Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Scherpenzeel

Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand Scherpenzeel

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieScherpenzeel
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand Scherpenzeel
CiteertitelVerordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand Scherpenzeel 2005
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

De wijziging van deze regeling treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 april 2013.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Wet werk en bijstand

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

10-04-201301-04-2013art. 1, 2, 3, 5, 6, 6.1, 9

28-03-2013

Scherpenzeelse Krant, 09-04-2013

BWO/WB, 10
04-10-200501-07-200401-04-2013nieuwe regeling

15-09-2005

Scherpenzeelse Krant d.d. 27-9-2005

college van 26 april 2005

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand Scherpenzeel

De raad van de gemeente Scherpenzeel,

 

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 26 april 2005,

 

gelet op de Wet werk en bijstand,

 

besluit

 

1. De “Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand Scherpenzeel” vast te stellen

 

VERORDENING TOESLAGEN EN VERLAGINGEN WET WERK EN BIJSTAND SCHERPENZEEL

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

  • 1.

    In deze verordening wordt verstaan onder:

    • a.

      De wet: de Wet werk en bijstand;

    • b.

      norm: het bedrag als bedoeld in paragraaf 3.2 van de wet;

    • c.

      uitkering: de norm, op grond van deze verordening eventueel vermeerderd met een toeslag voor een alleenstaande (ouder) of verminderd met een verlaging voor gehuwden;

    • d.

      gehuwdennorm: de bijstandsnorm voor gehuwden zoals bedoeld in artikel 21 onder c van de wet;

    • e.

      woonkosten:

      • 1.

        indien een huurwoning wordt bewoond, de op de aanvangsdatum van het lopende huursubsidietijdvak per maand geldende huurprijs als bedoeld in de Huursubsidiewet (wet van 24 april 1997, Stb. 1997, 197);

      • 2.

        indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde netto-hypotheekrente, de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten (het rioolrecht, het eigenaarsdeel van de onroerend zaakbelasting, de opstalverzekering, het eigenaarsdeel van de waterschapslasten en de erfpachtcanon) en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag aan onderhoud.

    • f.

      medebewoning: de situatie waarin naast belanghebbende(n) één of meer anderen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben als de alleenstaande, de alleenstaande ouder of gehuwden;

    • g.

      beroepsmatige verzorging: verzorging of verpleging in een inrichting als bedoeld in de wet.

  • 2.

    Tenzij anders is bepaald, wordt aan de in deze verordening gehanteerde begrippen de betekenis toegekend die in de wet is aangegeven.

Artikel 2 Categorieën

  • 1.

    Voor de belanghebbende aan wie bijstand kan worden verleend, geldt een categorieaanduiding.

  • 2.

    De categorieën worden aangeduid als:

    • a.

      alleenstaande;

    • b.

      alleenstaande ouder; en

    • c.

      gehuwde.

  • 3.

    De bepalingen in deze verordening hebben uitsluitend betrekking op belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd.

Hoofdstuk 2 Criteria voor alleenstaanden en alleenstaande ouders

Artikel 3 Toeslagen

  • 1.

    De norm voor de alleenstaande of alleenstaande ouder wordt verhoogd met een toeslag van 20% van de gehuwdennorm indien in dezelfde woning geen anderen hun hoofdverblijf hebben.

  • 2.

    De norm voor de alleenstaande of alleenstaande ouder bij wie een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verhoogd met een toeslag van 20% van de gehuwdennorm indien:

    • a.

      als gevolg van de medebewoning beroepsmatige verzorging volledig of in belangrijke mate achterwege blijft;

    • b.

      uitsluitend één of meer kinderen jonger dan 21 jaar hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning; en/of

    • c.

      uitsluitend één of meer kinderen van 21 jaar of ouder hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, die onderwijs of een beroepsopleiding volgen zoals bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000 of in hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.

  • 3.

    De norm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder wordt verhoogd met 10% van de gehuwdennorm indien er sprake is van medebewoning, anders dan genoemd in het tweede lid.

