Regeling vervallen per 27-05-2000

Verordening tot beperking drankverstrekking

Geldend van 27-05-2000 t/m 26-05-2000

Intitulé

Verordening tot beperking drankverstrekking

De Raad van de gemeente Rotterdam,

Gelezen het voorstel van Burgemeester en Wethouders van 18 april 2000, 00ABZ002247; raadsstuk 2000-352;

Gehoord de commissie voor Algemeen Bestuurlijke Zaken, Veiligheid en Politie, de Provinciale Raad voor de Volksgezondheid, de Kamer van Koophandel en Fabrieken alsmede de inspecteur van het staatstoezicht op de volksgezondheid;

Gelet op artikel 18 (oud) en onderdeel w, kamerstukken Eerste Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 25 969, nr. 40 van de Drank- en Horecawet en artikelen 139 tot en met 144, 149 en 174 van de Gemeentewet;

Besluit:

vast te stellen de hierna volgende Verordening tot beperking drankverstrekking.

Artikel 1

  • A.

    Het is verboden anders dan om niet sterke drank als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet voor gebruik ter plaatse te verstrekken in een inrichting:

    • a.

      waarin, of in een onderdeel waarvan uitsluitend of in hoofdzaak geringe eetwaren worden verkocht;

    • b.

      waarin onderwijs wordt gegeven;

    • c.

      die geheel of voor een deel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij jeugdorganisaties of –instellingen;

    • d.

      die geheel of voor een deel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij sportorganisaties of –instellingen;

    • e.

      die gelegen is op of nabij een kampeer- of caravanterrein;

    • f.

      die geheel of voor een deel in gebruik is als wachtruimte voor passagiers van een openbaar middel van vervoer;

    • g.

      die in gebruik is als foyer van een bioscoop of van een schouwburg.

  • B.

    Indien geen ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 2, kan de Drank- en Horecawetvergunning voor inrichtingen als omschreven in artikel 1 lid A sub a tot en met g alleen dienen tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet.

Artikel 2

De Burgemeester kan op schriftelijk verzoek ontheffing verlenen van het in artikel 1 gestelde verbod. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Zij kan te allen tijde worden ingetrokken. De ontheffing geldt niet wanneer een verbod als bedoeld in artikel 3 van kracht is.

Artikel 3

  • A.

    Het is verboden om in een door de Burgemeester aangewezen tijdsruimte, in een inrichting als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet:

    • a.

      anders dan om niet alcoholhoudende drank als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet voor gebruik ter plaatse te verstrekken;

    • b.

      bedrijfsmatig sterke drank als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet voor gebruik elders dan ter plaatse te verstrekken;

  • B.

    Het is verboden om in een door de Burgemeester aangewezen tijdsruimte, bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet te verstrekken.

Artikel 4

  • A.

    De Burgemeester gaat over tot het aanwijzen van de tijdsruimte bedoeld in artikel 3 lid A respectievelijk B als de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid dit vordert, respectievelijk dringend vordert.

  • B.

    De Burgemeester hoort voorafgaand aan een aanwijzing de Hoofdofficier van Justitie en de Korpschef van Politie.

Artikel 5

De Burgemeester kan bepalen dat het in artikel 3 lid A en B gestelde verbod niet geldt voor bepaalde delen van de gemeente.

Artikel 6

Overtreding van de artikelen 1 en 3 lid A en B en de krachtens artikel 2 gegeven voorschriften wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

Artikel 7

Deze verordening wordt aangehaald als ”Verordening beperking drankverstrekking”.

Artikel 8

  • A.

    Deze verordening treedt behoudens artikel 1 lid B en artikel 3 lid B in werking op de eerste dag na goedkeuring van deze verordening door Gedeputeerde Staten onder gelijktijdige intrekking van de Verordening beperking verstrekking sterke drank (Gemeenteblad 1968, nr. 49). Artikel 1 lid B en artikel 3 lid B treden in werking op het moment van inwerkingtreding van onderdeel w, kamerstukken Eerste Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 25 969, nr. 40 (Wijziging van de Drank- en Horecawet).

  • B.

    Ontheffingen verleend krachtens artikel 2 van de Verordening beperking verstrekking sterke drank (Gemeenteblad 1968, nr. 49) worden geacht te zijn verleend krachtens deze verordening.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 11 mei 2000.

Deze verordening is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland op 26 mei 2000, nummer DRGG/FTR/2000/4899.

Dit gemeenteblad is uitgegeven op 31 mei 2000 en ligt op werkdagen van 9.00 tot 16.00 uur ter inzage bij het Bestuurlijk informatie- en documentatiecentrum van de Bestuursdienst van de gemeente Rotterdam, stadskantoor kamer 100, ingang Rodezand 18.

De Secretaris

N. van Eck

De Voorzitter

I.W. Opstelten

Toelichting Verordening beperking drankverstrekking

De Verordening beperking drankverstrekking maakt het mogelijk de verstrekking van alcoholhoudende dranken, al dan niet tijdelijk, te beperken. De verordening geeft twee mogelijkheden. Artikelen 1 en 2 hebben een generieke werking in de tijd en gelden voor inrichtingen van een bepaalde aard. De verboden van artikel 3 kunnen worden geactiveerd voor een bepaalde tijdsperiode en onder bepaalde omstandigheden.

