Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Scherpenzeel

Gewijzigde vaststelling Welstandsnota 2004

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieScherpenzeel
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingGewijzigde vaststelling Welstandsnota 2004
CiteertitelGewijzigde vaststelling Welstandsnota 2004
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpruimtelijke ordening, verkeer en vervoer
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

De regeling vervangt Welstandsnota 2004.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Gemeentewet, art. 149

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

23-09-2009nieuwe regeling

09-07-2009

Scherpenzeelse Krant, d.d. 15-9-2009

college van 17 februari 2009

Tekst van de regeling

Intitulé

Gewijzigde vaststelling Welstandsnota 2004

De raad van de gemeente Scherpenzeel,

 

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17 februari 2009,

 

besluit

 

De Welstandsnota 2004 gewijzigd vast te stellen.

Deel A: Algemeen

Afdeling 1 Welstandbeleid

1.1 Inleiding

De welstandsnota zoals die voor u ligt is opgesteld in het kader van de per 1 januari 2003 herziene Woningwet. De nota beschrijft het welstandsbeleid van de gemeente Scherpenzeel en dient als toetsingskader voor het verlenen van bouwvergunningen. De gemeente Scherpenzeel heeft bij het opstellen van de nota samengewerkt met zeven andere gemeenten in de Gelderse Vallei. Dit zijn de gemeenten Bunschoten, Nijkerk, Putten, Barneveld, Leusden, Woudenberg en Renswoude. Zo is voor het ruimtelijk samenhangende buitengebied één welstandsbeleid ontwikkeld. Ook is er gestreefd naar zorgvuldige afstemming van criteria voor objecten die in meerdere gemeenten voorkomen.

Nadat enkele jaren gewerkt is met de welstandsnota, heeft een evaluatie plaats gehad. In dat verband is met diverse ‘gebruikers’ van de nota gesproken: met de betrokken ambtenaar van de gemeente Scherpenzeel, met het Gelders Genootschap en het burgerlid, met architecten die werkzaam zijn in de gemeente Scherpenzeel en met de VAC Scherpenzeel, adviescommissie voor de woningbouw en woonomgeving. Daarnaast is op 11 november 2008 een informatieavond belegd, waar gediscussieerd is over de aanpassingsvoorstellen. Dat heeft geresulteerd in de voorliggende aangepaste versie van de Welstandsnota.

1.2 Doel en opbouw van de welstandsnota

Een welstandsnota is, kort gezegd, het beleidsdocument dat moet voorzien in de criteria die burgemeester en wethouders hanteren bij het beoordelen van een bouwaanvraag op welstandsvereisten: ‘Het uiterlijk van een bouwwerk mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel b’. Artikel 12a vervolgt: “De gemeenteraad stelt een welstandsnota vast, inhoudende beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die burgemeester en wethouders toepassen bij hun beoordeling ”.

 

De juridisch-technische weergave van wat er van de welstandsnota wordt verwacht zal niet iedereen tegemoetkomen in het sentiment wat er rond dit fenomeen bestaat, onomstreden is welstand nooit geweest. Toch kan het geen kwaad het doel van de nota in juridische zin voorop te stellen. Het weigeren van een aanvraag om bouwvergunning wegens ‘strijd met redelijke eisen van welstand’ is ingrijpend. Dat zo’n oordeel goed is onderbouwd en de criteria democratisch zijn vastgesteld, dat het in alle openheid tot stand komt en dat er op te anticiperen valt, dat is de achtergrond van de wijziging van de Woningwet. De welstandsnota moet daaraan invulling geven op een wijze die de gevraagde duidelijkheid verschaft. Daarbij biedt het, als beleidsdocument, ruimte voor nieuwe accenten.

 

Daarnaast is het opstellen van de welstandsnota uiteraard ook een goede gelegenheid om het ruimtelijk kwaliteitsbeleid als geheel tegen het licht te houden en de plaats van welstand daarbij duidelijk te maken. De achtergronden daarvoor worden in dit eerste hoofdstuk geschetst.

Hoofdstuk 2 van het deel A (Algemeen) geeft een overzicht van de uitvoering van het beleid en de daarin opgetreden of optredende veranderingen. Een overzicht van het beschikbare instrumentarium voor de welstandsnota is te vinden in hoofdstuk 3.

 

Deel B omvat de beleidsregels, met de beleidskeuzen van de gemeente Scherpenzeel. In hoofdstuk 4 zijn de criteria voor kleine bouwwerken (loketcriteria) weergegeven. Daarna volgen in hoofdstuk 5 de objectcriteria voor veel voorkomende objecten, zoals (agrarische) bedrijfsbebouwing, burgerwoningen, landgoederen en recreatieterreinen.

 

In hoofdstuk 6 moet de nadere ruimtelijke analyse van het buitengebied een antwoord geven op de vraag of (en zo ja, hoe) er aanleiding is om de welstandscriteria naar (deel-)gebied te differentiëren.

In hoofdstuk 7 wordt nader op de kern Scherpenzeel ingegaan. Na een ruimtelijke analyse worden in hoofdstuk 8 de te onderscheiden deelgebieden beschreven en van gebiedsgerichte criteria voorzien.

 

Hoofdstuk 9 bevat de procedure voorschriften bij nieuwe projecten. De in acht te nemen criteria in het kader van de excessenregeling worden in hoofdstuk 10 aangegeven. Dan volgt de Welstandskaart in hoofdstuk 11.

 

Tot slot worden in Deel C bijlagen toegevoegd die het gebruik van de nota kunnen vergemakkelijken zoals een straatnamenregister, een lijst van gebruikte begrippen, een literatuurlijst, het ruimtelijk kader voor het buitengebied van de gemeente en de volledige tekst van de algemene welstandscriteria.

1.3 Aanleiding en achtergronden

Wie in Nederland iets wil bouwen of verbouwen van enig formaat heeft daarvoor een bouwvergunning nodig. Burgemeester en wethouders moeten die bouwvergunning verlenen als het bouwwerk voldoet aan: het bouwbesluit, het bestemmingsplan, de bouwverordening én aan redelijke eisen van welstand.

Het is dus een wettelijk vereiste dat een bouwplan naar uiterlijke verschijningsvorm voldoet aan hetgeen daarover is bepaald in de Woningwet, wat er in het kort op neerkomt dat een bouwplan moet worden getoetst op zijn visuele kwaliteit, op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving. Daar is het algemeen belang mee gediend want de buitenkant van het gebouw is de binnenkant van stad of dorp.

Dat was voorheen vooral een kwestie van advisering door de welstandscommissie op basis van tamelijk globale criteria in de gemeentelijke bouwverordening:

  • -

    de aanvaardbaarheid van het bouwwerk in relatie tot de karakteristiek van de reeds aanwezige bebouwing, de openbare ruimte, het landschap dan wel de stedenbouwkundige context;

  • -

    massa, structuur, maat en schaal, detaillering, materiaalkeuze en kleurstelling;

  • -

    samenhang in het bouwwerk of de bouwwerken voor wat betreft de onderlinge relatie tussen de samenstellende delen ervan.

Dat zijn nogal algemene omschrijvingen waaraan de welstandscommissie misschien wel maar de indiener van een bouwplan niet veel houvast heeft. De adviezen van de welstandscommissie riepen dan ook geregeld weerstand op omdat niet duidelijk was hoe en waarom er op een bouwaanvraag negatief (of positief) werd geadviseerd. De regering heeft zich dan ook afgevraagd of het niet mogelijk was om duidelijker en van tevoren aan te geven waarover een plan zou kunnen struikelen of niet.

 

De Woningwet geeft op die vraag een antwoord. Enerzijds door een groot aantal kleinere bouwwerken ‘bouwvergunningsvrij’ te verklaren, waarmee daarvoor de welstandstoets vervalt en voor de kleinere bouwwerken, die niet aan de voorwaarden voor vergunningsvrij bouwen voldoen, zogenaamde ‘loketcriteria’ (voor iedereen begrijpelijke richtlijnen) voor te schrijven. Anderzijds worden de gemeenten geacht de overige welstandscriteria, die dan met name voor de reguliere bouwvergunning zullen gelden, neer te leggen in een door de gemeenteraad vast te stellen welstandsnota. Alleen op grond van deze criteria mogen bouwaanvragen door burgemeester en wethouders worden getoetst na een advies van de welstandscommissie. Ontbreekt zo’n nota dan is welstandstoetsing zelfs in het geheel niet meer mogelijk. Begrijpelijkerwijs kiest de gemeente er niet voor het zover te laten komen. Het besef dat ruimtelijke kwaliteitszorg ook een taak van de gemeentelijke overheid is en dat de welstandstoets daarin een belangrijke rol kan vervullen is de laatste jaren sterk gegroeid, in die zin staat welstand niet ter discussie.

1.4 Relatie met overig ruimtelijk beleid

Welstand is een onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Weliswaar een belangrijk onderdeel omdat het een wettelijke basis heeft maar het kan niet de andere inspanningen op dat gebied vervangen. Voldoen aan redelijke eisen van welstand wil immers zeggen dat een zeker minimum aan zorg en zorgvuldigheid aan de visuele kwaliteit bij de totstandkoming van een bouwwerk is besteed. Niet meer maar ook niet minder.

 

Adequate plannen voor een goede ruimtelijke ordening zoals bestemmingsplannen en beeldkwaliteitplannen blijven dus onverminderd noodzakelijk evenals een doeltreffend sectorbeleid zoals een rolluiken- of reclameverordening. Ook een stimuleringsbeleid op het gebied van architectuur of het opdrachtgeverschap kan niet worden gemist als het gemeentelijk streven verder gaat dan ‘redelijke eisen van welstand’. Dit kan buiten het kader van de welstandsnota verder worden uitgewerkt.

In feite vormt juist dit overige beleid de achtergrond voor welstandsbeoordeling. In het schema hierboven is aangegeven hoe de criteria voor welstandstoetsing worden opgebouwd vanuit het ruimtelijke ordeningsbeleid aan de ene kant en het sectorbeleid aan de andere kant. Tegen die achtergrond is nog wel een vertaalslag nodig voor het vaststellen van welstandscriteria. Het is gewenst om van tevoren te weten hoe zwaar het belang is dat aan de visuele kwaliteit wordt gehecht: de mate waarin. Tevens moet er geanticipeerd kunnen worden op de aspecten die bij de beoordeling aan de orde zullen komen: de wijze waarop.

 

De criteria worden weliswaar in belangrijke mate ontleend aan de stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke context maar zijn zelf bouwkundig en situatief van aard; het gaat om het bouwwerk en de plaatsing ervan. Daarbij mag de welstandstoets niet in het vaarwater van het bestemmingsplan terecht komen. Het bestemmingsplan regelt, voor zover nodig voor een goede ruimtelijke ordening, de functie, de bouwplaatsen en de afmetingen van bouwwerken. Welstandscriteria mogen de absoluut geboden ruimte in het bestemmingsplan niet wezenlijk beperken. Als het bestemmingsplan alternatieve mogelijkheden biedt, bijvoorbeeld in de plaatsing van een bouwwerk of een zekere afwisseling in de goothoogte dan kan een negatief welstandsadvies worden gegeven als de gekozen stedenbouwkundige of architectonische oplossing afbreuk doet aan de ruimtelijke beleving. Uiteraard op basis van de welstandscriteria.

Schema1: Welstandsnota in relatie tot andere ruimtelijke plannen

 

In de welstandsnota kan worden verwezen naar welstandscriteria die zijn opgenomen in andere documenten zoals het beeldkwaliteitplan Dorpsstraat-West, beeldkwaliteitplan Functieverandering Gelderse Vallei, de Reclamenota of de nota Erfafscheidingen. Die moeten dan uiteraard wel voldoen aan dezelfde eisen: vaststelling enzovoort. Verwerking van die criteria in de (losbladige) welstandsnota zelf verdient de voorkeur. Omgekeerd geldt dat waar in een gemeentelijke verordening naar een welstandstoets wordt verwezen, zoals in de reclame- of terrassenverordening, de welstandsnota daarop toegesneden criteria moet bevatten. Dat is hier het geval ten aanzien van reclame-uitingen, waarvoor de gemeente gelijktijdig met de aanpassing van de Welstandsnota beleid heeft vastgesteld.

1.5 Vaststelling en evaluatie

De criteria worden opgenomen in een welstandsnota die door de gemeenteraad moet worden vastgesteld. Burgemeester en wethouders én de welstandscommissie leggen ten minste eenmaal per jaar een verslag voor aan de gemeenteraad, op grond waarvan tot bijstelling van het beleid en/of de criteria kan worden besloten.

Afdeling 2 Uitvoering van het beleid

2.1 Toetsing van bouwaanvragen

Het college van burgemeester en wethouders is verplicht om vergunningplichtige bouwwerken te toetsen aan redelijke eisen van welstand. De onlangs herziene Woningwet is op dat punt niet veranderd. Nieuw is evenwel dat deze toets plaats heeft aan de hand van in een welstandsnota vastgelegde criteria. Bovendien is bij het ontbreken van zo’n door de gemeenteraad vast te stellen nota welstandstoetsing niet meer mogelijk. In geval van een reguliere bouwvergunning zijn burgemeester en wethouders verplicht om een advies te vragen aan een onafhankelijke welstandscommissie. Bij een lichte bouwvergunning is dat wettelijk facultatief. Er zijn gemeenten die er voor kiezen om ook die aanvragen steeds aan de welstandscommissie voor te leggen. Bij de andere gemeenten zal dat veelal beperkt blijven tot de gevallen waarin de loketcriteria niet toereikend zijn of waarin het college van de afwijkingsbevoegdheid gebruik wil maken.

 

Ook nieuw is de gefaseerde vergunningverlening waarbij aan vergunningaanvragers van reguliere bouwvergunningen de mogelijkheid wordt geboden om in een vroeg planstadium op basis van voorlopige schetsen een besluit van burgemeester en wethouders te vragen over een bouwplan. Dat is het vastleggen van de inmiddels gegroeide praktijk van vooroverleg met de welstandscommissie met dat verschil dat daar nu ook rechten aan kunnen worden ontleend.

2.2 Het welstandsadvies

Het welstandsadvies op een bouwaanvraag dient tot stand te komen in een openbare vergadering van de welstandscommissie en dient, zeker in het geval van een negatief advies, voldoende te worden gemotiveerd.

Burgemeester en wethouders kunnen, mits met redenen omkleed, incidenteel afwijken van dat advies. Dat kan zijn omdat zij van oordeel zijn dat de welstandscommissie de van toepassing zijnde criteria niet juist heeft geïnterpreteerd of toegepast. Dat is dus een afwijking op welstandsgronden waarvoor burgemeester en wethouders de eigen welstandscommissie eerst de mogelijkheid bieden voor een heroverweging en daarna een second opinion kunnen vragen aan een andere commissie. Een afwijking om andere redenen is nu ook mogelijk: burgemeester en wethouders hebben volgens artikel 44 lid 1 van de herziene Woningwet de mogelijkheid om bij strijd van een bouwplan met redelijke eisen van welstand toch de bouwvergunning te verlenen, indien zij menen dat daarvoor andere redenen zijn, bijvoorbeeld van economische of maatschappelijke aard. Ook deze afwijking moet in de beslissing op de bouwaanvraag deugdelijk worden gemotiveerd.

Burgemeester en wethouders kunnen, ook op advies van de welstandscommissie, eveneens incidenteel afwijken van de gebieds- en objectgerichte welstandscriteria. Dit kan gebeuren bij plannen die niet voldoen aan de vastgelegde criteria maar toch niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. De welstandsnota moet daarvoor voldoende duidelijkheid geven over het te voeren algemene ruimtelijk kwaliteitsbeleid.

2.3 De welstandscommissie

De wettelijke taak van de welstandscommissie is het uitbrengen van adviezen aan burgemeester en wethouders ten aanzien van de vraag of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk waarvoor een aanvraag om bouwvergunning is ingediend, in strijd is met redelijke eisen van welstand. Het welstandsadvies is gebaseerd op de in deze welstandsnota genoemde criteria.

De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van de werkzaamheden voor de gemeenteraad.

 

Samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie worden overigens geregeld in de gemeentelijke bouwverordening waarbij in ieder geval de wijze van openbaarheid van vergaderen, de verslaglegging van adviezen en de benoemingstermijn (maximaal drie jaar met eenmaal een herbenoeming van drie jaar).

Afdeling 3 Beleidsinstrumenten

3.1 Inleiding

Hoewel de per 1 januari 2003 herziene Woningwet vraagt om zo concreet mogelijke criteria zal het duidelijk zijn dat ’recepten’ voor goede architectuur niet gegeven kunnen worden. Bij de zogenaamde kleine bouw kunnen de grenzen van wat niet in strijd met redelijke eisen is redelijk scherp worden getrokken. Dit kan veelal door een gemandateerd ambtenaar worden afgehandeld. Naarmate de complexiteit en de omvang van de bouwopgave toeneemt zullen de criteria minder letterlijk worden en wordt inschakeling van de welstandscommissie meer noodzakelijk. Dat geeft weliswaar minder zekerheid en duidelijkheid maar het vergroot tegelijkertijd de vrijheid voor vernieuwing en oorspronkelijkheid in het architectonisch ontwerp. In sommige gevallen zal zelfs teruggegrepen moeten worden op de algemene criteria die aan ieder welstandsadvies ten grondslag liggen. Dat is bijvoorbeeld het geval als de indiener van een bouwplan beslist zijn eigen weg wil volgen en het college van burgemeester en wethouders daaraan mee willen werken. Ook wanneer de ‘loketcriteria’ of de gebiedscriteria ontoereikend blijken zal de welstandscommissie op deze algemene criteria steunen in haar advies aan burgemeester en wethouders. In het navolgende worden de aard en de werking van welstandscriteria beschreven van abstract en algemeen tot relatief (afhankelijk van de omgeving) tot absoluut (concreet per geval).

 

Voor kleine bouwplannen geldt een getrapte benadering (zie schema 2): eerst zal worden nagegaan of ze voldoen aan de voorwaarden om vergunningsvrij gebouwd te kunnen worden. Als dat niet het geval is dan is het een licht- of een reguliere bouwvergunningplichtig bouwwerk.

Indien sprake is van een licht-bouwvergunningplichtig bouwwerk wordt eerst bezien of het binnen de termen van de ‘loketcriteria’ kan worden afgehandeld. Dit type welstandscriteria is dermate concreet dat een aspirant-bouwer als het ware aan het loket van de gemeente zelf al kan zien of zijn bouwplan daaraan voldoet.

Deze benadering kan ook betrekking hebben op de beoordeling van regulier bouwvergunningplichtige specifieke objecten waarbij het object, het bouwwerk zelf, bij de toetsing voorop staat. Dit zijn de objectcriteria.

Voorts is een differentiatie van de welstandscriteria naar gebieden mogelijk (gebiedsgerichte criteria).

 

Schema 2: Bouwaanvraag en welstand

 

In het navolgende worden de aard en de werking van de verschillende soorten welstandscriteria beschreven.

3.2 Loketcriteria

Voor vijf categorieën van licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken zijn loketcriteria in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) voorgeschreven: artikel 2 van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb). Dat betreft aan- en uitbouwen, bijgebouwen of overkappingen, kozijn- of gevelwijzigingen, dakkapellen en erf- of perceelsafscheidingen.

Het staat de gemeente echter vrij om meer soorten kleine licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken onder dit regime te brengen. Daarom zijn er in dit kader loketcriteria opgesteld voor reclame uitingen, al zijn deze in een aparte Reclamenota weergegeven.

 

De loketcriteria voor licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken mogen uitsluitend betrekking hebben op de plaatsing, de vorm, de maatvoering, het materiaalgebruik en de kleur van het bouwwerk. Ze mogen per gebied verschillend zijn.

De afhandeling van de welstandstoets heeft door een gemandateerd ambtenaar aan het loket plaats. In het geval een aanvraag niet voldoet aan de loketcriteria zal een bouwaanvraag worden voorgelegd aan de welstandscommissie. De commissie kan daarbij, voor zover van toepassing, de object- en gebiedsgerichte criteria en de algemene welstandscriteria gebruiken.

3.3 Objectgerichte criteria

Deze criteria hebben betrekking op de beoordeling van specifieke objecten waarbij het object, het bouwwerk zelf, bij de toetsing voorop staat. Dit betreft bijvoorbeeld (agrarische) bedrijfsbebouwing en burgerwoningen in het buitengebied. Daarnaast kan het betrekking hebben op regulier bouwvergunningplichtige bouwwerken, zoals dakopbouwen.

De hierop betrekking hebbende aanvragen en de aanvragen die niet voldoen aan de objectcriteria worden aan de welstandscommissie voorgelegd. Die kan daarbij de gebiedsgerichte criteria en de algemene welstandscriteria gebruiken.

3.4 Gebiedsgerichte criteria

 

De gemeente kan de welstandscriteria differentiëren naar gebieden. De wijze van indeling in gebieden kan functioneel of topografisch zijn; dat wil zeggen naar soort gebruik zoals woon- en werkgebieden, het voorzieningencentrum, heideontginnings- of kampenlandschap enzovoort en/of naar specifieke plaatselijke kenmerken los van de functie die het gebied voor de gemeente heeft.

 

Het voordeel van een functionele indeling is ongetwijfeld de rechtszekerheid; in gelijke omstandigheden geldt een gelijk welstandsbeleid. Bovendien zal daarop eensluidend beleid van toepassing zijn. Met een topografische indeling kan meer rekening worden gehouden met bijzondere omstandigheden maar dat zal niet altijd tot begrip leiden voor de verschillende uitkomsten die daarvan het gevolg zijn. Door de combinatie van vooral functionele gebiedsgerichte criteria met daar op toegespitste welstandstoetsing kan eveneens rekening worden gehouden met plaatselijke bijzonderheden. Zo wordt ook voorkomen dat het aantal deelgebieden te groot en dus onoverzichtelijk wordt.

 

Welstandstoezicht wordt vooral gelegitimeerd vanuit het belang dat door de gemeenschap i.c. de gemeente wordt gehecht aan de kwaliteit van de openbare ruimte en de bijdrage die gebouwen en bouwwerken geacht worden daaraan te leveren. Langs de oorspronkelijke routes en de hoofdinfrastructuur van wegen, vaarwegen of spoorwegen zijn ze het visitekaartje van de kernen. Zo zal ook een beschermd stads- of dorpsgezicht om een specifieke benadering vragen. Hier zal sprake zijn van een welstandstoetsing, met welstandscriteria die betrekking hebben op alle aspecten: bebouwing en omgeving, het bouwwerk op zichzelf en detaillering, kleur- en materiaalgebruik.

 

In het geval van een ‘normale’ woonstraat of een bedrijventerrein gaat het vooral om het handhaven en stimuleren van een zekere basiskwaliteit voor de dagelijkse woon- en leefomgeving. Daarbij zal steeds de omgeving uitgangspunt zijn voor de te hanteren criteria, met daarnaast specifieke kenmerken van de bebouwing zelf en/of de detaillering en het kleur- en materiaalgebruik ervan.

 

Ook zijn er gebieden waar, door de aard van de functies of door het overheersen van andere aspecten (zoals het groen) de uiterlijke verschijningsvorm van gebouwen er eigenlijk niet zoveel toedoet. Daarbij zal vooral de relatie met de omgeving van het bouwwerk tot uitdrukking komen in de criteria. Maar ook in dat geval kan kleur of detail juist cruciaal zijn.

 

Daarnaast kunnen nog gebieden en/of objecten als geheel vrij van de welstandstoets worden aangemerkt. Maar zoals het zich nu laat aanzien zijn er binnen de gemeente geen gebieden die daar voor in aanmerking komen.

3.5 Nieuwe projecten

De welstandsnota bevat geen welstandscriteria voor (her-) ontwikkelingsprojecten die de bestaande ruimtelijke structuur en karakteristiek doorbreken en waarvoor het ter plaatse geldende bestemmingsplan ook geen ruimte laat. Dergelijke welstandscriteria kunnen namelijk niet worden opgesteld zonder dat er een concreet stedenbouwkundig plan aan ten grondslag ligt.

De welstandsnota beperkt zich in dit verband tot een procedurevoorschrift (zie hoofdstuk 9). Wanneer met het bouwen begonnen wordt voordat de gemeenteraad de nieuwe welstandscriteria heeft vastgesteld, worden bouwplannen aan de welstandscommissie voorgelegd.

3.6 Excessenregeling

De gemeente heeft de mogelijkheid om repressief (achteraf) in te grijpen indien bouwwerken in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Dat geldt ook voor vergunningsvrije bouwwerken of vergunningsvrije activiteiten zoals schilderwerk. Op grond van artikel 12a lid 1 jo art. 13a Woningwet kunnen burgemeester en wethouders de eigenaar aanschrijven om de strijdige situatie ongedaan te maken. De daarbij gehanteerde criteria moeten in de welstandsnota worden vermeld. Dat gebeurt in hoofdstuk 10.

3.7 Algemene welstandscriteria

De welstandstoetsing heeft steeds plaats gehad aan de hand van de volgende aspecten:

  • -

    het gebouw in zijn omgeving;

  • -

    het gebouw op zichzelf;

  • -

    de detaillering;

  • -

    het kleur- en materiaalgebruik.

Deze algemene welstandscriteria vormen thans een vangnet voor die gevallen waarin de overige criteria niet toereikend zijn. Criteria zijn er om de voorspelbaarheid en doorzichtigheid van het welstandsbeleid te vergroten, niet om gemakzucht een kans te geven.

