Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Gemeente Rotterdam

Bouwverordening Rotterdam 2010

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente Rotterdam
Officiële naam regelingBouwverordening Rotterdam 2010
CiteertitelBouwverordening Rotterdam 2010
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpvolkshuisvesting en woningbouw
Eigen onderwerpGemeenteblad 2010-159 gecons

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Woningwet, art. 8
  2. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, art. 2.1 en 2.2

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

02-10-20172014-35 wijz. 4

30-09-2010

Gemeenteblad 2010-159

Voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 7 september 2010, registratienummer 491675; raadsstuk 2010-2188
01-10-20102014-35 wijz. 4

30-09-2010

Gemeenteblad 2010-159

Voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 7 september 2010, registratienummer 491675; raadsstuk 2010-2188

Tekst van de regeling

Intitulé

Gemeenteblad 2010

Gemeenteblad 2010

Bouwverordening Rotterdam 2010

GECONSOLIDEERDE TEKST, zoals deze geldt vanaf 10 maart 2014,

de datum van inwerkingtreding van wijziging 4

De raad van de gemeente Rotterdam,

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 7 september 2010, registratienummer 491675; raadsstuk 2010-2188;

gelet op artikel 8 van de Woningwet en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

besluit vast te stellen:

Bouwverordening Rotterdam 2010

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1   Inleidende bepalingen

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

 1.2 Termijnen (vervallen)

 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente

Hoofdstuk 2 De aanvraag bouwvergunning

Paragraaf 1Gegevens en bescheiden

Vervallen

Paragraaf 2Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning

Vervallen

Paragraaf 3Welstandstoetsing

Vervallen

Paragraaf 4Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem

Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem

 2.4.2 Voorwaarden bouwvergunning

Paragraaf 5Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen

Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van vrijstelling van de stedenbouwkundige bepalingen (vervallen)

 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling

 2.5.2a Bouwen buiten een bestemmingsplan

 2.5.3 [vervallen]

 2.5.3A [vervallen]

 2.5.4 [vervallen]

 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn

 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn

 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn

 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn 

 2.5.9 Bouwen op de weg

 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken

 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn

 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn

 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn

 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn  

 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen

 2.5.16 Erf bij overige gebouwen

 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken

 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen

 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen 

 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn

 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn

 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn

 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen

 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken

 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen

 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken

 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte

 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de toegelaten bouwhoogte

 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van een bestemmingsplan

 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen

Paragraaf 6Voorschriften betreffende brandveiligheidsinstallaties

Vervallen

Paragraaf 7Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen

[Vervallen]

Hoofdstuk 3 De melding

[Vervallen]

Hoofdstuk 4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en

bij ingebruikneming van een bouwwerk

[Vervallen]

Hoofdstuk 5 Staat van open erven en terreinen, brandveiligheidinstallaties, aansluiting op de nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte

Paragraaf 1Staat van open erven en terreinen

[Vervallen]

Paragraaf 2Staat van brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen

[Vervallen]

Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen

[Vervallen]

Paragraaf 4Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.

[Vervallen]

Hoofdstuk 6 Brandveilig gebruik

Vervallen.

Hoofdstuk 7 Overige gebruiksbepalingen

Paragraaf 1Overbevolking

[Vervallen]

Paragraaf 2Staken van het gebruik

[Vervallen]

Paragraaf 3Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen

[Vervallen]

Paragraaf 4Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid

[Vervallen]

Paragraaf 5Watergebruik

[Vervallen]

Paragraaf 6Installaties

[Vervallen]

Hoofdstuk 7a Verblijfsinrichtingen

Vervallen.

Hoofdstuk 8 Slopen

Paragraaf 1Omgevingsvergunning voor het slopen

[Vervallen]

Paragraaf 2Sloopmelding

[Vervallen]

Paragraaf 3Verplichtingen tijdens het slopen

[Vervallen]

Paragraaf 4Vrij slopen

[Vervallen]

Hoofdstuk 9 Welstand

Artikel 9.1 De advisering door de Commissie voor Welstand en Monumenten

 9.2 Samenstelling van de commissie

 9.3 Benoeming en zittingsduur

 9.4 Jaarlijkse verantwoording

 9.5 Termijn van advisering

 9.6 Openbaarheid van vergaderen

 9.6a Secretariaat

 9.7 Afdoening bij mandaat

Hoofdstuk 10 Overige administratieve bepalingen

Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning (vervallen)

10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen (vervallen)

10.3 Overdragen vergunningen (vervallen)

10.4 Overdragen mededeling (vervallen)

10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen (vervallen)

10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften

Hoofdstuk 11 Handhaving

Vervallen.

Hoofdstuk 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Artikel 12.1 Strafbare feiten (vervallen)

12.2 [Vervallen]

12.3 [Vervallen]

12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning (vervallen)

12.5 Overgangsbepaling sloopmelding

12.6 Slotbepaling

Bijlagen:

1. behorende bij artikel 2.5.30

'Capaciteit van parkeergelegenheid in relatie tot de plaats, de omvang en de bestemming van gebouwen'

2. [Vervallen]

3. behorende bij artikel 9.1

’Reglement van Orde Commissie Welstand en Monumenten’

Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

- bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in artikel 1.1, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dan wel, bij het ontbreken van een bestuursorgaan als bedoeld in dit artikel, burgemeester en wethouders;

- bouwbesluit: algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 van de Woningwet;

bouwtoezicht: degenen, die ingevolge artikel 92, tweede lid, van de Woningwet of artikel 5.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht belast zijn met het bouwtoezicht;

- bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;

- gebruiksoppervlakte: gebruiksoppervlakte als bedoeld in het Bouwbesluit;

- hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of namens burgemeester en wethouders is vastgesteld;

- NEN: door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm;

- NVN: door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm;

- straatpeil:

voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;

- weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.

2. In deze verordening wordt mede verstaan onder:

- bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk;

- gebouw: een gedeelte van een gebouw.

Artikel 1.2 Termijnen

Vervallen.

Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente

1. Voor de toepassing van deze verordening en de krachtens deze verordening gestelde nadere regels wordt het gebied der gemeente ingedeeld in:

a. het bouwgebied A, zoals nader omschreven in het tweede lid;

b. het bouwgebied B, zoals nader omschreven in het derde lid;

c. het bouwgebied C, zoals nader omschreven in het vierde lid.

2. Het bouwgebied A omvat drie zones en wordt gevormd door de gedeelten van het gebied van de gemeente, die op de bij de verordening behorende kaart geel, blauw of rood zijn gekleurd, met dien verstande, dat met gele kleur de eerste zone, met blauwe kleur de tweede zone en met rode kleur de derde zone wordt aangegeven.

3. Het bouwgebied B wordt gevormd door de gedeelten van het gebied van de gemeente, waarvoor een bestemmingsplan geldt, voor zover deze gedeelten niet tot bouwgebied A behoren.

4. Het bouwgebied C wordt gevormd door de gedeelten van het gebied van de gemeente, die noch tot het bouwgebied A, noch tot het bouwgebied B behoren.

Hoofdstuk 2 De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen

Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden

Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning

Vervallen.

Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens

Vervallen

Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden

Vervallen.

Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van vergunning aanvragen

Vervallen.

Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek

Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:

  • a.

    de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1;

  • b.

    vervallen;

  • c.

    indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave 2003.

De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4 onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II.

Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de verplichting tot het overleggen van een onderzoeksrapportage als bedoeld in artikel 2.4 onder d van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor de toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.

Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de onderzoeksplicht als bedoeld in artikel 2.7 sub c van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009 niet rechtvaardigen.

Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.

 

Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om bouwvergunning

Vervallen.

 

Artikel 2.1.7 Bouwregistratie

Vervallen.

 

Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning woonwagens en standplaatsen

Vervallen.

 

Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning

Vervallen.

 

Paragraaf 3 Welstandstoetsing

Vervallen.

 

Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem

 

Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem

Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:

a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven;

b. voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist; en

- dat de grond raakt, of

- waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd.

 

Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen

In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4 onder d van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval het bevoegd gezag op grond van het in de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hem bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die wet van oordeel is, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.

 

Paragraaf 5Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen

 

Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de stedenbouwkundige bepalingen

Vervallen.

 

Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling

Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander bouwwerk in aanmerking worden genomen.

 

Artikel 2.5.2.a Bouwen buiten een bestemmingsplan

Vervallen.

 

Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen

Vervallen.

 

Artikel 2.5.3A Brandweeringang

Vervallen.

 

Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten

Vervallen.

 

Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn

De voorgevelrooilijn is:

a. in het bouwgebied langs een wegzijde waaraan reeds is gebouwd: de lijn waarin de gevels van de naastliggende gebouwen zijn opgetrokken, met dien verstande, dat:

1. de bebouwing een gelijkmatig verloop krijgt overeenkomstig de richting van de weg;

2. de voorgevelrooilijn steeds tenminste 5 meter verwijderd blijft van de as van de weg;

b. in het bouwgebied langs een wegzijde waaraan nog niet is gebouwd: de grens van de weg;

c. in het bouwgebied C: de lijn evenwijdig aan en 25 meter verwijderd van de as van de weg.

 

Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn

Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning verplicht is,te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn.

 

Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn

Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet van toepassing op:

a. onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning verplicht is,die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht:

b. andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning verplicht is,die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, te weten:

1. ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten;

2. stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens van de weg niet meer dan 0,3 m overschrijden.

 

Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn

1. In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag ‑ met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid ‑ de omgevingsvergunning verlenen voor:

a. ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het straatpeil;

b. bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, die naar hun aard en bestemming op een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar zijn

c. laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg overschrijden;

d. erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 meter overschrijden;

e. trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels, dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden en ventilatiekanalen, reclametoestellen en draagconstructies voor reclames anders dan bedoeld zijn in artikel 2.5.7;

f. overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee bouwwerken;

g. bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is met het oog op de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting bij het karakter van de bestaande omgeving.

2. Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan:

a. 4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die rijweg;

b. 2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg;

en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg niet in gevaar komt.

3. Wanneer de ligging van de voorgevelrooilijn uit het bepaalde in artikel 2.5.5 voortvloeit, kan van het verbod van artikel 2.5.6 bovendien afwijking worden toegestaan ten behoeve van bijzondere gevallen, mits de normale breedte van de weg door de bouw niet zal worden verminderd.

 

Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg

In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning verlenen voor:

a. gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten nutsvoorzieningen, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub a van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht;

b. bouwwerken geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht;

vrijstaande winkel- of reclamevitrines;

reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;

andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die naar hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar zijn.

 

Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken

1. Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de voorgevelrooilijn zijn geplaatst.

2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:

de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de afwijking genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is toegestaan;

de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de afwijking genoemd in artikel 2.5.14 is toegestaan, voor zover het bouwwerk geheel achter de achtergevelrooilijn is geplaatst;

de gevallen, bedoeld in het derde lid;

bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, en artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht bedoelde gebouwen.

3. Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik maakt van 90 graden of minder, de tegenoverliggende voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich voor en na de knik op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter bevinden, moet de bebouwing op de hoeken ‑ over een hoogte op een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil ‑ worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn.

4. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid voor:

  • a.

    gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;

  • b.

    gebouwen met een bijzondere bestemming;

  • c.

    vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;

  • d.

    gebouwen op een handels‑ en industrieterreinen;

  • e.

    gebouwen in het bouwgebied C;

  • f.

    gebouwen in de derde zone;

  • g.

    gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;

  • h.

    bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, en artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht bedoelde gebouwen;

  • i.

    gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat;

  • j.

    gevallen, waarbij de ligging van de voorgevelrooilijn voortvloeit uit het bepaalde in artikel 2.5.5, onder b;

  • k.

    voor gedeelten van de voorgevel.

 

Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn

De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en bevindt zich:

a. in een driehoekig of vierhoekig bouwblok op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan een deel van de straal van de ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen. Dit deel bedraagt in de eerste zone 3/5, in de tweede en derde zone 3/4 en overigens 1/2. Indien meer dan een ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt als straal die van de grootste cirkel. Een en ander vindt steeds zodanige toepassing, dat de afstand tussen voor‑ en achtergevelrooilijn in geen geval meer dan 15 meter mag bedragen;

b. in een bouwblok van andere dan driehoekige of vierhoekige vorm op een afstand van de voorgevelrooilijn, die wordt bepaald met inachtneming van de onder a neergelegde beginselen, nadat zonodig de vorm van het bouwblok tot drie‑ of vierhoekige vormen is herleid;

c. in een terrein, dat niet als bouwblok is aan te merken, op een afstand van 15 meter van de voorgevelrooilijn.

 

Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn

Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, te bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn.

 

Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn

Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet van toepassing op:

a. kassen en daarmee krachtens artikel 18 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening gelijkgestelde bedrijfsgebouwen, een en ander op te richten in het bouwgebied c;

b. onderdelen van bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of uitbouw, als bedoeld in artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1,van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht;

c. onderdelen van bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht;

d. andere onderdelen van bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, te weten:

ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten;

terrassen, bordessen en bordestreden;

e. antennes, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 15 en 17, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht

 

Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn

Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn voor:

a. aan‑ of uitbouwen van beperkte omvang aan een bestaand gebouw, gelegen in de tweede zone, mits dit gebouw op de benedenverdieping geen woning bevat en de aan‑ of uitbouw buitenwerks gemeten niet hoger is dan de bovenzijde van de laagste volledig boven het terrein gelegen bouwlaag van het gebouw en niet hoger dan 4,5 meter zowel boven de gemiddelde hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de bouw als boven peil;

b. bijgebouwen, anders dan de gebouwen, bedoeld in artikel 2 onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1,van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht;

c. bouwwerken in de derde zone;

d. bouwwerken in het bouwgebied C;

e. bouwwerken op een handels‑ of industrieterrein;

f. gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd;

g. vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;

h. gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd;

i. gebouwen, waarvan de bovenzijde niet hoger is gelegen dan 0,30 meter onder de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de bouw;

j. erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die vallen onder artikel 2 onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1,van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht;

k. balkons en veranda's, wanden van ventilatiekanalen en schoorstenen, toegangen van gebouwen ‑ waaronder liftschachten, trappenhuizen en galerijen ‑ brandtrappen, terrassen en stoepen, anders dan bedoeld in artikel 2.5.13;

l. bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving;

m. bijzondere gevallen.

 

Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen

1. Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten minste een strook grond omvat die:

a. over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel, en

b. voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is begrepen tussen het verlengde van de zijgevels een diepte heeft van tenminste 5 meter.

2. De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda's buiten beschouwing blijven.

3. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in:

a. het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft, indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning bestemd is;

b. het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

1. een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig;

2. het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd en tevens een erf van redelijke afmetingen tot stand wordt gebracht;

3. bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor te bouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaande toestand verbeterd.

 

Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen

1. Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle breedte daarvan.

2. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid:

a. indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen beletsel vormen;

b. indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn.

3. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een gebouw in de derde zone in het bouwgebied A.

 

Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken

1. Indien de zijgevel van een gebouw geheel of gedeeltelijk tegenover de achtergevel van een ander gebouw wordt geplaatst, dient, behoudens het bepaalde in het tweede en het derde lid, de afstand tussen de zijgevel en de achtergevel tenminste gelijk te zijn aan de hoogte van de hoogste van de tegenover elkaar geplaatste gevels, verminderd met 1 meter.

2. De begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de grens van het erf zodanig zijn gelegen, dat tussen dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten ontstaan, die:

a. vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1 meter breed zijn;

b. ontoegankelijk zijn.

Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het aangrenzende erf wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.

3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van een bouwwerk, mits de bestaande afwijking van de bepalingen van die leden niet wordt vergroot.

 

4. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van:

a. het bepaalde in het eerste lid;

b. het bepaalde in het tweede lid, mits voldoende mogelijkheden aanwezig zijn voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte.

 

Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen

1. Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zijn niet toegelaten.

2. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te scheiden erf of terrein.

 

Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen 

1. Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere bouwwerken waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen verplicht is dan die welke deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand moet rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een nominale elektrische spanning van 1000 volt of meer.

2. Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, worden gebouwd.

3. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van:

a. het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand van 6 meter, indien de elektrische spanning van de hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar oplevert;

b. het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand van 6 meter,

indien daartegen met het oog op de veilige en ongestoorde ligging van deleiding geen bezwaar bestaat.

 

Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn

1. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, bedraagt de maximale hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, in het vlak door de voorgevelrooilijn:

a. in de eerste zone in het bouwgebied A: de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de betreffende weg, vermeerderd met 1 meter;

b. in de tweede zone in het bouwgebied A: de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de betreffende weg, vermeerderd met 5 meter;

c. in de derde zone in het bouwgebied A: 3/2 maal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de betreffende weg, vermeerderd met 1 meter;

in het bouwgebied B: 3/4 maal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen ld. angs de betreffende weg, vermeerderd met 1 meter;

e. in het bouwgebied C: 11 meter.

2. Indien terreinen ter weerszijden van een weg niet tot hetzelfde gebied of tot dezelfde zone, als bedoeld in artikel 1.3, behoren, vindt het eerste lid aldus toepassing, dat aan beide zijden van de weg de kleinste uit het eerste lid voortvloeiende hoogte wordt aangehouden.

3. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de zijde van de smalle weg tot aan de maximale hoogte van de brede weg mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de smalle weg, doch over geen grotere lengte dan 15 meter.

4. De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de betreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van het bouwwerk of de projectie daarvan op de voorgevelrooilijn.

5. Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn ontbreekt of indien een weg bestaat uit twee of meer rijbanen, gescheiden door water, een plantsoen of dergelijke, dan wel door een verharding waarop niet mag worden gebouwd, geldt ter bepaling van de maximale hoogte, bedoeld in het eerste lid, als afstand tussen de voorgevelrooilijnen het dubbele van de afstand tussen de voorgevelrooilijn en het hart van de naastgelegen rijbaan van de weg waaraan het te bebouwen terrein grenst. Indien de tegenoverliggende voorgevelrooilijn plaatselijk is onderbroken, geldt ter plaatse van de onderbreking de verst verwijderde van de beide ter weerszijden van de onderbreking voorkomende rooilijnen.

6. Indien uit het bepaalde in de eerste volzin van het vorige lid een maximale hoogte in het vlak door de voorgevelrooilijn voortvloeit, die lager is dan de hoogte van bestaande belendende bebouwing, kan het bevoegd gezag voorschrijven, dat wordt gebouwd tot de hoogte van deze bestaande bebouwing.

 

Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn

1. De maximale hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, in het vlak door de achtergevelrooilijn bedraagt:

a. in de eerste zone: 4/5 maal de afstand tot de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, vermeerderd met 1 meter;

b. in de tweede zone: 4/5 maal de afstand tot de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, vermeerderd met 5 meter;

c. in de derde zone: de afstand tot de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, vermeerderd met 1 meter;

d. in het bouwgebied B: 3/5 maal de afstand tot de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, vermeerderd met 1 meter;

e. in het bouwgebied C: 11 meter.

Indien een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, mag het bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan in het vlak door de voorgevelrooilijn.

2. De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk.

Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt voor elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk de gemiddelde afstand tussen de achtergevelrooilijnen in rekening gebracht.

3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.

4. Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen het straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de bouw.

5. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid ten behoeve van het optrekken van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn tot een gelijke hoogte over de volle breedte van het bouwwerk, indien uit het bepaalde in het tweede lid uiteenlopende hoogten zouden voortvloeien.

 

Artikel 2.5.22Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn

(gereserveerd, zie artikelsgewijze toelichting)

 

Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor‑ en achtergevelrooilijnen

Een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, mag tussen de voor‑ en achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken, welke de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en de achtergevelrooilijn snijden op de krachtens artikel 2.5.20 en 2.5.21 maximale bouwhoogte en met het horizontale vlak een hoek maken van 45 graden.

 

Artikel 2.5.24Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken

(gereserveerd)

 

Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen

(gereserveerd)

 

Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken

1. De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van straatpeil.

2. De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben, moet worden bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel 2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten - voor zover zij de maximale hoogte overschrijden - buiten beschouwing worden gelaten.

 

Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte

Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste lid en artikel 2.5.23 is niet van toepassing op:

  • a.

    onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht;

  • b.

    het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, anders dan het aanbrengen van veranderingen als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht;

  • c.

    topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het product van de breedte van de topgevel en de maximale bouwhoogte ter plaatse;

  • d.

    plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60 meter.

 

Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de toegelaten bouwhoogte

1. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste lid en artikel 2.5.23 ten behoeve van:

a. bouwwerken in het bouwgebied C;

b. bouwwerken in de derde zone;

c. bouwwerken op een handels‑ of industrieterrein;

d. bouwwerken gelegen binnen de in de op 27 mei 1982 vastgestelde partiële herziening van het Structuurplan Rotterdam binnen de Ruit met 'centrumkern' en 'centrumperiferie' aangeduide gebieden, zomede in het direct daarbij aansluitende bouwblok gelegen tussen Oostplein en Witte Hertstraat tot een hoogte van maximaal 1,73 maal de afstand tot de tegenoverliggende door een weg en/of openbaar water van het bouwwerk gescheiden voorgevelrooilijn c.q. grens van een eventueel aanwezig open erf, vermeerderd met 5 meter; bij hoekbebouwing aan wegen waarlangs de toegestane hoogte onderling verschilt mag bovengenoemde afwijking worden toegestaan over een lengte van de hoek tot 35 meter;

e. gebouwen met een bijzondere bestemming;

f. gebouwen voor openbaar nut;

g. gevallen, waarin afwijkingen, bedoeld in artikel 2.5.10, lid 4, onder i, worden toegestaan;

h. het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, indien de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte overschrijden en de welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat;

i. het bij het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, overschrijden van bestaande uitwendige hoogteafmetingen, indien daarmee gepaard gaat, dat andere hoogteafmetingen kleiner worden dan de bestaande;

j. dakvensters, mits buitenwerks gemeten, de breedte niet meer dan 1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en de afstand tot de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen behoren;

k. topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke aard mits de gehele geveloppervlakte niet groter is dan het product van de gevelbreedte en de toegelaten bouwhoogte;

l.plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60 meter;

m. draagconstructies voor een reclame;

n. vrijstaande schoorstenen;

on. bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving;

p. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3, derde lid, van het Besluit bouwwerken;

q. bijzondere gevallen.

2. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, indien de maximale hoogte in het vlak door de voorgevelrooilijn moet worden bepaald door toepassing van artikel 2.5.20, vijfde lid, eerste volzin.

3. Indien een bouwterrein met twee tegenover elkaar liggende zijden grenst aan een weg en/of openbaar water, aan beide zijden bebouwd mag worden en voor de maximale hoogte in de betreffende twee voorgevelrooilijnen afwijking wordt toegestaan krachtens het eerste lid, onder d, geldt, in afwijking van het bepaalde in de artikelen 2.5.21 en 2.5.23, dat een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, tussen de genoemde twee voorgevelrooilijnen niet hoger mag reiken dan tot de vlakken, welke de verticale vlakken door de beide voorgevelrooilijnen snijden op de krachtens het eerste lid, onder d, maximale bouwhoogte en met het horizontale vlak een hoek maken van 60 graden.

 

Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogtein geval van voorbereiding van een bestemmingsplan

1. In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28 kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van de verboden tot bouwen met overschrijding van de voor- en van de achtergevelrooilijn en van het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale bouwhoogte.

2. De in het eerste lid bedoelde afwijking kan door het bevoegd gezag worden toegestaan indien:

a. de desbetreffende bouwactiviteit voorkomt in artikel 4 van het Besluit omgevingsrecht;

b. de desbetreffende activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd toekomstig ruimtelijk beleid.

 

Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen

1. Indien de omvang of de bestemming van een gebouw, in verband met de daarvoor te verwachten behoefte aan ruimte, bestemd voor het parkeren of stallen van motorvoertuigen, dan wel, in verband met de daarvoor te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden en of lossen van goederen, daartoe aanleiding geeft, moet in deze behoefte in, op of onder dat gebouw, dan wel op of onder het daarbij behorende onbebouwd blijvende terrein in voldoende mate zijn voorzien.

2. Voorschriften met betrekking tot de capaciteit van parkeer- en/of stallinggelegenheid in relatie tot de plaats, de omvang en de bestemming van het gebouw zijn opgenomen in Bijlage 1.

3. Voorwaarden kunnen worden gesteld ten aanzien van:

a. de aard, de plaats en de inrichting van de parkeer- of de stallinggelegenheid;

b. de aard, de capaciteit, de plaats en de inrichting van de gelegenheid voor het laden of lossen;

c. de aanwezigheid en aanduiding van parkeer- of stallinggelegenheid uitsluitend ten behoeve van invaliden.

4. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid indien:

  • a.

    uit een door de aanvrager van een omgevingsvergunning over te leggen parkeerbalans blijkt dat op eigen terrein door middel van dubbelgebruik voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn;

  • b.

    de aanvrager van een omgevingsvergunning de parkeereis door middel van een parkeereisovereenkomst financieel compenseert aan de gemeente Rotterdam en met de verwezenlijking van het bouwplan, naar het oordeel van het bevoegd gezag, een gemeentelijk belang is gemoeid;

  • c.

    er sprake is van een totale gebiedsontwikkeling en naar het oordeel van burgemeester en wethouders een gemeentelijk belang rechtvaardigt dat op straat parkeerplaatsen worden aangelegd uit de grondopbrengst;

  • d.

    de onderdelen a tot en met c zich niet voordoen en naar het oordeel van het bevoegd gezag met de verwezenlijking van het bouwplan een bijzonder gemeentelijk belang is gemoeid.

5. Het bevoegd gezag kan regels stellen aan de afwijkingsmogelijkheden bedoeld in het vorige lid.

 

Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen

Vervallen.

 

Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen

Vervallen.

 

Hoofdstuk 3 De melding

Vervallen.

 

Hoofdstuk 4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van een bouwwerk

Vervallen.

 

Hoofdstuk 5Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte

Vervallen.

 

Hoofdstuk 6 Brandveilig gebruik

Vervallen.

 

Hoofdstuk 7 Overige gebruiksbepalingen

Vervallen.

 

Hoofdstuk 8 Slopen

 

Vervallen.

 

Hoofdstuk 9 Welstand

Artikel 9.1 De advisering door de Commissie voor welstand en monumenten

1. De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan de Commissie voor Welstand en Monumenten, in dit hoofdstuk verder aangeduid als de commissie.

2. De commissie adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen om een omgevingsvergunning voor het bouwen. De commissie baseert haar advies op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria.

3. De commissie kan gevraagd en ongevraagd adviseren over andere onderwerpen.

4. Voorschriften over het praktisch, dagelijks en huishoudelijk functioneren van de commissie zijn vastgelegd in het Reglement van Orde voor de commissie dat als bijlage 3 bij deze verordening is opgenomen.

Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie

1. De commissie bestaat uit een voorzitter en zeven andere leden. Tenminste zes van hen dienen deskundig te zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel architectuurhistorie. Daarnaast dient tenminste een van hen deskundig te zijn op het gebied van de architectuurhistorie en dient tenminste een van hen deskundig te zijn op het gebeid van de restauratiearchitectuur.

2. De leden van de commissie zijn onafhankelijk ten opzichte van de ingediende plannen en ten opzichte van het gemeentebestuur. Een lid van de commissie mag geen lid zijn van de gemeenteraad of een deelgemeenteraad van de gemeente Rotterdam en geen ambtenaar zijn in dienst van de gemeente Rotterdam. Met ambtenaar worden gelijkgesteld zij die op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam zijn.

3. Als adviseur van de commissie kan de vergadering van de commissie worden bijgewoond door de directeur van het Cluster Stadsontwikkeling (SO).

4. Burgemeester en wethouders kunnen voor een bepaald project en voor een bepaalde tijdsduur een kamer instellen waarin, naast tenminste drie leden van de commissie, andere deskundigen worden benoemd. Deze kamer treedt voor het aangewezen project in de plaats van de commissie.

Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur

1. De voorzitter en de overige leden van de commissie worden op voorstel van burgemeester en wethouders benoemd en ontslagen door de gemeenteraad. 2. De voorzitter wordt in functie benoemd.

3. De leden van de commissie kunnen ten hoogste voor een termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar.

4. De voorzitter en de leden van de commissie worden geworven door middel van een openbare sollicitatieprocedure.

Het voorstel voor de benoeming van de voorzitter en leden van de commissie, zoals genoemd in lid 1, wordt voorbereid door een benoemingscommissie.

5. Voor de voorbereiding van de benoeming van de voorzitter bestaat de benoemingscommissie uit de portefeuillehouder welstand als voorzitter, de directeur van het Cluster SO die ruimtelijke kwaliteit in zijn portefeuille heeft, een door de commissie aangewezen lid en de secretaris van de commissie.

6. Voor de benoeming van een lid bestaat de benoemingscommissie uit de portefeuillehouder welstand als voorzitter, de directeur van het Cluster SO die ruimtelijke kwaliteit in zijn portefeuille heeft, alsmede de voorzitter en de secretaris van de commissie.

7. De voorzitter en de leden van de benoemingscommissie, genoemd in lid 5 en 6, zijn bevoegd zelf ook voordrachten te doen.

Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording

De commissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt:

- op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de welstandsnota;

- de werkwijze van de commissie;

- op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen;

- de aard van de beoordeelde plannen;

- de bijzondere projecten.

De commissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder.

Artikel 9.5 Termijn van advisering

1. De commissie brengt het advies over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.

2. Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de commissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen

De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is openbaar.

Indien burgemeester en wethouders – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordelingen als de adviezen.

Artikel 9.6a Secretariaat

1. De commissie wordt in haar werkzaamheden bijgestaan door een secretariaat dat bestaat uit een secretaris en een of meerdere plaatsvervangende secretarissen.

2. De secretaris is een door burgemeester en wethouders aan te wijzen ambtenaar.

3. Burgemeester en wethouders stellen de commissie, al dan niet op verzoek, de gegevens ter beschikking die nodig zijn voor een goede vervulling van haar taak.

Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat en ambtelijke afdoening

1. De commissie kan de advisering over een aanvraag om advies mandateren aan een of meerdere daartoe aangewezen leden, de secretaris, en/of de plaatsvervangende secretarissen.

2. De aangewezen leden adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de commissie als bekend mag worden verondersteld of waarbij het gelet op de fatale termijnen niet mogelijk is de commissie om advies te vragen. De commissie blijft verantwoordelijk voor het onder mandaat uitgebrachte advies.

3. De advisering over de welstandsaspecten van een bouwplan berust bij een of meerdere door burgemeester en wethouders aan te wijzen ambtena(a)r(en) indien sprake is van een aanvraag voor een bouwwerk waarvoor in het vigerende gemeentelijke welstandsbeleid sneltoetscriteria zijn opgenomen.

4. In afwijking van het bepaalde in het eerste en derde lid kan de commissie een advies uitbrengen indien de aanvrager daartoe een verzoek tot de commissie richt; in dit geval blijft ambtelijke advisering of advisering onder mandaat achterwege.

Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht

De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk.

Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen.

 

Hoofdstuk 10 Overige administratieve bepalingen

 

Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning

Vervallen.

 

Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen

Vervallen.

 

Artikel 10.3 Overdragen vergunningen

Vervallen.

 

Artikel 10.4 Overdragen mededeling

Vervallen.

 

Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen

Vervallen.

 

Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften

Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening -of in de bij deze verordening behorende bijlagen- wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.

 

Hoofdstuk 11 Handhaving

 

Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw

Vervallen.

 

Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming

Vervallen.

 

Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen

Vervallen.

 

Artikel 11.3 (oud) Onderzoek van water

Vervallen.

 

Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek

Vervallen.

 

Hoofdstuk 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen

 

Artikel 12.1 Overgangsrecht voor aanvragen ingediend voor 1 oktober 2010:

Op aanvragen om bouw- of sloopvergunning die voor 1 oktober 2010 zijn ingediend, blijft de tot 1 oktober 2010 geldende Bouwverordening Rotterdam 1993 van kracht.

