

    • c.

      een bewijs van verwijdering en afvoer van het drugsafval.

Artikel 4.2.8 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 4.2.9 Volgorde van verlening

  • 1.

    Indien de binnen de periode, bedoeld in artikel 4.2.6, ingediende volledige subsidieaanvragen, die voor subsidie in aanmerking komen op grond van deze paragraaf, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, verdelen Gedeputeerde Staten de subsidie naar evenredigheid onder de voornoemde subsidieaanvragen.

  • 2.

    Indien het eerste lid van toepassing is, wordt in afwijking van artikel 4.2.4 het percentage van de subsidiehoogte bepaald door het aantal binnen de periode, bedoeld in artikel 4.2.6, ingediende volledige subsidieaanvragen, die voor subsidie in aanmerking komen op grond van deze paragraaf.

Artikel 4.2.10 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien de aanvrager medeverantwoordelijk geacht kan worden voor de productie of dumping van het drugsafval waarop de aanvraag is gericht.

 

Paragraaf 4.3 Natuur en Samenleving 2.0

Artikel 4.3.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:   

  • -

    bewonersinitiatief: het projectidee komt vanuit de samenleving óf inwoners van Overijssel worden intensief betrokken bij de planontwikkeling en uitvoering;

  • -

    Groene leermodules: modules voor onderwijs die gericht zijn op de betekenis van natuur op het gebied van biodiversiteit, welzijn en gezondheid en sociale kwaliteit;

  • -

    natuur: de betekenis van natuur als bedoeld in de Omgevingsvisie.

Artikel 4.3.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten die:

  • a.

    de relatie tussen kinderen en natuur versterken of de betekenis van natuur voor kinderen vergroten;

  • b.

    de kwaliteit en kwantiteit van de natuur in de bebouwde omgeving van steden en dorpen vergroten;

    Toelichting: De kwaliteit van de natuur wordt vergroot als bijvoorbeeld de gebruikswaarde, de toekomstwaarde en/of de belevingswaarde toeneemt.

  • c.

    bijdragen aan de beleving van groen bij doelgroepen die bijzondere zorg of aandacht behoeven;

    Toelichting: Doelgroepen die bijzondere zorg of aandacht behoeven zijn bijvoorbeeld jongeren met gedragsproblemen, statushouders en jongdementerenden.

  • d.

    bijdragen aan de ontwikkeling en implementatie van Groene Leermodules zowel in basis, middelbaar als beroepsonderwijs.

Artikel 4.3.3 Criteria

  • 1.

    Een aanvraag voor subsidie voldoet aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvrager is geen natuurlijk persoon;

    • b.

      de activiteit vindt plaats in Overijssel;

    • c.

      onderdelen van de aanpak en uitgangspunten zijn toepasbaar op andere projecten op het gebied van natuur en samenleving;

    • d.

      indien sprake is van aanleg van groen dan vindt dit plaats in de openbare ruimte of op een plek die vrij toegankelijk is;

    • e.

      indien sprake is van gebruik van een locatie of een openbare ruimte, dan dient de eigenaar daarvan toestemming te hebben gegeven;

    • f.

      er is sprake van een samenwerking met minimaal twee andere Overijsselse partijen die ook een rol hebben in de uitvoering;

    • g.

      de activiteit draagt ook bij aan minimaal één van de andere provinciale doelen;

      Toelichting: De provinciale doelen zijn te vinden in de Programmabegroting die jaarlijks door Provinciale Staten wordt vastgesteld (http://www.overijssel.nl/). Voorbeelden van provinciale doelen zijn waterretentie, behoud en versterken cultureel erfgoed, duurzame ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, versterking toerisme en recreatief medegebruik, klimaat adaptatie, sociale kwaliteit en versterking biodiversiteit.

    • h.

      de benodigde vergunningen zijn aangevraagd of verkregen;

    • i.

      dekking van de begroting is geregeld of zal binnen afzienbare tijd geregeld kunnen worden;

    • j.

      maximaal 25% van de begroting wordt door inzet van vrijwilligers gedekt;

    • k.

      het projectplan is, voordat een aanvraag voor subsidie is ingediend, afgestemd met een provinciale beleidsmedewerker voor Natuur en Samenleving;

    • l.

      indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107, lid 1 van het VWEU, dan moet voldaan worden aan de de-minimisverordening.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag als bedoeld in artikel 4.3.2 sub a aan volgende criteria:

    • a.

      de kinderen worden actief betrokken bij de planontwikkeling en -uitvoering;

    • b.

      buurtbewoners, gebruikers of vrijwilligers worden actief betrokken bij planontwikkeling en –uitvoering;

    • c.

      de activiteit draagt bij aan versterking van de verscheidenheid van plant- en diersoorten.

  • 3.

    In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag als bedoeld in artikel 4.3.2 sub b aan de volgende criteria:

    • a.

      er is sprake van een bewonersinitiatief;

    • b.

      minimaal één van de volgende partijen is actief betrokken bij de uitvoering:

      • i.

        de betreffende gemeente;

      • ii.

        een lokale stichting, vereniging, bewonersgroep of onderneming; of

      • iii.

        eigenaren van de gronden;

    • c.

      wanneer het een vergroening van een bedrijventerrein betreft worden werknemers en buurtbewoners betrokken bij de planontwikkeling en -uitvoering;

    • d.

      de activiteit draagt bij aan substantiële versterking van de verscheidenheid van plant- en diersoorten.

  • 4.

    In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag als bedoeld in artikel 4.3.2 sub c aan de volgende criteria:

    • a.

      een zorginstelling is actief betrokken bij de uitvoering;

    • b.

      de activiteit draagt bij aan versterking van de verscheidenheid van plant- en diersoorten;

    • c.

      de fysieke vergroening vindt plaats in de buitenruimte.

  • 5.

    In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag als bedoeld in artikel 4.3.2 sub d aan het criterium dat de ontwikkelde Groene Leermodule om niet, of tegen een geringe vergoeding beschikbaar wordt gesteld aan onderwijsinstellingen.

Artikel 4.3.4 Grondslag subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 35.000,- per aanvraag.

Artikel 4.3.5 Subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 1.1.6 eerste lid zijn de vergoedingen voor de inzet in uren van vrijwilligers wel subsidiabel tegen een maximum uurtarief van € 15,– per uur.

Artikel 4.3.6 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 4.3.7 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Natuur en Samenleving 2.0.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie een:

    • a.

      projectplan waarin is beschreven hoe en in welke mate wordt bijgedragen aan de criteria zoals genoemd in artikel 4.3.2 en artikel 4.3.3. In het projectplan is in ieder geval beschreven:

      • i.

        de doelgroepen waarmee wordt gewerkt of samengewerkt;

      • ii.

        de wijze waarop de samenleving wordt betrokken bij het project of hoe draagvlak is of wordt verworven;

      • iii.

        de activiteiten die worden verricht en de kosten per activiteit;

      • iv.

        de planning;

      • v.

        de beoogde resultaten;

      • vi.

        de wijze waarop het beheer en onderhoud duurzaam is geregeld;

      • vii.

        hoe opgedane kennis en ervaring wordt gedeeld of beschikbaar wordt gesteld.

    • b.

      indien sprake is van de realisatie of herinrichting van groen, een door de eigenaar van de gronden getekende verklaring waaruit blijkt dat de eigenaar van de gronden toestemming heeft gegeven.

Artikel 4.3.8 Weigeringsgronden

In afwijking van artikel 1.1.7 tweede lid weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien:

 

  • a.

    de subsidiabele kosten lager zijn dan € 10.000,-;

  • b.

    de aanvraag om subsidie betrekking heeft op een investering in gebouwen of schoolpleinen, speeltoestellen, beweegtoestellen, infrastructuur, dieren of verblijven voor boerderijdieren.

     

    Toelichting: Klimrekken, rekstokken, schommels en valondergronden en andere onderdelen van speeltoestellen komen niet voor subsidie in aanmerking. Aanleg van natuurlijke spelaanleidingen zoals heuvels, wilgentenen speelhuisjes, klimbomen of waterelementen kunnen wel voor subsidie in aanmerking komen. Onder infrastructuur wordt in dit verband onder andere de aanleg van verharde wegen en paden verstaan. Tot boerderijdieren onder andere gerekend: geiten, schapen, kippen, konijnen, ganzen etc. Insectenhotels en nestkasten voor vogels kunnen wel voor subsidie in aanmerking komen.

Artikel 4.3.9 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht:

  • a.

    de activiteit te starten binnen drie maanden na subsidieverlening en de activiteiten binnen 18 maanden na subsidieverlening te hebben uitgevoerd;

  • b.

    de opgedane kennis op verzoek te delen of beschikbaar te stellen.

Paragraaf 4.4 Ontwikkelopgave Twickel

Artikel 4.4.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • bodemonderzoek: fysiek onderzoek in het veld naar de kwaliteit van de bodem en de waterhuishouding;

  • kaders: Ontwikkelingsvisie Twickel en omstreken, het investeringsbesluit Pact van Twickel (PS/2012/89), het gewijzigde Uitvoeringsprogramma Pact van Twickel 2012 - 2015 (PS/2013/830); het Projectplan Landbouw (Stuurgroep Pact van Twickel, 20 november 2014) en de paragraaf ‘Landschap' in de Landbouwvisie van Twickel;

  • kleine opstal: opstal met een inhoud van maximum 100 m3;

Artikel 4.4.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:

  • a.

    de volgende maatregelen ten aanzien van het thema erven en gebouwen:

    • i.

      sloop van kleine opstallen;

    • ii.

      maatregelen die een schuur, een stal of het agrarisch gebruik van een schuur of een stal verbeteren;

    • iii.

      maatregelen die het gebruik van een erf bevorderen;

  • b.

    de volgende maatregelen ten aanzien van het thema bodem en water:

    • i.

      een fysiek bodemonderzoek;

    • ii.

      maatregelen die voortkomen uit een bodemonderzoek;

  • c.

    activiteiten ten behoeve van het thema optimaliseren van landbouwkavels die het gebruik van percelen of kavels bevorderen;

  • d.

    de volgende maatregelen ten aanzien van het thema energie en asbest:

    • i.

      energiebesparende maatregelen;

    • ii.

      realisatie van zonnepanelen, mits deze maatregel wordt gecombineerd met het verbeteren van een stal als bedoeld in artikel 4.4.2 sub a onder ii.;

  • e.

    activiteiten die bijdragen aan de verbreding van de bedrijfsdoelen door gebruik te maken van de recreatieve waarde van het gebied Twickel, ten behoeve van het thema beleef Twickel.

Artikel 4.4.3 Criteria

  • 1.

    Een aanvraag voor subsidie voldoet aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvrager is een landbouwbedrijf met een vestiging op landgoed Twickel of stichting Twickel in haar hoedanigheid als agrarisch gebruiker;

      Toelichting: stichting Twickel kan ook middels een machtiging een aanvraag indienen namens de landbouwbedrijven;

    • b.

      de activiteit wordt gerealiseerd op landgoed Twickel in Overijssel;

    • c.

      de activiteit past binnen de kaders;

    • d.

      stichting Twickel heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen de uit te voeren activiteit die de eigenaarspositie van landgoed Twickel raakt;

    • e.

      indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan moet:

      • i.

        de subsidie als bedoeld in artikel 4.4.2 sub a onder ii en iii, sub b en sub c voldoen aan de voorwaarden van artikel 14 van de Vrijstellingsverordening Landbouw;

      • ii.

        de subsidie als bedoeld in artikel 4.4.2 sub a onder i en sub e moet voldoen aan de de-minimisverordening Landbouw.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid voldoet een subsidie als bedoeld in artikel 4.4.2 sub a onder ii aan het criterium dat sprake moet zijn van een dak dat minimaal 250m2 asbest bevat.

Artikel 4.4.4 Subsidiabele kosten

  • 1.

    Indien sprake is van loonkosten als bedoeld in artikel 1.1.5 eerste lid, dan zijn de loonkosten, onder sub b van dit artikel, subsidiabel tot een maximum van € 35,– per uur.

  • 2.

    Voor de subsidie als bedoeld in artikel 4.4.2 sub b onder i en d geldt dat uitsluitend de kosten van derden als bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid subsidiabel zijn.

Artikel 4.4.5 Grondslag subsidie

  • 1.

    De subsidie als bedoeld in artikel 4.4.2 sub e bedraagt maximaal 25% van de subsidiabele kosten.

  • 2.

    De subsidie als bedoeld in artikel 4.4.2 sub a, b, c en d  bedraagt maximaal 40% van de subsidiabele kosten.

Artikel 4.4.6 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 4.4.7 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier ‘Ontwikkelopgave Twickel’.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager:

    • a.

      een verklaring waaruit blijkt dat stichting Twickel geen bezwaar heeft op de uit te voeren activiteit(en) die de  eigenaarspositie van stichting Twickel raakt;

    • b.

      een prétoetsformulier van Stuurgroep Twickel;

    • c.

      indien sprake is van kosten derden als bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid, een offerte waaruit deze kosten blijken.

Artikel 4.4.8 Weigeringsgronden

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie niet indien:

    • a.

      de subsidie lager is dan € 1.000,–;

    • b.

      voor de activiteiten als bedoeld in artikel 4.4.2 sub d, al subsidie is verstrekt op basis van paragraaf 8.21 Uitvoeringsbesluit subsidies 2011.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie als de totale subsidie voor de subsidiabele activiteiten meer bedraagt dan 40% van de subsidiabele kosten of meer bedraagt dan € 500.000,–.

Paragraaf 4.5 Verbeteren condities voor aandachtsoorten

Subparagraaf 4.5.1 Algemeen

Algemene toelichting

Overijssel is een prachtige omgeving om te wonen, werken en recreëren. Een groot deel van de gebieden met veel natuurwaarden is te vinden in het Natuurnetwerk Nederland en de Natura 2000 gebieden. Provincie Overijssel neemt maatregelen om natuurwaarden te herstellen, te behouden en te versterken en om voldoende economische ontwikkelingsruimte te creëren. Dit wordt aangevuld met maatregelen voor die soorten en leefgebieden waarin het huidige natuur- en waterbeleid niet voorziet.

De provincie wil deze extra inspanningen vooral richten op soorten waarvoor het Overijsselse leefgebied belangrijk is om te overleven en die niet automatische meeprofiteren van huidige maatregelen. Deze soorten zijn opgenomen in de zogenaamde aandachtsoortenlijst.

Op basis van subparagraaf 4.5.2 kunnen initiatiefnemers subsidie ontvangen voor activiteiten of maatregelen waarmee de leefomstandigheden van soorten zoals opgenomen in onze aandachtsoortenlijst verbeteren. Voor deze subsidieregeling geldt een tenderprocedure.

Op basis van subparagraaf 4.5.3 kunnen initiatiefnemers subsidies ontvangen voor kennis en onderzoeksactiviteiten. Deze subsidies worden verleend in volgorde van ontvangst van de volledige aanvraag.

Een aanvraag voor subsidie kan ingediend worden door inwoners, bedrijven, stichtingen, verenigingen, terreinbeheerders, grondeigenaren, kennisorganisaties of vrijwilligersgroepen.

Artikel 4.5.1.1 Begripsbepalingen

In subparagraaf 4.5.2. en subparagraaf 4.5.3 wordt verstaan onder:

  • -

    Aandachtsoortenlijst Overijssel: door Gedeputeerde Staten vastgestelde lijst met soorten waarvoor

    • a.

      het leefgebied in Overijssel bovengemiddeld belangrijk is,

    • b.

      die volgens de rode lijst bedreigd zijn of waarvan de trend negatief is, en

    • c.

      waarvoor het huidige beleid onvoldoende effectief is;

      Toelichting: De meest actuele aandachtsoortenlijst is te vinden op www.overijssel/subsidie.

  • -

    Aandachtsoorten met een zeer beperkt leefgebied: stronkmier, breed wollegras, duifkruid, kruipend moerasscherm, liggende ereprijs, veenbloembies, veenmosorchis, IJslandsmos, wolfsklauwmos, beekprik, bruine eikenpage, donkere waterjuffer, gentiaanblauwtje, moerashoningzwam, ericabij, kauwende metselbij, moerasmaskerbij, kwabaal, knoflookpad;

  • -

    leefgebied: een door specifieke abiotische en biotische factoren bepaald milieu waarin de soort tijdens één van de fasen van zijn biologische cyclus leeft. Hieronder worden ook de gebieden verstaan waar de soort vroeger voorkwam en nu niet meer, maar waar de soort mogelijk terug kan keren. De leefgebieden van aandachtsoorten worden op kaart gezet door de soortenorganisaties.

    Toelichting: De meest actuele versie van dit rapport is te vinden op www.overijssel/subsidie.

Artikel 4.5.1.2 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien:

  • a.

    de aanvraag betrekking heeft op maatregelen voor de volgende akker-en weidevogels: grutto, kemphaan, scholekster, tureluur en wulp;

    Toelichting: De provincie werkt aan een actieplan waaruit maatregelen voor weidevogels gefinancierd kunnen worden. Om overlap met die regeling te voorkomen en om zoveel mogelijk soorten te kunnen ondersteunen zijn de akker- en weidevogels uitgesloten.

  • b.

    er voor de activiteiten subsidie verstrekt kan worden op grond van de regeling Subsidie Natuur en Landschap (SNL) en de Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap (SKNL).

Artikel 4.5.1.3 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond per subparagraaf vast.

Subparagraaf 4.5.2 Uitvoeren maatregelen voor aandachtsoorten

Artikel 4.5.2.1 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de volgende maatregelen die bijdragen aan het verbeteren van de condities voor soorten zoals opgenomen in de Aandachtsoortenlijst:

  • i.

    het verbeteren van milieucondities in bodem of water;

    Toelichting: Hieronder wordt verstaan het geschikt maken van de milieuomstandigheden voor aandachtsoorten in hun leefgebieden. Te denken valt bv, aan het plaggen om een geschikte groeiplaats te creëren, of het dempen van slootjes om de grondwatertoevoer te verbeteren.

     

  • ii.

    het verbeteren van de ruimtelijke condities;

    Toelichting: Voor veel soorten is het belangrijk dat er een voldoende groot en samenhangend leefgebied is. Vanuit ruimtelijk oogpunt zijn twee zaken essentieel: het behoud of herstel van voldoende grote leefgebieden van goede kwaliteit en de mogelijkheden voor soorten om zich te kunnen verplaatsen tussen (delen van) leefgebieden.

    Voorbeelden van activiteiten die bijdragen aan het verbeteren van de ruimtelijk condities zijn:

    • -

      het aanleggen en/of verbeteren van de kwaliteit van (delen) van biotopen waar een of meer aandachtsoorten een deel van hun leven doorbrengen. Daarbij kan gedacht worden aan vleermuizenkelders als overwinteringsplaats, akkerranden als foerageergebied, poelen en broeihopen als voortplantingsplaats.

    • -

      het opheffen van (infrastructurele) barrières zodat leefgebieden weer onderling verbonden worden. Daarbij kun je denken aan ecoduikers, faunatunnels, boombruggen en hop-overs, maar bijvoorbeeld ook aan natuurvriendelijke oevers.

Artikel 4.5.2.2 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 4.5.2.1 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is geen gemeente of waterschap;

  • b.

    indien sprake is van grondgebonden maatregelen dan heeft de grondeigenaar toestemming gegeven om de maatregelen te mogen uitvoeren;

  • c.

    beheer en onderhoud van de maatregelen is voor ten minste zes jaren, na datum van de subsidieverlening, geregeld;

    Toelichting: De subsidie is gericht op eenmalige (herstel)maatregelen. De subsidie is niet bedoeld voor de kosten van het beheer en onderhoud van de gesubsidieerde activiteiten. In de aanvraag wordt kort maar duidelijk beschreven op welke wijze langjarig invulling wordt gegeven aan beheer en onderhoud.

  • d.

    uit onderzoek of uit deskundige advisering blijkt dat de betreffende activiteiten effectief zijn,

    Toelichting: Er moet aangetoond zijn dat de activiteiten bijdragen aan de versterking van de betreffende aandachtsoort. In de aanvraag wordt onderbouwd waarom voor een maatregel gekozen is en waarom de aanvrager denkt dat de maatregel effectief en efficiënt is.

  • e.

    er worden communicatieactiviteiten getroffen, met als doel om kennis te delen;

  • f.

    er is sprake van effectmeting en monitoring van de resultaten van de activiteiten voor de plant- of diersoorten.

    Toelichting: In de beschikking wordt opgenomen op welke wijze gegevens over de aanwezigheid van soorten ingevoerd moeten worden. Deze moeten uiteindelijk in de Nationale Databank Flora en Fauna komen. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van een –voor de aanvrager- vrij beschikbare applicatie.

Artikel 4.5.2.3 Grondslag subsidie

De subsidie als bedoeld in artikel 4.5.2.1 bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 500.000,- per aanvraag.

Artikel 4.5.2.4 Indieningstermijn aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.2.2 geldt dat een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 4.5.2.1 kan worden ingediend vanaf 17 april 2018 en ontvangen moet zijn uiterlijk op 1 juni 2018 vóór 17.00 uur.

  • 2.

    Een onvolledige aanvraag voor subsidie kan na sluitingsdatum alleen aangevuld worden voor zover het geen inhoudelijke aanvulling of wijziging van de aanvraag betreft.

Toelichting: Bij onvolledigheid van de aanvraag na de sluitingsdatum is er alleen ruimte voor het herstel van kleinigheden zoals een handtekening, een bankrekeningnummer, kamer van koophandel gegevens e.d., het moet gaan om informatie die niet inhoudelijk betrekking heeft op de beoordelingscriteria zoals opgenomen in deze subsidieparagraaf. De tijdige volledigheid/juistheid van de aanvraag is de verantwoordelijkheid van de aanvrager. Het in de beoordeling van de aanvraag meenemen van informatie die dateert van na de sluiting van de aanvraagtermijn verdraagt zich niet met de gelijktijdige onderlinge beoordeling en rangschikking van de ingediende aanvragen die in het tendersysteem centraal staat. Uit de aard van het tendersysteem volgt dat vóór de sluiting van de aanvraagtermijn alle voor die beoordeling en rangschikking relevante gegevens moeten zijn overlegd en dat daarna geen rekening kan worden gehouden met informatie dat neerkomt op een wijziging of aanvulling van de aanvraag.

Artikel 4.5.2.5 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Uitvoeren maatregelen voor aandachtsoorten.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 4.5.2.1 de volgende stukken:

    • a.

      een projectplan waarin is opgenomen:

      • i.

        een omschrijving van de soorten waarvoor subsidie wordt gevraagd;

      • ii.

        een omschrijving van de betreffende leefgebieden;

      • iii.

        de activiteiten of maatregelen waarvoor subsidie wordt gevraagd;

      • iv.

        een referentie of argumentatie waaruit blijkt dat de maatregelen effectief en efficiënt zijn;

      • v.

        de wijze waarop beheer en onderhoud is geregeld;

      • vi.

        de wijze waarop over het project gecommuniceerd wordt;

      • vii.

        de effectmeting dan wel monitoring van de resultaten van het project voor de plant- of diersoorten, met uitzondering van onderzoeksprojecten.

    • b.

      indien sprake is van grondgebonden activiteiten, de ondertekende afspraken of toestemming van de grondeigenaar.

Artikel 4.5.2.6 Volgorde van behandeling

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.1.4 plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen die voldoen aan de in artikel 4.5.2.2 gestelde criteria, in een prioriteitsvolgorde. De prioriteitsvolgorde wordt bepaald op basis van scoretabel 1. Gedeputeerde Staten verstrekken de subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het subsidieplafond dit toelaat.

  • 2.

    Bij een gelijke score wordt prioriteit gegeven aan een aanvraag die betrekking heeft op aandachtssoorten waarvoor, nog geen subsidie is aangevraagd op grond van deze subparagraaf. Indien dit ook tot een gelijkscore resulteert dan wordt prioriteit gegeven aan de aanvraag die het beste scoort op het wegingscriterium als bedoeld in scoretabel 1 onder a.

Wegingscriteria

Wegingsfactor

Score

  • a.

    Het project heeft betrekking op enkele  leefgebieden of op veel leefgebieden van een bepaalde soort.

40%

maximaal 100 punten

  • b.

    Kwaliteit van het projectvoorstel.

20% 

maximaal 100 punten

  • c.

    Het project heeft betrekking op een  aandachtssoort met een zeer beperkt leefgebied.

20% 

Als het een aandachtsoort met een zeer beperkt leefgebied betreft

100 punten 

  • d.

    Het project draagt aantoonbaar bij aan andere thema’s uit het Koersdocument natuur voor elkaar:

    • Natuur dichterbij mensen;

    • Economie en natuur meer verbinden;

    • Mens en landschap verbinden en afspraken maken over beheer.

10%

1 thema: 30 punten

2 thema’s:70 punten

3 thema’s:100 punten 

  • e.

    Gevraagde subsidie ten opzichte van de bijdragen van alle projectpartners.

10%

Eigen bijdrage:

Minder dan 10%: 0 punten

10% tot 25%: 20 punten

25% tot 50%: 50 punten

Meer dan 50%: 100 punten

Totale score= score voor a+b+c+d+e

 

 

Toelichting wegingscriteria:

  • a.

    Door maatregelen te richten op gevarieerde condities, profiteren meerdere soorten tegelijk en worden middelen efficiënt ingezet. Het effect hiervan wordt groter als zo veel mogelijk leefgebieden van een soort profiteren van de maatregelen. Het aantal leefgebieden varieert per soort. De leefgebieden van aandachtsoorten worden op kaart gezet door de soortenorganisaties. Bij de scoring wordt gekeken naar op welk aandeel van het leefgebied van een bepaalde soort het project voorziet. Voor soorten die maar op 1 plek voorkomen is dat al snel 100% terwijl dit voor soorten die verspreid over de provincie voorkomen een eerder een lager % is. Wij waarderen projecten hoger die voor veel leefgebieden van een soort condities op orde maken, bijvoorbeeld voor alle leefgebieden van bepaald amfibie of insect.