Welstandscriteria ‘nieuwe stijl’ zijn bovendien beleidsregels waaraan het gemeentebestuur gehouden is, maar waarvan de burger mag vragen ze op zijn bouwplan niet van toepassing te laten zijn. In dat geval moet het college van burgemeester en wethouders over andere instructies aan de welstandscommissie kunnen beschikken. In hoofdstuk 11 van de Beleidsregels wordt daar nader op ingegaan. Daarbij is gebruik gemaakt van een notitie van voormalig rijksbouwmeester prof. ir Tj. Dijkstra. De complete tekst is te vinden in bijlage C.

Deel B: Beleidsregels

Afdeling 4 Loketcriteria

Zoals in deel A van deze nota is uiteengezet, verplicht artikel 12a Woningwet de gemeenteraad een welstandsnota vast te stellen waarin criteria zijn opgenomen die worden toegepast bij de beoordeling of een bouwwerk niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Die criteria zijn, zo zegt lid 3 van dat artikel, zoveel mogelijk toegesneden op de onderscheiden categorieën bouwwerken en die criteria kunnen verschillen naargelang de plaats waar een bouwwerk is gelegen. Er zijn dus twee soorten criteria, die op zichzelf of in combinatie met elkaar worden gebruikt:

  • 1.

    Criteria die te maken hebben met het soort bouwwerk dat gerealiseerd gaat worden, de zogenaamde objectcriteria. Dat kunnen kleine bouwactiviteiten zijn zoals aanbouwen maar ook vaker voorkomende bouwwerken zoals boerderijen en burgerwoningen in het buitengebied;

  • 2.

    Criteria die voortkomen uit het gebied waar gebouwd gaat worden en die iets zeggen over de relatie met de omgeving (bijvoorbeeld: in een buurt met rode pannen daken moeten ook de bijgebouwen met een rood pannen dak worden afgedekt) of over bijzondere, beeldbepalende openbare ruimten.

Over de objectgerichte criteria zegt het wetsartikel ook nog, in lid 4, dat er bij algemene maatregel van bestuur voorschriften kunnen worden gegeven omtrent categorieën van bouwwerken en de daarop toe te passen welstandscriteria.

Die algemene maatregel van bestuur is verschenen onder de naam: “Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken”(Bblb). Daarin zijn alle bouwwerken opgesomd die onder bepaalde voorwaarden bouwvergunningsvrij, en dus ‘welstandsvrij’ zijn en welke bouwwerken licht-bouwvergunningplichtig zijn en waarvoor de lichte en verkorte procedure geldt. Bovendien is voor een aantal nauwkeurig benoemde kleine bouwwerken aangegeven dat daarvoor ‘loketcriteria’ moeten worden opgesteld, dat zijn zodanig helder geformuleerde welstandsregels dat zij voor iedereen begrijpelijk zijn en in principe aan het loket van bouw- en woningtoezicht kunnen worden getoetst.

 

Welke bouwwerken?

Dit hoofdstuk geeft inzicht in de regels omtrent een aantal veel voorkomende bouwwerken, allereerst voor de bouwwerken die, als ze aan een aantal voorwaarden voldoen, bouwvergunningsvrij zijn en waarvoor geen welstandseisen kunnen worden opgenomen. Passen ze niet binnen die voorwaarden dan zijn ze in de meeste gevallen licht-bouwvergunningplichtig en kunnen er loketcriteria worden opgesteld voor die bouwwerken, waar aan kan worden getoetst. Als ze bij of aan een monument gebouwd worden of in een beschermd stads- of dorpsgezicht liggen wordt niet getoetst aan loketcriteria, maar geeft de monumentencommissie advies. Als ze niet voldoen aan de definitie die van het bouwwerk gegeven is (bijvoorbeeld een aanbouw in twee bouwlagen) dan geldt altijd de reguliere vergunningplicht. Het gaat om de volgende bouwwerken:

  • 1.

    Aan- of uitbouwen;

  • 2.

    Bijgebouwen of overkappingen;

  • 3.

    Kozijn- of gevelwijzigingen;

  • 4.

    Dakkapellen;

  • 5.

    Erf- of perceelafscheidingen;

  • 6.

    Reclame-uitingen.

 

Voor reclame-uitingen is een aparte Reclamenota opgesteld, die gelijktijdig met de voorliggende welstandsnota is vastgesteld. Daarin is het reclamebeleid en de criteria waaraan reclame-uitingen dienen te voldoen, beschreven. Er is een apart Reclamenota vervaardigd, omdat ook via andere lijnen dan een bouwvergunning, zoals op basis van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) een toetsing van reclame-uitingen plaats heeft.

 

Wanneer een bouwvergunning moet worden aangevraagd is het bestemmingsplan op de eerste plaats maatgevend voor wat betreft afmetingen, voorgevelrooilijnen enzovoort. Als dat geen bezwaar oplevert, dan zal het bouwplan door een gemandateerd ambtenaar namens burgemeester en wethouders aan de loketcriteria voor welstand worden getoetst. Voldoet het daar niet aan dan wordt de indiener van de bouwaanvraag in overweging gegeven die aan te passen zodat de ambtenaar alsnog een positief welstandsoordeel kan geven. Zijn er niettemin redenen om van de loketcriteria af te wijken omdat er sprake is van een bijzondere situatie of omdat er twijfel bestaat aan de toepasbaarheid van de loketcriteria, dan kan, op verzoek van de aanvrager, het bouwplan worden voorgelegd aan de welstandscommissie. Die maakt bij de beoordeling van het bouwplan gebruik van de loketcriteria, de gebiedsgerichte en algemene welstandscriteria.

 

Systematiek

De opzet van de loketcriteria volgt de benadering die bij de wetswijziging is gehanteerd. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voor- en achterkant van woningen. Voorkant is de voorgevel en de zijgevel, voor zover gelegen aan de weg of openbaar groen. Achterkant is de achtergevel en de zijgevel die niet aan de weg of openbaar groen grenst.

Naar inhoud hebben de loketcriteria, indien van toepassing, betrekking op de volgende aspecten:

  • -

    plaatsing;

  • -

    vorm;

  • -

    maatvoering;

  • -

    materiaalgebruik en

  • -

    kleur.

 

Per categorie wordt eerst een definitie opgenomen van het bouwwerk en van de condities waaronder het vergunningsvrij gebouwd mag worden, dan wel licht-bouwvergunningplichtig of regulier bouwvergunningplichtig is. Dan wordt vermeld of de zogenaamde trendsetterregeling van toepassing is. Dat is het geval als een zelfde bouwwerk in dezelfde omstandigheden al is gerealiseerd of als er al een ontwerp voor is gemaakt door de architect van de woning(en). De gemeente kan deze trendsetter als welstandstoets gebruiken of verplicht stellen. De gemeente hanteert trendsetters per bouwblok. Hier wordt niet vanaf geweken.

Dan volgen de welstandscriteria, als er geen trendsetter aanwezig is. Indien gewenst worden de loketcriteria bijgesteld bij de gebiedsgerichte criteria. Daaraan zal in het bijzonder behoefte bestaan bij beeldbepalende elementen of bij een afwijkende bebouwingstypologie (zoals bijvoorbeeld bij woningbouw uit de zeventiger jaren, waar het bij- en aanbouwen aan de voorzijde gebruikelijk was). De gebiedsgerichte criteria kunnen minder of meer eisen inhouden voor het betreffende bouwwerk op een bepaalde locatie.

Tot slot wordt vermeld of de welstandscommissie zal worden ingeschakeld bij het toetsen van de bouwaanvraag. Dat is bij licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken niet verplicht maar kan gewenst zijn bij kwetsbare bouwplaatsen zoals de voorzijde van woningen of bij het bouwen in een beschermd stads- of dorpsgezicht.

Indien het een monument betreft of een bouwwerk in een van rijkswege beschermd stads- en dorpsgezicht, heeft geen afzonderlijke welstandsbeoordeling door de welstandscommissie plaats. Er zal dan een advies bij de monumentencommissie worden ingewonnen.

4.1 Aan- of uitbouwen

Omschrijving

Aan- of uitbouwen zijn bouwwerken die in een directe verbinding staan met het (hoofd)gebouw waaraan zij worden gebouwd. Een aanbouw is een toevoeging van een afzonderlijke ruimte, terwijl een uitbouw een vergroting van een bestaande ruimte is. Het gebruik ervan moet direct gerelateerd zijn aan de woonfunctie.

 

Vergunning

Het bouwen van een op de grond staande aan- of uitbouw van één bouwlaag aan een bestaande woning of een bestaand woongebouw, die strekt tot vergroting van het woongenot, is bouwvergunningsvrij [1], mits voldaan wordt aan de volgende kenmerken:

 

  • 1.

    gebouwd aan:

    • a.

      de oorspronkelijke achtergevel op meer dan 1 m van de weg of het openbaar groen;

    • b.

      een niet naar de weg of het openbaar groen gekeerde oorspronkelijke zijgevel op meer dan 1 m van het voorerf, en meer dan 1 m van het naburige erf.

  • 2.

    niet hoger dan:

    • a.

      4 m, gemeten vanaf het aansluitend terrein,

    • b.

      0,25 m boven de vloer van de eerste verdieping van die woning of dat woongebouw;

    • c.

      de woning of het woongebouw en

  • 3.

    gebouwd binnen de breedte van de gevel waaraan de aan- of uitbouw wordt gebouwd;

  • 4.

    minder dan 2,5 m diep;

  • 5.

    zij- of achtererf door dat bouwen voor niet meer dan 50% bebouwd;

  • 6.

    niet gebouwd aan een woning of woongebouw als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de wet, aan een woonwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de wet of aan een woning of woongebouw die of dat niet voor permanente bewoning is bestemd.

 

[1]Deze tekst is gebaseerd op het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, daaraan kunnen in deze weergave geen rechten worden ontleend.

 

Een lichte bouwvergunning is vereist indien het bouwen van een aan- of uitbouw, die overigens voldoet aan de omschrijving en kenmerken om vergunningsvrij gebouwd te kunnen worden, plaatsvindt:

  • a.

    in, op, aan of bij een monument als bedoeld in de monumentenwet 1988 of een monument als bedoeld in een Provinciale of gemeentelijke monumentenverordening, of

  • b.

    in een beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in de monumentenwet 1988.

     

Een lichte bouwvergunning is voorts vereist voor het bouwen van een aan- of uitbouw die niet voldoet aan de onder bouwvergunningsvrij genoemde kenmerken, met dien verstande dat:

De hoogte van de aan- of uitbouw, gemeten vanaf het aansluitend terrein, minder is dan 5 m.

 

In alle andere gevallen is voor aan- en uitbouwen een reguliere bouwvergunning vereist.

 

 

AAN- OF UITBOUWEN

aan de ACHTERGEVEL en de niet openbaar gelegen ZIJGEVEL

 

 

Deze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet tegen verzet of wanneer burgemeester en wethouders overwegen daarvan vrijstelling te verlenen.

Geen welstandsbeoordeling is vereist wanneer voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 vereist is. Voor die bouwwerken wordt advies bij de monumentencommissie ingewonnen.

 

 

Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

 

  • A.

    het bouwwerk is overeenkomstig een bestaande aan- of uitbouw op hetzelfde type en hetzelfde woningblok dat minder dan 5 jaar geleden met een positief welstandsadvies is gerealiseerd, of

 

  • B.

    het bouwwerk is overeenkomstig het ontwerp van de architect, die het project ontworpen heeft waarvan het bouwplan deel uitmaakt en waarvoor een positief welstandsadvies is gegeven, of

 

  • C.

    het bouwplan voldoet, indien geen trendsetter aanwezig is, zoals vermeld onder A, aan de volgende criteria:

 

Plaatsing

direct aan de oorspronkelijke achter- of zijgevel, 1 m terug van de voorgevelrooilijn.

 

Vorm

plat afgedekt.

 

Maatvoering

 

 

Materiaal

overeenkomstig het hoofdgebouw, of, indien een serre wordt gebouwd, van glas.

 

Kleur

overeenkomstig het hoofdgebouw.

 

Gebiedsgerichte criteria

dit zijn basiseisen, per deelgebied kan daarvan worden afgeweken, er kunnen minder of meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden.

 

 

 

 

AAN- OF UITBOUWEN

aan de VOORGEVEL en de openbaar gelegen ZIJGEVEL

 

 

Deze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet tegen verzet of wanneer burgemeester en wethouders overwegen daarvan vrijstelling te verlenen.

Geen welstandsbeoordeling is vereist wanneer voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 vereist is. Voor die bouwwerken wordt advies bij de monumentencommissie ingewonnen.

 

 

Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan, of

 

  • A.

    het bouwwerk is overeenkomstig een bestaande aan- of uitbouw op hetzelfde type en hetzelfde woningblok dat minder dan 5 jaar geleden met een positief welstandsadvies is gerealiseerd, of

 

  • B.

    het bouwwerk is overeenkomstig het ontwerp van de architect, die het project ontworpen heeft waarvan het bouwplan deel uitmaakt en waarvoor een positief welstandsadvies is gegeven, of

 

  • C.

    het bouwplan voldoet, indien geen trendsetter aanwezig is zoals vermeld onder A, aan de volgende criteria:

 

 

Plaatsing

gebouwd aan:

- de oorspronkelijke voorgevel;

- direct aan de oorspronkelijke zijgevel.

 

Vorm

- rechthoekige of een andere eenvoudige hoofdvorm;

- kapvorm: plat afgedekt

- geen doorgetrokken dakvlakken van het hoofdgebouw;

- aan de voorgevel: zonder vergroting van de oorspronkelijke gevelopening(en).

 

Materiaal

overeenkomstig het hoofdgebouw, of;

- als een serre wordt gebouwd, van glas

- als een (hoek-)erker wordt gebouwd, behoudens het trasraam, in glas. De afmetingen van constructie-elementen dienen tot een minimum te worden beperkt.

 

Kleur

overeenkomstig het hoofdgebouw.

 

Gebiedsgerichte criteria

dit zijn basiseisen, per deelgebied kan daarvan worden afgeweken, er kunnen minder of meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden.

 

4.2 Bijgebouwen of overkappingen

Omschrijving

Bijgebouwen zijn op zichzelf staande gebouwen, zoals een schuur, een garage of een ander bijgebouw bij een (hoofd)gebouw. Bij overkappingen zal het vrijwel altijd om carports gaan.

 

Vergunning

Het bouwen van een op de grond staand bijgebouw van een bouwlaag of een op de grond staande overkapping van een bouwlaag bij een bestaande woning of bestaand woongebouw, dat of die strekt tot vergroting van het woongenot, is bouwvergunningsvrij[2] indien voldaan wordt aan de volgende kenmerken:

 

  • 1.

    gebouwd op:

    • a.

      het achtererf op meer dan 1 m van de weg of het openbaar groen, of

    • b.

      een niet naar de weg of het openbaar groen gekeerd zijerf op meer dan 1 m van het voorerf, en

    • c.

      indien de bruto-oppervlakte van het bijgebouw of de overkapping meer is dan 10 m²: meer dan 1 m van het naburige erf;

  • 2.

    niet hoger dan 3 m gemeten vanaf het aansluitend terrein;

  • 3.

    zij- of achtererf door dat bouwen voor niet meer dan 50% bebouwd;

  • 4.

    de totale bruto-oppervlakte van de op het erf aanwezige bouwvergunningsvrij gebouwde bijgebouwen en overkappingen minder dan 30 m², en

  • 5.

    niet gebouwd bij een woning of woongebouw als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de wet, bij een woonwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de wet of bij een woning of bij een woning of woongebouw die of dat niet voor permanente bewoning is bestemd.

[2] Deze tekst is gebaseerd op het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, daaraan kunnen in deze weergave geen rechten worden ontleend.

 

Voor het bouwen van een op de grond staand bijgebouw van een bouwlaag of een op de grond staande overkapping van een bouwlaag die voldoet aan de onder bouwvergunningsvrij genoemde kenmerken is niettemin een lichte bouwvergunning vereist indien dat bouwen plaatsvindt:

  • a.

    in, op, aan of bij een monument als bedoeld in de monumentenwet 1988 of een monument als bedoeld in een provinciale of gemeentelijke bouwverordening, of

  • b.

    in een beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in monumentenwet 1988.

     

Een lichte bouwvergunning is voorts vereist voor het bouwen van een bijgebouw of overkapping dat of die niet voldoet aan de onder bouwvergunningsvrij genoemde kenmerken, met dien verstande dat:

  • a.

    de hoogte van het bijgebouw of de overkapping, gemeten vanaf het aansluitend terrein, minder is dan 5 m;

  • b.

    de bruto-oppervlakte van het bijgebouw of de overkapping minder is dan 50 m².

     

in alle andere gevallen is een reguliere bouwvergunning vereist.

 

 

BIJGEBOUWEN OF OVERKAPPINGEN

Deze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet tegen verzet of wanneer burgemeester en wethouders overwegen daarvan vrijstelling te verlenen.

Geen welstandsbeoordeling is vereist wanneer voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 vereist is. Voor die bouwwerken wordt advies bij de monumentencommissie ingewonnen.

Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

  • A.

    het bouwwerk is overeenkomstig een bestaand bijgebouw of een bestaande overkapping op hetzelfde type en hetzelfde bouwblok dat minder dan 5 jaar geleden met een positief welstandsadvies is gerealiseerd, of

  • B.

    het bouwwerk is overeenkomstig het ontwerp van de architect, die het project ontworpen heeft waarvan het bouwplan deel uitmaakt en waarvoor een positief welstandsadvies is gegeven, of

  • C.

    het bouwplan voldoet, indien geen trendsetter aanwezig is zoals vermeld onder A, aan de volgende criteria:

Plaatsing

op het achter- of zijerf, 1 m achter de voorgevelrooilijn.

Vorm

plat afgedekt of bij aanbouw en uitbreiding aansluiten bij bestaande dakvorm.

Materiaal

baksteen of hout.

Kleur

overeenkomstig het hoofdgebouw, of ingetogen aardkleuren en donkere tinten.

Gebiedsgerichte criteria

dit zijn basiseisen, per deelgebied kan daarvan worden afgeweken, er kunnen minder of meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden.

4.3 Kozijn- of gevelwijzigingen

Van een gevelwijziging is sprake bij het veranderen of verplaatsen van een kozijn, venster, deur of gevelpaneel in de buitenmuur van een gebouw

 

Vergunning

Het veranderen van een kozijn, kozijninvulling, luik of gevelpaneel van een bestaande woning, bestaand woongebouw of een bij een bestaande woning of een bestaand woongebouw behorend bijgebouw is bouwvergunningsvrij[3] mits wordt voldaan aan de volgende kenmerken:

 

  • 1.

    Niet aangebracht in de voorgevel van een woning of woongebouw of een naar de weg of het openbaar groen gekeerde zijgevel van een woning of woongebouw, en

  • 2.

    De bestaande gevelopening wijzigt niet.

    [3] Deze tekst is gebaseerd op het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, daaraan kunnen in deze weergave geen rechten worden ontleend

 

Een lichte bouwvergunning is vereist wanneer een gevelwijziging die overigens voldoet aan de kenmerken om bouwvergunningsvrij te worden plaatsvindt:

  • a.

    In, op, aan of bij een monument als bedoeld in de monumentenwet 1988 of een monument als bedoeld in een provinciale of gemeentelijke bouwverordening, of

  • b.

    In een beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in monumentenwet 1988.

     

Een lichte bouwvergunning is voorts vereist indien de gevelwijziging niet voldoet aan de onder bouwvergunningsvrij genoemde kenmerken.

 

KOZIJN- OF GEVELWIJZIGINGEN

In de ACHTERGEVEL en niet openbaar gelegen ZIJGEVEL

 

 

Geen welstandsbeoordeling is vereist wanneer voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 vereist is. Voor die bouwwerken wordt advies bij de monumentencommissie ingewonnen.

 

 

Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

 

  • A.

    de gevelwijziging is overeenkomstig een bestaande gevelwijziging op hetzelfde type en hetzelfde bouwblok dat minder dan 5 jaar geleden met een positief welstandsadvies is gerealiseerd, of

 

  • B.

    de gevelwijziging is overeenkomstig het ontwerp van de architect, die het project ontworpen heeft waarvan het bouwplan deel uitmaakt en waarvoor een positief welstandsadvies is gegeven, of

 

  • C.

    het bouwplan voldoet, indien geen trendsetter aanwezig is zoals vermeld onder A, aan de volgende criteria:

 

Plaatsing

in de achtergevel of niet openbaar gelegen zijgevel van een woning, woongebouw of een daarbij behorend bijgebouw

 

Vorm

Maatvoering

Materiaal

Kleur

vorm, maatvoering, materiaal en kleur zijn welstandsvrij voor wat betreft de achtergevel op de begane grond en bijgebouwen. Voor de gevels op de verdieping(en) geldt hetgeen voor de voorgevel en de openbaar gelegen zijgevel is bepaald.

Gebiedsgerichte criteria

dit zijn basiseisen, per deelgebied kan daarvan worden afgeweken, er kunnen minder of meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden.

 

 

 

KOZIJN- OFGEVELWIJZIGINGEN

In de VOORGEVEL en de openbaar gelegen ZIJGEVEL

 

 

Geen welstandsbeoordeling is vereist wanneer voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 vereist is. Voor die bouwwerken wordt advies bij de monumentencommissie ingewonnen.

 

 

Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

 

  • A.

    de gevelwijziging is overeenkomstig een bestaande gevelwijziging op hetzelfde type en hetzelfde bouwblok dat minder dan 5 jaar geleden met een positief welstandsadvies is gerealiseerd, of

 

  • B.

    de gevelwijziging is overeenkomstig het ontwerp van de architect, die het project ontworpen heeft waarvan het bouwplan deel uitmaakt en waarvoor een positief welstandsadvies is gegeven, of

 

  • C.

    het bouwplan voldoet, indien geen trendsetter aanwezig is zoals vermeld onder A, aan de volgende criteria:

 

Plaatsing

in de voorgevel van en woning of woongebouw of een naar de weg of het openbaar groen gekeerde zijgevel;

 

Vorm

- zonder aantasting van de bestaande gevelopening;

- bij vervanging van een garagedeur door een pui: geen gemetselde borstwering;

- bij vervanging van kozijnpuien: pui-indeling gelijk aan bestaand.

 

Maatvoering

- profielmaten gelijk of nagenoeg gelijk aan bestaande kozijnonderdelen;

- nieuwe gevelopeningen: in de zijgevel:

maximaal 1 m² voor een raam;

maximaal 2,5 m² voor een deur.

 

Materiaal

- overeenkomstig de bestaande kozijnen. Bij de toepassing van ander materiaal worden profilering en afmetingen gehandhaafd.

Kleur

- bij vervanging van kozijnpuien: afwijkende kleurstelling van de borstweringen toepassen ten opzichte van de gevel, afgestemd op de reeds gerealiseerde wijzingen in hetzelfde blok woningen.

- overeenkomstig het hoofdgebouw.

 

Gebiedsgerichte criteria

dit zijn basiseisen, per deelgebied kan daarvan worden afgeweken, er kunnen minder of meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden.

 

 

 

4.4 Dakkapellen

Omschrijving

Een dakkapel is een bescheiden uitbouw in de kap, bedoeld om de lichtinval te verbeteren en het bruikbaar vloeroppervlak te vergroten

 

Vergunning

Het bouwen van een dakkapel op een bestaand gebouw is bouwvergunningsvrij[4] indien wordt voldaan aan de volgende kenmerken:

 

  • 1.

    Gebouwd op het achterdakvlak of een niet naar de weg of het openbaar groen gekeerd zijdakvlak;

  • 2.

    Afstand tot de voorgevel meer dan 1 m;

  • 3.

    Voorzien van een plat dak;

  • 4.

    Zijwanden ondoorzichtig;

  • 5.

    Hoogte, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, minder dan 1,5 m;

  • 6.

    Onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;

  • 7.

    Bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok;

  • 8.

    Zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak, en

  • 9.

    Niet gebouwd op een woning of woongebouw als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de wet, op een woonwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de wet of op een woning of woongebouw die of dat niet voor permanente bewoning is bestemd.

    [4] Deze tekst is gebaseerd op het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, daaraan kunnen in deze weergave geen rechten worden ontleend

 

Voor het bouwen van een dakkapel die voldoet aan de onder bouwvergunningsvrij genoemde kenmerken, is niettemin een lichte bouwvergunning vereist indien dat plaatsvindt:

  • 1.

    In, op, aan of bij een monument als bedoeld in de monumentenwet 1988 of een monument als bedoeld in een provinciale of gemeentelijke bouwverordening, of

  • 2.

    In een beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in monumentenwet 1988.

Een lichte bouwvergunning is voorts vereist indien de dakkapel niet voldoet aan de onder bouwvergunningsvrij genoemde kenmerken.

 

DAKKAPELLEN

in het ACHTERDAKVLAK of niet openbaar gelegen ZIJDAKVLAK

 

 

Deze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet tegen verzet of wanneer burgemeester en wethouders overwegen daarvan vrijstelling te verlenen.

Geen welstandsbeoordeling is vereist wanneer voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 vereist is. Voor die bouwwerken wordt advies bij de monumentencommissie ingewonnen.

 

 

Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

 

  • A.

    het bouwplan is overeenkomstig een bestaande dakkapel op hetzelfde type en hetzelfde bouwblok dat minder dan 5 jaar geleden met een positief welstandsadvies is gerealiseerd, of

 

  • B.

    de dakkapel is overeenkomstig het ontwerp van de architect, die het project ontworpen heeft waarvan het bouwplan deel uitmaakt en waarvoor een positief welstandsadvies is gegeven, of

 

  • C.

    het bouwplan voldoet indien geen trendsetter aanwezig is zoals vermeld onder A, aan de volgende criteria:

 

Plaatsing

onderzijde meer dan 0,5 m en niet meer dan 1 m boven de dakvoet;

 

Vorm

plat afgedekt;

 

Maatvoering

hoogte: max. 1,5 m.