 

Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek

Vervallen.

 

Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terreinen

Vervallen.

 

Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruikstoestemming

Vervallen.

 

Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopvergunning

Een sloopvergunning als bedoeld in artikel 305 van de bouwverordening vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 15 december 1988, een sloopvergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Bouwverordening Rotterdam 1993 en een geaccepteerde melding als bedoeld in artikel 8.2.1 van de Bouwverordening Rotterdam 1993 gelden als omgevingsvergunning voor het slopen als bedoeld in artikel 8.1 van de Bouwverordening Rotterdam 2010 zoals deze gold tot de datum van inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012.

 

Artikel 12.6 Slotbepalingen

1. Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na de dagtekening van het Gemeenteblad waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 oktober 2010.

2. De Bouwverordening Rotterdam 1993 wordt ingetrokken.

3. Deze verordening wordt aangehaald als: Bouwverordening Rotterdam 2010.

 

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 30 september 2010.

 

De griffier, De voorzitter,

   

J.G.A. Paans L.C. Bruijn, plv.

                                 

Dit gemeenteblad is uitgegeven op 13 oktober 2010 en ligt op werkdagen van 8.30 tot 16.00 uur ter inzage bij het Kenniscentrum Bestuursdienst Rotterdam (KBR), locatie Stadswinkel Centrum, Coolsingel 40 (zijde Doelwater, tegenover hoofdbureau politie)

(Zie ook: www.bds.rotterdam.nl – Gemeentebladen)

Bijlage 1

 

Bijlage als bedoeld in artikel 2.5.30

 

Voorschriften met betrekking tot de capaciteit van parkeergelegenheid in relatie tot de plaats, omvang en de bestemming van gebouwen.

 

Artikel 1 Indeling van het gebied van de gemeente

In deze nadere regelen wordt verstaan onder:

1. Parkeerzone A:

Die gedeelten van het gebied der gemeente, die op de bij deze bijlage behorende kaart 1 paars zijn gekleurd.

2. Parkeerzone B:

Die gedeelten van het gebied der gemeente, die op de bij deze bijlage behorende kaart 1 groen zijn gekleurd.

3. Parkeerzone C:

Die gedeelten van het gebied der gemeente, die op kaart 1 noch tot zone A, noch tot zone B behoren.

4. Sector 1:

Die gedeelten van het gebied der gemeente, die op de bij deze bijlage behorende kaart 2 paars zijn gekleurd.

5. Sector 2:

Die gedeelten van het gebied der gemeente, die op de bij deze bijlage behorende kaart 2 oranje zijn gekleurd.

6. Sector 3:

Die gedeelten van het gebied der gemeente, die op de bij deze bijlage behorende kaart 2 geel zijn gekleurd.

7. Sector 4:

Die gedeelten van het gebied der gemeente, die op de bij deze bijlage behorende kaart 2 groen zijn gekleurd.

 

Artikel 2 Onderverdeling gebouwen naar bestemming

Capaciteit parkeergelegenheid Werken, Winkelen, Horeca, Sport en Recreatie, Gezondheidszorg, Onderwijs en Cultuur. De capaciteit van de parkeergelegenheid ten behoeve van de in lid 1 bedoelde categorieën van gebouwen is opgenomen in de bij deze bijlage behorende tabel.

 

Artikel 3 Vaststelling parkeercapaciteit

De capaciteit van een parkeergelegenheid wordt in hele getallen vastgesteld. In voorkomende gevallen vindt afronding op de gebruikelijke wijze plaats, derhalve bij 0,5 of meer naar boven en bij minder dan 0,5 naar beneden.

 

Artikel 4 Berekening parkeercapaciteit bij verbouwingen

Bij een verbouwing, niet zijnde sloop/nieuwbouw, waarbij de parkeerdruk toeneemt, wordt het aantal parkeerplaatsen, vereist volgens de in artikel 2, lid 2, bedoelde tabel, verminderd met het aantal parkeerplaatsen dat vereist was of zou zijn voor de verbouwing.

 

Artikel 4a Afwijking 55-pluswoningen

Het bevoegd gezag is bevoegd af te wijken van de in deze bijlage opgenomen tabel met normen voor parkeren indien sprake is van een woning met een gebruiksoppervlakte van tenminste 65 m2 die nadrukkelijk bestemd is als huisvesting voor 55-plussers, een en ander tot een norm van 0,6 stallingsplaats per woning.

 

Artikel 5 Ontheffing parkeereis

Een parkeereis wordt niet gesteld bij een verbouwing waarbij noch een wijziging in het gebruik van het gebouw, noch een uitbreiding van het vloeroppervlak ervan plaats vindt.

 

Artikel 6 Supermarkt

Als supermarkt worden aangemerkt winkelbestemmingen met een bruto vloeroppervlak van 600 m2 of meer.

 

Artikel 7 Afwijkingen van de tabel

1. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan bij de vaststelling van de capaciteit van een parkeergelegenheid worden afgeweken van de in artikel 2, lid 2, bedoelde tabel.

2. De capaciteit van een parkeergelegenheid ten behoeve van gebouwen, welke niet in de in artikel 2, lid 2, bedoelde tabel voorkomen, wordt per geval vastgesteld. Daarbij wordt, voor zover mogelijk, aansluiting gezocht bij vergelijkbare gebouwen, vermeld in deze tabel.

 

Tabel behorende bij bijlage 1.

[Tabellen en kaarten niet opgenomen] 

        

Bijlage 2

Vervallen.

 

Bijlage 3

 Behorende bij artikel 9.1

 

Reglement van Orde Commissie van Welstand en Monumenten

 OPENBAARHEID 

Artikel 1 Vergaderdata en agenda

  • 1.

    Vergaderdata van de Commissie voor Welstand en Monumenten (nader te noemen: de commissie) worden ten minste twee weken voorafgaand aan een vergadering bekendgemaakt op de binnen de gemeente gebruikelijke wijze van publiceren in een huis-aan-huisblad.

  • 2.

    De agenda voor een vergadering van de commissie wordt in de week, voorafgaande aan de vergadering van de commissie, maar minimaal één dag daarvoor, gepubliceerd op een gemeentelijke website en ligt dan tevens ter inzage bij het secretariaat van de commissie.

Artikel 2 Publieke tribune

Een ieder kan de vergadering van de welstandscommissie bijwonen op de publieke tribune.

 

Artikel 3 Spreekrecht

  • 1.

    Voorafgaande aan de behandeling van een bouwplan bestaat de mogelijkheid voor belanghebbenden gedurende maximaal vijf minuten in te spreken. De voorzitter kan een langere spreektijd toestaan en kan het aantal insprekers per bouwplan aan een maximum binden.

  • 2.

    Degene die van dit spreekrecht gebruik wil maken moet dit minimaal één dag voor de vergadering van de commissie aan de secretaris hebben kenbaar gemaakt.

VERGADERORDE 

Artikel 4 Quorum

De commissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten minste drie leden aanwezig zijn waarvan ten minste twee leden beschikken over deskundigheid op het gebied van de architectuur.

Artikel 5 Mondelinge toelichting

Planindieners en ontwerpers worden in de gelegenheid gesteld om de behandeling van hun plan bij te wonen en toe te lichten. De voorzitter bepaalt de spreektijd van planindieners en ontwerpers. De secretaris van de commissie zorgt ervoor dat ontwerpers en opdrachtgevers die dit wensen worden uitgenodigd.

  

Artikel 6 Onafhankelijkheid

Indien de commissie om advies wordt gevraagd over het ontwerp van een bouwplan dat door één van haar leden is vervaardigd, of indien de onafhankelijke advisering door de commissie op een andere wijze in het geding zou zijn, zal het desbetreffende commissielid aan de beraadslagingen noch aan de advisering over het bouwplan deelnemen noch daarbij aanwezig zijn.

Het ontwerp van het bouwplan mag wel door het commissielid worden toegelicht als bedoeld in artikel 5 van dit reglement.

 

Artikel 7 Stemming

De commissie adviseert bij meerderheid van stemmen. Indien de stemmen staken heeft de voorzitter een beslissende stem.

WELSTANDSADVIES: INHOUD EN MONDELINGE TOELICHTING Artikel 8

Inhoud welstandadvies

1. Het welstandsadvies is schriftelijk en gemotiveerd. Elk welstandsadvies bestaat in ieder geval uit:

een korte duiding van het bouwplan en zijn omgeving;

een verwijzing naar de bij de beoordeling gebruikte welstandscriteria en een motivering, indien wordt voorgesteld af te wijken van de welstandscriteria;

het welstandsadvies en de motivering daarvan indien het een negatief advies is.

2. Bij positieve advisering kan een expliciete motivering achterwege blijven, tenzij burgemeester en wethouders daarom verzoeken.”.

Artikel 9 Toelichting op het welstandsadvies

De planindiener en/of ontwerper kan verzoeken om een mondelinge toelichting op het welstandsadvies.

Deze toelichting wordt gegeven door de secretaris. Indien de planindiener of ontwerper vervolgens een nadere toelichting wenst, wordt een afspraak gemaakt met de commissie dan wel een door haar gemandateerd lid.

 

Artikel 10 Informatieplan en vooroverleg

Aan ontwerpers en planindieners wordt de mogelijkheid geboden in een vooroverleg met de commissie of de door de commissie gemandateerde een nog niet formeel ingediend bouwplan toe te lichten en te bespreken aan de hand van een ingediend informatieplan. Van het vooroverleg wordt door de commissie een verslag gemaakt dat met de besproken bescheiden wordt opgenomen in een projectdossier. De commissie zal niet op tijdens het vooroverleg genomen adviezen van de gemandateerde of de commissie zelf terugkomen.

De behandeling van een informatieplan is openbaar, tenzij aanvrager uitdrukkelijk verzoekt om een niet-openbare behandeling ervan.

Artikel 11 Klachten

Klachten over het functioneren van de commissie worden ingediend bij de commissie zelf. Als de klager en de commissie niet tot een oplossing komen, kan de klager zijn klacht indienen bij Burgemeester en Wethouders. Als dat niet leidt tot een oplossing kan de klacht ingediend worden bij de Gemeentelijke Ombudsman.

Artikel 12 Citeertitel

Dit reglement wordt aangehaald als “Reglement van Orde voor de Commissie voor Welstand en Monumenten”.

