Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Schagen

Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen houdende regels omtrent de taaleis participatiewet (Beleidsregels Taaleis Participatiewet Schagen)

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieSchagen
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingBeleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen houdende regels omtrent de taaleis participatiewet (Beleidsregels Taaleis Participatiewet Schagen)
CiteertitelBeleidsregels Taaleis Participatiewet Schagen
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerponderwijs
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

artikel 18b van de Participatiewet

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

31-10-2019nieuwe regeling

15-10-2019

gmb-2019-263724

1900 887

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen houdende regels omtrent de taaleis participatiewet (Beleidsregels Taaleis Participatiewet Schagen)

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen:

 

gelet op artikel 18b van de Participatiewet;

 

besluit:

 

vast te stellen de Beleidsregels Taaleis Participatiewet Schagen.

 

Hoofdstuk 1 Begripsbepaling

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

  • 1.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, Algemene wet bestuursrecht en Gemeentewet.

  • 2.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen;

    • b.

      gemeente: gemeente Schagen;

    • c.

      onderwijsinstelling: de instelling die op basis van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs is erkend voor het verzorgen van onderwijs in de vorm van (beroeps)opleidingen en waarvan het bevoegd gezag de deelnemers de gelegenheid geeft een examen af te leggen;

    • d.

      referentieniveau F: het fundamentele niveau taal en rekenen volgens de richtlijnen van de Rijksoverheid. Dit niveau is te vergeleken met taalniveau A2;

    • e.

      Re-integratieverordening: de geldende Re-integratieverordening;

    • f.

      taalplan: het plan waarin de afspraken met betrekking tot het taaltraject, bedoeld in artikel 11, eerste lid, en de trajecten, bedoeld in artikel 11, derde lid, zijn opgenomen;

    • g.

      taaltoets: toets als bedoeld in artikel 18b, tweede, tiende en elfde lid, van de Participatiewet;

    • h.

      taaltraject: traject gericht op de verhoging van de taalvaardigheid in de Nederlandse taal, zijnde een opleidingstraject, of een cursus verzorgd door of onder de verantwoordelijkheid van een opleider;

    • h.

      uitkering: de door het college verleende bijstand in het kader van de Participatiewet;

    • i.

      uitkeringsperiode: periode waarin bijstand ingevolge de Participatiewet is ontvangen;

    • j.

      wet: de Participatiewet;

    • k.

      zittend bestand: personen die van de gemeente bijstand op grond van de Participatiewet ontvangen.

Hoofdstuk 2 Doelgroep taaltoets

Artikel 2. Beheersen van de Nederlandse taal

  • 1.

    Het college mag van de veronderstelling uitgaan dat belanghebbende 8 jaar Nederlandstalig onderwijs heeft gevolgd, indien deze blijkens de Basisregistratie Personen na 1 september 1963 is geboren en tussen zijn zesde en vijftiende levensjaar ten minste acht jaar in Nederland heeft gewoond. Het vorenstaande lijdt uitzondering, ingeval uit het gesprek of dossier aanknopingspunten volgen dat belanghebbende geen 8 jaar Nederlandstalig onderwijs heeft gevolgd.

  • 2.

    Onder ‘andere documenten’, bedoeld in artikel 18b, tweede lid, onderdeel c, van de wet, kunnen in ieder geval worden geschaard:

    • a.

      een getuigschrift wetenschappelijk of hoger beroepsonderwijs, uitgereikt op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de vroegere Wet op het wetenschappelijk onderwijs of de vroegere Wet op het hoger beroepsonderwijs;

    • b.

      een diploma voortgezet onderwijs (ook wel middelbaar onderwijs genoemd), uitgereikt op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs;

    • c.

      een diploma middelbaar beroepsonderwijs, uitgereikt op grond van de Wet educatie en beroepsonderwijs of de Wet op het voortgezet onderwijs;

    • d.

      een diploma leerlingwezen, uitgereikt op grond van de vroegere Wet op het leerlingwezen of de vroegere Wet op het cursorisch beroepsonderwijs;

    • e.

      het certificaat op grond van de Wet Inburgering Nieuwkomers (WIN) of een verklaring van het regionaal opleidingencentrum (ROC) waaruit blijkt dat voor het onderdeel Nederlands als tweede taal ten minste niveau 2 van de eindtermen Referentiekader Nederlands als Tweede Taal is behaald (artikel 2.4 lid 1 Besluit Inburgering);

    • f.

      het certificaat voor oudkomers, zoals bedoeld in de Regeling certificaat inburgering oudkomers, indien uit de vermelding daarop blijkt dat ten minste het niveau NT2 voor de onderdelen Luisteren, Spreken, Lezen en Schrijven is behaald (artikel 2.3 lid 1 onderdeel i Besluit Inburgering);

    • g.

      diploma staatsexamen NT2;

    • h.

      Belgisch diploma in het Nederlandstalig onderwijs in België met voldoende voor het vak Nederlands;

    • i.

      Surinaams diploma in het Nederlandstalig onderwijs met voldoende voor het vak Nederlands;

    • j.

      Nederlands-Antilliaans diploma in het Nederlandstalig onderwijs met voldoende voor het vak Nederlands;

    • k.

      certificaat Nederlandse Naturalisatietoets van Bonaire, Sint Eustatius, Saba, Aruba, Curaçao of Sint Maarten met voldoende voor het vak Nederlands.

Hoofdstuk 3 Taaltoets

Artikel 3. Taaltoets bij aanvraag

  • 1.

    Indien de belanghebbende niet kan aantonen dat hij de Nederlandse taal in voldoende mate beheerst, wordt een taaltoets afgenomen.

  • 2.

