Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Schinnen

Erfgoedverordening gemeente Schinnen 2014

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieSchinnen
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingErfgoedverordening gemeente Schinnen 2014
CiteertitelErfgoedverordening gemeente Schinnen 2014
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpvolkshuisvesting en woningbouw
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Gemeentewet, art 149

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

09-01-2014Nieuwe regeling

19-12-2013

Goed Nieuws, 8 januari 2014

Onbekend

Tekst van de regeling

Intitulé

Erfgoedverordening gemeente Schinnen 2014

De Raad van de gemeente Schinnen;

gelezen het voorstel van het College d.d. 12 november 2013;

gelet op het bepaalde in artikel 149 van de Gemeentewet;

gelezen het advies van de Beleidscommissie d.d. 2 december 2013;

 

B E S L U I T :

vast te stellen de volgende Erfgoedverordening gemeente Schinnen 2014;

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1:1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • 1.

    beeldbepalend pand: een overeenkomstig deze verordening als beschermd beeldbepalend pand aangewezen:

    • a.

      zaak, welke zich kenmerkt door zijn beeldbepalende kwaliteiten of overige cultuurhistorische waarden die van betekenis zijn voor de directe omgeving;

  • 2.

    gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als beschermd gemeentelijk monument aangewezen:

    • a.

      zaak, welke van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap, sociale betekenis of cultuurhistorische waarde;

    • b.

      terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak bedoeld onder a;

    • c.

      groep(en) van zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke, sociale of cultuurhistorische waarde.

  • 3.

    monumentaal onderdeel: een onderdeel van een monument, welke zich onderscheidt door zijn architectonische en cultuurhistorische waarde;

  • 4.

    gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als gemeentelijk monument aangewezen (groepen van) zaken of terreinen bedoeld in onderdeel a;

  • 5.

    beschermd rijksmonument: beschermd monument als bedoeld in artikel 3 van de Monumentenwet 1988;

  • 6.

    beschermd stads- dorpsgezicht: een in overeenstemming met deze verordening als beschermd gemeentelijk stads- dorpsgezicht aangewezen:

    • b.

      gebied, welke van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap, sociale betekenis of cultuurhistorische waarde;

    • c.

      terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak bedoeld onder a;

    • d.

      groep(en) van zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke, sociale of cultuurhistorische waarde.

  • 7.

    monumentencommissie: de op basis van artikel 15 lid 1 Monumentenwet 1988 ingestelde commissie met als taak het bevoegd bezag op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de verordening en het monumentenbeleid;

  • 8.

    gemeentelijke archeologische waardekaart: topografische kaart van het gemeentelijke grondgebied of delen van het grondgebied, waarop archeologische monumenten en archeologische verwachtingsgebieden zijn aangegeven;

  • 9.

    Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden: landelijke kaart met een schaal van 1:50.000, die op basis van geomorfologische gegevens, de kans weergeeft op de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen, waarbij onderscheid wordt gemaakt in hoge, middelhoge, lage en zeer lage trefkans;

  • 10.

    Provinciale Archeologische Monumentenkaart: topografische kaart van (delen van) het provinciale grondgebied, waarop archeologische monumenten en archeologische gebieden zijn aangegeven;

  • 11.

    archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de archeologische waardekaart, waarvan is aangegeven dat in bepaalde mate archeologische vondsten of sporen te verwachten zijn;

  • 12.

    hoge verwachtingswaarde: grote kans op archeologische vondsten of informatie;

  • 13.

    middelhoge verwachtingswaarde: gemiddelde kans op archeologische vondsten of informatie;

  • 14.

    lage verwachtingswaarde: kleine kans op archeologische vondsten of informatie;

  • 15.

    plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen denkt te gaan beantwoorden;

  • 16.

    programma van eisen: programma dat door het bevoegd bezag wordt vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek;

  • 17.

    gemeentelijke beleidsadvieskaart: kaart behorende bij de archeologische paragraaf van het bestemmingsplan;

  • 18.

    bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  • 19.

    het bevoegd bezag: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schinnen;

  • 20.

    vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of 2.2. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  • 21.

    Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Hoofdstuk 2. BEELDBEPALEND PAND

AANWIJZING BEELDBEPALEND PAND

Artikel 2. Het gebruik van het beeldbepalend pand

Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het gebruik van het beeldbepalend pand.

Artikel 3. De aanwijzing tot beeldbepalend pand

  • 1.

    Het bevoegd bezag kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een pand aanwijzen als beeldbepalend pand.

  • 2.

    Voordat het bevoegd bezag over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het bevoegd bezag advies aan de monumentencommissie.

  • 3.

    De aanwijzing kan geen pand betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988.

Artikel 4. Voorbescherming

Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een beeldbepalend pand de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als beschermd beeldbepalend pand ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het beeldbepalend pand niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 12 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5. Termijnen advies en aanwijzingsbesluit

  • 1.

    De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen 12 weken na ontvangst van het verzoek van het bevoegd bezag.

  • 2.

    Binnen 12 weken na de datum van verzending van het afschrift brengt de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het bevoegd bezag.

  • 3.

    De advisering zal plaatsvinden tijdens de eerstvolgende vergadering van de dorpsbouwmeester. De monumentencommissie wijst uit haar midden een of meer deskundigen aan die belast worden met de advisering en die daartoe zullen deelnemen aan de beraadslagingen van de dorpsbouwmeester. De advisering zal resulteren in een integraal advies van de dorpsbouwmeester en monumentencommissie.

Artikel 6. Mededeling aanwijzingsbesluit

De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan.

Artikel 7. Registratie op het beeldbepalend pand

  • 1.

    Het bevoegd bezag registreert het beeldbepalende pand op de “Lijst gemeentelijk erfgoed gemeente Schinnen”.

  • 2.

    De gemeentelijke monumentenlijst bevat:

    • a.

      de plaatselijke aanduiding;

    • b.

      de datum van de aanwijzing;

    • c.

      de kadastrale aanduiding;

    • d.

      de beschrijving van de monumentale onderdelen van het gemeentelijke monument.

Artikel 8. Wijzigen van de aanwijzing

  • 1.

    Het bevoegd bezag kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de aanwijzing wijzigen.

  • 2.

    Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 zijn van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.

  • 3.

    Indien de wijziging naar het oordeel van het bevoegd bezag van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als bedoeld in lid 2, achterwege.

  • 4.

    De inhoud en de datum van de wijziging worden op de “Lijst gemeentelijk erfgoed gemeente Schinnen” aangetekend.

Artikel 9. Intrekken van de aanwijzing

  • 1.

    Indien het bevoegd bezag de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede lid, en artikel 5 van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988.

  • 3.

    De intrekking wordt op de “Lijst gemeentelijk erfgoed gemeente Schinnen” geregistreerd.

INSTANDHOUDING BEELDBEPALEND PAND

Artikel 10. Instandhoudingbepaling

  • 1.

    Het is verboden een beeldbepalend pand bedoeld in artikel 1, onder a, sub 1, te beschadigen of te vernielen.

  • 2.

    Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag:

    • a.

      een monumentaal onderdeel van een beeldbepalende pand, als bedoeld in artikel 7, onder 2, sub d, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

    • b.

      een monumentaal onderdeel van een beeldbepalende pand, als bedoeld in artikel 7, onder 2, sub d, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

  • 3.

    Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, geldt niet voor werkzaamheden bedoelt ten behoeve van de instandhouding van het beeldbepalende pand indien:

    • a.

      het beeldbepalende pand alleen gerenoveerd/gerestaureerd wordt, en;

    • b.

      dezelfde materialen, kleurstelling, detaillering en profilering toegepast wordt, en;

    • c.

      de uitstraling van het beeldbepalend pand niet gewijzigd wordt, en;

    • d.

      het beeldbepalend pand in zijn geheel of gedeeltelijk niet afgebroken wordt, en;

    • e.

      het beeldbepalend pand niet gereconstrueerd wordt.

  • 4.

    Het uitvoeren van werkzaamheden, behoudens als bedoeld in het tweede lid, dient men binnen 20 werkdagen, voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden, te melden bij het bevoegd gezag.