Algemene toelichting Bouwverordening Rotterdam 2010 

I. Inleiding

 

Voor u ligt de Bouwverordening Rotterdam 2010. Een bijzondere verordening, aangezien deze de periode overbrugt die ligt tussen de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo) en de komst van het nieuwe Besluit bouwwerken (de door de Minister van VROM voorgenomen integratie van het Bouwbesluit, het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken en een aantal nu nog in de bouwverordening opgenomen bepalingen). Vanwege de komst van de Wabo en de eerdere inwerkingtreding van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken en de ingrijpende wijzigingen die dit op de Bouwverordening Rotterdam 1993 tot gevolg had, is er bovendien voor gekozen om een nieuwe Bouwverordening Rotterdam 2010 vast te stellen. De indeling daarvan is gebaseerd op de modelbouwverordening zoals deze door de VNG wordt uitgegeven, waarbij alleen van dat model is afgeweken indien dit op basis van de historisch gegroeide situatie in Rotterdam wenselijk is.

 

Op grond van artikel 8, eerste lid van de herziene Woningwet stelt de gemeenteraad een bouwverordening vast die uitsluitend de in die wet genoemde onderwerpen omvat. De in de wet gegeven opsomming van onderwerpen heeft namelijk een limitatief karakter. Zo maken de technische voorschriften omtrent het bouwen sinds 1993 geen deel meer uit van de bouwverordening maar zijn deze in het Bouwbesluit, dus centraal, geregeld. Daarnaast hebben de brandveiligheidsvoorschriften sinds 1 november 2008 een plaats in het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken gekregen, waarmee een groot aantal bepalingen uit de Bouwverordening Rotterdam 1993 is komen te vervallen. In de komende jaren zal bovendien een verdere afkalving van de in de bouwverordening onder te brengen onderwerpen plaatsvinden, zodat de Bouwverordening Rotterdam 2010 als een interimvariant kan worden gezien.

 

De meest in het oog springende elementen die sinds oktober 2010 nog in de bouwverordening zijn opgenomen, zijn de bepalingen omtrent het tegengaan van bouwen op (te zeer) verontreinigde grond, het selectief slopen (en scheiding van chemisch afval bij de bouw) en de invulling van het welstandstoezicht.

 

II. Het VNG‑model en de Rotterdamse bouwverordening

 

Binnen het kader van de in 1992 herziene Woningwet heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) een model‑bouwverordening (MBV) ontworpen. De bouwverordening Rotterdam 1993 volgt zoveel mogelijk dit VNG‑model. Slechts daar waar sprake is van een specifiek Rotterdamse situatie is afgeweken van het VNG‑model.

 

Afgezien van het voordeel dat het overnemen van een groot deel van de VNG‑verordening biedt, namelijk landelijke uniformiteit en het terug kunnen vallen op de toelichting bij die VNG-verordening (dit is ook de reden dat in de Bouwverordening 2010 een groot aantal bepalingen is opgenomen waarvan de tekst niet meer omvat dan een “gereserveerd” of “vervallen”), is in het kader van de herziene Woningwet bepaald dat indien nodig, ter bevordering van de eenheid van bouwverordeningen, bij algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld over de inhoud van de in een bouwverordening op te nemen voorschriften. Wanneer gemeenten ieder voor zich te veel af zouden wijken van het model, zou daarmee een landelijke bundeling van regels uit

 

bouwverordeningen plaats kunnen vinden waarmee alle lokale mogelijkheden weg zouden vallen. Ook dit is een reden dat de Rotterdamse bouwverordening zo veel als mogelijk aansluit bij het VNG-model. Dit geldt echter niet voor de voorschriften van stedenbouwkundige aard en met name daarin is dan ook een aantal afwijkingen ten opzichte van de modelbouwverordening terug te vinden.

 

Stedenbouwkundige bepalingen/gebiedsindeling Rotterdam

 

In artikel 1.3, omtrent de indeling van het gebied van de gemeente, wordt afgeweken van het VNG‑model. In dit artikel is de bepaling uit de bouwverordening van 1988 over de gebiedsindeling overgenomen aangezien Rotterdam niet het onderscheid in bebouwde en onbebouwde kom hanteert maar een op kaart getekende zone-indeling. In die zone-indeling zijn met uitzondering van het feit dat op sommige plaatsen nieuwe bestemmingsplannen in werking zijn getreden die de werking van de bouwverordening buitenspel zetten (zie hetgeen hierover is bepaald in artikel 9 van de Woningwet) sedert 1993 ook geen wijzigingen aangebracht. Deze gebiedsindeling hangt overigens nauw samen met de stedenbouwkundige bepalingen in hoofdstuk 2 paragraaf 5, zodat met het voortzetten van de oude regeling de bestaande hoofdstructuur van de betreffende gebieden kan worden gecontinueerd.

 

In hoofdstuk 2, paragraaf 5 van de bouwverordening zijn over het algemeen de bepalingen van stedenbouwkundige aard uit de Rotterdamse bouwverordening uit 1988 overgenomen. Deels vloeit dit voort uit de al genoemde wijze van gebiedsindeling in Rotterdam.

Daarnaast hebben stedenbouwkundige bepalingen een sterk lokaal karakter. Zijn er eenmaal bepaalde voorschriften omtrent voor‑ en achtergevelrooilijnen gehanteerd binnen een bepaald gebied, dan kan daar moeilijk een wijziging van plaatsvinden. Andere rooilijnen zijn stedenbouwkundig ongewenst, nog afgezien van het feit dat ook andere diensten en bedrijven er hinder van zouden kunnen ondervinden. Ook ten aanzien van de hoogtebepalingen geldt dat Rotterdam in het verleden bewust afweek van de modelbouwverordening en dat er geen enkele aanleiding bestaat daar op dit moment anders over te oordelen.

 

Een andere algemene afwijking van de modelbouwverordening is gelegen in de mogelijkheid om voor “bijzondere gevallen” vrijstelling te verlenen van de hoogte- en rooilijnbepalingen uit de bouwverordening. Het gaat hier om die situaties die niet door een van de eerder in de betreffende artikelen genoemde vrijstellingen worden gedekt, maar waarin het voorschrijven van een ontwerp bestemmingsplan zoals aangegeven in artikel 2.5.29 een te zware eis zou vormen.

 

Op zich sluit dit aan bij de jurisprudentie op het voormalige artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, waaruit blijkt dat bij kleine ingrepen die passen binnen de omgeving kan worden volstaan met een voorbereidingsbesluit als basis voor een anticipatieprocedure en dat bij ingrijpende veranderingen in zowel de feitelijke als de juridische situatie ter plaatse een extra waarborg in de vorm van een ontwerpbestemmingsplan beschikbaar moet zijn. In feite wordt met het “bijzondere geval” dus eenzelfde basis voor een afwijking van de bepalingen uit de bouwverordening geboden als een voorbereidingsbesluit doet bij afwijkingen van een bestemmingsplan.

 

In de regeling is bewust niet gekozen voor het in alle gevallen verplichten tot het nemen van een voorbereidingsbesluit, aangezien dit binnen de Rotterdamse situatie en gelet op de termijnen uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot een onwerkbare situatie zou leiden: in beginsel moet binnen 8 weken na een aanvraag om omgevingsvergunning op die aanvraag worden beslist, terwijl eenmaal een verdaging met 6 weken kan plaatsvinden. Zou een voorbereidingsbesluit genomen moeten worden of een goede ruimtelijke onderbouwing opgesteld moeten worden die voldoet aan de

 

eisen uit de Wet ruimtelijke ordening, dan zou eerst moeten blijken of een deelgemeente voornemens is een aanvraag te honoreren, waarna een nog een tijdrovende actie moet plaatsvinden. De reguliere Wabo-termijn van 12 weken is hiervoor eenvoudigweg niet toereikend, zodat voor een iets minder zwaar eisenpakket aan een afwijking van de bouwverordening is verbonden.

 

Bij “bijzondere gevallen” moet inhoudelijk worden gedacht aan op zich geringe ingrepen in een bepaalde omgeving, waarbij gering niet ziet op het aantal vierkante of kubieke meters, maar op de consequenties van een bepaald bouwplan, en waarbij het bij afweging van alle belangen redelijk is vrijstelling te verlenen. Zo kunnen de sloop en nieuwbouw van een gebouw onder een bijzonder geval vallen indien het nieuwe gebouw qua oppervlakte, inhoud en ligging geen verslechtering ten opzichte van de oude situatie oplevert. Ook kan worden gedacht aan afwijkingen van rooilijnen en hoogtebepalingen in situaties waarin dat in de directe omgeving ook al is gebeurd of waardoor een betere samenhang tussen verschillende gebouwen kan worden bereikt.

 

Gaat het om vanuit zowel feitelijk als stedenbouwkundig oogpunt ingrijpende veranderingen in een bepaalde omgeving, dan vormt artikel 2.5.29 het sluitstuk van de vrijstellingsregeling.

 

Tot slot wordt ook afgeweken van de in de modelbouwverordening opgenomen voorstellen voor het opnemen van parkeerbepalingen. De reden daarvan ligt evenzeer in het feit dat Rotterdam zich niet leent voor een standaardregeling, maar dat een gebiedsdifferentiatie noodzakelijk is.

 

(Verbod tot) bouwen op verontreinigde grond

 

De Woningwet geeft de randvoorwaarden voor het opstellen van regels ten aanzien van verontreinigde grond in de bouwverordening. Naar aanleiding daarvan worden de volgende onderwerpen in de bouwverordening geregeld:

het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond;

de inhoud van het onderzoeksrapport dat bij een aanvraag om omgevingsvergunning over de gesteldheid van de bodem van de bouwkavel moet worden overgelegd. Dit rapport moet aan de in de bouwverordening gestelde voorschriften voldoen;

een weigeringsgrond voor aanvragen om omgevingsvergunning wanneer een bouwwerk niet voldoet aan de voorschriften in de bouwverordening t.a.v. het voorkomen van bouwen op verontreinigde bodem.

Een vrijstellingsregeling voor zowel het indienen van een rapport als het verbod te bouwen op verontreinigde grond.

 

Artikel 352 Bouwverordening

 

Artikel 352 van de deels ingetrokken bouwverordening (zie slotbepalingen) is opgenomen als overgangsbepaling om het gebruik van gronden en opstallen te regelen ten aanzien van gebieden waarvoor nog geen bestemmingsplan op grond van de Wet ruimtelijke ordening geldt. Dit artikel moest, volgens de toelichting uit 1965 bij de MBV, gedurende de tijd, dat oude bestemmingsplannen nog niet waren aangepast aan de tot 1 juli 2008 geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening een noodzakelijk complement vormen omtrent het gebruik van grond en opstallen. De aanpassing aan de WRO moest ingevolge de Overgangswet voor 1 augustus 1970 geschieden. Op het overschrijden van die termijn werd echter geen sanctie gesteld zodat artikel 352 nog in vele oude bouwverordeningen ‑ waaronder de Rotterdamse - staat opgenomen.

 

Mede aan de hand van jurisprudentie over dit artikel is inmiddels komen vast te staan dat het voor augustus 1970 moest zijn vastgesteld en dat het nadien niet meer mag worden gewijzigd ‑ behoudens enige kleine redactionele wijzigingen ‑ op straffe van nietigheid.