 

Materiaal

overeenkomstig het hoofdgebouw.

 

Kleur

overeenkomstig het hoofdgebouw, of in de kleur van de dakbedekking.

 

Gebiedsgerichte criteria

dit zijn basiseisen, per deelgebied kan daarvan worden afgeweken, er kunnen minder of meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden.

 

 

DAKKAPELLEN

In het VOORDAKVLAK of het openbaar gelegen ZIJDAKVLAK

 

 

Deze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet tegen verzet of wanneer burgemeester en wethouders overwegen daarvan vrijstelling te verlenen.

Geen welstandsbeoordeling is vereist wanneer voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 vereist is. Voor die bouwwerken wordt advies bij de monumentencommissie ingewonnen.

 

 

Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

 

  • A.

    het bouwplan is overeenkomstig een bestaande dakkapel op hetzelfde type en hetzelfde bouwblok dat minder dan 5 jaar geleden met een positief welstandsadvies is gerealiseerd, of

 

  • B.

    de dakkapel is overeenkomstig het ontwerp van de architect, die het project ontworpen heeft waarvan het bouwplan deel uitmaakt en waarvoor een positief welstandsadvies is gegeven, of

 

  • C.

    het bouwplan voldoet, indien geen trendsetter aanwezig is zoals vermeld onder A, aan de volgende criteria:

 

Plaatsing

- bij een dwarskap: afstand tot de voorgevel meer dan 3 m;

- onderkant meer dan 0,5 m en niet meer dan 1 m boven de dakvoet;

- bovenkant meer dan 0,5 m onder de daknok;

- afstand tot de zijkant van de woning minimaal 0,5 m.

 

Vorm

- voorzien van een plat dak;

- zijwanden ondoorzichtig;

- geen borstwering.

 

Maatvoering

- één per dakvlak;

- breedte maximaal 50% van de breedte van het dakvlak tot een maximum van 2,5 m;

- hoogte maximaal 1,5 m, inclusief boeiboord.

 

Materiaal

overeenkomstig bestaande kozijnen. Bij de toepassing van ander materiaal worden profilering en afmetingen gehandhaafd.

 

Kleur

(gebroken) wit of overeenkomstig het hoofdgebouw.

 

Gebiedsgerichte criteria

dit zijn basiseisen, per deelgebied kan daarvan worden afgeweken, er kunnen minder of meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden.

 

 

4.5 Erf- of perceelafscheidingen

Omschrijving

Tuinmuren, hekwerken, schuttingen en allerhande kant- en klare afscheidingen zoals vlechtschermen kunnen als erf- of perceelafscheidingen worden gebruikt[5]

 

Vergunning

Het bouwen van een erfscheiding is bouwvergunningsvrij[6] mits wordt voldaan aan de volgende kenmerken:

 

  • 1.

    Niet hoger dan 1 m;

  • 2.

    Niet hoger dan 2 m en gebouwd:

    • a.

      op een erf of perceel waarop reeds een gebouw staat;

    • b.

      meer dan 1 m achter de voorgevelrooilijn;

    • c.

      meer dan 1 m van de weg of het openbaar groen.

       

      [5] Hier wordt verder de term erfafscheiding gebruikt

      [6] Deze tekst is gebaseerd op het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, daaraan kunnen in deze weergave geen rechten worden ontleend

 

Voor het bouwen van een erfafscheiding die voldoet aan de onder bouwvergunningsvrij genoemde kenmerken, is niettemin een lichte bouwvergunning vereist indien dat plaatsvindt:

  • a.

    In, op, aan of bij een monument als bedoeld in de monumentenwet 1988 of een monument als bedoeld in een provinciale of gemeentelijke bouwverordening, of

  • b.

    In een beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in monumentenwet 1988.

     

Een lichte bouwvergunning is voorts vereist indien de erfafscheiding niet voldoet aan de onder bouwvergunningsvrij genoemde kenmerken.

 

 

ERF- OF PERCEELAFSCHEIDINGEN

op het ACHTERERF en het niet openbaar gelegen ZIJERF

 

 

Deze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet tegen verzet of wanneer burgemeester en wethouders overwegen daarvan vrijstelling te verlenen.

Geen welstandsbeoordeling is vereist wanneer voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 vereist is. Voor die bouwwerken wordt advies bij de monumentencommissie ingewonnen.

 

 

Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

 

  • A.

    het bouwplan is overeenkomstig een bestaande erfafscheiding in hetzelfde type en hetzelfde bouwblok dat minder dan 5 jaar geleden met een positief welstandsadvies is gerealiseerd, of

 

  • B.

    de erfafscheiding is overeenkomstig het ontwerp van de architect, die het project ontworpen heeft waarvan het bouwplan deel uitmaakt en waarvoor een positief welstandsadvies is gegeven.

 

 

ERF- OF PERCEELAFSCHEIDINGEN

op het VOORERF en het openbaar gelegen ZIJERF

 

 

Deze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet tegen verzet of wanneer burgemeester en wethouders overwegen daarvan vrijstelling te verlenen.

Geen welstandsbeoordeling is vereist wanneer voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 vereist is. Voor die bouwwerken wordt advies bij de monumentencommissie ingewonnen.

 

 

Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

 

  • A.

    het bouwplan is overeenkomstig een bestaande erfafscheiding in hetzelfde type en hetzelfde bouwblok dat minder dan 5 jaar geleden met een positief welstandsadvies is gerealiseerd, of

 

  • B.

    de erfafscheiding is overeenkomstig het ontwerp van de architect, die het project ontworpen heeft waarvan het bouwplan deel uitmaakt en waarvoor een positief welstandsadvies is gegeven, of

 

  • C.

    het bouwplan voldoet, indien geen trendsetter aanwezig is zoals vermeld onder A, aan de volgende criteria:

 

Plaatsing

- op het zijerf tot 1 m voor de voorgevel;

- in het verlengde van de zijgevellijn of iets teruggeplaatst i.c. beplanting.

 

Vorm

- in één lijn en horizontaal;

- voldoende transparantie;

- visuele onderbreking door verschil in hoogte, elkaar afwisselende horizontale, verticale of diagonale geledingen

 

Maatvoering

maximaal 2 m hoog.

 

Materiaal

hout of baksteen.

 

Kleur

aardkleuren of overeenkomstig het hoofdgebouw.

 

Gebiedsgerichte criteria

dit zijn basiseisen, per deelgebied kan daarvan worden afgeweken, er kunnen minder of meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden.

 

 

4.6 Reclame-uitingen

Omschrijving

Reclame is een openbare aanprijzing om de afzet van goederen of diensten te bevorderen. Ook muren of gedeelten daarvan, waarop de reclame wordt aangebracht, vallen onder het begrip reclamebord. Onder reclame wordt ook verstaan tekeningen en opschriften voor het aankondigen van bijvoorbeeld politieke, culturele of sportactiviteiten en naamsaanduidingen.

 

Vergunning

Voor reclameborden van welke vorm dan ook is vergunning van de gemeente nodig.

 

Er is op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (A.P.V.) een vergunning nodig voor borden die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg en die u plaatst langs de openbare weg of ergens in de open lucht. De aanvraag zal ook getoetst worden aan de zogenaamde redelijke eisen van welstand. Dit laatste betekent dat de reclame-uiting esthetisch moet passen in de omgeving en bij het gebouw waar het geplaatst is. Voor het plaatsen van (permanente) reclame, waaronder lichtreclames, is meestal een bouwvergunning vereist. Tijdelijke reclame mag niet eerder dan vier weken voor de te houden activiteit worden aangebracht en moet na afloop van het evenement zo spoedig mogelijk worden verwijderd. Gezamenlijk met het bouwplan moet een reclameplan worden ingediend voor de welstandsbeoordeling.

 

RECLAME-UITINGEN

Deze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet tegen verzet of wanneer burgemeester en wethouders overwegen daarvan vrijstelling te verlenen.

 

Geen welstandsbeoordeling is vereist wanneer voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 vereist is. Voor die bouwwerken wordt advies bij de monumentencommissie ingewonnen.

 

Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

 

Het bouwplan voldoet aan de criteria, zoals vermeld in de Reclamenota van de gemeente Scherpenzeel (vastgesteld … 2009).

Afdeling 5 Objectgerichte criteria

In het buitengebied komen verschillende soorten bebouwing voor, te weten de historische agrarische bebouwing (voornamelijk van het hallenhuis-type), agrarische bedrijfsbebouwing, agrarische woningen en burgerwoningen, recreatieterreinen en landgoederen. In het navolgende worden hiervoor objectgerichte criteria opgesteld, die eventueel per landschapstype of per gebied kunnen worden aangepast. Om die reden wordt steeds verwezen naar de gebiedscriteria buitengebied.

5.1 Object 'hallenhuisboerderij'

Objectbeschrijving

Verspreid in de Gelderse Vallei komen hallenhuizen voor als het kenmerkend boerderijtype. In het hallenhuis zijn woonruimte en werk-/ opslagruimte onder één dak geplaatst. Het merendeel van de gebouwen is met het woongedeelte georiënteerd op de weg. Kenmerkend is de eenvoudige en veelal rechthoekige plattegrond. Er is overwegend sprake van één bouwlaag, die afgedekt wordt door een forse (rieten)kap. Meestal is sprake van een zadeldak, al dan niet met wolfseinden met de nokrichting haaks op de weg. Ook komen mansardekappen voor. Het betreft overwegend donkere dakbedekking (van donkerbruin tot antracietkleurig) met riet, gebakken pannen, of een combinatie daarvan.

Als accent is vaak een stevige gemetselde schoorsteen aanwezig. Windveren sieren de overgang van de gevel naar de kap. In het algemeen hebben de houten onderdelen zoals windveren en kozijnen witte en/ of donkergroene kleuren.

 

De gevelindeling volgt de driehoekige doorsnede van de kap en heeft veelal geen uitbouw. De openingen op de begane grondlaag zijn breed en hoog en verdeeld in twee tot vier ramen / deuren, in een symmetrisch patroon. In de topgevel bevinden zich kleinere ramen, waarvan het aantal ten opzichte van de begane grondlaag altijd kleiner is. Op deze manier ontstaat er een hiërarchische opbouw van de gevel, die rust en stabiliteit uitstraalt. De gevels zijn voorzien van een gepleisterde plint met een donkere kleur (donkergrijs, donkerbruin, antracietkleurig).

 

De gevels zelf zijn overwegend opgetrokken uit roodachtige baksteen met donker of lichte tinten in staand verband (een kopse laag afgewisseld met een strekse laag) bij oorspronkelijke gebouwen of in halfsteens verband bij verbouwingen. De openingen zijn vaak voorzien van rollagen (rechte en gebogen) met een eenvoudige motief tot geraffineerde details. Gepleisterde gevels komen ook voor. Het opgaand pleisterwerk heeft meestal een gebroken wit / lichtgrijze tint met soms okergele / crème nuances. De gepleisterde plint kan zwart, donkergrijs of donkergroen zijn. De kozijnen zijn in dat geval ook meestal wit tot crèmekleurig.

 

Soms is er verschil aangebracht in de materiaalkeuze van het woon- en het werkgedeelte. In ieder geval is het onderscheid zichtbaar in de gevelindeling. De ramen zijn in het bedrijfsgedeelte kleiner van omvang en kleiner in aantal. Daar tegenover staan de relatief grote openingen (toegangsdeuren).

Op het achter- en/ of zijerf zijn in de loop der jaren veelal bedrijfsgebouwen ontstaan.

 

Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid

Het hallenhuis is typerend voor de agrarische bebouwing op de zandgronden. Veel panden zijn cultuurhistorisch waardevol en een aantal is dan ook aangewezen als monument. Het hallenhuis staat reeds geruime tijd echter onder druk door de veranderingen in de landbouw. Het bedrijfsgedeelte van het hallenhuis voldoet veelal niet meer aan de eisen die op dit moment aan agrarische bebouwing gesteld worden. Daartoe verrijst naast de oorspronkelijke bebouwing grootschaliger bedrijfsbebouwing.

 

Ook verliest een groot aantal boerderijen de oorspronkelijke functie. Veelal komt daar een (extra) niet-agrarische woonfunctie voor in de plaats. Soms is er sprake van niet-agrarische bedrijfsactiviteiten.

 

Bij verbouw, waarvan hier dus sprake is, dienen die oorspronkelijke kenmerken gerespecteerd te worden, als vertrekpunt voor de nieuwe situatie.

 

Objectcriteria

Ruimtelijke structuur

  • -

    de bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en houden rekening met de bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de landschappelijke inrichting.

     

Plaatsing

  • -

    de bestaande plaatsing wordt gehandhaafd;

  • -

    de plaatsing van bijgebouwen is ondergeschikt aan het hoofdgebouw.

     

Massa en vorm

  • -

    de hoofdvorm is enkelvoudig en rechthoekig;

  • -

    aan- en uitbouwen zijn in de massa ondergeschikt aan het hoofdgebouw en worden terughoudend vormgegeven;

  • -

    er worden ononderbroken, forse kappen toegepast;

  • -

    de gevelgeleding wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw;

  • -

    de oorspronkelijke indeling naar woon- en bedrijfsgedeelte blijft herkenbaar in de gevelopzet.

     

Detaillering, kleur- en materiaalgebruik

  • -

    de hoofdmaterialen zijn natuurlijke materialen: (bak-)steen, pleisterwerk, hout, dakpannen en riet;

  • -

    de hoofdkleuren zijn gedempte (aard-)kleuren of stucwerk in gebroken wit of grijs. Signaalkleuren zijn niet toegestaan.

  • -

    kleurgebruik en detaillering van aan- en uitbouwen zijn afgestemd op de hoofdmassa;

  • -

    de kleuren van luiken sluiten aan op lokaal of regionaal gebruik;

  • -

    er worden in ieder geval bij het oorspronkelijke woongedeelte een plint toegepast, met een donkere tint.

  • -

    detaillering als gootlijsten, windveren, kozijnen e.d. zijn zorgvuldig en duidelijk, waarbij de bestaande detaillering als vertrekpunt genomen wordt.

 

Eventuele nadere bepalingen per gebied zijn te vinden in de gebiedsbeschrijving en de -criteria.

5.2 Object 'agrarische bedrijfswoning'

Objectbeschrijving

In het buitengebied komt veel losstaande agrarische bedrijfswoningen voor. Daarin hebben zich de afgelopen periode veel veranderingen voorgedaan, waarbij nieuwbouw is verschenen.

 

De modernere agrarische woonbebouwing heeft in tegenstelling tot het hallenhuis de woon- en werkruimtes niet onder één dak. Soms zijn woonbebouwing en bijgebouwen geheel van elkaar gescheiden. Bijgebouwen en aan- en uitbouwen staan naast of achter de hoofdmassa. De veelal haaks op de straat staande zadeldaken zijn voorzien van rode of donkere dakpannen. De opbouw van de massa is eenvoudig met rechte lijnen en symmetrische opbouw van de gevels. Decoraties en ornamenten komen nauwelijks voor en het materiaalgebruik bestaat uit (bak)steen met kozijnen van hout.

 

Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid

De agrarische bedrijfswoningen zijn functioneel gebonden aan het buitengebied. Er is een tendens waarneembaar waarbij de bedrijfswoning ‘los komt’ van de overige agrarische bebouwing, door de toepassing van afwijkende vormen en afwijkend kleur- en materiaalgebruik. De identiteit van het agrarische karakter van het gebied verandert daarmee.

 

De gemeente streeft naar het herkenbaar houden van de (oorspronkelijke) agrarische functie van de bebouwing. De welstandsbeoordeling richt zich dan ook op het handhaven of het gericht veranderen en verbeteren van de basiskwaliteit van het gebied.

 

Objectcriteria

Ruimtelijke structuur

  • -

    de bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en houden rekening met de bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de landschappelijke inrichting.

     

Plaatsing

  • -

    in de directe nabijheid van de weg is de woning georiënteerd op de weg;

     

Massa en vorm

  • -

    de hoofdvorm is enkelvoudig en rechthoekig en afgestemd op belendende bebouwing;

  • -

    aan- en uitbouwen zijn in de massa ondergeschikt aan het hoofdgebouw en worden terughoudend vormgegeven;

  • -

    er worden ononderbroken, forse kappen toegepast;

  • -

    de gevelgeleding wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw;

  • -

    de nokrichting is in de verkavelingsrichting van het landschap.

     

Detaillering, kleur- en materiaalgebruik

  • -

    de hoofdmaterialen zijn natuurlijke materialen: (bak-)steen, pleisterwerk, hout, dakpannen, riet en grasdak;

  • -

    de hoofdkleuren zijn gedempte (aard-)kleuren of stucwerk in gebroken wit of grijs;

  • -

    kleurgebruik en detaillering van aan- en uitbouwen zijn afgestemd op de hoofdmassa;

  • -

    materiaalgebruik en kleuren van bijgebouwen in de nabijheid van het hoofdgebouw zijn afgestemd op het hoofdgebouw;

  • -

    detailleringen worden terughoudend en sober uitgevoerd.

     

Eventuele nadere bepalingen per gebied zijn te vinden in de gebiedsbeschrijving en de -criteria.

 

5.3 Object 'niet agrarische woonbebouwing'

Objectbeschrijving

Op diverse plekken in het buitengebied zijn van oudsher burgerwoningen aanwezig: bescheiden arbeidershuisjes, woningen en villa’s.

Het aantal burgerwoningen neemt de laatste jaren toe. Het gaat daarbij om toevoegingen en om veranderingen waarbij agrarische functies plaats maken voor woonfuncties.

Het betreft veelal vrijstaande woningen die refereren aan een boerderijstijl of villa’s met een historiserende maar ook met een moderne architectuur.

De woningen hebben overwegend één bouwlaag en nooit meer dan twee bouwlagen. Er komen veel verschillende dakvormen voor. De vormen van de massa voornamelijk enkelvoudig en geometrisch. Detailleringen, kleur- en materiaalgebruik zijn zeer divers.

 

Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid

Vooral de gebieden dicht bij de kernen hebben een grote aantrekkingskracht, door de beschikbare ruimte en de extensieve bebouwingsdichtheid. Op een aantal plaatsen binnen de gemeente wordt gebruik gemaakt van de Ruimte-voor-ruimte-regeling, waarbij agrarische opstallen verdwijnen en in een enkel geval een nieuwe burgerwoning wordt toegevoegd. Daarnaast is binnen de in het bestemmingsplan aangeduide gebieden “landgoed” en “bufferzone” op bestaande locaties landelijk wonen toegestaan. Er kan een extra grote woning worden gerealiseerd, waarvoor in ruil natuur- en landschapsontwikkeling plaatsvindt.

Het extensieve karakter van het buitengebied moet behouden blijven.

 

Objectcriteria

Ruimtelijke structuur

  • -

    -de bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en houden rekening met de bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de landschappelijke inrichting.

     

Plaatsing

  • -

    in de directe nabijheid van de weg, is de woning georiënteerd op de weg;

  • -

    de plaatsing van bijgebouwen is ondergeschikt aan het hoofdgebouw.

     

Massa en vorm

  • -

    de hoofdvorm is enkelvoudig en rechthoekig;

  • -

    aan- en uitbouwen zijn in de massa ondergeschikt aan het hoofdgebouw en worden terughoudend vormgegeven;

  • -

    de gevelgeleding wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw;

  • -

    er worden ononderbroken, forse kappen toegepast;

  • -

    de nokrichting is in de verkavelingsrichting van het landschap.

     

Detaillering, kleur- en materiaalgebruik

  • -

    de hoofdmaterialen zijn natuurlijke materialen: (bak-)steen, pleisterwerk, hout, dakpannen,riet en grasdak;

  • -

    de hoofdkleuren zijn gedempte (aard-)kleuren;

  • -

    kleurgebruik en detaillering van aan- en uitbouwen zijn afgestemd op de hoofdmassa;

  • -

    materiaalgebruik en kleuren van bijgebouwen in de nabijheid van het hoofdgebouw zijn afgestemd op het hoofdgebouw;

  • -

    bij verbouw worden bestaande details gerespecteerd;

  • -

    de bebouwing is niet gebonden aan een bepaalde bouwstijl;

  • -

    de woningen hebben een individuele uitstraling.

     

Eventuele nadere bepalingen per gebied zijn te vinden in de gebiedsbeschrijving en de -criteria.

5.4 Object 'bedrijfsbebouwing'

De hoofdopzet van een agrarisch of niet-agrarisch bebouwingscomplex is een hoofdgebouw (woning) met meerdere schuren en stallen. Het hoofdgebouw valt op door zijn ligging in het complex: meestal naar de weg gericht en nokrichting haaks op de weg met de bijgebouwen achter of gelijk met de voorgevellijn van het hoofdgebouw. Het hoofdgebouw kan ook geflankeerd zijn door later toegevoegde bijgebouwen of wanneer een nieuw hoofdgebouw (zoals een tweede woning voor de ‘rustende boer’) naast de oorspronkelijke bebouwing is neergezet.

 

Bijgebouwen bestaan vaak uit één of meer lange bedrijfshallen of stallen. Daarnaast komen veelvuldig één of meer werktuigbergingen of schuren voor. Het gaat voor het merendeel om grote, eenvoudige, rechthoekige constructies met een zadeldak gedekt met grijze golfplaten. De meeste gebouwen zijn gemetseld op een simpele wijze met een oranje tot rode baksteen in halfsteens verband, soms gedeeltelijk open of bedekt met een damwandprofiel. Overwegend is sprake van een zadeldak en een situering haaks op de weg. De schuren of stallen kunnen vrijstaand zijn maar ook gecombineerd, zowel onderling als via een plat verbindingsstuk aan het woonhuis. De bijgebouwen zijn gesitueerd afhankelijk van de ruimtelijke mogelijkheden van het perceel. Bij brede en ondiepe kavels kunnen de bijgebouwen haaks staan op het hoofdgebouw.

 

Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid

Stallen, schuren en andere bedrijfshallen kunnen een grote invloed hebben op het bebouwingsbeeld. Ze kunnen een storende invloed hebben wanneer ze hoger zijn dan de hoofdbebouwing en afwijkende vormen en kleuren hebben. De gemeente streeft naar het beeld van de ondergeschiktheid van bijgebouwen aan het hoofdgebouw. Een goede landschappelijke inpassing van deze bebouwing is van belang.

De bestaande bebouwing en de hoofdgebouwen vormen het kader voor de welstandstoets.

 

Objectcriteria

Ruimtelijke structuur

  • -

    -de bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en houden rekening met de bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de landschappelijke inrichting.

     

Massa en vorm

  • -

    de hoofdvorm is enkelvoudig en rechthoekig;

  • -

    de nokrichting is in de verkavelingsrichting van het landschap.

  • -

    de massaopbouw op het erf is in onderlinge samenhang;

  • -

    de gevelgeleding is horizontaal en wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw.

     

Detaillering, kleur- en materiaalgebruik

  • -

    de gevels worden in metselwerk uitgevoerd. Ander materiaal is toegestaan, mits in donkere tinten uitgevoerd envoorzien van een profiel en een zichtbare metselwerkplint;

  • -

    de dakvlakken worden in pannen uitgevoerd. Ander materiaal, is toegestaan mits in donkergrijze tinten uitgevoerd, afwijkend van de gevelkleur en voorzien van een profiel.

     

Eventuele nadere bepalingen per gebied zijn te vinden in de gebiedsbeschrijving en de -criteria.

5.5 Object 'recreatieve bebouwing'

Objectbeschrijving

In het gebied bevinden zich diverse recreatieterreinen voor verblijfsrecreatie. De terreinen worden veelal omringd door opgaande beplanting, waardoor deze vanaf de openbare weg niet of nauwelijks zichtbaar zijn. De bebouwing is kleinschalig en introvert ten opzichte van de omgeving, zij is niet prominent in het landschap aanwezig.

De recreatieve bebouwing heeft veelal één bouwlaag met een bescheiden zadel- of tentdak. Het betreft enkelvoudige vormen, met de nadruk op rechte lijnen en een geordende gevelindeling. De geleding is evenwichtig. Detailleringen worden niet veelvuldig toegepast bij de recreatieve bebouwing. Overstekken treft men wel veel aan. Het materiaalgebruik bestaat hoofdzakelijk uit natuurlijke materialen: hout en bakstenen, pannen en riet.

 

Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid

De kleinschaligheid van de bebouwing en de besloten ligging zijn belangrijke waarden. Het beleid van de gemeente is gericht op het in stand houden van het extensieve karakter van de bebouwing (B)7.

 

Bij de (ver-)bouw van bebouwing dient extra aandacht te zijn voor de plaatsing in en het karakter van de omgeving.

 

Objectcriteria

Ruimtelijke structuur

  • -

    de bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en houden rekening met de bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de landschappelijke inrichting.

 

Plaatsing

  • -

    de bebouwing mag geen afbreuk doen aan het landelijk karakter van de omgeving;

  • -

    de bouwwerken hebben een gevarieerde plaatsing op de kavels.

 

Massa en vorm

  • -

    de bebouwing is vrijstaand (B)7

  • -

    de bebouwing heeft niet meer dan één bouwlaag, woonruimte onder de schuine kap is mogelijk (B)7.

