Regeling vervallen per 01-01-2015

Verstrekkingenboek voorzieningen maatschappelijke ondersteuning

Geldend van 23-02-2007 t/m 31-12-2014 met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2007

Intitulé

Verstrekkingenboek voorzieningen maatschappelijke ondersteuning

Verstrekkingenboek voorzieningen maatschappelijke ondersteuning

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ridderkerk;

Overwegende dat het de bevoegdheid heeft om regels te stellen omtrent de te verstrekken voorzieningen, financiële tegemoetkomingen, eigen bijdrage in de kosten en het persoonsgebonden budget in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo);

Gelet op de verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Ridderkerk 2006

Besluit:

Vast te stellen het navolgende Verstrekkingenboek voorzieningen maatschappelijke ondersteuning.

1. INLEIDING: WMO ALGEMEEN

1.1 Inleiding

Het verstrekkingenboek voorzieningen maatschappelijke ondersteuning is een nadere uitwerking van hetgeen in de verordening Voorzieningen maatschappelijke ondersteuning en het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning is bepaald.

In de verordening zijn begripsbepalingen opgenomen waar kortheidshalve naar wordt verwezen.

Het verstrekkingenboek beschrijft de onder de voorzieningen WMO vallende hoofdproducten hulp bij het huishouden, wonen, vervoer en rolstoelvoorzieningen. Het verstrekkingenboek geeft enig inzicht in de beoordeling van de verschillende voorzieningen en beschrijft veel zaken, die van belang zijn om tot een kwalitatief goede voorziening te komen.

Zowel het besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning als het verstrekkingenboek voorzieningen maatschappelijke ondersteuning zijn integraal onderdeel van de verordening en het daarin vastgelegde beleid. Aanvragers van voorzieningen kunnen zich, ook in bezwaar en beroepprocedures, beroepen op de genoemde documenten.

Bij de monitoring van het WMO beleid vanaf januari 2007 kan blijken, dat het beleid of de regels moeten worden bijgesteld. Dit kan eenvoudig door het besluit MO of het Verstrekkingenboek door het college te laten wijzigen, zonder de juridische basis van de WMO( i.c. de Verordening) aan te tasten.

Het gemeentebestuur draagt zorg voor de verstrekking van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen, rolstoelen en hulp in de huishouding ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in de gemeente Ridderkerk wonende burgers.

Het gemeentebestuur doet dit op basis van de Verordening Wet Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Ridderkerk 2007 ( hierna: de Verordening)

In deze verordening zijn de regels vastgelegd.

Deze regels hebben betrekking op de gevallen en de vorm waarin voorzieningen kunnen worden verleend, de hoogte van de financiële tegemoetkomingen en de procedure met betrekking tot de toekenning, herziening, beëindiging en terugvordering van voorzieningen.

Naast de gemeentelijke verordening en het uitvoeringsbesluit MO zijn de WMO verstrekkingen in dit Verstrekkingenboek vastgelegd.

Met deze verstrekkingen willen wij bewerkstellingen dat de WMO-consulent en de burger weten welke voorzieningen de gemeente in welke gevallen op grond van de verordening verstrekt.

Deze vaste lijn bevordert dat binnen het beoordelingstraject door de WMO consulenten gelijke gevallen gelijke voorzieningen geadviseerd krijgen.

De BAR gemeenten hebben in dit verstrekkingenboek hun beleid vastgesteld en openbaar gemaakt. De gemeenten wijzen er op, dat er, ondanks de uniforme verordening, verschillen kunnen zijn in hun uitvoeringsbeleid.

1.2 Compensatiebeginsel

Het centrale artikel in de Wmo voor de verstrekking van individuele voorzieningen is artikel 4, het artikel dat gemeenten de opdracht hiertoe geeft. Dit artikel luidt:

“1. Ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4°, 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, treft het college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen:

a. een huishouden te voeren;

b. zich te verplaatsen in en om de woning;

c. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;

d. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.

2. Bij het bepalen van de voorzieningen houdt het college van burgemeester en wethouders rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.”

We gaan er in deze beleidsregels van uit dat onder het voeren van een huishouden zowel de woonvoorzieningen als de hulp bij het huishouden moeten worden verstaan. Onder het zich verplaatsen in en om de woning is de rolstoelvoorziening gerekend. Onder het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel zijn de vervoersvoorzieningen begrepen.

Speciale aandacht verdient het compensatiebeginsel, dat is neergelegd in artikel 4, eerste lid van de wet. Het is eigenlijk het centrale artikel van de Wmo. De strekking ervan is anders dan die van de oude Wvg-zorgplicht. Die laatste plicht kwam (enigszins gechargeerd) in zekere zin neer op voorgeprogrammeerde oplossingen bij vaststaande handicaps. Het compensatiebeginsel beoogt weliswaar evenzeer om oplossingen bij medische problemen te bieden (hoewel de bijpassende terminologie nu ‘beperkingen’ is in plaats van ‘handicaps’), maar biedt de klant en de gemeente veel meer speelruimte om tot individuele oplossingen te komen. Het is maatwerk.

Een voorbeeld is de situatie waarin iemand een keukenaanpassing vraagt, maar uiteindelijk in overleg met de gemeente tot een toekenning van ondersteuning in het huishouden komt (HV), misschien in combinatie met enkele kleine aanpassingen. Dit eventueel nog gecombineerd met wat mantelzorg. Allerlei maatwerkvarianten zijn denkbaar.

De wens van de klant/aanvrager kan een rol spelen in dit proces van het zoeken van de meest adequate compensatie, maar is op zichzelf niet doorslaggevend. Objectiveringen, zoals bijvoorbeeld de leeftijd, de ernst van de beperking, de eventueel verwachte progressie van de beperking, de aanwezigheid van mantelzorg en dergelijke en de kosten van de diverse alternatieven spelen alle een rol in de uiteindelijke toekenning.

Bij de uitwerking van het tweede lid van artikel 4 Wmo moet nog in het bijzonder aandacht worden besteed aan het tweede deel van deze bepaling, dat luidt: “ (…) houdt het college van burgemeester en wethouders rekening met (...) alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.”

Het is deze bepaling die het college in staat stelt inkomensgrenzen te stellen voor bepaalde voorzieningen bij een bepaald inkomen. Bijvoorbeeld: bij een (verzamel)inkomen van € XX.000,-- wordt een aanvrager verondersteld woningaanpassingen zelf te kunnen bekostigen en wordt geen individuele voorziening meer verstrekt. Een dergelijke inkomensgrens bestond in de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) ook al, maar was daar gebaseerd op het begrip “algemeen gebruikelijk”. Dit was een begrip dat vooral in de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep was uitgewerkt, en dat met name leidde tot een inkomensgrens voor vervoersvoorzieningen. De formulering van artikel 4, tweede lid Wmo is echter veel algemener. Wellicht kan zelfs gedacht worden aan een formulering waarbij alle individuele voorzieningen boven een bepaald (verzamel-) inkomen niet meer verstrekt hoeven worden. Dit zou sterk nivellerend kunnen werken en is derhalve te kenschetsen als een inkomenspolitieke maatregel.

Dan nog het volgende. De artikelen 40 en 41 Wmo bevatten overgangsrecht. Artikel 40 voor de Wvg en artikel 41 voor de AWBZ. Het overgangsrecht voor de Wvg is helder: wie op 31 december 2006 een Wvg-voorziening heeft, behoudt deze voorziening (onder Wvg-regelgeving) zo lang de beschikking loopt met een maximum van twee jaar. De Wvg wordt al door gemeenten uitgevoerd, zodat de uitvoering van dit overgangsrecht geen problemen op zal leveren. Maar anders ligt het met de AWBZ. Die wordt immers niet door gemeenten uitgevoerd, terwijl toch de AWBZ-rechten (net als bij de Wvg) maximaal een jaar blijven bestaan. Daarom zullen de verschillende mogelijkheden van overgangsrecht in een bijlage worden uitgewerkt.

Tot slot één korte opmerking over de terminologie. Er is in de terminologie van de Wmo geen sprake meer van ‘handicap’, maar van ‘beperking’. In dit verstrekkingenboek is er niet voor gekozen om consequent voor de term ‘beperking’ te kiezen. Hiervoor kunnen twee argumenten worden gegeven. Ten eerste hanteren de verordening en haar toelichting zelf de begrippen niet consequent, maar door elkaar. En ten tweede is de term ‘beperking’ weliswaar net zo gemakkelijk als de term ‘handicap’, maar de term ‘persoon met een beperking’ ligt aanzienlijk minder gemakkelijk in het gehoor dan de term ‘gehandicapte’. Op voorhand valt verder niet in te zien dat de ene term maatschappelijk gevoeliger zou liggen dan de andere.

1.3 Verschillende wijzen om individuele voorzieningen te verstrekken

1.3.1 Inleiding

Artikel 6 van de Wmo bepaalt het volgende:

Gevolg van deze regel is dat er drie vormen van verstrekking van individuele voorzieningen mogelijk zijn.

  • 1.

    Vooziening in natura. Dat wil zeggen dat de gemeente de aanvrager een voorziening verstrekt die hij of zij kant en klaar krijgt. De voorziening wordt verstrekt.

  • 2.

    Persoonsgebonden budget. Artikel 6 Wmo bepaalt dat er een verplicht alternatief voor een voorziening in natura geboden moet worden en wel in de vorm van een persoonsgebonden budget.

  • 3.

    De derde vorm van verstrekking is de financiële tegemoetkoming, zo blijkt uit artikel 7, tweede lid Wmo:

In relatie tot bouwkundige woonvoorzieningen wordt – in navolging van de Wvg – de verplichting opgelegd om een financiële tegemoetkoming uit te betalen aan de eigenaar van de woning (zijnde de belanghebbende). Een dergelijke financiële tegemoetkoming kan alleen al om die reden in sommige situaties geen persoonsgebonden budget genoemd worden.

Ook zal soms een financiële tegemoetkoming verstrekt worden als het gaat om een taxi- of een rolstoeltaxikostenvergoeding die op declaratiebasis wordt verstrekt.

1.3.2 Het persoonsgebonden budget

Artikel 2.2 van de verordening bepaalt:

  • 1.

    Een pgb wordt alleen verleend voor individuele voorzieningen.

  • 2.

    De omvang van het pgb is de tegenwaarde van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate te verlenen voorziening in natura, indien nodig aangevuld met een vergoeding voor instandhoudingskosten, minus de eigen bijdrage.

  • 3.

    Het besluit tot verlening van een pgb bevat een program van eisen waarin staat vermeld aan welke eisen de met het pgb te verwerven voorziening dient te voldoen.

  • 4.

    Het college gaat steekproefsgewijs na of het verleende pgb besteed is aan de voorziening(en) waarvoor het is verleend. Op verzoek van het college verstrekt de budgethouder de hiervoor noodzakelijke stukken per omgaande aan het college.

  • 5.

    Op grond van de in het vorige lid bedoelde bescheiden kan het college besluiten een pgb geheel of gedeeltelijk terug te vorderen of te verrekenen.

Dit artikel is een uitwerking van artikel 6 Wmo. In de parlementaire behandeling van de Wmo is aangegeven dat er uitzonderingen mogelijk zijn, met name als het gaat om personen, waarvan verwacht kan worden dat zij niet met het beschikbare geld kunnen omgaan.

In een Algemeen Overleg over een aan de Wmo verwante zaak, het bovenregionale vervoer Valys, heeft de Tweede Kamer op 29 maart 2006 uitgesproken dat deze regel niet bedoeld is om goed draaiende systemen, zoals bijvoorbeeld collectiefvervoerssystemen, in gevaar te brengen. Als bijvoorbeeld in plaats van collectief vervoer (een voorziening in natura) een persoonsgebonden budget zou moeten worden verstrekt, zou de mogelijkheid bestaan dat door een leegloop van het collectief vervoer de basis onder dit vervoer uit zou vallen. Voor diegenen die afhankelijk zijn van collectief vervoer zou zo een natura-voorziening wegvallen. Daarom is in de verordening nog steeds het primaat van het collectief vervoer opgenomen. Bij verzoeken om een persoonsgebonden budget van een aanvrager die medisch gezien wel van het collectief vervoer gebruik kan maken, zal deze aanvraag afgewezen worden.

Of er andere redenen zullen zijn waarom het toekennen van een persoonsgebonden budget geweigerd moet worden is op dit moment nog niet te overzien. In de uitvoering zal duidelijk worden of er ook andere situaties zijn waarin weigering op zijn plaats is. Deze nieuwe situaties zullen later toegevoegd kunnen worden. Dergelijk voortschrijdend inzicht kan in de vorm van beleidsregels gemakkelijk worden verwerkt.

Artikel 2.2 van de verordening bepaalt de voorwaarde die van toepassing zijn op het persoonsgebonden budget. Een persoonsgebonden budget kan alleen verstrekt wordt ten aanzien van individuele voorzieningen. Dat betekent dat bij algemene voorzieningen geen persoonsgebonden budget verstrekt wordt. Dat vloeit ook voort uit de aard van de algemene voorzieningen: dat zijn immers oplossingen die van korte duur zijn, lichte, niet complexe zorg betreffen of betrekking hebben op incidentele zorgbehoeften. Om deze voorzieningen snel te realiseren worden geen eigen bijdragen gevraagd. Daarbij is er een alternatieve mogelijkheid: indien de aanvrager van mening is dat de algemene voorziening geen adequate oplossing is of een persoonsgebonden budget verstrekt moet worden, dan kan een aanvraag ingediend worden; of als al een aanvraag ingediend is, kan die volgens de reguliere regels van de Algemene wet bestuursrecht worden afgehandeld.

De regels voor algemene voorzieningen zijn de volgende:

  • ·

    het gaat om een voorziening die in tijd een korte duur heeft;

  • ·

    het gaat om een voorziening die betrekking heeft op lichte, niet complexe zorg, of

  • ·

    het gaat om een voorziening ten behoeve van een incidentele zorgbehoefte.

1.3.3 Omvang van het persoonsgebonden budget

De omvang van het persoonsgebonden budget zal bepaald moeten worden. Hierbij worden twee mogelijkheden onderscheiden:

  • -

    enerzijds het persoonsgebonden budget voor diensten, afkomstig uit de AWBZ, dat in de Wmo per 1 januari 2007 alleen maar betrekking heeft op hulp bij het huishouden;

  • -

    anderzijds het persoonsgebonden budget voor voorzieningen afkomstig uit de Wvg, zoals hulpmiddelen als woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen.

PGB voor hulp bij het huishouden

Bij zorg in het kader van de oude AWBZ-diensten gaat het om de betaling van tijd aan dienstverleners. De AWBZ kende al een dergelijk systeem van persoonsgebonden budgetten. Daarbij werd het persoonsgebonden budget vastgesteld op 100% van de tarieven zoals die berekend werden in de thuiszorg. Diegenen die op basis van overgangsrecht op 31 december 2006 een indicatie hebben, zullen ook in het jaar 2007 deze bedragen nog ontvangen zolang als de indicatie duurt, doch maximaal tot en met 31 december 2007. Daarna vallen zij onder de gemeentelijke regels.

PGB voor overige voorzieningen

Wat betreft de voorzieningen afkomstig uit de Wvg zal per toekenning een berekening gemaakt moeten worden. De kosten van de voorziening, indien deze in natura zou worden verstrekt, zijn daarbij uitgangspunt. Dat kan afgeleid worden uit bijvoorbeeld een offerte. Daar kunnen bedragen bij opgeteld worden voor het onderhoud en de reparaties van de voorziening, voor zover daar sprake van kan zijn. Deze bedragen zijn bij verstrekking in eigen beheer bekend vanuit het verleden, of kunnen bij verstrekking via een leverancier bij de leverancier worden opgevraagd.

Bij het bepalen van het bedrag van de voorziening wordt dus uitgegaan van het bedrag dat de voorziening bij verstrekking in natura zou kosten. Daarbij zal veelal sprake zijn van kortingen, omdat via een contract met een leverancier een grote hoeveelheid voorzieningen afgenomen wordt. Deze korting wordt doorberekend naar het persoonsgebonden budget. Het is immers niet de bedoeling dat een persoonsgebonden budget meer geld gaat kosten dan een verstrekking in natura.

Ondersteuning SVB (artikel 11 Besluit maatschappelijke ondersteuning)

Bij een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden kan ook gebruik worden gemaakt van de ondersteuning die door de SVB wordt aangeboden. De gemeente heeft hiervoor een overeenkomst afgesloten met de SVB

1.3.4 Uitbetaling persoonsgebonden budget

Als het persoonsgebonden budget berekend is, kan het bij beschikking aan de aanvrager worden bekendgemaakt. In deze beschikking wordt vermeld:

  • -

    wat de omvang van het persoonsgebonden budget;

  • -

    voor hoeveel jaar het persoonsgebonden budget bedoeld is;

  • -

    aan welke eisen de PGB houder moet voldoen.

Om volstrekt duidelijk te laten zijn wat met het persoonsgebonden budget dient te worden aangeschaft en meer precies: aan welke vereisten de aan te schaffen voorziening dient te voldoen, wordt een zo nauwkeurig mogelijk omschreven programma van eisen bij de beschikking gevoegd. Hierdoor kan voorkomen worden dat door onduidelijkheid omtrent de eisen die aan de voorziening gesteld moeten worden een verkeerde voorziening wordt aangeschaft. Dat zou tot inadequate voorzieningen kunnen leiden, hetgeen op zich weer tot nieuwe aanvragen aanleiding zou kunnen zijn. Dit is uitsluitend te voorkomen door een program van eisen onderdeel uit te laten maken van de beschikking. Wordt dan toch een voorziening aangeschaft die niet aan dat programma van eisen voldoet, dan is gehandeld in strijd met de beschikking.

In de beschikking zal ook opgenomen moeten worden dat er een eigen bijdrage/eigen aandeel in de kosten verschuldigd is. Omdat die eigen bijdrage vastgesteld en geïnd zal worden door het CAK, zal in de meeste gevallen uitsluitend een aankondiging opgenomen kunnen worden.

Is de beschikking verzonden, dan kan het persoonsgebonden budget beschikbaar worden gesteld. Indien daar aanleiding voor is, kan er ineens betaald worden: een aan te schaffen voorziening zal bijvoorbeeld ook in één keer betaald moeten worden. Veelal zal er echter betaald worden in termijnen. Wanneer dat inderdaad het geval is, dan wordt er eens per vier weken betaald. Een jaar telt dertien periodes van vier weken. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden.

De controle op de besteding van het persoonsgebonden budget kan als volgt plaatsvinden. Bij iedere ontvanger van een persoonsgebonden budget wordt aan de hand van:

  • -

    de nota/factuur van de aangeschafte voorziening;

  • -

    een betalingsbewijs van aanschaf van de voorziening, of

  • -

    een overzicht van de salarisadministratie met bewijsmiddelen,

nagegaan of het persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het bestemd is. Is dat het geval, dan hoeft er verder niets te gebeuren. Is het persoonsgebonden budget anders besteed dan bedoeld, dan kan het college overwegen het persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk terug te vorderen. Daarbij zal leidend zijn of er opzet in het spel is geweest of onwetendheid. In die laatste situatie kan overlegd worden dat deze situatie in de toekomst vermeden dient te worden. Bij opzet moet op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur afgewogen worden of terugvordering in verhouding staat tot wat er bewust onjuist is gedaan.

Iedere budgethouder dient in verband met de bovenbedoelde controle de volgende stukken te bewaren:

  • -

    de nota/factuur van de aangeschafte voorziening;

  • -

    een betalingsbewijs van aanschaf van de voorziening, of

  • -

    of een overzicht van de salarisadministratie met bewijsmiddelen,

al naar gelang de gekozen variant van controle. Het college kan er ook voor kiezen om steekproefsgewijs te bepalen bij welke budgethouders deze stukken zullen worden opgevraagd om te controleren of het persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het verstrekt is.

1.3.5 Eigen bijdrage

Artikel 2.3 van de verordening bepaalt dat bij een te verstrekken persoonsgebonden budget een eigen bijdrage verschuldigd kan zijn. Deze eigen bijdrage wordt berekend door het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Het CAK werkt met verzamelinkomens vanuit een peiljaar, welk jaar twee jaar voor het lopende jaar ligt. Dit is noodzakelijk om over de verzamelinkomens, die afkomstig zijn van de belastingdienst, te kunnen beschikken. In 2006 doet men aangifte over 2005, dus dat jaar is nog niet bekend. Vandaar dat het verzamelinkomen over 2004 in 2006 gebruikt wordt. Dit betekent dat er soms een voorlopige vaststelling zal plaatsvinden en achteraf een definitieve vaststelling. Het in mindering brengen van eigen bijdragen of een eigen aandeel zal daardoor vaak niet mogelijk zijn. Al deze activiteiten zullen door het CAK worden uitgevoerd.

Wordt een voorziening niet als persoonsgebonden budget verstrekt, maar in natura, dan zal toekenning ook bij beschikking plaatsvinden. In de beschikking worden de voorwaarden opgenomen waaronder verstrekking plaatsvindt.

Ook nu geldt dat een eventueel te betalen eigen bijdrage door de gemeente meestal slechts aangekondigd kan worden, aangezien berekening en inning plaats zal vinden via het CAK.

Inning van de eigen bijdrage door het CAK

Vanaf 1 januari 2007 voert het CAK-BZ wettelijk de eigen bijdrageregeling Wmo uit. Van

de huidige eigen bijdrage plichtige AWBZ- producten wordt de gehele functie Huishoudelijke Hulp (HH) overgeheveld van de AWBZ naar de Wmo. Door het CAK is een uitgebreide handleiding opgesteld voor de heffing en incasso van de eigen bijdrage.

Opgemerkt wordt – wellicht ten overvloede, maar voor de zekerheid toch maar – dat alle in dit Verstrekkingenboek genoemde bedragen gelden op 1 januari 2007, maar jaarlijks (kunnen) worden aangepast, net als onder de Wvg het geval was. De bedragen zijn niet statisch. Aanpassing geschiedt via het Besluit maatschappelijke ondersteuning Ridderkerk. In dit Verstrekkingenboek wordt steeds verwezen naar de relevante artikelen uit dit besluit.

1.3.6 De eigen bijdrage in Ridderkerk

De Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) handelt over eigen bijdragen en het eigen aandeel bij financiële tegemoetkomingen.

Daarin wordt aangegeven welke bedragen de minister als maximum laat gelden voor welke groepen. Tevens wordt aangegeven dat de gemeenteraad kan bepalen dat de genoemde bedragen in gelijke mate gewijzigd worden. Ook het percentage van 15% kan door de gemeenteraad naar beneden gewijzigd worden.

De AMvB bepaalt dat bij roerende zaken die in eigendom worden verschaft of bij bouwkundige of woontechnische aanpassingen de eigen bijdrage of het eigen aandeel over maximaal 39 perioden van vier weken gevraagd mag worden.

Op grond van de nota ‘Eigen bijdrage en de WMO’ (Raadsbesluit ‘Eigen bijdrage, december 2006) is gekozen voor voortzetting van het huidige beleid, waarbij de eigen bijdrage voor de voorzieningen van de WMO afgestemd wordt op de eigen bijdrage zoals deze ook van toepassing was op de voorziening in de WMO en de AWBZ.

Voor onroerende woonvoorzieningen was sprake van een eigen bijdrage binnen de Wvg.

Hierbij werd uitgegaan van het inkomen. Op basis van een inkomensgrens werd vastgesteld dat 25% of 50% van de voorziening beschouwd diende te worden als eigen bijdrage.

Binnen de WMO zijn de mogelijkheden voor het heffen van een eigen bijdrage beperkt. Er kan gekozen worden voor een vaste inkomensonafhankelijke eigen bijdrage en een inkomensafhankelijk eigen bijdrage.

Voor de inkomensafhankelijke eigen bijdrage zijn inkomensgrenzen benoemd.

Door het laten vervallen van de inkomensonafhankelijke eigen bijdrage en het opleggen van een inkomensafhankelijke eigen bijdrage voor een periode van 1 jaar wordt de ‘oude’ eigen bijdrage regeling uit de Wvg benaderd.

Echter in alle gevallen zal dit ook leiden tot situaties waarbij een nadeel ontstaat ten opzichte van de ‘oude’ systematiek.

De WMO gaat uit van een inkomensafhankelijke bijdrage van 15%, waarbij niet gekeken wordt naar de kostprijs van de feitelijke voorziening. Overigens kan de eigen bijdrage nooit meer zijn dan de kostprijs van de voorziening.

Het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gaat uit van een eigen bijdrage voor de hulp bij het huishouden (artikel 4 tot en met 7) en woonvoorzieningen (artikel 8 en 9). Indien een voorziening bestaat uit een roerende zaak die in eigendom wordt verstrekt of uit een bouwkundige of woontechnische aanpassing van een woning die eigendom is van de aanvrager, wordt een eigen bijdrage in rekening gebracht.

Tevens is geregeld hoe de financiële tegemoetkoming minus het eigen aandeel of het persoonsgebonden budget voor een woonvoorziening wordt vastgesteld.

Het gaat daarbij om de kosten van de door het college goedgekeurde offerte. Daarin kan een aantal kosten teruggevonden worden. Te denken valt hierbij aan de kosten van bouw, maar ook aan eventuele kosten architect, kosten van vergunningen en kosten van toezicht.

2. Het verkrijgen van een voorziening

2.1 Aanvraag

Een voorziening wordt uitsluitend verstrekt op aanvraag. Op een aanvraag is de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De werking van de Algemene wet bestuursrecht wordt in dit verstrekkingenboek bekend verondersteld. Hier wordt niet nader op ingegaan.

Aanvragen in het kader van de Wmo kunnen uitsluitend schriftelijk worden ingediend. Dit gebeurt ingevolge artikel 7.1 van de verordening aan de hand van een speciaal aanvraagformulier. Voordeel van een dergelijk formulier is dat als het geheel ingevuld is, alle voor de behandeling noodzakelijke gegevens beschikbaar zijn.

De aanvraag dient krachtens artikel 7.2 van de verordening ingediend te worden bij de Wijzerplaats, dit loket is tevens bedoeld is voor het indienen van aanvragen in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Is op het terrein van de Wmo en op het terrein van de AWBZ tegelijkertijd een aanvraag noodzakelijk, dan kan die aanvraag in één keer worden gedaan. Op deze wijze is voldaan aan het vereiste van de Wmo dat er een relatie gelegd dient te worden tussen de indicatie ten aanzien van de AWBZ en aanvragen ten aanzien van de Wmo.

Als het aanvraagformulier volledig is en alle noodzakelijke gegevens tegelijkertijd verstrekt zijn, kan de aanvraag in behandeling worden genomen. Voor het behandelen van de aanvraag is een termijn van acht weken beschikbaar.

Als het niet lukt binnen de voorgeschreven acht weken op een aanvraag een beschikking te nemen, dan zal voor het verstrijken van deze termijn betrokkene daarvan op de hoogte moeten worden gesteld, onder vermelding van de nieuwe termijn waarbinnen nu een besluit verwacht kan worden.