    Het college neemt binnen 8 weken na ontvangst van de bijstandsaanvraag een taaltoets af.

  • 3.

    Bij de eerste taaltoets wordt de belanghebbende getoetst op de vijf vaardigheden, zoals vermeld in artikel 18b, achtste lid, van de wet.

  • 4.

    Bij een opnieuw af te nemen taaltoets worden alleen de vaardigheden getoetst die de belanghebbende, op basis van de eerdere afgenomen taaltoets(en), onvoldoende beheerste.

Artikel 4. Taaltoets zittend bestand

  • 1.

    Het college onderzoekt tijdens het eerstvolgende reguliere contactmoment dat na inwerkingtreding van deze beleidsregels met de belanghebbende plaatsvindt of deze de Nederlandse taal in voldoende mate beheerst.

  • 2.

    Indien de belanghebbende niet kan aantonen dat hij de Nederlandse taal voldoende beheerst, dan neemt het college binnen een door hem te bepalen termijn de taaltoets af.

  • 3.

    De leden 3 en 4 van artikel 3 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5. Taaltoetsafnemer

  • 1.

    De taaltoets wordt uitgevoerd door onderwijsinstelling ROC Kop van Noord-Holland.

  • 2.

    De taaltoetsen die door onderwijsinstelling ROC Kop van Noord-Holland als toetsinstrument worden ingezet, dienen te voldoen aan artikel 18b Participatiewet en aan het Besluit taaltoets Participatiewet.

  • 3.

    Onderwijsinstelling ROC Kop van Noord-Holland is verplicht zich te houden aan de geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel 65 van de wet.

Artikel 6. Taaltoetsbeoordeling

  • 1.

    Het college wijst onderwijsinstelling ROC Kop van Noord-Holland aan als toetsbeoordelaar, bedoeld in artikel 5 van het Besluit Taaltoets Participatiewet.

  • 2.

    Onderwijsinstelling ROC Kop van Noord-Holland dient ervoor zorg te dragen dat de personen die het resultaat van de taaltoets beoordelen voldoen aan de in artikel 5 van het Besluit Taaltoets Participatiewet gestelde kwalificatie-eisen.

  • 3.

    De uitkomst van de bij de belanghebbende afgenomen toets wordt beoordeeld aan de hand van de beoordelingsschaal behorend bij het toetsinstrument, bedoeld in artikel 5 lid 3. Deze beoordelingsschaal leidt tot een objectieve en didactische verantwoorde interpretatie van de uitkomsten van de toets.

Artikel 7. Toetsingswijze

  • 1.

    De taaltoets wordt in een rustige, afgesloten ruimte in groepsverband afgenomen en onder zodanige omstandigheden dat fraude of niet waarheidsgetrouwe uitkomsten worden voorkomen. Daartoe worden in ieder geval de volgende voorwaarden in acht genomen:

    • er dient voldoende afstand tussen de tafels te zijn;

    • de vragenvolgorde van de toets dient variërend te zijn;

    • tijdens de taaltoets heeft de belanghebbende niet de mogelijkheid om in contact te treden met derden, dan wel de gelegenheid om geluid- of beeldopnamen van de toetsactiviteiten te maken.

  • 2.

    De inzet van computers of andere hulpmiddelen bij onderdelen van de toets is toegestaan.

  • 3.

    Op verzoek van de belanghebbende dient rekening gehouden te worden met diens beperking en kan op zijn verzoek de taaltoets afgenomen worden op een wijze die is aangepast aan zijn beperking.

Artikel 8. Uitzonderingen taaltoets

Het college neemt in afwijking van artikel 3, eerste lid, en artikel 4, tweede lid, geen taaltoets af, indien:

  • a.

    vastgesteld wordt dat elke vorm van verwijtbaarheid om aan de taaleis te voldoen ontbreekt;

  • b.

    de belanghebbende een wettelijk erkende opleiding volgt waarvan de afronding leidt tot uitreiking van een aangewezen diploma, certificaat of ander document, op mbo2-niveau of hoger;

  • c.

    tijdens een vorige uitkeringsperiode reeds een taaltoets is afgenomen waarvan de uitkomst is dat belanghebbende de Nederlandse taal in voldoende mate beheerst;

  • d.

    tijdens een vorige uitkeringsperiode reeds een taaltoets is afgenomen en is vastgesteld dat belanghebbende de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, en dat op grond van in de persoon gelegen factoren is vastgesteld dat belanghebbende niet is staat is om de Nederlandse taal op referentieniveau 1F machtig te worden;

  • e.

    belanghebbende een uitkering had in een andere gemeente en in die gemeente al een toets heeft afgelegd. De toetsresultaten en trajectafspraken worden overgenomen, tenzij deze onvoldoende zekerheid bieden over de actuele taalvaardigheid;

  • f.

    uit het door de belanghebbende overgelegde curriculum vitae blijkt dat deze gedurende een periode van ten minste 1 jaar een of meer functies heeft vervuld waarvoor een beheersing van de Nederlandse taal op referentieniveau 1F is vereist dan wel noodzakelijk is om de functie(s) in kwestie naar behoren te kunnen uitvoeren;

  • g.

    de uitkering voor korte duur wordt verstrekt en vast staat wat de einddatum van de uitkering zal zijn.

Hoofdstuk 4 Ontbreken verwijtbaarheid

Artikel 9. Het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid

Elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt in ieder geval indien:

  • a.

    sprake is van een gediagnosticeerd leerprobleem;

  • b.

    door een onderwijsinstelling is vastgesteld dat op grond van in de persoon gelegen factoren, belanghebbende niet is staat is om de Nederlandse taal op referentieniveau 1F machtig te worden;

  • c.

    de belanghebbende in het bezit is van een tijdelijke ontheffing van de verplichting als bedoeld in artikel 9, het eerste lid, onderdelen a en c van de wet;

  • d.

    de belanghebbende volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;

  • e.

    de belanghebbende in het bezit is van een ontheffing op grond van de Wet inburgering.