  • 5.

    Het bevoegd gezag kan binnen 10 werkdagen na ontvangst van de melding, als bedoeld in het vierde lid, besluiten het uitvoeren van de werkzaamheden te verbieden indien de melding in strijd is met het bepaalde in het tweede lid.

  • 6.

    Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, geldt niet indien het bevoegd bezag nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.

Artikel 11. De schriftelijke aanvraag

Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2 van het Besluit omgevingsrecht voor een vergunning als bedoeld in artikel 10 en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden worden in drievoud ingediend.

Artikel 12. Termijnen advies en vergunningverlening

  • 1.

    Het bevoegd gezag stelt onmiddellijk de monumentencommissie in kennis van een ontvankelijke vergunningaanvraag voor een vergunningspichtige activiteit.

  • 2.

    De advisering zal plaatsvinden tijdens de eerstvolgende vergadering van de dorpsbouwmeester. De monumentencommissie wijst uit haar midden één lid of één plaatsvervangend lid aan die belast worden met de advisering en die daartoe zullen deelnemen aan de beraadslagingen van de dorpsbouwmeester. De advisering zal resulteren in een integraal advies van de dorpsbouwmeester met in achtneming van het advies van de monumentencommissie.

Artikel 13. Weigeringsgronden

De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het beeldbepalend pand.

Artikel 14. Intrekken van de vergunning

De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien:

  • 1.

    blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;

  • 2.

    de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het beeldbepalend pand zwaarder dient te wegen.

Hoofdstuk 2. gemeentelijk monument

AANWIJZING GEMEENTELIJKE MONUMENT

Artikel 15. Het gebruik van het monument

Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het gebruik van het monument.

Artikel 16. De aanwijzing tot gemeentelijk monument

  • 1.

    Het bevoegd bezag kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument aanwijzen als gemeentelijk monument.

  • 2.

    Voordat het bevoegd bezag over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het bevoegd bezag advies aan de monumentencommissie.

  • 3.

    Voordat het bevoegd bezag een monument met een religieuze bestemming dat uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst, voert hij overleg met de eigenaar.

  • 4.

    De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988.

Artikel 17. Voorbescherming

Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 12 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 18. Termijnen advies en aanwijzingsbesluit

  • 1.

    De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen 12 weken na ontvangst van het verzoek van het bevoegd bezag.

  • 2.

    Binnen 12 weken na de datum van verzending van het afschrift brengt de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het bevoegd bezag.

  • 3.

    De advisering zal plaatsvinden tijdens de eerstvolgende vergadering van de dorpsbouwmeester. De monumentencommissie wijst uit haar midden een of meer deskundigen aan die belast worden met de advisering en die daartoe zullen deelnemen aan de beraadslagingen van de dorpsbouwmeester. De advisering zal resulteren in een integraal advies van de dorpsbouwmeester en monumentencommissie.

Artikel 19. Mededeling aanwijzingsbesluit

De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan.

Artikel 20. Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst

  • 1.

    Het bevoegd bezag registreert het gemeentelijke monument op de gemeentelijke monumentenlijst.

  • 2.

    De gemeentelijke monumentenlijst bevat:

    • e.

      de plaatselijke aanduiding;

    • f.

      de datum van de aanwijzing;

    • g.

      de kadastrale aanduiding;

    • h.

      de beschrijving van de monumentale onderdelen van het gemeentelijke monument.

Artikel 21. Wijzigen van de aanwijzing

  • 1.

    Het bevoegd bezag kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de aanwijzing wijzigen.

  • 2.

    Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 zijn van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.

  • 3.

    Indien de wijziging naar het oordeel van het bevoegd bezag van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als bedoeld in lid 2, achterwege.

  • 4.

    De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke monumentenlijst aangetekend.

Artikel 22. Intrekken van de aanwijzing

  • 1.

    Indien het bevoegd bezag de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede lid, en artikel 5 van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988.

  • 3.

    De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst geregistreerd.

