LANDSVERORDENING tot regelen van de organisatie en het beheer van de landelijke brandweer Sint Maarten

Geldend van 30-05-2015 t/m heden

Intitulé

LANDSVERORDENING tot regelen van de organisatie en het beheer van de landelijke brandweer Sint Maarten

Artikel 1

De Minister van Algemene Zaken, hierna te noemen: de minister, beschikt over een brandweer.

Artikel 2

De brandweer heeft de uitvoering van de zorg voor:

  • a.

    het beperken en bestrijden van brand;

  • b.

    het beperken van brandgevaar;

  • c.

    het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand;

  • d.

    al hetgeen dat daarmee verband houdt.

Artikel 3

Tot de taak van de brandweer behoort mede het verrichten van hulpverleningswerkzaamheden voor mens of dier in nood.

Artikel 4

Het personeel van de brandweer kan zijn samengesteld uit:

  • a.

    personeel dat is aangesteld om bij wijze van beroep werkzaamheden bij de brandweer te verrichten;

  • b.

    vrijwillig personeel dat, na vrijwillige beschikbaarstelling, is aangesteld om anders dan bij wijze van beroep werkzaamheden bij de brandweer te verrichten;

  • c.

    het politie personeel van het Korps Politie Sint Maarten.

Artikel 5

De minimale sterkte van het brandweerpersoneel en brandweermateriaal wordt bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, vastgesteld.

Artikel 6

Bij brand en hulpverlening heeft de minister met inachtneming van de bepalingen van deze landsverordening, het opperbevel.

Artikel 7

De commandant heeft de algemene leiding en het bevel over de brandweer, overeenkomstig de voor hem en het overige personeel door de minister vastgestelde instructies.

Artikel 8

Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden regels gesteld ten aanzien van:

  • a.

    de rangen;

  • b.

    de benoemings- en bevorderingseisen;

  • c.

    de keuring en de controle op lichamelijke en geestelijke geschiktheid;

  • d.

    de opleidingen en examens;

  • e.

    de kleding en overige uitrusting;

  • f.

    andere zaken op de brandweerdienst betrekking hebbende.

Artikel 9

De minister bepaalt de plaatsen waar het brandweerpersoneel, brandweermaterieel, de materialen en overige goederen van de brandweer worden ondergebracht.

Artikel 10

De minister draagt zorg, dat het materiaal, de gebouwen, de installaties, de materialen en de overige goederen van de brandweer, alsmede de kleding en uitrusting van het personeel, in een goede staat verkeren.

Artikel 11

De minister draagt zorg dat de meldingsposten en alarmeringsinrichtingen zodanig zijn uitgerust dat te allen tijde een onmiddellijke melding aan de brandweer en een doeltreffende alarmering van het brandweerpersoneel zijn gewaarborgd.

Artikel 12

De minister draagt zorg voor zodanig bluswatervoorzieningen en een bereikbaarheid daarvan, dat de brandbestrijding te allen tijde zoveel mogelijk is gewaarborgd. Waartoe mede behoort een zodanige uitrusting van het brandweermaterieel dat dit ook op plaatsen waar geen of onvoldoende bluswater aanwezig is, terstond na aankomst voor de brandblusbestrijding kan worden ingezet.

Artikel 13

Bij landbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regels worden gesteld betreffende:

  • a.

    nevenwerkzaamheden van de brandweer ten behoeve van particulieren of overheidsdiensten, en de tarieven die daarvoor gelden;

  • b.

    de samenwerking tussen de brandweer en overige diensten inzake het adviseren van vergunningsaanvragen en brandbeveiligingseisen.

Artikel 14

Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regels worden vastgesteld betreffende:

  • a.

    het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar en het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand, voor zover zulks niet geregeld is in andere wettelijke regelingen;

  • b.

    de eisen in zake deugdelijkheid, normalisatie en standaardisatie, waaraan brandweer- of reddingsmaterieel, hetwelk bestemd is om in de handel gebracht of afgeleverd te worden, moet voldoen;

  • c.

    het verrichten of doen verrichten van werkzaamheden, welke naar het oordeel van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Infrastructuur brandgevaar opleveren;

  • d.

    het treffen van voorzorgsmaatregelen met betrekking tot gebouwen, getimmerten en inrichtingen, welke naar het oordeel van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Infrastructuurbrandgevaar kunnen opleveren of hun kunstwaarde, geschiedkundig belang of bestemming bijzondere bescherming tegen brandgevaar behoeven.

Artikel 15

  • 1.

    De in artikel 4 bedoelde personen, mits daartoe aangewezen door de minister, hebben te allen tijde vrije toegang tot alle plaatsen, voor zover zij het betreden daarvan voor een goede vervulling van de taak van de brandweer noodzakelijk achten. Zo nodig verschaffen zij zich de toegang met behulp van de sterke arm.

  • 2.

    Is een in het eerste lid bedoelde plaats tevens een woning, of is deze plaats alleen via een woning toegankelijk, dan treden zij niet tegen de wil van de bewoner binnen dan in bijzijn van een rechter-commissaris, de officier van justitie. Van dit binnentreden maken zij proces-verbaal op, dat binnen tweemaal vierentwintig uur aan degene, in wiens woning is binnengetreden, in schrift wordt uitgereikt of toegezonden. In dit proces-verbaal wordt mede van het tijdstip van het binnentreden en van het daarmee beoogde doel melding gemaakt.

  • 3.

    De in artikel 4 bedoelde personen zijn bevoegd alle door hen nodig geachte uitrustingsstukken en hulpmiddelen op de plaatsen, bedoeld in het eerste lid, mede te nemen en daarvan op zodanige wijze gebruik te maken als ter onmiddellijke voorkoming of bestrijding van brand noodzakelijk is. In het geval, bedoeld in het vorige lid, wordt van de uitoefening van deze bevoegdheden melding gemaakt in het proces-verbaal.

  • 4.

    De personen, bedoeld in het eerste en derde lid, zijn verplicht een geheim te bewaren, hetwelk hun bij het vervullen van hun taak bekend is geworden, voor zover deze geheimhouding niet in strijd is met de overige bepalingen van deze landsverordering of met enig ander wettelijk voorschrift.

Artikel 16

  • 1.

    Overtredingen van de in artikel 14 bedoelde regels wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of een geldboete van de tweede categorie.

  • 2.

    Hij die opzettelijk de bij het vierde lid van artikel 15 opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie.

  • 3.

    Hij aan wiens schuld schending van die geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste een maand of een geldboete van de tweede categorie.

  • 4.

    Geen vervolging van de feiten, bedoeld in het tweede en derde lid, heeft plaats dan op klachte van de belanghebbende.

  • 5.

    De feiten strafbaar gesteld bij het eerste, tweede, en derde lid, zijn misdrijven.

Artikel 17

Met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld bij artikel 16 zijn belast de ambtenaren en personen, bedoeld in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering.

Artikel 18

Deze verordening kan worden aangehaald als de "Organisatie en Beheersverordening Brandweer" en treedt in werking met ingang van de eerste dag van de maand, volgende op die waarop zij is afgekondigd.