Hoofdstuk 5 Schriftelijk kennisgeving

Artikel 10. Schriftelijke kennisgeving

  • 1.

    Indien uit de uitkomst van de toets, bedoeld in artikel 3, blijkt dat belanghebbende in voldoende mate de vaardigheden in de Nederlandse taal beheerst, stelt het college de belanghebbende binnen 4 weken na uitkomst van de taaltoets hiervan schriftelijk in kennis.

  • 2.

    Indien uit de uitkomst van de toets, bedoeld in artikel 3, blijkt dat de belanghebbende niet of niet in voldoende mate de vaardigheden in de Nederlandse taal beheerst, dan stelt het college belanghebbende hiervan binnen 8 weken na uitkomst van de taaltoets schriftelijk in kennis.

  • 3.

    Bij de schriftelijke kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, wordt de volgende procedure gevolgd:

    • -

      de belanghebbende wordt uitgenodigd voor een gesprek;

    • -

      tijdens dat gesprek wordt de belanghebbende op de hoogte gesteld van de uitslag van de taaltoets en aan hem het besluit, waarin is vastgelegd dat het redelijk vermoeden aanwezig is dat de Nederlandse taal niet wordt beheerst, uitgereikt (schriftelijke kennisgeving);

    • -

      tot slot wordt tijdens het gesprek met de belanghebbende de bereidverklaring op schrift gesteld en worden nadere afspraken gemaakt met betrekking tot het in te zetten traject om de Nederlandse taalvaardigheden te gaan leren, welke afspraken worden neergelegd in een taalplan.

  • Vanaf de datum van uitreiking van deze schriftelijke kennisgeving wordt bij de belanghebbende geacht het vermoeden aanwezig te zijn dat hij de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst.

Hoofdstuk 6 Aanbod verwerven vaardigheden Nederlandse taal

Artikel 11. Aanbod verwerven vaardigheden Nederlandse taal

  • 1.

    Het college kan aan de belanghebbende die leerbaar is en voor wie de kansen op de arbeidsmarkt op de korte termijn worden vergroot indien hij de Nederlandse taal beter beheerst, een taaltraject aanbieden.

  • 2.

    De opleider die het traject, bedoeld in eerste lid, verzorgt, is werkzaam voor een bedrijf of instelling of beschikt als zelfstandige over een inschrijving bij de Kamer van Koophandel, is aantoonbaar geschikt voor het geven van taalonderwijs in de Nederlandse taal, wat blijkt uit:

    • a.

      een getuigschrift, afgegeven krachtens de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, waaruit blijkt dat is voldaan aan:

      • de bekwaamheidseisen die zijn vastgesteld krachtens artikel 32a, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs;

      • de bekwaamheidseisen die zijn vastgesteld krachtens artikel 36, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs en waaruit blijkt dat de opleider bekwaam is in een van de taal- of letterkundige studierichtingen;

      • de bekwaamheidseisen die zijn vastgesteld krachtens artikel 4.2.3, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs en waaruit blijkt dat de opleider bekwaam is in een van de taal- of letterkundige studierichtingen;

    • b.

      een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, verleend ten aanzien van het onderwijs dat betrokkene zal geven;

    • c.

      een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 176b van de Wet op het primair onderwijs, 118k van de Wet op het voortgezet onderwijs of 4.2.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, waaruit de geschiktheid voor het geven van taalonderwijs blijkt;

    • d.

      het als taaldocent werkzaam zijn voor een taalaanbieder die is aangesloten bij de Nederlandse Raad voor Training en Opleiding of daar als zelfstandige bij zijn aangesloten;

    • e.

      het als taaldocent werkzaam zijn voor een taalaanbieder die in het bezit is van het keurmerk Blik op Werk of als zelfstandige taalaanbieder in het bezit zijn van dit keurmerk;

    • f.

      het als taaldocent werkzaam zijn voor een mbo-instelling; of

    • g.

      het bezit van een Certificaat Competent Docent NT2, afgegeven door de afgegeven door de Beroepsvereniging van docenten Nederlands als Tweede Taal.

  • 3.

    Met de belanghebbende aan wie geen taaltraject, bedoeld in het eerste lid, wordt aangeboden kunnen, op basis van maatwerk, afspraken worden gemaakt over de wijze waarop hij gaat werken aan het verwerven van de vaardigheden in de Nederlandse taal.

  • 4.

    In een taalplan worden de gemaakte afspraken vastgelegd met betrekking tot de wijze waarop door belanghebbende aan de verwerving van de vaardigheden in de Nederlandse taal gaat werken en de minimale inspanning die hij moet leveren.

Hoofdstuk 7 Relatie met andere wetgeving

Artikel 12. Relatie met Wet inburgering

Wanneer belanghebbende begonnen is met een leertraject in het kader van de Wet inburgering, dan kan dit worden aangemerkt als ‘voldoende inspanning’ van de kant van belanghebbende, als bedoeld in artikel 18b, zesde lid, onder a, van de wet.

Artikel 13. Relatie met ROC-Kop van Noord-Holland (WEB formele aanbod)

Wanneer belanghebbende begonnen is met een taaltraject in het kader van de WEB bij ROC Kop van Noord-Holland, dan kan dit aangemerkt worden als ‘voldoende inspanning’ van de kant van belanghebbende, als bedoeld in artikel 18b, zesde lid, onder a, van de wet.