 

Om die reden is het oude Rotterdamse artikel 352 nog steeds in stand gelaten. Wel heeft inmiddels een inhaalslag plaatsgevonden doordat in bijna alle oude bestemmingsplannen via een eerste en een tweede Parapluherziening gebruiksbepalingen is voorzien in een eigen aan de betreffende planvoorschriften toegevoegde gebruiksbepaling. Daarmee heeft het oude artikel 352 dus vooral nog waarde voor oude uitbreidingsplannen die geen eigen voorschriften kennen en voor die gebieden in de stad waar geen bestemmingsplan geldt.

 

Slotbepalingen

 

Uit de slotbepalingen blijkt dat een aantal artikelen uit de bouwverordening, gewijzigd in 1988, niet worden ingetrokken. Ten aanzien van artikel 352 is daar al kort op gewezen.

Daarnaast wordt hoofdstuk 9 ‘Bijzondere bepalingen met betrekking tot de veiligheid op de weg of het openbare water in verband met bouwwerken en bepalingen betreffende reclames’ en de bij dit hoofdstuk behorende ‘nadere regelen L’ niet ingetrokken. Deze onderdelen zijn slecht inpasbaar in de nieuwe bouwverordening (limitatieve opsomming van onderwerpen). De VNG had in voorgaande jaren de problematiek van de reclames overigens niet in de bouwverordening maar in de model‑ plaatselijke verordening (APV) geregeld. Ook in Rotterdam wordt momenteel gewerkt aan een wijziging van de APV. Totdat meer duidelijk bestaat over de onderwerpen die de APV gaat regelen kunnen de artikelen genoemd in hoofdstuk 9 niet goed gemist worden.

 

Ten aanzien van overige afwijkingen van de modelbouwverordening wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.

 

III. Welstand

 

De bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de afgifte van omgevingsvergunningen ligt bij B&W en de dagelijks besturen van de deelgemeenten. Het niet voldoen aan redelijke eisen van welstand is een zelfstandige weigeringsgrond voor een omgevingsvergunning. B&W en de dagelijkse besturen van de deelgemeenten hebben een eigen verantwoordelijkheid voor het welstandsoordeel dat tot stand komt aan de hand van de in de bouwverordening c.q. de welstandsnota opgenomen criteria. In veel gevallen speelt het advies van de onafhankelijke en deskundige welstandscommissie daarbij een rol. Daarnaast speelt dat advies een rol in de situaties dat niet B&W of het dagelijks bestuur maar gedeputeerde staten of een minister het bevoegd gezag zijn voor het beslissen op een aanvraag om omgevingsvergunning.

 

Waar in de Woningwet al een aantal eisen en voorwaarden ten aanzien van de advisering op het gebied van de welstandseisen is opgenomen, voegt de bouwverordening hier een aantal aspecten aan toe. Zo is met name aangegeven hoe de advisering dient plaats te vinden, hoe de gemeentelijke Commissie voor Welstand en Monumenten is ingericht en welke taken en verantwoordelijkheden bij het secretariaat berusten.

 

Ambtelijke toets aan welstandsbeleid. Sinds de inwerkingtreding van de vierde wijziging op de bouwverordening is de tot dan toe gehanteerde werkwijze gewijzigd. Dit als gevolg van toevoeging op 1 maart 2013 van de zogenaamde “kan-bepaling”* aan artikel 6.2 van het Besluit omgevingsrecht. Met deze bepaling is door de wetgever de mogelijkheid geboden om de welstandstoets niet meer in alle gevallen te laten uitvoeren door de Welstandscommissie, maar gevallen te bepalen waarin toetsing van een bouwplan aan het welstandsbeleid ambtelijk plaats kan vinden. Met de vierde wijziging op de Bouwverordening is deze aangepast op deze mogelijkheid. De regeling waarin is bepaald in welke gevallen ambtelijke toetsing plaats kan vinden is vastgelegd in artikel 9.7 van de Bouwverordening.

 

De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan de welstandscommissie wanneer directe inbreng/advies van de commissie noodzakelijk is. Hierbij gaat het om bouwplannen (groot-, maar ook kleinschalig van opzet) op die locaties die voor het gezicht van de stad en de ruimtelijke kwaliteit van betekenis zijn, zoals in de binnenstad, in beschermde stadsgezichten, langs hoofdroutes of daar waar anderszins sprake is van het bijzondere welstandsregime zoals gedefinieerd in de Welstandsnota Rotterdam.

 

Daarnaast worden op basis van art. 9.7 lid 3 bouwplannen met een geringe ruimtelijke betekenis, bouwplannen waarover het advies van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld en/of op bouwplannen waarbij de in de Wabo opgenomen termijnen klemmend zijn, getoetst door een van haar leden of door de secretaris en/of de plaatsvervangende secretarissen. In deze gevallen vindt advisering plaats op basis van een mandaatbesluit van de welstandscommissie.

 

Tenslotte is er de groep bouwplannen die valt onder de in de Welstandsnota opgenomen sneltoetscriteria. Deze bouwplannen worden op basis van art. 9.7 lid 3 strikt ambtelijk getoetst door medewerkers van de afdeling Vergunningen van SO, die daartoe zijn aangewezen door het college van Burgemeester en Wethouders. Een eventueel bezwaar- of beroepschrift tegen een besluit dat tot stand is gekomen op basis van een ambtelijk advies of een in mandaat gegeven advies wordt uiteraard altijd afgehandeld door het bevoegd gezag zelf.

 

*NB: de “kan-bepaling” is alleen van toepassing op aanvragen omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, niet voor aanvragen omgevingsvergunning voor de activiteit “het verstoren van een monument” (de activiteit uit artikel 2.1, lid 1, onder f. of artikel 2.2, lid 1, onder b, van de Wabo) en/of de activiteit “het uitvoeren van werkzaamheden binnen een beschermd stadsgezicht” (de activiteit uit artikel 2.1, lid 1, onder h, of artikel 2.2, lid 1, onder c, van de Wabo). Dit betekent dat het wettelijk niet is toegestaan de taken van de monumentencommissie ambtelijk te laten uitvoeren.

 

Voor alle duidelijkheid moet hierbij wel worden opgemerkt dat tot het moment dat de welstandsnota was vastgesteld, bij de beoordeling of een bouwwerk voldeed aan redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 12 van de Woningwet acht werd geslagen op de aspecten die tot 1 januari 2003 als toetsend criterium in de bouwverordening waren opgenomen. Een regeling die nog steeds voor enkele al lang lopende procedures van belang is. Het betreft daarbij:

de aanvaardbaarheid van het bouwwerk in relatie tot de karakteristiek van de reeds aanwezige bebouwing, de openbare ruimte, het landschap dan wel de stedenbouwkundige context;

massa, structuur, maat en schaal, detaillering, materiaalkeuze en kleurstelling;

samenhang in het bouwwerk of de bouwwerken voor wat betreft de onderlinge relatie tussen de samenstellende delen daarvan.

 

Los van de wettelijk voorgeschreven werkwijze bij formele aanvragen om omgevingsvergunning, wordt ontwerpers en planindieners - voorafgaand aan een formele omgevingsvergunningaanvraag - de mogelijkheid geboden in een vooroverleg met de welstandscommissie een nog niet formeel ingediend bouwplan toe te lichten en te bespreken aan de hand van een ingediend informatieplan. In het vooroverleg wordt gesproken over de uitgangspunten bij de welstandsadvisering. Afhankelijk van het ontwikkelingsstadium van het plan kan een indruk worden gegeven van de richting waarin het advies zal gaan. Er is bij vooroverleg nog geen sprake van een officiële aanvraag. Het leidt dan ook niet tot een (deel-)gemeentelijke beslissing waaraan een rechtsgevolg is verbonden. Dat ontstaat pas als de initiatiefnemer formeel de omgevingsvergunning aanvraagt.

 

Net als het formele overleg, vindt het vooroverleg in het openbaar plaats tenzij dringende omstandigheden zich daartegen verzetten en/of tenzij de indiener zwaarwegende belangen heeft bij een niet-openbare behandeling.

 

Van het vooroverleg wordt door of namens de secretaris van de welstandscommissie altijd een verslag gemaakt dat met de besproken bescheiden wordt opgenomen in een projectdossier. Dit verslag wordt pas openbaar als het bouwplan formeel aan de commissie wordt voorgelegd.

 

Vergaderingen openbaar

De welstandscommissie vergadert in de regel een keer per twee weken over de formele aanvragen voor een omgevingsvergunning. De Woningwet vereist dat de vergaderingen van de welstandscommissie openbaar zijn. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslaging over bouwplannen als de conclusie. Als nadere toelichting gewenst is en zinvol geacht wordt, nodigt de welstandscommissie de aanvrager en/of de ontwerper uit voor de vergadering waarin het betreffende plan wordt behandeld.

 

Indien een plan in het vooroverleg is besproken geeft de voorzitter een korte samenvatting van hetgeen in dat stadium van het planproces is besproken. Opdrachtgevers en ontwerpers worden altijd in de gelegenheid gesteld om de behandeling van hun plan bij te wonen en toe te lichten. De secretaris van de welstandscommissie zorgt ervoor dat architecten en opdrachtgevers die dit wensen worden uitgenodigd.

 

Het welstandsadvies: inhoud, mogelijke uitkomsten en mondelinge toelichtingDe welstandscommissie brengt heldere en goed beargumenteerde adviezen uit aan B&W en de dagelijkse besturen van de deelgemeenten. De welstandscommissie zal haar adviezen baseren op de criteria van het van toepassing zijnde welstandsbeleid.

 

Het advies van de welstandscommissie wordt altijd schriftelijk vastgelegd in de vorm van een adviesbrief van de Welstandscommissie en een akkoord-stempel op de geveltekeningen.

 

Een welstandsadvies kan de volgende uitkomsten hebben:

Akkoord.

De commissie is van oordeel dat het plan volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria voldoet aan redelijke eisen van welstand. Op verzoek van de welstandscommissie, of op verzoek van de burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur van de deelgemeente, of diens vertegenwoordiger kan een advies schriftelijk worden gemotiveerd. Dit gebeurt in ieder geval in bijzondere situaties waarbij op grond

 

van de hardheidsclausule wordt geadviseerd om een plan, in afwijking van de van toepassing zijnde gebiedsgerichte, c.q. objectgerichte welstandscriteria, goed te keuren en in geval van op welstandsgronden gebaseerde bezwaren tegen de afgifte van de omgevingsvergunning.

 

Niet akkoord

De commissie is van oordeel dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Er kan pas positief door de commissie worden geadviseerd als het bouwplan op hoofdzaken wordt gewijzigd. Bij een negatief advies geeft de commissie een nauwkeurige schriftelijke motivering. Deze bevat een korte omschrijving van het ingediende plan, een verwijzing naar de van toepassing zijnde welstandscriteria en een samenvatting van de beoordeling van het plan op die punten.