     

  • b.

    Als het projectvoorstel van goede kwaliteit is zijn de maatregelen effectiever en efficiënter. We vinden het belangrijk dat duidelijk is waarom een bepaalde maatregel effectief is (zowel in opbrengst voor de soort als qua kosten).

     

  • c.

    Sommige soorten zijn zeer kwetsbaar omdat ze zeer weinig voorkomen. De kans dat ze verdwijnen is groot. Daarom hecht de provincie waarde aan de bescherming van deze specifieke soorten. Ook projecten die voor veel aandachtsoorten de condities op orde brengen scoren we hoog.

     

  • d.

    We stellen binnen het natuurbeleid de betekenis voor mensen meer centraal en verleggen het accent van eenzijdige bescherming van natuur naar beleven, benutten en beschermen van natuur. Als het project ook werkt aan de andere thema’s uit het Koersdocument is het effect groter. Koersdocument Natuur voor elkaar is te vinden op Koersdocument staat: https://www.overijssel.nl/thema%27s/natuur-en-landschap/natuur-elkaar/.

     

  • e.

    De provincie waardeert inzet en inbreng van mensen en partijen bij het verbeteren van de condities. Voorstellen waarbij andere partners bijdragen krijgen meer punten. Inzet van vrijwilligers kan hierbij een vorm van een bijdrage zijn.

Artikel 4.5.2.7 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op artikelen 1.4.1, 1.4.3, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht monitoring uit te voeren naar de resultaten van het project voor de plant- of diersoorten en deze resultaten gelabeld in te voeren in een een - voor de betreffende aanvrager - vrij beschikbare applicatie. De gegevens moeten in de Nationale Databank Flora en Fauna komen. In de beschikking wordt aangegeven hoe dit werkt.

Toelichting: Met behulp van deze monitoring worden de effecten van de genomen maatregelen aan de provincie gerapporteerd.

Subparagraaf 4.5.3 Kennis en onderzoek aandachtsoorten

Artikel 4.5.3.1 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de volgende activiteiten die bijdragen aan het verbeteren van de condities voor soorten zoals opgenomen in de Aandachtsoortenlijst:

  • a.

    onderzoek gericht op de vraag welke maatregelen, waar in Overijssel genomen kunnen worden om de condities voor soorten zoals opgenomen in de Aandachtsoortenlijst te verbeteren;

    Toelichting: Hierbij kan gedacht worden aan de volgende soorten: bruine vuurvlinder, gentiaanblauwtje, iepenpage, das, hermelijn, baardvleermuis, Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis. Dit is een indicatieve opsomming; in het projectplan moet gemotiveerd worden waarom voor een bepaalde soort onderzoek nodig is.

  • b.

    het verspreiden van kennis onder terrein beherende organisaties of organisaties die zich bezig houden met het beheer van soorten.

Artikel 4.5.3.2 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 4.5.3.1 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is geen gemeente of waterschap;

  • b.

    de activiteiten worden uitgevoerd door een ter zake deskundige waarvan de ervaring wordt aangetoond aan de hand van ten minste twee referentieprojecten.

Artikel 4.5.3.3 Grondslag subsidie

De subsidie als bedoeld in artikel 4.5.3.1 bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 50.000,- per aanvraag.

Artikel 4.5.3.4 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Kennis en onderzoek aandachtsoorten.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.1.2 tweede lid overlegt de aanvrager een projectplan waarin is beschreven op welke wijze kennisdeling danwel het onderzoek wordt uitgevoerd.

Artikel 4.5.3.5 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op artikelen 1.4.1, 1.4.3, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht de resultaten van de activiteiten te delen indien daarom wordt gevraagd.

 

Paragraaf 4.6 Instandhouding gescheperde schaapskuddes Overijssel

Algemene toelichting

Vanuit het oogpunt van natuurbeheer, recreatie en toerisme en de instandhouding van cultuurhistorisch erfgoed willen Gedeputeerde Staten bijdragen aan de instandhouding van gescheperde schaapskuddes in Overijssel.

Artikel 4.6.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • -

    gescheperde schaapskudde: een rondtrekkende schaapskudde die wordt gehoed door een herder en wordt begeleid door één of meerdere honden;

  • -

    schaapskudde: een groep van ten minste 100 ooien;

  • -

    ooi: vrouwelijk schaap dat ten minste één keer heeft gelammerd of ten minste één jaar oud is.

Artikel 4.6.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de instandhouding van gescheperde schaapskuddes in Overijssel voor de periode 2018 t/m 2021.

Artikel 4.6.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 4.6.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is eigenaar of vraagt de subsidie aan namens de eigenaar van een schaapskudde in Overijssel;

  • b.

    de aanvraag heeft betrekking op een gescheperde schaapskudde die minimaal vijf jaren bestaat;

  • c.

    de gescheperde schaapskudde wordt ingezet in, in ieder geval één van de volgende gebieden:

    • i.

      Vecht en Beneden Regge (Lemelerberg);

    • ii.

      Sallandse Heuvelrug;

    • iii.

      Buurserzand-Haakbergerveen;

    • iv.

      Bergvennen;

    • v.

      Wierdense Veld;

    • vi.

      Springendal - Dal van de Mosbeek;

    • vii.

      De Borkeld;

  • d.

    de eigenaar van de schaapskudde heeft een overeenkomst gesloten met ten minste een van de volgende terrein beherende organisaties: Landschap Overijssel, Staatsbosbeheer of  Natuurmonumenten, waaruit blijkt dat sprake is van een begrazingsplan gedurende de periode 2018 t/m 2021;

  • e.

    de subsidie voldoet aan de de-minimisverordening of artikel 53 AGVV.

Artikel 4.6.4 Grondslag subsidie

De subsidie bedraagt een vast bedrag van maximaal € 30.000,- per jaar per schaapskudde met een maximum subsidie van € 120.000,- per aanvraag.

Artikel 4.6.5 Begrotingsvoorbehoud

Gedeputeerde Staten verlenen de subsidie voor een periode van vier achtereenvolgende jaren, onder voorbehoud van goedkeuring van de begroting voor 2019, 2020 en 2021.

Artikel 4.6.6 Subsidiabele kosten

  • 1.

    De subsidie bedraagt een forfaitait vastgesteld tarief van € 30.000,- per jaar per aanvrager.

  • 2.

    Artikel 1.1.5 en artikel 1.1.6 zijn niet van toepassing.

Artikel 4.6.7 Indieningstermijn aanvraag tot subsidieverlening

In afwijking van artikel 1.2.2 geldt dat een aanvraag voor subsidie ontvangen moet zijn uiterlijk op 1 oktober 2018 vóór 17.00 uur.

Artikel 4.6.8 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Instandhouding gescheperde schaapskuddes Overijssel.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager de in artikel 4.6.3 sub c, bedoelde overeenkomst.

  • 3.

    In afwijking van artikel 1.2.1 tweede lid is de aanvrager niet verplicht een begroting en dekkingsplan te overleggen.

Artikel 4.6.9 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen in 2018 een subsidieplafond vast.

Artikel 4.6.10 Volgorde van behandeling

Indien met de ingediende volledige aanvragen het subsidieplafond wordt overschreden, dan krijgt een aanvraag voor traditionele gescheperde schaapkuddes, zijnde schaapskuddes die minimaal vijf jaar of langer bestaan, prioriteit.

Artikel 4.6.11 Bevoorschotting

In afwijking van artikel 1.3.2 verstrekken Gedeputeerde Staten de aanvrager jaarlijks een voorschot van maximaal € 30.000,-.

Artikel 4.6.12 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.3, 1.4.5 en 1.4.6 voldoet de subsdieontvanger aan de volgende verplichtingen:

  • a.

    de schaapskudde wordt gedurende ten minste 200 dagen per jaar gehoed door een herder, met gebruik van één of meer honden, gedurende ten minste vijf uren per dag. Dit met uitzondering van perioden van de lammertijd en extreme omstandigheden. Afwijking van dit punt door andere omstandigheden dan de lammertijd en extreme omstandigheden, dient u te motiveren in de subsidieaanvraag;

  • b.

    de subsidieontvanger organiseert jaarlijks minimaal twee publieksactiviteiten.

Hoofdstuk 5 Mobiliteit

Paragraaf 5.1 Mobiliteit Overijssel

 

Algemene toelichting

Het Rijk, de provincie en de gemeenten beschikken over eigen financiële middelen om maatregelen te realiseren die bijdragen aan mobiliteitsdoelen. De provincie Overijssel beschikt over eigen middelen voor mobiliteit en ontvangt daarnaast ook de Decentralisatie Uitkering Verkeer & Vervoer. Deze gelden zijn bestemd voor projecten die bijdragen aan de bereikbaarheid, verkeersveiligheid en leefbaarheid in het gebied.

 

Binnen de gezamenlijke regionale mobiliteitsaanpak Overijssel stelt de provincie koersdocumenten en beleidsimpulsen op. Nadat de koers of impuls is bepaald worden deze lijnen verder uitgewerkt met partners en organisaties die ook willen en kunnen bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen in gezamenlijke inhoudelijke meerjarenprogramma’s van provincie en gemeenten. Deze programma’s worden gevuld met mogelijke projecten voor de komende jaren.

Jaarlijks wordt op basis van de koersdocumenten, beleidsimpulsen en de inhoudelijke programma’s een bestedingsplan opgesteld door de provincie en gemeenten waarna Gedeputeerde Staten dit bestedingsplan uiteindelijk vaststelt. In het plan staat op hoofdlijnen aan welke beleidsprioriteiten, thema’s en projecten mobiliteitsgeld bij voorkeur besteed gaat worden in het erop volgende jaar. Ook worden hierin totaalbedragen genoemd die, op basis van de inhoud uit de koersdocumenten en meerjarenprogramma’s beschikbaar kunnen komen en daarmee richting geven voor het vervolgproces. Uitgangspunt is dat de provincie in gezamenlijkheid met de gemeenten tot een bestedingsplan komt.

Het bestedingsplan geeft inhoudelijk richting voor het aanmelden van projecten bij de provincie. De provincie informeert de gemeenten op welke wijze en voor welke datum de projecten aangemeld kunnen worden. In afzonderlijke gesprekken tussen ambtelijke vertegenwoordigers van aanmeldende partijen en de coördinatoren van de provincie worden de projectideeën besproken. Op basis van deze aanmeldingen wordt jaarlijks in onderling overleg het Uitvoeringsprogramma Mobiliteit (UVP) opgesteld. Hierin zijn de projecten opgenomen die in het daarop volgende jaar voor een financiële bijdrage in aanmerking kunnen komen. De prioritering van aangemelde projecten binnen de themabudgetten uit het bestedingsplan wordt gedaan op basis van criteria die voortvloeien uit de koersdocumenten en programma’s. Tussen de provincie en gemeenten zijn er diverse momenten waarop aanpassingen en prioritering besproken worden om te komen tot het concept UVP dat vervolgens via de reguliere overleggen mobiliteit met regionaal advies wordt voorgelegd aan Gedeputeerde Staten ter vaststelling.

 

Na vaststelling van het Uitvoeringsprogramma, kunnen gemeenten hun definitieve subsidieaanvraag indienen bij de provincie. De subsidieaanvraag bevat een projectplan en een begroting. Wat kwalificeert als subsidiabele kosten is opgenomen in artikel 1.1.5 en artikel 1.1.6. De subsidie bedraagt maximaal het bedrag zoals opgenomen in het Uitvoeringsprogramma.

Artikel 5.1.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • uitvoeringsprogramma: het door Gedeputeerde Staten jaarlijks vast te stellen uitvoeringsprogramma Mobiliteit Overijssel waarin is opgenomen:

    • a.

      een lijst van projecten per beleidsthema;

    • b.

      de subsidieprogramma’s per gemeente;

    • c.

      een doorkijktabel waarin per beleidsthema een lijst van projecten is opgenomen;

      toelichting: Het uitvoeringsprogramma is ter advies voorgelegd aan de regionale overleggen mobiliteit.

  • regionale overleggen mobiliteit: het bestuurlijk vervoerberaad in West Overijssel en het portefeuillehoudersoverleg Mobiliteit Twente.

Artikel 5.1.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de voorbereiding en uitvoering van projecten, niet zijnde projecten uit de doorkijktabel, en subsidieprogramma’s die opgenomen zijn in het uitvoeringsprogramma.

Artikel 5.1.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is een Overijsselse gemeente;

  • b.

    het eigen aandeel als bedoeld in artikel 5.1.4 eerste lid is toegekend aan het betreffende project, blijkend uit een B&W besluit of een raadsbesluit.

Artikel 5.1.4 Grondslag subsidie

  • 1.

    De subsidie bedraagt maximaal 75% van het eigen aandeel in de subsidiabele kosten met een maximum subsidie ter hoogte van het bedrag als opgenomen in het Uitvoeringprogramma.

    Toelichting: Met eigen aandeel wordt bedoeld: het deel van de subsidiabele kosten wat niet gedekt is door opbrengsten of bijdragen van andere partijen. De aanvrager zal voor een project in het uitvoeringsprogramma ook altijd zelf bijdragen aan de totale subsidiabele kosten. Ter illustratie: Als de totale subsidiabele kosten € 500.000,– bedragen, waarvan € 200.000,– al gedekt is door een Rijksbijdrage, dan is het eigen aandeel van de aanvrager € 300.000,–. De subsidie bedraagt dan maximaal 75% van € 300.000,–.

  • 2.

    Maximaal 15% van de subsidiabele kosten bestaat uit kosten voor voorbereiding, administratie en toezicht.

Artikel 5.1.5 Subsidiabele kosten

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.1.6 derde lid, zijn kosten subsidiabel vanaf het moment dat het project of subsidieprogramma is aangemeld bij de provincie ten behoeve van het Uitvoeringsprogramma.

    Toelichting: In de artikelen 1.1.5 en 1.1.6 zijn de subsidiabele en niet subsidiabele kosten opgenomen. Voorbereiding en uitvoeringskosten zijn subsidiabel vanaf het moment dat een project is aangemeld bij de provincie om opgenomen te kunnen worden in het Uitvoeringsprogramma of de daarbijbehorende doorkijktabel..

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.1.6 vierde lid zijn gemeentelijke apparaatkosten wel subsidiabel, mits het gaat om de kosten voor voorbereiding, administratie en toezicht van infrastructurele projecten.

Artikel 5.1.6 Indieningstermijn aanvraag

In afwijking van artikel 1.1.2 moet de subsidieaanvraag uiterlijk 1 mei van het betreffende kalenderjaar ontvangen zijn, met uitzondering van aanvragen die worden ingediend voor de in het uitvoeringsprogramma genoemde reserve projecten, deze moeten uiterlijk 1 december van het betreffende kalenderjaar ontvangen zijn.

Artikel 5.1.7 Aanvullende stukken bij de aanvraag om subsidie

  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Mobiliteit Overijssel.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een projectplan.

Artikel 5.1.8 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht

  • a.

    met de uitvoering van de activiteiten te starten binnen twaalf maanden na datum van de subsidieverlening;

    Toelichting: Met starten met de activiteit wordt bedoeld dat er een onomkeerbare verplichting is aangegaan.

  • b.

    mee te werken aan een eventuele evaluatie van de provincie.

Artikel 5.1.9 Vaststelling subsidie vanaf € 25.000 tot € 125.000

In afwijking van artikel 1.5.2 derde lid, wordt een subsidie vanaf € 25.000,- tot € 125.000,- vastgesteld op de werkelijk gemaakte kosten. Voor de verantwoording van de kosten wordt een bestuursverklaring als bedoeld in artikel 1.4.2 overlegd.

Toelichting: Voor de vaststelling van de subsidie geldt artikel 1.5.2. Een afwijking van artikel 1.5.2 is nodig, omdat het om projecten gaat waarbij de kosten vooraf moeilijk kunnen worden ingeschat. Het toepassen van een bestuursverklaring als bedoeld in artikel 1.4.2 is dan geëigend.

Artikel 5.1.10 Vaststelling subsidie van € 125.000 of meer

In aanvulling op artikel 1.5.3 tweede lid overlegt de aanvrager een accountantsverklaring conform het controleprotocol.

 

Paragraaf 5.2 Nieuwe mobiliteit Overijssel

Artikel 5.2.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • HOV-net: buslijnen die deel uitmaken van het Hoogwaardig Openbaar Vervoersysteem (HOV) in Twente zijnde de gemeenten Almelo, Borne, Dinkelland, Enschede, Haaksbergen, Hellendoorn, Hengelo, Hof van Twente, Losser, Oldenzaal, Rijssen-Holten, Tubbergen, Twenterand, Wierden;

  • kernnet: de volgende buslijnen in Overijssel:141 Emmeloord-Kampen, 71 Emmeloord-Zwolle, 29 en 83 Dedemsvaart-Zwolle, 165 Deventer-Raalte, en de volgende treinlijnen: Zwolle-Kampen, Zwolle-Emmen, Zwolle-Enschede, Zwolle-Meppel, Zwolle-Deventer, Zwolle-Kampen Zuid/Dronten, Deventer-Holten;

  • laag frequent: een dienstregeling van het openbaar vervoer waarbij de frequentie op één keer per uur of lager ligt;

  • nieuwe mobiliteit: het realiseren van nieuwe vormen van lokaal personenvervoer daar waar collectieve systemen zoals openbaar vervoer niet of laag frequent rijden en waarbij uit de marktanalyse is gebleken dat de markt geen optimale oplossing tot stand kan brengen;

  • West Overijssel: de gemeenten Dalfsen, Deventer, Kampen, Olst-Wijhe, Ommen, Hardenberg, Raalte, Staphorst, Steenwijkerland, Zwartewaterland en Zwolle.

Artikel 5.2.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het realiseren van nieuwe mobiliteit in Overijssel.

Artikel 5.2.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.2.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is een rechtspersoon;

  • b.

    de aanvraag heeft betrekking op een businesscase waaruit blijkt dat de nieuwe mobiliteit na de subsidieperiode van maximaal twee jaar op hetzelfde niveau kan worden voortgezet;

  • c.

    ten minste twee van de volgende partijen hebben een verantwoordelijkheid in de uitvoering: inwoners, gemeente, bedrijven of een lokale vereniging of stichting;

  • d.

    de deelnemende partijen leveren een substantiële bijdrage in de vorm van inzet van eigen uren, financieel of materiaal;

  • e.

    het vervoer:

    • i

      is gericht op het ontsluiten van kernen of wijken buiten het directe invloedsgebied van het kernnet in West Overijssel of het HOV-net in Twente;

    • ii

      concurreert niet met het kernnet in West Overijssel of het HOV-net in Twente;

    • iii

      betreft niet uitsluitend een alternatief voor doelgroepenvervoer of instellingenvervoer, tenzij er sprake is van verbreding van de doelgroep;

    • iv

      heeft vervoerkundig voldoende toegevoegde waarde.

  • f.

    indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan de de-minimisverordening;

  • g.

    de aanvraag is vooraf afgestemd met de provinciale beleidsmedewerker nieuwe mobiliteit.

Artikel 5.2.4 Grondslag subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten.

Artikel 5.2.5 Subsidiabele kosten

Uitsluitend kosten van derden zoals bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel.

Toelichting: Indien sprake is van aanschaf van machines of apparatuur zijn deze kosten eveneens kosten van derden.

Artikel 5.2.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Nieuwe mobiliteit.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager:

    • a.

      een businesscase waarin ten minste is opgenomen een beschrijving van de nieuwe mobiliteit, het verwachte aantal reizigers, de vervoerskundige toegevoegde waarde, de doelgroep, een markt- en concurrentieanalyse, de benodigde investeringen, een analyse van de juridische financiële en organisatorische risico's en de eventuele beheersing en aansprakelijkheid ervan, een kosten-batenanalyse en een verdienmodel;

    • b.

      een offerte ter onderbouwing van de subsidiabele kosten.

Paragraaf 5.3 Kennis en ondersteuning Nieuwe Mobiliteit Overijssel

 

Algemene toelichting

Gedeputeerde Staten willen initiatiefnemers ondersteunen om een businesscase op te stellen voor het realiseren van Nieuwe Mobiliteit in Overijssel.

Artikel 5.3.1. Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    een businesscase: een uitwerking van een plan voor Nieuwe Mobiliteit waarin ten minste is opgenomen een beschrijving van de Nieuwe Mobiliteit, het verwachte aantal reizigers, de vervoerskundige toegevoegde waarde, de doelgroep, een markt- en concurrentieanalyse, de benodigde investeringen, een analyse van de juridische financiële en organisatorische risico's en de eventuele beheersing en aansprakelijkheid ervan, een kosten-batenanalyse en een verdienmodel;

  • b.

    HOV-net: buslijnen die deel uitmaken van het Hoogwaardig Openbaar Vervoersysteem (HOV) in Twente zijnde de gemeenten Almelo, Borne, Dinkelland, Enschede, Haaksbergen, Hellendoorn, Hengelo, Hof van Twente, Losser, Oldenzaal, Rijssen-Holten, Tubbergen, Twenterand, Wierden;

  • c.

    kernnet: de volgende buslijnen in Overijssel:141 Emmeloord-Kampen, 71 Emmeloord-Zwolle, 29 en 83 Dedemsvaart-Zwolle, 165 Deventer-Raalte, en de volgende treinlijnen: Zwolle-Kampen, Zwolle-Emmen, Zwolle-Enschede, Zwolle-Meppel, Zwolle-Deventer, Zwolle-Kampen Zuid/Dronten, Deventer-Holten;

  • d.

    Nieuwe Mobiliteit: het realiseren van nieuwe vormen van lokaal personenvervoer daar waar collectieve systemen zoals openbaar vervoer niet of laag frequent rijden en uit de marktanalyse blijkt dat de markt geen optimale oplossing tot stand kan brengen.

Artikel 5.3.2. Subsidiabele activiteit

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor kennis en ondersteuning bij het opstellen van een businesscase ten behoeve van het realiseren van Nieuwe Mobiliteit in Overijssel.

Artikel 5.3.3. Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.3.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager heeft een plan voor Nieuwe Mobiliteit in Overijssel en heeft daar ondersteuning bij nodig;

  • b.

    de ondersteuning wordt gegeven door een deskundige die aantoonbaar ervaring heeft op het gebied van het opstellen van een businesscase of op het gebied van mobiliteit;

Toelichting: De ervaring van de deskundige kan aangetoond worden door bijvoorbeeld te verwijzen naar referentieprojecten.

 

  • c.

    de ondersteuning moet bijdragen aan het opstellen van een kwalitatief volwaardige businesscase en richt zich op ten minste een van de volgende onderwerpen:

    • i.

      beschrijving van de Nieuwe Mobiliteit;

    • ii.

      onderzoek naar het verwachte aantal reizigers;

    • iii.

      onderzoek naar de vervoerskundige toegevoegde waarde;

    • iv.

      onderzoek van de doelgroep;

    • v.

      een markt- en concurrentieanalyse;

    • vi.

      onderzoek naar de benodigde investeringen;

    • vii.

      een analyse van de juridische financiële en organisatorische risico's en de eventuele beheersing en aansprakelijkheid ervan;

    • viii.

      een kosten-batenanalyse; of

    • ix.

      een verdienmodel;

  • d.

    het plan heeft betrekking op lokaal personenvervoer dat:

    • x.

      gericht is op het ontsluiten van kernen of wijken buiten het directe invloedsgebied van het kernnet of HOV-net;

    • xi.

      niet concurreert met het kernnet of het HOV-net;

    • xii.

      niet uitsluitend een alternatief voor doelgroepenvervoer of instellingenvervoer betreft, tenzij er sprake is van verbreding van de doelgroep; en

    • xiii.

      vervoerkundig voldoende toegevoegde waarde heeft.

  • e.

    indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan de-minimisverordening.

Artikel 5.3.4. Subsidiabel kosten

Uitsluitend kosten van derden als bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel.

Artikel 5.3.5. Grondslag subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 5.000,- per aanvraag.

Artikel 5.3.6. Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Kennis en ondersteuning Nieuwe Mobiliteit Overijssel.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.2.1 tweede lid, overlegt de aanvrager een door de opdrachtnemer en subsidieaanvrager ondertekende offerte, op het moment van de aanvraag niet ouder dan zes maanden, waaruit de omschrijving van de kennis en ondersteuning én de periode waarin de ondersteuning gegeven wordt, blijkt.

    Toelichting: Ondertekend betekent dat een offerte is voorzien van een handtekening.

Artikel 5.3.7. Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie als de aanvraag betrekking heeft op een plan waarvoor al subsidie is verstrekt op grond van deze paragraaf.

Artikel 5.3.8. Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht de activiteiten uiterlijk twaalf maanden na subsidieverlening te hebben uitgevoerd.

Paragraaf 5.4 Inzet vrijwilligers bij buurtbussen in Overijssel

 

Algemene toelichting

Vrijwilligers maken het mogelijk dat er in Overijssel buurtbussen rijden. Dit is erg belangrijk omdat zo kleine kernen bereikbaar blijven. Gedeputeerde Staten waarderen de inzet van vrijwilligers bij buurtbussen en stellen hiervoor subsidie beschikbaar. De subsidie kan aangevraagd worden door de buurtbusvereniging voor twee jaar (2018 en 2019) en daarna in 2020 voor vier jaar (2020 t/m 2023).

Artikel 5.4.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • -

    buurtbus: vorm van openbaar vervoer, waarmee dunbevolkte gebieden of wijken volgens vaste route en dienstregeling verbonden worden;

  • -

    buurtbuslijn: een lijn met vaste route en dienstregeling die door de concessiehouder is vastgesteld;

  • -

    buurtbusvereniging: een door Gedeputeerde Staten aangewezen vereniging die een buurtbus exploiteert;

  • -

    lustrum: periode van vijf jaar in het bestaan van de buurtbusvereniging.