Artikel 14. Relatie met de Re-integratieverordening

Wanneer belanghebbende begonnen is met een taaltraject in het kader van de re-integratie, dan kan dit aangemerkt worden als ‘voldoende inspanning’ van de kant van belanghebbende, als bedoeld in artikel 18b, zes lid, onder a, van de wet.

Hoofdstuk 8 Slotbepalingen

Artikel 15. Bijzondere omstandigheden

Het college handelt overeenkomstig de beleidsregels, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met deze beleidsregels te dienen doelen.

Artikel 16. Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels Taaleis Participatiewet Schagen.

Artikel 17. Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de eerste dag na die waarop deze beleidsregels zijn bekendgemaakt.

Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen op 15 oktober 2019.

Burgemeester en wethouders voornoemd,

de secretaris,

N. Swellengrebel

de burgemeester,

M.J.P. van Kampen-Nouwen

Toelichting op de beleidsregels Wet taaleis 2019 Schagen

Algemeen

De Eerste Kamer heeft op 17 maart 2015 ingestemd met het wetsvoorstel ‘Wet taaleis WWB’ (hierna: Wet taaleis). Dit wetsvoorstel is een uitvloeisel van een aantal afspraken uit het regeerakkoord “Bruggen slaan”.

 

Het niet voldoende beheersen van de Nederlandse taal is nadrukkelijk géén uitsluitingsgrond of toegangsvoorwaarde voor bijstand. De taaleis is alleen van toepassing, als er recht op bijstand bestaat en heeft betrekking op alle bijstandsgerechtigden. De taaleis legt een inspanningsverplichting op aan de belanghebbende. Voldoende is, dat de belanghebbende zich inspant om de Nederlandse taal voldoende machtig te worden. Doel van die inspanningsverplichting is om de volgende vaardigheden in de Nederlandse taal op referentieniveau 1F te verwerven:

  • spreekvaardigheid;

  • luistervaardigheid;

  • gespreksvaardigheid;

  • schrijfvaardigheid;

  • leesvaardigheid.

Met de Wet taaleis krijgt de gemeente de verplichting om van bijstandsgerechtigden te verlangen dat zij actief werken aan hun taalvaardigheid. Zonder Nederlands te begrijpen en te spreken is het immers veel moeilijker om aan het werk te komen en daarmee uit de bijstand te komen. Bovendien draagt kennis van de taal bij aan maatschappelijke participatie.

 

De Participatiewet kent een brede arbeids- en re-integratieverplichting. Gezien het belang van de beheersing van de Nederlandse taal voor arbeidsinschakeling is ervoor gekozen om de Participatiewet uit te breiden met een taaleis. In artikel 18b is de inlichtingenplicht uitgebreid met de verplichting om aan te tonen dat de aanvrager de Nederlandse taal beheerst.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 1

Dit artikel bevat de begripsbepalingen die op deze beleidsregels van toepassing zijn.

 

Artikel 2 Beheersing van de Nederlandse taal

Naar de letter van de wet moet een belanghebbende dus aannemelijk maken dat hij gedurende 8 jaar Nederlandstalig onderwijs heeft gevolgd aan een Nederlandse of buitenlandse school. Volgens de wetgever kan een belanghebbende bewijzen 8 jaar Nederlandstalig onderwijs te hebben gevolgd door rapporten van en/of bewijzen van inschrijving van een scholingsinstelling te overleggen. Wij willen hier in voorkomende gevallen praktisch mee omgaan.

 

De Leerplichtwet 19691 , die inwerking is getreden op 30 mei 1968, regelt dat vanaf het schooljaar waarin het kind zes wordt, negen jaar onderwijs gevolgd moet worden (van het zesde tot het vijftiende jaar). Daarvoor was de regel dat kinderen met een leeftijd tussen 6 en 12 jaar onderwijs moesten volgen, en voor die groep kunnen we niet objectief vaststellen dat 8 jaar Nederlandstalig onderwijs is gevolgd. Voor belanghebbenden die onder de Leerplichtwet 1969 vielen, kan wel objectief worden vastgesteld dat zij 8 jaar Nederlandstalig onderwijs hebben gevolgd. Concreet betekent dit dat iedereen die in het schooljaar 1968-1969 6 jaar werd, onder de Leerplichtwet 1969 viel. Daarom gaan we ervan uit dat iedereen die in Nederland is geboren na 1-9-1963, en gedurende de leerplichtige leeftijd minimaal 8 jaar in Nederland heeft gewoond, dan ook 8 jaar Nederlandstalig onderwijs heeft gevolgd. Ook hier geldt dat het college niet van deze veronderstelling kan uitgaan, als uit het dossier of het gesprek aanknopingspunten volgen dat belanghebbende geen 8 jaar Nederlandstalig onderwijs heeft gevolgd. Bij twijfel kan het college altijd navraag doen bij de leerplichtambtenaar. Dat belanghebbende in Nederland woonachtig is geweest hoeft niet verder bewezen te worden, omdat dat blijkt uit de aan de gemeente ter beschikking staande registraties. In het tweede lid wordt een opsomming gegeven van documenten die in ieder geval als een ‘ander document’, bedoeld in bedoeld in artikel 18b, tweede lid, van de Participatiewet, kunnen worden aangemerkt

 

Artikel 3. Taaltoets bij aanvraag

Het college moet beoordelen of de belanghebbende de Nederlandse taal voldoende beheerst. Deze beoordeling vindt plaats op basis van objectief verifieerbare bewijsstukken. Een belanghebbende kan de beheersing van de Nederlandse taal uitsluitend aantonen door:

  • a.

    te bewijzen dat hij gedurende 8 jaar Nederlandstalig onderwijs heeft gevolgd;

  • b.

    een diploma inburgering als bedoeld in artikel 7 lid 2 onderdeel a Wet inburgering over te leggen; of

  • c.

    een ander document2 over te leggen waaruit blijkt dat hij de vaardigheden in de Nederlandse taal beheerst.