 

Niet akkoord, tenzij

De commissie is van oordeel dat het bouwplan niet voldoet tenzij het plan op onderdelen wordt aangepast. De commissie geeft nauwkeurig aan welke onderdelen van het plan gewijzigd moeten worden. De aanvrager krijgt vervolgens de gelegenheid zijn plan aan te passen.

 

Mondelinge toelichting door de welstandscommissie

Welstandsadviezen behoren zo begrijpelijk en duidelijk te zijn dat nadere uitleg overbodig is. Indien de ontwerper of de planindiener een mondelinge toelichting op het welstandsadvies wenst, wordt dit in eerste instantie gegeven door de secretaris van de welstandscommissie. Indien betrokkenen vervolgens een nadere toelichting wensen kan een afspraak worden gemaakt met (een daartoe gemandateerd lid van de) welstandscommissie.

 

Afwijken van het welstandsadvies en/of het welstandsbeleid

B&W en de dagelijks besturen van de deelgemeenten volgen in hun oordeel in principe het advies van de welstandscommissie. Daarop zijn de volgende uitzonderingsmogelijkheden:

 

Afwijken op inhoudelijke grond

Burgemeester en wethouders, en de dagelijkse besturen van de deelgemeenten kunnen op inhoudelijke grond afwijken van het advies van de welstandscommissie indien zij tot het oordeel komen dat de welstandscommissie de van toepassing zijnde criteria niet juist heeft geïnterpreteerd, of de commissie naar hun oordeel niet de juiste criteria heeft toegepast.

 

Afwijken om andere zwaarwegende redenenBurgemeester en wethouders krijgen volgens artikel 2.10, lid 1, sub d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de mogelijkheid om bij strijd van een bouwplan met redelijke eisen van welstand, toch de omgevingsvergunning te verlenen indien zij van oordeel zijn dat daarvoor andere zwaarwegende redenen zijn, bijvoorbeeld van economische of maatschappelijke aard.

 

Hardheidsclausule

Los van de mogelijkheden voor B&W en de dagelijkse besturen van de deelgemeenten om af te wijken van het welstandsadvies om inhoudelijke of andere redenen kan het bestuur, op advies van de welstandscommissie, afwijken van de welstandscriteria. Dit kan gebeuren bij plannen die niet aan de vastgestelde gebiedstype, gebiedsgerichte of objectgerichte welstandscriteria maar wel voldoen aan redelijke eisen van welstand, dit te beoordelen aan de hand van de algemene welstandscriteria.

 

Ook kan het voorkomen dat plannen die tegemoet komen aan de gebiedstype, de gebiedsgerichte of objectgerichte criteria toch een zodanig slechte kwaliteit hebben dat ze afbreuk doen aan hun omgeving. In die gevallen moet de welstandscommissie verwijzen naar de algemene welstandscriteria die in deze Koepelnota zijn opgenomen. Het spreekt voor zich dat de welstandscommissie deze afwijking in haar advies zal motiveren.

B&W en de dagelijkse besturen van de deelgemeenten kunnen zich daarop in de beslissing op de aanvraag voor een omgevingsvergunning beroepen.

 

In al deze gevallen worden de afwijkingen in de beslissing op de aanvraag van de omgevingsvergunning gemotiveerd. De welstandscommissie wordt hiervan op de hoogte gesteld. In Rotterdam zullen burgemeester en wethouders en de dagelijkse besturen van de deelgemeenten uiterst terughoudend zijn met het gebruik van deze mogelijkheid omdat de ruimtelijke kwaliteit niet snel ondergeschikt wordt geacht aan economische of maatschappelijke belangen.

 

De commissie

Rotterdam kent een geïntegreerde Commissie voor Welstand en Monumenten. Op basis van de Verordening op de Commissie voor Welstand en Monumenten 1998 heeft de commissie tot taak, gevraagd of uit eigen beweging, het schriftelijk uitbrengen van advies aan burgemeester en wethouders en de dagelijkse besturen van de deelgemeenten:

bij de toepassing van de voorschriften omtrent de welstand, genoemd in de Woningwet en de Bouwverordening, (dan wel bij wijziging of vervanging van die verordening de daarvoor in de plaats tredende verordening), alsmede andere aangelegenheden waarbij het uiterlijk aanzien van de stad in het geding kan zijn;

bij de toepassing van de Monumentenwet 1988 en de Monumentenverordening Rotterdam 1991 (dan wel bij wijziging of vervanging van die verordening, de daarvoor in de plaats tredende verordening), alsmede andere zaken aangaande monumenten en stadsgezichten.

 

Aan deze taakomschrijving is toegevoegd de uit de Woningwet 2002 voortvloeiende verplichting tot het maken van een jaarverslag door de commissie. In de bouwverordening is dit nader vastgelegd.

Naast de wettelijke taken bevat de taakomschrijving van de Commissie ook de mogelijkheid tot advisering over een aantal niet-wettelijke taken. Het kan daarbij gaan om:

uitbrengen van adviezen aan het college van B&W en de dagelijkse besturen van de deelgemeenten over de welstandsaspecten van in voorbereiding zijnde bestemmingsplannen, beeldkwaliteitsplannen, stedenbouwkundige plannen en andere relevante beleidsstukken

gevraagd en ongevraagd signaleren van stedenbouwkundige en architectonische ontwikkelingen die van belang zijn voor de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente uitbrengen van adviezen over bouwactiviteiten waarvoor geen omgevingsvergunning verplicht is maar die wel voor het uiterlijk aanzien en de publieke ruimte van de stad van belang zijn (zoals terrassen, reclame, standplaatsen, woonboten).

 

Verder spreekt het voor zich dat de Commissie bevoegd is tot het voeren van overleg met bij de voorbereiding van bouwplannen betrokken partijen, en met de betrokken ambtelijke afdelingen en de dagelijkse besturen van de deelgemeenten over het opstellen van welstandscriteria en welstandsbeleid.

 

De commissie dient in onafhankelijkheid tot een advies te komen. Onafhankelijkheid houdt in dat er geen bindingen of relaties mogen bestaan op basis waarvan het advies over welstandsaspecten kan worden beïnvloed. Leden van de commissie mogen verder geen lid zijn van de gemeenteraad of een deelgemeenteraad en geen ambtenaar zijn in

dienst van de gemeente Rotterdam. Wanneer een lid op enigerlei wijze een zakelijke binding heeft met een bouwplan waarvoor advies wordt gevraagd, treedt deze voor de duur van de behandeling van de aanvraag terug uit de commissie. De commissie blijft bij haar advisering altijd binnen de kaders van het gemeentelijk welstandsbeleid.

 

Benoeming en samenstelling van de welstandscommissie

De voorzitter en de leden van de welstandscommissie worden benoemd en ontslagen door de gemeenteraad. Benoemingen gelden voor een periode van drie jaar, met een mogelijkheid tot herbenoeming voor een periode van nog eens drie jaar. Omwille van de continuïteit van de welstandsadvisering worden leden van de welstandscommissie in beginsel benoemd en herbenoemd in een alternerend systeem.

 

Het gemeentebestuur streeft ernaar tenminste één burgerlid in de Commissie te benoemen. Een burgerlid is iemand die de inwoners van de gemeente vertegenwoordigt en niet uit de beroepsgroep van architecten, stedenbouwers, landschapsarchitecten, of architectuurhistorici komt. Dit kan bijvoorbeeld een representant zijn voor het particulier initiatief op het gebied van de ruimtelijke kwaliteit of monumentenzorg in Rotterdam.

 

De gemeente Rotterdam hanteert voor de commissieleden de volgende profielschets. Van alle leden wordt verwacht dat zij geïnteresseerd zijn in Rotterdam en de gemeente kennen of willen leren kennen. Bovendien moeten zij communicatief zijn en in staat zijn om het welstandsoordeel begrijpelijk te verwoorden. Aan alle leden wordt de eis gesteld dat zij dat zij tekeningen kunnen lezen en kennis hebben (van de geschiedenis) van de bouwkunst. Voor de voorzitter, de secretaris en de leden kunnen nadere taakomschrijvingen vastgesteld in een reglement van orde. Voor het bijwonen van vergadering ontvangen de leden een vergoeding. Deze wordt door burgemeester en wethouders vastgesteld aan de hand van de door de Bond voor Nederlandse Architecten opgestelde regels.

 

Secretariaat

De welstandscommissie wordt ter voorbereiding van de vergaderingen en voor het uitwerken en afhandelen van de welstandsadviezen bijgestaan door een secretariaat dat is ondergebracht bij de dienst Stedenbouw en Volkshuisvesting. Dit secretariaat bestaat uit een secretaris, enkele architect-secretarissen en secretariële ondersteuning. Over de inhoud van zijn werk legt de secretaris verantwoording af aan de commissie. Voor wat betreft de organisatorische en budgettaire aspecten legt de secretaris verantwoording af aan de directeur van de dS+V. Uitgangspunt is dat de dS+V de commissie op zodanige wijze zal ondersteunen dat deze optimaal kan functioneren als onafhankelijk adviseur bij de uitoefening van haar wettelijke taken.

 

Mandaat

De welstandscommissie kan één van haar leden, de secretaris en/of de plaatsvervangende secretarissen schriftelijk mandateren om bepaalde taken uit te voeren. De gemandateerde voert taken uit namens de commissie. Taken die gemandateerd kunnen worden, zijn bijvoorbeeld:

- het voeren van vooroverleg: Een commissielid of secretaris kan door de commissie worden gemandateerd om namens haar het vooroverleg met planindieners en ontwerpers te voeren. Dit kan zelfstandig gebeuren dan wel door deelname in een kwaliteitsteam. De gemandateerde werkt uiteraard in het kader van de welstandsnota en in goed overleg met de welstandscommissie. Bij twijfel zal de gemandateerde het plan bespreken met de welstandscommissie. De welstandscommissie blijft verantwoordelijk maar kan nooit op tijdens het vooroverleg genomen beslissingen of adviezen van de gemandateerde terugkomen. Het vooroverleg komt echter ook niet in de plaats van het uiteindelijke welstandsadvies bij de definitieve vergunningaanvraag. Op dat moment zal het plan aan de plenaire welstandscommissie worden voorgelegd waarbij de gemandateerde verslag doet van wat er tijdens het vooroverleg (namens de commissie) is besproken en besloten. De commissie geeft daarna, binnen dat kader, haar oordeel.

- het adviseren over plannen van een relatief geringe ruimtelijke betekenis, over bouwplannen waar gelet op meerdere vergelijkbare gevallen de mening van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld of over bouwplannen waarbij het gelet op de fatale termijnen niet mogelijk is de commissie om advies te vragen.  