 

Detaillering, kleur- en materiaalgebruik

  • -

    gevels hebben een neutrale en horizontale geleding en worden gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw;

  • -

    detailleringen worden terughoudend en sober uitgevoerd.

  • -

    het materiaalgebruik bestaat in hoofdzaak uit natuurlijke materialen, met de nadruk op hout, baksteen, pannen en riet;

  • -

    het kleurgebruik is ingetogen, met de nadruk op aardkleuren en donkere tinten.

 

Eventuele nadere bepalingen per gebied zijn te vinden in de gebiedsbeschrijving en de -criteria.

 

7 Criteria waarachter een “(B)” staat zijn van toepassing indien dit niet geregeld is in het bestemmingsplan

 

5.6 Object 'landgoederen'

Van oorsprong liggen in het gebied diverse landgoederen, die de ontwikkeling van het landelijke gebied hebben beïnvloed. De landgoederen hebben een rijke historie die terug kan gaan naar de middeleeuwen. De bouwwerken bestaan uit een hoofdgebouw met daar omheen verscheidende bijgebouwen. Bovendien maken veelvuldig verscheidene boerderijen in de directe omgeving deel uit van het landgoed.

Het hoofdgebouw van een landgoed heeft een prominente plaatsing op de kavel. De hoofdbebouwing is veelal opgebouwd uit twee bouwlagen met een kap evenwijdig aan de representatieve voorgevel. De gevels zijn overwegend geometrisch opgebouwd, met een verticale geleding en met een samenhangende massaopbouw.

 

 

Objectcriteria

Ruimtelijke structuur

  • -

    de bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en houden rekening met de bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de landschappelijke inrichting.

     

Plaatsing

  • -

    de plaatsing van bijgebouwen is ondergeschikt aan het hoofdgebouw.

     

Massa en vorm

  • -

    het bouwwerk kent een representatieve gevel die op de openbare ruimte gericht is;

  • -

    de bebouwing wordt gekenmerkt door een rijzig karakter;

  • -

    er worden enkelvoudige en samengestelde kappen toegepast.

     

Detaillering, kleur- en materiaalgebruik

  • -

    de gevelgeleding wordt gekenmerkt door een verticale geleding en horizontale verbanden en door een evenwichtige, hiërarchische opbouw;

  • -

    de hoofdmaterialen zijn natuurlijke materialen: (bak-)steen, pleisterwerk, hout, dakpannen en riet;

  • -

    de hoofdkleuren van de gevels zijn stucwerk in gebroken wit of grijs of gedempte (aard-)kleuren;

  • -

    binnen een dakvlak komen geen kleurverschillen voor;

  • -

    er worden rijke detailleringen toegepast, zoals ornamenten en geveldecoraties;

  • -

    kleurgebruik en detaillering van aan- en uitbouwen zijn afgestemd op de hoofdmassa;

  • -

    materiaalgebruik en kleuren van bijgebouwen in de nabijheid van het hoofdgebouw zijn afgestemd op het hoofdgebouw.

     

Eventuele nadere bepalingen per gebied zijn te vinden in de gebiedsbeschrijving en de -criteria.

Gebiedskaart Gemeente Scherpenzeel

Afdeling 6 Gebiedscriteria buitengebied

6.1 Ruimtelijke hoofdstructuur

Met het oog op het formuleren van welstandsbeleid is het buitengebied van Scherpenzeel opgedeeld in een tweetal karakteristieken van het landschap, te weten het Kampenlandschap en het Heideontginningslandschap. Deze indeling kan mede de basis verschaffen voor de invloed van de uiterlijke verschijningsvorm van bouwwerken op hun omgeving. Ten noorden en ten zuiden van de kern liggen Kampenlandschappen, met enigszins verschillende ruimtelijke karakteristieken. Nabij Gooswilligen is een Heideontginningslandschap te onderscheiden. Daarbij is de begrenzing uit het Landschapsbeleidsplan Scherpenzeel (2001) aangehouden. Anders dan de overzichtsprent van de landschapstypen van de acht gemeenten beperkt het Heideontginningslandschap zich tot een gebied aan weerszijden van de ontginningsweg Gooswilligen.

 

Van oudsher is de doorgaande weg van Ede naar Zeist een centraal lint door het gebied. Van hieruit lopen een aantal structuurlijnen het omliggende landschap in, zoals de Marktstraat die over gaat in de Rennessersteeg en de Haar, De Willaerlaan, die overgaat in de Moorsterweg en De Oude Barneveldseweg, die overgaat in de Barneveldsestraat. Sinds de aanleg van De Dreef wordt de Oude Barneveldseweg onderbroken.

Ook de Vlieterweg en de Hopeseweg zijn reeds lang bestaande wegen. Verder ligt in het gebied een aantal beken. Deze beken hebben ook bij de ontginning een rol gespeeld. Voor een deel is dit terug te zien in het verkavelingpatroon, de ligging en de vorm van de kavels.

 

Ontwikkeling en beleid

Op diverse plaatsen binnen de gemeente wordt aanspraak gedaan op de Ruimte-voor-ruimte-regeling, waarbij agrarische opstallen verdwijnen en in een enkel geval een nieuwe burgerwoning wordt toegevoegd. In dat geval is het Beeldkwaliteitplan Functieverandering Gelderse Vallei vermeldenswaard. Daarin worden specifieke uitspraken gedaan over de wijze waarop bij functieverandering in het buitengebied van o.a. de gemeente Scherpenzeel wordt omgegaan met de kenmerken van de bebouwing ten aanzien van de plaatsing, oriëntatie en massa. Ook de landschappelijke inpassing komt in dat plan aan de orde, maar dat is buiten de reikwijdte van het welstandsbeleid.

 

Voorts is de voortdurende schaalvergroting binnen de agrarische sector van belang. Dat gaat gepaard met stallen met een lengte van 100 meter en meer. De landschappelijke inpassing is daar een belangrijk aandachtspunt, maar daarin is geen taak weggelegd voor de welstandsnota.

 

Gebouwen langs de belangrijkste routes, De Dreef en de Barneveldsestraat, zijn het visitekaartje van Scherpenzeel. Hier wordt bijzonder belang gehecht aan de welstandstoetsing. In de overige gebieden gaat het vooral om het handhaven en stimuleren van de basiskwaliteit voor de dagelijkse woon- en werkomgeving. Steeds zal de omgeving uitgangspunt zijn voor de te hanteren criteria, met daarnaast specifieke kenmerken van de bebouwing zelf en/of de detaillering en het kleur- en materiaalgebruik ervan.

De welstandscriteria hebben betrekking op de ‘overige bebouwing’, bebouwing die niet reeds via de objectcriteria is geregeld. Tevens kan een nuancering van de loket- en objectcriteria plaats hebben.

6.2 Kampenlandschap

 

Het Kampenlandschap ligt ten noorden en zuiden van de kern. In het oosten ligt de grens bij het Heideontginningslandschap aan Gooswilligen. In het zuiden ligt de grens bij de Luntersebeek. Aan de west- en noordzijde loopt het gebied over de gemeentegrens door.

 

Het gebied wordt ruimtelijk bepaald door de Barneveldsestraat, de Haar-Kolfschoten, de Renessersteeg en de Willaerlaan. De twee laatstgenoemde wegen lopen (ruimtelijk) door in de kern van Scherpenzeel. Ook ten zuiden van de kern liggen enkele oude wegen, zoals de Vlieterweg, de Nieuwstraat en de Hopeseweg.

In dit gebied liggen enkele beeklopen, zoals Gooswillegenbeek, Heintjeskamperbeek, Huigenboschbeek, Moorsterbeek, de Nattegatsloot en in het zuiden de Luntersebeek.

Het verkavelingspatroon volgt de bochten in de wegen en de beken. Hierdoor heeft de verkaveling een grillig, onregelmatig en gevarieerd karakter. Het gebied is overwegend agrarisch ingericht. Langs de Ruwwinkelseweg ligt het recreatiepark Klein Ruwwinkel. De beschrijving en criteria voor dit park zijn te vinden in de objectcriteria voor recreatieve bebouwing. Langs de Nieuwstraat bevindt zich een begraafplaats. Door de groene aankleding hiervan, ondersteunt de begraafplaats de plaatselijke, kleinschalige, groene structuur.

 

De Barneveldsestraat is de doorgaande weg door dit gebied. Hieraan ligt een groot aantal agrarische bedrijven. Ook langs De Haar ligt een concentratie van agrarische bebouwing. De oude boerenhoeven staan verspreid, maar ze liggen vrijwel allemaal op of in de directe nabijheid van de dekzandruggen. De landgoedeigenaren hebben een bepalende rol gespeeld in de ontginning. Dit is merkbaar in de variatie in het landschap waarbij landbouwgronden grenzen aan andere landschapselementen als natuurgebieden.

Ondanks schaalvergroting binnen de agrarische sector en de toevoeging van bebouwing is het kleinschalige landschap behouden gebleven. De bouwpercelen liggen verspreid in het gebied, voornamelijk langs de wegen, maar ook solitair aan een insteekweg. Kenmerkend voor dit landschap is de kleinschaligheid, door de aanwezige beplanting in de vorm van houtwallen, singels, erf- en wegbeplatingen en verspreide bosschages. Rond een deel van de boerderijen ontbreekt echter de erfbeplanting, waardoor de grootschalige agrarische bebouwing het beeld van het landschap overheerst.

 

Bebouwing

Het beeld van de bebouwing varieert. In dit gebied staat een aantal oudere boerderijen haaks op de weg, daterend uit het eind van de 19e eeuw. Een voorbeeld is boerderij Het Dorp, aan Vlieterweg 11. Van oorsprong liggen de boerderijen op de smalle dekzandrug met de achterzijde naar de natte gronden van de beekdalen. De bedrijfswoningen staan over het algemeen aan de weg. Op het erf erachter staan de schuren en stallen. Een enkele keer, zoals bij Groot Orel, reiken de schuren tot aan de voorzijde van het perceel.

 

De boerderijen die in de jaren vijftig en zestig zijn gerealiseerd, zijn voornamelijk georiënteerd op de weg. De bebouwing bestaat uit één en soms twee lagen met een zadeldak, dat dwars op de weg staat. De boerderijen die in de jaren 70 zijn gebouwd bestaan eveneens uit één laag met kap. De schuren en stallen staan vaak achter of naast de agrarische bedrijfswoningen.

 

Recent is ook nog een enkele boerderij toegevoegd of zijn de oorspronkelijke boerderijen vervangen door nieuwere panden, dan wel grondig verbouwd. In een enkel gebouw is aangesloten bij de karakteristiek van het hallenhuistype, met zijn forse kap.

Daarnaast is er een nieuw pand gerealiseerd op het landgoed Heintjeskamp. Het is een L-vormig gebouw, met een samengestelde kap. Het pand is gebouwd van witte baksteen, met marmeren pilaren.

 

Bij een enkele boerderij is een schaapskooi aanwezig, zoals langs de Vlieterweg. De schaapskooien waren van oorsprong van belang om de schaapsmest te kunnen verzamelen voor de bemesting van de akkers. Het zijn markante kleine gebouwen met een grote ononderbroken (rieten) kap, tot zeer dicht boven de rond doorlopend. De schaapskooien hebben een bakstenen voet. Oorspronkelijk bestonden de wanden van het gebouw geheel uit hout.

 

Ontwikkeling en beleid

Rond de bebouwde kom ligt in het bestemmingsplan Buitengebied (1988) een kernrandzone. Deze gronden behoren met name tot landgoederen. Hier is ruimte voor natuurontwikkeling en extensivering van de landbouw.

Enkele boerderijen, zoals Klein Orel, zijn aangewezen als rijksmonument. Aangezien de bebouwing in dat kader voldoende beschermd wordt, zijn hierop geen extra welstandscriteria van toepassing.

In het gebied ten zuiden van de kern staat ontwikkeling van natuurwaarden, gekoppeld aan de ontwikkeling van de ecologische verbindingszone langs de Luntersebeek centraal. Dit gebied zal tot een parkzone worden ontwikkeld, waarin een combinatie van functies in relatie tot het historisch karakter een plaats krijgt.

Delen van het gebied bezitten landschappelijke en natuurwaarden. De bescherming van deze waarden is geregeld in het Bestemmingsplan Buitengebied en het Landschapsbeleidsplan.

 

De bebouwing langs De Dreef en de Barneveldsestraat vertegenwoordigt een relatief groot maatschappelijk belang, door de grote mate van zichtbaarheid voor een grote groep mensen. Als nuancering van de objectcriteria worden daarom (gebieds-)criteria specifiek voor deze bebouwing toegevoegd.

 

Welstandscriteria

Algemeen

  • -

    de bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en de bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de landschappelijke inrichting;

 

Plaatsing

  • -

    geen

 

Massa en vorm bebouwing

  • -

    de bebouwing wordt terughoudend vormgegeven;

  • -

    panden hebben een individuele uitstraling;

  • -

    de gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw;

 

Detaillering, kleur en materiaalgebruik

  • -

    de hoofdkleuren zijn gedempte (aard-)kleuren.

 

Ter nuancering van de objectcriteria voor hallenhuisboerderij, agrarische bedrijfswoning, niet-agrarische woonbebouwing en bedrijfsbebouwing geldt dat uitsluitend bij de bebouwing in de directe nabijheid van De Dreef en de Barneveldsestraat de hoofdvorm enkelvoudig en rechthoekig is.

6.3 Heideontginningslandschap

Het heideontginningslandschap aan weerszijden van de weg Gooswilligen is een door bosschages omgeven gebied aan de noordoostkant van de gemeente.

Het gebied is ontgonnen vanaf de kaarsrechte, centrale weg, Gooswilligen. De bouwpercelen liggen aan deze weg. De kavels hebben voornamelijk een rechthoekige vorm, met enige nuancering nabij de Nattegatsloot en de Gooswilligenbeek.

De agrarische bebouwing is grootschalig en al van ver zichtbaar doordat er weinig beplanting in het gebied aanwezig is. Dat geldt ook voor de erfbeplanting op de bouwpercelen..

 

Bebouwing

De bebouwing in deze relatief jonge ontginning bestaat uit grootschalige, moderne agrarische bedrijven. De boerderijen zijn georiënteerd op de weg. De woning bestaat uit één laag met een zadeldak, dat dwars op de weg of parallel aan de weg staat.

De schuren en stallen staan vaak naast de agrarische bedrijfswoning.

 

Beleid

De bescherming van de in het buitengebied aanwezige landschappelijke en natuurwaarden is geregeld in het Bestemmingsplan Buitengebied en het Landschapsbeleidsplan.

 

Welstandscriteria

Algemeen

  • -

    de bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en de bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de landschappelijke inrichting;

 

Plaatsing

  • -

    geen

 

Massa en vorm bebouwing

  • -

    de bebouwing wordt terughoudend vormgegeven;

  • -

    panden hebben een individuele uitstraling;

  • -

    de gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw;

 

Detaillering, kleur en materiaalgebruik

  • -

    de hoofdkleuren zijn gedempte (aard-)kleuren en afgestemd op de omgeving.

Afdeling 7 Gebiedsanalyse van het dorp

In Scherpenzeel zijn verschillende gebieden te onderscheiden die relevant zijn ten aanzien van de toetsing aan redelijke eisen van welstand. Voor de (gebiedsgerichte) welstandsbeoordeling is de karakterisering van de bebouwing en de stedenbouwkundige omgeving van belang. Voor een beter begrip van die situatie volgt eerst een beknopte weergave van de ontstaansgeschiedenis en de ruimtelijke structuur van het dorp. In het volgende hoofdstuk komen de te onderscheiden deelgebieden binnen de dorpskern aan de orde.

 

Scherpenzeel is ontstaan op een langgerekte dekzandrug door de Gelderse Vallei. Al rond het jaar 1000 na Christus was hier bebouwing aanwezig. Hierop is ook de voormalige rijksweg tussen Ede en Utrecht aangelegd. Het bebouwingslint langs deze weg is het oudste deel van het dorp en vormt de kern van Scherpenzeel, met bebouwing relatief dicht op de weg en in een dicht patroon. Deze structuur is met (zicht-)lijnen gekoppeld aan het omringende landschap, zoals de Marktstraat en de Willaerlaan naar het landgoed Oud Willaer. De andere oude structuren, zoals Glashorst en de Nieuwstraat, zijn nog wel zichtbaar als structuurlijn, maar de bebouwing is gefragmenteerd, omringd door een nieuwe omgeving. De lintbebouwing kenmerkt zich in algemene zin door perceelsgewijze individuele bebouwing.

 

De ontwikkelingen gaan aanvankelijk zeer geleidelijk, vooral in de vorm van het verdichten van de oorspronkelijke structuur. In mei 1940 lag Scherpenzeel in de vuurlinie van de Grebbelinie. Daarbij is een deel van de oorspronkelijke lintbebouwing verwoest. In datzelfde jaar is het Wederopbouwplan opgesteld dat met een grote mate van precisie (steden-)bouwkundige elementen heeft toegevoegd. De bebouwing werd veelal enigszins teruggeplaatst en er werden drie pleinen toegevoegd, het Holevoetplein, het plein bij het oude gemeentehuis en Plein 1940. De bebouwing werd gerealiseerd in Delftse School-stijl, waarbij het kenmerkende patroon met gevarieerde en individuele kleinschalige bebouwing behouden bleef.

Ook in het vastgestelde beeldkwaliteitplan Dorpsstraat-West (2000) zijn het wederopbouwplan en de daarmee samenhangende kenmerkende opzet en bebouwing tot uitgangspunt genomen voor nieuwe invullingen.

 

Vanaf 1950 is sprake van aanzienlijke uitbreidingen met planmatig aangelegde woonbuurten en bedrijventerreinen. In de jaren vijftig is de Bomenbuurt gerealiseerd, waarna in de jaren zestig de

Oranjebuurt, Vogelbuurt en Zuid volgden. Het gaat daarbij veelal om traditionele blokverkaveling, met rijenwoningen in twee lagen en een kap. In die jaren werd ook een tweetal bijzondere woonbuurten gerealiseerd: Proeftuin, een ruim opgezette buurt met overwegend vrijstaande villa’s en het Doornboomspark, met woningen in één laag naar een ontwerp van Maaskant.

In de zeventiger jaren zijn Wittenberg en De Maatjes gebouwd. De eerstgenoemde buurt wordt gekenmerkt door een traditionele blokverkaveling van rijenwoningen (twee lagen en een kap). De Maatjes heeft een meer gevarieerde opzet, met een belangrijke rol voor het groen.

De recente uitbreidingen bevinden zich aan de noordoostzijde van het dorp. Boskamp en Legekamp zijn gerealiseerd in de jaren 70 en 80, Hogekamp in de jaren daarna. Deze buurten kennen een gemêleerde opzet, met enkele gestapelde blokjes als ruimtelijk accenten en veelal vrijstaande woningen aan de randen. In Hogekamp is een eenheid in kleur en materiaal toegepast. Tussen deze buurt en het dorpslint is een cluster gerealiseerd van (half-)vrijstaande witte woningen.

 

De nieuwbouwlocaties bevinden zich veelal op enige afstand (circa 30 meter) tot de bebouwing aan het oude lint, dat daarmee een herkenbaar ruimtelijk element is gebleven. De buitenranden van deze gebieden vormen vaak een heldere overgang naar het landelijke gebied.

 

Zoals ook weergegeven in de Structuurvisie Scherpenzeel (2001) is, behoudens enige afrondende bebouwing zoals De Nieuwe Willaer, het beleid vooral gericht op inbreidingen. Het gaat daarbij veelal om relatief kleinschalige plekken die zich richten naar de bestaande stedenbouwkundige structuur. Het terrein Overeem daarentegen introduceert op buurtniveau een nieuwe invulling.

 

De stedenbouwkundige opzet van het dorp wordt voorts gekenmerkt door een aantal groene lobben die tot ver in het dorp reiken. Het betreft aan de zuidkant de zones aan de Brinkkanterweg/Burg. Röell-laan, de Hovenierslaan (Holevoet), Park Huize Scherpenzeel en de Hopeseweg en aan de noordkant de zone tussen Boskamp en Legekamp. Deze lobben hebben voornamelijk een (semi-)agrarische functie.

Een bijzondere groene lob betreft die van ‘Park Huize Scherpenzeel’, als onderdeel van een landgoederenzone op de grens van de hogere Veluwegronden naar de lagere gelegen Rijn en IJsselvallei. Park Huize Scherpenzeel heeft een grote historische waarde. Het Kasteel bevat een middeleeuwse kern en is in de 19e eeuw in neogotische stijl verbouwd. In diezelfde tijd zijn het Koetshuis en een Poortgebouw aan de Dorpsstraat toegevoegd, in respectievelijk een neogotische en een sobere classicistische stijl. Een deel van de oorspronkelijke bebouwing is inmiddels verdwenen: een orangerie, een ijskelder en een theekoepel.

Het park vormt een karakteristiek 19de-eeuws landschapspark met fraaie doorzichten en een afwisseling tussen open ruimten en besloten bomengroepen. Op het Park Huize Scherpenzeel is de Monumentenwet van toepassing.

 

In het Wederopbouwplan werd tevens een nieuwe verkeersroute ten zuiden van de Dorpsstraat voorgesteld om het dorp te ontlasten. Delen van die route zijn gerealiseerd (Koepellaan en Ringbaan), maar is door de landschappelijke belangen van Huize Scherpenzeel nimmer voltooid. In een later stadium, begin jaren 90, is daarentegen een noordelijke omleiding gerealiseerd (De Dreef), waarna de Dorpsstraat en Holevoetplein heringericht zijn.

 

Aan de beide uiteinden van De Dreef zijn de bedrijventerreinen ’t Zwarte Land (35 hectare) en Hogekamp-oost (7 hectare) gelegen, al is de bedrijvigheid niet met de (representatieve) voorzijde naar deze weg gericht. Er is op beide terreinen sprake van relatief grootschalige bedrijfsbebouwing. Er worden geen nieuwe bedrijventerreinen ontwikkeld. Kleinschalige bedrijvigheid kan nog wel een plek vinden binnen de stedelijke contour.

 

Afdeling 8 Gebiedscriteria van het dorp

8.1 Het oude dorpslint

Ruimtelijke structuur

Het bebouwingslint langs het Holevoetplein, de Dorpsstraat en het zuidelijke deel van de Marktstraat vormt de oude kern van Scherpenzeel. In de loop van de tijd is dit lint verdicht. De invloed van het Wederopbouwplan is hier sterk voelbaar, waarbij herbouw plaats had in de stijl van de Delftse School en met verbijzonderingen in de rooilijn. De kleinschaligheid en de individuele herkenbaarheid zijn in stand gehouden, met ook enige grootschaliger bebouwing, zoals de kerk en hotel "De Witte Holevoet".

 

Langs de Dorpsstraat bevinden zich winkels en andere voorzieningen, met een concentratie rond het plein op de hoek van de Marktstraat-Druivenkamp-Beukenlaan en Plein 1940 en nabij de aansluiting van Vijverlaan/ de Willaerlaan op de Dorpsstraat. De bebouwing is op de weg gericht en wordt gekenmerkt door heldere, eenduidige hoofdvormen en royale kappen.

 

De bebouwing staat van oudsher dicht op de weg, met een stenige uitstraling. Daarentegen is veelal sprake van relatief diepe percelen van circa 30 meter, met soms veel erfbebouwing van bedrijven of voorzieningen.

Met het Wederopbouwplan zijn markante verbredingen en pleinen (Holevoetplein, bij het oude gemeentehuis en Plein 1940) toegevoegd aan het bebouwingslint. In een later stadium is aan de Marktstraat een verruiming van het profiel aangebracht, met grootschaliger bebouwing daaraan.

 

De bebouwing is vooral uitgevoerd in één tot twee lagen met een kap, waarbij de kaprichting geen eenduidig beeld heeft. Van oudsher en bij de individuele panden is de kaprichting overwegend dwars op de weg, terwijl de (Delftse School-)complexen veelal voorzien zijn van kappen evenwijdig aan de weg. Aan de Marktstraat is een schaalvergroting opgetreden, mede voor voorzieningen die zich niet meer lenen voor de kleinschalige historische structuur van de Dorpsstraat.

De bebouwing is over het algemeen gevarieerd en individueel vormgegeven, waarbij optisch een gesloten bebouwingswand ontstaat. De ‘korrelgrootte’ bedraagt over het algemeen zo’n 12 meter, een maat die ook in het beeldkwaliteitplan Dorpsstraat-West wordt genoemd.

 

Detaillering, kleur- en materiaalgebruik

Er is voornamelijk natuurlijk en duurzaam materiaal toegepast. Over het algemeen is voor de bebouwing roodbruine baksteen gebruikt, incidenteel is dat wit pleisterwerk. Er zijn vooral dakpannen in oranje of in donkere tinten toegepast.

De panden van de Delftse School worden gekenmerkt door een rijke detaillering, met verbijzonderingen van hoeken en kopgevels (metselwerk met natuurstenen accenten).

Waardebepaling, ontwikkeling en beleid

Het oude bebouwingslint laat met zijn gevarieerde bebouwing de bijzondere geschiedenis van het dorp zien en is daarom waardevol voor Scherpenzeel. Dat uit zich onder meer in het feit dat panden aan het Holevoetplein en de Dorpsstraat in 1984 zijn beschermd, op basis van de gemeentelijke monumentenverordening.