De taaleis geldt niet voor:

  • bijstandsgerechtigden die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt;

  • bijstandsgerechtigden die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn. Voor hen geldt immers geen arbeidsverplichting.

 

Als een belanghebbende tijdelijk is ontheven van de arbeidsplicht geldt in principe tijdens deze ontheffing de taaleis niet voor deze mensen. Toch kan in een individueel geval geoordeeld worden dat de taaleis voor een belanghebbende geldt, omdat deze belanghebbende dan na de ontheffing van de arbeidsplicht sneller voor arbeid in aanmerking komt door het leren van de taal.

 

Als belanghebbende niet meewerkt aan het inleveren van de bewijsstukken voor de taaleis, terwijl redelijkerwijs aangenomen kan worden dat de stukken aangeleverd kunnen worden, dient het college het opleggen van een maatregel te overwegen. Dit is geregeld in de geldende Afstemmingverordening. De standaardmaatregel is verlaging van de uitkering met 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand.

 

Als de belanghebbende niet voldoet aan de taaleis, dan dient het college er voor te zorgen dat binnen 8 weken na datum indiening van de aanvraag een taaltoets plaatsvindt. De klant dient hiertoe onverwijld te worden aangemeld bij het ROC.

 

Als de belanghebbende niet verschijnt op de taaltoets waardoor de taaltoets niet kan worden afgenomen, dient het college het opleggen van een maatregel te overwegen. Dit is geregeld in de geldende Afstemmingverordening. De standaardmaatregel is verlaging van de bijstandsuitkering met 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand.

 

Artikel 4. Taaltoets zittend bestand

Voor het zittend bestand geldt overgangsrecht. Het zittend bestand zijn de belanghebbenden die op 31 december 2015 recht op algemene bijstand hebben. Voor hen geldt de Wet taaleis vanaf 1 juli 2016.

 

Het college heeft besloten geen inhaalslag te doen voor het huidige bestand. Het college heeft besloten de screening van het zittend bestand samen te laten gaan met de reguliere contactmomenten die de consulent met de belanghebbende heeft. Als belanghebbende in het kader van de doelmatigheid wordt opgeroepen, kan door het college een inschatting worden gemaakt van de beheersing van de Nederlandse taal.

 

Een taaltoets wordt afgenomen, indien:

  • -

    uit de screening van het dossier is gebleken dat belanghebbende het taalniveau niet beheerst; en

  • -

    belanghebbende geen bewijsstukken kan overleggen; of

  • -

    uit de overgelegde bewijsstukken niet volgt dat belanghebbende de Nederlandse taal op referentie niveau 1F beheerst.

Voor het zittend bestand is geen termijn bepaald waarbinnen het college de taaltoets moet hebben afgenomen. Besloten is hierover geen algemene regels te stellen, maar per individuele situatie te bekijken wanneer een eventuele taaltoets kan plaatsvinden.

 

Wat de screening van het zittende bestand betreft, zal de focus gericht zijn op de volgende groepen:

  • -

    anderstaligen in de bijstand die geen inburgeringsdiploma hebben, die niet inburgeringsplichtig zijn of dat wel zijn, maar nog geen inburgeringstraject zijn gestart, en op geen andere wijze kunnen aantonen over een voldoende taalniveau te beschikken;

  • -

    Nederlandstaligen die door een bijzondere oorzaak geen 8 jaar onderwijs in Nederland hebben gevolgd en algemene bijstand ontvangen (onder meer laaggeletterden).

     

 

Artikel 5. Taaltoetsafnemer

Lid 1

Het college heeft de ROC Kop van Noord-Holland aangewezen om de taaltoets uit te voeren.

 

Lid 2

Het college moet bepalen van welke soort taaltoets gebruik zal worden gemaakt. Bij deze keuze komt het college beleidsvrijheid toe. Bij de wijze van toetsing heeft het college uitdrukkelijk de ruimte voor maatwerk. Het is noodzakelijk om bij de keuzen van de taaltoets rekening te houden met de lokale omstandigheden. Hierbij kan gedacht worden aan de grootte van het cliëntenbestand Participatiewet en de lokale infrastructuur rond opleidingen inzake Nederlandse taalvaardigheden. Er kan gebruik worden gemaakt van de bestaande taaltoetsen Nederlands indien deze betrekking hebben op refertenieniveau 1F. Ook kan aansluiting worden gezocht bij toetsen die zijn ontwikkeld ter voorbereiding op of ter ondersteuning bij het inburgeringsexamen, mits die toetsen aan het referentieniveau 1F voldoen. De toets moet in ieder geval voldoen aan artikel 18b lid 8 Participatiewet en aan het Besluit taaltoets Participatiewet. De regering heeft de volgende toetsen genoemd:

  • TOA: een online toetssysteem op het referentieniveau 1F. De toets meet intake, voortgang en afsluiting op de onderdelen lezen, luisteren, spreken, schrijven en gesprekken voeren; (http://www.toets.nl/werkterreinen/nt2/toetsproducten/toa);

  • TONI: een papieren toets. Deze toets meet de voortgang tijdens of aan het einde van het inburgeringstraject. De vaardigheden lezen, luisteren, schrijven, spreken en gesprekken voeren worden getoetst;

  • NT2 intake instrument: een papieren toets, de opvolger van de TIWI; toets. De toets meet de vaardigheden lezen, luisteren, schrijven, spreken en gesprekken voeren. Ook wordt de leerbaarheid, de motivatie en praktische omstandigheden getoetst.