Welstandskamer voor bijzondere opgaven

In de Verordening op de Commissie voor Welstand en Monumenten 1998 is de mogelijkheid geopend voor een bepaald project en voor een bepaalde tijdsduur een Welstandskamer in te stellen waarin,naast tenminste drie leden van de commissie, andere deskundigen worden benoemd. Deze kamer treedt dan voor het aangewezen project in de plaats van de commissie.

 

Tot nu toe is tweemaal van deze Kamer-constructie gebruik gemaakt. Ten eerste voor de Kop van Zuid. Vanwege de internationale betekenis is het zgn. Quality-team Kop van Zuid ingesteld.

 

Het Q-team is belast met de beoordeling van de stedenbouwkundige en bouwkundige voorstellen van de Kop van Zuid naar internationale maatstaven.

 

Verder heeft de gemeenteraad in juni 2001 ingestemd met de instelling van een Hoogbouwteam. Het Hoogbouwteam is een aparte Kamer van de Commissie voor Welstand en Monumenten Het team is belast met de kwaliteitsbewaking en kwaliteitsstimulering ten aanzien van alle bouwplannen (hoog en laag) in de hoogbouwzone en alle solitaire hoogbouw hoger dan 70 meter in de rest van de stad. Het Hoogbouwteam adviseert hiertoe rechtstreeks aan het College van B&W. Plannen voor de Kop van Zuid en Parkstad vallen buiten de taakopdracht van het Hoogbouwteam. In deze gebieden waakt het Q-team Kop van Zuid. Naast het beoordelen van plannen heeft het Hoogbouwteam tot taak het gemeentebestuur te adviseren over hoogbouwbeleid middels het doen van aanbevelingen voor beleidsonderzoek en beleidsontwikkeling.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

In deze toelichting zullen alleen de artikelen worden opgesomd die afwijken van de Modelbouwverordening (MBV) van de VNG. Voor het overige wordt verwezen naar de toelichting van de MBV. Daar waar de tekst van de bouwverordening Rotterdam 1993 afwijkt van het VNG‑model staat een * voor de tekst.

 

Artikel 1.3

zie algemene toelichting.

De tekst van dit artikel is speciaal op de Rotterdamse situatie toegespitst en betreft een gebiedsindeling die in de praktijk niet gemist kan worden. Dit artikel is derhalve niet door een van de MBV‑alternatieven te vervangen.

 

Paragraaf 5

In deze paragraaf staan de stedenbouwkundige bepalingen. De achtergronden van de afwijkingen in deze paragraaf van de MBV‑tekst zijn in de algemene toelichting uiteengezet.

 

Artikel 2.5.5.

(39‑oud) zie algemene toelichting.

 

Artikel 2.5.7

Aan onderdeel b, onder punt 1 is op verzoek van Gemeentewerken de zinsnede “, mits deze de weggrens niet overschrijden” toegevoegd. Dit in verband met ligging van CAI en PTT‑kabels.

 

Artikel 2.5.8.

De redactie van dit artikel komt vrijwel geheel overeen met de MBV‑tekst, m.u.v. de toevoeging van “en ventilatiekanalen” bij lid 1, onderdeel e en de toevoeging van het derde lid.

 

Artikel 2.5.9

Gelijk aan MBV, m.u.v. toevoeging tweede lid.

 

Artikel 2.5.10

Alleen in het vierde lid wordt i.v.m. artikel 1.3. omtrent de zone indeling afgeweken van de MBV.

 

Artikel 2.5.11

(45‑oud) zie algemene toelichting

 

Artikel 2.5.13

Onderdeel a wijkt i.v.m. artikel 1.3. af van de onderdelen a en b van de MBV. Inhoudelijk corresponderen de onderdelen b t/m d met de onderdelen c t/m e van de MBV.

 

Artikel 2.5.14

(48‑oud) zie algemene toelichting

 

Artikel 2.5.16

De eerste twee leden van dit artikel zijn overeenkomstig de MBV. Het derde lid is toegevoegd i.v.m. de Rotterdamse zone indeling.

 

Artikel 2.5.17

(52‑oud) zie algemene toelichting

 

Artikel 2.5.20

(53‑oud) zie algemene toelichting

 

Artikel 2.5.21

(54‑oud) zie algemene toelichting

 

Artikelen 2.5.22, 2.5.24, 2.5.25

Om aan te sluiten bij de nummering van de artikelen van de MBV tekst zijn de artikelnummers in de Rotterdamse bouwverordening evenals bij de bouwverordening uit 1988 overgenomen. De artikelen die in de MBV omtrent bouwhoogten zijn opgenomen wijken te zeer af van de praktijk in Rotterdam (zie algemene toelichting).

 

Artikel 2.5.23.

(56‑oud) zie algemene toelichting

 

Artikel 2.5.27

(60‑oud) zie algemene toelichting

 

Artikel 2.5.28

(61‑oud) zie algemene toelichting

 

Artikel 2.5.29

Met deze bepaling wordt de mogelijkheid geboden om vrijstelling van de bouwverordening te verlenen voor ontwikkelingen die ofwel passen binnen de reikwijdte van de voorheen in artikel 19, lid 2 of 3, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening opgenomen vrijstellingen of de in artikel 3.10 en 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening opgenomen ontheffingen ofwel passen binnen toekomstig ruimtelijk beleid. Onder dat laatste worden in ieder geval ontwikkelingen gevat die zijn voorzien in een voorbereidingsbesluit of (voor)ontwerpbestemmingsplan, maar het kan ook gaan om ontwikkelingen die op een andere wijze als beleidsmatig gewenst zijn vastgelegd. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de (deel)gemeentelijke horecanota’s of ontwikkelingsvisies.

 

Omdat de wetgever in situaties waarin sprake is van strijdigheden met de bouwverordening niet heeft voorzien in een mogelijkheid om te ontsnappen aan de in artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht opgenomen fatale beslistermijnen, is voor het verlenen van een in dit artikel genoemde vrijstelling geen zienswijzenprocedure voorgeschreven. Dit neemt niet weg dat het college van burgemeester en wethouders daar altijd voor kan kiezen.

 

Artikel 2.5.30

Om de bereikbaarheid, buitenruimte en leefbaarheid van de binnenstad te verbeteren, worden in dit deel van de stad maximumnormen ingevoerd. De gedachte dat er vanuit financieel oogpunt altijd zo min mogelijk parkeerplaatsen worden gebouwd, wordt hiermee losgelaten. In de binnenstad is dit niet het geval gebleken.

 

Bij het bouwen van woningen en voorzieningen worden eisen gesteld aan de aanwezige parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden. In het centrum geldt dat er alleen maximumnormen zijn, in de andere gebieden zijn er ook minimumnormen. Wat betreft de parkeergelegenheid wordt er een parkeereis gesteld. Deze parkeereis wordt berekend aan de hand van de parkeernormen die zijn opgenomen in bijlage 8. De minimum parkeernormen zijn er om te zorgen dat de behoefte aan parkeerruimte bij nieuwe ontwikkelingen geaccommodeerd wordt. De maximumnormen zijn bedoeld om de bereikbaarheid en leefbaarheid van de binnenstad te verbeteren.

 

Om overlast in het openbaar gebied tegen te gaan moet de parkeereis door de ontwikkelaar op eigen terrein gerealiseerd worden. In situaties waarin dit tot onoverkomelijke problemen leidt kan een beroep worden gedaan op de vrijstellingsbepaling (lid 4). Deze bepaling is geen recht van de ontwikkelaar maar bij aanvraag van de ontwikkelaar kan de gemeente besluiten deze van toepassing te verklaren. Bij besluit van 19 januari 2006 heeft de Raad het vierde lid van dit artikel gewijzigd conform beleid dat in op 5 maart 2002 door burgemeester en wethouders was vastgesteld inzake vrijstellingsmogelijkheden van de gestelde parkeereis in het eerste lid. Met dien verstande dat de beleidsregel ten aanzien van een “huurcontract bij een nabijgelegen parkeergelegenheid” die nog wel in het besluit werd genoemd, is komen te vervallen. Bij hetzelfde besluit heeft de Raad het vijfde lid aan dit artikel toegevoegd waarbij de bevoegdheid om nadere regels te stellen aan de bepalingen van het vierde lid van dit artikel bij het college is gelegd. Hieronder vallen onder andere het vaststellen van compensatiesommen en gebiedsindelingen voor de parkeereisovereenkomsten. Nadere toelichting van enkele termen uit het vierde lid: In het vierde lid, onderdeel a, wordt met dubbelgebruik bedoeld dat bij het ontwikkelen van meerdere functies, zoals wonen, bedrijfsfuncties, winkelfuncties e.a. die op verschillende tijdstippen gebruik maken van parkeerplaatsen, een deel van de parkeerplaatsen dubbel gebruikt kan worden. De totale parkeereis voor het geheel wordt hierdoor lager dan de parkeereisen per functie afzonderlijk. In het vierde lid, onderdeel b, wordt met parkeereisovereenkomst bedoeld een overeenkomst, tussen de ontwikkelaar en de gemeente, waarbij de gemeente de verplichting op zich neemt om (een deel van) de parkeerplaatsen in de omgeving beschikbaar te stellen of te realiseren. De ontwikkelaar betaalt hiervoor een compensatiesom. De hoogte van de afkoopsom is afhankelijk van het aantal te compenseren parkeerplaatsen en het gebied waarin de ontwikkeling wordt geïnitieerd. In het vierde lid, onderdeel b en c, wordt gesproken over een gemeentelijk belang. Dit houdt in dat de ontwikkeling zodanig gewenst is vanuit de gemeente dat de gemeente toestaat dat een deel van de parkeereis wordt opgelost in het openbare gebied. De ontwikkelaar moet hierbij kunnen aangeven met gegronde redenen dat het niet mogelijk is om de parkeereis op eigen terrein te realiseren. In het vierde lid, onderdeel d, wordt gesproken over een bijzonder gemeentelijk belang. Het gaat hierbij om zeer uitzonderlijke situaties, waarbij met gegronde redenen aangetoond is, dat het niet mogelijk is om aan (een deel van) de parkeereis op eigen terrein te voldoen én er ook geen mogelijkheden bestaan om (een deel van) de parkeereis in de openbare ruimte op te lossen. Het verschil met het gemeentelijk belang, zoals genoemd in onderdeel b en c, zit in het feit dat de gemeente de ontwikkeling zodanig gewenst vindt, uit economisch oogpunt of uit het oogpunt van milieu, hinder of woonomgeving, dat er volledige vrijstelling van de parkeereis wordt toegestaan. Deze vrijstelling zal slechts worden verleend na een bestuurlijk besluit waarin de motivering van het verlenen van deze vrijstelling is opgenomen.