2.2 Onderzoek – doelgroep

Het eerste dat bij een aanvraag moet gebeuren is de beoordeling of de aanvrager behoort tot de doelgroep van de Wmo. Daarvoor liggen enkele uitgangspunten in de Wmo zelf en aanvullend hierop ook enkele in de verordening. In de Wmo zelf liggen de volgende uitgangspunten. Artikel 2 Wmo bepaalt:

Er zal dus altijd moeten worden nagegaan of de aangevraagde voorziening wellicht valt onder andere regelingen. Het gaat hierbij uitsluitend om wettelijke bepalingen. Daaronder kan de AWBZ worden gerekend, maar ook de WIA. Artikel 4 van de Wmo spreekt van

Die persoon uit het eerste lid onder g, onderdeel 4, 5 en 6 is:

Het gaat daarbij om:

  • 1.

    mantelzorgers;

  • 2.

    mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en mensen met een psychosociaal probleem ten aanzien van deelname aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig functioneren;

  • 3.

    mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en mensen met een psychosociaal probleem ten aanzien van voorzieningen ten behoeve van het behouden en bevorderen van het zelfstandig functioneren of deelname aan het maatschappelijk verkeer.

Als het gaat om het onderdeel ‘mantelzorgers’ in relatie tot voorzieningen geldt dat zij alleen voor voorzieningen in aanmerking kunnen komen als zij die voorzieningen zelf nodig hebben. Heeft degene die de mantelzorg ontvangt voorzieningen nodig, dan zullen die uiteraard op zijn of haar naam aangevraagd moeten worden.

Ten aanzien van hulp bij het huishouden kan een uitzondering worden gemaakt. Als de mantelzorger bijvoorbeeld de mantelzorg (bestaande uit persoonlijke verzorging) door overbelasting niet meer (geheel) aan zou kunnen, zou een indicatie hulp bij het huishouden gesteld kunnen worden, zodat de mantelzorger die hulp niet meer hoeft te geven en meer tijd overhoudt voor de persoonlijke verzorging.

Het is dus niet zo dat de mantelzorger hulp bij het huishouden in zijn eigen huishouden aan kan vragen ter ontlasting, zodat de mantelzorg gemakkelijker te verlenen is. Het moet altijd gaan om het huishouden van de zorgvrager.

Ten aanzien van de onder 2 en 3 genoemde groepen, mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en mensen met een psychosociaal probleem zal vaak een medisch advies nodig zijn om vast te stellen waar de beperkingen/belemmeringen uit bestaan, of een en ander te objectiveren is en welke mogelijkheden er zijn om de problemen op te lossen.

In de verordening is in de verschillende hoofdstukken een eis vastgelegd bestaande uit ‘beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek’ of ‘aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek’. Er wordt dus een aanvullende eis gesteld dat er sprake moet zijn van (aantoonbare) beperkingen op grond van ziekte of gebrek. Het gaat hierbij om een medisch oordeel. Ook binnen de Wmo zal, net als binnen de Wvg en de AWBZ, de medische noodzaak centraal staan bij het toekennen van voorzieningen. Via een medisch onderzoek zal vastgesteld moeten worden of er inderdaad een medische noodzaak bestaat.

Als is vastgesteld of er medisch gezien sprake is van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, en als de beperkingen zijn geïnventariseerd en de oplossingen helder zijn, speelt de vraag of er algemene beperkingen zijn. Deels zal deze vraag ook eerder spelen. Immers: het heeft weinig zin een uitgebreid medisch onderzoek te starten als tevoren duidelijk is dat het probleem tijdelijk is en dus niet voldaan kan worden aan het criterium langdurig-noodzakelijk.

Bij de behandeling van de aanvraag van voorzieningen spelen enkele algemene beperkingen, zoals vastgelegd in de verordening in artikel 1.2. Het gaat daarbij om de begrippen:

  • -

    langdurig noodzakelijk (artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder a);

  • -

    goedkoopst-adequaat (artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder c) en;

  • -

    in overwegende mate op het individu gericht (artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder b).

Verder behoeft in een aantal situaties geen voorziening toegekend te worden. Dit is het geval bij:

  • -

    een algemeen gebruikelijke zaak;

  • -

    de aanwezigheid van een voorliggende voorziening;

  • -

    als de aanvrager niet woonachtig is binnen de gemeente waar de aanvraag wordt ingediend;

  • -

    voor zover de ondervonden problemen voortvloeien uit de aard der gebruikte materialen;

  • -

    voor zover de aanvraag gericht is op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau sociale woningbouw;

  • -

    voor zover geen sprake is van meerkosten;

  • -

    voor zover de kosten gemaakt zijn voorafgaand aan het moment van beschikken;

  • -

    voor zover de aanvraag betrekking heeft op een reeds eerder verstrekte voorziening en de normale afschrijvingstermijn van deze voorziening nog niet is verstreken, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen.

2.2 Begrippen en toetsingskader

2.3.1 Beperkingen

Volgens de definitie van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning dient een voorziening te worden verstrekt voorzover deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op te heffen of te verminderen op de in de wet genoemde prestatievelden. Dit verstrekkingenboek beperkt zich met name tot prestatieveld 6, het verstrekken van voorzieningen ex. WVG en de hulp bij het huishouden, de nieuwe taak van de gemeente.

2.3.2 Langdurig noodzakelijk

De eis dat een voorziening langdurig noodzakelijk moet zijn, heeft te maken met de afgrenzing met het hulpmiddelendepot dat op basis van de AWBZ beschikbaar wordt gesteld. Uit het hulpmiddelendepot kan gedurende drie maanden, éénmaal te verlengen met nog eens drie maanden, een hulpmiddel worden geleend. Na die periode bestaat de mogelijkheid het hulpmiddel tegen betaling te huren. Dat wil evenwel niet zeggen dat de grens van langdurig noodzakelijk op zes maanden ligt. De grens wordt eerder bepaald door de vraag: gaat het probleem over of is het blijvend? Als iemand een probleem heeft dat acht of tien maanden zal duren maar daarna over zal zijn, mag ervan worden uitgegaan dat geen sprake is van een langdurige noodzaak. Dat kan ook gelden bij een aanvrager die terminaal is. Als de levensverwachting vier maanden is, is duidelijk dat er in principe geen aard- en nagelvaste voorzieningen worden verstrekt. Is dit stadium niet in te schatten dan kan er voor gekozen worden een voorziening als langdurig noodzakelijk aan te merken.

Wie tijdelijk beperkingen ondervindt, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast staat dat de aard van de handicap van voorbijgaande aard is, komt niet voor een voorziening in het kader van de WMO regels in aanmerking.

2.3.3 Goedkoopst-adequaat

Het criterium goedkoopst-adequaat betekent dat een te verstreken voorziening allereerst adequaat dient te zijn. Zijn er twee of meer voorzieningen adequaat, dan mag gekozen worden voor de goedkoopste voorziening.

Adequaat

Van adequaat is sprake als een voorziening of een combinatie van voorzieningen, de belemmeringen die de gehandicapte op een bepaald gebied ondervindt wegneemt, of als dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk vermindert. Onder een voorziening wordt een verantwoorde voorziening verstaan.

Bij toepassing van bovenstaande regels wordt als volgt rekening gehouden met de persoonlijke wensen van de cliënt:

  • -

    Als twee voorzieningen ongeveer even duur zijn, mag de cliënt kiezen.

  • -

    Als de gehandicapte de voorkeur geeft aan een duurdere uitvoering van de (goedkoopst adequate) voorziening dan mag hiervoor worden gekozen, mits de gehandicapte het prijsverschil zelf (vooraf) bijbetaalt. De risico’s die hieraan verbonden zijn, zijn voor de cliënt.

Bij verstrekking van hulpmiddelen gelden bovendien de volgende regels:

  • -

    De keuzevrijheid is beperkt tot de hulpmiddelen die door de leverancier in huur aan de gemeente kunnen worden verstrekt.

  • -

    Ten aanzien van de hulpmiddelen heeft de cliënt keuze uit het,

van het door de gemeente aangewezen, leverancier(s).

Ten aanzien van de keuzemogelijkheid bij woningaanpassing en woonvoorzieningen van niet-bouwkundige en/of woontechnische aard dat de voorziening pas wordt verstrekt als er voldoende financiële middelen aanwezig zijn om de kosten te betalen van het, niet door de gemeente bekostigde, deel van de voorziening.

Verantwoorde voorzieningen

Verantwoorde voorzieningen zijn, voorzieningen die doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht worden verleend. Hiervan is sprake als:

-de voorziening de belemmering opheft of, als dat onmogelijk is,

de belemmering vermindert en de mogelijkheid biedt deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer;

  • -

    de voorziening toegesneden is op de belemmeringen van de cliënt en diens individuele omstandigheden;

  • -

    de toegekende voorziening de mogelijkheid biedt om normaal van de woning gebruik te maken;

  • -

    de toegekende voorziening de mogelijkheid biedt om in aanvaardbare mate deel te nemen aan het leven van alledag;

  • -

    de voorziening gericht is op een aanzienlijke versterking van de zelfstandigheid en de zelfregie van de aanvrager;

  • -

    de cliënt met de toegekende voorziening de verschillende sociale rollen zo veel mogelijk kan vervullen, zoals bijvoorbeeld de rol van partner en ouder.

Goedkoopst

De goedkoopste voorziening wordt beschouwd vanuit het gezichtspunt van de gemeente: het gaat om de voorziening die voor de gemeente het goedkoopst is. Daarbij kan ook rekening gehouden worden met zogenaamde macro-overwegingen, overwegingen die het gehele beleid en de consequenties betreffen. Collectief vervoer ontleent zijn besparingen vanuit de mogelijkheden combinatieritten te maken die de kilometerprijs naar beneden kunnen brengen. Het is dus in het belang van het systeem zoveel mogelijk gebruikkers te hebben. Dat mag meetellen: dus ook al is een individuele aanvrager wellicht goedkoper met een andere voorziening dan collectief vervoer, mee mag tellen dat als er uitzonderingen gemaakt worden de basis onder het collectief vervoer in gevaar zou kunnen komen.

2.3.4 In overwegende mate op het individu gericht

Een voorziening kan worden toegekend voor zover deze in overwegende mate op het individu gericht is.

De belanghebbende die bijvoorbeeld een vervoersvoorziening nodig heeft, kan die voorziening alleen ten eigen nutte aanvragen.

Wel worden voorzieningen verstrekt die naast een individueel ook een gezamenlijk karakter hebben. Het belangrijkste voorbeeld is het WVG – en Ouderenvervoer Ridderkerk en Ridderkerk.

Het spreekt voor zich dat een collectieve voorziening niet in overwegende mate op het individu gericht is, het compensatiebeginsel dat de gemeente via dat collectieve vervoerssysteem vervult is dat wel.

Bij het verstrekken van voorzieningen wordt in principe alleen rekening gehouden met de aanvrager. Huisgenoten en anderen vallen buiten de voorziening. Een enkele keer zal hier een uitzondering op gemaakt moeten worden. Dat kan aan de hand van de hardheidsclausule.

2.3.5 Een algemeen gebruikelijke zaak

Het begrip algemeen gebruikelijk stamt nog uit de tijd van de AAW. Volgens de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is een zaak algemeen gebruikelijk indien de volgende criteria van toepassing zijn:

  • 1.

    de voorziening is niet speciaal voor gehandicapten bedoeld;

  • 2.

    de voorziening is in de reguliere handel verkrijgbaar;

  • 3.

    de voorziening is in prijs vergelijkbaar met soortgelijke producten.

Als een voorziening voor een persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk is, vindt geen verstrekking plaats in het kader van de Wmo. Het begrip algemeen gebruikelijk is in beweging. Wat algemeen gebruikelijk is zal regelmatig worden getoetst aan algemeen maatschappelijke normen. Met een persoon als aanvrager wordt bedoeld een niet gehandicapte persoon die in vergelijkbare situatie verkeert, bijvoorbeeld wat betreft inkomen en leeftijd en waarbij het aannemelijk is te achten dat deze persoon over deze voorziening ook de beschikking zou hebben gehad indien hij niet gehandicapt zou zijn geweest. Om te bepalen of een voorziening voor een persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk is, zal daarom een individuele toets moeten plaatsvinden. De hoogte van het inkomen van de aanvrager kan daarbij een rol spelen.

Zo wordt een aantal voorzieningen algemeen gebruikelijk geacht boven een bepaalde inkomensgrens (bijvoorbeeld het bezit en de kosten van een auto).

Bij beoordeling van het begrip algemeen gebruikelijk spelen de volgende criteria een rol:

  • -

    De voorziening is niet speciaal voor gehandicapten gemaakt of bedoeld en/of

  • -

    De voorziening is gewoon overal in de (reguliere) winkels te koop en/of

  • -

    De voorziening is niet duurder dan vergelijkbare producten.

Uitzonderingen:

-Door plotseling ontstaan van ziekte of gebrek moeten acuut algemeen gebruikelijke voorzieningen worden vervangen voordat deze zijn afgeschreven. In het geval van het bestaan van een ziekte of aandoening waarvan het verloop grillig en moeilijk voorspelbaar is, zal bij een toename van de beperkingen worden gekeken of sinds het vaststellen van de diagnose rekening is gehouden met de aanschaf of vervanging van algemeen gebruikelijke voorzieningen in relatie tot de grillig en moeilijk voorspelbare ziekte of aandoening.

Verhuizen en algemeen gebruikelijk

Ook verhuizen kan algemeen gebruikelijk zijn. Zoals jongeren de deur uit gaan om zelfstandig te gaan wonen, zo verhuizen ouderen op een bepaalde leeftijd vaak als het huis te groot is nu de kinderen de deur uit zijn en ze minder goed trappen kunnen lopen. De gemeente verstrekt daarom slechts een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten, indien de persoon met beperkingen niet gaat verhuizen op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie de verhuizing ook zonder handicap algemeen gebruikelijk geacht zou zijn.

2.3.6 Een voorliggende voorziening

Als er andere voorzieningen zijn, publiekrechtelijk dan wel privaatrechtelijk, die het vraagstuk oplossen, dan is er geen noodzaak om een oplossing te treffen via de Wmo.

2.3.7 De aanvrager is niet woonachtig is binnen de gemeente

Op grond van de verordening (artikel 1.2 lid 2 onder b dient de aanvrager woonachtig te zijn in de gemeente.

2.3.8 Probleem vloeit voort uit de aard van het gebruikte materiaal

Als dit aan de orde is, zal ook geen voorziening worden verstrekt. Het zal hierbij vooral om woonvoorzieningen gaan, waarbij te denken valt aan spaanplaat dat deformaldehydegas bevat, halfsteens muren op het westen die veel waterdoorslag geven en dus veel vochtigheid binnen veroorzaken, enzovoort. Iedereen, ongeacht een eventuele handicap, zal met dit soort materialen dezelfde problemen kunnen ondervinden. Het probleem wordt dus niet veroorzaakt door de combinatie handicap-woning, maar door de gebruikte materialen, reden om een voorziening te weigeren.

2.3.9 Uitrustingsniveau sociale woningbouw is standaard

Iedereen woont naar inkomen. Wie een hoog inkomen heeft, zal een groter huis kunnen bewonen dan iemand met een minimuminkomen. Het is niet realistisch hiermee bij de toekenning van voorzieningen (zowel woonvoorzieningen als hulp bij het huishouden als bijvoorbeeld vervoersvoorzieningen) rekening te houden. Er wordt geen extra hulp bij het huishouden toegekend voor een inpandig zwembad. Maar ook een garage wordt in principe niet aangepast. Uitzondering kan worden gemaakt als de garage gebruikt moet worden als stalling voor een scootermobiel. Maar alle extra of duurdere voorzieningen worden door deze regel beheerst: uitgangspunt is niveau sociale woningbouw. En dat niveau biedt geen ruimte voor inpandige zwembaden, ook niet voor garages.

2.3.10 Voor zover geen sprake is van meerkosten

In deze situaties wordt ook geen voorziening verstrekt. De Wmo kent immers het compensatiebeginsel. Maar dan moet er wel wat te compenseren zijn. Iemand die op grond van zijn inkomen verondersteld wordt een auto te hebben, zal, als hij die auto moet hebben vanwege een handicap, niet in een andere situatie komen. Er zijn dan geen meerkosten die gecompenseerd moeten worden.

Het onderzoek naar meerkosten is van belang in situaties waarin twijfel bestaat over de noodzaak van een voorziening.

2.3.11 Kosten gemaakt voorafgaand aan het besluit

Dit wil zeggen: het is een aanvrager niet toegestaan de gemeente voor een voldongen feit te stellen waarbij de gemeente geen invloed meer kan uitoefenen op de te verstrekken voorziening. Met andere woorden: wie een voorziening aanschaft en daarna aanvraagt, loopt de kans op een afwijzing. Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat deze regel niet zonder meer mag worden toegepast. De Centrale Raad gaat er van uit dat de regel bedoeld is om controle achteraf mogelijk te maken. Bij een woningaanpassing zou na een verbouwing bijvoorbeeld niet meer vastgesteld kunnen worden of er een goedkoper alternatief heeft bestaan. Dat heeft tot consequentie dat indien achteraf toch nog gecontroleerd kan worden wat de goedkoopst-adequate oplossing was, een afwijzing achterwege moet blijven. Uiteraard kan dan wel de goedkoopst-adequate voorziening verstrekt worden, ook al is de aangeschafte voorziening aanzienlijk duurder. Dat is dan de consequentie voor de aanvrager die voor de beschikking zelf iets heeft aangeschaft.

2.3.12 Aanvraag binnen afschrijvingstermijn

In deze situaties zal geen nieuwe voorziening verstrekt worden. Dit is een vergaande regel, die altijd goed voorbereid en onderbouwt dient te worden. Toch komt het met enige regelmaat voor dat door onzorgvuldig gebruik of zelfs misbruik regelmatig reparaties nodig zijn om bijvoorbeeld een scootermobiel rijdend te houden. Dit kan gebeuren uit onzorgvuldigheid, onder invloed van alcohol of drugs enzovoort. Bij herhaling van dit soort problemen is het goed eerst met betrokkene te overleggen en duidelijk te maken dat dit in strijd is met de bruikleenovereenkomst. Heeft een dergelijk gesprek geen resultaat, dan kan overgegaan worden tot een aangetekende waarschuwing dat bij herhaling de voorziening zal worden ingenomen. Herhaalt het probleem zich dan weer, dan kan tot inname worden overgegaan en hoeft er geen herverstrekking plaats te vinden.

Hetzelfde geldt als door grove nalatigheid bijvoorbeeld een voorziening verloren gaat. Gedurende de verdere afschrijvingsperiode hoeft dan geen nieuwe voorziening verstrekt te worden. Zeker bij personen die afhankelijk zijn van voorzieningen kan dit een zeer ingrijpende, maar noodzakelijke maatregel zijn.

Als iemand een persoonsgebonden budget heeft, kan op gelijke wijze bij verloren gaan gedurende de looptijd gehandeld worden.

2.3.13 Hardheidsclausule

Het is mogelijk dat burgemeester en wethouders gebruik maken van de hardheidsclausule. Dat betekent dat zij in bijzondere gevallen kunnen afwijken van de reguliere toepasselijke bepalingen uit de verordening, dit altijd alleen maar ten gunste van de belanghebbende. De officiële reden voor toepassing in gelegen in ‘onbillijkheden van overwegende aard’. Toepasselijkheid van deze bepaling is weliswaar uitzondering, juridisch is het wel een plicht om te allen tijde in geval van het niet volledig tegemoet komen aan de wensen van de belanghebbende te bezien of er wellicht reden is voor toepassing.

2.4 Motivering van besluiten

Artikel 26, eerste lid Wmo luidt:

Op basis van deze bepaling zal in de beschikking aangegeven moeten worden op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zel fred zaamheid en de normale maatschappelijke participatie van betrokkene.

2.4.1 Positieve beschikking

Gaat het om een positieve beschikking, dan zal dit niet zo moeilijk zijn. Door in de beschikking aan te geven welke mogelijkheden betrokkene krijgt door de toegekende voorziening(en) is in feite voldaan aan deze opdracht. Enkele voorbeelden:

  • -

    Bij toekenning van een woonvoorziening, bijvoorbeeld een traplift, kan aangegeven worden dat door deze voorziening betrokkene, die voordien problemen had bij het normale gebruik van de woning, doordat de verdieping niet te bereiken was, thans met de traplift weer op de verdieping kan komen om de slaapkamer en de sanitaire ruimte te bereiken, waarmee het probleem is gecompenseerd.

  • -

    Bij toekenning van een scootermobiel kan aangegeven worden dat betrokkene voordien problemen had bij verplaatsing in de directe woonomgeving, en daardoor problemen bij het bezoeken van winkels, familie en kennissen enzovoort. Deze problemen zijn gecompenseerd middels een persoonsgebonden budget waarmee betrokkene een scootermobiel kan aanschaffen waarmee gedurende vijf jaar de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving gemaakt kunnen worden.

Is er geen sprake van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, of bestaat er om een andere reden geen medische noodzaak voor het verstrekken van de aangevraagde voorziening of de aangevraagde hulp bij het huishouden, ook dan zal ingevolge artikel 26, eerste lid Wmo gemotiveerd moeten worden aangegeven op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zel fred zaamheid en de normale maatschappelijke participatie van betrokkene.

2.4.2 Afwijzing

Dit is uiteraard niet mogelijk op de wijze zoals bij een positieve beschikking is aangegeven. Bij een afwijzing zal men moeten denken aan een formulering waarbij aangegeven wordt dat compensatie niet noodzakelijk of zelfs ongewenst is, omdat betrokkene zonder de gevraagde voorzieningen ook in staat is zelfredzaamheid en/of maatschappelijke participatie te behouden of te bevorderen. Enkele voorbeelden:

-Een aanvrager wil graag een rolstoel bij het verplaatsen in en om de woning en hulp bij het huishouden. Uit medisch onderzoek blijkt dat de diagnose fibromyalgie gesteld is door de huisarts en dat er nog geen behandeling heeft plaatsgevonden. In deze situatie kan niet zonder meer toegekend worden, omdat daarbij het risico bestaat dat er geen behandeling plaats gaat vinden en er dus afhankelijkheid van zorg en voorzieningen ontstaat, terwijl er dus nog behandelmogelijkheden onbenut zijn. De medisch adviseur zal mevrouw naar de huisarts verwijzen met het advies behandelmogelijkheden te benutten. Hangende die behandelmogelijkheden zal geen rolstoel, noch hulp bij het huishouden, worden toegekend. Mocht mevrouw in behandeling gaan, bijvoorbeeld bij een revalidatiecentrum, dan zal hooguit in overleg met de behandelaren besloten worden tot een beperkte of tijdelijke inzet van een rolstoel of hulp bij het huishouden, voor zover deze inzet de behandeling niet in de weg staat. De motivering zal als volgt kunnen zijn. “Door u is een rolstoel en hulp bij het huishouden aangevraagd. Uit medisch onderzoek is gebleken dat er nog behandelingsmogelijkheden zijn. Als wij u nu een rolstoel ter beschikking zouden stellen, bestaat de mogelijkheid dat u door gebruikmaking van de rolstoel behandelmogelijkheden in de weg staat. Het doel van de Wmo is niet aanvragers afhankelijk te maken van voorzieningen, maar te compenseren als duidelijk is dat er geen verbetering mogelijk is. Daarom zullen wij u op dit moment geen rolstoel, noch hulp bij het huishouden, toekennen. Mocht uit uw behandeling in overleg met uw behandelaars blijken dat verstrekking past in uw behandeling, dan kunt u opnieuw contact met ons opnemen, onder overlegging van een verklaring van uw behandelaars.”

In de verordening is in artikel 7.4 opgenomen dat men verplicht is om wijzigingen in de situatie te melden:

Hoewel deze regel in de verordening staat, is het van belang deze voorwaarde ook in de beschikking of in een bijlage bij de beschikking op te nemen, zodat bij elke toekenning de aanvrager hierop weer attent wordt gemaakt.

2.5 Hersteltermijn

Als zich tijdens de behandeling van de aanvraag op enig moment een dermate relevante vraag voordoet dat op de aanvraag (nog) niet kan worden beslist, dan kan deze met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling worden gesteld. Onder één voorwaarde, namelijk dat de aanvrager in de gelegenheid is gesteld ‘binnen een redelijke termijn’ het verzuim aan te vullen. Een redelijke termijn is niet gedefinieerd en kan dat ook niet worden, omdat het sterk afhankelijk is van de casus. Een redelijke termijn voor het overleggen van een paspoort kan zijn één tot enkele dagen, maar wanneer bijvoorbeeld een veel moeilijker te achterhalen stuk informatie wordt vereist, dan zal de termijn aanzienlijk langer moeten zijn. Het begrip ‘redelijke termijn’ is dus in hoge mate subjectief, en met recht en reden. Zo kan op individuele maat geschoeid worden bekeken hoe lang de aanvraagprocedure dient te worden opgeschort. Eén tip: wees niet al te rigide met de hersteltermijnen. Liever aan de lange kant dan aan de korte.

2.6 Bezwaartermijn

Indien de cliënt het niet eens is met een beslissing van het college van burgemeester en wethouders heeft hij/zij het recht om een bezwaarschrift in te dienen. Een bezwaarschrift kan tot zes weken na dagtekening van de omstreden beschikking worden ingediend;

In het bezwaarschrift dient cliënt minimaal zijn/haar NAW-gegevens te vermelden, alsmede de datum, een omschrijving van de bestreden beschikking en de gronden van het bezwaar.

In eerste instantie komt een bezwaarschrift binnen bij de afdeling IBF. Hier wordt het bezwaarschrift ingeboekt, voorzien van een datumstempel en doorgestuurd naar de afdeling SPO met een afschrift aan de Afd. MO/Jur. zaken.

De afdeling SPO draagt zorg voor het verweerschrift alsmede de vertegenwoordiging van de vakafdeling tijdens de hoorzitting van de Commissie Bezwaarschriften, Kamer II, sociale aangelegenheden.

De afhandelingtermijn voor een bezwaarschrift is tien weken; eventueel verlengd met vier weken. Deze termijn wordt bewaakt door de afdeling MO/JZ.

3. Hulp bij het huishouden

3.1 Inleiding

De hulp bij het huishouden is afkomstig uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), waar de functie Huishoudelijke Verzorging (HV) één van de zeven functies was die onder deze wet vielen. Deze functies werden uitgewerkt in het Besluit zorgaanspraken AWBZ. Op 1 januari 2007 is deze functie uit de AWBZ geschrapt (artikel 41, tweede lid Wmo) en heeft de Wmo op basis van artikel 4, eerste lid, onder a deze functie overgenomen. Hierbij wordt gesproken over ‘een huishouden te voeren’, waaronder zowel de hulp bij het huishouden wordt verstaan als de woonvoorzieningen uit de voormalige Wvg.