 

Lid 3

Het ROC dient zich te houden aan het bepaalde in artikel 65 van de Participatiewet. Dit artikel luidt als volgt:

  • ''1.

    Het is een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van deze wet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan voor de uitvoering van deze wet noodzakelijk is dan wel op grond van deze wet is voorgeschreven of toegestaan.

  • 2.

    Het in het eerste lid vervatte verbod is niet van toepassing indien:

    • a.

      enig wettelijk voorschrift tot bekendmaking verplicht;

    • b.

      degene op wie de gegevens betrekking hebben schriftelijk heeft verklaard tegen de verstrekking van deze gegevens geen bezwaar te hebben;

    • c.

      de gegevens niet herleidbaar zijn tot individuele natuurlijke personen.

  • 3.

    Ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of statistiek kunnen desgevraagd gegevens aan derden worden verstrekt voor zover de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen daardoor niet onevenredig wordt geschaad.

  • 4.

    Degene die op grond van de artikelen 63 tot en met 68 gegevens verstrekt dient na te gaan of degene aan wie de gegevens worden verstrekt redelijkerwijs bevoegd is te achten om die gegevens te verkrijgen.”

Artikel 6 lid 1 onder c van de AVG geldt als grondslag bij de toepassing van met name de artikelen 66 en 67 Participatiewet, dat verplichtingen en bevoegdheden voor het college bevat tot het verstrekken van persoonsgegevens aan derden. Verstrekking van persoonsgegevens aan derden door het college zonder dat daartoe op grond van de Participatiewet een verplichting of bevoegdheid bestaat (met andere woorden: verstrekking van gegevens aan derden die in de Participatiewet niet worden genoemd), kan uiteraard niet worden gebaseerd op artikel 6 lid 1 onder c AVG. Voor de beantwoording van de vraag of zulke informatieverstrekking niettemin mag plaatsvinden is artikel 65 Participatiewet bepalend.

 

Artikel 65 lid 1 Participatiewet bepaalt dat het een ieder verboden is om hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de Participatiewet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan voor de uitvoering van de Participatiewet noodzakelijk is dan wel op grond van de Participatiewet is voorgeschreven of toegestaan. In artikel 65 lid 2 Participatiewet is een aantal uitzonderingen op deze hoofdregel opgenomen. Artikel 65 lid 3 Participatiewet bevat een bepaling inzake gegevensverstrekking ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of statistiek. Artikel 65 lid 4 Participatiewet verplicht degene die op grond van de artikelen 63 tot en met 68 Participatiewet gegevens verstrekt na te gaan of degene aan wie de gegevens worden verstrekt redelijkerwijs bevoegd is te achten om die gegevens te verkrijgen.

 

 

Uitbesteding

Indien de gemeente bepaalde uitvoeringstaken in het kader van de Participatiewet aan private ondernemingen uitbesteedt (te denken valt aan de uitvoering van re-integratietrajecten), dan blijft het college verantwoordelijke in de zin van de AVG. Voor informatie over de regels die het college hierbij in acht moet nemen zij verwezen naar de Circulaire Uitbesteding onderdelen uitvoering Algemene bijstandswet van 27 december 2001.

 

Artikel 6. Toetsbeoordeling

Het resultaat van de taaltoets wordt beoordeeld door een extern of intern persoon die door het college is aangewezen. De beoordeling moet een objectieve en didactisch verantwoorde interpretatie van de uitkomsten van de afgenomen toets geven (artikel 4 Besluit taaltoets Participatiewet). Dit betreft een individuele beoordeling, ook al is de toets in groepsverband afgenomen. De beoordelaar moet beschikken over een didactische kwalificatie op het gebied van Nederlands taalonderwijs op ten minste hoger beroepsonderwijsniveau. Of de beoordelaar moet beschikken over een didactische kwalificatie op het gebied van Nederlands taalonderwijs verkregen van een onderwijsinstelling die is erkend door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (artikel 5 Besluit taaltoets Participatiewet). Deze voorwaarde geldt alleen voor de mondelinge onderdelen. Voor de schriftelijke onderdelen wordt deze voorwaarde niet gesteld, omdat die aan de hand van antwoordmodellen kunnen worden beoordeeld (Stb. 2015, 195, p. 9).

 

Artikel 7. Toetsingswijze

Het vaststellen van de taalniveau 1F vindt plaats op basis van alle vaardigheden, zoals bedoeld in artikel 8 van de Participatiewet. De toets wordt afgenomen onder passende omstandigheden, in een rustige, afgesloten ruimte. Er moet rekening kunnen worden gehouden met de individuele omstandigheden van de belanghebbende. Voorts moet de betrouwbaarheid en validiteit van de toets altijd in acht worden genomen. Daartoe behoren ook de fysieke beperkingen van de belanghebbende. De toetsen worden groepsgewijs dan wel individueel afgenomen, met inzet van computer of andere hulpmiddelen. Het college ziet er ook op toe dat er voorzorgsmaatregelen worden genomen ter voorkoming van niet waarheidsgetrouwe uitkomsten van de toets en fraude.

 

Artikel 8. Uitzonderingen taaltoets

Bij de keuze om geen taaltoets af te nemen is er sprake van maatwerk. De omstandigheden van belanghebbende en in de persoon gelegen factoren moeten worden meegewogen in dit besluit. In dit artikel wordt een aantal situaties beschreven waarin geen taaltoets wordt afgenomen.