  • 4.

    De norm wordt niet verhoogd met een toeslag, indien de alleenstaande of de alleenstaande ouder is aan te merken als een schoolverlater.

  • 5.

    De norm wordt niet verhoogd met een toeslag, indien het een alleenstaande van 21 of 22 jaar betreft.

Artikel 4 Ontbreken woonkosten

De norm wordt niet verhoogd met een toeslag indien de alleenstaande of alleenstaande ouder geen woonkosten heeft als gevolg van het bewonen van een woning, waaraan geen woonkosten zijn verbonden.

Hoofdstuk 3 Criteria voor gehuwden

Artikel 5 Verlagingen

  • 1.

    De norm voor gehuwden wordt, indien sprake is van medebewoning, verlaagd met 10% van de gehuwdennorm tenzij:

    • a.

      als gevolg van de medebewoning beroepsmatige verzorging volleiding of in belangrijke mate achterwege blijft;

    • b.

      uitsluitend één of meer kinderen jonger dan 21 jaar hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning; en/of

    • c.

      uitsluitend één of meer kinderen van 21 jaar of ouder hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, die onderwijs of een beroepsopleiding volgen zoals bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000 of in hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.

  • 2.

    De norm voor gehuwden wordt verlaagd met 10% van de gehuwdennorm indien één van de gehuwden als schoolverlater is aan te merken.

  • 3.

    De norm voor gehuwden wordt verlaagd met 20% van de gehuwdennorm indien beide gehuwden als schoolverlaters aan te merken zijn.

Artikel 6 Ontbreken woonkosten

De norm voor gehuwden wordt verlaagd met 20% van de gehuwdennorm indien de gehuwden geen woonkosten hebben als gevolg van het bewonen van een woning, waaraan geen woonkosten zijn verbonden.

Artikel 6.1 Minimale uitkering

De uitkering voor gehuwden bedraagt minimaal 80% van de gehuwdennorm, zijnde de norm als genoemd in artikel 21 onder c van de wet minus een verlaging van 20% van de gehuwdennorm, tenzij er sprake is van een verlaging op grond van de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand gemeente Scherpenzeel.

Hoofdstuk 4 Slotbepalingen

Artikel 7 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze verordening als toepassing daarvan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.

Artikel 8 Uitvoering

Burgemeester en wethouders zijn belast met de uitvoering van deze verordening.

Artikel 9 Overgangsbepaling

[Vervallen]

Artikel 10 Intrekking oude regeling

De Toeslagenverordening nAbw gemeente Scherpenzeel d.d. 25 november 1999 wordt ingetrokken.

Artikel 11 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking met ingang per 1 juli 2004.

Artikel 12 Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als de Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand Scherpenzeel 2005.

 

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van 15 september 2005

A.J.E. van der Werf-Bramer J.J.H. Colijn-de Raat

griffier voorzitter

TOELICHTING

 

Toelichting bij de Verordening toeslagen en verlagingen 2004

 

 

Inleiding

Als gevolg van het van kracht worden van de Wet Werk en Bijstand (WWB), hierna genoemd als de wet, vanaf 1 januari 2004, heeft de gemeente Scherpenzeel het plaatselijke beleid voor het verstrekken van toeslagen en het toepassen van verlagingen op de landelijk genormeerde algemene bijstand in de Verordening toeslagen en verlagingen vastgelegd.

 

Algemeen

In de wet zijn eveneens bepalingen opgenomen met betrekking tot de verhoging of de verlaging van de norm “wegens het niet of niet geheel kunnen delen van de kosten met een ander”. De bepalingen in de wet komen inhoudelijk exact overeen met de bepalingen in de Abw. Ook is weer vastgelegd dat de regels voor het verhogen of verlagen van de norm bij verordening moeten worden vastgelegd (door de gemeenteraad.)

Artikel 8, lid 1 van de wet draagt het gemeentebestuur op een verordening vast te stellen. Het onderwerp van de verordening is in onderdeel c van artikel 8, lid 1 van de wet beschreven.