3.2 Mogelijke voorzieningen

De door het college ter compensatie van de beperkingen bij het voeren van een huishouden te verstrekken individuele voorziening kan op grond van artikel 3.1 van de verordening bestaan uit:

1.hulp in het huishouden in natura in de vorm van persoonlijke dienstverlening door instellingen geleverd (algemene hulp bij het huishouden);

een persoonsgebonden budget te besteden aan het huishouden;

een andere voorziening indien deze op grond van de individuele omstandigheden de goedkoopst adequate compensatie biedt met betrekking tot de geconstateerde beperkingen.

Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat de hoofdregel van algemene voorzieningen ook hier opgaat. Als iemand zelfstandig met behulp van een wasmachine dat onderdeel van het huishouden nog kan doen, dan is hiervoor geen indicatie nodig.

3.2.1 Algemene hulp bij het huishouden

Uit artikel 3.2 van de verordening blijkt dat indien als gevolg van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek of problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg het zelf uitvoeren van één of meer huishoudelijke taken onmogelijk is en de algemene hulp bij het huishouden dit snel en adequaat op kan lossen, men voor deze eerste vorm, algemene hulp bij het huishouden in aanmerking kan komen. Bij algemene hulp bij het huishouden ligt zodoende het primaat.

De regels voor algemene voorzieningen zijn de volgende:

  • ·

    het gaat om een voorziening die in tijd kort duurt;

  • ·

    het gaat om een voorziening die betrekking heeft op lichte, niet complexe zorg, of

  • ·

    het gaat om een voorziening ten behoeve van een incidentele zorgbehoefte.

Eerst wordt dus bezien of het gaat om een kortdurende voorziening. Vervolgens moet vastgesteld worden of het gaat om lichte, niet complexe zorg, zoals bijvoorbeeld tijdelijke hulp bij het huishouden na een ziekenhuisopname. Tot slot kan nagegaan worden of het gaat om een incidentele zorgbehoefte, eveneens zoals een periode na een ziekenhuisopname. Hierbij is helder dat de hulp noodzakelijk is: dit wordt aangegeven door de behandelend arts van het ziekenhuis. De duur is beperkt, ook de omvang is beperkt. Een uitgebreide aanvraagprocedure zou in die situatie leiden tot een te lange periode waarin men op hulp moet wachten. Bij het loket wordt gecontroleerd of de verwijzing er is en of die duidelijk aangeeft wat overgenomen moet worden, en wordt nagegaan of er geen huisgenoot is die een en ander over kan nemen. Heeft die controle plaatsgevonden en komt men voor deze hulp in aanmerking, dan wordt deze toegekend en direct in gang gezet. Hierbij is geen sprake van een keuze voor een persoonsgebonden budget. Dit is overigens geen beperking ten opzichte van de situatie onder de AWBZ; ook onder de AWBZ werd bij een vraag die naar verwachting niet langer zou duren dan drie maanden, geen mogelijkheid voor een persoonsgebonden budget geboden.

Om te zorgen dat er weinig administratieve rompslomp is, worden er geen eigen bijdragen gevraagd. Er vindt derhalve een eenvoudige toets plaats naar de noodzaak van de hulp en er wordt direct toegekend en gerealiseerd, hetgeen in een brief wordt bevestigd.

Temeer daar er geen eigen bijdrage wordt gevraagd, zal deze vorm van hulp altijd uitsluitend voor een kortdurende periode worden toegekend. Daarbij moet gedacht worden aan situaties die maximaal drie tot zes maanden voortduren.

Mocht men aan het loket aangeven niet met deze vorm van hulp in te kunnen stemmen, dan wordt een normale procedure opgestart met een aanvraagformulier en het gebruikelijke onderzoek. Deze vorm van algemene hulp bij het huishouden wordt dus alleen gerealiseerd, indien men het daarmee eens is. De brief is dan volgens de VNG alleen maar een bevestiging en geen beschikking waartegen bezwaar en beroep openstaan. Wil men een beschikking, bijvoorbeeld omdat men een persoonsgebonden budget wil, dan wordt die afgegeven. Er moet dus altijd overeenstemming bestaan over deze vorm van hulp.

3.2.2 Hulp bij het huishouden in natura of een PGB

Indien de algemene hulp bij het huishouden niet aanwezig is, of indien deze algemene hulp bij het huishouden een onvoldoende oplossing bied, kan men in aanmerking komen voor hulp bij het huishouden in natura of een persoonsgebonden budget, te besteden aan hulp bij het huishouden. Ook in deze situatie moet er sprake zijn van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek of van problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg.

Er dient allereerst te worden nagegaan of er sprake is van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek. Die ziekte of dat gebrek kunnen liggen op de terreinen als vermeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de Wmo: mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem. De vaststelling hiervan zal op objectieve wijze plaats moeten vinden en in een groot deel van de gevallen op basis van een medische beoordeling. In dat kader kan het noodzakelijk zijn medisch advies te vragen aan een medisch adviseur die daartoe de nodige deskundigheid bezit. Daarbij dient bijzondere aandacht te bestaan voor de zogenaamde medisch moeilijk te objectiveren aandoeningen (mmoa’s), waarbij gewaakt moet worden voor het verlenen van anti-revaliderende hulp.

Daarnaast kan ook hulp bij het huishouden verstrekt worden in situaties dat de mantelzorg problemen heeft bij de uitvoering daarvan. In situaties dat die problemen (deels) opgelost kunnen worden door het toekennen van hulp bij het huishouden is dat een reden voor toekenning. Daarbij dient ervan uitgegaan te worden dat de hulp bij het huishouden plaats vindt bij de hulpvrager, die de mantelzorg ontvangt, en niet bij de mantelzorger thuis, indien die een ander woonadres heeft dan de hulpvrager.

Is er sprake van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, dan komt men in principe in aanmerking voor hulp bij het huishouden.

3.3 Gebruikelijke zorg en omvang hulp bij het huishouden

Artikel 3.2 van de verordening bepaalt dat, ’bij de bepaling van de omvang van de huishoudelijke zorg rekening wordt gehouden met gebruikelijke zorg.’

Deze beperking is afkomstig uit de beleidsregels van het CIZ ten aanzien van de functie Huishoudelijke verzorging in het kader van de AWBZ, voorafgaande aan de Wmo.

Gebruikelijke zorg wil zeggen dat als de hulpvrager huisgenoten heeft die het huishoudelijk werk over kunnen nemen, zij verondersteld worden dit door een herverdeling van taken te doen, zodat er geen ruimte meer bestaat hulp bij het huishouden te indiceren.

Dit principe is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat een leefeenheid in gezamenlijkheid verantwoordelijk is voor het huishoudelijke werk. Dat betekent dat indien degene die gewend is het huishoudelijk werk te doen hiertoe niet meer in staat is, andere leden van de leefeenheid verondersteld worden dit over te nemen.

Dit principe heeft een verplichtend karakter en betreft alle huisgenoten ouder dan 18 jaar. Vanaf 18 jaar wordt men verondersteld in verband met studie op kamers te kunnen wonen en een eenpersoonshuishouden te kunnen draaien. Vanaf 23 jaar wordt men verondersteld een volledig huishouden te kunnen draaien. Onder 18 jaar wordt men verondersteld te helpen bij het huishouden, zoals het bijhouden van de eigen kamer, het helpen dekken van de tafel, het helpen bij de afwas enzovoort. Ook met deze activiteiten kan rekening gehouden worden bij de indicatie.

Daarbij wordt er geen rekening mee gehouden of men het al dan niet wil of al dan niet gewend is dit te doen. In situaties dat personen uit de leefeenheid, die nog nooit huishoudelijk werk hebben gedaan, dit niet kunnen, kan via een tijdelijke indicatie hulp geboden worden bij het aanleren hiervan. De taak wordt dan niet overgenomen maar via instructies gestuurd.

Ook studie of werkzaamheden vormen in principe geen reden om van de gebruikelijke zorg af te zien. Immers, iedereen die werkt zal naast zijn werk het huishouden moeten doen of hier eigen oplossingen voor moeten zoeken (zoals het inhuren van particuliere hulp). Dat geldt ook voor tweeverdieners. Ook ouderen, die in staat zijn tot het verrichten van huishoudelijk werk, vallen onder de gebruikelijke zorg. Een (zeer) hoge leeftijd kan onder omstandigheden echter aanleiding zijn niet te vragen het huishoudelijk werk aan te leren.

Bij werkenden wordt geen rekening gehouden met zeer drukke werkzaamheden en (zeer) lange werkweken. Over het algemeen kan alleen rekening worden gehouden met personen die vanwege hun werkzaamheden langdurig van huis zijn. Daardoor zijn zij immers de facto niet in staat het huishoudelijk werk over te nemen. Maar in alle situaties dat daarbij sprake is van een eigen keuze, zal daar geen rekening mee worden gehouden. De afwezigheid moet een verplichtend karakter hebben. Het gaat daarentegen te ver chauffeurs die op het buitenland reizen, medewerkers in de off-shore of marinemensen die maanden achtereen van huis zijn, te dwingen een andere functie te zoeken.

Onder personen die lid zijn van de leefeenheid worden niet verstaan personen die een (pension-) kamer huren. Deze personen staan immers in generlei familiebetrekking tot elkaar. Verder moet er daadwerkelijk een huurovereenkomst liggen in pensionsituaties. In die situaties worden de werkzaamheden door de verhuurder ten aanzien van de huurder als zijnde beroepsmatig ook niet geïndiceerd!

Er zijn situaties die op een grensgebied liggen. Bij kloostergemeenschappen bijvoorbeeld is wel sprake van een leefeenheid, maar is er over het algemeen een taakverdeling, die zich niet leent voor overname. In die situatie kan wel geïndiceerd worden voor bijvoorbeeld het schoonmaken van de eigen kamer, indien men dit niet zelf meer kan. Gemeenschappelijke ruimten die kenmerkend voor kloosters zijn, kunnen niet worden geïndiceerd omdat zij het niveau sociale woningbouw te boven gaan (bibliotheken, gebedsruimten, gemeenschapsruimten, refters) en behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de gemeenschap.

Voor AWBZ-instellingen geldt dat huishoudelijke verzorging in de functie Verblijf is opgenomen en dus niet geïndiceerd kan worden.

Voor particuliere tehuizen, die verzorging bieden, geldt dat daar hulp bij het huishouden voor het eigen appartement of de eigen kamer geïndiceerd kan worden in zoverre de zorg niet door betrokkene wordt betaald. Dan gaat het immers om reeds aanwezige professionele zorg en is er geen tekort of probleem. Dit geldt ook voor door het tehuis verzorgde wasverzorging of maaltijdverzorging.

Is er geen sprake van gebruikelijke zorg, dan dient de omvang van de hulp bij het huishouden te worden vastgesteld.

Hiervoor moet bepaald worden welke activiteiten de hulpvrager zelf niet kan uitvoeren en welke normtijden hiervoor gelden. Er is, in navolging van de AWBZ, gekozen voor normtijden, om een uitgangspunt te hebben voor de omvang van de verschillende taken die in het huishoudelijk werk verricht moeten worden.

De in de bijlage 4 aangegeven normtijden worden gehanteerd (bijlage: Handreiking normering hulp bij het huishouden). Deze normtijden zijn afkomstig uit het ‘Protocol huishoudelijke verzorging’ van het CIZ en samengesteld in overleg met de landelijke koepel van thuiszorginstellingen. Normering door de gemeente is nodig om een uitgangspunt te hebben en eindeloze discussies te voorkomen over de benodigde tijd voor bepaalde activiteiten.

De BAR gemeenten hebben de inhoud van voornoemd Protocol, waar mogelijk, overgenomen en dient als uitgangspunt bij de uitvoering.

3.4 Voorliggende voorzieningen, noodzaak, hardheid

Bij al deze onderdelen geldt dat voorliggende voorzieningen voorgaan. Op basis van de hardheidsclausule kan in bijzondere situaties altijd – maar bij wijze van uitzondering – van deze regels worden afgeweken.

Aan de hand van de normtijden, zoals genoemd in de bijlage, kan voor de individuele situatie worden bepaald hoeveel tijd noodzakelijk is. Afhankelijk van het systeem dat de gemeente heeft gekozen kan dan toegekend worden. De gemeente Ridderkerk heeft gekozen voor een systeem van klassen, zoals dat een aantal jaren heeft gegolden onder het regime van de AWBZ. Elke klasse correspondeert met een bepaald aantal uren hulp bij het huishouden. Zie verder paragraaf 3.8.

De toekenning is in principe, omdat er nog gekeken dient te worden naar voorliggende voorzieningen. Voorliggende voorzieningen, die altijd algemeen gebruikelijk zijn, gevonden kunnen worden in:

  • ·

    kinderopvang (crèche, kinderdagverblijf, overblijfmogelijkheden op school, voor- of naschoolse opvang);

  • ·

    oppascentrales;

  • ·

    hondenuitlaatservice;

  • ·

    boodschappendiensten;

  • ·

    zorg/mantelzorg/vrijwilligershulp;

  • ·

    klussenteam;

  • ·

    maaltijdvoorzieningen;

  • ·

    AWBZ.

De voorliggende voorziening moet wel praktisch beschikbaar zijn. Is dat niet het geval, dan is er ook geen sprake van een voorliggende voorziening.

Niet relevant is of men gebruik wil maken van een voorliggende voorziening. Ook is in principe niet relevant welke kosten aan de voorliggende voorziening zijn verbonden, tenzij sprake zou kunnen zijn van een zogenaamd extreem laag inkomen zoals geldt bij het begrip algemeen gebruikelijk: een inkomen dat door kosten op grond van de ziekte of het probleem onder de bijstandsnorm uitkomt of dreigt uit te komen door deze kosten.

In gezinnen met jonge kinderen waar HV noodzakelijk is, is denkbaar dat méér ondersteuning nodig is dan het reguliere maximum van 15,9 uur. Wanneer de noodzaak objectief aannemelijk is te maken,is er niets op tegen om een hoger aantal uren toe te kennen dan het maximum van klasse 6.

Indien het gaat om zorg in natura, dan kan de toe te kennen hulp bij het huishouden bij beschikking worden toegekend en tevens doorgegeven worden aan de instelling die deze gaat verzorgen. Hierbij is relevant dat de instelling de inhoudelijke opbouw van de indicatie kent. Daardoor kan voorkomen worden dat activiteiten worden uitgevoerd waarvoor geen hulp is toegekend.

Omdat sprake is van een eigen bijdrage moeten – indien daartoe is besloten – de benodigde gegevens worden doorgegeven aan het CAK, dat deze eigen bijdragen int.

3.5 Complicaties

Diegenen die in 2006 HV ontvangen op basis van artikel 20 Zib hebben vanaf 1 januari 2007 een probleem. Volgens de letter van de wet hebben zij geen recht op het overgangsrecht, omdat zij niet beschikken over een indicatiebesluit.

Het is ofwel mogelijk het CIZ deze groep voor 31 december van een indicatie te laten voorzien, ofwel kunnen gemeenten hier soepeler mee omgaan.

Maar vooral omdat deze groep al bijna tien jaar geen herindicatie heeft gehad, is het zeer waarschijnlijk dat deze groep een – met het oog op de huidige beleidsregels – veel te hoge indicatie zal hebben. Mocht het CIZ niet voor 1 januari 2007 indiceren dan kan een gemeente deze groep beschouwen als nieuwe gerechtigden die een aanvraag in moeten dienen en volgens de nieuwe regels moeten worden beoordeeld. Deze situatie lijkt heel veel op de ex-AAW-situatie die speelde in 2005/2006.

Een ander kwestie is die van de mensen die begeleid wonen. Dit is vorm van semi-zelfstandig wonen. Traditioneel komt deze groep niet in aanmerking voor woningaanpassingen in de zin van de Wvg. De verwachting is dat dit ook onder de Wmo zo zal zijn.

Daarmee is echter nog niet uitgesloten dat men wel voor HV in aanmerking komt. Immers, het compensatiebeginsel uit de Wmo is juridisch net iets anders dan de zorgplicht uit de Wvg. Als via HV de (semi-) zelfstandigheid kan worden bevorderd, dan is er principieel geen beletsel om dit toe te kennen. Wel zal goed moeten worden onderzocht hoe de afbakening is tussen de eigen verplichtingen, de reguliere taken van de begeleiding en (daarmee) de noodzakelijke aanvulling via de HV. Hoe wordt een en ander vormgegeven? Dit zal zeer duidelijk in de beschikking dienen te worden verwoord.

3.6 Categorieën hulp bij het huishouden

De hulp bij het huishouden wordt in 2 categorieën verdeeld:

HH-1 .

Doel hiervan is het geheel of gedeeltelijk overnemen van activiteiten op het gebied van verzorging van het huishouden ( met inbegrip van enige begeleiding bij die activiteiten) Er wordt verondersteld dat de cliënt in staat is tot zelfregie over de planning van de activiteiten en dat de cliënt bereid en in staat is de werkgeversrol te vervullen.

De grondslag is een somatische of psychogeriatrische aandoening of stoornis, een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, een psychiatrische stoornis of ernstig psycho-sociaal probleem, leidend tot disfunctioneren van de verzorging van het huishouden of van de leefeenheid waartoe de cliënt behoort.

De HH-1 omvat activiteiten op het gebied van huishoudelijke werkzaamheden die samenhangen met beperkingen op het vlak van schoonmaken van woonruimte,slaapruimte, sanitair, keuken ( dagelijks of wekelijks onderhoud), verzorgen van textiel (wassen, strijken) onderhoud kleding en schoeisel, zorg voor de voeding (voorbereiden ,serveren, afwassen,en opruimen) bed opmaken, en beperkte verzorging van huisdieren.

HH-2.

Doel hiervan is het geheel of gedeeltelijk overnemen van activiteiten op het gebied van verzorging van het huishouden met inbegrip van enige hulp bij de organisatie van het huishouden.

De grondslag is een somatische of psychogeriatrische aandoening of stoornis, een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, een psychiatrische stoornis of ernstig psycho-sociaal probleem, leidend tot disfunctioneren van de verzorging van het huishouden of van de leefeenheid waartoe de cliënt behoort.

De HH-2 omvat activiteiten op het gebied van

  • 1.

    huishoudelijke werkzaamheden die samenhangen met beperkingen op het vlak van schoonmaken van woonruimte, slaapruimte, sanitair, keuken ( dagelijks of wekelijks onderhoud) verzorgen van textiel, ( wassen, strijken) en onderhoud van kleding en schoeisel, zorg voor de voeding ( voorbereiden, serveren, afwassen, opruimen) bed opmaken en beperkte verzorging van huisdieren;

  • 2.

    hulp bij de organisatie van de huishouding, zoals planning van huishoudelijke zorg ( wie doet wat) aandacht voor hygiëne in huis, advies en hulp bij het kopen van levensmiddelen, beheer van de levensmiddelenvoorraad, noodzakelijke opvang van thuiswonende kinderen

HH-2 bevat ook instructie en voorlichting die direct verbonden is met verzorgende activiteiten, bijvoorbeeld stimulering bij het deels zelf uitvoeren van activiteiten.

Enige begeleiding kan deel uitmaken van deze prestatie waaronder noodzakelijke advisering aan informele verzorgers van de cliënt.

De keuzevrijheid van de WMO gerechtigde voor een aanbieder van HH, de keuzemogelijkheid en de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt zijn belangrijke uitgangspunten.

Daarnaast bestaat voor cliënten de mogelijkheid om niet te kiezen voor HH “in natura”, maar om een Persoonsgebonden Budget (PGB) voor de HH aan te vragen.

Indien een cliënt geen voorkeur heeft voor één van de aanbieders met wie de gemeente een overeenkomst heeft gesloten, zal de HH in principe geleverd worden door de aanbieder die het beste uit de gunningsprocedure is gekomen (dus de aanbieder met de beste prijs/kwaliteit verhouding) mits deze aanbieder voldoende capaciteit heeft om deze zorg te kunnen leveren. Indien dit niet het geval is, komt de tweede uit de gunningsprocedure in aanmerking (en daarna nummer drie etc.)

3.7 Kwaliteits- en prestatie-eisen

Bij de inkoop van de hulp bij het huishouden zijn aan alle zorgleveranciers de volgende kwaliteitsafspraken gemaakt:

Eisen aan de(kwaliteit van) dienstverlening

  • 1.

    De leverancier levert verantwoorde zorg zoals omschreven in de Kwaliteitswet Zorginstellingen.

  • 2.

    De leverancier beschikt per 1-1-2007 over een vastgelegd privacybeleid.

  • 3.

    De leverancier beschikt per 1-1-2007 over een vastgelegde klachtenregeling die voldoet aan de eisen gesteld in de Wet Klachtenrecht Cliënten Zorgsector.

  • 4.

    De leverancier organiseert minimaal 1 keer per 2 jaar een steekproefsgewijze cliëntenraadpleging waarin de geleverde “kwaliteit van zorg” wordt getoetst. Die raadpleging berust op een door landelijke cliëntenorganisaties aanvaard instrument, en wordt uitgevoerd door een externe (onafhankelijke) organisatie. De bevindingen leiden tot verbetertrajecten die de leveranciers met een vertegenwoordiging van hun cliënten heeft afgestemd. De resultaten van deze cliëntenraadpleging stelt de leverancier ter beschikking van de gemeente.

  • 5.

    De leverancier verleent haar medewerking aan het door de gemeente volgens de WMO te houden cliënttevredenheidsonderzoek.

  • 6.

    De leverancier beschikt uiterlijk per 1 januari 2008 over een werkend kwaliteitssysteem dat in de sector gebruikelijk is, blijkend uit een erkend certificaat dat berust op onafhankelijke toetsing. Indien de leverancier gedurende 2007 niet in het bezit is van een dergelijk certificaat, dient de leverancier de gemeente een goed onderbouwd plan in het implementatieplan te overleggen hoe het certificaat uiterlijk per 1 januari 2008 zal worden behaald.

  • 7.

    De leverancier hanteert protocollen met betrekking tot weigering en beëindiging van dienstverlening.

  • 8.

    De leverancier kan spoedondersteuning binnen 24 uur verlenen.

  • 9.

    Hulp bij het huishouden kan zeven dagen per week, tussen 7.00 uur en 20.00 uur worden geleverd;in uitzonderlijke situaties is afwijking van deze reguliere tijden mogelijk, eerst na toestemming van de opdrachtgever.

  • 10.

    De tijden waarop de geïndiceerde zorg geleverd wordt, wordt in overleg met de cliënt vastgesteld.

  • 11.

    De leverancier is bekend met de sociale kaart van de regio (of kan zich die op aantoonbare wijze eigen maken) en is bereid om met andere regionale dienstverlenende instellingen ten behoeve van de doelgroepen samen te werken, bijvoorbeeld door deel te nemen aan locale netwerken.

  • 12.

    De leverancier communiceert en informeert de cliënt op een duidelijke wijze - bij voorkeur schriftelijk – over tijdstip en inhoud van te leveren diensten.

  • 13.

    De leverancier zorgt dat de cliënt kan worden bijgestaan door een cliëntenvertrouwenspersoon of een cliëntondersteuner.

  • 14.

    De leverancier stelt een jaarrapportage op over klachten en hoe deze zijn opgelost en stelt deze ter beschikking van de gemeente.

  • 15.

    De leverancier (HH2) zorgt voor een tijdige en adequate signalering met betrekking tot veranderingen in de situatie van de cliënt, zodat op basis van deze signalering de zorg. c.q. dienstverleningsbehoefte tijdig kan worden aangepast.

  • 16.

    De aanbieder verleent zorg zonder enige betaling of enige aanvullende betaling voor de hulp bij het huishouden door de cliënt en/of derden, voor het deel van de verstrekking dat krachtens de WMO vergoedt wordt.

  • 17.

    De leverancier zorgt voor continuïteit t.a.v. de dienstverlening. Cliënten zijn niet gediend bij wisselingen van personele inzet.

Eisen aan de administratieve procedures en bedrijfsvoering.

  • 1.

    De leverancier is adequaat verzekerd voor bedrijfs- en beroepsaansprakelijkheid.

  • 2.

    De leverancier beschikt over een adequate bedrijfsadministratie waarmee:

    • -

      de gegevens ten behoeve van de oplegging eigen bijdrage binnen 4 weken na afloop van een 4 wekelijkse periode kunnen worden aangeleverd bij het CAK.

    • -

      de productierealisatie cijfers binnen de door de gemeente gestelde termijn kunnen worden aangeleverd.

  • 3.

    De leverancier zorgt gedurende het gehele jaar voor voldoende personeel, zodat de beschikbaarheid van zorg kan worden gegarandeerd.

  • 4.

    De leverancier zorgt ervoor dat – indien de zorg langer duurt dan is voorzien – tijdig een herindicatie wordt aangevraagd, zodat de continuïteit van zorg ten behoeve van de cliënt niet in het geding komt.

  • 5.

    De leverancier zal de gemeente informatie aanleveren als de gemeente daar om vraagt.

  • 6.

    De leverancier zal jaarlijks – uiterlijk per 1 april van het kalenderjaar – met de gemeente overleg hebben over de evaluatie van het contract en eventuele voortzetting van het contract na 2 jaar.

  • 7.

    De leverancier voldoet aan de vigerende ARBO-eisen ten behoeve van haar personeel.

  • 8.

    De leverancier levert de dienstverlening conform de gestelde indicatie.

  • 9.

    De leverancier levert:

80% van de dienstverlening binnen 4 weken nadat de indicatiestelling is afgegeven.

100% van de dienstverlening binnen 6 weken nadat de indicatiestelling is afgegeven.

Indien de leverancier niet aan deze verplichting kan voldoen, meldt zij dit – goed gemotiveerd – aan de gemeente.

10.De leverancier zal – met inachtneming van de Wet op de Persoonsregistratie – meewerken aan overdracht van gegevens ten behoeve van de cliënt aan andere dienstverlenende instellingen.

11 De organisatie is zeven dagen per week, gedurende de kantooruren 08.30 uur tot 17.00 uur, bereikbaar. Tijdens kantooruren krijgt de beller iemand aan de telefoon. Buiten kantooruren dient de organisatie over een systeem te beschikken wat de cliënten de mogelijkheid biedt boodschappen achter te laten.

  • 12.

    De aanbieder zorgt voor adequaat dossierbeheer.

  • 13.

    De aanbieder draagt bij overgang van de cliënt naar een andere uitvoerende organisatie én in ieder geval aan het eind van de contractperiode de betreffende cliëntdossiers over aan de nieuwe leverancier van hulp bij het huishouden.

14 De cliënt kan maximaal 1 keer per jaar het verzoek tot het overstappen naar een andere aanbieder indienen. Er kunnen echter bijzondere redenen bestaan op grond waarvan het verder verlenen van de hulp bij het huishouden of de gevraagde omvang daarvan in redelijkheid niet van de leverancier kan worden verlangd.