Artikel 5.4.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen een subsidie verstrekken voor de activiteiten in 2018 en 2019 van vrijwilligers in het kader van de buurtbus in Overijssel.

Artikel 5.4.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie voldoet aan het criterium dat de aanvrager van de subsidie een in tabel 1 opgenomen buurtbusvereniging is.

 

Toelichting: Alle buurtbusverenigingen in Overijssel zijn opgenomen in tabel 1.

Artikel 5.4.4 Grondslag subsidie

De subsidie bedraagt:

  • a.

    een forfaitair vastgesteld tarief van € 7.500,- per buurtbuslijn per jaar;

  • b.

    € 500,- per buurtbusvereniging indien sprake is van een lustrum;

     

    Toelichting: Voor deze subsidieparagraaf geldt een forfaitair vastgesteld subsidiebedrag. Dit betekent dat er geen begroting of een dekkingsplan ingediend hoeft te worden. Ook zijn artikel 1.1.5 en artikel 1.1.6 niet van toepassing.

Artikel 5.4.5 Subsidiabele kosten

Artikel 1.1.5 en artikel 1.1.6 zijn niet van toepassing.

Artikel 5.4.6 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 5.4.7 Indieningstermijn aanvraag voor subsidie

In afwijking van artikel 1.2.2 kan een aanvraag voor de subsidie:

  • 1.

    voor 2018 en 2019 ingediend worden vanaf 1 januari 2018 en moet zijn ontvangen uiterlijk op 1 juli 2018;

  • 2.

    voor 2020 t/m 2023 ingediend worden vanaf 1 januari 2020 en moet zijn ontvangen uiterlijk op 1 juli 2020.

Artikel 5.4.8 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Inzet vrijwilligers bij buurtbussen in Overijssel.

Artikel 5.4.9 Verplichtingen subsidieontvanger

Vervallen.

 

Tabel 1 Door Gedeputeerde Staten aangewezen Buurtbusverenigingen Overijssel

 

BUURTBUSVERENIGING

ROUTE

BUURTBUSLIJN

Twente

 

 

BBV Aaldrinkshoek-Almelo

Station Almelo - Aalderinkshoek

525

BBV Boekelo

Enschede - Boekelo

506

BBV Borne

Bornsche Maten/Stroom Esch/Letterveld

530/531/532

BBV Buurse-Haaksbergen

Haaksbergen - Buurse

595

BBV De Lutte

Oldenzaal - De Lutte

593

BBV Denekamp-Ootmarsum

Ootmarsum - Denekamp

596

BBV Enschede-Zuid

Stadsdeelkantoor Zuid - Winkelcentrum Stroinkslanden

508

BBV Hellendoorn

Den Ham - Nijverdal

594

 

Nijverdal - Raalte

513

BBV Hogeland-Enschede

Station Enschede - Hogeland

505

BBV Weerselo

Weerselo - Borne

Rossum - Ootmarsum

592

599

BBV Tubbergen

Tubbergen - Bruinehaar

591

 

 

 

West-Overijssel

 

 

BBV Heino

Zwolle - Heino

503

BBV Wijhe-Raalte

Wijhe - Raalte

563

BBV Lettele-Okkenbroek

Deventer - Nieuw Heeten

590

BBV Vechtdal

Dalfsen - Nieuwleusen

591

BBV IJhorst

De Wijk - Meppel

592

BBV Beerzerveld e.o

Beerzerveld - Hardenberg

597

BBV Bruchterveld-Ebbenbroek

Bruchterveld - Hardenberg

598

BBV De Krim-Gramsbergen

Hardenberg - De Krim

599

BBV Wilsum-Zalk

Wilsum - Zalk

506

BBV Vilsteren

Dalfsen - Ommen

568

BBV Salland

Olst - Raalte

Heeten - Deventer

516

517

Hoofdstuk 6 Regionale economie

Paragraaf 6.1 Kennisondersteuning agro&food in Overijssel

 

Algemene toelichting

Het doel van deze subsidieregeling is om innovaties in de agro&foodsector te stimuleren door middel van de inzet van kennis. De innovaties dragen bij aan verduurzaming en versterking van de Overijsselse agro&food sector zoals omschreven in het Uitvoeringsprogramma agro&food in Overijssel 2016-2019.

Artikel 6.1.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • agro&food sector: alle ondernemingen of organisaties in de voedselketen, inclusief de voor de voedingsmiddelen bestemde logistiek, handel, financiële dienstverlening en onderzoek en ontwikkeling, waarbij de afbakening van de bedrijven in de agro&food sector is gebaseerd op de Monitor topsectoren, Methodebeschrijving en tabellenset van het CBS;

    toelichting: In de agro&food draait het om de voedselketen. De kern van de agro&food bestaat uit de primaire productie van (grondstoffen voor) levensmiddelen en de verwerking hiervan in de voedingsmiddelenindustrie. In de agro&food sector staan de plantaardige en dierlijke economische ketens centraal. Deze ketens hebben verschillende schakels zoals de toeleverende industrie, uitgangsmateriaal, primaire productie, veterinaire dienstverlening, verwerkende (levensmiddelen)industrie, veilingen, handel en retail.

  • gezamenlijke activiteit: samenwerking tussen ten minste twee onderling onafhankelijke ondernemingen en organisaties, waarvan ten minste één uit de Agro&Food sector, met dezelfde kennisvraag;

    toelichting: Ondernemingen of organisaties die met elkaar in een concern zitten of een holding constructie hebben kunnen niet worden aangemerkt als zijnde onderling onafhankelijk.

  • innovatie: een nieuw product, techniek, dienst of proces dat bijdraagt aan versterking en verduurzaming van de agro&food sector;

  • investeringsvoorstel uitvoeringsprogramma agro&food in Overijssel 2016-2019: uitvoeringsprogramma, zoals vastgesteld door Provinciale Staten op 28 september 2016 met kenmerk PS/2016/508;

  • kennisvraag: een vraag naar kennis of onderzoek gericht op een innovatie;

  • onderneming: een natuurlijk persoon, een privaatrechtelijke persoon, vennootschap of eenmanszaak die gericht is op het maken van winst;

  • organisatie: het geheel van productiefactoren, procedures en mensen die samenwerken om bepaalde doelstellingen te bereiken.

Artikel 6.1.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken ten behoeve van een kennisvraag gericht op versterking en verduurzaming van de Overijsselse agro&food sector.

Artikel 6.1.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 6.1.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is een organisatie of een onderneming uit de agro&food sector, met een vestiging in Overijssel of de economische regio Zwolle;

    toelichting: De economische regio Zwolle is een samenwerkingsverband van de volgende 19 gemeenten: Dalfsen, Ommen, Hardenberg, Raalte, Olst-Wijhe, Hattem, Oldebroek, Heerde, Kampen, Dronten, Noordoostpolder, Zwartewaterland, Steenwijkerland, Meppel, Staphorst, Urk, Westerveld, De Wolden en Zwolle.

  • b.

    de activiteit is nieuw voor de agro&food sector en risicodragend voor de aanvrager;

  • c.

    de activiteit draagt bij aan de ambities voor verduurzaming en innovatie in de agro&food sector zoals omschreven in het investeringsvoorstel uitvoeringsprogramma agro&food in Overijssel 2016 – 2019;

  • d.

    indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het  VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan artikel 2 van de de-minimisverordening.

Artikel 6.1.4 Grondslag subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 6.500,– per aanvrager en een maximum van € 19.500,– per gezamenlijke activiteit.

Artikel 6.1.5 Subsidiabele kosten

Uitsluitend kosten van derden zoals bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel.

Toelichting: De subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 1.1.5 eerste en tweede lid zijn hiermee uitgesloten.

Artikel 6.1.6 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 6.1.7 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Kennisondersteuning agro&food in Overijssel.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een door de aanvrager en een kennisinstelling ondertekende offerte waaruit de hoogte van de subsidiabele kosten blijkt.

    Toelichting: Ondertekend betekent dat een offerte is voorzien van een handtekening.

Artikel 6.1.8 Adviescommissie

Gedeputeerde Staten kunnen een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 6.1.2 ter advies voorleggen aan de adviescommissie agro&food die advies geeft over:

  • a.

    de innovatieve waarde en de kwaliteit van het project en

  • b.

    of het project bijdraagt aan de ambities voor verduurzaming en innovatie in de agro&food sector zoals omschreven in het Uitvoeringsprogramma agro&food in Overijssel 2016-2019.

Artikel 6.1.9 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien de subsidiabele kosten lager zijn dan € 2.500,–.

Artikel 6.1.10 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht binnen drie maanden na datum van de subsidieverlening te zijn gestart met de uitvoering van de subsidiabele activiteit en deze activiteit binnen twaalf maanden na datum van de subsidieverlening te hebben uitgevoerd.

 

Paragraaf 6.2 Innovatie agro&food in Overijssel

Artikel 6.2.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • agro&food sector: alle ondernemingen of organisaties in de voedselketen, inclusief de voor de voedingsmiddelen bestemde logistiek, handel, financiële dienstverlening en onderzoek en ontwikkeling, waarbij de afbakening van de bedrijven in de agro&food sector is gebaseerd op de Monitor topsectoren, Methodebeschrijving en tabellenset van het CBS;

    toelichting: In de agro&food draait het om de voedselketen. De kern van de agro&food bestaat uit de primaire productie van (grondstoffen voor) levensmiddelen en de verwerking hiervan in de voedingsmiddelenindustrie. In de agro&food sector staan de plantaardige en dierlijke economische ketens centraal. Deze ketens hebben verschillende schakels zoals de toeleverende industrie, uitgangsmateriaal, primaire productie, veterinaire dienstverlening, verwerkende (levensmiddelen)industrie, veilingen, handel en retail.

  • garantie:overeenkomst tussen de Provincie en de bank betreffende de zekerheid tot aflossing van het krediet dat de aanvrager van de garantie, ten aanzien van het innovatieproject van de bank ontvangt;

  • geldbedrag: subsidie in de vorm van een geldbedrag dat, voor het bedrag waarvoor het is vastgesteld, niet behoeft te worden terugbetaald;

  • geldlening: subsidie in de vorm van een lening van geld waarbij rente, tegen niet-marktconforme voorwaarden, over de af te lossen som moet worden betaald aan de provincie;

  • innovatieproject: een project waarin de ‘proof of concept' van een nieuw product, techniek, dienst of proces wordt uitgeprobeerd in de praktijk om te kijken of het haalbaar en effectief is, waarbij het betreffende product, techniek, dienst of proces reeds is ontwikkeld en getest, maar nog moet worden bewezen op haalbaarheid en effectiviteit in de praktijk;

  • investeringsvoorstel uitvoeringsprogramma agro&food in Overijssel 2016-2019: uitvoeringsprogramma, zoals vastgesteld door Provinciale Staten op 28 september 2016 met kenmerk PS/2016/508;

  • mededeling-rentepercentages: mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (Pb. 2008, C14/6) of diens opvolger;

  • onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm, die een economische activiteit uitoefent;

  • subsidie: een geldbedrag, garantie of geldlening.

Artikel 6.2.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor een innovatieproject dat bijdraagt aan verduurzaming van de agro&food sector. De subsidie kan worden verstrekt voor:

  • a.

    onderzoek naar de haalbaarheid en effectiviteit van het nieuwe product, techniek, dienst of proces in de praktijk;

  • b.

    inhuur van deskundigen ten behoeve van de realisatie van een innovatieproject;

  • c.

    investeringen ten behoeve van de realisatie van een innovatieproject.

Artikel 6.2.3 Criteria

  • 1.

    Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 6.2.2 voldoet aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvrager is een organisatie of een onderneming uit de agro&food sector, fysiek gevestigd in Overijssel;

    • b.

      er is sprake van een samenwerking

      • i.

        tussen ten minste twee onderling onafhankelijke ondernemingen of organisaties; of

      • ii.

        tussen ten minste twee onderling onafhankelijke ondernemingen of organisaties die ten behoeve van de uitvoering van het innovatieproject een nieuwe onderneming met rechtspersoonlijkheid starten;

    • c.

      het innovatieproject draagt bij aan de ambities voor verduurzaming en innovatie in de agro&food sector zoals omschreven in het investeringsvoorstel uitvoeringsprogramma agro&food in Overijssel 2016-2019;

    • d.

      de haalbaarheid en slagingskans van het innovatieproject is aangetoond aan de hand van een businesscase;

    • e.

      indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107, eerste lid van het VWEU, dan moet:

      • i.

        in het geval de aanvrager een onderneming is die actief is in de primaire productie van landbouwproducten, de onderneming een MKB-onderneming zijn en moet worden voldaan aan de voorwaarden van artikel 5, 7, 8 en 14 van de Vrijstellingsverordening Landbouw;

      • ii.

        in het geval van andere ondernemingen worden voldaan aan de de-minimisverordening of de de-minimisverordening Visserij.

  • 2.

    Een geldlening of garantie kan worden verstrekt indien de terugverdientijd van het innovatieproject, naar het oordeel van de adviescommissie, drie jaar of minder bedraagt.

Artikel 6.2.4 Voorwaarde

Een geldlening wordt verstrekt onder de opschortende voorwaarde dat ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening een uitvoeringsovereenkomst is gesloten. Gedeputeerde Staten kunnen aan het verstrekken van de geldlening de voorwaarde verbinden dat de aanvrager zekerheden verschaft tot terugbetaling van de geldlening.

Artikel 6.2.5 Grondslag subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 40% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 400.000,- per aanvraag.

Toelichting: Bij het berekenen van de maximale subsidie worden, ingeval van een landbouwonderneming die actief is in de primaire productie van landbouwproducten, de artikelen  5, 7, 8 en 14 van de Vrijstellingsverordening Landbouw in acht genomen. Indien de aanvrager een andere onderneming is wordt de subsidie verstrekt met in achtneming van de de-minimisverordening of de de-minimisverordening Visserij (voor zover deze onderneming tot de visserij gerekend kan worden). Dit betekent onder andere dat de subsidie aan een onderneming in de visserij voor drie belastingjaren niet meer dan € 30.000,- mag bedragen en dat de subsidie aan andere ondernemingen dan hiervoor genoemd niet meer dan € 200.000,- mag bedragen. Indien sprake is van een samenwerkingverband met twee ondernemingen kan de subsidie van maximaal € 400.000,- alleen verstrekt worden voor zover beide ondernemingen de toegestane limit van de de-minimisverordening of de de-minimisverordening visserij nog niet hebben bereikt.

Artikel 6.2.6 Subsidiabele kosten

  • 1.

    Voor de subsidie als bedoeld in artikel 6.2.2 sub b geldt dat uitsluitend kosten van derden, zoals bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid subsidiabel zijn.

  • 2.

    Voor de subsidie als bedoeld in artikel 6.2.2 sub c geldt dat uitsluitend de volgende kosten van derden, zoals bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid, subsidiabel zijn:

    • a.

      kosten voor verwerving of verbetering van onroerende goederen;

    • b.

      de koop of huurkoop van machines en materieel.

Artikel 6.2.7 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Innovatie agro&food in Overijssel.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een businesscase die uit tenminste de volgende onderdelen bestaat:

    • a.

      een projectplan en een begroting;

    • b.

      een investerings- en dekkingsplan, inclusief berekening van de terugverdientijd;

    • c.

      een exploitatiebegroting voor de eerste vijf jaar;

    • d.

      een cashflowoverzicht voor ten minste de duur van het project of looptijd van de geldlening.

  • 3.

    In aanvulling op het eerste en tweede lid overlegt de aanvrager, indien deze een onderneming is de volgende stukken:

    • a.

      een de-minimisverklaring;

    • b.

      een MKB-verklaring;

    • c.

      een verklaring waaruit blijkt dat de aanvrager niet een onderneming in moeilijkheden, als bedoeld in artikel 1.1.1 betreft.

  • 4.

    In aanvulling op het eerste, tweede en derde lid overlegt de aanvrager, indien de adviescommissie als bedoeld in artikel 6.2.9 adviseert om een geldlening te verstrekken, de volgende stukken:

    • a.

      een ratingverklaring indien aanvrager een kredietverleden heeft of stukken die nodig zijn om de ratingcategorie als bedoeld in de Mededeling rentepercentages te kunnen bepalen;

      toelichting: Aan de hand van de stukken die nodig zijn om de ratingcategorie zoals bedoeld in de Mededeling-rentepercentages te kunnen bepalen, kunnen Gedeputeerde Staten een ratingcategorie vaststellen. Stukken die overgelegd moeten worden zijn onder meer een recente balans en een lijst met de zekerheden die gesteld worden ten behoeve van de door Gedeputeerde Staten te verstrekken subsidie. Wanneer de aanvrager een special-purpose-vehicle is, worden stukken overgelegd op basis waarvan de rating van de moederonderneming van de aanvrager kan worden vastgesteld. Wanneer een aanvrager zoals bedoeld in de vorige zin geen moedermaatschappij heeft, is het niet nodig deze stukken te overleggen.

    • b.

      de laatste drie vastgestelde jaarrekeningen, tenzij de aanvrager minder dan drie jaar geleden is opgericht, in welk geval het aantal jaarrekeningen gelijk is aan het aantal boekjaren dat is verstreken sinds de oprichting van aanvrager;

    • c.

      de laatste drie vastgestelde jaarrekeningen van de moedermaatschappij van de aanvrager, tenzij de moedermaatschappij minder dan drie jaar geleden is opgericht, in welk geval het aantal jaarrekeningen gelijk is aan het aantal boekjaren dat is verstreken sinds de oprichting van aanvrager, en tenzij de aanvrager geen moedermaatschappij heeft.

  • 5.

    In aanvulling op het eerste, tweede en derde lid overlegt de aanvrager, indien de adviescommissie als bedoeld in artikel 6.2.9 adviseert om een garantie te verstrekken, een door de bank geoffreerde kredietovereenkomst.

Artikel 6.2.8 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 6.2.9 Adviescommissie

Gedeputeerde Staten kunnen een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 6.2.2 ter advies voorleggen aan de adviescommissie agro&food, die advies geeft over:

  • a.

    de vraag of sprake is van innovatieproject;

  • b.

    de haalbaarheid en de slagingskans van de businesscase;

  • c.

    de berekening van de terugverdientijd;

  • d.

    de vraag welke vorm van subsidie: geldbedrag, garantie of geldlening geëigend is.

Artikel 6.2.10 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien:

  • a.

    de te verstrekken subsidie lager is dan € 60.000,–;

  • b.

    de aanvraag uitsluitend betrekking heeft op een onderzoek of inhuur deskundigheid;

  • c.

    de aanvrager een onderneming in moeilijkheden betreft, als bedoeld in artikel 1.1.1;

  • d.

    de subsidie betrekking heeft op een vervangingsinvestering;

  • e.

    de subsidie betrekking heeft op financiering van de oprichting en exploitatie van een distributienet in een ander land;

  • f.

    de totale subsidie voor de subsidiabele activiteit meer bedraagt dan 40% van de subsidiabele kosten.

Artikel 6.2.11 Verplichtingen subsidieontvanger

  • 1.

    In aanvulling op de artikelen 1.4.1 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht:

    • a.

      de activiteiten uiterlijk op 31 december 2021 te hebben uitgevoerd;

    • b.

      uiterlijk acht weken na het verlenen van de subsidie met de provincie Overijssel een uitvoeringsovereenkomst te sluiten ingeval van een geldlening of garantie;

    • c.

      ingeval van een garantie sluit de aanvrager uiterlijk acht weken na het verlenen van de subsidie, de door de bank geoffreerde kredietovereenkomst;

    • d.

      ingeval van een garantie betaalt de subsidieontvanger aan de Provincie Overijssel een jaarlijkse premie voor de verstrekte garantie;

    • e.

      ingeval van een door de bank ingeroepen garantie, betaalt de subsidieontvanger aan de provincie Overijssel het door de provincie aan de bank betaalde terug;

    • f.

      de subsidieontvanger doet onverwijld mededeling aan Gedeputeerde Staten indien de bank de garantie zal inroepen, dan wel in het geval verwacht kan worden dat de bank de garantie in zal roepen.

  • 2.

    De subsidieontvanger betaalt in geval van een subsidieverlening in de vorm van een geldlening in ieder geval jaarlijks het overeengekomen aflossingsbedrag en de verschuldigde rente met ingang van achttien maanden volgend op de datum van verlening van de subsidie aan Gedeputeerde Staten terug. De rente is verschuldigd vanaf aanvang van de geldlening over het totale uitstaande bedrag. Terzake van de aflossing en de verschuldigde rente wordt in de uitvoeringsovereenkomst een betalingsregime afgesproken en kunnen verplichtingen worden opgenomen ten aanzien van de kredietwaardigheid van de subsidieontvanger.

Artikel 6.2.12 Kenmerken van de uitvoeringsovereenkomst

  • 1.

    De hoogte van de geldlening per innovatieproject bedraagt maximaal de subsidiabele kosten.

  • 2.

    De looptijd van de geldlening bedraagt een bepaalde tijd doch maximaal 5 jaar.

  • 3.

    Ingeval van een geldlening wordt een nominale rente van minimaal 3% per jaar verleend. De te verlenen rente is afhankelijk van de geldende marktrente conform Mededeling rentepercentage en de ratingcategorie van de subsidieaanvrager.

  • 4.

    De rente is gedurende de looptijd van de geldlening vast. Gedeputeerde Staten kunnen boetevrije vervroegde aflossing van de geldlening toestaan.

  • 5.

    De geldlening wordt onderhands verstrekt.

  • 6.

    Ingeval van een garantie wordt de marktconforme premie van 6,5% gehanteerd.

    Toelichting: De gehanteerde 6.5 procent is marktconform, dit betekent dat er geen sprake is van staatssteun.

  • 7.

    De hoogte van de garantie wordt verminderd naar rato van de aflossingen die worden gedaan op de kredietovereenkomst waarvoor de garantie is verstrekt.

Artikel 6.2.13 Bevoorschotting

In afwijking van artikel 1.3.2 tweede lid verstrekken Gedeputeerde Staten in geval van een geldlening de aanvrager een voorschot van 100% van de verleende subsidie.

Toelichting: Gedeputeerde Staten betalen afhankelijk van de voortgang van het innovatieproject en liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger de subsidie in tranches uit.

Artikel 6.2.14 Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling

In afwijking van artikel 1.5.2 dan wel artikel 1.5.3 wordt een aanvraag tot vaststelling van een subsidie in geval van een geldlening of garantie ingediend uiterlijk 13 weken na de laatste aflossing van de geldlening of einde van de garantie.

Artikel 6.2.15 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidievaststelling

In aanvulling op 1.5.3 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag tot vaststelling een overzicht van de exploitatietekorten en de werkelijk gemaakte winst over de subsidieperiode.

Artikel 6.2.16 Vaststelling subsidie

In aanvulling op artikel 1.5.3 derde lid wordt de verleende subsidie lager vastgesteld indien de verleende subsidie hoger is dan wat nodig is om de exploitatietekorten plus een redelijke winst over de subsidieperiode te dekken.

Toelichting: In de subsidieverleningbeschikking wordt op basis van prognoses bepaald wat de redelijke winst is en welk percentage van de winst maximaal teruggevorderd wordt. Winst is volgens artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 'het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit een onderneming '. Het gaat om de opbrengsten minus kosten.

Paragraaf 6.3 Innovatiedriehoek

Ingetrokken

Paragraaf 6.4 Cofinanciering Operationeel Programma EFRO 2014-2020 Oost Nederland

 

Algemene toelichting

Gedeputeerde Staten kunnen op grond van deze paragraaf een aanvullende subsidie (provinciale middelen) verstrekken voor projecten die:

  • op grond van Operationeel Programma EFRO subsidie verkrijgen; én

  • een bijdrage leveren aan het Uitvoeringskader Kerntaak Regionale Economie 2012-2015 of het uitvoeringsprogramma Nieuwe Energie.

EFRO is het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling. Het operationeel programma (OP) EFRO Oost Nederland is een gezamenlijk subsidieprogramma van de provincies Overijssel en Gelderland en werkt aan structurele versterking van de economie in Gelderland en Overijssel.

Het doel van het OP is dat meer Oost-Nederlandse MKB-bedrijven meer omzet halen uit nieuwe producten. Daarom wordt het MKB direct ondersteund bij de productontwikkeling. Productvernieuwing is de basis voor behoud en vergroting van de concurrentiekracht en daarmee voor behoud van werkgelegenheid in Oost-Nederland. Oost Nederland zet de EFRO-middelen in op innovatiestimulering en koolstofarme economie.

 

Innovatiestimulering

Dit thema richt zich op innovatiestimulering in de sectoren Agro&Food, Health, Hightech Systemen en Materialen (HTSM) en op crossovers tussen deze sectoren en ICT, water, creatieve industrie, chemie en maakindustrie. Oost Nederland wil onderzoek versterken en technologische ontwikkelingen en innovatie bevorderen. De focus ligt op:

  • clustervorming en netwerken die leiden tot meer innovatiegerichte samenwerking tussen onderwijs, overheid en ondernemers (met name tussen MKB'ers onderling en MKB en kennisinstellingen);

  • bevordering van experimentele ontwikkeling van nieuwe producten, diensten, processen of toepassingen, inclusief het ontwikkelen en testen van prototypes, binnen het MKB.

Koolstofarme economie

Oost Nederland ondersteunt de overgang naar een koolstofarme economie in alle bedrijfstakken. Daarbij gaat het om zaken als minder Co2 uitstoot en een toenemend gebruik van hernieuwbare energie. Ook kunnen energiebronnen veel efficiënter worden ingezet. Dit thema richt zich op innovatiestimulering in de sector Energie- en Milieutechnologie inclusief biobased economy en crossovers. De focus ligt op:

  • clustervorming en netwerken gericht op innovatie en toepassing van CO2-arme technologieën die leiden tot meer innovatiegerichte samenwerking tussen onderwijs/onderzoek, overheid en ondernemers (met name tussen MKB'ers onderling en MKB en kennisinstellingen);

  • bevordering van experimentele ontwikkeling van nieuwe producten en product-marktcombinaties van koolstofarme technologieën, inclusief het ontwikkelen en testen van prototypes, binnen het MKB.