Artikel 1 lid A is overgenomen uit de Verordening beperking verstrekking sterke drank (1968, nr. 49), welke gelijktijdig met het van kracht worden van deze verordening is komen te vervallen. In artikel 2 van deze verordening was opgenomen dat de ontheffing werd verleend door Burgemeester en Wethouders. In de jurisprudentie (o.a. AB 1989/154, AB 1991/532) is er op gewezen dat de Burgemeester zorg dient te dragen voor de uitvoering van een verordening op grond van artikel 18 van de Drank- en Horecawet. Het artikel is in die zin aangepast. De achtergrond van het verbod van artikel 1 is te voorkomen dat met name jeugdige bezoekers ongewild in aanraking komen met sterke drank in een niet-reguliere horeca-inrichting. Genoemde inrichtingen worden niet primair bezocht om er alcohol te nuttigen. De inrichtingen waarop het verbod zich richt dienen ter ondersteuning van een sociaal-culturele of maatschappelijke activiteit. Alcoholhoudende drank wordt in deze inrichtingen slechts verstrekt als aanvulling op het assortiment van alcoholvrije dranken. Aan de naleving van de eisen van sociale hygiëne dienen dan ook hoge eisen te worden gesteld. Onder geringe eetwaren als bedoeld in sub a worden verstaan snacks, zoals bijvoorbeeld patates frites, kroketten, shoarma en dergelijke. In het kader van artikel 1 wordt nog gewezen op het verbod uit artikel 16 lid 1 van de Drank- en Horecawet om in werkzaamheden alcoholhoudende dranken te verstrekken aan personen beneden de zestien jaar.

De artikelen 3 en volgende kunnen worden geactiveerd in geval van een bijzondere gebeurtenis die door de aard of de publiekstrekkende werking vanuit een oogpunt van openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of de volksgezondheid om een nadere ordening vraagt. Hierbij kan men bijvoorbeeld denken aan (grootschalige) evenementen zoals bijvoorbeeld voetbalwedstrijden, optochten en kermissen, waarbij ongeregeldheden worden verwacht.

Deze artikelen geven de Burgemeester de bevoegdheid voor een bepaalde door hem aan te wijzen periode de mogelijkheden voor het verstrekken van alcoholhoudende drank vanuit inrichtingen en onder andere winkels te beperken. De frase ‘anders dan om niet’ ziet ook op situaties waarbij de betaling niet rechtstreeks gekoppeld is aan de verstrekking van alcoholhoudende drank. Alleen de verstrekking van alcoholhoudende drank -al dan niet bedrijfsmatig- geheel zonder commerciële bijbedoeling, valt buiten de reikwijdte van dit onderdeel. De bepaling beoogt tevens te voorkomen dat het opgelegde verbod door bepaalde constructies wordt omzeild.

Artikel 3 lid A geeft de Burgemeester de bevoegdheid om voor een bepaalde tijd de verstrekking van alcoholhoudende dranken in of vanuit inrichtingen te beperken. Voor slijterijen kan op grond van sub b de verstrekking van sterk-alcoholhoudende dranken worden beperkt. Artikel 3 lid B geeft de Burgemeester de algemene bevoegdheid het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende dranken te beperken. Dit geldt voor alle inrichtingen in de zin van de Drank- en Horecawet en ook voor alle overige inrichtingen zoals bijvoorbeeld winkels of bedrijfsgebouwen.

De gronden voor de activering van het verbod van artikel 3 lid A en B zijn genoemd in artikel 4 sub a. Het verbod van lid B grijpt meer in het maatschappelijk verkeer in dan dat verbod van lid A. De Burgemeester zal bij een aanwijzing rekening dienen te houden met eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Dit is tot uitdrukking gebracht in de toevoeging ‘dringend’ in het laatste gedeelte van artikel 4 lid a.

De bevoegdheid van artikel 4 sluit aan bij de burgemeestersbevoegdheden van artikel 174 Gemeentewet inzake het toezicht op openbare samenkomsten en vermakelijkheden en de uitvoering van verordeningen inzake dit toezicht. De omstandigheden waaronder van de bevoegdheid gebruik zal worden gemaakt vragen een snelle procedure en een orgaan dat hiervoor is geschikt. De raadplegingsprocedure van artikel 4 sub b geeft waarborgen voor een goede oordeelsvorming dat een situatie die de activering van een verbod vordert zich inderdaad en in voldoende mate voordoet.

Artikel 5 geeft de Burgemeester de mogelijkheid te bepalen dat de verboden van artikel 3 niet gelden voor bepaalde gedeelten van de gemeente. De in artikel 7 genoemde strafmaat is gebaseerd op artikel 154 lid 1 van de Gemeentewet. Overtreding van het verbod van artikel 3 kan tevens een intrekkingsgrond opleveren voor de op basis van de Drank- en Horecawet en artikel 2.3.6. van de Algemene Plaatselijke Verordening verleende vergunningen. Met een overtreding van in artikel 3 gestelde verbod zet men aldus op het spel de verleende Drank- en Horecawetvergunning en de op van de grond van de Algemene Plaatselijke Verordening verleende exploitatievergunning.

In de verordening is geanticipeerd op de mogelijkheden die het gewijzigde artikel 18 van de Drank- en Horecawet biedt. Het huidige artikel 18 biedt nog geen mogelijkheden voor het algemene alcoholverbod van artikel 3 lid B en de bepaling van artikel 1 lid B. De werking daarvan wordt gekoppeld aan de inwerkingtreding van de wijziging van artikel 18 van de Drank- en Horecawet.