Het ter plaatse geldende bestemmingsplan is consoliderend van aard. De geboden ruimtelijke mogelijkheden worden (in de Beschrijving in Hoofdlijnen) afgestemd op het kleinschalige karakter en de Delftse Schoolstijl. Ook het beeldkwaliteitplan Dorpsstraat-West geeft aanbevelingen in die richting. Het beeldkwaliteitplan Scherpenzeel gaat met name in op ontwikkeling rond het plein op de hoek Marktstraat-Druivenkamp-Beukenlaan. Ook hierin is het beleid gericht op onder meer individualiteit van de bebouwing en kleinschalige parcellering.

De eisen zoals die in de beeldkwaliteitplannen gesteld worden voor het dorpslint, zijn in de welstandscriteria overgenomen.

 

Gelet moet worden op maat en schaal van het gebied en de specifieke kenmerken van de lintbebouwing, waarbij het behoud van de diversiteit van de bebouwing van belang is.

 

Welstandscriteria

Algemeen

  • -

    de bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige structuur, de typologie van gebouwen en de detaillering, kleur- en materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen.

     

Plaatsing

  • -

    rooilijnen uit het Wederopbouwplan worden gevolgd (BKP); Kleine hoogte en rooilijn verspringingen zijn gewenst, aansluitend aan de huidige karakteristiek (BKP)8;

  • -

    oriëntatie op de weg;

  • -

    concentratie van bebouwing aan de voorzijde van het perceel, tot maximaal 30 m diep (BKP) 8;

  • -

    bijgebouwen worden achter de voorgevel rooilijn gesitueerd, in het verlengde van de zijgevels, en ondergeschikt aan het hoofdgebouw (B).

     

Massa en vorm

  • -

    de hoofdgebouwen hebben een individuele uitstraling met heldere, eenduidige hoofdvormen;

  • -

    kleinschalige parcellering (maximaal 12 meter);

  • -

    royale kappen met een nok;

  • -

    twee bouwlagen en een kap. Op bijzondere plekken is het mogelijk een ruimtelijk accent toe te laten met bebouwing in drie bouwlagen, in beginsel zonder kap. Bijzondere locaties zijn de knik van de Dorpsstraat, nabij de aansluiting van Glashorst, de locaties in het verlengde van de Willaerlaan en van de Vijverlaan (BKP)8. In het gebied dat valt binnen het beeldkwaliteitplan Scherpenzeel zijn de panden maximaal 3 bouwlagen hoog, waarvan de bovenste laag een duidelijke beëindiging van de massa vormt, als (niet doorgebroken) kap of als terugliggende laag uitgevoerd (BKP) 8;

  • -

    de gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw;

  • -

    begane grond en verdiepingen dienen als eenheid ontworpen te worden. Samenhang in gevelopbouw, maatvoering en materialen, met een duidelijke beëindiging van een gebouw (BKP) 8;

  • -

    bijvoorkeur geen uitwendige balkons, loggia’s zijn wel acceptabel (BKP) 8;

  • -

    plaatsing en massa van bijgebouwen en aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw;

  • -

    bijzondere elementen zoals erkers, dakkapellen vormen een architectonisch geheel met de gevel (BKP) 8;

  • -

    luifels boven winkels worden geïntegreerd met het gevelbeeld (BKP) 8;

  • -

    een te sterke horizontale geleding dient vermeden te worden. Een samenspel moet ontstaan tussen de continuïteit van de winkeletalages en de verticale ritmiek van de 1e en 2e verdieping met bovenwoningen (BKP) 8 .

     

Detaillering, kleur- en materiaalgebruik

  • -

    toepassing van natuurlijk en duurzaam materiaal. Ook moderne materialen zijn toegestaan, maar dat vereist bijzondere zorg voor de wijze van toepassing en detaillering (BKP) 8;

  • -

    gevel bestaat uit (bak-)stenen met natuurstenen accenten;

  • -

    oog voor het detail (BKP), bestaande details worden gehandhaafd bij verbouwing;

  • -

    aan en uitbouwen en bijgebouwen sluiten in kleur en materiaalgebruik aan bij het hoofdgebouw;

  • -

    toepassing van gedekte aardkleuren, dan wel in aansluiting op omgeving.

     

8Criteria waarachter “(BKP)” staat, zijn ontleend aan het Beeldkwaliteitsplan Centrum en/of Beeldkwaliteitsplan Scherpenzeel.

9 Criteria waarachter een “(B)” staat, zijn van toepassing indien dit niet geregeld is in het bestemmingsplan.

 

8.2 De rest van het oude bebouwingslint

Ruimtelijke structuur

De uiteinden van het oorspronkelijke bebouwingslint langs de Stationsweg en het Oosteinde en de uitloper naar de zuidkant (omgeving Vlieterweg en Nieuwstraat) geven een ander beeld dan het hiervoor behandelde centrale deel van het bebouwingslint. Het lint doet hier minder stedelijk aan: het profiel is breder en de bebouwing bevindt zich op enige afstand tot de openbare weg. De bebouwing is sterk gemêleerd, met de nadruk op een individuele herkenbaarheid.

Het betreft deels bebouwing uit het begin van de vorige eeuw, kavelsgewijs aangevuld met bebouwing van recenter datum.

Vooral langs de Nieuwstraat en de Molenweg is vooroorlogse woonbebouwing aanwezig. De bebouwing in de Nieuwstraat bestaat deels uit rijen kleine eengezinswoningen direct aan de weg.

 

Aan de beide uiteinden van het lint is meer bedrijfsbebouwing aanwezig dan in het centrale gedeelte. De nog aanwezige bedrijfsbebouwing heeft de maatvoering van de individuele woonbebouwing aangehouden en is vaak wat verder naar achter geplaatst. Het gaat hier veelal om vrijstaande woningen, met een voortuin. De bebouwing is relatief ruim opgezet.

Het betreft in dit deelgebied overwegend vrijstaande of twee-onder-één-kapwoningen in één tot twee lagen met een kap. Er zijn ook enkele kleine rijtjes van circa vier woningen aanwezig.

Er zijn voornamelijk zadeldaken toegepast, evenals mansardekappen. De kaprichting is over het algemeen parallel aan de weg, al komen ook dwars geplaatste kappen voor.

Een deel van de woningen is uiterst bescheiden van omvang. Dat heeft er in enkele gevallen toe geleidt dat de kap is opgetrokken, waarmee een volledige tweede bouwlaag ontstaat.

 

Detaillering, kleur- en materiaalgebruik

De bebouwing is grotendeels opgetrokken in roodbruine baksteen. De dakpannen zijn veelal donker of roodoranje van kleur.

Met name aan de Stationsweg zijn bij huizen nog erkers en glas-in-lood aanwezig, alsmede detaillering in het metselwerk rondom de gevelopeningen.

 

Waardebepaling, ontwikkeling en beleid

De structuur van de wat oudere delen van het dorpsgebied is waardevol en verdient bescherming. Het bestemmingsplan heeft primair de bestaande situatie als vertrekpunt. Behoud van de individualiteit, de diversiteit en de maat en schaal van de bebouwing in het gebied staan centraal.

 

Welstandscriteria

Algemeen

  • -

    de bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige structuur, de typologie van gebouwen en de detaillering, kleur- en materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen.

 

Plaatsing

  • -

    oorspronkelijke rooilijnen worden gevolgd (B)11;

  • -

    oriëntatie op de weg;

  • -

    bijgebouwen worden achter de voorgevel rooilijn gesitueerd, en ondergeschikt aan het hoofdgebouw.

 

Massa en vorm bebouwing

  • -

    hoofdgebouwen hebben een individuele uitstraling;

  • -

    de gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw;

  • -

    plaatsing en omvang van bijgebouwen en aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw.

 

Detaillering, kleur en materiaal gebruik

  • -

    bestaande details worden (zoveel mogelijk) gehandhaafd bij verbouwing;

  • -

    gevel bestaat uit (bak-)stenen in traditionele (aard)kleuren;

  • -

    aan en uitbouwen en bijgebouwen sluiten in kleur en materiaalgebruik aan bij het hoofdgebouw;

  • -

    kleurgebruik in aansluiting op omgeving.

     

11Criteria waarachter een “(B)” staat, zijn van toepassing indien dit niet geregeld is in het bestemmingsplan.

8.3 Bomenbuurt

Ruimtelijke structuur

De Bomenbuurt werd in de jaren '50 gerealiseerd en is de eerste planmatig ontwikkelde woonwijk na de Tweede Wereldoorlog. De kwaliteit van de woningen en de omgeving neemt af. De komende 10 jaar zal in delen van deze wijk herstructurering plaatshebben.

 

De wijk kent een rationeel stratenpatroon. De voortuinen worden van de straat gescheiden door lage muurtjes en hekken. In enkele straten zijn bomen langs de weg geplant.

Verstoringen van het bebouwingsbeeld doen zich vooral voor bij hoekwoningen. Aanbouwen, bijgebouwen en schuttingen in de zijtuinen vormen in vele gevallen een aantasting van de stedenbouwkundige karakteristiek.

 

De bebouwing is overwegend gerealiseerd in rijen woningen van 3 tot 5 woningen. Die woningen hebben twee lagen en een kap en zijn straatgericht. In de meeste gevallen is een flauw zadeldak toegepast.

De bebouwing kenmerkt zich door een eenvoudige hoofdmassa en een zorgvuldige, sobere detaillering.

Er zijn kleine rijen woningen en woningen van het type twee-onder-één-kap toegevoegd, met een a-symmetrisch dak (Lijsterbeslaan).

Detaillering, kleur en materiaal

Baksteen is het meest gangbare materiaal. Er is in deze wijk bruine baksteen toegepast en er is sprake van ingetogen kleurgebruik.

 

Waardebepaling, ontwikkeling en beleid

Waardevol is de structuur van de wijk, met een heldere stedenbouwkundige opzet en de duidelijke eenheid van de hoofdbebouwing. Vooralsnog is het behoud hiervan aan de orde. Dit betekent dat aan de straatzijde het beeld van de verkaveling zichtbaar moet zijn en wijzigingen in de voorgevels met de nodige terughoudendheid moeten worden uitgevoerd.

In het geval van herstructurering, waarbij ook de stedenbouwkundige structuur wordt aangepast, zal hiertoe een nieuwe paragraaf aan de welstandsnota worden toegevoegd.

 

Welstandscriteria

Algemeen

  • -

    de bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige structuur, de typologie van gebouwen en de detaillering, kleur- en materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen.

     

Plaatsing

  • -

    bij nieuwbouw en uitbreiding wordt de bestaande rooilijn gehanteerd (B)12;

  • -

    de nokrichting van rijenwoningen is evenwijdig aan de weg.

     

Massa en vorm

  • -

    per rij of cluster eenheid in massaopbouw van de hoofdgebouwen;

  • -

    de gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw;

  • -

    plaatsing en massa van bijgebouwen en aan-/uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw.

     

Detaillering, kleur en materiaalgebruik

  • -

    bestaande details worden bij verbouwingen gerespecteerd;

  • -

    aan en uitbouwen en bijgebouwen sluiten in kleur en materiaalgebruik aan bij het hoofdgebouw;

  • -

    kleur- en materiaalgebruik zijn per rij/cluster in onderlinge samenhang.

 

12Criteria waarachter een “(B)” staat, zijn van toepassing indien dit niet geregeld is in het bestemmingsplan.

8.4 Oranjebuurt

Ruimtelijke structuur

In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw werden strak verkavelde woonwijken met rijen woningen aangelegd, de traditionele blokverkaveling. Een deel van de Oranjebuurt is hier een voorbeeld van.

Het stratenpatroon is redelijk strak en symmetrisch. Sommige straten worden begeleid door bomen op de trottoirs.

 

De bebouwing is gerealiseerd in rijen woningen van ca. drie tot vijf woningen. Aan een straat is het beeld eenvormig gehouden, door een type woonblokken toe te passen in twee lagen met kap. De bebouwing kenmerkt zich door eenvoudige hoofdmassa's en kapvormen. In de meeste gevallen is een zadeldak toegepast. De afstand tussen twee dakkapellen dient ca. 1 meter te zijn. De woningen zijn straat gericht, er is een duidelijk onderscheid tussen voorgevel en zijgevel. De tuinen zijn gescheiden van de trottoirs door lage hekken en hagen.

Detaillering, kleur en materiaal

De woningen zijn opgetrokken in bruine baksteen. Het kleurgebruik is ingetogen. De dakpannen hebben over het algemeen de kleur zwart, echter soms zijn ook rode pannen toegepast.

 

Waardebepaling, ontwikkeling en beleid

Waardevol is de structuur van de wijk, de heldere stedenbouwkundige opzet en de duidelijke eenheid van de hoofdbebouwing. Er is geen sprake van ingrijpende wijzigingen in dit gebied. Behoud van de huidige structuur staat voorop. Aan de straatzijde is het van belang dat het beeld van de verkaveling zichtbaar is. Wijzigingen in de voorgevels moeten met de nodige terughoudendheid worden uitgevoerd.

 

Welstandscriteria

Algemeen

  • -

    de bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige structuur, de typologie van gebouwen, de detaillering, kleur en materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen.

 

Plaatsing

  • -

    bij nieuwbouw en uitbreiding wordt de bestaande rooilijn gehanteerd (B)13;

  • -

    de nokrichting van rijenwoningen is evenwijdig aan de weg, uitgezonderd voor vrijstaande woningen.

 

Massa, vorm bebouwing

  • -

    per rij of cluster eenheid in massaopbouw van het hoofdgebouw;

  • -

    de gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw;

  • -

    bij vrijstaande woningen is een individuele uitstraling gewenst;

  • -

    plaatsing en massa van bijgebouwen en aan-/uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw.

 

Detaillering, kleur en materiaalgebruik

  • -

    bestaande details worden bij verbouwingen gerespecteerd;

  • -

    aan en uitbouwen en bijgebouwen sluiten in kleur en materiaalgebruik aan bij het hoofdgebouw;

  • -

    kleur- en materiaalgebruik zijn per rij/cluster in onderlinge samenhang.

     

13Criteria waarachter een “(B)” staat, zijn van toepassing indien dit niet geregeld is in het bestemmingsplan.

8.5 Vogelbuurt

Ruimtelijke structuur

De Vogelbuurt is in de jaren zestig van de vorige eeuw gerealiseerd. De buurt ligt tussen het bebouwingslint en de wijk Boskamp ingesloten. In de wijk komen de voor de jaren zestig en begin zeventig kenmerkende strakke, symmetrische straten voor.

 

De bebouwing is gerealiseerd in rijen woningen van ca. drie tot vijf woningen. Aan een straat is het beeld eenvormig gehouden, door een type woonblokken toe te passen in twee lagen met kap. Ook staan er enkele (half)vrijstaande woningen.

De bebouwing kenmerkt zich door eenvoudige hoofdmassa's en kapvormen. In de meeste gevallen is een zadeldak toegepast. De woningen zijn straat gericht, er is een duidelijk onderscheid tussen voorgevel en zijgevel. De tuinen zijn gescheiden van de trottoirs door lage hekken en hagen.

 

Detaillering, kleur en materiaal

Voor de muren van de woningen is bruine en gele baksteen toegepast. Het kleurgebruik is ingetogen. De dakpannen hebben over het algemeen de kleur zwart, echter soms zijn ook rode pannen toegepast.

 

Waardebepaling, ontwikkeling en beleid

Waardevol is de structuur van de wijk, de heldere stedenbouwkundige opzet en de duidelijke eenheid van de hoofdbebouwing. Er is geen sprake van ingrijpende wijzigingen in dit gebied. Behoud van de huidige structuur staat voorop. Aan de straatzijde moet het beeld van de verkaveling zichtbaar zijn en wijzigingen in de voorgevels met de nodige terughoudendheid moeten worden uitgevoerd.

 

Welstandscriteria

Algemeen

  • -

    de bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige structuur, de typologie van gebouwen en de detaillering, kleur- en materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen.

 

Plaatsing

  • -

    bij nieuwbouw en uitbreiding wordt de bestaande rooilijn gehanteerd (B)14;

  • -

    de nokrichting van rijenwoningen is evenwijdig aan de weg, uitgezonderd voor vrijstaande woningen.

Massa, vorm bebouwing

  • -

    per rij of cluster eenheid in massaopbouw van het hoofdgebouw;

  • -

    plaatsing en massa van bijgebouwen en aan-/uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw;

  • -

    de gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw.

Detaillering, kleur en materiaalgebruik

  • -

    bestaande details worden bij verbouwingen gerespecteerd;

  • -

    kleur- en materiaalgebruik zijn per rij/cluster in onderlinge samenhang.

 

14Criteria waarachter een “(B)” staat, zijn van toepassing indien dit niet geregeld is in het bestemmingsplan.

8.6 Zuid

Ruimtelijke structuur

De wijk Zuid is een typisch voorbeeld van de in de jaren zestig en begin zeventig van de vorige eeuw gerealiseerde strak verkavelde woonwijken met rijen woningen, de traditionele blokverkaveling. Het stratenpatroon is strak en symmetrisch. De bebouwing is gerealiseerd in rijen woningen van ca. drie tot zes woningen. Aan een straat is het beeld eenvormig gehouden, door een type woonblokken toe te passen in twee lagen met kap. Aan de rand van de wijk, langs de Grebbelaan, staat een rij (half)vrijstaande woningen.

De bebouwing kenmerkt zich door eenvoudige hoofdmassa's en kapvormen. In de meeste gevallen is een zadeldak toegepast. In deze wijk is een platte dakkapel vanaf de nok toegestaan. De afstand tussen twee dakkapellen aan de achterzijde dient ca. 1 meter te zijn.

De woningen zijn straat gericht, er is een duidelijk onderscheid tussen voorgevel en zijgevel. Aan de voorzijde zijn rechthoekige erkers toegestaan. De tuinen zijn gescheiden van de trottoirs door lage hekken en hagen.

 

Detaillering, kleur en materiaal

De woningen zijn opgetrokken in bruine baksteen. Het kleurgebruik is ingetogen. De dakpannen hebben over het algemeen de kleur zwart, echter soms zijn ook rode pannen toegepast. Vooral in deze wijk is hout gebruikt in de voorgevel van de woningen. Bij veranderingen aan de voorgevel dient de bestaande differentiatie van vorm (diepte), materiaal en kleur gehandhaafd te blijven.

Waardebepaling, ontwikkeling en beleid

Waardevol is de structuur van de wijken, de heldere stedenbouwkundige opzet en de duidelijke eenheid van de hoofdbebouwing. Er is geen sprake van ingrijpende wijzigingen in dit gebied. Behoud van de huidige structuur staat voorop. Van belang is dat aan de straatzijde het beeld van de verkaveling zichtbaar is. Wijzigingen in de voorgevels moeten met de nodige terughoudendheid worden uitgevoerd.

 

Welstandscriteria

Algemeen

  • -

    de bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige structuur, de typologie van gebouwen en de detaillering, kleur- en materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen.

 

Plaatsing

  • -

    bij nieuwbouw en uitbreiding wordt de bestaande rooilijn gehanteerd (B)15;

  • -

    de nokrichting van rijenwoningen is evenwijdig aan de weg, uitgezonderd voor vrijstaande woningen.

 

Massa, vorm bebouwing

  • -

    per rij of cluster eenheid in massaopbouw van het hoofdgebouw;

  • -

    de gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw;

  • -

    bij vrijstaande woningen is een individuele uitstraling gewenst;

  • -

    plaatsing en massa van bijgebouwen en aan-/uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw.

 

Detaillering, kleur en materiaalgebruik

  • -

    bestaande details worden bij verbouwingen behouden;

  • -

    bij veranderingen aan de voorgevel dient de bestaande differentiatie van vorm (diepte), materiaal en kleur gehandhaafd te blijven;

  • -

    aan en uitbouwen en bijgebouwen sluiten in kleur en materiaalgebruik aan bij het hoofdgebouw;

  • -

    kleur- en materiaalgebruik zijn per rij/cluster in onderlinge samenhang.

     

In aanvulling op de loketcriteria voor dakkapellen mogen in dit gebied de dakkapellen vanaf de nok ingezet worden.

 

15Criteria waarachter een “(B)” staat, zijn van toepassing indien dit niet geregeld is in het bestemmingsplan.

8.7 Proeftuin

Ruimtelijke structuur

Proeftuin is ontwikkeld in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw en bestaat vooral uit vrijstaande woningen. De wijk is ruim en parkachtig opgezet, met kenmerkende bomenlanen. De woningen staan allemaal op enige afstand van de weg, waardoor een ruim beeld ontstaat. Er is wel een standaard rooilijn gehanteerd. Ook zijn de woningen over het algemeen midden op de kavel gesitueerd. De woningen zijn door de ruime voortuinen in mindere mate straat georiënteerd. De privé tuinen worden van het openbaar groen gescheiden door hagen en hekken.

 

Het bebouwingsbeeld in Proeftuin is gevarieerd, met verschillende typen vrijstaande woningen. Wel bestaan de woningen overwegend uit een bouwlaag met een zadeldak. Een enkele woning aan de rand van de wijk is recentelijk grondig verbouwd. Aan de Holevoetlaan – Vlieterweg zijn recent enkele twee-onder-één-kap-woningen gerealiseerd, bestaande uit één tot twee lagen met een kap. De erkers en dakkapellen zijn standaard meeontworpen.

 

Detaillering, kleur en materiaal

De huizen zijn veelal opgetrokken in gele baksteen. Een enkel huis is witgepleisterd, of bestaat uit witte of bruine baksteen. De daken zijn overwegend uitgevoerd in donkere tinten.

 

Waardebepaling, ontwikkeling en beleid

Waardevol is het individuele karakter van de bebouwing en het groene beeld van de wijk. Dit wordt veroorzaakt door de grote tuinen en de aanwezigheid van bomen in het straatbeeld. Handhaven van het beeld van de bebouwde omgeving is in dit gebied uitgangspunt. Op de locatie van de voormalige middelbare school zal herontwikkeling plaatsvinden.

 

Welstandscriteria

Algemeen

  • -

    de bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige structuur, de typologie van gebouwen en de detaillering, kleur- en materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen.

     

Plaatsing

  • -

    bij nieuwbouw en uitbreiding wordt de bestaande rooilijn gehanteerd (B)16;

  • -

    de voorgevel van de woningen staat evenwijdig aan de weg.

     

Massa, vorm bebouwing

  • -

    de gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw;

  • -

    plaatsing en massa van bijgebouwen en aan-/uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw;

  • -

    het vrijstaand karakter en de individuele uitstraling van de woningen wordt gehandhaafd.

     

Detaillering, kleur en materiaalgebruik

  • -

    bestaande details worden bij verbouwingen gehandhaafd;

  • -

    aan en uitbouwen en bijgebouwen sluiten in kleur en materiaalgebruik aan bij het hoofdgebouw;

  • -

    kleur- en materiaalgebruik zijn per rij/cluster in onderlinge samenhang.

 

16Criteria waarachter een “(B)” staat, zijn van toepassing indien dit niet geregeld is in het bestemmingsplan.

8.8 Doornboomspark

Ruimtelijke structuur

Doornboomspark is ontwikkeld in de jaren zestig van de vorige eeuw. De woningen zijn ontworpen door de architect Maaskant. De wijk bestaat geheel uit vrijstaande en soms geschakelde, platte bungalows. Het gebied heeft een groene uitstraling, door de lage bebouwing en de aanwezige (tuin)beplanting.

 

De woningen staan aan een weg die zich door de wijk slingert. Er zijn geen trottoirs aangelegd, waardoor de straat relatief een smal profiel heeft. De woningen die langs de buitenzijde van de wijk liggen, worden van de weg gescheiden door een trottoir.

Voornamelijk aan de noordzijde van het park is een rooilijn aangehouden langs de weg. De overige woningen verspringen ten opzichte van elkaar en de weg. Vooral de woningen die in het midden van het park staan, zijn niet straat georiënteerd. Vaak staan er hoge hagen aan de voorzijde. De woningen aan de buitenzijde zijn meer straat georiënteerd. Ook hier worden de privétuinen van de openbare weg gescheiden door (groene)haagjes of lage hekken.

De woningen zelf zijn eenvoudig en rechthoekig van vorm. Over het algemeen is er een aangebouwde berging c.q. garage aanwezig op het perceel. Een enkele keer is er een serre aangebouwd in rondere vormen. Dit past in mindere mate in het bebouwingsbeeld.

 

Detaillering, kleur en materiaal

De bebouwing van het Doornboomspark wordt gekenmerkt door platte daken, een brede, witte dakrand, het gebruik van geel-rode bakstenen en vaak groene of witte kozijnen.

 

Waardebepaling, ontwikkeling en beleid

De eenvoudige, geometrische vorm van deze platte bungalows is waardevol. Voorkomen moet worden dat het bebouwingsbeeld aangetast wordt door het toepassen van rondere vormen, lagere boeiboorden en dergelijke. Handhaven van het beeld van de bebouwde omgeving is uitgangspunt. Dit betekent dat aan de straatzijde het beeld van de vrijstaande, platte, solitaire bungalows zichtbaar moet zijn en wijzigingen in de voor- en zijgevels zeer zorgvuldig moet worden afgewogen.

 

Welstandscriteria

Algemeen

  • -

    de bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige structuur, de typologie van gebouwen en de detaillering, kleur- en materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen.

 

Plaatsing

  • -

    bij nieuwbouw en uitbreiding wordt de bestaande rooilijn gehanteerd (B)17;

  • -

    de voorgevel van de woningen staat evenwijdig aan de weg.

 

Massa, vorm bebouwing

  • -

    per cluster eenheid in massaopbouw van het hoofdgebouw;

  • -

    bebouwing bestaat uit 1 bouwlaag met plat dak (geen kap);

  • -

    bouwwerken bestaan uit rechthoekige vormen;

  • -

    de gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw;

  • -

    plaatsing en massa van bijgebouwen en aan-/uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw.