Het Operationeel Programma EFRO wordt uitgevoerd door de Managementautoriteit Oost-Nederland. Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland zijn aangewezen als Managementautoriteit Oost-Nederland: Managementautoriteit Oost-Nederland, Postbus 9090, 6800 GX Arnhem en www.op-oost.eu.

Artikel 6.4.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder EFRO: Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling.

Artikel 6.4.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten die subsidie ontvangen op basis van het Operationeel Programma 2014-2020 Oost-Nederland, zoals goedgekeurd door de Europese Commissie op 11 november 2014.

Artikel 6.4.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 6.4.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de activiteit moet EFRO-cofinanciering ontvangen;

  • b.

    de aanvraag moet voldoen aan de voorwaarden zoals opgenomen in de subsidiebepalingen die gelden voor het Operationeel Programma 2014-2020 Oost-Nederland;

  • c.

    de activiteit moet bijdragen aan het beleidskader ‘#in – Overijssel innoveert en internationaliseert’ of het uitvoeringsprogramma Nieuwe Energie, of een document dat een van deze kaders vervangt;

  • d.

    de activiteit is niet in strijd met provinciale doelen.

Artikel 6.4.4 Aanvraag, verlening en vaststelling van de subsidie

Bij de afhandeling van de subsidie wordt de geldende Europese regelgeving gevolgd.

 

Paragraaf 6.5 Samenwerkingsprogramma INTERREG A 2014-2020 Duitsland-Nederland

 

Algemene toelichting

Het Samenwerkingsprogramma INTERREG A Deutschland-Nederland is een Europees subsidieprogramma dat wordt uitgevoerd door 15 INTERREG-partners. De Managementautoriteit is de Duitse deelstaat Nordrhein-Westfalen.

Artikel 6.5.1 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor projecten die passen binnen en die INTERREG-cofinancieringsmiddelen ontvangen uit het Samenwerkingsprogramma INTERREG A 2014-2020; Deutschland-Nederland.

Artikel 6.5.2 Criteria

Een aanvraag voor subsidie  als bedoeld in artikel 6.5.1 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    het project ontvangt een INTERREG-cofinanciering;

  • b.

    het project voldoet aan de voorwaarden zoals opgenomen in de subsidiebepalingen die gelden voor het Samenwerkingsprogramma INTERREG A 2014-2020 Deutschland-Nederland;

  • c.

    het project draagt bij aan één of meerdere provinciale doelen.

Artikel 6.5.3 Aanvraag, verlening en vaststelling van de subsidie

Bij de afhandeling van de subsidie wordt de geldende Europese regelgeving gevolgd.

 

Paragraaf 6.6 Thematische fondsen 2014-2020

 

Algemene toelichting

De Europese Commissie kent naast regionale fondsen, waarin provincie Overijssel een (mede)beslisrol heeft over de inzet van Europese middelen, thematische fondsen die subsidie ter beschikking stellen voor thematische projecten.

Artikel 6.6.1 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor projecten die passen binnen en die EU-cofinancieringsmiddelen ontvangen uit de Europese thematische fondsen 2014-2020.

Toelichting: De thematische fondsen zijn: Horizon 2020: Onderzoek en Innovatie, Life: Natuur en Milieu, Creative Europe: Cultuur, Connecting Europe Facility: Mobiliteit.

Artikel 6.6.2 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 6.6.1 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    het project ontvangt een EU-cofinanciering uit een thematisch fonds;

  • b.

    het project voldoet aan de voorwaarden die gelden voor het betreffende thematische fonds;

  • c.

    het project draagt bij aan een of meerdere provinciale doelen.

Artikel 6.6.3 Aanvraag, verlening en vaststelling van de subsidie

Bij de afhandeling van de subsidie wordt de geldende Europese regelgeving gevolgd.

 

Paragraaf 6.7 MKB Innovatiestimulering Topsectoren (MIT) Oost Nederland 2018- Overijssel

Subparagraaf 6.7.1 Algemeen

Artikel 6.7.1.1 Begripsbepalingen

In subparagraaf 6.7.2 en 6.7.3 wordt verstaan onder:

  • -

    arm's length-voorwaarden: de voorwaarden van de transactie tussen de contractspartijen die niet afwijken van die welke zouden zijn overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen, en die geen enkele vorm van heimelijke instandhouding behelzen. Iedere transactie die voortvloeit uit een open, transparante en niet-discriminerende procedure wordt geacht te voldoen aan het arm's length-beginsel;

  • -

    experimentele ontwikkeling: het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technologische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden, gericht op het ontwikkelen van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten;

  • -

    Toelichting: Dit kan activiteiten omvatten die gericht zijn op de conceptuele ontwikkeling, de planning en documentering van alternatieve producten, procedés of diensten. Experimentele ontwikkeling kan prototyping, demonstraties, pilotontwikkeling, testen en validatie omvatten van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten in omgevingen die representatief zijn voor het functioneren onder reële omstandigheden, met als hoofddoel verdere technische verbeteringen aan te brengen aan producten, procedés of diensten die niet grotendeels vaststaan. Dit kan de ontwikkeling omvatten van een commercieel bruikbaar prototype of pilot die noodzakelijkerwijs het commerciële eindproduct is en die te duur is om te produceren alleen met het oog op het gebruik voor demonstratie- en validatie doeleinden. Onder experimentele ontwikkeling wordt niet verstaan routinematige of periodieke wijziging van bestaande producten, productielijnen, fabricageprocessen, diensten en andere courante activiteiten, zelfs indien die wijzigingen verbeteringen kunnen inhouden.

  • -

    haalbaarheidsstudie: het onderzoek en de analyse van het potentieel van een project, met als doel de besluitvorming te ondersteunen door objectief en rationeel de sterke en zwakke punten van een project, de kansen en risico's in kaart te brengen, waarbij ook wordt aangegeven welke middelen nodig zijn om het project te kunnen doorvoeren en wat uiteindelijk de slaagkansen zijn;

  • -

    industrieel onderzoek: planmatig of kritisch onderzoek dat is gericht op het opdoen van nieuwe kennis en vaardigheden met het oog op ontwikkeling van nieuwe producten, procedés of diensten, of om bestaande producten, procedés of diensten aanmerkelijk te verbeteren; het omvat de creatie van onderdelen voor complexe systemen en kan ook de bouw omvatten van prototypes in een laboratoriumomgeving of in een omgeving met gesimuleerde interfaces voor bestaande systemen, alsmede pilotlijnen, wanneer dat nodig is voor het industriële onderzoek en met name voor de validering van generieke technologie;

  • -

    innovatie: technologisch nieuw product, productieproces of dienst;

  • -

    MIT-haalbaarheidsproject: een project ten behoeve van een innovatie dat bestaat uit een haalbaarheidsstudie of een combinatie van een haalbaarheidsstudie en experimentele ontwikkeling of industrieel onderzoek;

  • -

    MIT-R&D-samenwerkingsproject: project, bestaande uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie hiervan, in daadwerkelijke samenwerkingen voor gezamenlijke rekening en risico uitgevoerd door een MIT-R&D-samenwerkingsverband;

  • -

    MIT-R&D-samenwerkingsverband: verband dat geen rechtspersoonlijkheid bezit, bestaande uit twee of meer niet in een groep verbonden MKB-ondernemingen, dat is opgericht ten behoeve van de uitvoering van een R&D-samenwerkingsproject;

  • -

    MKB-innovatiestimuleringsplan (MIT): innovatiestimuleringsplan van een topsector zoals gepubliceerd op https://www.rvo.nl/subsidies-regelingen/topsectoren-mit;

  • -

    vestiging: vestiging als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder j van de Handelsregisterwet 2007.

Subparagraaf 6.7.2 MIT-Haalbaarheidsprojecten

Artikel 6.7.2.1 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de uitvoering van een MIT-haalbaarheidsproject passend binnen de MKB-innovatiestimuleringsplannen van ten minste één van de volgende topsectoren:

  • a.

    High Tech Systemen & Materialen inclusief ICT;

  • b.

    Agri en Food;

  • c.

    Life Sciences and Health;

  • d.

    Chemie en Energie inclusief Biobased Economy;

  • e.

    Tuinbouw en Uitgangsmaterialen.

Artikel 6.7.2.2 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 6.7.2.1 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is een MKB-onderneming met een vestiging in de provincie Overijssel;

    Toelichting: Dit betekent dat de subsidie wordt verstrekt aan een MKB-onderneming. MKB-onderneming is gedefinieerd in artikel 1.1.1.

  • b.

    de subsidiabele activiteit:

    • i.

      is innovatief, te bepalen op basis van de mate waarin aannemelijk is gemaakt dat:

      • 1.

        de innovatie uniek is voor Nederland;

      • 2.

        de innovatie zich onderscheidt ten opzichte van internationale ontwikkelingen of alternatieven;

      • 3.

        de innovatie een technologisch of organisatorisch risico met zich meebrengt om het project als innovatie te rechtvaardigen;

    • ii.

      heeft economisch perspectief, te bepalen op basis van de mate waarin aannemelijk is gemaakt dat:

      • 1.

        de innovatie marktperspectief heeft;

      • 2.

        het beoogde verdienmodel haalbaar is;

      • 3.

        het intellectueel eigendom beschermd kan worden;

      • 4.

        de aanvrager kan aantonen dat hij een marktbenadering kan uitvoeren;

    • iii.

      is technisch-financieel uitvoerbaar, te bepalen op basis van de mate waarin aannemelijk is gemaakt dat:

      • 1.

        de subsidiabele activiteit binnen de in artikel 6.7.2.9 gestelde termijn gerealiseerd kan worden;

      • 2.

        de uitvoerders vakbekwaam zijn om de subsidiabele activiteit uit te voeren;

      • 3.

        de risico's voor de uitvoering en bijbehorende beheersmaatregelen zijn uitgewerkt;

      • 4.

        de subsidiabele activiteit binnen het budget kan worden uitgevoerd;

      • 5.

        de aanvrager in aanvulling op de subsidie de beschikking heeft over de financiële middelen voor de subsidiabele activiteit;

  • c.

    de subsidiabele activiteit moet een score van ten minste 30 punten behalen. De punten worden als volgt over de criteria verdeeld:

    • i.

      maximaal 15 punten voor het criterium, genoemd in artikel 6.7.2.2, sub b onder (i);

    • ii.

      maximaal 20 punten voor het criterium, genoemd in artikel 6.7.2.2, sub b onder (ii);

    • iii.

      maximaal 15 punten voor het criterium, genoemd in artikel 6.7.2.2, sub b onder (iii);

  • d.

    voor elk criterium, genoemd onder sub b onder i, ii, of iii moet een score van minimaal 10 punten worden behaald;

  • e.

    indien sprake is van een aanvraag voor een combinatie van een haalbaarheidsstudie en experimentele ontwikkeling of industrieel onderzoek dan heeft ten minste 60% van de subsidiabele kosten betrekking op een haalbaarheidsstudie en ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten betrekking op experimentele ontwikkeling of industrieel onderzoek;

  • f.

    de subsidie voldoet aan hoofdstuk I en artikel 25 van de AGVV.

Artikel 6.7.2.3 Grondslag subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 40% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 24.999,– per aanvraag.

Artikel 6.7.2.4 Subsidiabele kosten

  • 1.

    Indien de subsidie betrekking heeft op experimentele ontwikkeling of industrieel onderzoek, zijn onverminderd artikel 1.1.5 de volgende kosten subsidiabel:

    • a.

      personeelskosten voor onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden;

    • b.

      kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en voor zolang zij voor het onderzoeksproject worden gebruikt. Indien deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het onderzoeksproject worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkend boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd;

    • c.

      kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm's length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt;

    • d.

      bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.

    2. Indien de subsidie betrekking heeft op een haalbaarheidsstudie zijn, onverminderd artikel 1.1.5, uitsluitend de kosten van de studie subsidiabel.

Artikel 6.7.2.5 Indieningstermijn aanvraag tot subsidieverlening

In afwijking van artikel 1.2.2 geldt dat een aanvraag om subsidie kan worden ingediend vanaf 17 april 2018 9.00 uur en moet zijn ontvangen uiterlijk op 6 september 2018 vóór 17.00 uur.

Artikel 6.7.2.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

Artikel 6.7.2.7 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 6.7.2.8 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien:

  • a.

    de aanvrager binnen het ten tijde van de aanvraag geldende subsidieplafond reeds subsidie heeft ontvangen op basis van deze subparagraaf;

  • b.

    voor de subsidiabele activiteit subsidie is verstrekt of aangevraagd bij een andere overheid.

Artikel 6.7.2.9 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op artikel 1.4.5 is de subsidieontvanger verplicht de subsidiabele activiteit binnen twaalf maanden na datum van subsidieverlening te hebben uitgevoerd.

Subparagraaf 6.7.3 MIT-R&D-samenwerkingsprojecten

Artikel 6.7.3.1 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de uitvoering van een MIT-R&D-samenwerkingsproject passend binnen de MKB-innovatiestimuleringsplannen van ten minste één van de volgende topsectoren, al dan niet in combinatie met een andere topsector of ondersteunde sector:

  • a.

    High Tech Systemen & Materialen inclusief ICT;

  • b.

    Agri en Food;

  • c.

    Life Sciences and Health;

  • d.

    Chemie en Energie inclusief Biobased Economy;

  • e.

    Tuinbouw en Uitgangsmaterialen.

Artikel 6.7.3.2 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 6.7.3.1 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de subsidie wordt aangevraagd door een MIT-R&D-samenwerkingsverband, waarvan de penvoerder een MKB-onderneming met een vestging in Overijssel is;

    Toelichting: De subsidieontvanger is het MIT-R&D-samenwerkingsverband bestaande uit deelnemende MKB-ondernemingen. Alle deelnemende MKB-ondernemingen zijn daarmee ook de subsidieontvanger. De subsidie wordt aangevraagd door een door het betreffende samenwerkingsverband aangewezen penvoerder zijnde één van de aan het betreffende samenwerkingsproject deelnemende MKB-ondernemingen;

  • c.

    meer dan 50% van de subsidiabele kosten, van het MIT-R&D-samenwerkingsproject komt voor rekening van de aan het MIT-R&D-samenwerkingsverband deelnemende MKB-ondernemingen met een vestiging in Overijssel of Gelderland;

  • d.

    per MIT-R&D-samenwerkingsverband mag één deelnemende MKB-onderneming niet meer dan 70% van de subsidiabele kosten van het MIT-R&D-samenwerkingsproject voor zijn rekening nemen;

  • e.

    de subsidie voldoet aan hoofdstuk I en artikel 25 van de AGVV.

Artikel 6.7.3.3 Grondslag subsidie

  • 1.

    De subsidie bedraagt maximaal 35% van de subsidiabele kosten, met een minimum subsidie van € 50.000,- en een maximum subsidie van € 350.000,- per MIT-R&D-samenwerkingsproject.

  • 2.

    De subsidie per MKB-ondernemer in het MIT-R&D-samenwerkingsverband bedraagt:

    • a.

      minimaal € 25.000,- en maximaal € 100.000,- indien het subsidiebedrag per MIT-R&D-samenwerkingsproject maximaal € 200.000,- is;

    • b.

      minimaal € 25.000,- en maximaal € 175.000,- indien het subsidiebedrag per MIT-R&D-samenwerkingsproject meer dan € 200.000,- en maximaal € 350.000,- is.

Artikel 6.7.3.4 Subsidiabele kosten

Onverminderd artikel 1.1.5 zijn de volgende kosten subsidiabel:

  • a.

    personeelskosten: onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden;

  • b.

    kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd;

  • c.

    kosten van gebouwen en gronden voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat gronden betreft, komen de kosten voor de commerciële overdracht of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten in aanmerking;

  • d.

    kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm's length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt;

  • e.

    bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.

Artikel 6.7.3.5 Indieningstermijn aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.2.2 geldt dat een aanvraag om subsidie kan worden ingediend vanaf 2 juli 2018 vanaf 9.00 uur en ontvangen uiterlijk op 6 september 2018 vóór 17.00 uur.

  • 2.

    Een onvolledige aanvraag voor subsidie kan na sluitingsdatum alleen volledig worden gemaakt voor zover het geen inhoudelijke aanvulling of wijziging van de aanvraag betreft.

    Toelichting: Doordat het een tenderregeling is, is het voor de gelijktijdige beoordeling nodig dat alle stukken voor de sluiting van de aanvraagtermijn ingediend zijn. Na de sluitingsdatum is er alleen ruimte voor het herstel van kleinigheden die niet inhoudelijk van aard zijn, zoals een handtekening of een bankrekeningnummer.

Artikel 6.7.3.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

Artikel 6.7.3.7 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 6.7.3.8 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien:

  • a.

    de te verstrekken subsidie per aanvraag minder dan € 50.000,- bedraagt;

  • b.

    het MIT-R&D-samenwerkingsverband binnen het ten tijde van de aanvraag geldende subsidieplafond reeds subsidie heeft ontvangen op basis van deze subparagraaf;

  • c.

    voor de subsidiabele activiteit subsidie is verstrekt of aangevraagd bij een andere overheid.

Artikel 6.7.3.9 Volgorde van behandeling

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.1.4 plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen, die voldoen aan de in artikel 6.7.3.2 gestelde criteria, in een prioriteitsvolgorde op basis van de behaalde totale punten voor de volgende criteria:

    • a.

      er wordt meer technologische vernieuwing of wezenlijke nieuwe toepassingen van een bestaand product, proces, of dienst verwacht: maximaal 30 punten;

    • b.

      er wordt meer economische waarde gecreëerd voor de deelnemers in het MIT-R&D-samenwerkingsverband, de topsectoren, of de Overijsselse economie: maximaal 30 punten;

    • c.

      de kwaliteit van de MIT-R&D-samenwerking is hoger , tenminste blijkend uit de kwaliteit van het projectplan, de mate van complementariteit van de deelnemers, de capaciteiten van de deelnemers en de kwaliteit van de projectorganisatie: maximaal 30 punten;

    • d.

      er is sprake van meer sector overstijgende combinaties en van combinaties van topsectoren, genoemd in artike  6.7.3.1, die niet conventioneel zijn: maximaal 10 punten.

    2. Subsidieaanvragen die voor enig criterium, genoemd in het eerste lid, sub a, b en c minder dan 10 punten scoren en die op basis van de criteria genoemd in het eerste lid in totaal minder dan 50 punten scoren worden niet in de prioriteitsvolgorde meegenomen en worden afgewezen.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten verstrekken subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het subsidieplafond dit toelaat.

  • 4.

    Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt de rangorde van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 6.7.3.10 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht:

  • a.

    met de uitvoering van het MIT-R&D-samenwerkingsproject te starten binnen zes maanden na datum van de subsidieverlening;

  • b.

    het MIT-R&D-samenwerkingsproject uit te voeren binnen vierentwintig maanden na de start.

Paragraaf 6.8 Leren van elkaar kringen

 

Algemene toelichting

Gedeputeerde Staten willen de professionalisering van ZP-ers, sociale innoveerders, snelle groeiers en (potentiële) opvolgers en overdragers van familiebedrijven ondersteunen door subsidie te verstrekken voor het faciliteren van zogenaamde Leren van elkaar kringen. Een Leren van elkaar kring bestaat uit minimaal vijf en maximaal tien ondernemers, die hun ondernemerskwaliteiten en -vaardigheden willen versterken door van elkaar te leren, onder professionele begeleiding. Het kan gaan om bijvoorbeeld het verbeteren van vakkennis, vermogen om samen te werken, commercieel inzicht, kennis van de markt en financieel inzicht.  Maar ook om vaardigheden zoals verkoopvaardigheden, marketingvaardigheden en sociale vaardigheden om nieuwe netwerken aan te boren.

Artikel 6.8.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • familiebedrijf: een bedrijf is een familiebedrijf als:

    • de meerderheid van de zeggenschap, verbonden aan het eigendom, in handen is van een natuurlijk persoon of een familie;

    • er ten minste twee personen uit één familie werkzaam zijn binnen het bedrijf; en

    • tenminste één familielid formeel betrokken is bij het bestuur van de onderneming;

  • leren van elkaar kring: minimaal vijf en maximaal tien ondernemers, die hun ondernemerskwaliteiten en -vaardigheden willen versterken door van elkaar te leren, onder professionele begeleiding;

  • ondernemer: een natuurlijke of rechtspersoon die tegen betaling een product of dienst op de markt brengt, ongeacht de rechtsvorm of de wijze van financiering;

  • overdrager familiebedrijf: de persoon die (mede) belast is met de dagelijkse bedrijfsvoering van het familiebedrijf en deze taken op termijn overdraagt aan een familielid in de eerste, tweede of derde graad;

  • opvolger familiebedrijf: een familielid in de eerste, tweede of derde graad die mede belast is met de dagelijkse bedrijfsvoering van het familiebedrijf of de ambitie heeft op termijn de dagelijkse bedrijfsvoering van het familiebedrijf over te gaan nemen. Ook een potentiële opvolger van de familiebedrijf wordt gezien als een opvolger familiebedrijf;

  • snelle groeier: een bestaande Mkb-onderneming met minimaal 10 werknemers en een gemiddelde jaarlijkse groei van de werknemers van 10% of meer in de afgelopen periode van drie opeenvolgende jaren;

  • sociale innoveerder: de ondernemer die professionaliseringsactiviteiten verricht die zowel op zichzelf als op de medewerkers, processen en structuren in de onderneming gericht zijn door het ontwikkelen van nieuwe managementvaardigheden, het hanteren van innovatieve organisatieprincipes of het realiseren van hoogwaardige arbeidsvormen om het concurrentievermogen en de productiviteit te verbeteren;

    Toelichting: Het gaat uitdrukkelijk niet om sociaal ondernemerschap of social media.

  • ZP-er: bij de Kamer van Koophandel ingeschreven zelfstandige ondernemer met maximaal één medewerker in dienst.

    toelichting: Ook een freelancer of een eenmanszaak valt  onder de definitie van een ZP-er.

Artikel 6.8.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de professionele begeleiding van een Leren van elkaar kring voor ZP-ers, snelle groeiers, sociale innoveerders of opvolgers en overdragers van familiebedrijven.

Artikel 6.8.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 6.8.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is een deelnemende ondernemer die de aanvraag indient voor de betreffende Leren van elkaar kring;

    toelichting: De aanvrager is tevens de subsidieontvanger en verantwoordelijk voor de subsidie.

  • b.

    de Leren van elkaar kring heeft betrekking op één van de volgende doelgroepen:

    • i.

      ZP-ers;

    • ii.

      snelle groeiers;

    • iii.

      sociale innoveerders; of

    • iv.

      opvolgers en overdragers van familiebedrijven;

       

      Toelichting: De leren van elkaar kring mag bestaan uit (potentiële) opvolgers, overdragers of een mix van deze personen.

  • c.

    de Leren van elkaar kring bestaat uit ondernemers die fysiek gevestigd zijn in Overijssel;

  • d.

    er is sprake van professionele begeleiding door een onafhankelijke deskundige, niet zijnde een van de  deelnemende ondernemers van de Leren van elkaar kring;

    toelichting: Een van de deelnemende ondernemers kan, ondanks dat die misschien wel de  professionele deskundigheid heeft, niet de begeleiding van de betreffende Leren van elkaar kring op zich nemen, omdat deze als deelnemer niet wordt aangemerkt  als ‘onafhankelijke’ als bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid . 

  • e.

    een ondernemer kan per kalenderjaar één keer deelnemen aan een Leren van elkaar kring welke gesubsidieerd is op grond van deze subsidieparagraaf. De startdatum van de Leren van elkaar kring is bepalend voor het jaar waarin is deelgenomen.

Artikel 6.8.4 Grondslag subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 5.000,- per aanvraag en per Leren van elkaar kring. Voor een Leren van elkaar kring die bestaat uit snelle groeiers die actief zijn in de circulaire economie bedraagt de subsidie maximaal 80% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 5.000,- per aanvraag en per Leren van elkaar kring.

Toelichting: Een circulaire economie is gericht op het langer in de keten houden van grondstoffen en het zoveel mogelijk voorkomen van afval en schadelijke emissies naar bodem, water en lucht. In een circulaire economie zijn minder nieuwe grondstoffen nodig. Veelal is daardoor ook minder energie nodig omdat het winnen van grondstoffen en maken van producten veel energie vraagt. Belangrijke doelen in de transitie naar een circulaire economie zijn minder milieudruk, het creëren van economische kansen en grondstoffenzekerheid.

Artikel 6.8.5 Subsidiabele kosten

Uitsluitend de kosten van de professionele begeleider zijn conform artikel 1.1.5 derde lid subsidiabel.

Toelichting: Kosten van deelnemende ondernemers zijn niet subsidiabel. Dit betekent dat inzet van eigen uren en middelen voor eigen rekening zijn.

Artikel 6.8.6 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 6.8.7 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het Aanvraagformulier Leren van elkaar kringen.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager:

    • a.

      een ondertekende offerte, met een omschrijving van de vorm en inhoud van de Leren van elkaar kring voorzien van:

      • i.

        datum en naam van de professionele begeleider;

      • ii.

        de geplande data voor de uitvoering en een onderbouwing van de totale kosten;

        Toelichting: Ondertekend betekent dat een offerte is voorzien van een handtekening.

    • b.

      een overzicht van de deelnemende ondernemers, onder vermelding van het Kvk-nummer, naam adres en woonplaats en de sector waarin de ondernemer werkzaam is, voorzien van een handtekening van de deelnemende ondernemers.