 

Artikel 9. Het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid

Het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid kan op meerdere plaatsen in het werkproces van toepassing zijn. Voorbeelden hiervan zijn bij het beoordelen van wel of geen taaltoets en gedurende het taaltraject. De genoemde vormen zijn niet limitatief. Wat onderdeel a betreft, het volgende. Het gaat om een leerprobleem dat vastgelegd is in een officiële verklaring van een deskundige, zoals een dyslexie-verklaring.

Wat onderdeel b betreft, het volgende. Belanghebbenden die in het verleden diverse malen een taalcursus hebben gevolgd, zonder direct aantoonbaar resultaat, kunnen bij de onderwijsinstelling een leerbaarheidstest doen. Als daaruit blijkt dat belanghebbende niet (meer) leerbaar is, is het redelijk om dit te zien als het ontbreken van verwijtbaarheid. Wat onderdeel e betreft, het volgende. Als belanghebbende inburgeringsplichtig is op grond van de Wet Inburgering, dan kan hij bij DUO ontheffing van de inburgeringsplicht aanvragen op medische gronden, of vanwege aantoonbaar geleverde inspanning.

 

 

Artikel 10 Schriftelijke kennisgeving

De uitslag van de taaltoets kan 2 uitkomsten hebben: positief en negatief. Bij een positieve uitkomst voldoet belanghebbende aan de taaleis. De inspanningsplicht gaat dan logischerwijs niet gelden en afstemmen van de bijstand in verband met de taaleis is niet aan de orde.

 

Bij een negatieve uitslag wordt het redelijk vermoeden dat belanghebbende niet of in onvoldoende mate de Nederlandse taal beheerst, geacht aanwezig te zijn (artikel 18b lid 1 en 3 Participatiewet). Het redelijk vermoeden is dan ook gekoppeld aan de uitslag van de taaltoets. Een belanghebbende wordt door het college binnen een door het college te bepalen termijn van maximaal 8 weken in kennis gesteld van dit redelijk vermoeden (schriftelijke kennisgeving). Als de uitslag van genoemde toets positief is, dient het college ingevolge het eerste lid belanghebbende binnen 4 weken hiervan schriftelijk in kennis te stellen. Als de uitslag van genoemde toets negatief is, dient het college ingevolge het tweede lid belanghebbende binnen 8 weken hiervan schriftelijk in kennis te stellen. Deze termijn vangt aan als de uitkomst van de toets bekend is. Vanaf het moment dat het redelijk vermoeden wordt bekend gemaakt aan de belanghebbende ontstaat er een nieuwe plicht voor de belanghebbende: de inspanningsverplichting. De inspanningsverplichting houdt in dat belanghebbende zich voldoende moet inspannen om de Nederlandse taal te beheersen op referentieniveau 1F.

 

In het derde lid wordt de procedure beschreven die moet worden gevolgd bij de schriftelijke kennisgeving bedoeld in het tweede lid. Belanghebbende wordt binnen 8 weken na uitkomst van de taaltoets uitgenodigd voor een gesprek. In dat gesprek wordt belanghebbende op de hoogte gesteld van de toetsuitslag. Tijdens dat gesprek wordt gelijktijdig het besluit overhandigd waarin is vastgelegd dat het redelijk vermoeden aanwezig is dat de Nederlandse taal niet of onvoldoende wordt beheerst (schriftelijke kennisgeving). Voorts kan met belanghebbende de bereidverklaring op schrift worden gesteld en verdere afspraken worden gemaakt met betrekking tot het in te zetten traject om de Nederlandse taalvaardigheden te gaan leren (taalplan).

 

Als belanghebbende zich tijdens het gesprek bereid verklaart te beginnen met het aanleren van de vaardigheden in de Nederlandse taal, dan vindt er geen verlaging van de uitkering plaats. Wel moet de wijkteamconsulent met specialisatie werk/ sociale activering de voortgang bewaken en ervoor zorgen dat over zes maanden, te rekenen vanaf de datum van uitreiking van de schriftelijke kennisgeving, een tweede toetst plaats vindt.

 

Als belanghebbende zich tijdens het gesprek niet bereid verklaart te beginnen met het aanleren van de vaardigheden in de Nederlandse taal, dan vindt er verlaging van de uitkering plaats (20% van de bijstandsnorm gedurende 6 maanden vanaf het moment waarop de schriftelijke kennisgeving wordt uitgereikt).

 

 

Artikel 11. Aanbod verwerven vaardigheden Nederlandse taal

De Wet taaleis legt het college geen verplichting op om bijstandsgerechtigden financieel te ondersteunen bij het verbeteren van de taalvaardigheid. De Wet taaleis legt ook geen verplichting op tot financiële ondersteuning van de klant bij het verbeteren van diens taalvaardigheid (EK 2014-2015, 33 975, nr. B, p. 11). De laat onverlet dat het college een belanghebbende wel kan ondersteunen bij het leren van de Nederlandse taal. Het college kan dus zelf bepalen of en zo ja, hoe het college hierbij ondersteuning biedt. In dit artikel is geregeld op welke wijze het college ondersteuning biedt.

 

Eerste lid

Onder taaltraject wordt verstaan een traject gericht op de verhoging van de taalvaardigheid in de Nederlandse taal, zijnde een opleidingstraject, of een cursus verzorgd door of onder de verantwoordelijkheid van een opleider. Het is, in vergelijking met een informeel taaltraject, een duurder taaltraject. Dit taaltraject wordt ingezet ten behoeve van de belanghebbende die leerbaar is, een korte afstand tot de arbeidsmarkt heeft en voor wie taal de enige dan wel één van de weinige drempels is voor participatie op de arbeidsmarkt.

 

Tweede lid

In dit wordt geregeld aan welke eisen de opleider dient te voldoen.