 

Detaillering, kleur en materiaalgebruik

  • -

    bestaande details worden bij verbouwingen gerespecteerd;

  • -

    aan en uitbouwen en bijgebouwen sluiten in kleur en materiaalgebruik aan bij het hoofdgebouw;

  • -

    kleur- en materiaalgebruik zijn per cluster in onderlinge samenhang;

  • -

    het boeiboord is ca 30 cm, bestaande uit 3 houten delen.

     

17Criteria waarachter een “(B)” staat, zijn van toepassing indien dit niet geregeld is in het bestemmingsplan.

8.9 Wittenberg

Ruimtelijke structuur

De wijk de Wittenberg is een goed voorbeeld van de traditionele blokverkaveling. Het is een strak verkavelde woonwijk met voornamelijk rijenwoningen.

 

De bebouwing bestaat uit straatgerichte rijenwoningen, gescheiden van het openbare gebied door een voortuin met hekken en hagen.

 

De bebouwing bestaat uit rijtjes van drie tot vijf woningen, met twee lagen en een kap. Aan een straat is het beeld eenduidig: eenvoudige hoofdmassa's en kapvormen. In de meeste gevallen is een zadeldak toegepast.

 

De dakkapellen zijn vaak vanuit de nok gebouwd, met een plat dak. Tussen dakkapellen onderling zit een afstand van minimaal 1 meter. Er zijn op diverse plaatsen aan de straatzijde erkers toegevoegd.

 

Detaillering, kleur en materiaal

De woningen bestaan uit bruine en gele baksteen en donkere dakpannen. Het kleurgebruik is ingetogen. Vaak zijn tussen de eerste en de tweede bouwlaag geveldelen ingepast van hout of kunststof. Bij veranderingen aan de voorgevel dient de bestaande differentiatie van vorm (diepte), materiaal en kleur gehandhaafd te blijven.

 

Waardebepaling, ontwikkeling en beleid

Waardevol is de structuur van de wijken, de heldere stedenbouwkundige opzet en de duidelijke eenheid van de hoofdbebouwing. Er is geen sprake van ingrijpende wijzigingen.

 

Het handhaven van het eenduidige beeld van de bebouwde omgeving is uitgangspunt. Dit betekent dat aan de straatzijde het beeld van de verkaveling zichtbaar moet zijn en met wijzigingen in de voorgevels terughoudend moet worden omgegaan.

 

Welstandscriteria

Algemeen

  • -

    de bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige structuur, de typologie van gebouwen en de detaillering, kleur en materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen.

 

Plaatsing

  • -

    bij nieuwbouw en uitbreiding wordt de bestaande rooilijn gehanteerd (B)18;

  • -

    de nokrichting van rijenwoningen is evenwijdig aan de weg.

 

Massa, vorm bebouwing

  • -

    per rij of cluster eenheid in massaopbouw van het hoofdgebouw;

  • -

    de gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw;

  • -

    plaatsing en massa van bijgebouwen en aan-/uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw.

 

Detaillering, kleur en materiaalgebruik

  • -

    bestaande details worden bij verbouwingen gerespecteerd;

  • -

    bij veranderingen aan de voorgevel dient de bestaande differentiatie van vorm (diepte), materiaal en kleur gehandhaafd te blijven;

  • -

    aan en uitbouwen en bijgebouwen sluiten in kleur en materiaalgebruik aan bij het hoofdgebouw;

  • -

    kleur- en materiaalgebruik zijn per rij/cluster in onderlinge samenhang.

 

In aanvulling op de loketcriteria voor dakkapellen mogen in dit gebied de dakkapellen vanaf de nok ingezet worden. Tussen dakkapellen op het achterdakvlak zit onderling een afstand van minimaal 1 meter.

 

18Criteria waarachter een “(B)” staat, zijn van toepassing indien dit niet geregeld is in het bestemmingsplan.

8.10 De Maatjes

Ruimtelijke structuur

De wijk de Maatjes ligt aan de zuidzijde van het dorp en is in de jaren ’70 gerealiseerd. In deze wijk is de verkavelingstructuur minder strak. De wegen slingeren door de wijk. De bebouwing bestaat hier uit rijen van gemiddeld vijf woningen. Aan de oostzijde van de wijk staan enkele vrijstaande woningen. Op het voormalige Overeemterrein is recent de buurt De Lange Kamp gerealiseerd, bestaande uit ruim 80 woningen. De woningen die zijn ontwikkeld, verwijzen naar de voorname landgoedarchitectuur uit de directe omgeving van Scherpenzeel. Hierbij is een rijke afwisseling gemaakt van diverse woningtypen.

 

De wijk De Maatjes bestaat voornamelijk uit rijenwoningen met een vrij gesloten gevelstructuur. De rijen woningen staan in het algemeen parallel aan de weg. In een deel van de wijk de Maatjes staat de berging voor het huis. Hierdoor zijn de woningen georiënteerd op de tuin in plaats van op de weg. Een onderscheidt tussen voor en achterkant is soms lastig te maken. De vormgeving openbaar-privé is gevarieerd. Vaak wordt een schutting gebruikt om de achtertuin van het openbaargebied te scheiden.

 

Per straat wordt een type woonblokken toe gepast in twee lagen met kap. Aan de Oosthof staan enkele geschakelde woningen, in twee bouwlagen met een flauwe kap. De kap van de garage loopt horizontaal door in de eerste verdieping.

 

De bebouwing kenmerkt zich door eenvoudige hoofdmassa's en kapvormen, hoewel er meer variatie aanwezig is, dan in de oudere wijken. Ook hier wordt overwegend een zadeldak toegepast.

 

Detaillering, kleur en materiaal

Baksteen is in het meest gangbare materiaal. Er is bruine baksteen, en ingetogen kleurgebruik gebruikt zoals bruin, crème wit en groen. De dakpannen hebben over het algemeen de kleur zwart. Voor de woningen aan de Oosthof is crème kleurige baksteen en donker rode baksteen gebruikt en zwarte, leisteenachtige pannen. De woningen in de buurt de Lange Kamp zijn gemetseld in drie verschillende roodachtige baksteenkleuren en een wit geschilderde steen kleur met groen met wit geschilderde kozijnen. De dakpannen zijn in een blauwbonte kleur met daknokken afgewerkt in zink. De woningen hebben door het gebruik van de verschillende kleuren baksteen, een duidelijke eigen identiteit.

Waardebepaling, ontwikkeling en beleid

Waardevol is de kenmerkende stedenbouwkundige structuur uit de jaren zeventig van de vorige eeuw en de typische rijen woningen met de bergingen aan de voorzijde.

Handhaven van het beeld van de bebouwde omgeving is uitgangspunt. Door de bergingen aan de voorzijde van de woonblokken wordt het beeld soms rommelig. Door de aanwezigheid van deze bergingen kunnen uitbreidingen van de woningen aan de straatzijde de rust en de samenhang binnen het bebouwingsbeeld verstoren. Dit betekent dat voorkomen moet worden dat het bebouwingsbeeld verstoord wordt door verbouwingen aan de voorzijde. Wijzigingen in de voorgevels moeten zeer zorgvuldig worden afgewogen.

 

Welstandscriteria

Algemeen

  • -

    de bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige structuur, de typologie van gebouwen en de detaillering, kleur- en materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen.

 

Plaatsing

  • -

    bij nieuwbouw en uitbreiding wordt de bestaande rooilijn gehanteerd (B)19;

  • -

    de nokrichting van rijenwoningen is evenwijdig aan de weg.

 

Massa, vorm bebouwing

  • -

    per rij of cluster eenheid in massaopbouw van het hoofdgebouw;

  • -

    de gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw;

  • -

    vrijstaande woningen hebben een individuele uitstraling;

  • -

    plaatsing en massa van bijgebouwen en aan-/uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw;

  • -

    uitbreidingen aan de straatzijde moeten zorgvuldig worden ingepast, om het bebouwingsbeeld niet te verstoren.

 

Detaillering, kleur en materiaalgebruik

  • -

    bestaande details worden bij verbouwingen gerespecteerd;

  • -

    aan en uitbouwen en bijgebouwen sluiten in kleur en materiaalgebruik aan bij het hoofdgebouw;

  • -

    kleur- en materiaalgebruik zijn per rij/cluster in onderlinge samenhang.

     

19Criteria waarachter een “(B)” staat, zijn van toepassing indien dit niet geregeld is in het bestemmingsplan.

8.11 Boskamp en Legekamp

Ruimtelijke structuur

De woonwijken Boskamp en Legekamp zijn in de jaren tachtig van de vorige eeuw gerealiseerd. De verkavelingstructuur is minder strak dan de structuur van de oudere woonwijken aan de noordzijde van het dorp. De bebouwing bestaat hier uit rijen woningen van gemiddeld vier tot vijf woningen naast twee-onder-één-kap woningen en vrijstaande woningen. De vrijstaande woningen zijn voornamelijk aan de randen gelegen.

In (een deel van) de groene lob zijn in de jaren negentig drie appartementencomplexen, bestaande uit 3 bouwlagen en enkele woningen toegevoegd. Deze onderscheiden zich qua vorm, kleur en materiaalgebruik van de omliggende oudere woningen.

 

De rijen woningen in deze wijk kennen een vrij gesloten gevelstructuur. In het oudere deel van deze wijk zijn de voordeuren uitgebouwd en steken door de voorgevelrooilijn. De rijen woningen staan parallel aan de (insteek)weg, met de kap evenwijdig aan deze weg. Het stratenpatroon is hier veelal niet recht. Het betreft korte, vaak doodlopende straten. De woningen zijn straat gericht, er is een duidelijk onderscheid tussen voorgevel en zijgevel. De tuinen zijn gescheiden van de trottoirs door hekken en hagen.

 

Per straat wordt een type woonblokken toe gepast in 2 lagen met kap. Een enkele keer aangevuld met woningen in een laag met kap. De woningen bestaande uit één laag met kap betreft voornamelijk vrijstaande woningen, maar ook een enkele rij. De woningen zijn in mindere mate straatgericht. De bebouwing kenmerkt zich door eenvoudige hoofdmassa's en kapvormen, hoewel er meer variatie aanwezig is, dan in de oudere wijken. Ook hier wordt overwegend een zadeldak toegepast, waarbij in sommige gevallen de kap doorloopt in de uitbouw. In de omgeving van de burgemeester de Kortesingel staan met name woningen met een tentdak. In de Boskamp zijn de dakkapellen aangekapt. Er zijn op enkele plaatsen in het gebied Legekamp/Boskamp aan de voorzijde van woningen erkers toegevoegd. Over het algemeen hebben de erkers een eenvoudige rechthoekige vorm. Het boeiboord is doorgetrokken boven de voordeur.

De woningen die in de jaren 90 zijn gerealiseerd, zijn overwegend woningen van het type twee-onder-één-kap. Ook deze woningen bestaan uit twee bouwlagen met een kap. Er is een forse kap toegepast in de vorm van een tentdak.

 

Detaillering, kleur en materiaal

De woningen zijn opgetrokken in baksteen. De kleur van baksteen en de houten delen binnen deze wijken varieert per woonblok, tussen roodbruin of beige en crème. De dakpannen hebben over het algemeen de kleur zwart, maar in enkele straten is rood toegepast.

De woningen en appartementencomplexen die later zijn toegevoegd, kennen een ander kleurgebruik. De bakstenen hebben een lichte tint, daarnaast is op de muren stucwerk in een roodachtige aardetint toegepast. De daken hebben donkere pannen.

 

Waardebepaling, ontwikkeling en beleid

Waardevol is de stedenbouwkundige opzet van de wijk en de eenheid van de bebouwing binnen een woonbuurt. Handhaven van het beeld van de bebouwde omgeving is uitgangspunt.

 

Welstandscriteria

Algemeen

  • -

    de bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige structuur, de typologie van gebouwen en de detaillering, kleur- en materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen.

 

Plaatsing

  • -

    bij nieuwbouw en uitbreiding wordt de bestaande rooilijn gehanteerd (B)20;

  • -

    de nokrichting van rijenwoningen is evenwijdig aan de weg.

 

Massa, vorm bebouwing

  • -

    per rij of cluster eenheid in massaopbouw van het hoofdgebouw;

  • -

    de gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw;

  • -

    vrijstaande woningen hebben een individuele uitstraling;

  • -

    plaatsing en massa van bijgebouwen en aan-/uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw;

  • -

    uitbreidingen aan de straatzijde moeten zorgvuldig worden ingepast, om het bebouwingsbeeld niet te verstoren.

 

Detaillering, kleur en materiaalgebruik

  • -

    bestaande details worden bij verbouwingen gerespecteerd;

  • -

    Aan en uitbouwen en bijgebouwen sluiten in kleur en materiaalgebruik aan bij het hoofdgebouw;

  • -

    Kleur- en materiaalgebruik zijn per rij/cluster in onderlinge samenhang.

 

In aanvulling op de loketcriteria voor dakkapellen worden in de Boskamp de dakkapellen aangekapt en ingezet vanaf de nok. Het boeiboord van erkers is doorgetrokken boven de voordeur.

 

20Criteria waarachter een “(B)” staat, zijn van toepassing indien dit niet geregeld is in het bestemmingsplan.

 

8.12 Hogekamp

Ruimtelijke structuur

De wijk de Hogekamp is een recente uitbreidingsgebied aan de oostzijde van het dorp. Hier zijn rijen woningen, woningen van het type twee-onder-één-kap, vrijstaande woningen en een appartementencomplex gerealiseerd. Door deze afwisseling van woningtypes is het bebouwingsbeeld in deze wijk gevarieerd. Ook liggen de woningen niet altijd parallel aan de weg, maar staan ze soms enigszins gedraaid. De wijk is ruim van opzet.

 

De rijtjes woningen bestaan uit drie tot vier woningen. De vrijstaande woningen staan met name aan de randen van de wijk.

De woningen bestaan uit twee bouwlagen met een kap.

De wijk Hogekamp geeft een vrij eenduidig beeld te zien. De kappen zijn per straat gelijk, evenals het kleurgebruik. Door het donkere dak en de lichte muren ontstaat een horizontale geleding.

Er is een karakteristiek tentdak toegepast, waarop standaard een driehoekige dakkapel is mee ontworpen (trendsetter). Er is een standaard erker ontwikkeld, met een dakoverstek. De kleuren van de erker zijn gelijk aan de kleuren van de woning. Uitbreiding is alleen toegestaan, mits de kapvorm bloksgewijs gelijk is.

Detaillering, kleur en materiaal

De woningen zijn gerealiseerd in baksteen. De kleur verschilt van de oudere wijken. Er is een lichte crème kleurige baksteen toegepast. Volgens een strak schema zijn rode bakstenen accentlijnen aangebracht. In deze wijk is gestreefd naar een helder onderscheid tussen openbaar en privé. De voortuinen grenzen aan het voetpad en worden hiervan gescheiden door hekken, hagen en muurtjes.

 

Waardebepaling, ontwikkeling en beleid

Het gebied kent een uitgesproken architectuur, waardoor het een duidelijk imago heeft.

Waardevol is de eenheid van de bebouwing in het gebied qua kleur en kapvormen. Er is geen sprake van ingrijpende wijzigingen in de toekomst.

In de Hogekamp is handhaving van de stedenbouwkundige structuur en de eenheid in bebouwing wat betreft kleur en vorm van belang.

 

Welstandscriteria

Algemeen

  • -

    de bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige structuur, de typologie van gebouwen en de detaillering, kleur- en materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen.

 

Plaatsing

  • -

    bij nieuwbouw en uitbreiding wordt de bestaande rooilijn gehanteerd (B)21;

  • -

    de nokrichting van de woningen is evenwijdig aan de weg;

 

Massa, vorm bebouwing

  • -

    per rij of cluster eenheid in massaopbouw van het hoofdgebouw;

  • -

    de gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw;

  • -

    vrijstaande woningen hebben een individuele uitstraling;

  • -

    plaatsing en massa van bijgebouwen en aan-/uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw;

  • -

    erkers worden uitgevoerd in het standaard model (trendsetter);

  • -

    uitbreidingen aan de straatzijde moeten zorgvuldig worden ingepast, om het bebouwingsbeeld niet te verstoren.

 

Detaillering, kleur en materiaalgebruik

  • -

    bestaande details worden bij verbouwingen gerespecteerd;

  • -

    aan en uitbouwen en bijgebouwen sluiten in kleur en materiaalgebruik aan bij het hoofdgebouw;

  • -

    kleur- en materiaalgebruik zijn per rij/cluster in onderlinge samenhang;

  • -

    licht kleurgebruik, aansluitend bij het bestaande, lichte kleurgebruik;

  • -

    voortgeborduurd wordt op het schema van de rode bakstenen accentlijnen.

 

In aanvulling op de loketcriteria voor uitbreiding aan de achterzijde van de woning geldt in dit gebied dat de kapvorm per blok woningen gelijk is.

 

21Criteria waarachter een “(B)” staat, zijn van toepassing indien dit niet geregeld is in het bestemmingsplan.

8.13 De Nieuwe Willaer

Ruimtelijke structuur

De wijk Nieuw Willaer ligt aan de noordzijde van Scherpenzeel en is een recente woningbouwlocatie. er zijn vrij diverse type woningen, rijwoningen, twee-onder-één-kap, vrijstaande woningen en een appartementencomplex. De opzet van de wijk is ruim.

 

De rijwoningen bestaan uit 3 tot 7 woningen met twee lagen en een kap en zijn straatgericht. Er zijn ook rijwoningen die bestaan uit één laag met kap, deze rijen staan dwars op de weg.

In De Nieuwe Willaer is sprake van diverse architectuur. Het kleurgebruik is in de hele wijk gelijk, dit geldt ook voor de erkers, de kappen verschillen per type woning.

Detaillering, kleur en materiaal

De woningen zijn gerealiseerd in baksteen. De kleur verschilt van de oudere wijken. Er is een donkerrode en crèmegele baksteen gebruikt. Er wordt gebruik gemaakt van hoge plinten. De dakpannen zijn uitgevoerd in een rode of grijze tint. De voortuinen grenzen aan het voetpad en worden hiervan gescheiden door hekken, hagen en muurtjes.

 

Waardebepaling, ontwikkeling en beleid

Het gebied kent een uitgesproken architectuur, waardoor het een duidelijk imago heeft.

Waardevol is de eenheid van de bebouwing in het gebied qua kleur. In De Nieuwe Willaer is handhaving van de stedenbouwkundige structuur en de eenheid in bebouwing wat betreft kleur en vorm van belang.

 

Welstandscriteria

Algemeen

  • -

    de bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige structuur, de typologie van gebouwen en de detaillering, kleur- en materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen.

     

Plaatsing

  • -

    bij nieuwbouw en uitbreiding wordt de bestaande rooilijn gehanteerd (B)22;

  • -

    de nokrichting van de woningen is evenwijdig aan de weg, behoudens de woningen aan de Dassenburcht.

     

Massa, vorm bebouwing

  • -

    de gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw;

  • -

    vrijstaande woningen hebben een individuele uitstraling;

  • -

    plaatsing en massa van bijgebouwen en aan-/uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw;

  • -

    erkers worden uitgevoerd in het standaard model (trendsetter);

  • -

    uitbreidingen aan de straatzijde moeten zorgvuldig worden ingepast, om het bebouwingsbeeld niet te verstoren.

     

Detaillering, kleur en materiaalgebruik

  • -

    bestaande details worden bij verbouwingen gerespecteerd;

  • -

    aan en uitbouwen en bijgebouwen sluiten in kleur en materiaalgebruik aan bij het hoofdgebouw;

  • -

    kleur- en materiaalgebruik zijn per rij/cluster in onderlinge samenhang;

  • -

    donker kleurgebruik, aansluitend bij het bestaande kleurgebruik;

  • -

    voortgeborduurd wordt op het schema van hoge plinten.

 

22Criteria waarachter een “(B)” staat, zijn van toepassing indien dit niet geregeld is in het bestemmingsplan.

8.14 Bedrijventerreinen

Ruimtelijke structuur

De twee bedrijventerreinen van Scherpenzeel, 't Zwarte Land en Hogekamp-oost, bevinden zich aan respectievelijk de west- en oostkant van dorp, langs De Dreef. 't Zwarte Land is ontwikkeld in de jaren ‘70 tot ’90 voor met name grootschalige bedrijvigheid, waaronder opslag en distributie. Er zijn geen bedrijfswoningen, maar wel twee bestaande woningen aanwezig. Hogekamp-oost heeft een omvang circa 7 hectare, is in de jaren 90 ontwikkeld voor met name ambachtelijke bedrijven.

Op de beide terreinen bestaat de bebouwing voornamelijk uit grootschalige panden met een bescheiden maat van het openbare gebied. De kavelgrootte varieert sterk per bedrijf. Nagenoeg alle kavels op de terreinen zijn uitgegeven. De ruimtelijke uitstraling van ’t Zwarte Land, met name in de richting van De Dreef is een aandachtspunt. Dat geldt, in iets mindere mate, ook voor Hogekamp-oost.

 

De bedrijfsbebouwing staat veelal midden op het perceel, met rondom ruimte voor transportbewegingen (bevoorrading en afvoer van producten), parkeren en buitenopslag. Dat resulteert in relatief veel verharding en slechts in beperkte mate groenvoorzieningen. Er is sprake van relatief extensief ruimtegebruik. De bedrijfsgebouwen zijn met de achterkanten naar De Dreef gericht.

 

De kavels zijn individueel uitgegeven en bebouwd, waardoor een grote variatie aan bebouwing optreedt. Het meest in het oog springen de grote loodsen tot wel 12 meter hoog en met een plat dak.

Detaillering, kleur en materiaal

Het grootste deel van de bebouwing bestaat uit loodsen, opgetrokken uit plaatmateriaal in grijze, groene of blauwe tinten. Vaak is een gemetselde plint gebruikt. De daken zijn over het algemeen plat.

De grens tussen openbaar en privé wordt bepaald door hekwerken.

 

Waardebepaling, ontwikkeling en beleid

De ruimtelijke mogelijkheden in de ter plaatse geldende bestemmingsplannen zijn ruim; de nadruk ligt op de bedrijfseconomische efficiency. Bedrijfswoningen zijn niet toegestaan.

Aan de rand van de bedrijventerreinen, waar de gebouwen voor velen zichtbaar zijn, is representativiteit van belang. Vooral aan de doorgaande route (De Dreef) is daaraan veel te verbeteren. Aan de bebouwing midden op de terreinen hoeven minder eisen gesteld worden.

 

Welstandscriteria

Algemeen

  • -

    de bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige structuur, de typologie van gebouwen en de detaillering, kleur en materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen.

     

Plaatsing

  • -

    de voorgevel van gebouwen mag geen gesloten karakter hebben; blinde gevels zijn niet toegestaan; de gevels kennen een geleding;

     

Detaillering, kleur en materiaalgebruik

  • -

    langs de openbare buitenranden aan De Dreef, de Stationsweg, Industrielaan, Verlengde Hopeseweg en Oosteinde is representativiteit een voorwaarde;

  • -

    het representatieve deel wordt uitgevoerd in baksteen en glas;

  • -

    bij bedrijfshallen en loodsen; het gebruik van gedekte en donkere kleuren en een gemetselde plint.

 

8.15 Huize Scherpenzeel

Ruimtelijke structuur

Huize Scherpenzeel bestaat uit een hoofdgebouw, het kasteel, met twee bijgebouwen, het Koetshuis en het Poorthuis. Het oudste deel van het kasteel dateert uit 137023.

 

Het koetshuis is in gebruik als gemeentehuis en politiebureau. De beide andere panden staan leeg.

Het kasteel wordt omgeven door een gracht. Het 19e eeuwse landschapspark rondom Huize Scherpenzeel vormt een van de kenmerkende groene lobben die het dorp insteken. Het park vormt het groene hart in het centrum van Scherpenzeel. Vanaf het park lopen verschillende zichtlijnen. Zo is er ook een zichtlijn vanaf de Dorpsstraat naar het kasteel. De zichtlijnen waren oorspronkelijk vrij lang, zelfs tot aan Renswoude toe, echter door toename van bosschages en bebouwing is dit niet meer zichtbaar.

 

Sinds de 19e eeuw is het park en de bebouwing nauwelijks veranderd. Het Kasteel ligt enigszins noordelijk van het centrum van het park. Het Poortgebouw is ook gelegen aan de noordkant. Aan de westelijke zijde van het park ligt het Koetshuis, wat enigszins schuin staat ten opzichte van het kasteel. Het park zelf is toegankelijk voor voetgangers en fietsers. Bestemmingsverkeer voor het gemeentehuis is toegestaan op verharde paden, tot aan de parkeerplaats.

De bebouwing bestaande uit het kasteel, het Koetshuis en het Poorthuis is in verschillende periodes gebouwd. Het kasteel heeft een kern daterend uit de 12e en 13e eeuw. Het kasteel is in de 19e eeuw in neogotische stijl verbouwd op basis van een ontwerp van S.A. Van Lunteren. Het koetshuis is in het midden van de 19e eeuw gerealiseerd in neogotische stijl.

 

Het Poorthuis is eveneens in het midden van de 19e eeuw gerealiseerd in een sobere classicistische bouwstijl. De casco van ’t Poorthuis is de tweede helft van 2003 volledig gerestaureerd. Oorspronkelijk was dit bedoeld als dienstwoning, momenteel is het gebouw echter niet meer in gebruik. Het park bevatte ook een oranjerie, een ijskelder en een theekoepel, deze zijn echter in de vorige eeuw gesloopt.