Artikel 6.8.8 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien:

  • a.

    de te verstrekken subsidie lager is dan € 2.500,–;

  • b.

    voor de activiteit in het betreffende kalenderjaar al subsidie is verstrekt op basis van deze subsidieparagraaf.

Artikel 6.8.9 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht:

  • a.

    binnen twaalf maanden na datum van de subsidieverlening de subsidiabele activiteit te hebben uitgevoerd;

  • b.

    deel te nemen aan een evaluatieonderzoek van de provincie.

 

Paragraaf 6.9 Ondernemend noaberschap

 

Algemene toelichting

Gedeputeerde Staten willen ondernemersverenigingen en samenwerkende brancheverenigingen in Overijssel stimuleren om plannen te maken en uit te voeren om businessontwikkeling van hun leden in Overijssel te versterken. Op basis van deze subsidieregeling kunnen ondernemersverenigingen en samenwerkende brancheverenigingen in Overijssel subsidie ontvangen voor samenwerkings- en kennisuitwisselingsactiviteiten die bijdragen aan de businessontwikkeling van aaneengesloten ondernemingen.

Artikel 6.9.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • brancheorganisatie: een vereniging of stichting van ondernemers met eenzelfde soort bedrijf, die zich verenigd hebben om collectieve belangen of deelbelangen van groepen leden of individuele belangen van leden te behartigen;

    toelichting: Activiteiten die brancheverenigingen uitvoeren zijn onder andere: lobbyactiviteiten, cao-onderhandelingen voeren, innovatieprojecten opzetten, juridisch advies geven,  bijeenkomsten organiseren of  collectieve inkoop regelen.

  • businessontwikkeling: het ontwikkelen en implementeren van groeimogelijkheden en het creëren van  langetermijnwaarde voor ondernemingen;

  • onderneming: een natuurlijke of rechtspersoon die tegen betaling een product of dienst op de markt brengt, ongeacht de rechtsvorm of de wijze van financiering;

  • ondernemersvereniging: een vereniging van ondernemers met één of meerdere raakvlakken die zich verenigd hebben om op te komen voor hun gezamenlijke belangen;

    toelichting: Een ondernemersvereniging kan bestaan uit ondernemers uit verschillende sectoren. Zij worden ook wel bedrijfskringen, ondernemerskringen, netwerkverenigingen, bedrijfsverenigingen, businessclubs, commerciële clubs of winkeliersverenigingen  genoemd. 

  • netwerkvorming: het samenbrengen van gelijkgestemden rond een ambitie of thema, inclusief het leggen van contacten en relaties tussen betrokken ondernemingen of organisaties.

Artikel 6.9.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor samenwerkings- en kennisuitwisselingsactiviteiten tussen ondernemingen met als doel businessontwikkeling van aangesloten leden te stimuleren.

Toelichting: Voorbeelden van activiteiten zijn werksessies, studiekringen, excursies of uitwisselingsprogramma's.

Artikel 6.9.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is een ondernemers- of brancheorganisatie;

    toelichting: De subsidie wordt verstrekt aan een ondernemers- of een brancheorganisatie. Het is ook mogelijk dat verenigingen samenwerken en gezamenlijk een aanvraag indienen. In dat geval  wordt een aanvraag door één van de verenigingen ingediend. De aanvragende vereniging is dan verantwoordelijk voor de uitvoering van de activiteiten en de verantwoording van de subsidie.

  • b.

    de ondernemers- of brancheorganisatie is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel;

  • c.

    de ondernemers- of brancheorganisatie hebben gezamenlijk ten minste 75 aangesloten ondernemers met een vestiging in Overijssel;

  • d.

    indien de aanvrager een branchevereniging is dan is sprake van:

    • i.

      samenwerking met ten minste één ondernemersvereniging; of

    • ii.

      samenwerking met ten minste twee brancheverenigingen vanuit verschillende sectoren;

      toelichting: Om kruisbestuiving tussen verschillende sectoren te bevorderen moet sprake zijn van samenwerking.

  • e.

    ten minste 80% van de activiteiten zijn ten behoeve van ondernemingen met een vestiging in Overijssel;

  • f.

    de activiteiten moeten bijdragen aan businessontwikkeling;

    toelichting: De activiteit moet bijdragen aan de ontwikkeling en implementatie van groeimogelijkheden en het creëren van  langetermijnwaarde voor ondernemingen. Een plan van aanpak met louter activiteiten op het gebied van samenwerking en netwerkvorming zal een relatief lage score krijgen.

  • g.

    de activiteiten zijn gericht op samenwerking en netwerkvorming.

Artikel 6.9.4 Grondslag subsidie

De subsidie bedraagt 75% van de subsidiabele kosten met een maximum van  € 20.000,– per aanvraag waarvan maximaal € 3.000,– voor het opstellen van een plan van aanpak.

Artikel 6.9.5 Subsidiabele kosten

  • 1.

    Uitsluitend kosten van derden zoals bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel.

    toelichting: De ondernemersvereniging of branchevereniging maakt kosten om de activiteiten uit te kunnen voeren. Het kan dan gaan om het  inhuren van een adviseur of kosten zoals zaalhuur. Alleen de kosten van derden zijn subsidiabel. Uit artikel 1.1.5 derde lid blijkt onder andere dat het dan gaat om kosten van onafhankelijke derden, die op factuur aantoonbaar worden gemaakt en betaald.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.1.6 derde lid zijn kosten van het opstellen van een plan van aanpak, die gemaakt zijn voordat een aanvraag voor subsidies is ontvangen, wel subsidiabel.

Artikel 6.9.6 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 6.9.7 Indieningstermijn aanvraag

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.2.2 geldt dat een aanvraag voor subsidie kan worden ingediend vanaf 27 november 2017 en ontvangen moet zijn uiterlijk op 26 februari 2018 vóór 17.00 uur.

  • 2.

    Een onvolledige aanvraag voor subsidie kan na sluitingsdatum alleen aangevuld worden voor zover het geen inhoudelijke aanvulling of wijziging van de aanvraag betreft.

    Toelichting: Het in de beoordeling van de aanvraag meenemen van informatie die dateert van na de sluiting van de aanvraagtermijn verdraagt zich niet met de gelijktijdige onderlinge beoordeling en rangschikking van de ingediende aanvragen die in het tendersysteem centraal staat. Uit de aard van het tendersysteem volgt dat vóór de sluiting van de aanvraagtermijn alle voor die beoordeling en rangschikking relevante gegevens moeten zijn overlegd en dat daarna geen rekening kan worden gehouden met informatie dat neerkomt op een wijziging of aanvulling van de aanvraag. Bij onvolledigheid van de aanvraag na de sluitingsdatum is er alleen ruimte voor het herstel van kleinigheden zoals een handtekening, een bankrekeningnummer, kamer van koophandel gegevens e.d., het moet gaan om informatie die niet inhoudelijk betrekking heeft op de beoordelingscriteria zoals opgenomen in deze subsidieparagraaf. De tijdige volledigheid/juistheid van de aanvraag is de verantwoordelijkheid van de aanvrager.

Artikel 6.9.8 Volgorde van behandeling

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.1.4. plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen, die voldoen aan de in artikel 6.9.3 gestelde criteria, in een prioriteitsvolgorde. De prioriteitsvolgorde wordt bepaald op basis van scoretabel 1. Uitsluitend subsidieaanvragen die 11 of meer punten scoren worden meegenomen in de prioriteitsvolgorde.

Scoretabel 1

Criterium

punten

Weging

Score

a. mate waarin de activiteiten bijdragen aan businessontwikkeling

Matig (1), goed (3), uitstekend (5)

50%

punten x 0,5 = score 1

b. mate waarin sprake is van samenwerking en netwerkvorming

Matig (1), goed (3), uitstekend (5)

25%

punten x 0,25 = score 2

c. mate van haalbaarheid

Matig (1), goed (3), uitstekend (5)

15%

punten x 0,15 = score 3

d. hoeveelheid aangesloten Overijsselse ondernemingen die bereikt worden

Matig (1), goed (3), uitstekend (5)

10%

punten x 0,10 = score 4

 

 

 

Totaalscore = score 1 + score 2 + score 3 + score 4

 

  • 2.

    Gedeputeerde Staten verstrekken subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het subsidieplafond dit toelaat.

  • 3.

    Bij een gelijke score wordt prioriteit gegeven aan een aanvraag die het beste scoort op de volgende onderdelen in deze volgorde;

    • a.

      de mate waarin de activiteiten bijdragen aan businessontwikkeling;

    • b.

      de verhouding tussen de te verlenen subsidie en de subsidiabele kosten.

Artikel 6.9.9 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

  • 1

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Ondernemend Noaberschap.

  • 2

    In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager

    • a.

      een plan van aanpak waarin in ieder geval is opgenomen:

      • i.

        een omschrijving van de activiteiten die uitgevoerd gaan worden;

      • ii.

        een omschrijving van de bijdrage aan businessontwikkeling;

      • iii.

        een omschrijving van de samenwerking en de bijdrage aan netwerkvorming;

      • iv.

        indien sprake van kosten voor het opstellen van een plan van aanpak, een factuur van deze kosten;

    • b.

      een ledenlijst van de bij de aanvragende ondernemers- of brancheorganisatie aangesloten Overijsselse ondernemingen;

      Toelichting: Als de ledenlijst op de website van de aanvrager te raadplegen is dan mag ook verwijzen worden naar de website via een directe link.

Artikel 6.9.10 Adviescommissie

Gedeputeerde Staten kunnen een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 6.9.2 ter advies voorleggen aan de adviescommissie Ondernemend Noaberschap, die advies geeft over:

  • a.

    de mate waarin de activiteiten bijdragen aan businessontwikkeling;

  • b.

    de mate waarin sprake is van samenwerking en netwerkvorming;

  • c.

    de mate van haalbaarheid ;

  • d.

    de hoeveelheid aangesloten Overijsselse ondernemingen die bereikt worden.

Artikel 6.9.11 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien:

  • a.

    de te verstrekken subsidie € 5.000,– of lager is;

  • b.

    voor de activiteit in het betreffende kalenderjaar al subsidie is verstrekt op basis van deze subsidieparagraaf;

  • c.

    de subsidieaanvraag 10 punten of minder scoort.

Artikel 6.9.12 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht:

  • a.

    binnen vierentwintig maanden na datum van de subsidieverlening de subsidiabele activiteit te hebben uitgevoerd;

  • b.

    deel te nemen aan een evaluatie van de provincie.

Paragraaf 6.10 Product Markt Partner Combinaties (PMPC’s) Toerisme Overijssel

Artikel 6.10.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • businesscase: een plan waarin in ieder geval de volgende informatie is opgenomen:

    • a.

      een beschrijving van de doelstellingen van een PMPC inclusief een onderbouwing van de innovatie zoals bedoeld in de scoretabel bij artikel 6.10.9 eerste lid,

    • b.

      een onderbouwing van de gerealiseerde samenwerking,

    • c.

      een markt- en concurrentieanalyse,

    • d.

      de benodigde investeringen,

    • e.

      een kosten-batenanalyse en 

    • f.

      een overzicht van de risico's;

  • Product Markt Partner Combinatie (PMPC): een nieuw vrijetijdseconomisch product dat door samenwerkende ondernemers of organisaties uit Overijssel ontwikkeld is en dat bijdraagt aan het aantrekkelijker en sterker maken van de vrijetijdssector in Overijssel;

  • onderneming: een natuurlijk of rechtspersoon, niet zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die tegen betaling een product of dienst op de markt brengt;

  • organisatie: het geheel van productiefactoren, procedures en mensen die samenwerken om bepaalde doelstellingen te bereiken;

  • samenwerkingspartner: een partner van de PMPC, die aantoonbaar verantwoordelijkheid heeft  in de ontwikkeling en uitvoering van de PMPC, blijkend uit een samenwerkingverklaring.

Artikel 6.10.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:

  • a.

    het opstellen van een businesscase ten behoeve van een PMPC;

  • b.

    het uitvoeren van een businesscase ten behoeve van een PMPC.

Artikel 6.10.3 Criteria

  • 1.

    Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 6.10.2 voldoet aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvrager is een onderneming of organisatie met één van de volgende SBI codes:

      • i.

        50.3 Binnenvaart (passagiersvaart en veerdiensten)

      • ii.

        55 Logiesverstrekking

      • iii.

        56 Eet- en drinkgelegenheden

      • iv.

        85.51 Sport- en recreatieonderwijs

      • v.

        85.52 Cultureel onderwijs

      • vi.

        90 Kunst

      • vii.

        91 Culturele uitleencentra, openbare archieven, musea, dieren- en plantentuinen, natuurbehoud

      • viii.

        93 Sport en Recreatie

      • ix.

        96.04 Sauna's, solaria, baden e.d;

    • b.

      het vrijetijdseconomische product dat de samenwerkingspartners hebben ontwikkeld, wordt jaarlijks ten minste twee keer aangeboden of verstrekt;

    • c.

      er is sprake van sectoroverstijgende samenwerking wat betekent dat de PMPC bestaat uit ten minste twee samenwerkingspartners uit verschillende sectoren en waarbij de eerste twee cijfers van de SBI codes, op basis van de Standaard Bedrijfsindeling 2008 Versie 2016 CBS/KVK, verschillend zijn;

      toelichting: Sectoroverstijgende samenwerking is niet gelimiteerd tot de SBI-codes als bedoeld onder 6.10.3 eerste lid onder sub a. Er is sprake van een samenwerking als een onderneming of organisatie inspanning levert in de PMPC, welke aantoonbaar is door een omschrijving van de geleverde bijdrage en een samenwerkingsverklaring. Kansrijke sectoren zijn sport, zorg, agro/food, natuur en cultuur.

    • d.

      ten minste twee van de samenwerkingspartners dragen elk ten minste 10% van de begrote kosten bij, in geld of in natura. Voor een bijdrage in natura gelden de volgende voorwaarden:

      • i.

        voor gebruik van machines, apparatuur, grond of gebouwen wordt de actuele dagwaarde gehanteerd, naar rato van gebruik;

      • ii.

        voor de personele inzet wordt een uurtarief van maximaal € 35,- per uur gehanteerd;

      • iii.

        voor de inzet van vrijwilligers wordt een uurtarief van maximaal € 15,- per uur gehanteerd;

    • e.

      ten minste een samenwerkingspartner is een onderneming;

    • f.

      indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107, lid 1 van het VWEU, dan moet voldaan worden aan de de-minimisverordening.

  • 2.

    De businesscase als bedoeld in artikel 6.10.2 sub a, is alleen subsidiabel als:

    • a.

      deze op het moment van de aanvraag niet ouder is dan vierentwintig maanden; en

    • b.

      is opgesteld door een deskundige met relevante ervaring, aangetoond aan de hand van minstens twee referenties.

Artikel 6.10.4 Grondslag subsidie

  • 1.

    De subsidie als bedoeld in artikel 6.10.2 sub a bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 2.500,– per aanvraag.

  • 2.

    De subsidie als bedoeld in artikel 6.10.2 sub b bedraagt maximaal 35% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 100.000,–  per aanvraag.

  • 3.

    De subsidie als bedoeld in artikel 6.10.2 sub a en b samen bedraagt maximaal € 100.000,- per aanvraag.

Artikel 6.10.5 Subsidiabele kosten

  • 1.

    Loonkosten van de aanvrager en de samenwerkingspartners zijn subsidiabel als deze voldoen aan artikel 1.1.5 eerste lid sub b, met een maximum van 20% van de totale begrote kosten en met  een maximum van € 30.000,–.

  • 2.

    Externe advieskosten zijn subsidiabel als deze voldoen aan artikel 1.1.5 derde lid, met een maximum van 20% van de totale begrote kosten en met een maximum van € 30.000,–.

  • 3.

    Kosten van nieuwbouw, aanbouw, verbouw inclusief sloop, zijn subsidiabel mits deze voldoen aan artikel 1.1.5 met een maximum van 50% van de  totale begrote kosten en met een maximum van € 100.000,–.

  • 4.

    Indien sprake is van aanschaf van apparatuur, worden deze kosten in afwijking van artikel 1.1.5 tweede lid aangemerkt als kosten van derden zoals bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid.

  • 5.

    In afwijking van artikel 1.1.6 derde lid zijn de kosten van het opstellen van een businesscase, voordat de aanvraag voor subsidie is ontvangen wel subsidiabel.

Artikel 6.10.6 Niet subsidiabele kosten

In aanvulling op artikel 1.1.6 zijn de volgende kosten niet subsidiabel:

  • a.

    kosten van aankoop van grond en aankoop van gebouwen;

  • b.

    boekingsmodules.

Artikel 6.10.7 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks het subsidieplafond vast.

Artikel 6.10.8 Indieningstermijn aanvraag

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.2.2. geldt dat een aanvraag voor een subsidie ingediend kan worden:

    • a.

      vanaf 1 februari en ontvangen moet zijn uiterlijk 1 maart om 17.00 uur van het betreffende kalenderjaar;

    • b.

      vanaf 1 september en ontvangen moet zijn uiterlijk 2 oktober om 17.00 uur van het betreffende kalenderjaar.

  • 2.

    Een onvolledige aanvraag voor subsidie kan na sluitingsdatum alleen aangevuld worden voor zover het geen inhoudelijke aanvulling of wijziging van de aanvraag betreft.

    Toelichting: Bij onvolledigheid van de aanvraag na de sluitingsdatum is er alleen ruimte voor het herstel van kleinigheden zoals een handtekening, een bankrekeningnummer, kamer van koophandel gegevens e.d., het moet gaan om informatie die niet inhoudelijk betrekking heeft op de beoordelingscriteria zoals opgenomen in deze subsidieparagraaf. De tijdige volledigheid/juistheid van de aanvraag is de verantwoordelijkheid van de aanvrager. Het in de beoordeling van de aanvraag meenemen van informatie die dateert van na de sluiting van de aanvraagtermijn verdraagt zich niet met de gelijktijdige onderlinge beoordeling en rangschikking van de ingediende aanvragen die in het tendersysteem centraal staat. Uit de aard van het tendersysteem volgt dat vóór de sluiting van de aanvraagtermijn alle voor die beoordeling en rangschikking relevante gegevens moeten zijn overlegd en dat daarna geen rekening kan worden gehouden met informatie dat neerkomt op een wijziging of aanvulling van de aanvraag.

Artikel 6.10.9 Volgorde van behandeling

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.1.4 plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen, die voldoen aan de in artikel 6.10.3 gestelde criteria, in een prioriteitsvolgorde. De prioriteitsvolgorde wordt bepaald op basis van scoretabel 1.

Toelichting: Scoretabel 1

Criterium

Resultaat

Score

Innovatie, het product:

 

 

a. is nieuw voor Overijssel

Ja

3

b. is gebaseerd op trends/ontwikkelingen of best practice van elders

Ja

2

c. maakt gebruik van duurzame energie of leidt tot energiereductie

Ja

2

d. houdt rekening met specifieke doelgroepen

Ja

2

e. past in marketingstrategie van een of meer toeristische A-merken (Waterreijk, IJsseldelta, Vechtdal, Salland, Twente) of de Hanzesteden

Ja

3

Aantal investerende samenwerkingspartners

3

4 of meer

2

4

Aantal samenwerkingspartners

3

4 of meer

1

2

 

 

 

Samenwerking tussen meerdere sectoren ( op basis van SBI-categorieën)

3 of meer

 

3

 

Verbinding met cultuur, SBI-categorieën 90 en 91

Ja

3

Verhouding tussen aangevraagde subsidie en subsidiabele kosten

Minder dan 35%

30% of minder

20% of minder

1

3

4

Maximaal

 

28

  • 2.

    Gedeputeerde Staten verstrekken subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het subsidieplafond dit toelaat.

  • 3.

    Bij een gelijke score wordt prioriteit gegeven aan een aanvraag die het beste scoort op de volgende onderdelen in deze volgorde;

    • a.

      het aantal investerende samenwerkingspartners;

    • b.

      de verhouding tussen de te verlenen subsidie en de begrote kosten.

Artikel 6.10.10 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Product Markt Partner Combinaties (PMPC's) toerisme Overijssel.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager de volgende stukken:

    • a.

      een begroting op basis van het beschikbaar gestelde format;

    • b.

      indien sprake is van kosten van derden een offerte waaruit de subsidiabele kosten blijken;

    • c.

      een businesscase als bedoeld in artikel 6.10.1;

    • d.

      een door de samenwerkingspartners ondertekende samenwerkingsverklaring;

    • e.

      indien subsidie wordt gevraagd voor het opstellen van de businesscase een factuur en betaalbewijs van de subsidiabele kosten.

Artikel 6.10.11 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien:

  • a.

    de te verstrekken subsidie € 7.500,– of lager is;

  • b.

    de aanvraag betrekking heeft op uitsluitend het opstellen van een businesscase.

Artikel 6.10.12 Bevoorschotting

In afwijking van artikel 1.3.2 tweede lid verstrekken Gedeputeerde Staten de aanvrager een voorschot van maximaal 25% van de verleende subsidie. Op verzoek van de subsidieontvanger kan een tweede voorschot van 50% van de verleende subsidie worden verstrekt indien de subsidieontvanger kan aantonen dat ten minste 50% van de verleende subsidie besteed en betaald is aan de activiteiten waarvoor subsidie verkregen is.

Artikel 6.10.13 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6. is de subsidieontvanger verplicht:

  • a.

    binnen achttien maanden na datum van de subsidieverlening de subsidiabele activiteit te hebben uitgevoerd;

  • b.

    de PMPC ten minste twee jaar na subsidievaststelling in stand te houden.

Artikel 6.10.14 Vaststelling van de subsidie

In afwijking van artikel 1.5.1 wordt de subsidie, ongeacht het verleende bedrag, vastgesteld op werkelijk gemaakte kosten, op basis van artikel 1.5.2 en een verklaring werkelijk gemaakte kosten en opbrengsten als bedoeld in artikel 1.5.2 derde lid.

 

Paragraaf 6.11 Breedbandinfrastructuur Overijssel

Ingetrokken

Paragraaf 6.12 Retailvouchers

 

Ingetrokken

Paragraaf 6.13 Kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt

Ingetrokken

 

Paragraaf 6.14 Scholingsvouchers zelfstandig professionals (ZP-ers)

 

Algemene toelichting

Op grond van deze subsidieparagraaf kunnen zelfstandige professionals subsidie ontvangen voor bijscholing ten behoeve van de verbetering van beroepskwalificaties. De provincie draagt € 1.000,– bij aan de kosten van een cursus, opleiding of training. De subsidie is bedoeld voor ZP-ers die zich willen laten bijscholen en is niet bedoeld voor omscholing. Ook rechtsvormen die maximaal 1 medewerker in dienst hebben kunnen gebruik maken van deze subsidieparagraaf.

Artikel 6.14.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • bijscholing: cursus, opleiding of training na de beroepsopleiding, die erop gericht is kwalificaties op peil te houden of op peil te brengen voor de uitoefening van de kernactiviteiten van de ondernemer;

  • winst uit onderneming: winst uit onderneming verminderd met de aftrekposten voor ondernemers;

  • zelfstandig professional (ZP-er): bij de Kamer van Koophandel ingeschreven zelfstandige ondernemer met maximaal één medewerker in loondienst.

    Toelichting: Ook een freelancer, vof een cv, een maatschap of een eenmanszaak valt onder deze begripsbepaling mits deze niet meer dan één medewerker in loondienst heeft.

Artikel 6.14.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor bijscholing ten behoeve van de verbetering van beroepskwalificaties.

Artikel 6.14.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 6.14.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is een zelfstandig professional die gevestigd is in Overijssel;

  • b.

    de zelfstandige professional staat op het moment van de aanvraag voor subsidie ten minste twee jaar ingeschreven bij de Kamer van Koophandel;

    toelichting: Dit betekent dat als een aanvraag op 1 januari 2017 wordt ingediend, de inschrijving bij de Kamer van koophandel voor 31 december 2014 moet liggen.

  • c.

    de winst uit onderneming bedraagt niet meer dan € 34.500,– over het boekjaar 2014, 2015 of 2016;

  • d.

    de eigen bijdrage van de aanvrager voor dekking van de subsidiabele kosten van de bijscholing bedraagt minimaal € 500,–;

    Toelichting: Dit betekent dat de totale kosten voor bijscholing minimaal € 1.500,– moeten bedragen.

    Het is ook mogelijk om meerdere bijscholingen te volgen om aan dit bedrag te komen.

  • e.

    de bijscholing draagt bij aan de verbetering van beroepskwalificaties voor de uitoefening van de huidige kernactiviteiten van de ondernemer;

    Toelichting: De subsidie kan niet worden gebruikt voor omscholing en kan alleen worden gebruikt voor vakinhoudelijke verbetering van beroepskwalificaties.

  • f.

    de aanvraag is uiterlijk binnen 14 dagen, nadat de bijscholing is gestart, ingediend;

  • g.

    indien sprake is van staatssteun zoals bedoeld in artikel 107 eerste lid VWEU, dan voldoet de subsidie aan de de-minimisverordening.

Artikel 6.14.4 Grondslag

De subsidie bedraagt € 1.000,– per aanvrager.

Toelichting: Voor deze subsidieparagraaf bedraagt de subsidie € 1.000,– omdat een subsidie van € 1.000,– of minder geweigerd wordt op grond van artikel 1.1.7.

Artikel 6.14.5 Subsidiabele kosten

Uitsluitend kosten van derden als bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel.

Toelichting: Reiskosten of aanschaf van materiaal ten behoeve van de bijscholing zijn ook subsidiabele kosten, mits deze voldoen aan artikel 1.1.5 derde lid.

Artikel 6.14.6 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 6.14.7 Aanvullende stukken bij de aanvraag voor subsidie

  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Scholingsvouchers zelfstandig professionals (ZP-ers).

  • 2.