  • 15.

    Bij het niet verder verlenen van de hulp bij het huishouden is de leverancier naar vermogen en rekening houdend met de individuele mogelijkheden van de cliënt, de cliënt behulpzaam bij het vinden van andere mogelijkheden van hulp bij het huishouden. De leverancier beëindigt de hulp bij het huishouden niet voordat op een andere wijze de benodigde dienstverlening is georganiseerd.

  • 16.

    Indien er sprake is van beëindiging van de hulp bij het huishouden, doet de leverancier hiervan onverwijld mededeling aan de gemeente, voorzien van een motivatie.

  • 17.

    Op basis van de indicatie van de gemeente komen leverancier en gemeente per cliënt, de levering van prestaties overeen. Betaling door de gemeente geschiedt op basis van de overeengekomen prestaties en op basis van door beide partijen overeengekomen tarieven.

Eisen aan medewerkers

  • 1.

    De medewerker spreekt de Nederlandse taal.

  • 2.

    De medewerker heeft affiniteit met de doelgroepen die in aanmerking komen voor Hulp bij het huishouden.

  • 3.

    De medewerker kan een verklaring omtrent het gedrag overleggen.

  • 4.

    De medewerker is klantgericht en staat de cliënt netjes te woord.

  • 5.

    De medewerker verschijnt representatief bij de cliënt.

  • 6.

    Medewerkers kunnen zich bij de cliënt identificeren als medewerker van gecontracteerde inschrijver.

In aanvulling op de bovenstaande eisen zijn werkafspraken gemaakt met de zorgleveranciers. Deze afspraken zijn integraal opgenomen in bijlage 3.

3.8 Persoonsgebonden budget (PGB)

Zoals bij alle individuele Wmo-voorzieningen in principe het geval is, kan ook bij de hulp in het huishouden een PGB worden verstrekt, indien de aanvrager dit verzoekt (artikel 1 Besluit maatschappelijke ondersteuning). Maar verstrekking als PGB vindt niet plaats indien (artikel 2):

  • a.

    op grond van aanwijzingen die tijdens de indicatie duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben met het omgaan met een persoonsgebonden budget.

  • b.

    de verzekerde op de dag waarop de subsidieperiode zou aanvangen (anders dan terzake van kortdurend verblijf) in een instelling bedoeld in de AWBZ of de zorgverzekeringswet verblijft.

  • c.

    de gemeente, op advies van een instelling voor maatschappelijk werk of de Raad voor de kinderbescherming, van oordeel is dat een ten behoeve van een minderjarige aangevraagd budget in zodanige mate niet voor de inkoop van diensten ten behoeve van het kind zal worden gebruikt, dat dit mishandeling, verwaarlozing of ernstige schade voor de opvoeding of ontwikkeling van de minderjarige tot gevolg zal hebben.

  • d.

    aanvrager zich bij een eerder toegekend persoonsgebonden budget niet aan de opgelegde verplichtingen heeft voldaan.

Het Besluit maatschappelijke ondersteuning Ridderkerk geeft de hoogte van het PGB aan bij hulp in het huishouden:

Hulp bij het huishouden-1: PGB per week

Klasse 1: 0,95 x € 14,- = € 13,30

Klasse 2: 2,95 x € 14,- = € 41,30

Klasse 3: 5,45 x € 14,- = € 76,30

Klasse 4: 8,45 x € 14,- = € 118,30

Klasse 5: 11,45 x € 14,- = € 160,30

Klasse 6: 14,45 x € 14,- = € 202,30

Voor elk uur vanaf 16 uur per week wordt het PGB verhoogd met € 14,-.

Hulp bij het huishouden-2: PGB per week

Klasse 1: 0,95 x € 19,80 = € 18,81

Klasse 2: 2,95 x € 19,80 = € 58,41

Klasse 3: 5,45 x € 19,80 = € 107,91

Klasse 4: 8,45 x € 19,80 = € 167,31

Klasse 5: 11,45 x € 19,80 = € 226,71

Klasse 6: 14,45 x € 19,80 = € 286,11

Voor elk uur vanaf 16 uur per week wordt het PGB verhoogd met € 19,80.

De gemeente Ridderkerk kiest voor het zogenaamde bruto-PGB. Dit houdt in dat het CAK de eigen bijdrage formeel vaststelt en de eigen bijdrage ook int. In de beschikking zal ook opgenomen moeten worden dat er een eigen bijdrage/eigen aandeel in de kosten verschuldigd is. Omdat die eigen bijdrage vastgesteld en geïnd zal worden door het CAK, zal in de meeste gevallen uitsluitend een aankondiging opgenomen kunnen worden.

3.8.1 Verantwoording PGB hulp bij het huishouden

In artikel 27 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning zijn de verplichtingen opgenomen die van toepassing zijn op het PGB voor de hulp bij het huishouden. Bij de verantwoording wordt onderscheid gemaakt tussen klasse 1 tot en met 3 en klasse 4 en hoger. In de praktijk zal nagenoeg elk PGB onder het regiem van klasse 1 tot en met 3 vallen. Dit vanwege het eenvoudige feit dat indicaties voor hulp bij het huishouden voor klasse 4 en hoger slechts zeer incidenteel voorkomen.

Bij de verlening van een PGB voor hulp bij het huishouden worden de budgethouder de volgende verplichtingen opgelegd:

  • a.

    De budgethouder gebruikt het PGB uitsluitend voor betaling van hulp bij het huishouden en de daarmee noodzakelijk verbonden kosten;

  • b.

    De voorziening die wordt ingekocht is een adequate voorziening en is kwalitatief verantwoord;

  • c.

    De budgethouder sluit een schriftelijke overeenkomst met de persoon of de instantie bij wie hij hulp bij het huishouden betrekt waarin ten minste de volgende afspraken zijn opgenomen:

    • I.

      Declaraties voor hulp bij het huishouden worden niet betaald indien zij niet binnen zes weken na de maand waarin de zorg is verleend bij de budgethouder zijn ingediend;

    • II.

      Een declaratie van een persoon bij wie de budgethouder hulp bij het huishouden betrekt, bevat een overzicht van de dagen waarop is gewerkt, het uurtarief, het aantal te betalen uren, het sociaal fiscale nummer en de naam en het adres van de persoon bij wie de budgethouder hulp bij het huishouden betrek, en wordt door deze persoon ondertekend;

    • III.

      Een declaratie van een instantie bij wie een budgethouder hulp bij het huishouden betrekt, bevat het btw-nummer van die instantie, een overzicht van de dagen waarop is gewerkt, het tarief, het aantal te betalen uren, en de naam en het adres van de instantie, en wordt namens de instantie ondertekend.

  • d.

    De budgethouder bewaart de in onderdeel c bedoelde overeenkomsten en declaraties gedurende zeven jaren en stelt deze, desgevraagd, ter beschikking van het college;

  • e.

    De budgethouder van een PGB op basis van klasse 1 tot en met 3 legt binnen zes weken na het einde van ieder kalanderjaar door middel van invulling van een daartoe aan het eind van ieder jaar door het college verstrekt formulier aan het college verantwoording af over het gebruik van de in dat jaar verleende voorschotten en eventuele eerder verleende voorschotten voor zover deze nog niet voor betalingen als bedoeld onder lid 1 onderdeel a. zijn gebruikt;

  • f.

    De budgethouder van een PGB op basis van klasse 4 en hoger legt binnen zes weken na het einde van iedere periode van 4 weken door middel van invulling van een daartoe aan het eind van ieder jaar door het college verstrekt formulier aan het college verantwoording af over het gebruik van de in dat jaar verleende voorschotten en eventuele eerder verleende voorschotten voor zover deze nog niet voor betalingen als bedoeld onder lid 1 onderdeel a waren gebruikt;

  • g.

    Bij de verantwoording over de laatste periode van 4 weken van een kalenderjaar, dan wel in het kalenderjaar waarin de budgetperiode eindigt, het laatste kwartaal in de budgetperiode, voegt de budgethouder per persoon of instantie bij wie hij hulp bij het huishouden betrekt een door het college verstrekt formulier waarop naam, adres en sociaal-fiscaal nummer van de persoon respectievelijk naam, adres en BTW-nummer van de instantie heeft aangetekend, alsmede het in dat kalenderjaar aan die persoon of die instantie betaalde bedrag;

  • h.

    De budgethouder deelt het college op diens verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de verlening van het PGB.

In de beschikking die aan de PGB houder wordt verstuurd dienen de volgende elementen te worden opgenomen:

  • a.

    De budgetperiode;

  • b.

    Het bruto PGB en de wijze waarop dit budget is berekend;

  • c.

    De wijze waarop de eigen bijdrage wordt berekend;

  • d.

    De wijze waarop het netto PGB wordt berekend;

  • e.

    De wijze waarop voorschotten op het PGB worden verleend;

  • f.

    De verplichtingen van de budgethouder;

  • g.

    De voorwaarden (programma van eisen) waaraan de voorziening moet voldoen;

  • h.

    de mededeling dat de in artikel 26 lid 1 onderdeel f van het besluit maatschappelijke ondersteuning bedoelde formulieren door het college worden doorgezonden aan de belastingdienst.

Na verantwoording zal overgegaan worden tot definitieve vaststelling van het PGB. Na afloop van ieder kalenderjaar wordt het bruto PGB voor het desbetreffende kalenderjaar vastgesteld.

4. Woonvoorzieningen

4.1 Inleiding

Een persoon met beperkingen kan in het gebruik van haar/zijn woonruimte belemmeringen ervaren die voortvloeien uit de handicap.

Wanneer deze aantoonbare beperkingen het gevolg zijn van ziekte of gebrek waardoor er geen sprake meer is van het normaal kunnen gebruiken van de woning en deze worden verminderd of opgeheven met een woonvoorziening op basis van de WMO, bestaat er recht op een dergelijke voorziening. Deze woonvoorzieningen worden meestal verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming in de werkelijke kosten van de voorziening.

In principe is de persoon met beperkingen verantwoordelijk voor de feitelijke aan schaf van de materiële voorziening. De gemeente kan als opdrachtgever voor het verstrekken van de materiële voorziening optreden bij verstrekking in natura.

De financiële tegemoetkoming heeft betrekking op:

  • 1.

    verhuis- en herinrichtingskosten;

  • 2.

    aanpassingen van de woning;

  • 3.

    woningaanpassingen van niet-bouwkundige en/of niet-woontechnische aard;

  • 4.

    onderhoud, keuring en reparatie van verstrekte voorzieningen;

  • 5.

    tijdelijke huisvesting;

  • 6.

    huurderving;

4.2 Algemene criteria woonvoorzieningen

Cliënt moet een aantoonbare beperking hebben, die het normale gebruik van de woonruimte belemmert.

Woonvoorzieningen worden niet verstrekt in:

  • -

    AWBZ-instellingen (verpleeghuizen, gezinsvervangende tehuizen, zwakzinnigeninstellingen, psychiatrische ziekenhuizen, dagverblijven, regionale instellingen voor beschermd wonen en substitutieprojecten AWBZ);

  • -

    Tijdelijke woonruimte: hotel/pension, stacaravan, vakantiewoning, tweede woning, recreatievaartuigen en kamerverhuur.

  • -

    Ten behoeve van een cliënt die verblijft in een AWBZ-instelling kunnen de kosten van het bezoekbaar maken van een woonruimte, die hij/zij regelmatig bezoekt, voor één woning worden vergoed, mits de woning zich in Ridderkerk bevindt. Bezoekbaar maken houdt in dat cliënt de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken.

  • -

    Bij woningaanpassingen duurder dan € 45.000,- zal moeten worden verantwoord waarom verhuizen c.q. het verstrekken van een financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizing en inrichting geen adequate optie is. Het primaat ligt bij kostbare ingrepen altijd bij verhuizen.

Direct leefomgeving en leven van alle dag

Het compensatiebeginsel van de gemeente beperkt zich in eerste instantie tot de directe leefomgeving van de WMO-gerechtigde en het leven van alledag.

Slechts bij hoge uitzondering kan het compensatiebeginsel van de gemeente worden uitgebreid. Het compensatiebeginsel van de gemeente is daarom ‘beperkt’, waarbij steeds gekeken moet worden in hoeverre betrokkene – van wie in redelijkheid kan worden gevergd dat hij/zij zich zekere beperkingen getroost en keuzen maakt binnen het naaste woon- en leefmilieu – nog in aanvaardbare mate kan deelnemen aan het leven van alle dag. Zo ligt wat betreft vervoervoorzieningen binnen de regio( de 5 zones) het primaat bij het collectief vervoer.

4.3 Afwegingsmodel bij het verhuizen

Bij de uitvoering van de WMO wordt als regel gehanteerd dat een verhuizing en een (kleine) aanpassing van de nieuwe woning altijd de voorkeur verdient. (primaat)

Bij het bepalen welke woonvoorziening het meest geschikt is, kan het voorkomen dat er een afweging gemaakt moet worden tussen aanpassen of verhuizen. Daarom zal een gefundeerd advies nodig zijn om de noodzaak hiervan te kunnen ondersteunen. Bij het maken van een keuze tussen aanpassen of verhuizen zal met een aantal factoren rekening moeten worden gehouden. Welke factoren precies een rol spelen valt op voorhand moeilijk te zeggen. Onderstaande opsomming dient derhalve als checklist ofwel als afwegingsmodel.

  • 1.

    Aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woonruimte;

  • 2.

    Er is een andere, eenvoudiger aan te passen of geschikte woning op kortere termijn beschikbaar (gelijkvloers of met lift bereikbaar).

  • 3.

    Andere, eenvoudiger aan te passen woonruimte ligt in de buurt/wijk/gemeente.

  • 4.

    Vergelijking aanpassingskosten huidige versus nieuwe woning

  • 5.

    In kaart brengen van enerzijds kosten van de totale aanpassing in de huidige woning en anderzijds:

  • -

    de verhuiskostenvergoeding;

  • -

    kosten aanpassing nieuwe woning;

  • -

    kosten vrijmaken nieuwe woning;

  • -

    huurdervingkosten (indien nieuwe woning leeg staat).

  • -

    volkshuisvestelijke afwegingen

  • -

    ondoelmatigheid van het aanpassen van de oude (huidige) woning indien een reeds aangepaste woning beschikbaar is;

  • -

    aantal kamers in relatie tot het aantal bewoners.

  • -

    Snelheid waarmee het woonprobleem opgelost kan worden.

Verhuizen kan een snellere oplossing zijn dan aanpassen. Bijvoorbeeld wanneer het ontslag uit het ziekenhuis of verpleeginrichting afhankelijk is van de woningaanpassing.

6.Sociale omstandigheden.

Bezien of verhuizen leidt tot onherstelbare aantasting van het sociale netwerk dat noodzakelijk is in verband met het overwinnen van ergonomische belemmering bij het normale gebruik van de woonruimte. Onherstelbaar houdt in dat deze als het ware niet meeverhuist. Ook ligt sterk de nadruk op ondersteuning op ADL-gebied door mantelzorg.

Rekening wordt gehouden met:

  • -

    afstand tot voorzieningen (winkels, ziekenhuis, werk, clubs etc.);

  • -

    aanwezigheid familie/vrienden dichtbij;

  • -

    welke mantelzorg valt weg door verhuizing;

  • -

    binding met de buurt

  • -

    Integrale afweging (wonen, vervoer, rolstoelen)

Bereikbaarheid van de diverse voorzieningen is beter indien ze in de buurt liggen. Dit kan een besparing opleveren op andere voorzieningen, bijvoorbeeld een scootermobiel.

-Huurwoning.

Ingrijpende aanpassingen zullen in huurwoningen eerder tot problemen leiden in verband met het in de oude staat moeten terug brengen van woning bij einde huur door de huurder.

-Huurwoning/eigen woning.

Verhuizing kan meer consequenties hebben wanneer de persoon met beperkingen eigenaar is van de woning. Er zal moeten worden nagegaan of cliënt vermogensverlies lijdt bij gedwongen verkoop en of er een schuldrestant ontstaat.

  • -

    Bij een aangepaste koopwoning is er minder kans op hergebruik;

  • ·

    Iemand kan door zijn invaliditeit niet meer werken en raakt aangewezen op een (arbeidsongeschiktheids)uitkering. Ook een hierdoor ontstane inkomensachteruitgang kan iemand noodzaken te verhuizen.

  • -

    Persoon met beperkingen weigert te verhuizen.

Consequentie voor persoon met beperkingen is dat de aanpassingen niet worden gesubsidieerd en het woonprobleem blijft bestaan. De persoon met beperkingen heeft vanzelfsprekend de eigen verantwoordelijkheid het recht om een verhuisadvies te negeren.

4.3.1 Verhuizing vanuit een andere gemeente

De WMO stelt dat het gemeentebestuur zorg draagt voor de verlening van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen, rolstoelen en hulp in de huishouding ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijke verkeer van de in de gemeente woonachtige persoon met beperkingen. Letterlijke toepassing van dit artikel kan, vooral wanneer bouwkundige aanpassingen in de te betrekken woning noodzakelijk zullen zijn, problemen opleveren bij verhuizing van een persoon met beperkingen vanuit een andere gemeente. Opname van de zinsnede "dan wel zal staan ingeschreven" biedt de mogelijkheid een aanvraag in behandeling te nemen van een persoon met beperkingen die van plan is in onze gemeente te komen wonen. In voorkomende gevallen moet er wel zekerheid bestaan, dat de persoon met beperkingen ook daadwerkelijk naar onze gemeente zal verhuizen en recht heeft op een woningaanpassing.

4.3.2 Verhuis- en herinrichtingskosten

Indien het afwegingsmodel, tot de toepassing van het primaat van verhuizen leidt, kan een verhuiskostenvergoeding worden toegekend. De vergoeding bedraagt € 2357,38,-- resp. € 2828,86 voor een alleenstaande danwel echtpaar. Deze bedragen worden verhoogd met € 353,61 per inwonend minderjarig kind.

Uitbetaling heeft plaats als de aanvrager is ingeschreven op het nieuwe woonadres of na overlegging van een getekende huurovereenkomst. De vergoeding is bedoeld voor de noodzakelijke kosten van verhuizing en inrichting. Zo komen kosten van stoffering (verf, witsel, behang, vloerbedekking en gordijnen) en voor transport voor vergoeding in aanmerking, alsmede verhuiskosten telefoon en maximaal één maand extra huur.

4.3.3 Het niet verstrekken van verhuis- en inrich tingskosten

Artikel 4.7 van de Verordening geeft een aantal criteria wanneer een financiële tegemoetkoming voor een woonvoorziening niet wordt verleend.

Een regelmatig voorkomend probleem is dat de verhuizing reeds heeft plaatsgevonden alvorens het college van burgemeester en wethouders op de betreffende aanvraag hebben beslist, tenzij vooraf schriftelijke toestemming is verleend. Hierbij wordt verwezen naar het bepaalde in art. 4.7.

4.3.4 Termijn bij verhuiskostenvergoeding

De persoon met beperkingen is zelf verantwoordelijk voor het vinden van een adequate woonruimte. Als binnen een jaar na het toekennen van tegemoetkoming verhuiskosten de persoon met beperkingen geen gebruik heeft gemaakt van de toekenning, namelijk door niet te verhuizen, vervalt de toekenning. De persoon met beperkingen kan dan opnieuw een tegemoetkoming aanvragen. Indien door de WMO een verhuisbeschikking is afgegeven, kan de persoon met beperkingen ten behoeve van het aanbodsysteem van woningen een medische urgentie aanvragen bij de afdeling Volkshuisvesting.

4.3.5 Soorten woningaanpassingen

De woningaanpassingen kunnen worden onderscheiden in:

  • -

    bouwkundige/ nagelvaste (bijvoorbeeld het realiseren van een aanbouw met slaapkamer en natte cel, rolstoelberging, vergroten van de douche, vergroten van het toilet, verbreden van deuren);

  • -

    bouwkundige/ niet nagelvaste (roerende woonvoorzieningen: woningsanering in verband met CARA, vervanging van vloerbedekking in met name de slaapkamer(s), hulpmiddelen bij het baden, douchen en wassen) en tilliften;

  • -

    woontechnische/inrichtingselementen (bijvoorbeeld traplift, verhoogde toiletpot, beugels, steunen e.d.);

Ten aanzien van aspecten van woningverbetering worden geen kosten door de gemeente vergoed en wordt de persoon met beperkingen verwezen naar de verhuurder/eigenaar van de woonruimte.

Douche-/toilethulpmiddelen worden omwille van aspecten van hygiëne in eigendom verstrekt.

Hergebruik van deze middelen ligt niet in de rede.

Trapliften worden normaliter in bruikleen verstrekt; de WMO opent de mogelijkheid voor alle ( uitgezonderd het collectief vervoer) voorzieningen een PGB te verstrekken.

4.3.6 Niet nagelvaste voorzieningen

Verschillende hulpmiddelen op dit gebied vallen evenwel toch onder de werkingssfeer van de WMO. Het gaat om hulpmiddelen bij het baden en douchen en om aanpassingen bij een toilet en om postoelen. Overigens geldt hierbij wel de beperking, dat de hulpmiddelen langdurig noodzakelijk moeten zijn, dat wil in de praktijk zeggen: langer dan zes maanden.

Met name noemen we hier zitbaden en tilliften.

  • 1.

    Zit- en ligbaden komen in beginsel niet voor vergoeding op basis van de WMO in aanmerking. Een zitbad als hulpmiddel bij het medicinaal baden komt alleen voor vergoeding in aanmerking, indien een andere vorm van lichaamsreiniging niet mogelijk is.

  • 2.

    Tilliften en plafondliften komen alleen voor een vergoeding ingevolge de WMO in aanmerking indien zij nodig zijn ter ondersteuning van de reeds bestaande mantelzorg (zorg door familie en/of vrienden) en indien zij de zelfstandigheid van de belanghebbende bevorderen. Als de tillift en/of de plafondlift wordt aangevraagd omdat de professionele zorgverlener de lift nodig heeft dient de aanvraag afgewezen te worden. Op grond van de Arbo-wet is de werkgever verplicht voor goede en verantwoorde werkomstandigheden te zorgen.

4.3.7 Woningsanering in verband met CARA

Een persoon met beperkingen kan in aanmerking worden gebracht voor een financiële tegemoetkoming voor het treffen van voorzieningen, die als gevolg van CARA, een allergie en dergelijke noodzakelijk zijn. Hierbij ontstaat een 'afstemmingsprobleem' met de AWBZ, omdat van die regeling uit ook voorzieningen in verband met CARA of allergieën getroffen kunnen worden.

CARA-klachten, die verband houden met allergie voor huisstofmijt, huidschilfers, haren, jute, etc., kunnen verminderen als in de directe omgeving het contact met stof zo gering mogelijk is. Dit kan enerzijds worden bereikt door de omgeving schoon en stofvrij te houden en anderzijds door bij de inrichting van de woning rekening te houden met gladde en synthetische materialen.

In het kader van de WMO gaat het bij woningsanering als gevolg van CARA, astma en allergieën specifiek om de volgende voorzieningen: tapijt en gordijnen. Andere voorzieningen, zoals allergeenvrije kussens en matrashoezen, vallen niet onder de WMO.

De in verband met een allergie noodzakelijk aan te schaffen vervangende artikelen zijn vrijwel altijd algemeen gebruikelijk. Slechts indien dergelijke artikelen voortijdig moeten worden vervangen, omdat men pas bekend is met de allergie, kan niet meer gesproken worden van een algemeen gebruikelijke voorziening.

Bij de vaststelling van de hoogte van de financiële vergoeding wordt een afschrijvingspercentage toegepast. Uitgangspunt hierbij is dat vloerbedekking altijd voor een beperkte duur meegaat. Men dient dus voor de vervanging van de vloerbedekking te reserveren. Indien een artikel is afgeschreven (veelal na acht jaar) wordt geen financiële tegemoetkoming verleend.

4.3.8 Vaststelling afschrijvingspercentage en vergoeding

Bij de berekening van de hoogte van de tegemoetkoming wordt rekening gehouden met de ouderdom van de stoffering (percentages afschrijving):

  • -

    nieuwer dan 2 jaar: 100 % vergoeding;

  • -

    tussen 2 en 4 jaar: 75 % vergoeding;

  • -

    tussen 4 en 6 jaar: 50 % vergoeding;

  • -

    tussen 6 en 8 jaar: 25 % vergoeding;

  • -

    ouder dan 8 jaar: geen vergoeding.

De werkelijke stofferingkosten worden vergoed.

Bij de aanschaf van de nieuwe materialen moet belanghebbende zich aan het programma van eisen houden (bijvoorbeeld gladde gordijnen kopen). In de offerte moet opgenomen zijn om hoeveel meter gordijn het gaat of hoe groot de ramen zijn.

Indien men zowel gordijnen als rolgordijnen wenst, wordt slechts voor één product een vergoeding toegekend.

4.3.9 Urgentie

Bij de beoordeling of de vervangende artikelen op grond van de verordening kunnen worden vergoed, is de urgentie van de vervanging bepalend. Het kan bijvoorbeeld uit medisch oogpunt gewenst zijn om de hele woning stofvrij te maken, terwijl alleen sanering van de slaapkamer urgent is. De rest zou ook geleidelijk aan, passend binnen het normale uitgavenpatroon, vervangen kunnen worden. Slechts de artikelen die urgent aan vervanging toe zijn, kunnen met inachtneming van de hierna vermelde overige voorwaarden voor vergoeding in aanmerking komen.

Ook wordt rekening gehouden met het tijdstip waarop men de stoffering aan heeft laten brengen in relatie tot de vaststelling van de aandoening. Zo wordt voorkomen dat iemand bijvoorbeeld al 10 jaar bekend is met CARA en vervanging van een tapijt van 6 jaar oud aanvraagt. Bij de aanschaf van het tapijt had men al redelijkerwijs kunnen voorzien dat die stoffering niet geschikt zou zijn (tenzij de klachten kortgeleden verergerd zijn en men daarom sanering nodig heeft).

4.3.10 Overige voorwaarden

In principe wordt alleen de slaapkamer gesaneerd. Saneren houdt in, dat wollen of pluizige vloerbedekking door glad, synthetisch materiaal vervangen wordt en matras en kussen worden voorzien van een afschermende hoes (matras en kussenhoezen worden vergoed door de zorgverzekeraar).

Een uitzondering wordt gemaakt voor kinderen tot de leeftijd, waarop zij naar school gaan (4 jaar) in die zin, dat met toepassing van de hardheidsclausule ook de woonkamer wordt gesaneerd.

Bij het toepassen van de hardheidsclausule moet rekening worden gehouden met het bewonersgedrag. Als daarbij blijkt, dat door gezinsleden zelf geen maatregelen worden genomen ook zonder dat deze extra kosten met zich mee brengen om schadelijke effecten te voorkomen, dan komt sanering van de woonkamer voor kinderen tot 4 jaar niet voor vergoeding in aanmerking c.q. wordt de hardheidsclausule niet toegepast.