 

De nieuwe verordening verschilt in zijn uitgangspunten niet wezenlijk van de oude.

De verordening is van toepassing op personen van 21 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar.

Voor bijstandsgerechtigden, die jonger dan 21 jaar of 65 jaar en ouder zijn, gelden aparte, wettelijke regels. Hier heeft de gemeente geen beleidsvrijheid.

 

Artikel 1, lid 1

De begrippen die in de verordening zijn gehanteerd, hebben een gelijkluidende betekenis als de omschrijving in de Wet Werk en Bijstand. Omdat uit de verordening moet blijken waar belanghebbenden recht op hebben, zijn de begripsomschrijvingen en de daarbij behorende toelichting uit de wet overgenomen en in de verordening opgenomen. Op een aantal onderdelen is hiervan afgeweken, daarop wordt hierna teruggekomen.

 

b. norm

In artikel 20 tot en met 24 van de wet is het bedrag van de norm per kalendermaand vastgesteld voor de wettelijke categorieën belanghebbenden. Omdat deze verordening niet van toepassing is op personen, die jonger dan 21 jaar of 65 jaar en ouder zijn, gaat het in de praktijk om de normen genoemd in artikel 21 van de wet.

 

d. woonkosten

Deze omschrijving is nog altijd ontleend aan de oude Algemene Bijstandswet.

Hiermee is aansluiting gezocht bij de huidige werkwijze. Voor de woonkosten van een huurwoning wordt aangesloten bij de minimum huurgrens die de Huursubsidiewet hanteert.

Voor de woonkosten van een eigen woning wordt rekening gehouden met de te betalen netto- hypotheekrente en de zakelijke lasten, die noodzakelijkerwijs aan het hebben van een eigen woning verbonden zijn. Voor wat betreft de hypotheekrente gaat het hierbij om de rente voor het deel van de hypotheek, dat is afgesloten voor de financiering van de woning.

Rente verbonden aan een deel van de hypotheek, dat betrekking heeft op -bijvoorbeeld- de financiering van duurzame gebruiksgoederen, wordt niet tot de woonkosten gerekend.

 

e. medebewoning

Indien volgens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens of feitelijk één of meerdere perso(o)n(en), die niet beho(o)r(t)(en) tot het gezin van de belanghebbende, zijn hoofdverblijf in de woning van belanghebbende heeft, is er sprake van medebewoning. Onder gezin wordt verstaan de eventuele partner en/of het/de ten laste van de belanghebbende komend(e) kind(eren).

 

f. Beroepsmatige verzorging

Met beroepsmatige hulpverlening wordt gedoeld op verzorging of verpleging in een inrichting. Indicatiestelling vindt plaats door onderzoek van een medisch adviseur, tenzij een en ander genoegzaam uit de feitelijke omstandigheden afgeleid kan worden. In de oude verordening kwam dit begrip niet als zodanig voor.

 

Artikel 2

Artikel 30 van de wet schrijft voor dat de verordening vaststelt voor welke categorieën de norm wordt verlaagd of verhoogd. De categorie-indeling is gebaseerd op de wet. De begrippen zijn nader uitgelegd in artikel 1 van de verordening.

De alleenstaande en alleenstaande ouder kunnen in aanmerking komen voor een toeslag ter hoogte van het bedrag genoemd in artikel 25, lid 2 van de wet. De norm voor gehuwden kan in bepaalde, hieronder beschreven omstandigheden, met eenzelfde bedrag verlaagd worden.

 

Artikel 3, lid 1

Bij de vaststelling van de landelijke norm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder is de wetgever uitgegaan van de veronderstelling dat belanghebbende de bestaanskosten geheel met een ander kan delen. Indien dit niet het geval is, wordt de norm verhoogd met een toeslag. Voor het bepalen van de hoogte van de toeslag worden alle extra algemeen noodzakelijke bestaanskosten in aanmerking genomen die de alleenstaande of de alleenstaande ouder heeft ten opzichte van degene, die met zijn partner een gezamenlijke huishouding voert.