    In afwijking op artikel 1.2.1 overlegt de aanvrager:

    • a.

      een aanslag of aangifte inkomstenbelasting 2014, 2015 of 2016 waaruit blijkt dat de totale winst uit onderneming in 2014, 2015 of 2016 niet meer bedraagt dan € 34.500,–;

    • b.

      een bewijs van inschrijving of bewijs van opdracht, niet ouder dan 3 maanden, getekend door de instelling of het bedrijf waar de bijscholing wordt gevolgd. De aanvrager maakt hiervoor gebruik van het door de provincie beschikbaar gestelde format.

Artikel 6.14.8 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien:

  • a.

    aan de aanvrager al subsidie is verstrekt op grond van deze subsidieparagraaf;

  • b.

    de aanvrager gebruik kan maken van scholingsregelingen via het UWV, gemeenten, regionale of landelijke sectorplannen en andere scholingsfondsen zoals het ESF;

  • c.

    de bijscholing bijdraagt aan de verbetering van algemene ondernemersvaardigheden;

    Toelichting: Algemene ondernemersvaardigheden zijn bijvoorbeeld het ontwikkelen van het ondernemerschap, balans privé/werk, verkoopontwikkeling, marktanalyse, opstellen van marketingplan en strategie en financiële begroting en exploitatie.

  • d.

    de aanvrager geen ondernemer is voor de inkomstenbelasting in het boekjaar 2014, 2015 of 2016;

  • e.

    de aanvrager een rechtspersoon is.

    Toelichting: Rechtspersonen zoals een BV of een NV kunnen geen aanvraag voor subsidie indienen.

Artikel 6.14.9 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht de activiteit als bedoeld in artikel 6.14.2 uiterlijk zes maanden na de datum van verlening van de subsidie te hebben gestart en uiterlijk twee jaar na datum van verlening van de subsidie te hebben uitgevoerd.

 

Paragraaf 6.15 HRM scholingsregeling MKB

 

Gedeputeerde Staten willen MKB bedrijven stimuleren om de duurzame inzetbaarheid van werkenden op de arbeidsmarkt te vergroten. Up to date kennis en vaardigheden zijn van groot belang om tot op hoge leeftijd te kunnen blijven werken. De mogelijkheid om opleidingen te volgen en zich te blijven ontwikkelen is noodzakelijk gezien de snelle technische veranderingen. Het heeft een positieve impact op de motivatie van werknemers om langer door te werken.

 

MKB bedrijven gevestigd in Overijssel kunnen op grond van deze regeling de helft van de kosten voor een HRM-scan en maatwerkontwikkeltrajecten voor medewerkers, die niet hoger dan een MBO niveau 3 opleiding hebben gevolgd, gesubsidieerd krijgen.

Artikel 6.15.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • HRM scan: een scan welke inzicht geeft in de behoefte aan maatwerkontwikkelingstrajecten voor de werknemers in dienst bij het MKB bedrijf en die wordt uitgevoerd door een derde;

  • maatwerkontwikkeltraject: een ontwikkelingstraject voor de medewerkers in dienst bij het MKB bedrijf, gericht op competenties, vaardigheden en kennis met het oog op de snelle technologische ontwikkelingen, met als doel versteviging van de concurrentiepositie van het bedrijf en duurzamere inzetbaarheid van de huidige werknemers;

    Toelichting: Voorbeelden van technologische ontwikkelingen zijn automatisering, robotisering en 3d-printing. Scholingsontwikkelingstrajecten zijn bijvoorbeeld gericht op vakgerelateerde en/of 21e eeuwse vaardigheden zoals vastgesteld door het SLO (Stichting Leerplan Ontwikkeling). Dit betreffen de volgende vaardigheden: creatief denken, probleem oplossen, computational thinking, informatie vaardigheden, ICT basis vaardigheden, media wijsheid, communiceren, samenwerken, sociale & culturele vaardigheden, zelfregulering, kritisch denken.

  • scholingsontwikkelplan: een plan waarin de behoefte aan en uitvoering van maatwerkontwikkelingstrajecten voor de medewerkers in dienst bij het MKB bedrijf, nader is uitgewerkt.

Artikel 6.15.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het uitvoeren van:

  • a.

    een HRM-scan;

  • b.

    de volgende maatwerkontwikkeltrajecten:

    • i.

      arrangement 1:maatwerkontwikkeltrajecten voor minimaal vier medewerkers die niet hoger dan een MBO 3 opleiding hebben gevolgd;

    • ii.

      arrangement 2:maatwerkontwikkeltrajecten voor minimaal acht medewerkers die niet hoger dan een MBO 3 opleiding hebben gevolgd.

Artikel 6.15.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 6.15.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is een MKB bedrijf met een vestiging in Overijssel;

  • b.

    [Vervallen]

  • c.

    indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan de de-minimisverordening.

Toelichting: Voor werknemers in dienst bij de aanvrager die een opleiding van een hoger niveau dan MBO 3 hebben gevolgd kunnen ook maatwerkontwikkeltrajecten worden opgesteld, maar de kosten die hieraan verbonden zijn komen niet voor subsidie in aanmerking.

Artikel 6.15.4 Grondslag

De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 10.000,– per aanvraag voor arrangement 1 en een maximum van € 20.000,- per aanvraag voor arrangement 2.

 

Toelichting: De afdracht van bedrijven aan opleidingsfondsen kan worden ingezet als cofinanciering.

Artikel 6.15.5 Subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 1.1.5 zijn uitsluitend de volgende kosten subsidiabel:

  • a.

    kosten van derden;

  • b.

    verletkosten, bestaande uit de loonkosten als bedoeld in artikel 1.1.5 eerste lid onder a, voor het vrijmaken van de aan het maatwerkontwikkeltraject deelnemende medewerkers.

    toelichting: Verletkosten worden alleen door vast personeel gemaakt als zij hun opleiding onder werktijd volgen.

Artikel 6.15.6 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 6.15.7 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier ‘HRM scholingsregeling MKB’

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 overlegt de aanvrager indien de aanvraag uitsluitend het uitvoeren van maatwerkontwikkeltrajecten betreft een HRM scan of scholingssontwikkelplan, welke niet ouder is dan 6 maanden, en waarin tenminste is beschreven:

    • a.

      de behoefte aan maatwerkontwikkeltrajecten;

    • b.

      op welke wijze het maatwerkontwikkeltraject bijdraagt aan de ontwikkeling van competenties, vaardigheden en kennis van de medewerkers met het oog op de snelle technologische ontwikkelingen; en

    • c.

      op welke wijze de concurrentiepositie van het bedrijf en duurzamere inzetbaarheid van de huidige medewerkers wordt verstevigd.

Artikel 6.15.8 Weigeringsgrond

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien:

  • a.

    aan de aanvrager al subsidie is verstrekt op basis van deze subsidieparagraaf;

  • b.

    de aanvraag uitsluitend het uitvoeren van een HRM scan betreft.

Artikel 6.15.9 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 zijn activiteiten als bedoeld in artikel 6.15.2 uiterlijk 12 maanden na de datum van verlening van de subsidie uitgevoerd.

Artikel 6.15.10 Vaststelling subsidie

In afwijking van artikel 1.5.1 wordt de subsidie conform artikel 1.5.2 eerste lid vastgesteld op basis van werkelijk gemaakte kosten en overlegt de aanvrager een bestuursverklaring als bedoeld in artikel 1.4.2.

 

Paragraaf 6.16 Kiezen voor techniek in het primair en voortgezet onderwijs

Ingetrokken

 

Paragraaf 6.17 (potentieel) Beeldbepalende evenementen 2017 t/m 2019

 

Algemene toelichting

In het kader van het Evenementenbeleid 2017-2019 hebben Gedeputeerde Staten elf beeldbepalende en zes potentieel beeldbepalende evenementen aangewezen. Deze cultuur -en sportevenementen zetten Overijssel op de kaart als (inter)nationaal aantrekkelijke provincie voor bezoek en verblijf. Gedurende de periode 2017-2019 kunnen deze evenementen op grond van deze subsidieparagraaf subsidie aanvragen.

Artikel 6.17.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • beeldbepalende evenementen: door Gedeputeerde Staten aangewezen cultuur- en sportevenementen in Overijssel met een (inter)nationale of provinciale uitstraling, een groot mediabereik en van kwalitatief hoog niveau. De beeldbepalende evenementen vormen het fundament voor het evenementenbeleid 2017-2019 en blijven Overijssel op de kaart zetten als (inter)nationaal aantrekkelijke provincie voor bezoek en verblijf.

  • potentieel beeldbepalende evenementen: door Gedeputeerde Staten aangewezen cultuur- en sportevenementen met aantoonbare potentie om binnen drie jaar door te groeien naar een beeldbepalend evenement in Overijssel;

  • ontwikkelplan: een plan waarin is omschreven hoe de door Gedeputeerde Staten benoemde ontwikkelpunten voor het potentieel beeldbepalende evenement, voor de doorgroei naar een beeldbepalende evenement gerealiseerd gaan worden in de periode van 2017 tot en met 2019.

Artikel 6.17.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:

  • a.

    de organisatie en uitvoering van de volgende beeldbepalende evenementen: Bevrijdingsfestival Overijssel, Internationaal buitentheaterfestival Deventer Op Stelten, Dickens Festijn, Deventer Boekenmarkt en het Tuinfeest, Kunsten op Straat, Military Boekelo-Enschede, CSI Twente, AA Drink FBK Games, Triathlon Holten, Enschede Marathon en Ronde van Overijssel;

  • b.

    het uitvoeren van een ontwikkelplan van de volgende potentieel beeldbepalende evenementen: Ribs and Blues festival, Zwolle Unlimited, Stadsfestival, GOGBOT, Strongmanrun en Halve Marathon Zwolle festival.

Artikel 6.17.3 Criteria

  • 1.

    Een aanvraag voor subsidie voldoet aan het criterium dat de aanvrager de organisator is van het evenement.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid geldt dat een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 6.17.2 sub a jaarlijks wordt ingediend.

  • 3.

    In aanvulling op het eerste lid geldt dat een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 6.17.2 sub b voordat deze wordt ingediend, is afgestemd met de provinciale beleidsmedewerker voor Evenementenbeleid.

  • 4.

    Indien sprake is van staatssteun zoals bedoeld in artikel 107 eerste lid VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan artikel 53 van de AGVV en indien sprake is van een sport evenement aan de De minimisverordening.

Artikel 6.17.4 Grondslag

  • 1.

    De subsidie als bedoeld in artikel 6.17.2. sub a bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 67.500,– per aanvrager per jaar.

  • 2.

    De subsidie als bedoeld in artikel 6.17.2. sub b bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten met een maximale subsidie van € 36.000,– per jaar.

Artikel 6.17.4 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 6.17.5 Aanvullende stukken bij een aanvraag voor subsidie

  • 1.

    De aanvrager maakt gebruik van het aanvraagformulier (potentieel) Beeldbepalende evenementen 2017-2019.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 overlegt de aanvrager:

    • a.

      bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 7.16.2 sub a een overzicht van de jaarlijkse activiteiten van het evenement;

    • b.

      bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 7.16.2 sub b een ontwikkelplan voor de jaren 2017 tot en met 2019.

Artikel 6.17.6 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger, indien sprake is van een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 6.17.2 sub b, verplicht de activiteiten voor 31 december 2019 te hebben uitgevoerd.

 

Paragraaf 6.18 Kleinere evenementen 2018

 

Algemene toelichting

In het kader van het Evenementenbeleid 2017-2019 wensen Gedeputeerde Staten bijzondere kleinere evenementen te ondersteunen zodat zij een bijdrage leveren aan de sociale cohesie, het op de kaart zetten van de eigen omgeving en een bijdrage leveren aan de vernieuwing van de Overijsselse evenementen.

Artikel 6.18.1 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de voorbereiding, uitvoering of verbetering van kleinere evenementen in Overijssel.

Artikel 6.18.2 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 6.18.1 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is een rechtspersoon en de organisator van het evenement;

  • b.

    het evenement is een bestaand jaarlijks of periodiek terugkerende cultuur- of sportevenement.

Artikel 6.18.3 Grondslag subsidie

De subsidie bedraagt 40% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 10.000,–.

Artikel 6.18.4 Subsidiable kosten

In afwijking van artikel 1.1.6 eerste lid zijn de vergoedingen voor de inzet in uren van vrijwilligers wel subsidiabel tegen een maximum uurtarief van € 15,– per uur.

Artikel 6.18.5 Indieningstermijn aanvraag

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.2.2 geldt dat een aanvraag om subsidie kan worden ingediend vanaf 16 oktober 2017 en moet zijn ontvangen uiterlijk 6 november 2017 voor 17.00 uur.

  • 2.

    Een onvolledige aanvraag voor subsidie kan na sluitingsdatum alleen volledig worden gemaakt voor zover het geen inhoudelijke aanvulling of wijziging van de aanvraag betreft.

Toelichting: Het in de beoordeling van de aanvraag meenemen van informatie die dateert van na de sluiting van de aanvraagtermijn verdraagt zich niet met de gelijktijdige onderlinge beoordeling en rangschikking van de ingediende aanvragen die in het tendersysteem centraal staat. Uit de aard van het tendersysteem vloeit derhalve voort dat vóór de sluiting van de aanvraagtermijn alle voor die beoordeling en rangschikking relevante gegevens moeten zijn overlegd en dat daarna geen rekening kan worden gehouden met informatie dat neerkomt op een wijziging of aanvulling van de aanvraag.

Bij onvolledigheid van de aanvraag na de sluitingsdatum is er alleen ruimte voor het herstel van kleinigheden zoals een handtekening, een bankrekeningnummer, kamer van koophandel gegevens e.d., het moet gaan om informatie die niet inhoudelijk betrekking heeft op de beoordelingscriteria zoals opgenomen in deze subsidieparagraaf. De volledigheid/juistheid van de aanvraag is de verantwoordelijkheid van de aanvrager.

Artikel 6.18.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Kleinere evenementen 2018.

Artikel 6.18.7 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 6.18.8 Volgorde van behandeling

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.1.4 plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen in een prioriteitsvolgorde.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten verstrekken de subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het subsidieplafond dit toelaat.

  • 3.

    De prioriteit wordt vastgesteld op basis van scoretabel 1.

Scoretabel 1

Onderdeel

 

Cijfer

het evenement heeft een onderscheidend karakter

 

 

Ja:3

punten

Nee: 0 punten

het evenement is gedragen door de lokale samenleving

 

 

Ja: 1 punt

Nee: 0 punten

het evenement heeft regionale potentie

 

 

Ja: 1 punt

Nee: 0 punten

het evenement is vernieuwend

 

 

Ja: 1 punt

Nee: 0 punten

het evenement sluit aan bij een profiel van de streek

 

Ja: 4 punten

Nee: 0 punten

Totale score

 

 

Toelichting: Vernieuwing heeft betrekking op het gehele evenement of onderdelen van het evenement.

Het profiel van de streek is niet alleen een decor, maar wordt aantoonbaar benut en verwerkt in het evenement zelf. Het evenement draagt daarmee bij aan de versterking van het profiel van de streek.

  • 4.

    Indien sprake is van gelijkscore stellen Gedeputeerde Staten de onderlinge rangschikking van de aanvragen vast door middel van loting door een notaris.

Artikel 6.18.9 Adviescommissie

Gedeputeerde Staten leggen een aanvraag voor subsidie voor aan de Adviescommissie Evenementen Overijssel 2017-2019 die advies geeft over:

  • a.

    het onderscheidend karakter van het evenement;

  • b.

    of het evenement wordt gedragen door de lokale samenleving;

  • c.

    of het evenement regionale potentie heeft;

  • d.

    of het evenement vernieuwend is;

  • e.

    of het evenement aansluit bij een profiel van de streek.

Artikel 6.18.10 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien:

  • a.

    sprake is van een aanvraag voor een kermis, circus, beurs, congres, carnavalsoptocht, braderie, week-jaar-streek-vrij-uit-beestenmarkt, buurt-wijk-dorpsfeest, fair en rommelmarkt, koopzondag, sinterklaasintocht, kerstmarkt of een nieuwjaarsduik, dancefestival, molendag en openmonumentendag, koningsdag, 4 mei-herdenking, uitsluitend een demonstratie of workshop, uitsluitend een concert of voorstelling, planten- dierenshow,een toernooi, tentfeesten, oktoberfeest, feestweek, autorodeo, trekkertrek, paasvuren, tentoonstellingen, en tijdelijke kunst-ijsbaan;

  • b.

    sprake is van een evenement als genoemd in artikel 6.17.2;

  • c.

    de totale begrote kosten van het evenement minder dan € 20.000,– bedragen.

Paragraaf 6.19 Stimulering innovaties gericht op verduurzaming agro&food sector

 

Algemene toelichting

Het doel van deze regeling is om innovaties gericht op de verduurzaming van de agro&food sector te stimuleren. De innovaties hebben betrekking op een vraagstuk binnen de innovatielabs. Activiteiten die innovaties in de agro&food sector stimuleren, zoals demonstraties, voorlichtingsbijeenkomsten of netwerkontwikkeling kunnen voor subsidie in aanmerking komen.

Artikel 6.19.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

– agro&food sector:

alle ondernemingen of organisaties in de voedselketen, inclusief de voor de voedingsmiddelen bestemde logistiek, handel, financiële dienstverlening en onderzoek en ontwikkeling, waarbij de afbakening van de bedrijven in de agro&food sector is gebaseerd op de Monitor topsectoren, Methodebeschrijving entabellenset van het CBS;

Toelichting: In de agro&food draait het om de voedselketen. De kern van de agro&food bestaat uit de primaire productie van (grondstoffen voor) levensmiddelen en de verwerking hiervan in de voedingsmiddelenindustrie. In de agro&food sector staan de plantaardige en dierlijke economische ketens centraal. Deze ketens hebben verschillende schakels zoals de toeleverende industrie, uitgangsmateriaal, primaire productie, veterinaire dienstverlening, verwerkende (levensmiddelen)industrie, veilingen, handel en retail.

– innovatie:

een nieuw product, techniek, dienst of proces of wezenlijke nieuwe toepassing van een product, techniek, dienst of proces;

– innovatielab:

experimenteerruimte of netwerk waar innovatieve ontwikkelingen plaatsvinden om tot relevante oplossingen te komen voor maatschappelijke vraagstukken;

– uitvoeringsprogramma:

het Uitvoeringsprogramma agro&food in Overijssel 2016-2019 zoals vastgesteld door Provinciale Staten op 28 september 2016 met kenmerk PS/2016/508.

 

Artikel 6.19.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten die innovatie gericht op verduurzaming van de agro&food sector stimuleren.

Artikel 6.19.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 6.19.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    het resultaat van de activiteiten komt ten goede aan de provincie Overijssel;

  • b.

    er is sprake van een samenwerking tussen ten minste twee partijen;

  • c.

    de activiteit draagt bij aan de doelstelling en ambities zoals verwoord in het uitvoeringsprogramma;

  • d.

    de activiteit past binnen ten minste een van de volgende innovatielabs:

    • i.

      gezond produceren;

      Toelichting: Hieronder valt bijvoorbeeld gezond voedsel, gezonde dieren zonder afwenteling op de leefomgeving.

    • ii.

      duurzame voedselbodem;

      Toelichting: Hieronder valt bijvoorbeeld een gezonde bodem als basis voor goed voedsel, beperken emissies en klimaatbestendigheid.

    • iii.

      de stal van de toekomst;

      Toelichting: Hieronder valt bijvoorbeeld diervriendelijk, geen negatieve impact op omgeving, herbruikbare materialen en energieneutraal.

    • iv.

      waardevolle voedselketens;

      Toelichting: Hieronder valt bijvoorbeeld goed en gezond voedsel, eiwittransitie, transparant en traceerbaar, weten wat je eet, lokaal geproduceerd.

    • v.

      natuurlijk ondernemen;

      Toelichting: Hieronder valt bijvoorbeeld natuur als onderdeel van de voedselproductie, natuur als handelsmerk, productie gebaseerd op unieke waarden van natuur.

    • vi.

      de boer als buur;

      Toelichting: Hieronder valt bijvoorbeeld dat een agrarisch bedrijf aan omgevingskwaliteiten (landschap, klimaat, natuur, water) bijdraagt in combinatie met ondernemerschap.

  • e.

    het projectplan is, voordat een aanvraag voor subsidie is ingediend, afgestemd met de provinciale beleidsmedewerkers agro&food;

  • f.

    indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107, eerste lid van het VWEU, dan voldoet de subsidie aan de de-minimisverordening, de de-minimisverordening landbouw of de-minimisverordening visserij.

 

Artikel 6.19.5 Grondslag subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 200.000,– per aanvraag.

Toelichting: In de artikelen 1.1.5 en 1.1.6 zijn de subsidiabele kosten en niet subsidiabele kosten opgenomen. De subsidie bedraagt 75% Uit de begroting en het daarbij behorende dekkingsplan moet blijken dat 25% van de subsidiabele kosten gedekt is.

Artikel 6.19.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

  • 1

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Stimulering innovaties gericht op verduurzaming agro&food sector.

  • 2

    In aanvulling op artikel 1.2.1 overlegt de aanvraag een projectplan waaruit blijkt op welke wijze aan de criteria zoals genoemd in artikel 6.19.3 sub a tot en met d wordt voldaan.

Artikel 6.19.7 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 6.19.8 Adviescommissie

Gedeputeerde Staten kunnen een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 6.19.2 van € 10.000,– of meer ter advies voorleggen aan de Adviescommissie agro&food, die advies geeft of het project bijdraagt aan het stimuleren van innovatie gericht op verduurzaming van de agro&food sector.

Artikel 6.19.9 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien:

  • a.

    de te verstrekken subsidie lager is dan € 2.500,–;

  • b.

    sprake is van een aanvraag voor een subsidiabele activiteiten als bedoeld in artikel 6.1.2 of 6.2.2 van respectievelijk paragraaf 6.1 Kennisondersteuning agro&food in Overijssel of paragraaf 6.2 Innovatie agro&food in Overijssel.

Artikel 6.19.10 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht de activiteiten uiterlijk 31 december 2021 te hebben uitgevoerd.

Paragraaf 6.20 Versterken MKB en ondernemerschap Overijssel [Ingetrokken]

Paragraaf 6.21 Voucherregeling startende ondernemers

Algemene toelichting

Startende ondernemers brengen dynamiek, vernieuwing en nieuwe werkgelegenheid in onze regionale economie. De provincie wil de startende ondernemers in Overijssel optimaal faciliteren om overlevingskansen van starters te vergroten, groei te versterken en ondernemerschap meer en meer aan te jagen.

Ondernemerschap wordt ook wel aangeduid als een houding. Het is gedrag dat zich kenmerkt door lef en authenticiteit en waarin het draait om kansen zien, kansen benutten en daarmee waarde te creëren en winst te realiseren. Gedeputeerde Staten willen startende ondernemers ondersteunen bij het verbeteren van ondernemersvaardigheden die nodig zijn voor succesvol ondernemerschap. Coaching van (startende) ondernemers draagt bij aan het versterken van essentiële ondernemersvaardigheden.

Het programma IkStartSmart van de Kamer van Koophandel helpt startende en pas gestarte ondernemers bij het maken van een succesvolle start door persoonlijke coaching, training en netwerkondersteuning. Deze ondernemers kunnen subsidie aanvragen. Ook startende ondernemers die niet deelnemen aan het programma IkStartSmart Overijssel 2017–2021 kunnen aanvragen.

Artikel 6.21.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • -

    coach:

    een professioneel deskundige die de startende ondernemer via coachingsgesprekken helpt bij het versterken van de ondernemerskwaliteiten en -vaardigheden. De coach of het bedrijf dat hij/zij vertegenwoordigt, staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.

  • -

    deelnemer programma IkStartSmart:

    deelnemer aan het programma IkStartSmart Overijssel 2017–2021;

  • -

    ondernemer:

    natuurlijke persoon of rechtspersoon die tegen betaling een product of dienst op de markt brengt, ongeacht de rechtsvorm of de wijze van financiering;

  • -

    ondernemersvaardigheden:

    vaardigheden waarover een ondernemer beschikt om zelfstandig en onafhankelijk een eigen bedrijf te kunnen starten en voort te zetten;

  • -

    startende ondernemer:

    ondernemer wiens onderneming gevestigd is in Overijssel en die minimaal 6 maanden en maximaal vier jaar geregistreerd staat in het register van de Kamer van Koophandel.

Artikel 6.21.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor coaching ten behoeve van de verbetering van ondernemerskwaliteiten en vaardigheden.

Toelichting: Het gaat om coaching om ondernemerskwaliteiten en –vaardigheden te verbeteren. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld ondersteuning bij communicatie of contact met klanten, ondersteuning bij opstellen ondernemingsplan of ondersteuning bij ontwikkelen van een nieuw product of dienst.

Artikel 6.21.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 6.21.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is:

    • i.

      een startende ondernemer; of

    • ii.

      deelnemer aan het programma IkStartSmart Overijssel 2017-2021;

    • iii.

      deelnemer van het programma Twentemove2social.

  • b.

    de minimale eigen bijdrage van de aanvrager bedraagt € 100,–;

    Toelichting: Dit betekent dat de kosten voor de coaching minimaal € 1.100,– moet bedragen.

  • c.

    er wordt gebruik gemaakt van een coach;

  • d.

    de coaching vindt plaats in de vorm van één-op-één begeleiding die gerelateerd is aan een leervraag van de ondernemer;

  • e.

    de coaching heeft betrekking op:

    • i.

      immateriële ondersteuning;

      Toelichting: Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld het vinden van balans tussen werk-prive en het bouwen van vertrouwen in het zelfstandig ondernemerschap.

    • ii.

      instrumentele ondersteuning;

      Toelichting: Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld ondersteuning bij communicatie of contact met klanten, ondersteuning bij opstellen ondernemingsplan of ondersteuning bij ontwikkelen van een nieuw product of dienst.