4.3.11 Rolstoelvast tapijt

Vervanging van vloerbedekking door rolstoelvast tapijt komt alleen voor vergoeding in aanmerking als de vervanging niet te voorzien was, bijvoorbeeld als de persoon met beperkingen als gevolg van een ongeluk een rolstoel moet gaan gebruiken. Bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding wordt een afschrijvingstermijn toegepast.

4.3.12 Inschakeling CARA-verpleegkundige

Tijdens de gebruikelijke intake wordt door de WMO-consulent gekeken naar de leeftijd van de te vervangen materialen en de mogelijkheden. Daarna kan aan belanghebbende of de ouders worden gevraagd om via de huisarts of de behandelend longarts een beroep te doen op een CARA-verpleegkundige. Als belanghebbende (of ouders) het verslag van de CARA-verpleegkundige naar de WMO-consulent heeft gestuurd, kan het adviesrapport verder worden afgehandeld. Een CARA-verpleegkundige kan alleen worden ingeschakeld op advies van de huis- of longarts en de verpleegkundige is verplicht terug te rapporteren aan de longarts. Zij mag niet zelf diagnosticeren Dit houdt direct in dat sanering slechts mogelijk is als een duidelijke diagnose van CARA, astma of allergie is gesteld door huisarts of longarts.

4.3.13 Onderhoud, keuring en reparatie van verstrekte voor zie ningen

Op grond van de gemeentelijke Wvg verordening kunnen woonvoorzieningen zijn verstrekt.

In het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuningworden de mogelijke voorzieningen genoemd. Hier worden tevens de maximale tegemoetkomingen in de kosten van onderhoud en reparatie van deze voorzieningen genoemd.

Meer dan deze maxima wordt niet toegekend. Zie artikel 18 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning.

De voorziening moet op grond van voornoemde verordening zijn verstrekt. De tweede beperking is deze: tijdens het onderhoud, de keuring, of de reparatie moet de persoon met beperkingen de woonruimte waarin, of waarbij de voorzieningen zijn aangebracht als hoofdverblijf bewonen.

4.3.14 Tijdelijke huisvesting

Het kan voorkomen, dat een persoon met beperkingen als gevolg van het aanpassen van zijn woning op grond van de WMO dubbele woonlasten heeft. In zulke gevallen kan een tegemoetkoming worden verleend, maar hier gelden beperkingen.

Er wordt geen tegemoetkoming verleend, wanneer de persoon met beperkingen redelijkerwijs de dubbele woonlasten had kunnen voorkomen, of wanneer de dubbele woonlasten het gevolg zijn van een situatie waarin ook een niet-persoon met beperkingen dubbele woonlasten heeft, bij voorbeeld bij een verhuizing. De tegemoetkoming wordt maximaal voor de periode van zes maanden verleend. Ze kent twee mogelijkheden:

-het tijdelijk betrekken van een zelfstandige woonruimte en het langer moeten aanhouden van de te verlaten woonruimte (de werkelijke kosten worden vergoed met een maximum van de grens zoals bepaald in de Wet op de huurtoeslag);

het tijdelijk betrekken van een niet-zelfstandige woonruimte (de maximale tegemoetkoming is € 253,85 per maand).

4.3.15 Huurderving

Na de beëindiging van de huur van een voor een persoon met beperkingen aangepaste woning kan aan de woningeigenaar een financiële tegemoetkoming worden verleend. De leegstand moet het gevolg zijn van de aanwezigheid in de woning van aanpassingen voor deze persoon met beperkingen die gesubsidieerd zijn op grond van de WMO. Indien de persoon met beperkingen of een lid van het gezin of de huishouding waarvan de persoon met beperkingen deel uitmaakt eigenaar was of is van de betrokken woning, wordt geen tegemoetkoming wegens huurderving verstrekt. De huurderving van de eerste maand komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking.

Zie verder artikel 4.14 van de Verordening.

4.3.16 Termijn waarbinnen aanpassingen gerealiseerd moeten zijn

De persoon met beperkingen is zelf verantwoordelijk voor het uitvoeren of doen uitvoeren van een woningaanpassing.

Indien binnen een half jaar na de dagtekening van de toekenningsbeschikking de woningaanpassing niet is voltooid, vervalt het recht op de toekenning. Bij ingrijpende en tijdrovende aanpassingen kan van deze termijn worden afgeweken. Bij een progressief ziektebeeld geldt een afwijkende termijnstelling,

4.3.17 Aanvang werkzaamheden en controle

Met aanpassingswerkzaamheden mag niet eerder een begin worden gemaakt dan nadat op de aanvraag is beschikt. Op dat moment zijn immers alle op de aanvraag betrekking hebbende gegevens beoordeeld en is op grond daarvan bepaald welke voorzieningen nodig zijn. Hiermee wordt voorkomen, dat een te vroeg aangebrachte voorziening niet de goedkoopst adequate voorziening is. Er kunnen immers ook factoren meegewogen worden die buiten de woonruimte van de persoon met beperkingen gelegen zijn, zoals een beschikbare aangepaste woning elders, waardoor een woningaanpassing niet noodzakelijk is.

4.3.18 Bepaling van de kosten

Voor het aanbrengen van standaard woningaanpassingen is een overeenkomst met Zwaluwe BV uit Zwijndrecht gesloten. Alle woningeigenaren (corporaties en particulier) hebben Zwaluwe geaccepteerd als de leverancier van standaardvoorzieningen binnen hun woningbezit. Offerten voor allerlei standaardvoorzieningen behoren hiermee tot het verleden, waardoor zeer snel kan worden geleverd.

Betreft het een woonvoorziening die uitstijgt boven het niveau van een standaard woonvoorziening dan dienen er tenminste twee offerten te worden ingediend. Gelet op het eerder genoemde contract kan ook Zwaluwe BV voor niet-standaard woningaanpassingen zorgdragen.

Bij het uitbrengen van offerten moet in ieder geval:

  • -

    uitgegaan worden van een sobere en doelmatige uitvoering op het niveau van de sociale woningbouw;

  • -

    de raming alleen bestaan uit de te treffen voorzieningen zoals die concreet zijn genoemd in de uitgebrachte rapportage van de WMO-consulent of externe adviesinstantie;

  • -

    de ramingen zijn opgesteld door een (bouwkundig) deskundige;

  • -

    er onderdeel worden gespecificeerd (inclusief merk en type). Dit betekent dat hoeveelheden, eenheidsprijzen, materiaalkosten en arbeidsloon moeten zijn aangegeven;

  • -

    het bedrag van de BTW en eventuele administratie- en toezichtskosten, evenals renteverliezen apart worden vermeld;

  • -

    en kopie van eventueel door gespecialiseerde bedrijven uitgebrachte offertes waarnaar in de totale offerte wordt verwezen, worden bijgevoegd.

4.3.19 Hergebruik vrijkomende aangepaste woningen

Een eenmaal aangepaste woning moet bij voorkeur ook in de toekomst aan andere personen met een beperking toegewezen te worden.

Alle aangepaste woningen worden opgenomen in een woningregistratiesysteem.

Ter bevordering dat achterblijvende gezinsleden van een persoon met beperkingen die een aangepaste huurwoning definitief heeft verlaten, deze woning als huurwoning vrijmaken voor een andere persoon met beperkingen kan een financiële tegemoetkoming voor verhuis- en (her)inrichtingskosten worden verstrekt.

4.4 Woonvoorziening in PGB of financiële tegemoetkoming

Om te bewerkstelligen dat de woningaanpassing wordt uitgevoerd conform het programma van eisen en er aldus een adequate aanpassing wordt verstrekt, is een aantal voorwaarden gesteld om de toegekende tegemoetkoming ook daadwerkelijk uit te betalen. De voorwaarden moeten ook middels de beschikking aan de aanvrager en eventueel aan de woningeigenaar, als die niet de aanvrager is, worden bekendgemaakt. Het zijn immers de voorwaarden waaraan het besluit is gebonden.

De volgende voorwaarden zijn van toepassing:

  • a.

    er mag niet reeds voorafgaand aan de beschikking een begin worden gemaakt met de uitvoering van de werkzaamheden waarop de financiële tegemoetkoming betrekking heeft, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het college;

  • b.

    aan door het college aangewezen personen wordt door de eigenaar of huurder toegang verstrekt tot de woonruimte waar de woningaanpassing wordt aangebracht;

  • c.

    aan de onder b. genoemde personen wordt inzicht wordt geboden in bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de woningaanpassing;

  • d.

    aan de onder b. genoemde personen wordt gelegenheid geboden tot het controleren van de woningaanpassing;

  • e.

    terstond na de voltooiing van de werkzaamheden verklaart de gerechtigde van de financiële tegemoetkoming aan het college dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid conform het programma van eisen;

  • f.

    de gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling en uitbetaling van de financiële tegemoetkoming;

  • g.

    de gereedmelding gaat vergezeld van een verklaring dat bij het treffen van de voorzieningen is voldaan aan de voorwaarden waaronder de financiële tegemoetkoming is verleend alle rekeningen en betalingsbewijzen worden bijgevoegd

  • h.

    de gerechtigde moet, indien het college dit wenst, medewerking verlenen aan een anti-speculatiebeding.

5. VERVOERSVOORZIENINGEN

5.1 Inleiding

Een vervoersvoorziening op grond van de WMO is noodzakelijk als het verplaatsingsgedrag van de persoon met beperkingen in belangrijke mate is verstoord door de ondervonden belemmeringen én de persoon met beperkingen geen of niet meer gebruik kan maken van het openbaar vervoer, de fiets of de auto én niet (meer) (ver) kan lopen.

Met behulp van een vervoersvoorziening kan deelname aan het maatschappelijk verkeer/participatie in stand worden gehouden en bevorderd.

De gemeente Ridderkerk hanteert het primaat van het collectief vervoer (WMO en Ouderenvervoer Ridderkerk en Ridderkerk).

De gemeente Ridderkerk gaat bij de verstrekking van vervoersvoorzieningen uit van het uitgangspunt ‘collectief als het kan, en individueel als het moet’.

Het primaat is dus gelegd bij het collectief vervoer. Indien het collectief vervoer niet volstaat, dan wordt gekeken of en welke individuele vervoersvoorziening adequaat is. Een combinatie van vervoersvoorzieningen is – in uitzonderlijke gevallen – ook mogelijk. Zo verstrekt de gemeente een vervoersvoorziening op maat.

De vervoersvoorzieningen op grond van hoofdstuk 5 van de Verordening bestaat uit een (combinatie van) collectief vervoerssysteem, voorzieningen in natura en financiële tegemoetkomingen in de kosten van vervoersvoorzieningen.

Het werken met de behoefte in het dagelijkse leefvervoer bij de uitvoering van de WMO is bedoeld om een sociaal isolement te voorkomen. Dit betekent niet, dat elke wens gehonoreerd kan worden.

Steeds zal de afweging moeten plaatsvinden tussen de verplaatsingsbehoefte en de goedkoopst adequate vervoersvoorziening.

In de eerste plaats moet hierbij dan ook verwezen worden naar hetgeen hieronder staat bij "Uitgangspunten vervoersaanbod".

Bovendien worden onder de WMO geen voorzieningen verstrekt die voor een persoon als de persoon met beperkingen algemeen gebruikelijk zijn. Bij het wel of niet verstrekken van een vervoersvoorziening wordt met deze WMO-regel rekening gehouden.

5.1.1 Mobiliteitsbeperkingen

Mobiliteit is te definiëren als het vermogen van de mens om zich te verplaatsen van het ene naar het andere punt op een wijze, die de situatie verlangt. Wanneer iemand ten gevolge van een stoornis in zijn/haar vermogen om zich te verplaatsten beperkt is, wordt de mobiliteit kleiner. Aangezien mobiliteit een belangrijke voorwaarde is voor het participeren in de samenleving is er sprake van een probleem. Hoe ernstig dit probleem is voor de betrokkene hangt af van de verhouding tussen de verplaatsingsbehoefte en de reële verplaatsings-mogelijkheden. De mobiliteitsbeperking van een belanghebbende kunnen we verminderen door de verstrekking van een vervoersvoorziening. De geïndiceerde oplossing voor het vervoersprobleem vermindert de beperkingen die de persoon met beperkingen op het gebied van mobiliteit ondervindt; zij hoeft en kan deze niet volledig wegnemen.

5.1.2 Het compensatiebeginsel collectief vervoer

Het compensatiebeginsel van de gemeente beperkt zich in eerste instantie tot de directe leefomgeving van de cliënt en het leven van alledag. Bij de WMO gaat het om maatschappelijke verkeer, het verkeer dat nodig is voor het leven van alledag, inclusief het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel.

Slechts bij hoge uitzondering kan de compensatiebeginsel van de gemeente worden uitgebreid. De Centrale Raad van Beroep hanteert als uitgangspunt dat slechts uitzonderingen dienen te worden gemaakt op de stelregel dat de compensatiebeginsel van de gemeente zich beperkt tot de directe leefomgeving van de persoon met beperkingen, indien er in redelijkheid moet worden geconcludeerd dat er sprake is van dusdanig wezenlijke, uitsluitend door persoonlijk bezoek te handhaven, bovenregionale contacten dat betrokkene bij het wegvallen daarvan in een sociaal isolement zou geraken.

5.1.3 Vervoersvoorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen

Personen met beperkingen kunnen ook op grond van andere regelingen in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening. Dat zijn voorliggende voorzieningen. In dat geval heeft de persoon met beperkingen geen recht op een WMO-vervoersvoorziening. Alvorens over te gaan tot advisering van een WMO-vervoersvoorziening dient helder te zijn dat er geen andere wettelijke regeling van toepassing is of kan zijn. Daarom wordt de cliënt gevraagd om de beschikking tot verstrekking van een vervoersvoorziening/of afwijzing daarvan op grond van een andere wettelijke regeling bij een aanvraag voor een WMO-vervoersvoorziening te overleggen. Vervolgens kan beoordeeld worden of deze reeds verstrekte vervoersvoorziening gezien alle omstandigheden minimaal adequaat is of dat een aanvullende WMO-vervoersvoorziening dient te worden verstrekt.

Vervoer naar medische instellingen, veelal instellingen in de 2e lijn (ziekenhuizen, revalidatiecentra etc.) in verband met medisch onderzoek of behandeling, school-vervoer en woon-werkverkeer vallen niet onder de compensatiebeginsel van de WMO.

5.1.4 Verstandelijk persoon met beperkingen

Een persoon met verstandelijke beperkingen komt alleen in aanmerking voor een vervoersvoorziening wanneer hij langdurig geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer. Er zijn twee redenen hierbij te noemen:

  • -

    een lichamelijke belemmering;

  • -

    een gedragsstoornis.

Een persoon met verstandelijke beperkingen, die met begeleiding met het openbaar vervoer kan reizen, dienen zelf voor een begeleider te zorgen. Zowel de gemeente als de vervoerder hebben hier geen compensatieplicht. Dit geldt ook, indien een persoon met verstandelijke beperkingen

of ouderen met een psychische stoornis in aanmerking komen voor collectief vervoer.

5.1.5 Kinderen en vervoer

In principe dient de persoon met beperkingen een zelfstandige (individuele) vervoersbehoefte te hebben om in aanmerking te komen voor een WMO vervoersvoorziening.

Op deze regel wordt een uitzondering gemaakt waar het kinderen betreft. Ten gevolge van de handicap van een kind ondervindt namelijk het hele gezin belemmeringen in het vervoer.

Hoewel de ouders zullen proberen het verplaatsingspatroon aan te passen aan de handicap van het kind, is dit in een aantal gevallen niet mogelijk of leidt dit tot sociaal isolement van (één van) de ouders.

Leeftijd is hier niet van belang, het gaat om de emotionele en fysieke afhankelijkheid van het kind ten opzichte van de ouders. Daarom wordt in de verstrekking van de vervoersvoorziening voor het kind met beperkingen – tot op zekere hoogte – rekening gehouden met de ouders, de andere kinderen en hun vervoersbehoefte. Volgens de Centrale raad van Beroep worden kinderen tot de leeftijd van 12 jaar niet geacht een zelfstandige vervoersbehoefte te hebben.

Dit kan betekenen dat een individuele auto aanpassing mogelijk is ten behoeve van het vervoer van kinderen mits de aanschaf van de auto zelf wordt gefinancierd.

5.2 Soorten van voorzieningen

  • a.

    een systeem van aanvullend, collectief vervoer, primaat)

  • b.

    een voorziening in natura, waarin het volgende onderscheid geldt:

  • c.

    de bruikleenauto (alleen met toepassing van de hardheidsclausule in hoge uitzonderingsgevallen mogelijk);

  • d.

    de gesloten buitenwagen (alleen met toepassing van de hardheidsclausule in hoge uitzonderingsgevallen mogelijk);

  • e.

    de open (elektrische) buitenwagen (scootermobiel);

  • f.

    tegemoetkoming in de aanpassingskosten van een eigen auto in plaats van collectief vervoer;

  • g.

    tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een taxi of van eigen auto (alleen wanneer systemen van bovenregionaal vervoer, zoals Valys, niet als adequate voorziening gelden)

  • h.

    tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een rolstoeltaxi

  • i.

    tegemoetkoming in de kosten van de aanschaf of het gebruik van een ander ver-plaatsingsmiddel.

    5.2.1 het aanvullend openbaar vervoerssysteem

    Burgemeesters en Wethouders hebben het primaat gelegd bij het collectief vervoer. Sedert 1 juni 1995 heeft de gemeente Ridderkerk een collectief aanvullend vervoerssysteem, uitgevoerd door een plaatselijk taxibedrijf.

    Het WVG vervoer ( Vervoer op maat), is een zogeheten deur-tot-deur, deur-tot-halte en halte-tot-deur systeem. Dit betekent dat de pasjeshouders van de deur van hun verblijfplaats tot de deur van de plaats van bestemming worden gebracht. De pasjeshouders kunnen ook naar een halte van het overige (aanvullend) openbaar vervoer worden gebracht (bijvoorbeeld van trein of metro).

    Alleen op medische indicatie op grond van de WMO kan gebruik worden gemaakt van het collectief vervoer De pashouder betaalt tarieven, die vergelijkbaar zijn met de tarieven van het openbaar vervoer, waarbij de zone-indeling van het openbaar vervoer uitgangspunt is. 1 persoon, die meereist met de pashouder, betaalt een aangepast tarief. Het WVG en Ouderenvervoer rijdt in geheel Ridderkerk (instapzone) plus 4 OV-zones rond Ridderkerk.

    Indicatie

    Om voor een WMO vervoerspas in aanmerking te komen, dient een zogeheten indicatie te worden gesteld door de WMO-consulent of door een externe adviesinstantie.

    Om voor de aantekening ' medische begeleiding' op de vervoerspas in aanmerking te komen, dient een indicatie door de WMO-consulent of door de externe adviseur te worden gesteld.

    Indicatie hiervoor is bij hoge uitzondering mogelijk als men tijdens de rit is aangewezen op medische begeleiding, bijvoorbeeld bij het toedienen van medicijnen bij toevallen.

    5.2.2 Bruikleenauto

    Onder de werking van de WVG werd bij zeer hoge uitzondering een bruikleenauto gehandhaafd, die onder eerdere wetgeving van het GAK is verstrekt. De bruikleenauto is, gelet op de vele voorliggende vervoersvoorzieningen, geen onderdeel meer van het verstrekkingenboek voorzieningen WMO. Slechts een eenvoudige autoaanpassing is mogelijk. De aanschaf van een voor een individu aangepaste of aan te passen auto is voor rekening van de cliënt.

    Voorliggende voorzieningen niet adequaat.

    Indien er bij de cliënt geen mogelijkheden zijn om een voorliggende vervoersvoorziening te treffenkan er sprake zijn van de volgende omstandigheden:

    De aanvrager kan om strikt medische redenen geen gebruik maken van voorliggende voorzieningen, indien:

    • a.

      hij niet in een taxi, of rolstoeltaxi kan plaatsnemen;

    • b.

      hij door een taxichauffeur, in redelijkheid kan worden geweigerd (bijvoorbeeld wegens het risico van bevuiling of een zeer onaangename geur);

    • c.

      in zijn verplaatsingsbehoefte uitsluitend voorzien kan worden met een auto die alleen de persoon met beperkingen ter beschikking staat. Dit is het geval wanneer de omvang van de noodzakelijke verplaatsingen buitenshuis zo groot is, dat andere vervoersvoorzieningen en vooral taxivervoer of vervoer door een derde niet in deze vervoersbehoefte kunnen voorzien.

    Het college kan in een dergelijke,specifieke situatie afwijken van de regelgeving.

    5.2.3 Gesloten buitenwagen

    Het begrip gesloten buitenwagen kan in tweeën worden onderverdeeld. Ten eerste wordt hieronder verstaan een specifiek invalidenvoertuig en ten tweede wordt hieronder begrepen de vierwielige bromfiets of zogeheten brommobiel. De brommobiel geldt anno 2003 als algemeen gebruikelijk

    voorziening, omdat deze in de gewone handel verkrijgbaar is.

    Ook deze kostbare voorzieningen kunnen alleen bij hoge uitzondering met toepassing van de hardheidsclausule uit de verordening worden toegekend. Gelet op de rangorde van vervoersvoorzieningen zal, net als bij de bruikleenauto, verstrekking van een gesloten buitenwagen (brommobiel) niet voorkomen.

    5.2.4 Open (elektrische) buitenwagen (scootermobiel)

    Wanneer een persoon met beperkingen zich in en rondom de woning kan verplaatsen (al dan niet in een rolstoel), kan het gewenst zijn dat hij ook beschikt over een elektrisch voertuig voor buiten, te gebruiken op korte afstanden rond de woning. Voor deze verplaatsingen is het immers over het algemeen niet logisch of zelfs onmogelijk gebruik te maken van het collectieve vervoerssysteem of van een taxi. Hierbij moet men denken aan het binnen een straal van 1 tot 3 kilometer met een scootermobiel zelf boodschappen doen, familie bezoeken etc.

    Bij het beoordelen van de geschiktheid van een scootermobiel zal de WMO consulent mede kijken naar de mate waarin een persoon met beperkingen in staat is een scootermobiel te besturen. Indien hieromtrent twijfels bestaan kunnen rijvaardigheidslessen een onderdeel van de toekenningsprocedure vormen. De lessen worden verzorgd door de leverancier van de te verstrekken voorziening. Het aantal lessen is afhankelijk van de behoefte daaraan. Deze behoefte blijkt uit het advies van de WMO-consulent danwel van de externe adviesinstantie. De resultaten van de lessen zullen bepalen of er al dan niet tot verstrekking van een vervoersvoorziening in de vorm van een scootermobiel wordt overgegaan.

    Criteria voor het verstrekken van een scootermobiel

    1.De vervoersbehoefte betreft een gebied in de directe woonomgeving, maar wel boven de

    500 meter waarbij taxivervoer niet adequaat is, bij voorbeeld vanwege de geringe afstanden, zoals bij het doen van dagelijkse boodschappen (winkelbezoek, bezoek aan bank of postkantoor).

    • 2.

      De vervoersbehoefte betreft overigens een gebied binnen de gemeente of woonkern, bij voorbeeld bij het onderhouden van sociale contacten en het bezoeken van verenigingsactiviteiten.

    • 3.

      Het lopen of het voor langere tijd staan is zodanig beperkt, dat de persoon met beperkingen na een taxi- of andere autorit zijn bestemmingsdoel niet kan bereiken. Hierbij moet gedacht worden aan een loopafstand tot 100 meter en niet langer kunnen staan dan ± 15 minuten. Zelfstandig boodschappen doen of de bank of postkantoor bezoeken is in deze situatie al een probleem.

    • 4.

      dient een stallingsruimte,voorzien van een stopcontact van 220 volt aanwezig te zijn of gecreëerd kunnen worden. Hiertoe kan een woonvoorziening nodig zijn.

    Voorbeelden van een geschikte stallingsruimte: afsluitbare berging, schuurtje, overdekte en afgesloten galerij, gang van een verzorgingshuis (dit laatste met toestemming van het tehuis). Gemeenschappelijke stalling, gemeenschappelijke bergingen en niet afgesloten galerijen zijn ongeschikt.

    Stroom: een gewoon stopcontact voldoet. Voor het opladen is maximaal 8 uur nodig.

    • 5.

      Cliënt moet in staat zijn het middel veilig te bedienen. Redenen tot afwijzing kunnen zijn: onvoldoende geestelijke gesteldheid, slechtziendheid, medicijngebruik, gebrek aan verkeersinzicht. Er moet met name goed gekeken worden naar de rijvaardigheid van mensen, die in het verleden een hersenbloeding hebben gehad. Voor langere tijd op proef geven van een scooter wordt niet gedaan. Bij een aanvrager met epilepsie moet worden bekeken hoe lang betrokkene al aanvalsvrij is.

    • 6.

      Cliënt moet zelfstandig kunnen in- en uitstappen of kunnen overschuiven.

    • 7.

      Cliënt moet een goede zitbalans hebben.

    5.2.5 Andere voorzieningen

    Bij verplaatsingsmiddelen als verstrekkingen in natura moet in de eerste plaats gedacht worden aan verplaatsingsmiddelen, die in de buurt komen van wat voor niet-persoon met beperkingen normaal gebruikelijk is.

    Echter, het gaat hier om aangepaste verplaatsingsmiddelen, zoals door spierkracht voortbewogen vervoermiddelen.

    Bedoeld worden een driewielfiets, een handbike, een tandem, een duofiets, een rolstoelfiets en een verlengde fiets. Vaak kan zo met relatief lage kosten een hoge mate van mobiliteit bereikt worden.

    Deze voorzieningen kunnen zowel in eigendom, in bruikleen danwel via een Pgb worden verstrekt.

    In geval van eigendom en Pgb dient rekening te worden gehouden met een eigen bijdrage ter hoogte van de algemeen gebruikelijke kosten van een fiets. In het Besluit zijn de tegemoetkomingen voor andere vervoersvoorzieningen opgenomen.

    Door spierkracht voortbewogen vervoermiddelen (met uitzondering van rolstoelen)

    Uitgangspunten bij de beoordeling van een aanvraag voor één van deze middelen zijn:

    • -

      een zelfstandige vervoersbehoefte start bij 4 jaar;

    • -

      tot de leeftijd van 18 jaar wordt de voorziening in bruikleen verstrekt in verband met de lichaamsgroei. Boven de 18 jaar wordt aangenomen dat een voorziening langer meegaat en wordt een (meer adequate) tegemoetkoming in de kosten gegeven;

    • -

      de kosten voor een gewone fiets als zijnde "algemeen gebruikelijk" worden van de financiële tegemoetkoming afgetrokken. Deze besparingsbijdrage is vastgesteld op € 700,- en wordt in mindering gebracht op de financiële tegemoetkoming.