Artikel 30, lid 2 van de wet schrijft voor dat de toeslag, onverminderd het bepaalde in artikel 27, 28 en 29 van de wet, voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt bepaald op het maximumbedrag. De maximale toeslag komt neer op het bedrag genoemd in artikel 25, lid 2 van de wet. Dit bedrag komt overeen met 20% van het wettelijk minimumloon.

 

Artikel 3, lid 2

Dit lid geeft een aantal uitzonderingen op de regel van het eerste lid dat alleen recht op de maximale toeslag bestaat, indien alleen de belanghebbende zijn hoofdverblijf in zijn woning heeft.

a.De bedoeling van de eerste uitzondering is te voorkomen, dat men als gevolg van financiële consequenties zou afzien van het in huis nemen van een zorgbehoevende of dat de belanghebbende als zorgbehoevende zou afzien van het in huis nemen van een ander als verzorgende.

 

De belanghebbende of de ander zou dan op verzorging in een verzorgingstehuis, verpleeginrichting of andere inrichting zijn aangewezen. Dit komt niet overeen met het streven om zorgbehoeftigen zo lang en zoveel als mogelijk zelfstandig te laten functioneren en wonen. Dat de zorgbehoevende ondanks de medebewoning aangewezen blijft of wordt op professionele thuiszorg, die de zorgverlenende medebewoner ondersteunt, doet niet af aan het recht op een toeslag.

Indien één of meer kinderen jonger dan 21 jaar hun hoofdverblijf hebben bij de ouder blijft de toeslag eveneens het bedrag genoemd in artikel 25, lid 2 van de wet. Veelal hebben deze jongeren een laag inkomen zoals studiefinanciering of een bijstandsuitkering. Als gevolg daarvan gaat het delen van de bestaanskosten vaak moeizaam.

c.Wanneer kinderen van 21 jaar of ouder hun hoofdverblijf op hetzelfde adres als hun ouder hebben en een opleiding volgen zoals bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000 of hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, wordt ook de maximale toeslag genoemd in artikel 25, lid 2 van de wet toegekend. Deze kinderen ontvangen immers een tegemoetkoming voor studiekosten of studiefinanciering, waarvan de hoogte is afgestemd op de omstandigheid dat zij inwonend zijn bij hun ouder. Wanneer in dergelijke situaties een lagere toeslag zou worden verstrekt, treden er dubbele, ongewenste effecten op. Dat deze kinderen eventueel nog andere inkomsten hebben, heeft geen invloed op het recht op de maximale toeslag.

 

Artikel 3, lid 3

In deze verordening wordt uitgegaan van een minimum toeslag, wanneer één of meerdere perso(o)n(en), die niet tot het gezin van de belanghebbende beho(o)r(t)(en), zijn hoofdverblijf in de woning van belanghebbende heeft. Aangezien sprake is van schaalvoordelen voor deze categorie personen in vergelijking met personen, die hun woning niet delen met anderen, wordt de maximum toeslag genoemd in artikel 25, lid 2 van de wet verminderd met 50%. Op welke wijze de voordelen van het delen van de bestaanskosten exact doorwerken tussen de verschillende medebewoners onderling is voor de uitvoering van de wet niet van belang. Deze toeslag is dus ook van toepassing op zowel ouders als hun inwonende kinderen, die 21 jaar of ouder zijn en geen opleiding volgen zoals bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000 of hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.

 

Artikel 4

De bijstandsuitkering wordt geacht voldoende te zijn om in de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan te kunnen voorzien. De kosten van het wonen maken daar deel van uit.

Indien de belanghebbende geen woonkosten heeft, omdat aan de woning geen kosten zijn verbonden, heeft de gemeente volgens artikel 27 van de wet de bevoegdheid de norm of de toeslag lager vast te stellen. Indien er geen woonkosten zijn, wordt de norm niet verhoogd met een toeslag. De belanghebbende blijft als gevolg van dit artikel in ieder geval beschikken over de landelijke norm.