    • iii.

      informatieve ondersteuning;

    • iv.

      in afwijking van sub i, ii en iii heeft de aanvraag van deelnemers aan het programma Twentemove2social betrekking op deelname aan tien workshops, vijf expert, meetings en de gelegenheid het businessplan en de financieringsvraag te pitchen voor een financieringstafel.

  • f.

    de coaching draagt bij aan de persoonlijke ontwikkeling en ondernemersvaardigheden van de aanvrager;

  • g.

    indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan voldoet de subsidie voldoen aan de de-minimisverordening.

Artikel 6.21.4 Grondslag subsidie

De subsidie bedraagt € 1.000,– per aanvrager.

Artikel 6.21.5 Subsidiabele kosten

  • 1.

    Uitsluitend kosten van derden zoals bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel.

  • 2.

    Indien de aanvrager een deelnemer van het programma Twentemove2social is, dan zijn, in afwijking van artikel 1.1.6 derde lid, de kosten die betrekking hebben op activiteiten die buiten de subsidieperiode zijn uitgevoerd wel subsidiabel, mits deze kosten betrekking hebben op activiteiten die uitgevoerd zijn na 1 september 2017.

Artikel 6.21.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Voucherregeling startende ondernemers.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een door de aanvrager ondertekende offerte waaruit blijkt waarvoor de coaching wordt ingezet en waaruit de kosten voor coaching blijken. Indien de aanvrager een deelnemer van het programma Twentemove2social is overlegt de aanvrager een ondertekende brief waaruit deelname aan het programma Twente Move2Social blijkt.

    Toelichting: Ondertekend betekent dat een offerte is voorzien van een handtekening.

Artikel 6.21.7 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 6.21.8 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien:

  • a.

    de aanvraag betrekking heeft op de inkoop van adviesdiensten;

    Toelichting: hiermee wordt onder anderen bedoeld inkoop van financieel of juridisch advies.

  • b.

    de aanvraag betrekking heeft op vakinhoudelijke scholing;

    Toelichting: Voor vakinhoudelijke scholing kan eventueel gebruik worden gemaakt van paragraaf 6.14 Scholingsvouchers zelfstandige professionals (ZP-er).

  • c.

    de aanvrager al subsidie heeft ontvangen op grond van deze paragraaf.

Artikel 6.21.9 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht:

  • a.

    de activiteit binnen 12 maanden na datum van de subsidieverlening te hebben uitgevoerd;

  • b.

    deel te nemen aan een evaluatieonderzoek van de provincie.

Paragraaf 6.22 Kiezen, leren en werken in de techniek

Ingetrokken

 

Paragraaf 6.23 Innovatievouchers

 

Algemene toelichting

Het doel van deze subsidieregeling is Mkb-ondernemingen te stimuleren om versneld innovatie, onderzoek en testen te laten plaatsvinden in Overijssel.

Artikel 6.23.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • experimentele ontwikkeling:

    het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technologische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden, gericht op het ontwikkelen van nieuwe of verbeterde producten, productieprocessen of diensten;

    Toelichting: Experimentele ontwikkeling kan prototyping, demonstraties, pilotontwikkeling, testen en validatie omvatten van nieuwe of verbeterde producten, processen of diensten in omgevingen die representatief zijn voor het functioneren onder reële omstandigheden, met als hoofddoel verdere technische verbeteringen aan te brengen aan producten, processen of diensten die niet grotendeels vast staan. Dit kan de ontwikkeling omvatten van een commercieel bruikbaar prototype of pilot die noodzakelijkerwijs het commerciële eindproduct is en die te duur is om te produceren alleen met het oog op het gebruik voor demonstratie- en validatiedoeleinden. Onder experimentele ontwikkeling wordt niet verstaan routinematige of periodieke wijziging van bestaande producten, productielijnen, fabricageprocessen, diensten en andere courante activiteiten, zelfs indien die wijzigingen verbeteringen kunnen inhouden.

  • groot bedrijf met Research & Development (R&D) faciliteiten:

    een onderneming met meer dan 250 personeelsleden, een jaaromzet van meer dan € 40 miljoen of balanstotaal van meer dan € 20 miljoen, die een laboratorium of testfaciliteit exploiteert;

  • haalbaarheidsproject:

    een project ten behoeve van een innovatie dat bestaat uit een haalbaarheidsstudie, experimentele ontwikkeling of industrieel onderzoek, of een combinatie van deze activiteiten;

  • haalbaarheidsstudie:

    het onderzoek en de analyse van het potentieel van een project, met als doel de besluitvorming te ondersteunen door objectief en rationeel de sterke en zwakke punten van een project, de kansen en risico's in kaart te brengen, waarbij ook wordt aangegeven welke middelen nodig zijn om het project te kunnen doorvoeren en wat uiteindelijk de slaagkansen zijn;

  • kennisinstelling:

    een instelling zoals bedoeld in artikel 3.4.1 eerste lid Regeling nationale EZ-subsidies of een daarvoor in de plaats tredende regeling;

  • onderwijsinstelling: een door het ministerie van OC&W bekostigde onderwijsinstelling;

    Toelichting: bijvoorbeeld een MBO-instelling, een HBO-instelling, maar ook Centres of Expertise en Centra voor innovatief vakmanschap.

  • industrieel onderzoek: planmatig of kritisch onderzoek dat is gericht op het opdoen van nieuwe kennis en vaardigheden met het oog op ontwikkeling van nieuwe producten, productieprocessen of diensten, of om bestaande producten, processen of diensten aanmerkelijk te verbeteren;

    Toelichting: Het omvat de creatie van onderdelen voor complexe systemen en kan ook de bouw omvatten van prototypes in een laboratoriumomgeving of in een omgeving met gesimuleerde interfaces voor bestaande systemen, alsmede pilotlijnen, wanneer dat nodig is voor het industriële onderzoek en met name voor de validering van generieke technologie

  • innovatie:

    een voor de ondernemer nieuw technologisch product, productieproces of dienst dan wel een wezenlijke nieuwe toepassing van een bestaand product, productieproces of dienst;

  • open innovatiefaciliteit:

    een rechtspersoon waar gedeelde faciliteiten zoals opleidingsfaciliteiten of een open acces onderzoeksinfrastructuur, zoals laboratoria en testfaciliteiten aanwezig zijn, de toegang tot panden, faciliteiten en activiteiten niet zijn beperkt en de vergoedingen, die voor het gebruik van de faciliteiten van het cluster en voor deelneming aan de activiteiten ervan worden berekend, overeenstemmen met de marktprijs of de kosten ervan weerspiegelen;

    Toelichting: Bijvoorbeeld open innovatiecentra, proeftuinen en fieldlabs.

Artikel 6.23.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de uitvoering van een haalbaarheidsproject ten behoeve van een innovatie.

Artikel 6.23.3 Criteria

  • 1

    Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 6.23.2 voldoet aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvrager is:

      • i.

        een Mkb-onderneming met een vestiging in Overijssel; of

      • ii.

        een Mkb-onderneming gevestigd buiten Overijssel;

    • b.

      de activiteiten worden uitgevoerd door een open innovatiefaciliteit, kennisinstelling, onderwijsinstelling of groot bedrijf met R&D faciliteiten;

    • c.

      indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan de de-minimisverordening;

  • 2

    In aanvulling op het eerste lid geldt voor een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 6.23.2 ingediend door een Mkb-onderneming gevestigd buiten Overijssel dat de activiteiten worden uitgevoerd door een open innovatiefaciliteit, kennisinstelling, onderwijsinstelling of groot bedrijf met R&D faciliteiten gevestigd in Overijssel.

Artikel 6.23.4 Grondslag subsidie

  • 1.

    Indien de aanvrager gevestigd is in Overijssel en de activiteiten worden uitgevoerd door een open innovatiefaciliteit, kennisinstelling, onderwijsinstelling of groot bedrijf met R&D faciliteiten gevestigd in Overijssel bedraagt de subsidie maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 10.000,– per aanvrager.

  • 2.

    Indien de aanvrager gevestigd is in Overijssel en de activiteiten worden uitgevoerd door een open innovatiefaciliteit, kennisinstelling, onderwijsinstelling of groot bedrijf met R&D faciliteiten gevestigd buiten Overijssel bedraagt de subsidie maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 7.500,– per aanvrager.

  • 3.

    Indien de aanvrager gevestigd is buiten Overijssel bedraagt de subsidie 50% van de subsidiabelekosten met een maximum van € 7.500,– per aanvrager.

Artikel 6.23.5 Subsidiabele kosten

Uitsluitend de kosten van een open innovatiefaciliteit, kennisinstelling, onderwijsinstelling of groot bedrijf met R&D faciliteiten zijn conform artikel 1.1.5 derde lid subsidiabel.

Toelichting: Dit betekent dat eigen uren van de aanvrager niet subsidiabel zijn.

Artikel 6.23.6 Indieningstermijn aanvraag tot subsidieverlening

[Vervallen]

Artikel 6.23.7 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

  • 1

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Innovatievouchers;

  • 2

    In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een door een open innovatiefaciliteit, kennisinstelling, onderwijsinstelling of groot bedrijf met R&D faciliteiten getekende offerte waaruit de hoogte van de subsidiabele kosten blijkt.

Artikel 6.23.8 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 6.23.9 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien:

  • a.

    de aanvrager binnen het ten tijde van de aanvraag geldende subsidieplafond al subsidie heeft ontvangen op grond van deze paragraaf;

  • b.

    de te verstrekken subsidie lager is dan € 3.750,–;

  • c.

    sprake is van een aanvraag voor een activiteit als bedoeld in de artikelen 3.2.2, 6.1.2, 6.2.2 of 6.19.2 van respectievelijk paragraaf 3.2 Haalbaarheidsstudies nieuwe energie en energiescans, paragraaf 6.1 Kennisondersteuning agro&food in Overijssel, paragraaf 6.2 Innovatie agro&food in Overijssel of paragraaf 6.19 Stimulering innovaties gericht op verduurzaming agro&food sector;

  • d.

    [Vervallen]

Artikel 6.23.10 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsdieontvanger verplicht:

  • a.

    de subsidiabele activiteit binnen 12 maanden na datum van de subsidieverlening te hebben uitgevoerd;

  • b.

    deel te nemen aan een evaluatieonderzoek van de provincie Overijssel.

Paragraaf 6.24 Duurzame ondersteuning startende ondernemers

 

Algemene toelichting

Startende ondernemers brengen dynamiek, vernieuwing en nieuwe werkgelegenheid in onze regionale economie. De provincie wil, samen met regionale partners en gemeenten, de startende ondernemers in Overijssel optimaal faciliteren om overlevingskansen van starters te vergroten, groei te versterken en ondernemerschap meer en meer aan te jagen. Daarbij is het belangrijk dat de startende ondernemer gemakkelijk toegang krijgt tot beschikbare ondersteuning en informatie. Het doel van deze regeling is om gemeenten te stimuleren en te faciliteren in het organiseren van een eerstelijns ondersteuningstructuur voor de startende ondernemer.

Artikel 6.24.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    eerstelijns ondersteuningsstructuur: faciliteiten die fysiek, digitaal of telefonisch bereikbaar zijn voor startende ondernemers ten behoeve van vraagstukken van startende ondernemers;

  • b.

    ondernemersorganisatie: een rechtspersoon, opgericht door ondernemers die één of meerdere raakvlakken hebben en die zich verenigd hebben om op te komen voor hun gezamenlijke belangen;

  • c.

    startende ondernemer: ondernemer die niet langer dan drie jaar geregistreerd staat in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

Artikel 6.24.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het realiseren of versterken van een duurzame eerstelijns ondersteuningsstructuur voor startende ondernemers.

Artikel 6.24.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 6.24.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is een Overijsselse gemeente;

    Toelichting: Overijsselse gemeenten kunnen ook gezamenlijk een aanvraag indienen. Eén gemeente treedt op als penvoerder namens de aanvragende gemeenten.

  • b.

    er is sprake van een samenwerking met ten minste een ondernemersorganisatie;

    Toelichting: Daarnaast kan bijvoorbeeld ook worden samengewerkt met een ondernemershuis of een onderwijsinstelling.

  • c.

    de eerstelijns ondersteuningsstructuur is voor een brede doelgroep startende ondernemers toegankelijk;

    Toelichting: Dit betekent dat de eerstelijns ondersteuningsstructuur niet enkel beschikbaar is voor een bepaalde groep startende ondernemers, bijvoorbeeld start ups of mensen die vanuit een uitkering starten.

  • d.

    de eerstelijns ondersteuningsstructuur wordt ten minste 3 jaar in stand gehouden;

  • e.

    de activiteiten van de eerstelijns ondersteuningsstructuur zijn voor startende ondernemers en gericht op:

    • i.

      netwerkvorming;

    • ii.

      kennisdeling;

    • iii.

      informatievoorziening; en

    • iv.

      bijeenkomsten;

  • f.

    het projectplan is, voordat een aanvraag voor subsidie wordt ingediend, afgestemd met de provinciale beleidsmedewerker MKB en ondernemerschap.

Artikel 6.24.4 Grondslag subsidie

De subsidie bedraagt:

  • a.

    voor een grote gemeente maximaal 75% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 25.000,- per gemeente; of

    Toelichting: Grote gemeenten zijn: Zwolle, Enschede, Hengelo, Deventer en Almelo.

  • b.

    voor een kleine gemeente maximaal 75% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 17.500,- per gemeente.

Artikel 6.24.5 Indieningstermijn aanvraag tot subsidieverlening

In afwijking van artikel 1.2.2 geldt dat een aanvraag om subsidie ontvangen moet zijn uiterlijk op 1 december 2018 vóór 17.00 uur.

Artikel 6.24.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Duurzame ondersteuning startende ondernemers.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 6.24.2:

    • a.

      een projectplan waarin de activiteiten zoals bedoeld in artikel 6.24.3 sub e zijn beschreven;

    • b.

      een intentieverklaring waaruit de samenwerking met een andere partij blijkt.

Artikel 6.24.7 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 6.24.8 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien de aanvrager al subsidie heeft ontvangen op grond van deze paragraaf.

Artikel 6.24.9 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht:

  • a.

    de activiteit als bedoeld in artikel 6.24.2 uiterlijk 6 maanden na de datum van subsidieverlening te hebben gestart;

  • b.

    deel te nemen aan een evaluatie van de provincie.

Paragraaf 6.25 Vernieuwende arbeidsmobiliteitsconcepten

Ingetrokken

 

Paragraaf 6.26 Jonge bedrijfsopvolgers

 

Algemene toelichting

Familiebedrijven zijn voor de economische structuur van Overijssel zeer belangrijk. Door hun focus op continuïteit wordt de basis gelegd voor maatschappelijk ondernemen. Familiebedrijven zijn vaak sterk regionaal geworteld en hebben een belangrijke bijdrage in het regionale leefklimaat. Er zijn vele verklaringen voor het succes van het familiebedrijf maar de betrokkenheid van aandeelhouders bij het bedrijf is een belangrijke verklaring voor het succes.

Gedeputeerde Staten willen bedrijfsopvolging graag stimuleren en ondersteunen. Het gaat om  jonge ondernemers jonger dan 41 jaar die minder dan twee jaar geleden het familiebedrijf hebben overgenomen van een familielid. Met de subsidie kunnen jonge bedrijfsopvolgers investeren in het familiebedrijf. Zo kunnen zij beter inspelen op marktontwikkelingen en wensen van de samenleving.

Artikel 6.26.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • -

    bedrijfsopvolging: de dagelijkse bedrijfsvoering is overgenomen van een familielid in de eerste, tweede of derde graad;

    Toelichting: Eerstegraads familieleden zijn de partner, ouders, schoonouders, kinderen, schoonzoons, schoondochters. Tweedegraads familieleden zijn broers, zussen, kleinkinderen, opa's, oma's, schoonzussen, zwagers, stiefzussen, stiefbroers. Derdegraads familieleden zijn ooms, tantes, neven, nichten, overgrootouders, achterkleinkinderen.

  • -

    familiebedrijf: een bedrijf is een familiebedrijf als :

    • -

      de meerderheid van de zeggenschap, verbonden aan het eigendom, in handen is van een natuurlijk persoon of een familie;

    • -

      er ten minste twee personen uit één familie werkzaam zijn binnen het bedrijf; en

    • -

      tenminste één familielid formeel betrokken is bij het bestuur van de onderneming;

  • -

    landbouwbedrijf: onderneming actief in de landbouwsector, met name de primaire landbouwproductie, de verwerking van landbouwproducten of de afzet van landbouwproducten.

Artikel 6.26.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de volgende investeringen van een familiebedrijf:

  • a.

    vernieuwing of verbetering van het productieproces;

  • b.

    een marktimplementatie van een nieuw product of nieuwe dienst.

Artikel 6.26.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 6.26.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is een familiebedrijf;

  • b.

    het familiebedrijf is een MKB-onderneming;

    Toelichting: De definitie van een MKB-onderneming is opgenomen in artikel 1.1.1.

  • c.

    het familiebedrijf is volgens het handelsregister van de Kamer van Koophandel gevestigd in Overijssel;

  • d.

    er is sprake van bedrijfsopvolging door een familielid in de eerste, tweede of derde graad die bij het indienen van de aanvraag:

    • i.

      jonger dan 41 is;

    • ii.

      mede belast is met de dagelijkse bedrijfsvoering van het familiebedrijf;

    • iii.

      uiterlijk twee jaar voor de datum van indiening van de aanvraag tenminste 25% zeggenschap, verbonden aan het eigendom van het familiebedrijf, in handen heeft gekregen;

      Toelichting: De registratie moet overeenkomen met wat er in de schriftelijke overeenkomst of de statuten staat.

    • iv.

      ten minste 25% eigenaar van het familiebedrijf is;

  • e.

    de investering draagt bij aan de toekomstbestendigheid van het familiebedrijf;

  • f.

    indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan de de-minimisverordening;

  • g.

    het projectplan is, voordat deze wordt ingediend, afgestemd met de provinciale beleidsmedewerker van het MKB programma.

Artikel 6.26.4 Grondslag subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 30% van de subsidiabele investeringskosten met een maximum van € 20.000,- per aanvrager.

Artikel 6.26.5 Subsidiabele kosten

Uitsluitend kosten van derden zoals bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel.

Artikel 6.26.6 Niet subsidiabele kosten

In aanvulling op artikel 1.1.6 zijn kosten voor vervanging van machines en apparatuur voor machines en apparatuur met een gelijksoortige functie niet subsidiabel.

Artikel 6.26.7 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Jonge bedrijfsopvolgers;

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 6.26.2:

    • a.

      een projectplan waarin ten minste is opgenomen:

      • i.

        een beschrijving van de investering;

      • ii.

        een investeringsbegroting;

      • iii.

        op welke wijze de investering wordt gefinancierd;

      • iv.

        op welke wijze de investering bijdraagt aan de toekomstbestendigheid van het familiebedrijf;

    • b.

      een schriftelijke overeenkomst of statuten waaruit de zeggenschap van de bedrijfsopvolger en de ingangsdatum van deze zeggenschap blijkt.

Artikel 6.26.8 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 6.26.9 Adviescommissie

Gedeputeerde Staten kunnen een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 6.26.2 ter advies voorleggen aan de adviescommissie MKB en ondernemerschap, die advies geeft over de mate waarin de investering bijdraagt aan de toekomstbestendigheid van het familiebedrijf en in hoeverre de investering een vernieuwing of verbetering van het productieproces of marktimplementatie van een nieuw product of dienst betreft.

Artikel 6.26.10 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien:

  • a.

    de te verstrekken subsidie lager is dan € 10.000,-;

  • b.

    het familiebedrijf een landbouwbedrijf betreft;

  • c.

    de aanvrager al subsidie heeft ontvangen op grond van deze subsidieparagraaf.

Artikel 6.26.11 Verplichtingen subsidieontvanger

  • 1.

    In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht:

    • a.

      binnen 12 maanden na subsidieverlening te zijn gestart met activiteiten zoals bedoeld in artikel 6.26.2;

    • b.

      deel te nemen aan een evaluatie van de provincie.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid is de bedrijfsopvolger verplicht:

    • a.

      de onderneming minimaal vijf jaar voort te zetten of, indien het om aandelen in een BV of NV gaat, minimaal vijf jaar eigenaar van de aandelen te blijven, en

    • b.

      de onderneming minimaal vijf jaar te blijven drijven.

Paragraaf 6.27 ZP-netwerkbijeenkomsten

Algemene toelichting

Gedeputeerde Staten willen met deze subsidieparagraaf bijdragen aan de netwerkvorming en de zichtbaarheid van ZP-ers, zodat ZP-ers elkaar goed leren kennen, waar mogelijk samen gaan werken om beter in te kunnen inspelen op de vraag vanuit de markt en hun zichtbaarheid richting het MKB verbeteren. De subsidie bedraagt minimaal € 1.000,- (artikel 1.1.7 lid 2) en maximaal € 2.000,-. Een aanvraag voor subsidie kan ingediend worden voor één of meerdere ZP-netwerkbijeenkomsten. Een aanvrager kan per kalenderjaar maximaal één keer een aanvraag indienen.

Artikel 6.27.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • -

    ZP-netwerk: een in het handelsregister van de Kamer van Koophandel geregistreerde vereniging of stichting voor ZP-ers;

  • -

    ondernemershuis:

    Toelichting: Ondernemershuizen (ook wel een Hub) in Overijssel zijn o.a. het Ondernemershuis voor het Vechtdal en het Startershuis Doen in Hardenberg, het Ondernemershuis Deventer, het Regionaal Orgaan Zelfstandigen in Hengelo, het Centrum voor Jong Ondernemerschap (CvJO) en het Ondernemershuus in Rijssen-Holten, de hub Zwolle en Steenwijkerland.

  • -

    ondernemersvereniging: een vereniging van ondernemers met één of meerdere raakvlakken die zich verenigd hebben om op te komen voor hun gezamenlijke belangen;

    Toelichting: Een ondernemersvereniging kan bestaan uit ondernemers uit verschillende sectoren. Zij worden ook wel bedrijfskringen, ondernemerskringen, netwerkverenigingen, bedrijfsverenigingen, businessclubs, commerciële clubs of winkeliersverenigingen genoemd.

  • -

    zelfstandig professional (ZP-er): bij de Kamer van Koophandel ingeschreven zelfstandige ondernemer met maximaal één medewerker in loondienst.

    Toelichting: Ook een freelancer, vof een cv, een maatschap of een eenmanszaak valt onder deze begripsbepaling mits deze niet meer dan één medewerker in loondienst heeft.

Artikel 6.27.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het organiseren van een ZP-netwerkbijeenkomst voor ZP-ers in Overijssel.

Artikel 6.27.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 6.27.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is een ondernemershuis, een ZP-netwerk of een ondernemersvereniging uit Overijssel;

  • b.

    de ZP-netwerkbijeenkomst heeft als doel:

    • i.

      ZP-ers te stimuleren om elkaar te leren kennen en samen te werken om beter in te kunnen inspelen op vragen vanuit de markt; of

    • ii.

      het stimuleren van netwerkvorming en zichtbaarheid van ZP-ers richting Mkb-ondernemingen.

Artikel 6.27.4 Grondslag subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 80% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 2.000,- per aanvraag.

Artikel 6.27.5 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

Uitsluitend kosten van derden zoals bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel.

Artikel 6.27.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier ZP-netwerkbijeenkomsten.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 6.27.2 één of meerdere offertes. Uit elke offerte blijkt dat de offerte is afgegeven ten behoeve van de betreffende ZP-netwerkbijeenkomst inclusief vermelding van de datum van de ZP-netwerkbijeenkomst.

Artikel 6.27.7 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 6.27.8 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien de aanvrager in het jaar waarin de aanvraag is ontvangen al subsidie heeft ontvangen op grond van deze paragraaf.

Artikel 6.27.9 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht:

  • a.

    de subsidiabele activiteit uiterlijk zes maanden na datum van de subsidieverlening te hebben uitgevoerd;

  • b.

    deel te nemen aan de evaluatie van de subsidieregeling door de provincie;

  • c.

    een deelnemerslijst bij te houden waarin de naam van de deelnemers en de betreffende sector is opgenomen.

Paragraaf 6.28 Ondersteuning financiering Mkb-ondernemingen

Algemene toelichting

De provincie wil de werkgelegenheid in Overijssel behouden en waar mogelijk uitbreiden. Daarvoor is nodig dat de Overijsselse MKB bedrijven toekomst bestendig zijn en blijven.

Drie sleutelfactoren zijn van belang voor een sterke structuur van de regionale economie: Innovatie, Internationalisering en Ondernemerschap. Deze drie factoren versterken de concurrentiekracht van het Overijsselse bedrijfsleven. Goed en sterk ondernemerschap is een basisvoorwaarde voor innovatie, internationalisering en groei. De afgelopen jaren heeft de provincie veel ingezet op innovatie en internationalisering. Met de introductie van een geheel nieuw programma per 2016 zet de provincie nu ook in op het versterken van het Ondernemerschap bij Mkb-ondernemingen. In dit programma is een aantal actielijnen opgenomen op basis waarvan de provincie het MKB en Ondernemerschap wil versterken.

Bij één van deze actielijnen (actielijn 3: financiering) is opgenomen dat de provincie ondernemers wil ondersteunen om aan financiering te komen.

Het financieringslandschap is de afgelopen jaren flink veranderd, onder andere door het toetreden van nieuwe kredietmogelijkheden als kredietunies en crowdfunding. Het MKB ervaart dat het landschap onoverzichtelijk is en het moeilijk is financiering te vinden voor haar investeringen. Het MKB heeft onvoldoende zicht op de financieringsmogelijkheden die er zijn. Ook hebben ze ondersteuning nodig bij het opstellen en investorready maken van een investeringsplan.

Het doel van deze subsidieparagraaf is dat de provincie ondernemingen wil ondersteunen om aan financiering voor hun investeringsprojecten te komen.