    De algemene criteria zijn:

    • 1.

      cliënt kan geheel of gedeeltelijk met deze voorziening in de verplaatsingsbehoefte voorzien;

    • 2.

      cliënt is niet in staat om van een gewone fiets gebruik te maken;

    • 3.

      De voorziening biedt een oplossing voor een relevant deel van de vervoersbehoefte;

    • 4.

      stallingsruimte is aanwezig of kan binnen redelijke grenzen gecreëerd worden (hiertoe kan een woonvoorziening nodig zijn);

    • 5.

      verstrekking eens in de zeven jaar, met uitzondering van de handbike. In dat geval is de termijn vijf jaar.

    5.2.7 Driewielfiets

    Criteria:

    • -

      algemene uitgangspunten en criteria van door spierkracht voortbewogen hulpmiddelen en;

    • -

      betrokkene is in staat zich zelfstandig fietsend, eventueel onder begeleiding, in het verkeer te begeven.

    Opmerkingen:

    • 1.

      Tot vier jaar is een driewieler algemeen gebruikelijk, tenzij er een speciale uitvoering noodzakelijk is.

    • 2.

      Voor kinderen van 4 tot en met 16 jaar wordt de driewielfiets gezien als een mobiliteitsvoorziening.

    Bij verstrekking driewielfiets wordt een financiële tegemoetkoming verstrekt ter hoogte van de prijs

    van de aanschafkosten van een driewielfiets minus de kosten van een normale fiets.(zie eerder: de besparingsbijdrage van € 700,--)

    5.2.8 Handbike

    Criteria:

    • -

      Algemene uitgangspunten en criteria van de door spierkracht voortbewogen hulpmiddelen plus:

    • -

      cliënt is aangewezen op een rolstoel;

    • -

      vanaf 18 jaar geldt ook het volgende criterium:

    cliënt heeft een vermogen tot het zich verplaatsen met behulp van een handbewogen (sport) rolstoel, kan een redelijke afstand (1,5 km) binnen redelijke tijd overbruggen (te denken valt aan circa een half uur) maar heeft de voorziening nodig in verband met een specifieke verplaatsingsbehoefte boven 1500 meter, die niet anderszins kan worden opgelost.

    De hoogte van de tegemoetkoming is € 2300 inclusief BTW en inclusief de

    onderhoudskosten gedurende vijf jaar.

    Opmerkingen:

    • 1.

      Er dient een substantiële toegevoegde waarde te zijn als de handbike als verplaatsingsvoorziening in en om de woning wordt verstrekt.

    • 2.

      De aftrek van de "algemeen gebruikelijke" uitgaven voor een fiets wordt bij de handbike niet toegepast. De handbike wordt met de armen en handen voortbewogen. In die zin is er geen overeenkomst met de andere (door spierkracht voortbewogen) voorzieningen in deze groep.

    • 3.

      Aanpassingen die nodig zijn om de handbike aan de rolstoel te kunnen bevestigen, vallen onder de rolstoelaanpassingen. Deze kosten kunnen derhalve niet worden opgeteld bij het bedrag voor de handbike.

    • 4.

      Er dient een substantiële toegevoegde waarde te zijn indien de handbike als verplaatsingsvoorziening in en om de woning, of grotere afstanden, wordt verstrekt.

    5.2.9 Tandem

    Criteria:

    Cliënt is niet in staat om zonder hulp van een bestuurder zelfstandig te fietsen.

    Daarnaast gelden de algemene uitgangspunten en criteria van de door spierkracht voortbewogen hulpmiddelen.

    De hoogte van de tegemoetkoming wordt als volgt bepaald:

    -ten behoeve van een gehandicapt kind dan is de berekening: aanschafprijs overeenkomstig het programma van eisen van de WMO-consulent of van de externe adviesinstantie, minus de gemiddelde prijs van een (kinder)fiets.

    N.b. Tot de leeftijd van 18 jaar blijft de voorziening in de regel eigendom van de gemeente en wordt zij in bruikleen aan de aanvrager verstrekt.

    5.2.10 Duofiets

    De duofiets is een variant op de tandem. De achterste plaats is bedoeld voor de begeleider, voorop zit het kind. De hoogte van het zadel en stuur kunnen variabel op de individuele wensen van de berijder worden ingesteld. Het kind hoeft niet mee te trappen of te sturen.

    Criteria:

    • 1.

      Algemene uitgangspunten en criteria van door spierkracht voortbewogen hulpmiddelen;

    • 2.

      Cliënt kan zich alleen onder begeleiding in het verkeer begeven en kan of mag uit veiligheidsoverwegingen niet meetrappen en/of meesturen. Het is noodzakelijk dat de begeleider toezicht houdt op het kind.

    De hoogte van de tegemoetkoming is de aanschafprijs overeenkomstig het door de WMO-consulent of externe adviesinstantie opgestelde programma van eisen minus de gemiddelde prijs van een kinderfiets.

    5.2.11 Rolstoelfiets

    De rolstoelfiets is vergelijkbaar met een bakfiets. Voorop de fiets is een plateau aangebracht, waarop een rolstoel kan worden gereden. Deze kan worden vastgezet en iets omhoog worden gebracht tussen de twee voorwielen van de fiets.

    Het plateau kan met een mechanische of elektrische bediening worden uitgevoerd.

    Criteria:

    • 1.

      Algemene uitgangspunten en criteria van door spierkracht voortbewogen hulpmiddelen.

    • 2.

      Cliënt kan niet worden vervoerd zonder dat hij/zij in de rolstoel zit.

    De hoogte van de tegemoetkoming bedraagt de aanschafprijs overeenkomstig het door de WMO-consulent of externe instantie opgestelde programma van eisen minus de gemiddelde prijs van een volwassen- danwel kinderfiets. Dit laatste is afhankelijk van degene, voor wie deze voorziening

    wordt toegekend.

    5.2.12 Verlengde fiets

    De verlengde fiets wordt verstrekt in verband met een gehandicapt kind. Het heeft een verlengd frame. De grotere ruimte achter de zadelbuis en de verlaagde achterinstap maken het gemakkelijker om het kind in een stoeltje te verplaatsen. Dit type fiets is met name geschikt voor het meenemen van grotere kinderen met beperkingen.

    Criteria:

    • 1.

      Algemene uitgangspunten en criteria van door spierkracht voortbewogen hulpmiddelen;

    • 2.

      Verstrekking is mogelijk wanneer grotere kinderen achterop de fiets worden vervoerd.

    5.2.13 Aanpassing eigen auto

    Vergoeding van de aanpassingskosten is mogelijk als iemand om medische redenen aangewezen is op het gebruik van eigen auto en andere vervoersvoorzieningen als niet adequaat worden beschouwd.

    Autoaanpassingen worden gezien als aanpassingen, die het algemeen gebruikelijke karakter van de auto te boven gaan.

    Pas wanneer de voorliggende voorzieningen, zoals collectief vervoer, niet voldoen, kan besloten worden autoaanpassing te verstrekken.

    Het is ook mogelijk om te komen tot autoaanpassingen als dit noodzakelijk is voor de partner of kind(eren) als deze beperkingen hebben.

    Bij de beoordeling van een aanvraag om vergoeding van de kosten van autoaanpassing zal onder meer rekening worden gehouden met de volgende aspecten:

    • 1.

      de aard van de handicap;

    • 2.

      de mogelijkheid om gebruik te maken van andere goedkopere/adequate voorzieningen via de WMO.

    ad 1. De aard van de handicap:

    De aard van de handicap kan bepalen dat iemand geen gebruik kan maken van een taxi maar zich wel in een eigen auto kan verplaatsen. Als de handicap daartoe direct aanleiding geeft, dan ligt een aanpassing van deze auto in de rede.

    ad 2. De aanwezigheid van een collectief vervoerssysteem:

    Door de aanwezigheid van het collectief vervoerssysteem kan er sprake zijn van een meer economische mogelijkheid om adequaat vervoer aan te bieden. Dat kan, bij het ontbreken

    indicaties, een duidelijke overweging zijn om niet tot aanpassing van de eigen auto over te gaan.

    Inkomenspositie van de persoon met beperkingen

    In geval van aanpassing van de eigen auto is de inkomensgrens van belang. Bij overschrijding van het norminkomen dient de persoon met beperkingen een eigen bijdrage te betalen.

    De tegemoetkoming voor een autoaanpassing bedraagt maximaal € 7000,-incl. BTW.

    Voorwaarden voor aanpassen eigen auto

    De voorwaarden voor het verstrekken van de aanpassing van de eigen auto zijn:

    • -

      de auto is technisch gezien eenvoudig aan te passen;

    • -

      de auto verkeert in goede staat;

    • -

      de auto is in principe niet ouder dan 3 jaar (de afschrijvingstermijn van een auto wordt in principe bepaald op 7 jaar). De voorziening kan namelijk eens in de zeven jaar worden verstrekt;

    • -

      de aanpassing is de goedkoopst adequate voorziening en mag niet algemeen gebruikelijk zijn.

    Aanpassingen kunnen betreffen:

    • -

      de bediening en besturing van de auto;

    • -

      het in en uit de auto komen;

    • -

      de zithouding;

    • -

      de verzorging van de persoon met beperkingen;

    • -

      de autostoel.

    Omdat autoaanpassing slechts wordt toegekend, nadat is gebleken, dat de voorliggende vervoersvoorzieningen niet adequaat zijn, wordt geen uitvoerige opsomming gegeven van de mogelijkheden en kosten. Burgemeester en wethouders beslissen op de aanvraag op basis van de zeer individuele omstandigheden en doen dit bij autoaanpassing slechts bij hoge uitzondering.

    5.2.14 Tegemoetkomingen gebruik eigen auto of (rolstoel) taxi

    Het woord tegemoetkoming impliceert dat niet alle kosten worden vergoed. In het geval van een vervoersvoorziening moet bedacht worden, dat iedereen, dus ook valide personen,

    vervoerskosten hebben. Deze kosten zijn algemeen gebruikelijk. De tegemoetkoming wordt bij hoge uitzondering verleend, alleen wanneer andere voorzieningen op medische gronden niet geschikt zijn bevonden en er sprake is van geïndiceerd, individueel vervoer.

    De tegemoetkomingen zijn genormeerd en aan een maximum gebonden.. Zie hiervoor het Besluit Maatschappelijke Ondersteuning. Een eigen bijdrage kan van toepassing zijn.

    Vaststelling hoogte financiële tegemoetkoming gebruik eigen auto of (rolstoel)taxi

    Bij de vaststelling van de hoogte van een tegemoetkoming in de kosten van een vervoermiddel dient rekening te worden gehouden met de individuele vervoersbehoefte en het inkomen van de persoon met beperkingen. Bij het vaststellen van de vervoersbehoefte wordt aandacht besteed aan

    de volgende aspecten:

    • -

      het verplaatsingsmotief;

    • -

      de verplaatsingsbestemming;

    • -

      de frequentie van het verplaatsen;

    • -

      de wijze van het verplaatsen.

    De financiële tegemoetkoming wordt alleen verstrekt, indien binnen de rangorde van voorliggende voorzieningen geen adequate oplossing kan worden gevonden. Bij aanvragen voor vervoer buiten de regio (en buiten het eigen systeem van WVG vervoer) geldt de rijksvervoerregeling Valys als voorliggende voorziening.

    De hoogte van de tegemoetkoming stemt overeen met 50 % van de hoogte van

    de bedragen, die vóór 1 april 1994 van toepassing waren. Indien men om medische redenen geen gebruik kan maken van de rijksvervoerregeling kan, afhankelijk van de handicap en mate van vervoersbehoefte, een tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van de eigen auto of (rolstoel) taxi worden verstrekt. Dit zal echter in praktijk eerder uitzondering dan regel zijn.

    Het openbaar vervoer wordt in toenemende mate toegankelijk gemaakt voor personen met beperkingen.

    Wanneer een aanvrager beschikt over collectief vervoer en andere WMO voorzieningen, stelt de vele jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, dat bovenregionaal bezoek aan familie e.d. weliswaar wenselijk is, maar niet noodzakelijk om, gelet op de aanwezige middelen in de eigen woonomgeving, een zogenaamd sociaal isolement te voorkomen.

    Burgemeester en wethouders volgen deze wetgeving en streven hiermee naar een langdurige betaalbaarheid van WMO voorzieningen, waarbij zij het accent leggen op de beschikbaarheid van een aanvaardbaar verstrekkingenniveau in de eigen woonplaats van de persoon met beperkingen.

    Voor uitgebreider toelichting wordt verwezen naar de Verordening en het Besluit maatschappelijke ondersteuning.

5.3 AWBZ-vervoer

Per 1 januari 2007 vervalt de Regeling sociaal Vervoer AWBZ-instellingen 1996. Deze regeling

betrof persoon met beperkingen, die verblijven in:

  • a.

    "Het Dorp" te Arnhem;

  • b.

    gezinsvervangende tehuizen voor persoon met beperkingen (GVT's)

  • d.

    regionale instellingen voor beschermd wonen (RIBW's);

  • e.

    verpleeghuizen.

De bewoners van deze instellingen worden op grond van deze regeling voor hun vervoersvoorzieningen permanent onder de werkingssfeer van de WMO gebracht en kunnen dan ook in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening. In de praktijk betreft het in alle gevallen collectief WVG en Ouderenvervoer.

5.4 Persoonsgebonden budget (PGB)

Zoals bij alle individuele Wmo-voorzieningen in principe het geval is, kan ook bij de meeste vervoersvoorzieningen een PGB worden verstrekt, indien de aanvrager dit verzoekt (artikel 1 Besluit maatschappelijke ondersteuning Ridderkerk). Maar verstrekking als PGB vindt niet plaats indien (artikel 2):

  • a.

    op grond van aanwijzingen die tijdens de indicatie duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben met het omgaan met een persoonsgebonden budget.

  • b.

    de verzekerde op de dag waarop de subsidieperiode zou aanvangen (anders dan terzake van kortdurend verblijf) in een instelling bedoeld in de AWBZ of de zorgverzekeringswet verblijft.

  • c.

    de gemeente, op advies van een instelling voor maatschappelijk werk of de Raad voor de kinderbescherming, van oordeel is dat een ten behoeve van een minderjarige aangevraagd budget in zodanige mate niet voor de inkoop van diensten ten behoeve van het kind zal worden gebruikt, dat dit mishandeling, verwaarlozing of ernstige schade voor de opvoeding of ontwikkeling van de minderjarige tot gevolg zal hebben.

    a.aanvrager zich bij een eerder toegekend persoonsgebonden budget niet aan de opgelegde verplichtingen heeft voldaan.

Artikel 22 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning geeft aan dat de hoogte van het PGB voor vervoersmiddelen wordt vastgesteld op basis van de goedkoopst-adequate voorziening inclusief onderhoud en reparatie.

Het bedrag dat hiervoor beschikbaar wordt gesteld wordt genomen over het gemiddelde bedrag voor onderhoud van soortgelijke verstrekkingen over het een na laatste voorafgaande kalenderjaar. Bij de vaststelling van het PGB is uitgegaan van de huidige kosten van voorzieningen in natura. In de bijlage I is een overzicht opgenomen van de gangbare verstrekkingen.

De voorzieningen in natura zijn relatief goedkoop omdat er ook voorzieningen worden herverstrekt door de leverancier. Dit kan echter als gevolg hebben dat het voor een aanvrager voor een PGB lastig zal zijn een adequate voorziening nieuw aan te schaffen bij een leverancier voor het bedrag dat als PGB wordt verstrekt. Indien echter het PGB wordt afgestemd op nieuwe voorzieningen zal dit leiden tot rechtsongelijkheid. Een PGB’er zal dan bevoordeeld worden ten opzichte van een gebruiker van voorzieningen in natura. Deze laatste zal dan genoegen moeten nemen met een herverstrekte voorziening terwijl een PGB’er een nieuwe voorziening kan aanschaffen.

De gemeente Ridderkerk kiest voor het zogenaamde bruto-PGB. Dit houdt in dat het CAK de eigen bijdrage formeel vaststelt en de eigen bijdrage ook int. In de beschikking zal ook opgenomen moeten worden dat er een eigen bijdrage/eigen aandeel in de kosten verschuldigd is. Omdat die eigen bijdrage vastgesteld en geïnd zal worden door het CAK, zal in de meeste gevallen uitsluitend een aankondiging opgenomen kunnen worden. Een en ander is uitgebreider beschreven in de notitie van het CAK d.d. 13 november 2006 ‘Proces eigen bijdrageregeling Wmo’.

6. ROLSTOELVOORZIENINGEN

6.1 De rolstoel als hulpmiddel

De gemeente verstrekt naast vervoers- ook verplaatsingsvoorzieningen. Rolstoelen horen tot de laatste categorie. Uitgangspunt is de cliënt in staat te stellen zich te verplaatsen.

Bij een WMO-verstrekking staat goedkoopst adequaat voorop. Wanneer iemand een elektrische rolstoel aanvraagt, zal eerst moeten worden gekeken of deze voorziening wel valt onder het criterium goedkoopst adequaat. Een handbewogen rolstoel in combinatie met het collectief aanvullend ver

voer kan een afdoende oplossing zijn in bepaalde gevallen. In het algemeen kan worden gesteld dat een elektrische rolstoel kan worden verstrekt wanneer de cliënt niet in staat is met een handbewogen rolstoel in zijn dagelijkse verplaatsingen te voorzien.

Wanneer na afweging vast is komen te staan dat een elektrische rolstoel kan worden verstrekt, zal (bij onder andere voldoende zitbalans) de voorkeur uitgaan naar een scootermobiel.

Rolstoelen in de AWBZ-instellingen worden uit het AWBZ-budget betaald. Het betreft hier een voor de persoon met beperkingen individueel aangepaste rolstoel voor gebruik in en om de instelling. Deze rolstoel is eigendom van de AWBZ-instelling. Bij ontslag uit de instelling wordt de verzekerde in de gelegenheid gesteld de rolstoel te kopen. In het kader van de WMO zal doorgaans de gemeente de rolstoel overnemen en voorts in bruikleen en natura verstrekken. Bij een rolstoel spelen dan ook de volgende aspecten een rol:

  • a.

    het gebruik;

  • b.

    het gebruiksgebied;

  • c.

    de aandrijving;

  • d.

    de zithouding van de persoon met beperkingen;

  • e.

    de meeneembaarheid van de rolstoel;

  • f.

    antropometrische gegevens.

    6.1.1 De doelgroep

    Grote verstrekkers van voorzieningen voor persoon met beperkingen definiëren aan de ene kant op grond van beperkingen groepen van persoon met beperkingen.

    Aan de andere kant definiëren zij de voorzieningen aan de hand van hun gebruiksmogelijkheden en gebruiksomstandigheden. Aldus zijn er verschillende definitiesystemen ontstaan waarin soorten van persoon met beperkingen worden gekoppeld aan soorten van voorzieningen. De gemeente zal haar doelgroep voor de rolstoelvoorzieningen eerder pragmatisch benaderen: de doelgroep wordt gevormd door die persoon met beperkingen in de zin van de WMO in de gemeente, die een rolstoel nodig hebben voor hun deelneming aan het maatschappelijk verkeer , zover deze persoon met beperkingen onder het compensatiebeginsel van de gemeente valt

    De gemeente heeft dan ook om pragmatische redenen gekozen voor een individuele benadering waar het gaat om de uitvoering van de WMO. Waar het gaat om het gemeentelijke WMO-beleid let de gemeente op typen van voorzieningen met hun verschillende kostensoorten. Zo is met de leverancier een standaardpakket overeengekomen, waarvan in uitzonderingsgevallen kan worden afgeweken.

    6.1.2 Het gebruik

    Bij gebruik gaat het om het gebruiksdoel, de gebruiksfrequentie en de gebruiksduur.

    Bij het gebruiksdoel wordt gedacht aan het complex van activiteiten dat de persoon met beperkingen onderneemt vanuit, of zittend in de rolstoel. Bij de gebruiksfrequentie gaat het om de opeenvolging van perioden binnen een bepaalde tijdslimiet (bij voorbeeld een dag, een week) waarin de gehandicapte gebruik maakt van de rolstoel bij zijn activiteiten. Bij gebruiksduur wordt gelet op de periode waarin de persoon met beperkingen van de rolstoel gebruik zal maken, bij voorbeeld een periode van drie jaar waarna een andere verstrekking is te verwachten. De gebruiksduur is van belang, omdat bij een te verwachten gebruiksduur van minder dan zes maanden de rolstoel geen verstrekking is vanwege de WMO, maar in bruikleen via zorginstellingen kan worden verkregen.

    6.1.3 Het gebruiksgebied

    Drie gebruiksgebieden worden onderscheiden: gebruik binnen de woning of het woongebouw, gebruik buiten de woning of het woongebouw en gebruik binnen en buiten de woning of het woongebouw. Op grond van het te kiezen gebruiksgebied worden eisen gesteld aan stabiliteit, manoeuvreerbaarheid en actieradius (van bij voorbeeld de elektrische rolstoel).

    6.1.4 De aandrijving

    De rolstoel kan door de persoon met beperkingen zelf worden voortbewogen, door tussenkomst van een aandrijfmechanisme (een elektromotor of iets dergelijks), of door een ander dan de persoon met beperkingen. Bij deze aspecten moet gelet worden op het gebruik van de rolstoel en op de fysieke en sociale omgeving van de persoon met beperkingen. Bij een handbewogen rolstoel zal bijvoorbeeld ondermeer gelet worden op de voortbewegingshulp die een partner kan bieden.

    6.1.5 De zithouding van de persoon met beperkingen

    Wie veel van een rolstoel gebruik maakt heeft belang bij een goede actieve en passieve houding in de stoel en aan de mogelijkheid van een goede rust- en slaaphouding in de stoel.

    De noodzakelijke houding is afhankelijk van de handicap, functionele beperkingen en van activiteiten die de persoon met beperkingen vanuit de rolstoel wil ondernemen.

    6.1.6 De meeneembaarheid van de rolstoel

    De persoon met beperkingen zal in voorkomende gevallen buiten zijn rolstoel vervoerd kunnen worden, bijvoorbeeld met een taxi. Het is in dergelijke gevallen nodig dat de persoon met beperkingen dan de stoel opgeklapt of gedemonteerd kan meenemen.

    6.1.7 Antropometrische gegevens

    Een goed passende rolstoel is als het ware aangemeten aan de lichaamsmaten van de gehandicapte. Bovendien moet gelet worden op activiteiten van de persoon met beperkingen en op afmetingen van de fysieke omgeving van de persoon met beperkingen. Bij voorbeeld: de stoel moet de goede zithoogte hebben, in huis de gewenste draaicirkel hebben en werken aan een tafelblad mogelijk maken.

6.2 Categorisering van rolstoelen

Rolstoelen zijn meestal modulair opgebouwd en de modulen zijn te groeperen in een houdingsgedeelte, een verplaatsingsgedeelte en een besturingsgedeelte.

Deze opbouwelementen vinden we in de verschillende typen terug. Als typen worden onderscheiden:

a) de handbewogen rolstoel voor incidenteel gebruik;

b) de handbewogen rolstoel voor continu gebruik;

c) ADL-actiefrolstoelen;

d) de duwwandelwagen;

e) de elektrische binnen/buiten rolstoel;

f) de sportrolstoel;

g) de kinderrolstoel.

6.2.1 De handbewogen rolstoel voor incidenteel gebruik

Deze rolstoel wordt gebruikt over een beperkte tijdsduur op een dag. De persoon met beperkingen is niet gebonden aan de rolstoel, en kan zich over kortere afstanden ook lopend verplaatsen. De rolstoel kan worden geduwd door derden of wordt door de persoon met beperkingen zelf voortbewogen met behulp van hoepels of soms hefbomen.

Het zelfstandig voortbewegen en besturen vereisen een goede arm- en handfunctie en een redelijk uithoudingsvermogen bij de persoon met beperkingen.

Criteria:

  • 1.

    Cliënt heeft aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, die het dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken.

  • 2.

    Cliënt is niet in staat om binnen een half uur lopend een redelijke afstand af te leggen (te denken valt aan 1500 meter).

  • 3.

    Andere loophulpmiddelen, die worden verstrekt op grond van de AWBZ bieden onvoldoende uitkomst (looprek, rollator).

6.2.3 De handbewogen rolstoel voor continu gebruik

Deze rolstoel wordt door de persoon met beperkingen over de gehele dag gebruikt. De persoon met beperkingen is niet meer in staat om zich zelfstandig lopend te verplaatsen. De rolstoel kan worden geduwd door derden of wordt door de persoon met beperkingen zelf voortbewogen met behulp van hoepels of soms hefbomen. Het zelfstandig voortbewegen en besturen vereisen een goede arm- en handfunctie en een redelijk uithoudingsvermogen bij de persoon met beperkingen. In dit geval spelen de ondersteuningselementen van de rolstoel een belangrijke rol.

De criteria zijn vermeld onder a) de handbewogen rolstoel voor incidenteel gebruik.

6.2.4 De ADL-actiefrolstoel

De ADL-actiefrolstoel wordt over het algemeen door de persoon met beperkingen over de gehele dag gebruikt. De persoon met beperkingen is meestal niet meer in staat om zich zelfstandig lopend te verplaatsen.

De rolstoel wordt door de persoon met beperkingen zelf voortbewogen met behulp van hoepels of soms hefbomen. Het zelfstandig voortbewegen en besturen vereisen een goede arm- en handfunctie een redelijk uithoudingsvermogen bij de persoon met beperkingen.

In dit geval spelen de ondersteuningselementen van de rolstoel een belangrijke rol.

De doelgroep voor deze rolstoel betreft over het algemeen de jongere persoon met beperkingen,die alle dagelijkse activiteiten zelfstandig uitvoeren.

De criteria zijn vermeld onder a) de handbewogen rolstoel voor incidenteel gebruik.

6.2.5 De duwwandelwagen

De criteria zijn vermeld onder a) de handbewogen rolstoel voor incidenteel gebruik.

6.2.6 De elektrische rolstoel

De elektrische rolstoelen worden met behulp van een elektromotor aangedreven en de ondersteuning van houdingen kan eveneens met behulp van de motor worden ingesteld. De stoelen worden meestal bestuurd met een joystick.

De elektrische rolstoelen kunnen worden onderscheiden voor gebruik binnenshuis, gebruik buitenshuis en gebruik binnen- en buitenshuis. Een bijzondere vorm van elektrische rolstoel kan de scootmobiel zijn, maar in het kader van de WMO wordt deze gezien als een vervoersvoorziening.

De criteria zijn:

  • 1.

    Cliënt heeft aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, die dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken en waarvoor hulpmiddelen, die worden verstrekt op grond van de AWBZ, onvoldoende uitkomst bieden.

  • 2.

    Cliënt kan zich, met of zonder loophulpmiddel, minder dan 100 meter verplaatsen vanwege energetische problemen, problemen met de arm- of handfunctie en/of problemen met de zitbalans.