 

Detaillering, kleur en materiaal

Het kasteel is gebouwd in baksteen, waarover crème pleisterwerk is aangebracht. Het kasteel is voorzien van een trapgevel. Het dak is donker getint. Het koetshuis is eveneens opgetrokken in baksteen en voorzien van crème pleisterwerk. De bakstenenmuren van het poorthuis zijn niet gepleisterd.

De ramen zijn voorzien van roedeverdeling en de deurlijsten zijn verbijzonderd met een geprofileerde lijst.

 

Waardebepaling, ontwikkeling en beleid

De groene lob die het park met gebouwen vormt, is voor Scherpenzeel van groot belang. Het heeft een hoge representatieve, cultuurhistorische, landschappelijke en architectonische waarde. Net als het bebouwingslint is het kasteel van belang in de structuur van Scherpenzeel. Centraal staat het behoud van de bestaande karakteristiek van de gebouwen en hun omgeving.

Het bestemmingsplan is consoliderend en biedt geen ruimte voor toevoeging van bebouwing. De bestaande bebouwing is al bestemd als (rijks-) monument. Dit biedt voldoende bescherming voor handhaving van de bebouwing. Voorts wordt de bebouwing veelal geregeld via de objectcriteria voor landgoederen

 

Welstandscriteria

Algemeen

  • -

    de bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige structuur, de typologie van gebouwen en de detaillering, kleur- en materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen.

23uit: Het voorstel voor de lijst Rijksmonumenten

8.16 Groengebieden en sportcomplexen

 

Ruimtelijke structuur

Scherpenzeel wordt gekenmerkt door verschillende groene lobben die het dorp insteken. Deze lobben zijn in agrarisch en deels in maatschappelijk gebruik.

De Heijhorst heeft meer een maatschappelijke functie, met de sporthal en het activiteitencentrum. Ook is kwekerij Stuivenberg hier gevestigd. In de overige lobben is geen bebouwing aanwezig. Vanaf de Dreef is de groene lob tussen de Legekamp en de Boskamp zichtbaar. Vanaf de Dorpsstraat zijn met name de open lobben aan het begin en eind van het lint goed zichtbaar, als duidelijke overgang naar de bebouwde kom.

 

Aan de noordzijde van het dorp, binnen de rondweg de Dreef, ligt het sportpark De Bree. Er staan gebouwen voor een manege, een zwembad, voor de scouting, muziekvereniging, de schietvereniging en de postduivenvereniging.

Het sportpark ligt tegen de Dreef aan, echter is vanaf deze weg nauwelijks zichtbaar.

 

Op het sportcomplex ligt de bebouwing met name gegroepeerd nabij de De Breelaan. Op het sportcomplex De Bree zal mogelijk meer ruimte worden gecreëerd. Er zijn plannen voor herplaatsing van de sporthal uit de lob de Heijhorst, een ijsbaan, een kinderboerderij en een petanquebaan. De haalbaarheid van deze plannen is nog niet bekend.

De bebouwing op het sportcomplex bestaat uit 1 bouwlaag met overwegend plat dak. Vooral de rijhal van de manege heeft een grotere hoogte en een schuine kap. Dit gebouw is samen met het gebouw van de schietvereniging zichtbaar vanaf de Dreef.

 

 

Detaillering, kleur en materiaal

Het grootste deel van de bebouwing is opgetrokken in baksteen en heeft de kleur grijs of rood. De daken zijn over het algemeen plat. Een deel van de gevel en het dak van de rijhal zijn uitgevoerd in groen respectievelijk zwart plaatwerk.

 

Waardebepaling, ontwikkeling en beleid

Deze gebieden zijn weinig waardevol. Aan de rand van het sportpark kunnen de gebouwen zichtbaar zijn vanaf de openbare weg. Hier is enige representativiteit van belang.

De bebouwing in de groene lob de Holevoet is zichtbaar van af de omringende wegen.

Bij de beoordeling is de aansluiting bij gebouwen op de omgeving van belang. Er zullen de komende tijd mogelijk functies worden toegevoegd, zoals de sporthal en de ijsbaan.

 

Welstandscriteria

Algemeen

  • -

    de bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder (vergunningsplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige structuur, de typologie van gebouwen en de detaillering, kleur- en materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen.

Plaatsing

  • -

    indien de bebouwing van af de Dreef of vanaf de Eikenlaan zichtbaar is, is de representatieve zijde naar deze wegen gericht.

     

Massa en vorm

  • -

    bebouwing staat los in de ruimte;

  • -

    bebouwing heeft een individuele uitstraling;

  • -

    de gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw;

     

Detaillering, kleur en materiaalgebruik

  • -

    het representatieve deel wordt uitgevoerd in baksteen en glas;

  • -

    geen gebruik van felle kleuren, maar het gebruik van gedekte en donkere kleuren en een gemetselde plint.

 

Afdeling 9 Nieuwe projecten

Zodra een (her-)ontwikkelingslocatie aan de orde is zal de gemeenteraad de aanvullende gebiedsgerichte welstandscriteria daarvoor vaststellen, als aanvulling op deze welstandsnota.

Het opstellen van deze welstandscriteria wordt voortaan een vast onderdeel van de stedenbouwkundige planvoorbereiding. De criteria worden opgesteld in overleg met de welstandscommissie. Tegelijk kunnen afspraken worden vastgelegd over de werkwijze bij eventuele planbegeleiding en bij de welstandsbeoordeling.

 

Voor dergelijke aanvullingen op de welstandsnota geldt dat de inspraak wordt gekoppeld aan de reguliere inspraakregeling bij de planvoorbereiding.

De welstandscriteria voor deze nieuwe projecten moeten zijn vastgesteld door de gemeenteraad voordat de planvorming van de eerste bouwplannen start en wordt bekend gemaakt aan alle potentiële opdrachtgevers in het betreffende gebied.

 

Bouwaanvragen die worden ingediend voordat de aanvullende gebiedscriteria door de gemeenteraad zijn vastgesteld, zullen steeds aan de welstandscommissie worden voorgelegd. Daarbij wordt getoetst aan de van toepassing zijnde loket- en objectcriteria en de bestaande gebiedscriteria. Voor zover die niet (meer) van toepassing zijn, worden de algemene welstandscriteria gehanteerd.

Afdeling 10 Excessenregeling

Op grond van artikel 12a lid 1 jo art. 13a Woningwet kunnen burgemeester en wethouders de eigenaar van een bouwwerk dat ‘in ernstige mate is strijd is met redelijke eisen van welstand’ aanschrijven om de strijdige situatie ongedaan te maken.

 

De gemeente hanteert bij het toepassen van deze excessenregeling het criterium dat sprake moet zijn van een buitensporigheid in het uiterlijk die ook voor niet-deskundigen evident is en die afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van een gebied.

Vaak heeft dit betrekking op:

  • -

    het visueel of fysiek afsluiten van een bouwwerk voor zijn omgeving;

  • -

    het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden bij aanpassing van een bouwwerk;

  • -

    inferieur materiaalgebruik;

  • -

    toepassing van felle of contrasterende kleuren;

  • -

    te opdringerige reclames;

een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is (zie daarvoor de gebiedsgerichte criteria).

Afdeling 11 Algemene welstandscriteria

De welstandstoets heeft steeds plaats gehad aan de hand van de volgende aspecten: het gebouw in zijn omgeving, het gebouw op zichzelf, de detaillering en het kleur- en materiaalgebruik. Die indeling is op zich nog steeds bruikbaar en zal ook van nut blijken bij het formuleren van criteria maar geeft zelf geen of onvoldoende inzicht in de inhoudelijke kant ervan. Voor het ‘inkleuren’ van deze aspecten met de algemene principes die de beoordeling van een bouwplan op kwaliteit (of het ontbreken daarvan) mogelijk maken is gebruik gemaakt van een notitie van voormalig rijksbouwmeester prof. ir Tj. Dijkstra waarin de aspecten in vijf punten worden uitgewerkt. Die worden hier puntsgewijs samengevat, de complete tekst is te vinden in bijlage C:

 

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat:

  • 1.

    het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is (relatie tussen bouwwerk en omgeving);

  • 2.

    dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit (betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context);

  • 3.

    er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat (evenwicht tussen helderheid en complexiteit);

  • 4.

    het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen (schaal en maatverhoudingen)

  • 5.

    materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken.

 

Deze algemene welstandscriteria worden als een vangnet gebruikt voor die gevallen waarin de overige criteria niet toereikend zijn. Ze zijn ook, in hun samenhang, een illustratie van de wijze waarop de onafhankelijke, deskundige en geïnteresseerde welstandscommissie tot een oordeel komt, niet door het ‘afvinken’ van onderdelen maar door een integrale afweging.

Afdeling 12 Welstandskaart

 

Deel C: Bijlagen

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van 9 juli 2009,

E. Hoogstraten J.J.H. Colijn-de Raat griffier voorzitter

Bijlage a Straatnamenregister

 

Straatnaam

Deelgebied(en)

Acacialaan

03

Achter de Hoven

16

Akkerwindelaan

10

Sint Annakamp

12

Sint Barbarakamp

12

Barneveldsestraat

17

Prinses Beatrixlaan

04

Beeklaan

06

Berkenlaan

03

Berkhorst

12

Beukenlaan

01-03

Biezenkamp

11

't Boschstuk

11

Boslaan

10-17

de Breelaan

16

Breeschoten

17

Brinkkanterweg

07-17

Broekerlaan

06

Broekerweg

17

Bruinhorsterlaan

06

Cruyshof

12

Dashorsterweg

17

DassenBurcht

13

Doornboomspark

08-10

Dorperhoek

12

Dorpsstraat

01-02

De Dreef

17

Druivenkamp

05

Eekhoornnest

13

Egelpad

13

Eikenlaan

03-04-09

De Eng

12

Ereprijslaan

10

Fluitekruidlaan

10

Gaslaan

03-04

Geerhoek

11

Glashorst

01-04-09-14

Ben Goerionplein

10

Van Goghlaan

09

Goorsteeg

17

Gooswilligen

18

Grebbelaan

02-06

Groeperlaan

10

Groot Wolfswinkel

17

De Haar

17

Frans Halslaan

09

Haverkamp

12

Burgemeester Heijsingel

12

Heintjeskamperweg

17

Heuvelskamp

12

Hoefbladlaan

10

Holevoetlaan

02-07-16

Holevoetplein

01

Holleweg

14

Hondsdraflaan

10

Hopeseweg

10-17

Hovenierslaan

01-02-07-16

Huigenbosch

17

Industrielaan

02-09-14

Prinses Irenelaan

04

Kamillelaan

10

Kerkplein

01

Kerstavondpad

17

Klein Gooswilligenweg

17-18

De Kleine Haar

17

Kloosteregge

12

Koepellaan

06

Kolfschoten

17

Kolfschoterdijk

17

Burg. Hoytema van Konijnenburglaan

09

Burgemeester de Kortesingel

11

Kostverloren

11

Krommestuk

11

Leeuweriklaan

05

Leidjeskamp

11

Lindenlaan

01-03

Lijsterbeslaan

01-03

Prinses Margrietlaan

01-04

Marktstraat

01-03-05-16

Marternest

13

Prinses Marijkelaan

01-02-04-09

Merellaan

05

Molenweg

01-02

Moorsterweg

17

Nachtegaallaan

05

Nieuwstraat

02-06-16-17

De Omloop

12

Oosteinde

02

Oosthof

10

Oud Willaer

17

Oude Barneveldseweg

11-12-16

Parklaan

02

Het Pella

07

Plataanlaan

03

Plein 1940

01

Pluimenweg

14

Het Polletje

02-12

Polsche Steeg

17

Paulus Potterlaan

09

Prinsenlaan

09

Proeftuin

07

Rembrandtlaan

09

Renessersteeg

17

Ringbaan

10

Burgemeester Röell-laan

07

Roeterskamp

11

Burgemeester Royaardslaan

01-02-15

Reebaan

13

Rubenslaan

09

Ruitenbeekskamp

11

Ruwinkelseweg

17

Ruysdaellaan

09

Rijnschoten

11

Schutlaan

06

’t Slag

11

Slingerslaan

06

Spechtlaan

05

Stationsweg

02

Valeriaanlaan

10

Valkenhorst

11

Valleilaan

06

Veenschoterweg

17

Verlengde Hopeseweg

12-14-16

Vermeerlaan

09

Vierzinnen

02

Vlieterweg

02-15-17

Voermanskamp

11

De Voorposten

11-12-16

Voskuilerdijk

17

Voskuilerweg

02

Vossenburcht

13

Vijverlaan

02-08

Walstrolaan

10

Weegbreelaan

10

Westeinde

07

Wilgenhof

04

Willaerlaan

01-03-04-16

Willigen

11

Het Witte Hek

07

Wittenberg

17

Wittenoordseweg

17

't Zwarte Land

14

Bijlage b Ruimtelijke analyse buitengebied

 

1.1 Inleiding

In samenwerking met zeven andere Gelderse Vallei-gemeenten heeft Scherpenzeel een gebiedsdocument voor het gemeenschappelijke buitengebied van deze gemeenten op laten stellen. De navolgende hoofdstukken zijn aan dit document ontleend in een op Scherpenzeel toegespitste vorm.

Het gemeenschappelijk plangebied omvat acht gemeenten, namelijk Bunschoten, Nijkerk, Putten, Barneveld, Leusden, Woudenberg, Scherpenzeel en Renswoude.

 

1.2 Ontwikkelingsgeschiedenis

De ontwikkelingsgeschiedenis van deze regio zal terug gaan tot voor de Saale-ijstijd. Deze ijstijd, zo’n 200.000-120.000 jaren geleden, volgde op een periode met een klimaat dat vergelijkbaar is met het huidige. De Gelderse Vallei, waarvan de naam enigszins verwarrend is doordat de westzijde bij de provincie Utrecht hoort, was toen het stroomdal van de Maas. Het stroomdal boog in de ijstijd westwaarts af door grote veranderingen in het landschap.

 

Tijdens de Saale-ijstijd drong landijs vanuit Scandinavië Nederland binnen. Dit landijs had een sterke schurende werking en vormde glaciale bekkens. De Gelderse Vallei is een van die glaciale bekkens. Aan de randen van het ijs werd door de druk de bevroren ondergrond weggeduwd tot stuwwallen.

 

De stuwwallen aan weerszijde van de Gelderse Vallei zijn de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe. De steile wanden van de stuwwallen zijn in de loop van de tijd afgevlakt en het bekken is opgevuld met materiaal dat door rivieren is aangevoerd. Door het stijgen van de zeespiegel na de ijstijd heeft er in de Vallei kleiafzetting plaatsgevonden die een ondoordringbare laag heeft gevormd in de bodem. De wind heeft er zand afgezet in de vorm van dekzandruggen van zand dat afkomstig was van onder andere de stuwwallen. Buiten de dekzandruggen bestond het gebied vooral uit natte heide, moeras en kleine vennen. In de lagere delen op de natte plekken heeft veenvorming plaats kunnen vinden. Doordat het water in deze regio in noordwestelijke richting afstroomt en door het asymmetrische profiel van de Vallei is het veen vooral aan de westzijde, dicht tegen de Utrechtse Heuvelrug gelegen.

 

Deze natuurlijke driedeling in de regio zorgt voor een grote variatie in het landschap en heeft de ontwikkeling van het cultuurlandschap in grote mate bepaald. Als eerste werden de hogere delen van het gebied in gebruik genomen voor landbouw en bewoning. Doordat in de Vallei alleen de dekzandruggen geschikt waren voor bewoning en landbouw, is het resultaat een landschap met verspreide boerderijen. Dit kleinschalige landschap in het centrum van de Vallei met onregelmatige blokverkaveling wordt het Hoeven- of Kampenlandschap genoemd. Dit landschap is ook wel bekend als het coulisselandschap

 

Eeuwenlang bestond de landbouw in de Gelderse Vallei voornamelijk uit akkerbouw. Rogge en boekweit waren de belangrijkste gewassen. Het vee dat werd gehouden was nodig om het bouwland te kunnen bemesten en bewerken en stond dus in dienst van de akkerbouw. Met de komst van kunstmest kwamen er nieuwe mogelijkheden voor de landbouw en werd het areaal landbouwgrond vergroot, de heidegrond werd ontgonnen. Een andere grote verandering in het landschap vond plaats door het kanaliseren van natuurlijke waterlopen.

Een bijzonder geval in dat opzicht is de aanleg van De Grift (ten zuiden van Amersfoort), waartoe in 1550 is besloten. De Grift heeft naast het waterstaatkundige belang (goede waterafvoer), een belangrijke rol vervuld bij het transport van de afgegraven turf.

 

Maar een klein deel van de Vallei is systematisch ingericht, namelijk de broekontginningen. Deze ontginningen zijn te herkennen aan de strookvormige verkaveling, waarbij de sloten voor de ontwatering en afvoer van turf bijna even belangrijk waren als de percelen. Doordat er werd ontgonnen vanuit de hoger gelegen ruggen ontstonden er lintdorpen.

 

In de 17e eeuw en later zijn tal van landgoederen en buitenplaatsen tot ontwikkeling gekomen. Deze zijn voornamelijk gesitueerd aan de rand van de stuwwal en op de dekzandruggen. Deze landgoederen omvatten elementen van de verschillende landschapstypen, parken, boscomplexen, agrarisch gebied en natuurterreinen, waaronder heidevelden. Ook zijn er enkele verdedigingswerken opgezet langs de grens van de provincies Utrecht en Gelderland die inmiddels zijn uitgegroeid tot landhuizen of landgoederen.

 

De jongste ontginningen zijn de heide- en broekontginningen. Vanaf 1850 zijn nagenoeg alle resterende heide- en broekgebieden ontgonnen. Nog maar enkele heidegebieden zijn in het huidige landschap aanwezig. Deze heide- en broekontginningen zijn grootschalig en rationeel ingedeeld. Het landschap is vaak arm aan beplanting en omdat de ontginning relatief kort geleden plaats heeft gevonden komt er weinig oude bebouwing voor.

 

Een belangrijk historisch element in deze regio is de Grebbelinie. De Grebbelinie was een waterlinie en diende om de vijand zo lang mogelijk tegen te houden om de verdedigingslinie rond de Hollandse Waterlinie op sterkte te krijgen. De Vallei was door zijn slechte afwatering een moeilijk te doorkruisen gebied. Alleen de wegen, die altijd op hogere delen zijn aangelegd, hoefden te worden verdedigd. Om de doorkruising moeilijker te maken zijn delen van het gebied geïnundeerd. De benodigde hoeveelheid water werd verminderd door het gebied op te delen in kleinere kommen en met sluizen met elkaar te verbinden. Het hoogteverschil tussen de eerste en laatste kom bedroeg 6.5 meter.

 

1.3 Ontwikkeling bebouwing en infrastructuur

Het landschap heeft verschillende ontwikkelingen meegemaakt. Het land is ontgonnen en er zijn steeds meer kernen ontstaan die zich vervolgens uitbreidden. Ook de infrastructuur wordt in de loop der jaren steeds beeldbepalender.

 

1.4 Landschapstypen

 

De ontstaansgeschiedenis heeft tot een vijftal landschapstypen geleid (zie afbeelding Landschapstypen Gelderse Vallei). Deze landschapstypen hebben ieder een eigen karakter, maar vormen tezamen het landschap van de Gelderse Vallei en de stuwwallen. Het onderscheid naar deze landschapstypen is in het kader van de voorliggende welstandsnota relevant, omdat het de basis kan zijn voor een differentiatie van de welstandscriteria. Dat houdt vooral verband met de mate van openheid en zichtbaarheid en daarmee aan het maatschappelijk belang dat aan een bouwwerk gehecht wordt, waardoor aan aspecten als kleurstelling en detaillering een verschillend belang toegekend kan worden. Voor Scherpenzeel gelden de landschapstypen: Kampenlandschap en Heideontginningslandschap (zie uitsnede van de gemeente Scherpenzeel).

 

1.4.1. Kampenlandschap

 

Het Kampenlandschap is gelegen op lange smalle dekzandruggen langs de oost-west gerichte beeklopen. Het is een kleinschalig landschap van individuele ontginningen, de kampen. Op de zandrug liggen de bouwlanden, door singels, houtwallen en kleine bossen omgeven waarbij de mogelijkheden voor de jacht vaak een belangrijke drijfveer bij de inrichting zijn geweest.

Langs de zandrug liggen de nattere gronden, de beekdalen, die als weide en hooiland dienst deden. De bebouwing ligt in clusters en vormt dan vaak een langgerekt lint langs de beekdalen of ligt verspreid. Soms is de bebouwing gegroepeerd in kleine buurtschappen.

 

Binnen het Kampenlandschap komen veel landgoederen en buitenplaatsen voor. Vanwege hun verschijningsvorm zijn ze toegedeeld aan het Kampenlandschap. Ze omvatten vaak ook delen van voormalige heidegebieden. Met name in het zuidelijke deel van de Gelderse Vallei is sprake van een aantal grote landgoederen die omvangrijke landschappelijke eenheden vormen. Naast de imposante hoofdgebouwen behoren vaak vele boerderijen (hofsteden), woningen en koetshuizen tot die landgoederen. Veelal is hierbij sprake van een bindende kleurstelling en detaillering.

 

Boerderijen liggen op de smalle zandrug met de achterzijde naar de natte gronden van de beekdalen. De situering is gevarieerd: direct aan en op enige afstand tot de weg. Erfbeplanting en houtsingels vormen een samenhangend patroon waarin de bebouwing is opgenomen. Beplanting in de vorm van kleine bosjes en houtsingels als afscherming tussen het erf en de akkers en weiden.

 

Door schaalvergroting wordt de kleinschalige afwisseling van het landschap minder duidelijk. Beplantingselementen verdwijnen en nieuwe bebouwing verschijnt op plaatsen waar vanouds geen bebouwing stond. De vroeger herkenbare structuur van het Kampenlandschap vervaagt hierdoor.

Veranderingen in de tijd

Het Kampenlandschap is niet wezenlijk veranderd. Het idee van de kleinschaligheid is nog duidelijk te zien door de groenstroken langs de kavels. De kavels zijn wel iets groter geworden, onder andere door de schaalvergroting. Verspreid over het gebied is er steeds meer bebouwing bijgekomen.

 

1.4.2. Heideontginningslandschap

 

De vaak omvangrijke heidegebieden zijn ontgonnen in een rationeel patroon. Een gemeenschappelijk beeld binnen deze verschillende gebieden ontbreekt. Bebouwing komt verspreid voor in het gebied. De kavels liggen aan lange, doorgaande wegen. Het landschap is meestal arm aan beplanting. Door gelijkmatige verdeling van de bebouwing en het ontbreken van beplanting mist het landschap variatie en geleding. De bebouwing bepaalt het beeld van het landschap.

Van oudsher komen in dit gebied schaapskooien voor, om de mest van de schapen te verzamelen voor de bemesting van de akkers. Het zijn markante kleine gebouwen met een grote ononderbroken kap, tot zeer dicht boven de grond doorlopend. Van oorsprong waren de wanden van hout, maar velen hebben later een bakstenen voet gekregen.

 

De kavels hebben een verschillende inrichting waarbij de nadruk ligt op functionaliteit. Het woongedeelte en het bedrijfsgedeelte zijn veelal gescheiden.

 

In het relatief jonge landschap is verdergaande schaalvergroting in de landbouw duidelijk zichtbaar. Dat heeft tot een ingrijpende verandering van het landschap geleid, met grootschalige bedrijfsgebouwen (met name bio-industrie) in grote aantallen en op beperkte oppervlakten.

 

Veranderingen in de tijd

Het heideontginningslandschap is veel veranderd de afgelopen 150 jaar. Gedeeltelijk moesten de heidevelden in 1850 nog ontgonnen worden. Ook is er veel bebouwing bijgekomen. De oppervlakte van de kavels is in de loop der tijd vergroot voor de realisering van grootschalige bedrijfsgebouwen voor de bio-industrie. Anderzijds is een visuele versnippering opgetreden door de plaatsing van hoofd- en bijgebouwen. Dat is op grote schaal gebeurd, waarmee de ruimtelijke karakteristiek van het landschap sterk is veranderd.

 

1.5 Bebouwing

 

Er zijn, zoals in de vorige paragrafen omschreven, verschillende landschapstypen te onderscheiden. De bebouwing die zich in het gebied voordoet, blijkt slechts in geringe mate verband te houden met het landschapstype; de verschillen houden vooral verband met de tijd waarin de bebouwing is opgericht. Voor de voorliggende welstandsnota zijn met name de recente ontwikkelingen van belang zijn. Ook daarvoor geldt dat zich in de Gelderse Vallei vergelijkbare ontwikkelingen hebben voorgedaan. Om die reden is de bebouwing in objectcriteria ondergebracht, zoals hallenhuisboerderij, bedrijfsbebouwing, agrarische bedrijfswoning en recreatieterreinen.

 

In de periode van de jaren ’80 tot heden hebben zich in grote delen van de Gelderse Vallei ingrijpende veranderingen voorgedaan. Dat betreft processen van verandering en schaalvergroting binnen de agrarische sector. Dat gaat gepaard met een schaalvergroting van de agrarische opstallen. Bovendien heeft de bio-industrie grote ruimtelijke consequenties, door de grote stallen en de grote aantallen.