INSTANDHOUDING VAN GEMEENTELIJKE MONUMENT

Artikel 23. Instandhoudingbepaling

  • 1.

    Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 1, te beschadigen of te vernielen.

  • 2.

    Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag:

    • a.

      een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 7, onder 2, sub d, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

    • b.

      een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 7, onder 2, sub d, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

  • 3.

    Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, geldt niet voor werkzaamheden bedoelt ten behoeve van de instandhouding van een gemeentelijk monument indien:

    • a.

      het monument alleen gerenoveerd/gerestaureerd wordt, en;

    • b.

      dezelfde materialen, kleurstelling, detaillering en profilering toegepast wordt, en;

    • c.

      de uitstraling van het monument niet gewijzigd wordt, en;

    • d.

      het monument in zijn geheel of gedeeltelijk niet afgebroken wordt, en;

    • e.

      het monument niet gereconstrueerd wordt.

  • 4.

    Het uitvoeren van werkzaamheden, behoudens als bedoeld in het tweede lid, dient men binnen 20 werkdagen, voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden, te melden bij het bevoegd gezag.

  • 5.

    Het bevoegd gezag kan binnen 10 werkdagen na ontvangst van de melding, als bedoeld in het vierde lid, besluiten het uitvoeren van de werkzaamheden te verbieden indien de melding in strijd is met het bepaalde in het tweede lid.

  • 6.

    Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, geldt niet indien het bevoegd bezag nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.

  • 7.

    Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voorzover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.

Artikel 24. De schriftelijke aanvraag

Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2 van het Besluit omgevingsrecht voor een vergunning als bedoeld in artikel 10 en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden worden in drievoud ingediend.

Artikel 25. Termijnen advies en vergunningverlening

  • 1.

    Het bevoegd gezag stelt onmiddellijk de monumentencommissie in kennis van een ontvankelijke vergunningaanvraag voor een vergunningspichtige activiteit.

  • 2.

    De advisering zal plaatsvinden tijdens de eerstvolgende vergadering van de dorpsbouwmeester. De monumentencommissie wijst uit haar midden één lid of één plaatsvervangend lid aan die belast worden met de advisering en die daartoe zullen deelnemen aan de beraadslagingen van de dorpsbouwmeester. De advisering zal resulteren in een integraal advies van de dorpsbouwmeester met in achtneming van het advies van de monumentencommissie.

Artikel 26. Weigeringsgronden

De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument.

Artikel 27. Intrekken van de vergunning

De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien:

  • 1.

    blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;

  • 2.

    de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen;

Hoofdstuk 4. Rijksmonumenten

Artikel 28. Vergunning voor beschermd rijksmonument

  • 1.

    Het bevoegd gezag stelt onmiddellijk de momentencommissie in kennis van een ontvankelijke vergunningaanvraag voor een vergunningspichtige activiteit.

  • 2.

    De advisering zal plaatsvinden tijdens de eerstvolgende vergadering van de dorpsbouwmeester. De monumentencommissie wijst uit haar midden één lid of één plaatsvervangend lid aan die belast worden met de advisering en die daartoe zullen deelnemen aan de beraadslagingen van de dorpsbouwmeester. De advisering zal resulteren in een integraal advies van de dorpsbouwmeester met in achtneming van het advies van de monumentencommissie.

Hoofdstuk 5. GEMEENTELIJK BESCHERMD DORPSGEZICHT

Artikel 29. Aanwijzen gemeentelijk beschermd stads- dorpsgezicht

  • 1.

    De gemeenteraad kan op voordracht van het bevoegd bezag een deel of delen van de gemeente aanwijzen als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht, welke gelijk gesteld is aan een gemeentelijk monument, ten behoeve van de bescherming van de cultuurhistorische en landschappelijke karakteristieken in dit gebied.

  • 2.

    De aanwijzing, als bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor een beschermd dorpsgezicht welke aangewezen is op grond van artikel 35 van de Monumentenwet 1988.

  • 3.

    Alvorens de gemeenteraad over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt zij advies aan de monumentencommissie.

  • 4.

    De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen 12 weken na ontvangst van de adviesaanvraag.

  • 5.