Toelichting op conditioneel aspect: de cliënt die meer dan 100 meter kan lopen, moet over voldoende reserve beschikken om de dagelijkse activiteiten op te pakken.

  • 3.

    Cliënt kan zich niet binnen een redelijke tijd (circa een half uur) over een afstand van 1500 meter in een handbewogen rolstoel verplaatsen.

  • 4.

    De woning van de cliënt is rolstoeltoegankelijk en rolstoeldoorgankelijk of kan met beperkte middelen worden aangepast.

6.2.8 De sportrolstoel

Voor deelname aan sporten zijn de sportrolstoelen ontwikkeld. Voor diverse rolstoelsporten zijn verschillende rolstoelen ontwikkeld. Een kenmerk is de scheefstand (camberhoek) van de grote wielen.

Een sportrolstoel is meestal een handbewogen rolstoel.

Criteria:

  • 1.

    Cliënt is zonder sportrolstoel niet in staat tot sportbeoefening. Ook in het dagelijks leven maakt de cliënt gebruik van een loop- of verplaatsingshulpmiddel.

  • 2.

    Beoefening van de gekozen sport is uitsluitend mogelijk met een specifieke sportrolstoel.De sport kan niet met een gewone rolstoel worden beoefend.

6.2.9 De kinderrolstoel

Zowel vanwege de kleinere lichaamsmaten als vanwege het gecompliceerde activiteitencomplex van veel kinderen zijn er speciale kinderrolstoelen.

De aanpassingen van deze verschillende typen van stoelen volgen in grote lijnen de drie hoofdmodulen: het houdingsgedeelte, het verplaatsingsgedeelte en het besturingsgedeelte.

Hoofdpunten uit het verstrekkingenbeleid

In aansluiting bij hetgeen hier in de inleiding is gezegd worden de volgende hoofdpunten uit het verstrekkingenbeleid rond rolstoelen genoemd.

6.2.10 Trippelstoelen

Trippelstoelen vallen niet onder de WMO. Verstrekking kan alleen plaatsvinden op basis van de AWBZ.

6.3 Rolstoelaanpassingen

Bij de eerste verstrekking, maar ook later, is het mogelijk om door middel van aanpassingen te bereiken dat een rolstoel een werkelijk passende voorziening is of wordt.

6.4 Indicatie

Bij een aanvraag van een rolstoelverstrekking is altijd een beoordeling en selectie noodzakelijk van een WMO-adviseur of consulent. Hiervan kan afgeweken worden indien reeds in een eerder stadium door een deskundige de noodzaak tot het verstrekken van een rolstoel is vastgesteld.

De gemeente Ridderkerk heeft eigen deskundigen in dienst voor de beoordeling van de noodzaak en voor het selecteren van de juiste rolstoel.

Selectie

De selectie zal vrijwel altijd geschieden door de WMO-adviseur, in samenspraak met de passingsconsulent van de leverancier.

De adviseur stelt niet alleen de noodzaak tot het verstrekken van een rolstoel vast, maar selecteert tevens welk type rolstoel het meest adequaat is. Hij houdt daarbij rekening met:

  • -

    de aanwezige beperkingen;

  • -

    de prognose van de beperkingen;

  • -

    de aard van het gebruik:

    binnen en/of buitenshuis;

    af en toe;

    regelmatig;

  • -

    de duur van het gebruik:

    langdurig;

    voor een korte periode.

Indien de persoon met beperkingen de rolstoel korter dan zes maanden nodig heeft komt hij niet in aanmerking voor een WMO-verstrekking. Men kan dan een beroep doen op een rolstoel via de thuiszorg. In de ontwikkeling van het WMO beleid wordt er vanaf 2007 rekening mee gehouden, dat ook de rolstoel voor kortere duur dan 6 maanden kan worden verstrekt via de gemeente.(ontwikkeling van een zgn. “rolstoel-pool”.)

6.5 Bruikleenovereenkomst c.q. PGB

Na ontvangst van het advies vindt rapportage plaats. Bij toekenning van een rolstoelvoorziening gaat er een opdracht tot het in bruikleen verstrekken van een rolstoel naar de leverancier.

De gemeente Ridderkerk koopt deze voorzieningen afhankelijk van de aard van de handicap van aanvrager en de verwachte gebruiksduur.

Rolstoelen, uitgezonderd de sportrolstoelen, worden bij voorkeur in natura en in bruikleen verstrekt.

Bij de aflevering wordt de bruikleenovereenkomst door de bruikleengever en de gebruiker ondertekend. In de bruikleenovereenkomst staat dat de gebruiker de voorziening in de goede staat heeft ontvangen en zijn de verplichtingen van de bruiklener, de afspraken over onderhoud en reparatie, de aansprakelijkheid en de verzekering opgenomen.

Tenslotte zijn er bepalingen over de beëindiging van de overeenkomst en over de teruggave.

Voor onderhoud en reparatie heeft de gemeente een onderhoudscontract met de leverancier gesloten.

Doordat de stoel in bruikleen wordt verstrekt door de gemeente betekent een verhuizing naar een andere gemeente het einde van de bruikleenovereenkomst. Over het algemeen zal de persoon met beperkingen de stoel mee willen nemen naar de nieuwe woongemeente.

Dit kan als volgt worden geregeld:

  • 1.

    de stoel wordt verkocht aan de nieuwe gemeente;

  • 2.

    de stoel wordt voor de overgangsperiode verhuurd aan de nieuwe gemeente;

  • 3.

    de stoel wordt om niet aan de persoon met beperkingen afgestaan; voor deze mogelijkheid zal gekozen worden wanneer herverstrekking aan een andere persoon met beperkingen niet mogelijk is;

  • 4.

    de stoel wordt verkocht aan de persoon met beperkingen; voor deze mogelijkheid zal niet vaak gekozen worden, daar de nieuwe gemeente op grond van de WMO een stoel moet verstrekken.

6.6 Nazorg en hercontrole

Na het verstrekken van de rolstoel is het gewenst een termijn van hercontrole vast te leggen.

In de hercontrole kan worden bezien, of de stoel nog aan de wensen die tot de levering hebben geleid voldoet. Overeenkomstig de nieuwe situatie kan de verstrekking worden heroverwogen.

De termijn van hercontrole zal per cliënt kunnen verschillen. Hierbij zal onder andere gelet worden op het hier volgende.

Vooral bij oudere personen met beperkingen is een verandering van de wervelkolom in de loop van de tijd aan te nemen. Deze verandering en andere kunnen de gebruikswaarde van een verstrekte stoel beïnvloeden. Dit zal een belangrijke reden zijn om de verstrekking opnieuw te overwegen. In bepaalde gevallen is een aanpassing van de rolstoel gewenst.

6.7 Onderhoud en reparatie, PGB

De meeste rolstoelen zijn vanaf 1994 onder het regime van de WVG verstrekt. Enkele uitzonderingen kunnen nog zijn verstrekkingen door:

  • 1.

    door een bedrijfsvereniging, pensioenfonds, of zorgverzekeraar;

  • 2.

    op basis van de bijzondere bijstand.

Alleen in het eerste geval en is de gemeente verplicht voor het onderhoud en de reparaties zorg te dragen. Meldt een cliënt zich met een onderhouds- of reparatievraag, dan wordt, eventueel na een huisbezoek, de vraag behandeld door een consulent.

In de onder 1 genoemde situaties moet bij een onderhouds- of reparatievraag van een cliënt in principe een verwijzing naar de verstrekker plaatsvinden.

In het 2e geval gaat het om een stoel die eigendom is van de betrokkene. De gemeente zal bij een onderhouds- of reparatievraag de noodzaak van het bestaan van de voorziening onderzoeken. Bestaat de noodzaak, dan zal noodzakelijk onderhoud (en reparatie) op kosten van de gemeente

kunnen worden uitgevoerd.

6.8 Persoonsgebonden budget (PGB)

Zoals bij alle individuele Wmo-voorzieningen in principe het geval is, kan ook bij de meeste vervoersvoorzieningen een PGB worden verstrekt, indien de aanvrager dit verzoekt (artikel 1 Besluit maatschappelijke ondersteuning). Maar verstrekking als PGB vindt niet plaats indien (artikel 2):

  • a.

    op grond van aanwijzingen die tijdens de indicatie duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben met het omgaan met een persoonsgebonden budget.

  • b.

    de verzekerde op de dag waarop de subsidieperiode zou aanvangen (anders dan terzake van kortdurend verblijf) in een instelling bedoeld in de AWBZ of de zorgverzekeringswet verblijft.

  • c.

    de gemeente, op advies van een instelling voor maatschappelijk werk of de Raad voor de kinderbescherming, van oordeel is dat een ten behoeve van een minderjarige aangevraagd budget in zodanige mate niet voor de inkoop van diensten ten behoeve van het kind zal worden gebruikt, dat dit mishandeling, verwaarlozing of ernstige schade voor de opvoeding of ontwikkeling van de minderjarige tot gevolg zal hebben.

    b.aanvrager zich bij een eerder toegekend persoonsgebonden budget niet aan de opgelegde verplichtingen heeft voldaan.

Artikel 25 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning geeft aan dat de hoogte van het PGB voor vervoersmiddelen wordt vastgesteld op basis van de goedkoopst-adequate voorziening inclusief onderhoud en reparatie.

Het bedrag dat hiervoor beschikbaar wordt gesteld wordt genomen over het gemiddelde bedrag voor onderhoud van soortgelijke verstrekkingen over het een na laatste voorafgaande kalenderjaar. Bij de vaststelling van het PGB is uitgegaan van de huidige kosten van voorzieningen in natura. In de bijlage I is een overzicht opgenomen van de gangbare verstrekkingen.

De voorzieningen in natura zijn relatief goedkoop omdat er ook voorzieningen worden herverstrekt door de leverancier. Dit kan echter als gevolg hebben dat het voor een aanvrager voor een PGB lastig zal zijn een adequate voorziening nieuw aan te schaffen bij een leverancier voor het bedrag dat als PGB wordt verstrekt. Indien echter het PGB wordt afgestemd op nieuwe voorzieningen zal dit leiden tot rechtsongelijkheid. Een PGB’er zal dan bevoordeeld worden ten opzichte van een gebruiker van voorzieningen in natura. Deze laatste zal dan genoegen moeten nemen met een herverstrekte voorziening terwijl een PGB’er een nieuwe voorziening kan aanschaffen.

De gemeente Ridderkerk kiest voor het zogenaamde bruto-PGB. Dit houdt in dat het CAK de eigen bijdrage formeel vaststelt en de eigen bijdrage ook int. In de beschikking zal ook opgenomen moeten worden dat er een eigen bijdrage/eigen aandeel in de kosten verschuldigd is. Omdat die eigen bijdrage vastgesteld en geïnd zal worden door het CAK, zal in de meeste gevallen uitsluitend een aankondiging opgenomen kunnen worden. Een en ander is uitgebreider beschreven in de notitie van het CAK d.d. 13 november 2006 ‘Proces eigen bijdrageregeling Wmo’.

7. TIJDELIJKE SITUATIES OVERGANGSRECHT

7.1 Inleiding

De Wmo regelt in artikel 41 overgangsrecht voor hulp bij het huishouden als opvolging van de functie huishoudelijke verzorging uit de AWBZ. Dit houdt in dat wie op het moment van inwerkingtreding van de Wmo (1 januari 2007) een indicatie heeft voor de functie Huishoudelijke Verzorging (HV), deze rechten ziet blijven gelden zo lang de indicatie loopt met een maximum van één jaar, dus maximaal gedurende het jaar 2007. Daarbij is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders in de plaats treedt van de zorgverzekeraar van betrokkene en dat betrokkene de eigen bijdrage niet meer verschuldigd is aan het Centraal Administratiekantoor (CAK) maar aan het college. Daarnaast is geregeld dat op aanvragen voor hulp bij het huishouden door het college tot drie maanden nadat de gemeenteraad de verordening Wmo heeft vastgesteld, doch weer uiterlijk tot na een jaar na inwerkingtreding van de Wmo, een beslissing wordt genomen volgens de regels zoals die onder de AWBZ golden, waarbij het college optreedt als onafhankelijk indicatieorgaan. Gevolg hiervan is dat iedere gemeente die de Wmo-verordening niet voor één oktober 2006 heeft vastgesteld één of meer maanden de oude AWBZ-regelgeving moet blijven toepassen, vanaf de indicatie tot de toewijzing. Gemeenten die wel voor 1 oktober 2006 een verordening hebben vastgesteld kunnen vanaf 1 januari 2007 nieuw beleid voeren voor alle nieuwe aanvragen.

Er kunnen daarom verschillende situaties ontstaan:

  • 1.

    Gemeenten die hun Verordening Wmo hebben vastgesteld vóór 1 oktober 2006 en nieuw beleid in die verordening hebben vastgelegd, zullen:

  • a.

    voor diegenen die een geldige indicatie hebben in 2007 ten aanzien van hen, zolang de indicatie duurt, de oude AWBZ-rechten voortzetten tot de indicatie afloopt of tot 1 januari 2008;

  • b.

    voor diegenen die voor het eerst een aanvraag doen, of die met een lopende AWBZ-indicatie een aanvraag indienen voor meer zorg, een besluit nemen met toepassing van de regels zoals die in de Verordening Wmo zijn vastgesteld.

  • 2.

    Gemeenten die hun Verordening Wmo hebben vastgesteld vóór 1 oktober 2006 en geen nieuw beleid in die verordening hebben vastgelegd, zullen:

  • a.

    voor diegenen die een geldige indicatie hebben in 2007 ten aanzien van hen, zolang de indicatie duurt, de oude AWBZ-rechten voortzetten tot de indicatie afloopt of tot 1 januari 2008;

  • b.

    voor diegenen die voor het eerst een aanvraag doen, of die met een lopende AWBZ-indicatie een aanvraag indienen voor meer zorg, een besluit nemen met toepassing van de regels zoals die in de Verordening Wmo zijn vastgesteld.

  • 3.

    Gemeenten die hun Verordening Wmo niet hebben vastgesteld vóór 1 oktober 2006 en nieuw beleid in die verordening hebben vastgelegd, zullen

  • a.

    voor diegenen die een geldige indicatie hebben in 2007 ten aanzien van hen, zolang de indicatie duurt, de oude AWBZ-rechten voortzetten tot de indicatie afloopt of tot 1 januari 2008;

  • b.

    voor diegenen die voor het eerst een aanvraag doen, of die met een lopende AWBZ-indicatie een aanvraag indienen voor meer zorg, een besluit nemen met toepassing van de regels zoals die golden in de AWBZ tot drie maanden verstreken zijn nadat de Verordening Wmo is vastgesteld. Na die periode kan het nieuwe beleid als grondslag voor het besluit dienen.

7.2 Overgangsrecht voor AWBZ-indicatie per 31 december 2006

7.2.1 Algemeen

Artikel 41, lid 3 bepaalt:

Op basis van deze situatie heeft iedereen die op 31 december 2006 een indicatie, afgegeven door het Centrum Indicatiestelling Zorg of één van de voorgangers van het CIZ, heeft die doorloopt in 2007, gedurende de looptijd van die indicatie, doch uiterlijk tot 1 januari 2008, recht op de zorg zoals die gold op 31 december 2006.

Dit geldt voor de omvang (uitgedrukt in klassen volgens de indeling zoals die nog geldt in 2006), alsmede voor de vorm (zorg in natura of een persoonsgebonden budget) alsook voor de eigen bijdrage zoals die geldt op 31 december 2006 in de AWBZ, waarbij is aangegeven dat deze eigen bijdrage niet meer verschuldigd is aan het CAK, maar aan het college van burgemeester en wethouders. Of dit recht op voortzetting van een bestaande situatie ook geldt voor de zorgverlener, in de situatie van zorg in natura, is afhankelijk van de vraag of de gemeente een contract heeft met deze zorgverlener. Er is geen sprake van een overgangsrecht in dezen. Bij een persoonsgebonden budget speelt dit geen rol, omdat daar een rechtstreekse relatie bestaat tussen zorgvrager en zorgverlener. Omdat deze relatie bij zorg in natura niet bestaat (daar gaat het onder de AWBZ om een relatie tussen Zorgkantoor en zorgverlener/zorgaanbieder) kan het voorkomen dat de gemeente er niet in slaagt een contract af te sluiten met de zorgaanbieder, zodat er geen sprake kan zijn van voortzetting van dezelfde zorgverlener. De zorgverlener zal dan ook door het college worden bepaald.

Aangezien er gesproken wordt over ”de rechten en verplichtingen die gelden op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet met betrekking tot huishoudelijke verzorging waarvoor op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een indicatiebesluit is afgegeven voor de inwerkingtreding van deze wet” vervalt het overgangsrecht op het moment dat er een aanvraag ingediend wordt voor meer hulp bij het huishouden. Het gaat dan immers niet meer om een onder de AWBZ afgegeven indicatiebesluit en ook niet meer om rechten en plichten die gelden op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wmo. De mogelijkheid om naast de oude rechten een kleine omvang nieuwe rechten toe te kennen moet als onwerkbaar van de hand worden gewezen.

Voor deze groep geldt vanaf 1 januari 2007, zolang de indicatie nog loopt, maar maximaal tot 1 januari 2008 het volgende. Gedurende deze periode blijft de omvang van de zorg gelijk. Is HV klasse 3 toegekend, dan zal recht blijven bestaan op hulp bij het huishouden met de omvang klasse 3. Hierbij wordt de volgende klassenindeling gehanteerd:

  • -

    klasse 1 : 0-1,9 uur per week;

  • -

    klasse 2 : 2-3,9 uur per week;

  • -

    klasse 3 : 4-6,9 uur per week;

  • -

    klasse 4 : 7-9,9 uur per week;

  • -

    klasse 5 : 10-12,9 uur per week;

  • -

    klasse 6 : 13-15,9 uur per week.

Mocht er geen behoefte meer aan zorg bestaan (bijvoorbeeld door overlijden) of mocht de behoefte aan zorg verminderen (bijvoorbeeld na een operatie waardoor men weer meer zelf kan en mag), dan zou ook onder de AWBZ het recht op zorg stoppen of gewijzigd worden, zodat ook tijdens het overgangsrecht de zorg gestopt of bijgesteld kan worden. Het gaat dan om een gewijzigde situatie, die men ook onder de AWBZ verplicht was door te geven.

Mocht de behoefte aan zorg toenemen, zodat er een nieuwe aanvraag wordt ingediend bij het college, dan ontstaat een nieuwe situatie. Zoals hierboven reeds aangegeven gaan de oude rechten dan over in nieuwe rechten. De gewijzigde situatie zal doorgevoerd worden in een nieuwe indicatie, die – indien daar sprake van is – ook het nieuwe beleid kan volgen.

Voor aanvragers betekent dit, tenzij zij de nieuwe situatie ambiëren, dat zij na moeten gaan of naar verwachting de aangevraagde uitbreiding zodanig van omvang is dat daardoor meer zorg kan worden toegekend. Is dat niet het geval, dan kan overwogen worden de oude situatie te continueren en geen aanvraag in te dienen.

Ook de omvang van de tot 1 januari 2007 aan het CAK verschuldigde eigen bijdrage AWBZ blijft gedurende de looptijd van de indicatie, maar maximaal tot 1 januari 2008, gelijk. Het CAK int deze eigen bijdrage.

Bij het indienen van een nieuwe aanvraag ontstaat ook ten aanzien van de eigen bijdragen een nieuwe situatie. Dat kan betekenen dat dan de oude situatie stopt, er een nieuwe eigen bijdrage berekend dient te worden op basis van het gemeentelijk beleid ten aanzien van de Wmo en deze eigen bijdrage in de plaats treedt van de oude eigen bijdrage op grond van de AWBZ.

Voor deze groep hoeft door het college vooreerst geen beschikking te worden afgegeven. Hun recht op zorg conform de AWBZ-regels ontlenen zij immers aan artikel 41 van de Wmo. Anders wordt de situatie na afloop van de indicatie gedurende het jaar 2007 of per 1 januari 2008. Op dat moment eindigt het overgangsrecht van rechtswege en zal via een beschikking een nieuw recht op zorg toegekend dienen te worden. De hiervoor benodigde informatie behoort bij de informatie die door het Zorgkantoor aan de gemeenten verstrekt wordt. Het is ook mogelijk dat de zorgvragers zelf een aanvraag bij de gemeente indienen om voortgang van de zorg veilig te stellen.

7.2.2 Ruilzorg

Het Protocol van overdracht geeft over de zogenaamde ruilzorg nog het volgende aan:

Aansluitend bij de laatste zin betekent dit dat personen met een AWBZ-indicatie voor persoonlijke verzorging (en niet voor HV, bijvoorbeeld vanwege gebruikelijke zorg), die dit omgezet hebben in HV en geen PGB hebben (met een PGB hoeft dat onder de AWBZ geen problemen te geven), in principe onder de Wmo geen hulp bij het huishouden ontvangen, tenzij zij daarvoor een Wmo-aanvraag indienen en deze aanvraag gehonoreerd wordt.

Samenvatting:

  • -

    deze groep heeft op basis van artikel 41 Wmo vanaf 1 januari 2007 recht op een voorziening, zoals die was tot en met 31 december 2006 met uitzondering van de zorgverlener;

  • -

    bij een nieuwe aanvraag gedurende 2007 of gedurende de looptijd van de AWBZ-indicatie wordt deze situatie automatisch beëindigd;

  • -

    het is van belang dat deze groep tijdig, dat wil zeggen voordat de AWBZ-indicatie haar werking verliest, doch uiterlijk voor 1 januari 2008, wordt herbeoordeeld.

7.3 Aanvragen voor 1 januari 2007

Uiteraard kunnen zorgvragers tot en met 31 december 2006 aanvragen indienen bij het CIZ voor een indicatie. Het kan zelfs voorkomen dat aanvragers bewust besluiten niet te wachten tot na 1 januari 2007, omdat zij het AWBZ-beleid prefereren boven het Wmo-beleid. Ook bij de invoering van de Wvg hebben we de situatie gezien dat nog onder het AAW-regime bruikleenauto´s werden aangevraagd en verstrekt, omdat verwacht werd dat dit onder de Wvg aanzienlijk moeilijker zou worden.

Het Protocol van overdracht heeft hierover het volgende bepaald:

“Eind 2006 zullen cliënten zich nog aanmelden voor AWBZ-zorg, terwijl enkele weken later de Wmo zal ingaan. Strikt genomen geldt het volgende: tot en met 31 december 2006 23.59 uur kunnen nog indicaties worden afgegeven onder het AWBZ-regime (AWBZ-beslissing);

per 1 januari 0.00 uur worden indicaties afgegeven onder het Wmo-regime (Wmo-beslissing).

Het ministerie van VWS heeft in afstemming met CIZ, ZN, VNG de volgende afspraken gemaakt ten aanzien van de nieuwe aanvragen die eind 2006 binnen komen:

  • ·

    Tot en met 31 december 2006 kunnen cliënten zich melden bij het CIZ voor een indicatie voor huishoudelijke verzorging.

  • ·

    Indien aanvragen vóór 1 januari 2007 door het CIZ zijn afgehandeld betreft het AWBZ-besluiten. Deze cliënten zijn overgangscliënten. Leidend is de datum van het indicatie-besluit.

  • ·

    Indien aanvragen ná 1 januari 2007 worden afgehandeld, geeft het CIZ een advies op basis van de regels voor een AWBZ-indicatie aan de gemeente. Hiertoe maakt de gemeente afspraken met het CIZ (zie bijlage 3). Het CIZ hanteert altijd een termijn van maximaal zes weken voor de afhandeling van de aanvragen. Het college van B&W neemt een beslissing onder het Wmo-regime. Dit zijn géén overgangscliënten.

Voor de hulpvragen die na 1 januari 2007 binnenkomen geldt het volgende: het CIZ zal de vraag naar ondersteuning bij het huishouden doorsturen naar de gemeente, tenzij de gemeente het CIZ heeft aangewezen om de indicatiestelling voor de Wmo te verzorgen.”

Dit betekent dat er vanaf 1 januari 2007 door het CIZ aanvragen worden afgehandeld waarvoor het college een advies krijgt op basis van de AWBZ-regelgeving, zoals die gold tot 1 januari 2007. Het college neemt op basis van deze adviezen een besluit volgens het dan binnen de gemeente onder de Wmo geldende regime.

Voor alle aanvragen die door het CIZ zijn afgehandeld tot en met 31 december 2006 geldt de AWBZ en dus het onder 1 beschreven overgangsrecht van artikel 41 Wmo.

Voor aanvragen die vanaf 1 januari 2007 bij het CIZ worden ingediend, geldt dat het CIZ deze aanvragen doorzendt naar de gemeente. Voor deze aanvragen geldt dat de datum van indiening bij het CIZ geldt als datum van aanvraag en als datum waarna het college binnen acht weken op deze aanvragen een besluit dient te nemen.

Bijlage 1: Afkortingenlijst

AAW Algemene arbeidsongeschiktheidswet

Abw Algemene bijstandswet

ADL Algemene dagelijkse levensverrichtingen

AKW Algemene kinderbijslagwet

ARBO-wet Arbeidsomstandighedenwet

AWB Algemene wet bestuursrecht

AWBZ Algemene wet bijzondere ziektekosten

GBA Gemeentelijke basisadministratie

GVT Gezinsvervangend tehuis

HH Hulp bij het huishouden

PGB Persoons Gebonden Budget

RDW Rijksdienst voor het wegverkeer

RIBW Regionale instituten voor begeleid wonen

UWV Uitvoeringsorganisatie Werknemersverzekeringen

VNG Vereniging voor Nederlandse Gemeenten

WMO Wet maatschappelijke ondersteuning

WWB Wet werk en bijstand

ZVW Zorgverzekeringswet

Bijlage 2: PGB voor vervoersvoorzieningen

KERNASSORTIMENT WVG RIDDERKERK VOLGENS CONTRACT

voorbeeld merk/type thans meest gebruikt in betreffende produktgroep

advies PGB

Onderhoud gemiddeld per jaar

afschrijving/eigendom

Merk type

Rolstoelen voorincidenteel gebruik

450,00

75,00

5 jaar

Rolstoelen voor semi permanent gebruik

1150,00

180,00

5 jaar

Actief (sport) rolstoelen

1150,00

180,00

5 jaar

Sportrolstoelen

2350,00

3 jr en eig.

Electrische rolstoelen binnen

4200,00

690,00

5 - 7 jaar

Electrische rolstoelen binnen/buiten

5300,00

750,00

5-7 jaar

Electrische rolstoelen buiten

6000,00

900,00

7 jaar

Scootmobielen

3800,00

630,00

7 jaar

Kinder handbewogen

1150,00

180,00

4 jaar

Kindervoorziening electrisch binnen/buiten

8250,00

1370,00

4 jaar

Kinderfiets, driewieler

950,00

140,00

4 jaar

Patientenliften en badliften

3000,00

486,00

5 jaar

675,00

110,00

5 jaar

Sanitaire hulpmiddelen

douchestoel, basismodel

200,00

nvt

eigendom

verrijdbare douchestoel

1025,00

nvt

eigendom

badplank

40,00

nvt

eigendom

toiletverhoger

135,00

nvt

eigendom

Bijlage 3: Werkafspraken zorgleveranciers hulp bij het huishouden

ambtenaar

:

Mw. L.E. van Urk

uw brief d.d.