 

Die processen hebben bovendien tot gevolg dat boerderijen ‘overbodig’ worden en ruimte gaan bieden aan andere niet-agrarische activiteiten en wonen. Met name het wonen heeft een enorme vlucht genomen. Men treft in de periode van de jaren ’80 tot heden hoofdzakelijk twee stromen of bouwstijlen in het buitengebied aan. De eerste stroming tracht op een respectvolle manier om te gaan met de historische bouwstijl van de hallenhuizen door de hoofdkarakteristiek terug te brengen in de nieuwbouw. Hierbij is echter niet langer sprake van woonhuis en bedrijfsgedeelte onder een kap, maar van alleen wonen. Door verandering in de schaal zijn de bouwwerken niet zo omvangrijk als de oorspronkelijke. Met het toepassen van een forse kap (zadeldak met wolfseinde) met riet of donkere pannen gaan de oorspronkelijke verhoudingen daarbij evenwel verloren, waarmee veeleer een compact beeld ontstaat, dat als storend kan worden ervaren. Dit wordt versterkt wanneer men flinke aanbouwen of uitbouwen ook nog voorziet van een forse kap.

 

De tweede stroming probeert afstand te nemen van de historische stijlen door het gebruik van contrasterende materialen en kleuren. Hout wordt veel toegepast in lichte tot donkere kleuren (meestal wit tot donkergroen, maar ook lichtgeel en zalmkleurige tinten), vooral als accent in de puntgevel. Zo ontstaat een duidelijk verschil in de opbouw met een rode gemetselde begane grond met donkere plint en een houten puntgevel. De daken zijn in het algemeen zadeldaken en vaak voorzien van dakkapellen met houten zijwangen. Ze zijn gedekt met donkerbruine tot antracietkleurige pannen (donker geglazuurde pannen komen ook voor; deze zijn zeer opvallend aanwezig). Soms ziet men toch overeenkomsten met de jaren ’30 stijl met grote oversteken van de dakgoten met witte randen.

 

De nieuwe agrarische bedrijfsbebouwing behoort eveneens tot de tweede stroming, al speelt daar vooral de efficiency een rol. De huidige agrarische bedrijfsvoering is vooral gebaat bij grote, goedkope en goed te gebruiken ruimten. Dat uit zich in het gebruik van damwandprofielen bij de gevels en golfplaten afdekkingen. Dit wordt in vele situaties als ruimtelijk storend ervaren. Dat wordt verminderd indien donkere tinten en profielen worden gebruikt en als een duidelijke plint van metselwerk aanwezig is.

 

Door aanpassingen en toevoegingen varieert het huidige beeld van een agrarisch bedrijf. Bijgebouwen of schuren zijn in de loop van de tijd, door behoefte aan meer overkapte ruimte, achter of zelfs rondom het hoofdgebouw geplaatst.

Vaak is ook het hoofdgebouw uitgebreid. Van kleine ingrepen in het verleden tot hedendaagse uitbouwen of aanbouwen die door hun proporties de ‘leesbaarheid’ van het gebouw aantasten. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de uitbouwen de verhoudingen en inhoud van een woonhuis krijgen. De aanbouw is dan niet meer ondergeschikt te noemen, vooral als de kapvorm dominant wordt.

 

De hoofdopzet van een agrarisch bebouwingscomplex is een hoofdgebouw (woning) met meerdere schuren en stallen. Het hoofdgebouw valt op door zijn ligging in het complex: meestal naar de weg gericht en nokrichting haaks op de weg met de bijgebouwen achter of gelijk met de voorgevellijn van het hoofdgebouw. Het hoofdgebouw kan ook geflankeerd zijn door later toegevoegde bijgebouwen of wanneer een nieuw hoofdgebouw (zoals een tweede woning voor de ‘rustende boer’) naast de oorspronkelijke bebouwing is neergezet.

 

Bijgebouwen bestaan vaak uit één of meer lange stallen en één of meer werktuigbergingen of schuren. Het gaat voor het merendeel om grote, eenvoudige, lange, rechthoekige constructies met een zadeldak gedekt met donkergrijze golfplaten. De meeste gebouwen zijn gemetseld op een simpele wijze met een oranje tot rode baksteen in halfsteens verband, soms gedeeltelijk open of bedekt met een groene damwandprofiel. Overwegend is sprake van een asymmetrisch zadeldak en een situering haaks op de weg. De schuren of stallen kunnen vrijstaand zijn maar ook gecombineerd, zowel onderling als via een plat verbindingsstuk aan het woonhuis. De bijgebouwen zijn gesitueerd afhankelijk van de diepte of de breedte van de kavels. Bij smalle en diepe kavels (Polderlandschap en Veenontginningslandschap) staan de meeste bijgebouwen met de nokrichting evenwijdig aan de nokrichting van het hoofdgebouw. Bij brede en ondiepe kavels (Kampenlandschap en H+eideontginningslandschap) kunnen de bijgebouwen haaks staan ten opzichte van het hoofdgebouw.

 

De mate waarin zich nieuwbouwinitiatieven hebben voorgedaan verschilt binnen de Gelderse Vallei. In algemene zin kan gesteld worden dat in delen van met name de gemeenten Barneveld, Putten en Nijkerk veel burgerwoningbouw is gerealiseerd, vooral in de laatste tien jaren. Die initiatieven zorgen voor een zekere eenvormigheid binnen het gebied. Bovendien zijn hier diverse recreatieterreinen ontstaan met recreatiewoningen, bungalows en stacaravans in diverse vormen en kleuren.

In de overige gemeenten is de oorspronkelijke bebouwingsopzet beter herkenbaar gebleven. Bij de gemeente Bunschoten houdt dat verband met het feit dat het gebied nog steeds in hoofdzaak een agrarische functie heeft. Hier is vooral de regulerende werking van het bestemmingsplan zichtbaar. In de zuidelijke gemeenten mag de invloed van de landgoederen niet onderschat worden. Het gaat om grote (landschappelijke) eenheden met een eenduidige beheersvorm en gereguleerde bouwinitiatieven.

 

Bijlage c Tekst algemene criteria

 

Inleiding

De algemene welstandscriteria24 hebben betrekking op de zeggingskracht en het vakmanschap van het architectonisch ontwerp en is terug te voeren op vrij universele kwaliteitsprincipes. Deze liggen (haast onzichtbaar) ten grondslag aan elke planbeoordeling omdat ze het uitgangspunt vormen voor de uitwerking van de gebiedsgerichte en objectgerichte welstandscriteria. In de praktijk zullen die uitwerkingen meestal voldoende houvast bieden voor de planbeoordeling.

 

Relatie tussen vorm, gebruik en constructie

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft.

 

Een bouwwerk wordt primair gemaakt om te worden gebruikt. Hoewel het welstandstoezicht slechts is gericht op de uiterlijke verschijningsvorm, kan de vorm van het bouwwerk niet los worden gedacht van de eisen vanuit het gebruik en de mogelijkheden die materialen en technieken bieden om een doelmatige constructie te maken. Gebruik en constructie staan aan de wieg van iedere vorm. Daarmee is nog niet gezegd dat de vorm altijd ondergeschikt is aan het gebruik of de constructie. Ook wanneer andere aspecten dan gebruik en constructie de vorm tijdens het ontwerpproces gaan domineren, mag worden verwacht dat de uiteindelijke verschijningsvorm een begrijpelijke relatie houdt met zijn oorsprong. Daarmee is tegelijk gezegd dat de verschijningsvorm méér is dan een rechtstreekse optelsom van gebruik en constructie. Er zijn daarnaast andere factoren die hun invloed kunnen hebben zoals de omgeving en de associatieve betekenis van de vorm in de sociaal-culturele context. Maar als de vorm in tegenspraak is met het gebruik en de constructie dan verliest zij daarmee aan begrijpelijkheid en integriteit.

 

Relatie tussen bouwwerk en omgeving

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is.

 

Bij het oprichten van een gebouw is sprake van het afzonderen en in bezit nemen van een deel van de algemene ruimte voor particulier gebruik. Gevels en volumes vormen zowel de externe begrenzing van de gebouwen als ook de wanden van de openbare ruimte die zij gezamenlijk bepalen. Het gebouw is een particulier object in een openbare context, het bestaansrecht van het gebouw ligt niet in het eigen functioneren alleen maar ook in de betekenis die het gebouw heeft in zijn stedelijke of landschappelijke omgeving. Ook van een gebouw dat contrasteert met zijn omgeving mag worden verwacht dat het zorgvuldig is ontworpen en de omgeving niet ontkent. Waar het om gaat is dat het gebouw een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Over de wijze waarop dat bij voorkeur zou moeten gebeuren kunnen de gebiedsgerichte welstandscriteria duidelijkheid verschaffen.

Betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit.

 

Voor vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels, net zoals een taal zijn eigen grammaticale regels heeft om zinnen en teksten te maken. Die regels zijn geen wetten en moeten ter discussie kunnen staan. Maar als ze worden verhaspeld of ongeïnspireerd gebruikt, wordt een tekst verwarrend of saai. Precies zo wordt een bouwwerk verwarrend of saai als de regels van de architectonische vormgeving niet bewust worden gehanteerd. Als vormen regelmatig in een bepaald verband zijn waargenomen krijgen zij een zelfstandige betekenis en roepen zij, los van gebruik en constructie, bepaalde associaties op. Pilasters in classicistische gevels verwijzen naar zuilenstructuren van tempels, transparante gevels van glas en metaal roepen associaties op met techniek en vooruitgang.

 

In iedere bouwstijl wordt gebruik gemaakt van verwijzingen en associaties naar wat eerder of elders reeds aanwezig was of naar wat in de toekomst wordt verwacht. De kracht of de kwaliteit van een bouwwerk ligt echter vooral in de wijze waarop die verwijzingen en associaties worden verwerkt en geïnterpreteerd binnen het kader van de actuele culturele ontwikkelingen, zodat concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Zorgvuldig gebruik van verwijzingen en associaties betekent onder meer dat er een bouwwerk ontstaat dat integer is naar zijn tijd doordat het op grond van zijn uiterlijk in de tijd worden geplaatst waarin het werd gebouwd of verbouwd. Bij restauraties is sprake van herstel van elementen uit het verleden, maar bij nieuw- of verbouw in bestaande (monumentale) omgeving betekent dit dat duidelijk moet zijn wat authentiek is en wat nieuw is toegevoegd. Een ontwerp kan worden geïnspireerd door een bepaalde tijdsperiode, maar dat is iets anders dan het imiteren van stijlen, vormen en detailleringen uit het verleden.

 

Associatieve betekenissen zijn van groot belang om een omgeving te ‘begrijpen’ als beeld van de tijd waarin zij is ontstaan, als verhaal van de geschiedenis, als representant van een stijl. Daarom is het zo belangrijk om ook bij nieuwe bouwplannen zorgvuldig met stijlvormen om te gaan, zij vormen immers de geschiedenis van de toekomst.

 

Evenwicht tussen helderheid en complexiteit

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat.

 

Een belangrijke eis die aan een ontwerp voor een gebouw mag worden gesteld is dat er structuur wordt aangebracht in het beeld. Een heldere structuur biedt houvast voor de waarneming en is bepalend voor het beeld dat men vasthoudt van een gebouw. Symmetrie, ritme, herkenbare maatreeksen en materialen maken het voor de gemiddelde waarnemer mogelijk de grote hoeveelheid visuele informatie die de gebouwde omgeving geeft, te reduceren tot een bevattelijk beeld.

 

Het streven naar helderheid mag echter niet ontaarden in simpelheid. Een bouwwerk moet de waarnemer blijven prikkelen en intrigeren en zijn geheimen niet direct prijsgeven. Er mag best een beheerst beroep op de creativiteit van de voorbijganger worden gedaan. Van oudsher worden daarom helderheid en complexiteit als complementaire begrippen ingebracht bij het ontwerpen van bouwwerken. Complexiteit in de architectonische compositie ontstaat vanuit de stedenbouwkundige eisen en het programma van eisen voor het bouwwerk. Bij een gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig in evenwichtige en spanningsvolle relatie.

 

Schaal en maatverhoudingen

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen.

 

Ieder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of de betekenis van de betreffende bouwopgave. Grote bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun eigen grenzen geleed zijn maar worden onherkenbaar en ongeloofwaardig als ze er uitzien alsof ze bestaan uit een verzameling losstaande kleine bouwwerken.

De maatverhoudingen van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan, maar vormen tegelijk één van de meest ongrijpbare aspecten bij het beoordelen van ontwerpen. De waarnemer ervaart bewust of onbewust de maatverhoudingen van een bouwwerk, maar wáárom de maatverhoudingen van een bepaalde ruimte aangenamer, evenwichtiger of spannender zijn dan die van een andere, valt nauwelijks vast te stellen.

Duidelijk is dat de kracht van een compositie groter is naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang en hiërarchie vertonen. Mits bewust toegepast kunnen ook spanning en contrast daarin hun werking hebben.

 

De afmetingen en verhoudingen van gevelelementen vormen tezamen de compositie van het gevelvlak. Hellende daken vormen een belangrijk element in de totale compositie. Als toegevoegde elementen (zoals een dakkapel, een aanbouw of een zonnecollector) te dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa en/of de vlakverdeling, verstoren zij het beeld niet alleen van het object zelf maar ook van de omgeving waarin dat is geplaatst.

 

Materiaal, textuur, kleur en licht

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken.

 

Door middel van materialen, kleuren en lichttoetreding krijgt een bouwwerk uiteindelijk zijn visuele en tactiele kracht: het wordt zichtbaar en voelbaar. De keuze van materialen en kleuren is tegenwoordig niet meer beperkt tot wat lokaal aan materiaal en ambachtelijke kennis voorhanden is. Die keuzevrijheid maakt de keuze moeilijker en het risico van een onsamenhangend beeld groot. Als materialen en kleuren teveel los staan van het ontwerp en daarin geen ondersteunende functie hebben maar slechts worden gekozen op grond van decoratieve werking, wordt de betekenis ervan toevallig en kan het afbreuk doen aan de zeggingskracht van het bouwwerk. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het gebruik van materialen en kleuren geen ondersteuning geeft aan de architectonische vormgeving of wanneer het gebruik van materialen en kleuren een juiste interpretatie van de aard en de ontstaansperiode van het bouwwerk in de weg staat.

 

24De algemene welstandscriteria zijn ontleend aan de notitie ‘Architectonische kwaliteit, een notitie over architectuurbeleid’ van prof. ir. Tj.Dijkstra die hij schreef als Rijksbouwmeester in 1985.

 

Bijlage d Begrippenlijst

 

Aanbouw:

Nieuw gedeelte, gebouwd aan een bestaand gebouw.

 

Bedrijfswoning /

Een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van)

 

Dienstwoning:

een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is.

 

Bijgebouw:

Een gebouw, dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.

 

Bouwwerk:

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

 

Bouwlaag:

Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder.

 

Buitenplaats:

Een historische buitenplaats is aangelegd. Zij kan deel uit maken van een landgoed. Het geheel wordt met name gevormd door een, eventueel thans verdwenen, in oorsprong versterkt huis, kasteel, buitenhuis of landhuis, met bijgebouwen, omgeven door tuinen en/of park met een of meer van de volgende onderdelen: grachten, waterpartijen, lanen, boomgroepen, parkbossen, (sier)weiden, moestuinen, ornamenten.

 

Dakkapel:

Klein uitspringend venster dat het hellende dakvlak onderbreekt, aangebracht om lucht en licht onder de kap toe te laten.

 

Dakopbouw:

Een toevoeging aan de bouwmassa door het verhogen van de nok van het dak, die het silhouet van het oorspronkelijke dak verandert.

 

Dakschild:

Elk der hellende en elkaar snijdende vlakken van een dak.

 

Damwandprofielplaat:

Metalen beplatingsmateriaal.

 

Delftse School:

Traditionalistische sobere bouwstijl (ca. 1925-1955) ontstaan rondom de Delftse hoogleraar Grandpré Molière. Inspiratiebron is de traditionele Nederlandse baksteenarchitectuur.

 

Detaillering:

Een klein toegevoegd onderdeel wat een bijzonderheid aangeeft.

 

Erker:

Ronde, vierkante of veelhoekige uitkragende uitbouw aan de gevel, die vaak uitsteekt langs een of meer bouwlagen: kan gezien worden als een uitgebouwd venster.

 

(Gevel)geleding:

Elementen van een gebouw die de indeling van wanden of gevels bepalen of accentueren zoals pilasters, lisenen en lijsten.

 

(Gevel)indeling:

Compositie van de gevel. De indeling van bijvoorbeeld raamopeningen over de gevel.

 

Hallenhuis:

Boerderij naar het Saksische type, het ‘los hoes’: zware gebinten die een middenbeuk begrenzen, vormen het geraamte, waarbij aan weerszijden de lagere zijbeuken aansluiten. De plattegrond bestaat uit een langwerpige rechthoek, aan de ene smalle zijde de inrit naar de middenbeuk of deel, links en rechts hiervan de lage veestallen in open verbinding met de deel.

 

Hoofdgebouw:

Een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken.

 

Hoofdvorm:

Oorspronkelijk de vorm van het eerste deel.

 

 

Kamp:

Een individuele, blokvormige ontginning met bewoning op de kavel. De ontginning was in veel gevallen omgeven door een houtwal of een heg.

 

Kampenlandschap:

Landschap ontstaan door ontginning in de vorm van kampen in het zandgebied.

 

Kaprichting:

Richting waarnaar de lange zijde van een kap georiënteerd is.

 

Kasteel:

Een versterkte en verdedigbare woning van een edelman.

 

Korrelgrootte:

De schaal van de aaneengesloten voorgevels.

 

Kozijn:

Omlijsting van steen, hout of ijzer, bestaand uit de onder- of bovendorpel en twee of meer stijlen, om een ingang of lichtopening te omlijsten en er een raam, deur of luik in te bevestigen

 

Kwalitatief:

Gewaardeerd beeld waarnaar men zijn handelen of denken kan richten.

Referentiebeeld

 

Landgoed:

Geheel of gedeeltelijk met bossen of andere houtopstanden bezette terreinen, daaronder begrepen die waarop een buitenplaats voorkomt, voor zover het blijven voortbestaan van die terreinen in de bestaande toestand voor het behoud van het natuurschoon wenselijk wordt geacht.

 

Landhuis:

Royaal opgezet woonhuis in de regel vrijstaand of twee onder een kap gebouwd. Vertoont qua bouwstijl invloeden van stromingen.

 

Langhuisboerderij:

Boerderij waarbij het woonhuis en het achterhuis onder een dak in elkaars verlengde liggen.

 

Linie:

Een reeks van verdedigingswerken die elkaar ondersteunen.

 

Lint(bebouwing):

Langgerekte lijn van (veelal vrijstaande) bebouwing langs een weg of veenrivier.

 

Mansardedak:

Een gebroken dakvorm die door de Fransman Mansard (ca. 1660) is ontwikkeld ten behoeve van meer zolderruimte voor slaapvertrekken. In eenvoudige vorm veel toegepast bij kleine woningen vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw.

 

Nok:

Horizontale snijlijn van twee dakvlakken, bovenste rand van een dak.

 

Ondergeschikt:

Voert niet de boventoon.

 

Ontginning:

Het gebruiksklaar maken van woeste gronden voor agrarische productie en/of bewoning.

 

Ornamenten:

Versieringen aangebracht op de buitenkant van een bouwwerk.

 

Overstek:

Bouwdeel dat vooruitsteekt ten opzicht van het eronder gelegen deel.

 

Parcellering:

De mate van indeling van percelen. Deze indeling van breedtes en hoogtes van bouwwerken bepaalt het straatbeeld.

 

Pilaster:

Weinig uitspringende, band- of liseenachtige, van een basement, een schacht en een kapiteel voorziene muurpijler, dienende om een muraalboog ofwel een hoofdgestel te dragen.

 

Plint:

Een duidelijk te onderscheiden horizontale lijn aan de onderzijde van een gebouw.

 

Rooilijn:

Richtlijn waarin gebouwen worden geplaatst en die de grens aangeeft met de openbare weg. Ook wel: de plaats die de lijn van de voorgevel bepaalt.

 

Samengesteld:

Uit verschillende bestanddelen gevormd, bijvoorbeeld een groot venster gevormd door middel van een aantal kleine samengevoegde vensters.

 

Situering:

Plaats van het bouwwerk in zijn omgeving.

 

Stucwerk:

In pleisterkalk uitgevoerd werk.

 

Tentdak:

Dak met vier of meer gelijkbenige driehoekige schilden, die samenkomen in een punt.

 

Textuur:

De voelbare structuur van een materiaal (bij metselwerk dus de oneffenheden van de steen en het voegwerk).

 

Traditioneel:

Zoals de gewoonte dat meebrengt, van oudsher. Onder traditionele kleuren worden in de meeste gevallen donkere tinten verstaan, zoals (donker)bruin, donkerrood, antraciet e.d.

 

Uitbouw:

Ruimte in een gebouw die naar buiten steekt.

 

Villa:

Aanduiding voor een vrijstaande, aanzienlijke woning. De stadsvilla is ontwikkeld in de tweede helft van de 19e eeuw toen het voor een grotere groep stedelingen financieel mogelijk werd huizen te laten bouwen te midden van veel groen. De inspiratiebron was de middeleeuwse bouwtraditie van vakwerkhuizen. De nadruk lag op een onregelmatige gevormde dakpartij en een asymmetrische gevelopbouw. Karakteristiek zijn het siermetselwerk, de houten topgeveldecoratie, de gedeeltelijke bepleistering van de gevels of het siermetselwerk in gekleurde baksteen of natuursteen op constructieve punten.

 

Windveer:

Plank bevestigd langs de kanten van een rieten of pannendak ter afdekking van de voorraad. De windveer is vaak decoratief uitgesneden.

 

Woning:

Een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijke huishouding.

 

Zadeldak:

Dak, bestaande uit twee tegen elkaar geplaatste hellende schilden.

 

Bijlage e Literatuur en bronnen

 

Gemeente Scherpenzeel, 27 september 2001

Structuurvisie Scherpenzeel 2001-2010

BRO adviseurs

 

Gemeente Scherpenzeel, november 2001

Landschapsbeleidsplan Scherpenzeel 2001

Nieuwland advies

 

Gemeente Scherpenzeel, 2001

Verkeerscirculatieplan Scherpenzeel, een leefbare omgeving

Grontmij

 

Gemeente Scherpenzeel, oktober 2001

Bestemmingsplan Buitengebied Integrale herziening

 

Gemeente Scherpenzeel, 27 januari 1994

Bestemmingsplan Scherpenzeel-Dorp 1993, fase I (Centrumgebied)

 

Gemeente Scherpenzeel, 8 juli 1997

Wijziging bestemmingsplan Scherpenzeel-Dorp 1993, fase I (Centrumgebied) ex artikel 11 WRO Doornboomspark

 

Gemeente Scherpenzeel, april 2001

Notitie artikel 19 WRO-beleid

 

Gemeente Scherpenzeel, 24 februari 2000

Nota erfafscheidingen in zijtuinen van woonbebouwing

Gelders Genootschap

 

Gemeente Scherpenzeel, 2009

Reclamenota gemeente Scherpenzeel

BügelHajema Adviseurs

 

Gemeente Scherpenzeel, 2000

Beeldkwaliteitsplan Dorpsstraat-West, vastgesteld 2 november 2002

Bokelman|Croonen stedebouwkundigen

 

Gemeente Scherpenzeel, 1998

Beeldkwaliteitplan Scherpenzeel

Inbo Stedenbouwkundigen bns

 

Gemeente Scherpenzeel, 2009

Beeldkwaliteitsplan Functieverandering Gelderse Vallei

BügelHajema Adviseurs

 

Beschrijvingen van Park Huize Scherpenzeel (1998), Hallenhuisboerderij De Kleine Haar 5 (1997) en Panden aan het Holevoetplein en de Dorpsstraat (1984).

 

Stichting Vernieuwing Gelderse Vallei, 2001

Beeldkwaliteitsregie Gelderse Vallei Utrecht Oost

 

Bunschoten, geschiedenis en architectuur, Monumenteninventarisatie Provincie Utrecht,1992.

F. Gaasbeek en G. ’t Gilde-Balk

 

Gedeputeerde Staten van Gelderland, 2002.

Gebiedsplan Natuur en Landschap Gelderse Vallei,

 

Dienst Landelijk Gebied, 2002

Landschap in verandering,

Beschrijving van de landschapsontwikkeling en ontwerpopgaven voor het reconstructiegebied Gelderse Vallei / Utrecht Oost

 

Ruimtelijke visie Eemland, 2001

H. Lörzing

 

Provincie Utrecht, 2002

Niet van gisteren, Hoofdnota cultuurhistorische hoofdstructuur en beleidsvisie van de provincie Utrecht

 

Stichting vernieuwing Gelderse Vallei, 1999

Nieuwe architectuur voor de Gelderse Vallei,

Schetsboek

 

Leusden, geschiedenis en architectuur, Monumenteninventarisatie Provincie Utrecht, 1998

H. Renes e.a.

 

Woudenberg, geschiedenis en architectuur, Monumenteninventarisatie Provincie Utrecht, 1999

E. Slades-Vischer, K. Veenland-Heineman

 

Provinciale Staten Gelderland, 2000

Streekplan Gelderland 1996, tweede partiële herziening in verband met ‘ruimte voor ruimte’

 

Stichting vernieuwing Gelderse Vallei, 2002.

Van wet naar werkelijkheid,

Voorontwerp Reconstructieplan / MER 1 Gelderse Vallei / Utrecht Oost

 

Renswoude, geschiedenis en architectuur, Monumenteninventarisatie Provincie Utrecht, 1998

E. Wolleswinkel