    De gemeenteraad beslist binnen 24 weken na ontvangst van het advies van de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 36 weken na de adviesaanvraag.

  • 6.

    De gemeenteraad kan de in het vijfde lid genoemde termijn van 24 weken met ten hoogste 12 weken verlengen, mits zij belanghebbenden daarvan kennis geeft binnen de in het vijfde lid genoemde termijn.

  • 7.

    Het bevoegd bezag registreert de beschermde gezichten op de gemeentelijke lijst van de beschermde dorpsgezichten.

  • 8.

    De gemeentelijke lijst beschermde gemeentelijke dorpsgezichten bevat:

    • a.

      De plaatselijke aanduiding;

    • b.

      de datum van de aanwijzing;

    • c.

      de kadastrale gebiedsaanduiding en gebiedsbegrenzing;

    • d.

      de beschrijving van het gebied met de daaronder begrepen cultuurhistorische waarden.

Artikel 30. Het intrekken van een aanwijzing tot gemeentelijk beschermd dorpsgezicht

  • 1.

    De raad trekt een aanwijzing van een dorpsgezicht als beschermd dorpsgezicht niet in en voert een dorpsgezicht niet af van de lijst beschermde dorpsgezichten dan na de monumentencommissie te hebben gehoord.

  • 2.

    Artikel 9 van deze verordening is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 31. Aanwijzen gemeentelijk beschermd dorpsgezicht

  • 1.

    De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op de lijst geplaatste dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening.

  • 2.

    Bij het besluit tot aanwijzing bepaalt de gemeenteraad in hoeverre een geldend bestemmingsplan als beschermd plan in de zin van het eerste lid kan worden aangemerkt.

  • 3.

    Voor zover in een gebied dat is aangewezen als een beschermend stads- of dorpsgezicht nog geen bestemmingsplan als bedoeld in dit artikel van kracht is, is het verboden bouwwerken en andere werken te plaatsen, op te richten, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen zonder schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag.

  • 4.

    Op de behandeling van aanvragen om een vergunning (als bedoeld in het derde lid) zijn de artikelen 11, 12, 13 en 14 van deze verordening van overeenkomstige toepassing.

Artikel 32 Instandhoudingbepaling

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een bouwwerk welke gelegen is een beschermd stads- of dorpsgezicht:

    • a.

      af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

    • b.

      te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, waardoor het stads- of dorpsgezicht wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

    • c.

      onroerende zaken, geen bouwwerk zijnde, hieronder begrepen straten, wegen, pleinen, wateren, bomen, erfafscheidingen “niet zijnde een bouwwerk” en straatmeubilair te wijzigen.

  • 2.

    Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, geldt niet voor werkzaamheden bedoelt ten behoeve van de instandhouding van het bouwwerk indien:

    • a.

      het bouwwerk alleen gerenoveerd/gerestaureerd wordt en;

    • b.

      dezelfde materialen, kleurstelling, detaillering en profilering toegepast wordt en;

    • c.

      de uitstraling van het bouwwerk niet gewijzigd wordt en;

    • d.

      het bouwwerk in zijn geheel of gedeeltelijk niet afgebroken wordt en;

    • e.

      het bouwwerk niet gereconstrueerd wordt.

  • 3.

    Het verbod en de vergunningplicht, bedoeld in het tweede lid, gelden niet indien het bevoegd bezag nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.

  • 4.

    Het bevoegd gezag kan ten behoeve van het krijgen van een vergunning een archeologisch onderzoek eisen.

Hoofdstuk 5. Instandhouding van archeologische terreinen

Artikel 33. Instandhoudingbepaling

  • 1.

    Het is verboden om in een archeologisch monument, bedoeld in artikel 1, onder a, sub 2 of een archeologisch verwachtingsgebied, bedoeld in artikel 1, onder h, de bodem dieper dan 30 cm onder de oppervlakte te verstoren.

  • 2.

    Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien;

    • a.

      het een verstoring betreft van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de provinciale Archeologische Monumentenkaart of de landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden, en waarbij die verstoring plaatsvindt:

      • ·

        in een gebied met lage archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 2.500 m2 en binnen een straal van 50 meter geen vindplaatsen zijn, of;

      • ·

        in een gebied met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 250 m2, of;

      • ·

        in een gebied met hoge archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 100 m2.

    • b.

      in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg.

    • c.

      sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg.

    • d.

      het bevoegd bezag nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de gemeentelijke archeologische waardenkaart of de gemeentelijke beleidsadvieskaart, dan wel bij het ontbreken daarvan, de provinciale Archeologische Monumentenkaart of de landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden;

    • e.

      een rapport is overlegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd bezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat:

      • ·

        het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of

      • ·

        de archeologische waarden door verstoring niet onevenredig worden geschaad; of

      • ·

        in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.

Artikel 34. Opgravingen en begeleiding

  • 1.

    Indien binnen het grondgebied van de gemeente Schinnen onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin van artikel 1 sub h Monumentenwet 1988, dient, onverminderd de overige bepalingen van deze wet:

    • a.

      het bevoegd bezag een programma van eisen vast te stellen als bedoeld in artikel 1 onder m, waarbij nadere regels worden gesteld ten aanzien van het onderzoek.

    • b.

      de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van aanpak als bedoeld in artikel 1 onder l van deze verordening ter goedkeuring aan het bevoegd bezag te overleggen.

  • 2.

    In de nadere regels neemt het bevoegd bezag bepalingen op met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het bevoegd bezag in acht te worden genomen.

  • 3.

    Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het bevoegd bezag advies aan een deskundige, zoals omschreven in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg.

Artikel 35. Procedure

De bepalingen uit artikel 11, 12, 13 en 14 zijn van overeenkomstige toepassing op de bepalingen uit artikel 16, tweede lid, onder e, en artikel 17, eerste lid onder b.

Hoofdstuk 6 Overige bepalingen

Artikel 36. Tegemoetkoming in schade

Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het bevoegd bezag hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, indien de schade in relatie staat tot:

  • 1.

    de weigering van het bevoegd bezag een vergunning als bedoeld in artikel 10 te verlenen;

  • 2.

    de voorschriften door het bevoegd bezag verbonden aan een vergunning als bedoeld in artikel 10;

  • 3.

    de door het bevoegd bezag nader te stellen regels als bedoeld in artikel 10, derde lid;

  • 4.

    de door het bevoegd bezag nader te stellen regels als bedoeld in artikel 16, tweede lid sub d;

  • 5.

    een aanwijzing als bedoeld in artikel 17, tweede lid, tweede volzin.

Artikel 37. Strafbepaling

Degene, die handelt in strijd met het derde lid van artikel 10 en artikel 16 met uitzondering van het bepaalde in het tweede lid, onder e, van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.

Artikel 38. Toezichthouders

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van het bevoegd bezag dan wel bij besluit van de burgemeester aan te wijzen personen.

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Artikel 39. Intrekken oude regeling

De Erfgoedverordening 2009 van de gemeente Schinnen, vastgesteld bij besluit van de gemeenteraad op 8 juli 2010 en daaraan voorafgaande aanverwante verordeningen en navolgende wijzigingen (onder meer d.d. 20 juni 1996 en d.d. 15 september 1999), worden ingetrokken.

Artikel 40. Overgangsrecht

  • 1.

    De op grond van de onder artikel 22 ingetrokken Monumentenverordening aangewezen en geregistreerde gemeentelijke monumenten, worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.

  • 2.

    Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in artikel 22 ingetrokken verordening.

Artikel 41. Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking.

  • 2.

    De Erfgoedverordening 2009 van de gemeente Schinnen, vastgesteld bij besluit van de gemeenteraad op 8 juli 2010 en daaraan voorafgaande aanverwante verordeningen en navolgende wijzigingen (onder meer d.d. 20 juni 1996 en d.d. 15 september 1999), worden ingetrokken.

Artikel 42. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als Erfgoedverordening gemeente Schinnen 2014.

Gemeente Schinnen.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van p.m..

De Griffier

W.A.J.M. Huisinga

De Voorzitter

B.H.M. Link