:

-

doorkiesnr

:

0180 451 560

uw kenmerk

:

-

fax

:

-

ons kenmerk

:

SPO/ 2006/ 25661

email

:

l.v.urk@ridderkerk.nl

bijlage(n)

:

1-

Ridderkerk, 19 december 2006

Onderwerp: Werkafspraken aanbieders

Geachte heer/ mevrouw,

Tijdens de bijeenkomsten van 23 november en 15 december en separaat ook nog met Evean op maandag 18 december zijn met u de volgende werkafspraken gemaakt.

Ten aanzien van de toeleiding van cliënten

·Indicatiestelling

Afspraak: Wanneer er sprake is van enkelvoudige of eenvoudige indicatiestelling stelt de gemeente de indicatie vast (via beslisboom HV). Indien er sprake is van meervoudige of complexe indicatiestelling stelt het CIZ ( in ieder geval voor de gemeenten Ridderkerk en Albrandswaard) de indicatie vast. Berichtenverkeer over de indicatiestelling etc. zal via Zorgmatchonline verlopen. In de bijlage treft u een kopie aan het de beslisboom HV.

·Werkwijze toeleiding via loket van nieuwe cliënten met en zonder voorkeur

Afspraak:

1.Voorkeursaanbieder bekend

De gemeente of het CIZ stelt bij de indicatieprocedure vast of een voorkeursaanbieder bekend is. Indien bekend, wordt deze vastgelegd in het indicatiebesluit. Hiermee kan het besluit direct op de ’wachtlijst’ van de voorkeursaanbieder geplaatst worden. De cliënt kan maximaal 1 voorkeurs-aanbieder aangeven.

2.Voorkeursaanbieder onbekend

Indien de voorkeursaanbieder niet bekend is bij de indicatiestelling wordt dit in het indicatiebesluit vast gelegd met ‘geen voorkeur’. Het besluit wordt toegewezen conform de ranking. ZMO biedt de cliënten zonder voorkeur eerst aan, aan de instelling met de goedkoopst adequate aanbod binnen perceel 1 of 2. Mocht deze instelling de cliënt weigeren dan wordt de cliënt aangeboden aan de tweede goedkoopst adequate aanbieder etc.

·Werkwijze ten aanzien van zorgvoorbereidingsgesprekken en zorgevaluatiegesprekken

Afspraak: De zorgvoorbereidingsgesprekken vormen geen onderdeel van de uitvoering. Afgesproken is om per zorgstartgesprek € 30 in rekening te brengen. Dit tarief is gebaseerd op de CAO Thuiszorg, functieschaal 9 + overhead. Declaratie vindt eenmaal per 4 weken plaats, via de verzamelfactuur. De zorgevaluatiegesprekken vormen wel onderdeel van de ‘uit te voeren’ zorg en dienen daarom binnen de marges van de gewerkte uren plaats te vinden. In de beschikking aan de cliënt zal hierover ook een regel opgenomen worden.

·Berichtenverkeer

Afspraak: Voor het berichtenverkeer wordt gewerkt met de AZR-systematiek.

·Spoedondersteuning en inzet zorg bij respijtzorg

Afspraak: Bij calamiteiten mag een zorgaanbieder de zorg direct starten zonder de aanwezigheid van een indicatiebesluit. Onder een spoedsituatie wordt verstaan een situatie waarbij zorg binnen 48 uur moet starten. De definitie van spoedondersteuning heeft geen wijzigingen ondergaan ten opzichte van de definitie zoals gehanteerd in het Zorgindicatiebesluit (artikel 15). Spoedondersteuning kan in ieder geval voorkomen bij ontslag uit het ziekenhuis en plotselinge uitval van een mantelzorger. In geval van twijfel wordt aanbieders dringend verzocht eerst contact op te nemen met de betreffende gemeente, alvorens de zorg in te zetten. De indicatieaanvraag (via een door de gemeenten vastgesteld formulier) naar de gemeente moet bij aanvang van de zorg of op de eerstvolgende werkdag gedaan worden. De financiering van de zorg door de gemeente is in deze situaties voor maximaal 14 dagen gegarandeerd. Vanaf het moment dat de gemeente (of het CIZ) het indicatiebesluit afgeeft geldt dit besluit en de bijbehorende financiering. De zorgaanbieder dient, ten behoeve van de bepaling van de rechtmatigheid bij de materiele controle, in het cliëntdossier duidelijk aan te geven wat de reden van zorginzet zonder indicatie was.

Spoedsituaties kunnen zich ook aandienen via de gemeente of het CIZ. Indien er sprake is van een spoedindicatie wordt dit zichtbaar op de ‘wachtlijst’ via de melding ‘spoed’.

Het formulier dat u dient te gebruiken bij het indienen van een indicatieaanvraag bij spoedondersteuning zal u zo spoedig mogelijk worden toegezonden.

Bij respijtzorg vindt voor bestaande cliënten (opnieuw) een indicatie plaats volgens de gebruikelijke procedure. Indien er sprake is van spoedondersteuning zal dit via de hierboven beschreven procedure plaatsvinden.

Ten aanzien van het leveren van de zorg

Melding aanvang en beëindiging zorg

Indien de zorgaanbieder de toegewezen zorg levert dient de acceptatie van het zorgaanbod door de cliënt vastgelegd te worden door een Melding aanvang zorg. Idem bij beëindiging zorg door melding beëindiging zorg.

Startdatum

Als startdatum dient de datum waarop de zorg is gestart te worden ingevuld. De startdatum kan echter nooit liggen voor een ingangsdatum van de functie in het geldende indicatiebesluit. Met uitzondering van spoedondersteuning.

Aantal uren zorg/ middeling per periode

Binnen de periode van vier weken kan de aanbieder de in te zetten zorg ‘uitmiddelen’. Dit uitmiddelen dient binnen de betreffende klassebreedte plaats te vinden. Indien door welke omstandigheden bij de cliënt dan ook geen zorg ingezet kan worden, ‘vervalt’ het aantal uren voor de betreffende vier-weken periode. Ofwel: de teller telt per periode.

Weigering zorg

Het komt voor dat cliënten geïndiceerde zorg weigeren of daarvan afzien. Ook zorgaanbieders weigeren soms zorg te leveren.

Het komt voor dat cliënt zorg weigert, terwijl wel zorg wordt aangeboden die volgens het indicatiebesluit passend is. In dat geval schrijft de gemeente de cliënt een brief met de constatering dat zorg wordt geweigerd onder het aangeven van de consequenties daarvan. In voorkomende gevallen kan de gemeente in overleg met de cliënt een nieuwe indicatie starten.

Een cliënt kan zelf aangeven niet langer voor geïndiceerde zorg in aanmerking te willen komen. De gemeente kan na schriftelijke bevestiging door cliënt van deze wens besluiten cliënt niet langer ‘te bemiddelen’ en van de lijst ‘te leveren zorg’ afhalen.

Als een zorgaanbieder geïndiceerde zorg weigert aan een cliënt, dan stelt deze zorgaanbieder cliënt hiervan onmiddellijk schriftelijk op de hoogte onder opgaaf van redenen. Een afschrift van deze brief gaat naar de gemeente.

Ten aanzien van de zorgovereenkomst tussen uitvoerende organisatie en cliënt

Het is aan de organisatie om nog ‘aanvullende’ afspraken te maken met de cliënt ten aanzien van de levering van zorg etc. Deze afspraken dienen echter altijd conform het contract en de gemaakte werkafspraken te zijn. Het is aan de organisaties om de zorgovereenkomsten hier op te controleren.

Aanleveren gegevens bij het CAK.

Het aanleveren van gegevens door de zorgaanbieders bij het CAK zal conform de al gemaakte afspraken van het CAK met de aanbieders plaatsvinden. Zie hiervoor ook: www.cak-bz.nl Op deze site kunt u nalezen de wijze waarop en welke cliëntgegevens aangeleverd moeten worden en op welke wijze de zorguren moeten worden aangeleverd.

Afgesproken is dat de gegevens uiterlijk 4 weken na het einde van de periode (van 4 weken) bij het Cak aangeleverd worden.

Bij de rapportage aan het CAK moet de werkelijke tijdsinvestering (in minuten) genoemd worden. Gelijk aan de systematiek onder de AWBZ ofwel alleen de effectief gewerkte uren, afgerond op 5 minuten.

De Intake- of zorgvoorberedingsgesprekken vallen buiten deze productiecijfers en dienen separaat gemeld te worden aan de gemeente.

Individuele zorgevaluatiegesprekken met cliënten vallen binnen deze productiecijfers.

De gemeente ontvangt van het CAK een managementrapportage.

Werkwijze ten aanzien van herindicatie of nieuwe indicatie (overgangsperiode)

Afspraak:

Wijziging vorm van ontvangst

Voor een wijziging in de vorm van ontvangst (van ZIN naar PGB) dient de cliënt altijd een schriftelijk verzoek in te dienen bij de gemeente met daarin de datum waarop het PGB in dient te gaan. Deze datum ligt niet eerder dan voor de eerste van de volgende maand. De gemeente draagt er zorg voor dat het indicatiebesluit aan de juiste partij wordt aangeboden. Tevens brengt de gemeente de al leverende aanbieder via een schriftelijk bericht op de hoogte van het verzoek tot wijziging van de levering. De zorgaanbieder is uiteraard zelf verantwoordelijk voor de tijdige stopzetting van de zorg welke gemeld wordt via een melding einde zorg. PGB en ZIN mogen elkaar niet overlappen!

Indien de cliënt van PGB over wil naar ZIN stelt de cliënt de gemeente schriftelijk op de hoogte. De cliënt dient zich zelf schriftelijk of telefonisch te melden bij de gemeente indien hij de zorg in ZIN wil ontvangen. Aanmelding bij zorgaanbieder gaat vervolgens via de hierboven omschreven wijze ‘ voorkeursaanbieder bekend/ onbekend’.

Bij herindicatie of nieuwe indicatie

Voor een wijziging in de indicatie wordt altijd het berichtenverkeer via Zorgmatchonline gebruikt. Hiervoor worden de codes gebruikt zoals gebruikelijk in Zorgmatchonline.

Ten aanzien van de betaling en managementrapportage

·inhoud managementrapportage

Managementrapportage wordt eenmaal per periode (binnen 4 weken na afloop van de betreffende periode) bij de gemeente aanlever via – in eerste instantie – een excell-bestand bij de betreffende contactpersonen van de drie gemeenten. Ofwel:

Gemeente Albrandswaard

T.a.v.: De heer J. van der Schaft

Postbus 1000

3160 GA Rhoon

J.v.d.schaft@albrandswaard.nl

Gemeente Ridderkerk

T.a.v.: Mevr. S. Ramautarsing

Postbus 501

2990 EA Ridderkerk

s.ramautarsing@Ridderkerk.nl

Gemeente Ridderkerk

T.a.v.: Mevrouw L. van Urk

Postbus 271

2980 AG Ridderkerk

l.v.urk@ridderkerk.nl

Op termijn zal – in overleg met de heren Lex Schampers (Ridderkerk) en Rene Hoogendoorn (Ridderkerk) onderzocht worden of aanlevering via een xml-bestand tot de mogelijkheden behoord. De heren Schampers en Hoogendoorn zullen hiervoor een afspraak plannen met de controllers van de vier organisaties.

Afspraak is dat via de managementrapportage alleen die gegevens aangeleverd worden die niet ook via Zorgmatchonline aangeleverd worden.

Welke cijfers moet zorgaanbieder aanleveren:

  • 1.

    Factuur:

  • -

    Productie totaal per periode per product (HH1/HH2)

  • -

    Totaalfactuur= productie * prijs product.

  • -

    Aantal zorgstartgesprekken (a € 30,-)

  • 2.

    Specificatie per cliënt:

  • -

    gegevens van de cliënt.

  • -

    hoeveelheid geleverde zorg (in minuten afwijken naar boven) per periode.

  • -

    afwijkingen van geleverde zorg gerelateerd aan indicatie indien meer als de klasse.

  • -

    categorie hulp (HH1 of HH2.)

  • 3.

    Melding beëindiging zorg.

  • -

    melding datum van beëindiging.

  • 4.

    Spoedondersteuning.

  • -

    naam cliënt en datum waarop spoedondersteuning is gestart.

Managementrapportages (per periode)

  • -

    aantal cliënten per periode.

  • -

    Aantal geïndiceerde uren.

  • -

    Aantal geleverde uren.

  • -

    Aantal nieuwe cliënten.

  • -

    Analyse levering binnen Treeknormen (80% binnen 4 weken, 100 % binnen 6 weken)

  • -

    Uitsplitsing naar gemeente

Uitvoering cliënttevredenheidsonderzoeken en cliëntenraadpleging

Afspraak cliënttevredenheidsonderzoeken: Elke instelling houdt in het kader van de HKZ periodiek (1 maal per 2 jaar) een cliënttevredenheidsonderzoek. De gemeenten ontvangen een kopie van dit (onafhankelijke) onderzoek. Tevens heeft de gemeente met de zorgaanbieder overleg (uiterlijk 2 maanden na oplevering rapport) over de inhoud en de mogelijke acties n.a.v. het onderzoek.

De onderzoeken kunnen in BAR-verband uitgevoerd worden, maar uit de resultaten moet wel een onderscheid blijken.

De resultaten van de onderzoeken zullen door de gemeenten ‘ter kennisname’ aan de WMO-raden van de drie gemeenten worden toegezonden.

Afspraak Cliëntenraadplegingen: Gemeenten zijn verplicht cliëntenraadplegingen te houden.

Gemeenten hebben inzicht in cliëntbestanden van HH cliënten en zullen dus zelfstandig cliënten benaderen. Voorafgaande aan de start van het onderzoek informeren de gemeenten de aanbieders over de startdatum, inhoud begeleidend schrijven etc.

Klachtenrapportage

De klachtenrapportage dient conform ‘jaarrapportage zorg, model maatschappelijke Verantwoording’ plaats te vinden.

Aanleveren van de rapportage dient uiterlijk op 1 mei van het jaar volgend op het boekjaar per gemeente plaats te vinden. In deze rapportage is ook een toelichting op de registratie van de klachten opgenomen, deze toelichting bevat in ieder geval:

  • -

    Aard klachten (uniforme indeling b.v. bejegening, inhoud zorgverlening, niet nakomen afspraken etc.)

  • -

    Aantal klachten

  • -

    Wijze van afhandeling.

  • -

    Genomen (structurele of incidentele) maatregelen.

Let op: het is niet alleen belangrijk om de klachten te registreren die door de klachtencommissie zijn behandeld maar ook om zicht te krijgen op de klachten die op een lager niveau al tot een geschikte oplossing werden gebracht. Wij verzoeken u om hierover in de rapportage een opmerking op te nemen.

Inrichting contractbeheer/ werkoverleg

Afgesproken is dat er in 2007 en 2008 eenmaal per kwartaal een voortgangsoverleg zal plaatsvinden. Initiatief voor dit overleg: gemeente Ridderkerk.

In de periode januari – maart; zullen er twee overleggen georganiseerd worden. Deze overleggen zullen door de gemeente Ridderkerk georganiseerd worden.

Afspraak ten aanzien het contractbeheer: per gemeente de in het bovenstaande schema genoemde personen.

Signaleringsfunctie HH1.

Met betrekking tot de signalerings functie bij HH1 zal in het voorjaar van 2007 een bijeenkomst georganiseerd worden om alle – tot nu toe beschikbare – instrumenten binnen de drie gemeenten ‘tegen het licht te houden’ én om inzichtelijk te maken welke hiaten er in dit aanbod zijn. Eén va de drie gemeenten (Albrandswaard??) zal hierop het voortouw nemen. Voor de bijeenkomsten zullen het lokale welzijnswerk, uitvoerende organisaties en gemeenten worden uitgenodigd.

Facturatie en betalingen.

Facturatie dient per periode plaats te vinden. De benodigde gegevens voor de facturatie worden door de zorgaanbieder binnen 4 weken na afsluiting van de periode aangeleverd bij de gemeente. De gemeente controleert/ vergelijkt daarop de gegevens van het CAK per periode met de betreffende declaratie van de zorgaanbieder. De gemeente controleert op afwijkingen. De factuur wordt vervolgens – conform contract – betaald minus de afwijkingen. Eventuele – correcte – afwijkingen worden in een volgende periode gecorrigeerd.

En verder:

Ten aanzien van de verklaring over het gedrag is afgesproken dat Stichting Opmaat hiervoor een voorstel zal doen. Dit voorstel zal vervolgens door de gemeente Ridderkerk aan de andere drie organisaties worden toegezonden, incl. het voorstel van de gemeente over de termijn van afhandeling. Het gaat mij helaas niet meer lukken om dit nog voor de feestdagen te organiseren. Zo spoedig mogelijk daarna ontvangt u dus een voorstel over dit onderwerp.

Afgesproken is ook dat er ‘ergens’ in januari een kennismakingsgesprek tussen de drie Wmo-adviesraden en de vier organisaties georganiseerd wordt. Ik heb tijdens de ondertekeningsbijeenkomst begrepen dat in ieder geval de voorzitter van de Wmo-adviesraad van de gemeente Ridderkerk een positieve reactie op dit voorstel gegeven heeft. Zo snel mogelijk in januari zal één van de gemeenten (Ridderkerk??) het initiatief nemen om deze bijeenkomst te organiseren.

Tijdens het overleg is een aantal keren de ‘gedwongen winkelnering’ bij het Zorgkantoor aan de orde gekomen. In de tussenliggende periode (tussen vrijdag 15 december en dinsdag 19 december) is over deze winkelnering tussen de gemeenten overleg geweest. Zoals bekend staan de gemeenten negatief tegenover deze houding van het zorgkantoor, maar zien zij nog geen ‘goed’ alternatief. Op dit moment is vanuit Ridderkerk en Ridderkerk een onderzoekje gestart waarbij gekeken wordt of er toch nog alternatieven voor ZMO te bedenken zijn voor in ieder geval de korte termijn. Ik verwacht dat hierover eind van deze week meer duidelijkheid te geven is. Mocht dit nog consequenties hebben voor deze werkafspraken dan zal ik u dat zo spoedig mogelijk laten weten. Vooralsnog ga ik er dus vanuit dat wij met het Zorgkantoor een contract afsluiten voor het gebruik van ZMO en dat daardoor onze gegevensuitwisseling via ZMO zal plaatsvinden.

Actielijstje:

Wat

Door wie

Voor wanneer

Aanleveren bij aanbieders formulier dat gebruik dient te worden bij de inzet van spoedondersteuning

Contactpersonen drie gemeenten.

Voor 1 januari

Organiseren overleg met controllers/ afd. automatisering

Lex Schampers

Voor 1 februari

Organiseren voortgangsbesprekingen per kwartaal, in het 1e kwartaal is er 2 – 3 maal overleg

Secretariaat SPO/ gemeente Ridderkerk

Voor 1 januari

Organiseren werkoverleg (zo veel als nodig is) tussen de loketten en de contactpersonen van de organisaties. Let op: dit betekent dat de contactpersonen van de organisaties bij de gemeentelijke contactpersonen bekend moeten zijn. Dit is nog niet van iedere organisatie het geval.

Contactpersonen/ gemeenten

Voor 1 februari

Organiseren van een bijeenkomst rondom het thema ‘signaleringsfunctie bij HH1’

Gemeente Albrandswaard

In het voorjaar van 2007

Voorstel omgaan met de verklaring omtrent het gedrag (VOG)

Stichting Opmaat

Voldaan

Voorstel omgaan met de implementatie VOG

Gemeente Ridderkerk

Voor 1 februari

Kennismakingsgesprek organiseren tussen de drie Wmo-adviesraden en de vier aanbieders

Gemeente Ridderkerk (?)

Voor 1 maart (?)

Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Met vriendelijke groet,

Mevrouw Loïs E. van Urk

Programmamanager Wmo

Cc.:

  • -

    De heer J. van der Schaft, Albrandswaard

  • -

    Mevr. S. Ramautarsing, de heer L. Schampers en mevrouw M. Maatman Ridderkerk

  • -

    De heer E. Piet, Ridderkerk

Bijlage 4: Handreiking normering hulp bij het huishouden

Het doen van boodschappen voor het dagelijkse leven

Hieronder vallen het samenstellen van een boodschappenlijst en het inkopen en opbergen van boodschappen. Dit kan één keer per week worden gedaan en daar kan tot en met vier personen 60 minuten per week voor worden toegekend.

Als het gaat om meer dan vier personen of als er kinderen jonger dan 12 jaar aanwezig zijn, kan twee keer per week boodschappen worden toegekend.

Indien de afstand tot de winkels groot is, kan 30 minuten extra worden toegekend.

Dat betekent dat voor boodschappen de marge voor toekennen 60 tot 150 minuten bedraagt. Eigen keuzen, zoals de keuze voor speciaal voedsel dat maar beperkt te koop aangeboden wordt, zodat extra gereisd moet worden, of het doen van boodschappen in een groot aantal winkels, worden in principe niet gehonoreerd.

Alleen medisch noodzakelijke afwijkingen kunnen gehonoreerd worden.

Maaltijdverzorging: broodmaaltijd, warme maaltijd

Hieronder vallen wat betreft de broodmaaltijd: broodmaaltijd klaarzetten, tafel dekken en afruimen, koffie/thee zetten en afwassen, met de machine of handmatig.

Wat betreft de warme maaltijd vallen hieronder: eten bereiden (voorbereiden en koken), tafel dekken en afruimen, afwassen en opruimen, plus opslaan en beheer levensmiddelenvoorraad.

Voor de broodmaaltijd kan per keer 15 minuten, voor de warme maaltijd per keer 30 minuten worden toegekend.

Zijn er kinderen jonger dan 12 jaar, dan kan per keer 20 minuten extra worden toegekend.

Per dag kan het dus gaan om twee broodmaaltijden en één warme maaltijd, waarbij de variatie kan liggen tussen 60 en 120 minuten.

Licht poetswerk in huis, kamers opruimen

Hieronder vallen de volgende activiteiten.

Indien geen maaltijdvoorziening is geïndiceerd: afwassen, handmatig 15 tot 30 minuten per keer, machine in- en uitruimen 10 minuten per keer.

Opruimen, stof afnemen, bedden opmaken en wekelijkse beurt interieur; dit is afhankelijk van de grootte van de woning en de specifieke kenmerken van de gezinssamenstelling en bedraagt 15 tot 40 minuten per keer.

Bij kinderen onder de 12 jaar, bij allergie (alleen als het gaat om een gesaneerde woning), bij ernstige beperkingen in armen en handen die leiden tot extra rommel, kan meer tijd worden toegekend. Dit geldt alleen voor de kamers die in gebruik zijn en uitgaande van een woning niveau sociale woningbouw. Extra toegekende tijd in principe maximaal drie maal per week 20 tot 30 minuten.

Totaal betekent dit minimaal 60 tot 90 minuten, maximaal 180 minuten.

Zwaar huishoudelijk werk

Hieronder vallen: stofzuigen, schrobben, dweilen, soppen van sanitair en keuken, bedden verschonen, opruimen huishoudelijk afval.

Omvang bij een eenpersoonshuishouden en een huis met twee kamers één x drie uur per 14 dagen, of 90 minuten per week, Bij een meerpersoonshuishouden en een huis met meer dan drie kamers geldt de omvang van klasse 2.

In grote woningen met een hoge bezettingsgraad, bij een hoge vervuilingsgraad (door de situatie, niet door verwaarlozing), bij COPD-problematiek in een gesaneerde woning, bij aanwezigheid van jonge kinderen, kunnen extra uren, afhankelijk van de situatie, worden toegekend. Verzorging huisdieren wordt meegenomen en niet extra geïndiceerd.

Verzorging kleding/linnengoed

Hier wordt onder gerekend: sorteren en wassen kleding met behulp van een wasmachine, centrifugeren, ophangen en afhalen of was drogen in droger, vouwen, strijken en opbergen, ophangen/afhalen wasgoed.

Hiervoor wordt bij één persoon 60 minuten per week toegekend, bij twee personen 90 minuten per week.

Meer per week: bij kinderen onder de 16 jaar 30 minuten per week extra, bij bedlegerige personen 30 minuten per week extra, bij extra wassen door overmatige transpiratie, incontinentie, speekselverlies etcetera 30 minuten per week extra. Bij huishoudens met kleine kinderen kan tot maximaal drie keer per week wassen worden toegekend, in andere situaties wordt uitgegaan van één maal per week.

Organisatie van het huishouden

Hiertoe worden gerekend opvang en/of verzorging van kinderen/volwassen huisgenoten (anderen helpen met zelfverzorging) en anderen helpen bij het bereiden van maaltijden.

Het gaat hierbij om een ouder die tijdelijk niet in staat is de ouderrol op zich te nemen.

Totaalomvang tot maximaal 40 uur per week aanvullend op de eigen mogelijkheden, te besteden aan wassen en aankleden, hulp bij eten en/of drinken, maaltijd voorbereiden, sfeer scheppen, spelen, opvoedingsactiviteiten.

Meer of minder kan worden geïndiceerd vanwege het aantal kinderen, de leeftijd van de kinderen, de gezondheidssituatie, het functioneren van kinderen/huisgenoten, aanwezigheid gedragsproblematiek, samenvallende activiteiten.

Dagelijkse organisatie van het huishouden

Administratieve werkzaamheden, organiseren, plannen en beheren van middelen.

Indien hier aanleiding toe bestaat kan hier 30 minuten per week voor worden geïndiceerd.

Hiervan kan worden afgeweken bij communicatieproblemen, kinderen onder de 16 jaar of andere tijdvragende huisgenoten, of psychosociale of andere problematiek bij meerdere huisgenoten.

Hulp bij ontregelde huishouding in verband met psychische stoornissen

Hieronder kan ook observeren vallen, evenals formuleren doelen met betrekking tot huishouding, helpen verkrijgen, handhaven structuur in het huishouden, helpen verkrijgen/handhaven zelfredzaamheid ten aanzien van budget, begeleiden ouders bij opvoeding (beperkt en in combinatie met andere onderdelen) en begeleiding kinderen.

Omvang 30 minuten per week.

Advies, instructie, voorlichting (AIV) gericht op het huishouden

Instructie omgaan met hulpmiddelen, instructie licht huishoudelijk werk, instructie textielverzorging, instructie boodschappen doen, instructie komen.

Maximaal 30 minuten per week. In drie maal per week maximaal zes weken.

Bij communicatieproblemen kan meer tijd worden geïndiceerd.

dd. 30 januari 2007 (coll.besluit RIO7/00073)

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ridderkerk,

de secretaris, de burgemeester,