Onder financiering kan worden verstaan: een geldlening, deelneming, sponsering, subsidie, een garantie,  crowdfunding of nieuwe vormen van financiering. Ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid, zoals een eenmanszaak, een V.O.F, ZZP-er en freelancers en grote ondernemingen zijn uitgesloten.

De subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 3.000,- per aanvraag. Een onderneming kan maximaal één keer een subsidie ontvangen voor ondersteuning voor het opstellen of verbeteren van een investeringsproject en één keer voor ondersteuning bij het verkrijgen van een financiering voor een investeringsproject. In totaal maximaal € 6.000,-.

Artikel 6.28.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • -

    investeringsproject: een nauwkeurig omschreven plan om nieuwe bezittingen, zijnde activa, aan te schaffen of bestaande bezittingen te verbeteren of uit te breiden.

Artikel 6.28.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:

  • a.

    ondersteuning bij het opstellen of het verbeteren van een investeringsplan voor een investeringsproject;

  • b.

    ondersteuning bij het verkrijgen van financiering voor een investeringsproject.

Artikel 6.28.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 6.28.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is een Mkb-onderneming met rechtspersoonlijkheid, die volgens het handelsregister van de Kamer van Koophandel is gevestigd in Overijssel;

    Toelichting: de aanvrager is een Mkb-onderneming (artikel 1.1.1) met rechtspersoonlijkheid. Een eenmanszaak, een ZZP-er en een V.O.F zijn ondernemingen maar hebben geen rechtspersoonlijkheid en kunnen daarom geen aanvraag indienen. Ook grote ondernemingen kunnen geen aanvraag indienen.

  • b.

    de activiteiten worden uitgevoerd door een bij de Kamer van Koophandel ingeschreven deskundige met aantoonbaar ervaring op het gebied van het opstellen van een investeringsplan of financiering van een investeringsproject;

    Toelichting: De ervaring van de deskundige kan aangetoond worden door bijvoorbeeld te verwijzen naar referentieprojecten.

  • c.

    indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan de de-minimisverordening.

Artikel 6.28.4 Grondslag subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 3.000,- per aanvraag.

Artikel 6.28.5 Subsidiabele kosten

Uitsluitend kosten van derden zoals bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel.

Artikel 6.28.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag voor subsidie gebruik van het aanvraagformulier Ondersteuning financiering Mkb-ondernemingen.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 6.28.2 een door de opdrachtnemer ondertekende offerte:

    • a.

      die op het moment van de aanvraag niet ouder dan zes maanden is;

    • b.

      die een duidelijke omschrijving van de ondersteuning bevat; en

    • c.

      waarin is opgenomen in welke periode de ondersteuning gegeven wordt.

    Toelichting: Ondertekend betekent dat de offerte is voorzien van een handtekening.

Artikel 6.28.7 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 6.28.8 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie als:

  • a.

    de aanvrager voor zowel de subsidiabele activiteit als bedoeld in artikel 6.28.2 sub a als voor de subsidiabele activiteit als bedoel in artikel 6.28.2 sub b, subsidie heeft ontvangen op grond van deze subsidieparagraaf;

  • b.

    de aanvrager een onderneming is met 250 personeelsleden of meer en een jaaromzet van € 50 miljoen euro of meer of een jaarlijks balanstotaal van 43 miljoen euro of meer.

    Toelichting: Deze subsidieparagraaf is niet bedoeld voor grote ondernemingen.

     

Artikel 6.28.9 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht;

  • a.

    de activiteiten uiterlijk twaalf maanden na subsidieverlening te hebben uitgevoerd;

  • b.

    deel te nemen aan de evaluatie van de subsidieregeling door de provincie.

Paragraaf 6.29 1000 Kansen voor kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt

Algemene toelichting

 

De provincie werkt aan een regionale economie, waarin mensen zo veel mogelijk de kans krijgen om mee te doen. Niet door te kijken naar beperkingen, maar naar mogelijkheden. Ondanks hun zwakkere arbeidsmarktpositie, biedt de economische groei ook kansen aan mensen uit kwetsbare doelgroepen op de arbeidsmarkt. Hun arbeidspotentieel is van groot belang om te voorkomen dat een tekort aan personeel een remmende factor wordt voor de regionale economie. In deze subsidieparagraaf wordt onder kwetsbare groepen verstaan, kwetsbare jongeren, kwetsbare ouderen en statushouders.

 

De provincie wil dat minimaal 1.000 mensen, die tot de kwetsbare groepen behoren perspectief op werk krijgen. Op grond van deze subsidieparagraaf kunnen ondernemers, gemeenten of onderwijsinstellingen subsidie aanvragen voor leerwerktrajecten voor deze doelgroep. Aan het eind van een leerwerktraject is de kans op betaald werk voor de betreffende kwetsbare jongere, kwetsbare oudere of statushouder vergroot.

 

Een aanvraag kan ingediend worden voor zowel één of meerdere leerwerktrajecten.

Artikel 6.29.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • -

    kwetsbare groepen: kwetsbare jongere, kwetsbare oudere of statushouder;

  • -

    kwetsbare jongere: een jongere of jong volwassene tussen de 16 en 27 jaar die moeite heeft met het behalen van een startkwalificatie, dan wel een grote afstand heeft tot de arbeidsmarkt en er niet of nauwelijks in slaagt daar een duurzame positie te verwerven. Dit maakt hem kwetsbaar, gezien de complexe eisen die de huidige samenleving stelt;

    Toelichting: Een startkwalificatie is het hebben van een diploma havo, vwo, mbo niveau 2 of hoger.

  • -

    kwetsbare oudere: een werkloze van 55 jaar en ouder waarbij sprake is van een lage kans op werkhervatting en langdurige werkloosheid, geringe investeringen in kennis en beperkte mobiliteit;

  • -

    leerwerktraject: een traject waarbij werkervaring wordt opgedaan in combinatie met scholing of passende begeleiding, met als doel het vergroten van de kansen op betaald werk;

    Toelichting: Het kan gaan om een leerwerktraject waarbij scholing en het opdoen van werkervaring al dan niet in combinatie met jobcoaching richting beschikbare vacatures passend bij de kenmerken van regio centraal staat.

  • -

    statushouder: een vreemdeling van 18 jaar of ouder die in Nederland een ‘verblijfsvergunning asiel’ voor bepaalde tijd heeft aangevraagd en als gevolg daarvan een verblijfsvergunning heeft ontvangen als bedoeld in artikel 8, onder a, b, c of d, van de Vreemdelingenwet 2000.

Artikel 6.29.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:

  • a.

    leerwerktrajecten voor kwetsbare groepen;

  • b.

    voorbereiding en organisatie van tien of meer leerwerktrajecten voor kwetsbare groepen.

Artikel 6.29.3 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 6.29.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is een Overijsselse gemeente, een onderwijsinstelling, een onderneming of een collectief van ondernemingen met een vestiging in Overijssel;

    Toelichting: Onder onderneming wordt, volgens artikel 1.1.1, verstaan een natuurlijke of rechtspersoon die tegen betaling een product of dienst op de markt brengt, ongeacht de rechtsvorm of de wijze van financiering.

  • b.

    het betreft een leerwerktraject:

    • i.

      ten behoeve van kwetsbare groepen die woonachtig zijn in Overijssel of een leerwerktraject die gevolgd wordt bij een onderneming fysiek gevestigd in Overijssel;

    • ii.

      voor minimaal 20 uur per week, gedurende minimaal drie en maximaal twaalf maanden;

  • c.

    indien de aanvrager een gemeente of een onderwijsinstelling is wordt samengewerkt met minimaal één onderneming uit Overijssel, die het leerwerktraject aanbiedt;

  • d.

    indien de aanvrager een uitzendbureau is wordt samengewerkt met een gemeente en minimaal één onderneming uit Overijssel, die het leerwerktraject aanbiedt;

  • e.

    indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan voldoet de subsidie:

    • i.

      als bedoeld in artikel 6.29.2 sub a aan artikel 31 of 35 van de AGVV of de-minimisverordening ;

    • ii.

      als bedoeld in artikel 6.29.2 sub b aan de de-minimisverordening.

Artikel 6.29.5 Grondslag subsidie

  • a.

    De subsidie als bedoeld in artikel 6.29.2 sub a bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 2.500,- per leerwerktraject.

  • b.

    De subsidie als bedoeld in artikel 6.29.2 sub b bedraagt maximaal 10% van de totale subsidie als bedoeld onder sub a.

Artikel 6.29.6 Subsidiabele kosten

Indien sprake is van subsidie als bedoeld in artikel 6.29.2 sub a dan zijn de volgende kosten overeenkomstig artikel 1.1.5 eerste dan wel derde lid subsidiabel:

  • a.

    kosten van de scholing;

  • b.

    kosten van de begeleiding.

Toelichting: Dit betekent dat de loonkosten van de kwetsbare jongeren, kwetsbare ouderen of statushouders niet subsidiabel zijn. Wat betreft de subsidiabele kosten van de activiteit als bedoeld in artikel 6.29.2 sub b geldt artikel 1.1.5 en artikel 1.1.6.

Artikel 6.29.7 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier 1000 Kansen voor kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt.

 

Toelichting: Conform artikel 1.2.1 wordt een begroting en een dekkingsplan meegestuurd bij de aanvraag voor subsidie.

Artikel 6.29.8 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 6.29.9 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien:

  • a.

    de aanvraag betrekking heeft op een inburgeringstraject, stageplek, vrijwilligerswerk, dagbesteding of regulier bekostigd onderwijs tenzij sprake is van een afstudeerstage met kans op betaald werk;

  • b.

    uitsluitend een aanvraag wordt ingediend voor subsidie als bedoeld in artikel 6.29.2 sub b.

Artikel 6.29.10 Vaststelling subsidies tot € 25.000

In afwijking van artikel 1.5.1 worden subsidies tot € 25.000,- vastgesteld conform artikel 1.5.2.

Artikel 6.29.11 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidievaststelling

In aanvulling op artikel 1.5.2 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag tot vaststelling tevens een door de betreffende kwetsbare jongere, kwetsbare oudere of statushouder ondertekend evaluatieformulier, conform format van de provincie.

 

Toelichting: Het format evaluatieformulier is te vinden op www.overijssel.nl/subsidie.

Hoofdstuk 7 Culturele infrastructuur en monumentenzorg

Paragraaf 7.1 Kader culturele instellingen Overijssel

 

Algemene toelichting

Gedeputeerde Staten kunnen instellingen subsidie verstrekken voor activiteiten die bijdragen aan de culturele doelstellingen als bedoeld in het uitvoeringsprogramma. Uitsluitend organisaties en instellingen die met naam zijn genoemd in tabel 1 kunnen een aanvraag voor subsidie indienen. In tabel 1 zijn ook de maximale subsidies en de subsidieperiode opgenomen.

Artikel 7.1.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • BIS-instellingen: instellingen die van het Rijk subsidie ontvangen op grond van de Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2017-2020, Minister van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur;

  • uitvoeringsprogramma: het uitvoeringsprogramma Cultuur Overijssel 2017-2020 bij de Cultuurnota 2017-2020, zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 4 oktober 2016.

    toelichting: Het uitvoeringsprogramma is te vinden op www.overijssel.nl/subsidie

  • Rijk: de minister van OCW;

  • Rijkscultuurfondsen: het Fonds Podiumkunsten, Mondriaanfonds en het Fonds Cultuurparticipatie.

Artikel 7.1.2 Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten die bijdragen aan de culturele doelstellingen als bedoeld in het uitvoeringsprogramma.

  • 2.

    De subsidie aan het Stadsarchief en Atheneumbibliotheek wordt verstrekt uitsluitend voor het borgen van de opgebouwde collectie.

Artikel 7.1.3 Voorbehoud

  • 1.

    Meerjarige subsidie wordt verstrekt onder voorbehoud van goedkeuring van de provinciale begroting 2018, 2019 of 2020.

  • 2.

    De subsidie aan de Nederlandse Reisopera, De Nieuwe Oost en Rijksmuseum Twente wordt verstrekt onder voorbehoud van een goedkeuring van hun begroting door het Rijk.

  • 3.

    De subsidie aan de Nederlandse Reisopera en Nieuwe Oost wordt verstrekt onder voorbehoud van goedkeuring van hun activiteitenplan door het Rijk.

  • 4.

    De subsidie aan Kunstvereniging Diepenheim voor 2018 tot en met 2020, wordt verstrekt onder voorbehoud van het verkrijgen van een subsidie voor 2018 tot en met 2020 van een Rijkscultuurfonds.

  • 5.

    De subsidie aan Toneelschap Beumer en Drost en Gnaffel wordt verstrekt onder voorbehoud van het verkrijgen van een subsidie in de jaren 2017 tot en met 2020 van een Rijkscultuurfonds.

Artikel 7.1.4 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 7.1.2 voldoet aan de volgende criteria:

  • a.

    de aanvrager is één van de culturele instellingen of organisaties die is opgenomen in tabel 1;

  • b.

    indien sprake is van staatssteun zoals bedoeld in artikel 107 eerste lid VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan artikel 53 van de AGVV;

Artikel 7.1.5 Grondslag subsidie

  • 1.

    De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten met een maximum zoals opgenomen in tabel 1.

    Toelichting: In artikel 1.1.5 en artikel 1.1.6 zijn de subsidiabele en niet subsidiabele kosten opgenomen. Het subsidiebedrag is maximaal 100%. Rekening houdend met de eigen inkomsten norm zoals bedoeld in het uitvoeringsprogramma, de artikelen 1.1.5 en 1.1.6 kan het subsidiepercentage minder dan 100% bedragen.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten kunnen de subsidie jaarlijks verhogen met de geldende jaarlijkse indexering.

Artikel 7.1.6 Subsidiabele kosten

  • 1.

    In aanvulling op artikel 1.1.5 zijn kosten voor het gebruik van materiaal, kosten voor communicatie, kosten van gebruik van gas, water en energie, kosten van onderhoud, kosten van huur en algemene administratiekosten van de instelling, die toe te rekenen zijn aan het doel van de subsidie, subsidiabel.

  • 2.

    In afwijking van de artikelen 1.1.5 en 1.1.6 geldt voor de BIS-instellingen en instellingen die subsidie ontvangen van de Rijkscultuurfondsen dat wordt aangesloten bij de subsidiabele kosten van het Rijk of het Rijkscultuurfonds.

Artikel 7.1.7 Subsidieperiode

  • 1.

    Gedeputeerde Staten kunnen meerjarige subsidies verstrekken, zoals opgenomen in tabel 1.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten verstrekken subsidie aan Rijnbrink Bibliotheken en Kunstvereniging Diepenheim in eerste instantie voor het jaar 2017.

    Toelichting: In 2017 wordt bepaald of Rijnbrink Bibliotheken en Kunstvereniging Diepenheim voor de jaren 2018–2020 jaarlijks een aanvraag moeten indienen, of dat met 1 aanvraag voor de jaren 2018–2020 kan worden volstaan.

  • 3.

    De subsidie aan het Stadsarchief en Atheneumbibliotheek wordt verstrekt voor 2017 en 2018.

Artikel 7.1.8 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Culturele instellingen Overijssel.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager:

    • a.

      een activiteitenplan subsidieaanvraag 2017–2020 volgens het beschikbaar gestelde format;

    • b.

      indien de aanvrager een BIS-instelling of een instelling is die een meerjarige bijdrage ontvangt vanuit een van de Rijkscultuurfondsen:

      • i.

        de bijlagen bij de aanvraag zoals ingediend bij het Rijk of het betreffende Rijkscultuurfonds;

      • ii.

        besluit van het Rijk of de Rijkscultuurfondsen.

Artikel 7.1.9 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 7.1.10 Weigeringsgronden

In afwijking van artikel 1.1.7 vijfde lid kunnen Gedeputeerde Staten subsidie verstrekken voor ontwikkeling en uitvoering van voorstellingen die tevens worden gefinancierd vanuit de stichting 4 Oost of vanuit de, op basis van deze subsidieparagraaf, verstrekte subsidie aan het OKTO.

Artikel 7.1.11 Verplichtingen subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 1.4.1 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht:

  • a.

    om mee te werken aan de door de provincie of in opdracht van de provincie uit te voeren monitoring of onderzoek;

  • b.

    de eigen inkomsten norm zoals bedoeld in het uitvoeringsprogramma te realiseren.

Artikel 7.1.12 BIS-instellingen en Rijkscultuurfondsen

Indien sprake is van subsidieverlening aan een BIS-instelling of een instelling die subsidie ontvangt van de Rijkscultuurfondsen, kunnen Gedeputeerde Staten bij verlening, vaststelling of eventuele wijziging of intrekking van de subsidie, waar mogelijk aansluiten bij het besluit van het Rijk of de Rijkscultuurfondsen.

Artikel 7.1.13 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidievaststelling

In aanvulling op artikel 1.5.2 tweede lid of artikel 1.5.3 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag tot vaststelling tevens:

  • a.

    een vaststellingsbesluit van het Rijk, indien sprake is van een subsidieverlening aan een BIS-instelling;

  • b.

    een besluit van de Rijkscultuurfondsen indien sprake is van een subsidieverlening aan een instelling medegefinancierd vanuit Rijkscultuurfonds.

Tabel 1

Naam instelling

Maximaal

subsidiebedrag over gehele subsidieperiode €

Subsidieperiode

Begroot jaarlijks subsidiebedrag

Atak

€ 200.000

2017 t/m 2020

€ 50.000

Burgerweeshuis

€ 200.000

2017 t/m 2020

€ 50.000

De Nieuwe Oost

€ 1.800.000

2017 t/m 2020

€ 450.000

DO IT (Atak)

€ 50.000

2017 en 2018

€ 25.000

DO IT (Burgerweeshuis)

€ 50.000

2017 en 2018

€ 25.000

DO IT (Hedon)

€ 50.000

2017 en 2018

€ 25.000

DO IT (Metropool)

€ 50.000

2017 en 2018

€ 25.000

Filmkenniscentrum

€ 200.000

2017 t/m 2020

€ 50.000

Gnaffel

€ 200.000

2017 t/m 2020

€ 50.000

Hedon

€ 200.000

2017 t/m 2020

€ 50.000

Het Oversticht

€ 1.344.800

2017 t/m 2020

€ 336.200

Historisch Centrum Overijssel

€ 1.360.000

2017 t/m 2020

€ 340.000

Internationaal buiten theaterfestival Deventer op Stelten

€ 100.000

2017 t/m 2020

€ 25.000

Introdans

€ 400.000

2017 t/m 2020

€ 100.000

Jeugdtheater Sonnevanck

€ 1.201.940

2017 t/m 2020

€ 300.485

Kameroperahuis

€ 400.000

2017 en 2018

€ 200.000

Kunstbende

€ 44.000

2017 t/m 2020

€ 11.000

Kunstvereniging Diepenheim

€ 400.000

2017 t/m 2020

€ 100.000

Metropool

€ 200.000

2017 t/m 2020

€ 50.000

Monumentenwacht

€ 1.230.884

2017 t/m 2020

€ 307.721

Museum De Fundatie

€ 4.888.464

2017 t/m 2020

€ 1.222.116

Natura Docet

€ 969.076

2017 t/m 2020

€ 242.269

Nederlandse Reisopera

€ 800.000

2017 t/m 2020

€ 200.000

OKTO

€ 920.000

2017 t/m 2020

€ 230.000

Oostpool

€ 400.000

2017 t/m 2020

€ 100.000

Rijnbrink (PBAM)

€ 174.116

2017 t/m 2020

€ 43.529

Prinses Christina Concours

€ 36.000

2017 t/m 2020

€ 9.000

RIBO

€ 195.252

2017 t/m 2020

€ 48.813

Rijksmuseum Twente

€ 280.000

2017 t/m 2020

€ 70.000

Rijnbrink (Bibliotheken)

€ 10.048.896

2017 t/m 2020

€ 2.512.224

Rijnbrink (Cultuureducatie)

€ 2.700.000

2017 t/m 2020

€ 675.000

Stadsarchief en Atheneumbibliotheek

€ 533.450

2017 en 2018

€ 266.725

Theater Young Ones

€ 100.000

2017 en 2018

€ 50.000

Theaterschip

€ 100.000

2017 en 2018

€ 50.000

Toneelschap Beumer & Drost

€ 200.000

2017 t/m 2020

€ 50.000

 

Paragraaf 7.2 Restauratie Rijksmonumenten

 

Artikel 7.2.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • Brim: Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten;

  • energiebesparende maatregelen: het treffen van isolerend voorzieningen voor wanden, kappen, vloeren, glas en kozijnen, zoals naar voren gekomen in het betreffende energieonderzoek en met inachtneming van behoud van de monumentale waarden van het rijksmonument;

  • energieonderzoek: een onderzoek naar energiebesparingsmogelijkheden in het rijksmonument dat zich richt zowel op bouwkundige en technische aspecten als ook op gedragsmaatregelen. De rapportage van het onderzoek bevat standaard de quick wins en bevat verder minimaal:

    • i.

      het huidige energiegebruik;

    • ii.

      de energiebalans waarin minimaal 90% van het energiegebruik is toebedeeld aan de energiegebruikers;

    • iii.

      de energiebesparende maatregelen inclusief de verwachte investering en energiereductie over een periode van 15 jaren;

  • groen monument: een van rijkswege beschermd monument of zelfstandig onderdeel, zijnde een aanleg die geheel of gedeeltelijk bestaat uit beplanting;

    toelichting: Bijvoorbeeld een park- of tuinaanleg.

  • herbestemming: geven van een nieuwe functie aan een rijksmonument of een belangrijk deel daarvan;

  • herbouwwaarde: kosten om een rijksmonument of zelfstandig onderdeel in zijn geheel opnieuw te vervaardigen, met dezelfde constructie, materiaalsoorten en detaillering, zoals blijkt uit de voor het monument afgesloten verzekeringspolis of een door een verzekeraar geaccepteerde taxatie;

  • inspectierapport: rapport dat de technische of fysieke staat van een rijksmonument of zelfstandig onderdeel beschrijft, en dat is opgesteld door een ter zake deskundige persoon of instantie;

  • POM: een professionele organisatie voor monumentenbehoud zoals bedoeld in hoofdstuk 3 van de Subsidieregeling instandhouding monumenten;

  • restauratieplan: uitgewerkt overzicht van de uit te voeren werkzaamheden ten behoeve van het sober en doelmatig herstel, inclusief een tekening van de bestaande situatie en een plantekening van het beoogde resultaat. Voor zover van toepassing omvat het restauratieplan ook de uit te voeren energiebesparende maatregelen;

  • rijksmonument: een van rijkswege beschermd monument of zelfstandig onderdeel opgenomen in het landelijke Monumentenregister, niet zijnde een woonhuis;

    toelichting: Voor een orgel dat onderdeel is van een rijksmonument kan als zelfstandig onderdeel een aanvraag worden ingediend.

  • Rijksmonumentenregister: lijst van alle onroerende zaken in Nederland die een rijksmonument zijn omdat ze van nationale betekenis zijn, te raadplegen via www.monumentenregister.nl

  • Sim: de Subsidieregeling instandhouding monumenten, die wordt uitgevoerd door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed;

  • woonhuis: beschermd rijksmonument of zelfstandig onderdeel dat in oorsprong is vervaardigd voor bewoning of dat thans voor meer dan de helft van de oppervlakte voor bewoning in gebruik is, met dien verstande dat niet als woonhuizen worden aangemerkt: gebouwen die deel uitmaken van een geregistreerd museum, kerkgebouwen, kastelen, paleizen, het hoofdhuis van buitenplaatsen, landhuizen, gebouwen van liefdadigheid, molens, gemalen, agrarische gebouwen en watertorens.

Artikel 7.2.2 Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:

  • a.

    de restauratie van een rijksmonument;

  • b.

    de restauratie van een rijksmonument in combinatie met het uitvoeren van energiebesparende maatregelen in het rijksmonument.

Artikel 7.2.3 Criteria

  • 1.

    Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 7.2.2 voldoet aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvrager is de eigenaar van het rijksmonument;

    • b.

      het rijksmonument bevindt zich binnen de Overijsselse provinciegrenzen;

    • c.

      de subsidiabele kosten voor restauratie van rijksmonumenten, met uitzondering van molens, groene monumenten en archeologische monumenten, bedragen ten minste 6% van de herbouwwaarde;

      toelichting: De Sim, de instandhoudingsregeling van het Rijk, richt zich op planmatig onderhoud. Daarbij wordt gebruik gemaakt van een rekenmodel dat stelt dat een investering voor sober onderhoud in beginsel gelijk is aan 0,5% van de herbouwwaarde per jaar. Omdat de Sim subsidie verstrekt voor een zesjarig instandhoudingsplan komt dit neer op 3% van de herbouwwaarde in zes jaar. De provinciale regeling richt zich op restauraties die het reguliere onderhoudswerk overstijgen. Hierbij wordt uitgegaan van restauratiewerkzaamheden die niet binnen twee onderhoudsperiodes kunnen worden gerealiseerd. Dat betekent dat de restauratieopgave voor de provinciale subsidieregeling groter moet zijn dan 6% van de herbouwwaarde.

    • d.

      de subsidiabele kosten voor restauratie van rijksmonumentale molens bedragen ten minste € 120.000,–;

      toelichting: De Sim, de instandhoudingsregeling van het Rijk, maakt voor het berekenen van de onderhoudskosten aan molens geen gebruik van de herbouwwaarde. Deze methode volstaat bij molens niet, omdat de bewegende onderdelen van molens harder slijten dan ‘gewone’ monumenten. De subsidiabele kosten voor molens in de Sim zijn daarom voor zesjarig onderhoud vastgesteld op maximaal € 60.000,-. De provinciale regeling zich richt op restauratiewerkzaamheden die niet binnen twee onderhoudsperiodes kunnen worden gerealiseerd. Dat betekent dat de restauratieopgave voor molens voor de provinciale subsidie groter moet zijn dan € 120.000,–.