 

Artikel 5

Terwijl in artikel 3 voor de alleenstaande en alleenstaande ouder sprake is van verhoging van de landelijke norm met een toeslag, is - gelet op de systematiek van de wet - bij gehuwden sprake van een verlaging van de norm. Dit is dezelfde systematiek als omschreven bij de alleenstaande en alleenstaande ouder.

 

Artikel 6

De bijstandsuitkering voor gehuwden wordt geacht voldoende te zijn om in de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan te kunnen voorzien.

De kosten van het wonen maken daar deel van uit. Indien de belanghebbende geen woonkosten heeft, omdat aan zijn woning geen kosten zijn verbonden, wordt deze norm verlaagd met het bedrag genoemd in artikel 25, lid 2 van de wet. Dit bedrag komt overeen met de op grond van artikel 4 ontbrekende toeslag voor de alleenstaande of alleenstaande ouder, die zijn bestaanskosten niet met een ander kan delen en geen woonkosten heeft.

 

Artikel 7

Dit artikel geeft de mogelijkheid tot individualiserend handelen als strikte toepassing van de verordening tot onbillijkheden leidt. Bij het afwijken van de bepalingen kunnen de rechten van belanghebbende op basis van deze verordening niet worden aangetast.

 

Artikel 8

Artikel 7, lid 1 van de wet schrijft voor dat het college verantwoordelijk is voor het uitvoeren van de wet en dat zij uiteraard ook de daarop gebaseerde verordeningen dient uit te voeren.

 

Artikel 9

Teneinde te voorkomen dat belanghebbenden die op de ingangsdatum van deze verordening een bijstandsuitkering ontvangen, door de nieuwe verordening worden geconfronteerd met een inkomensachteruitgang, is voor deze bijstandsgerechtigden een overgangsperiode van een jaar opgenomen. Alleen in dat geval worden eerst na verloop van een periode van een jaar de nieuwe regels toegepast.

Dit is slechts anders, wanneer de bijstandsverlening in die periode wordt afgestemd op een wijziging in de situatie of indien na een beëindiging van de uitkering gedurende tenminste 30 dagen opnieuw bijstand wordt toegekend. Op dat moment zijn de criteria van deze nieuwe verordening direct van toepassing.

Voor de belanghebbenden, die op de ingangsdatum van deze verordening een norm ontvangen en die door deze nieuwe verordening kunnen rekenen op een inkomensvooruitgang wordt bepaald dat het recht op het meerdere inkomen ontstaat met ingang van 1 september 2004.

 

 

Toelichting op wijziging 15 september 2005

 

Artikel 1

In de vastgestelde verordening ontbrak de definitie voor het begrip “gehuwdennorm”.

 

Artikelen 3, 5 en 6

De omschrijving van het percentage is thans uitgedrukt in een percentage van de gehuwdennorm. In de verordening stond een verwijzing naar het betreffende artikel in de wet, waardoor de verordening moeilijker leesbaar en hanteerbaar was. Deze wijziging heeft geen inhoudelijke gevolgen.

 

Artikel 3

De toevoeging van het 4e lid betekent in feite een verlaging van de normen voor schoolverlaters. De gedachte hierachter is dat voorkomen moet worden dat schoolverlaters er met een uitkering op vooruit gaan ten opzichte van hun financiële situatie tijdens de studie. Op grond van de wet is men slechts gedurende een periode van 6 maanden een schoolverlater.

 

Artikel 5

Het 2e en 3e lid ontbraken bij het oude artikel 5 van de verordening. Deze toevoeging betekent in feite een verlaging van de normen voor schoolverlaters. Zie verder de toelichting bij artikel 2.

 

Artikel 6

Via dit artikel wordt aan de verordening een nieuw artikel 6.1 toegevoegd. In dit artikel wordt voorkomen dat een cumulatie van een verlaging wegens medebewoning en een verlaging wegens het ontbreken van woonkosten mensen in de problemen zou brengen.

 

Artikel 9

De tekst is aangepast om alle mogelijke misverstanden te voorkomen.