 

Derde lid

Aan de belanghebbende met een grote afstand tot de arbeidsmarkt wordt geen formeel taaltraject aangeboden maar op een andere wijze geoefend met het leren van de Nederlandse taal. Voorbeelden zijn:

  • een taalmaatje;

  • taalhuis;

  • het oefenen met de taal via bijvoorbeeld het uitvoeren van een tegenprestatie;

  • zelfstudie via www.oefenen.nl; en/of

  • een laagdrempelig informeel taaltraject in de wijk (buurthuis/bibliotheek).

Daarnaast kunnen onderstaande soorten van trajecten gelijk gesteld worden aan het leren van de Nederlandse taal in het kader van de wet:

  • parttime werk;

  • deelname aan een re-integratietraject (o.a. sociale activering, et cetera);

  • deelname aan een inburgeringstraject; en

  • traject gericht op oriëntatie op het ondernemerschap of zelfstandig ondernemerschap.

Door middel van het volgen van één van deze trajecten wordt immers ook geoefend met de Nederlandse taal.

 

 

Artikel 12. Relatie met Wet inburgering

Personen waarvoor de inburgeringsplicht geldt, volgen een inburgeringscursus welke wordt afgerond met het inburgeringsexamen. Dit examen is op niveau A2, wat vergelijkbaar is met het referentieniveau 1F. Wanneer een belanghebbende op grond van de Wet inburgering reeds begonnen is met een traject gericht op verbetering van zijn beheersing van de Nederlandse taal, wordt hiermee voldaan aan de inspanningsverplichting. De voortgang van dit traject dient wel gemonitord te worden. Wanneer uit de monitoring blijkt dat de belanghebbende alsnog niet of niet voldoende aan zijn inspanningsverplichting voldoet, treedt artikel 18b inwerking.

 

Artikel 13. Relatie met ROC Kop van Noord-Holland (Wet educatie formele aanbod)

De voortgang van dit traject dient wel gemonitord te worden. Wanneer uit de monitoring blijkt dat de belanghebbende alsnog niet of niet voldoende aan zijn inspanningsverplichting voldoet, treedt artikel 18b inwerking.

 

Artikel 14. Relatie met de Re-integratieverordening

De voortgang van dit traject dient wel gemonitord te worden. Wanneer uit de monitoring blijkt dat de belanghebbende alsnog niet of niet voldoende aan zijn inspanningsverplichting voldoet, treedt artikel 18b inwerking.

 

Artikel 15. Bijzondere omstandigheden

Het doel van een beleidsregel is om vast te leggen hoe een bestuursorgaan zijn bevoegdheid zal uitoefenen. Een beleidsregel draagt daarmee bij aan de rechtszekerheid. Burgers zullen er in beginsel op mogen vertrouwen dat een bestuursorgaan overeenkomstig zijn beleid zal handelen.

 

Een bestuursorgaan is verplicht af te wijken van beleid indien de bijzondere omstandigheden van het geval dat met zich meebrengen. Ingevolge artikel 4:84 van de Awb handelt een bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 februari 2005, in zaak nr. 200403595/1) dient het bij bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb te gaan om omstandigheden waarmee bij de totstandkoming van het beleid geen rekening is gehouden en welke daarin derhalve niet zijn verdisconteerd.

 

Deze toets, of sprake is van bijzondere omstandigheden of afwijking van het beleid noodzakelijk is, omvat twee vereisten waaraan moet zijn voldaan:

  • 1.

    er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden;

  • 2.

    handelen conform beleid moet onevenredige nadelige gevolgen met zich brengen.

Bij de vraag of wegens bijzondere omstandigheden afwijking van de beleidsregels geboden kan zijn, is van belang of het gaat om omstandigheden die geacht kunnen worden in de beleidsregel te zijn verdisconteerd, respectievelijk omstandigheden waarvan bewust in de beleidsregel is geabstraheerd. Is het een of het ander het geval, dan doen zich geen bijzondere omstandigheden voor die afwijking van de beleidsregel kunnen rechtvaardigen.

 

Artikel 16. Citeertitel

Deze bepaling behoeft geen nadere toelichting.

 

Artikel 17. Inwerkingtreding

Deze bepaling behoeft geen nadere toelichting.


1

De eerste leerplichtwet in Nederland werd aangenomen in 1900 en trad in werking op 1 januari 1901. Deze wet verplichtte kinderen van 6 tot 12 jaar tot het volgen van onderwijs. De leerplicht startte dus bij de aanvang van het schooljaar nadat de kinderen ten volle 6 jaar geworden zijn. In 1928 werd de leerplicht verlengd van 6 naar 7 jaar en in 1942 naar 8 jaar. In 1969 werd een nieuwe leerplichtwet ingevoerd, vanaf dat moment heet de wet Leerplichtwet 1969. De leerplichtperiode werd verlengd naar 9 jaar. In 1975 werd de leerplichtperiode nog eens verlengd, naar 10 jaar en werd toegevoegd dat een kind na 10 jaar nog partieel leerplichtig (2 dagen per week) is tot en met het schooljaar waarin het kind 17 is geworden. Per september 1985 werd de Wet op het Basisonderwijs ingevoerd. Daarbij wordt de kleuterschool voor kinderen van 4 en 5 jaar samengevoegd met de lagere school tot de basisschool. Tegelijkertijd wordt het begin van de leerplicht vervroegd. Tot dan toe moesten de kinderen naar school aan het begin van het schooljaar als ze 6 jaar waren, of voor 1 oktober (de peildatum) 6 jaar zouden worden. Van die tijd af moesten kinderen naar school vanaf de eerste schooldag van de maand na de maand waarin ze 5 jaar worden. Per 3 december 2007 is de partiële leerplicht vervallen.