Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Sliedrecht

Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting voor de Woonboulevard Sliedrecht van de gemeente Sliedrecht

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieSliedrecht
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening op de heffing en invordering van reclamebelasting voor de Woonboulevard Sliedrecht van de gemeente Sliedrecht
CiteertitelVerordening Reclamebelasting Woonboulevard Sliedrecht 2020
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

artikel 227 van de Gemeentewet

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-2020Nieuwe regeling

10-12-2019

gmb-2019-308006

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting voor de Woonboulevard Sliedrecht van de gemeente Sliedrecht

 

De raad der gemeente Sliedrecht;

 

gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 12 november 2019;

 

b e s l u i t.:

 

gelet op artikel 227 van de Gemeentewet

 

vast te stellen:

 

De Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting voor de Woonboulevard Sliedrecht van de gemeente Sliedrecht 2020

 

 

 

Artikel 1 Definities

Deze verordening verstaat onder:

  • a.

    reclameobject: een openbare aankondiging in letters, symbolen of kleuren, of een combinatie daarvan, zichtbaar vanaf de openbare weg;

  • b.

    onroerende zaak: de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), zijnde een niet-woning;

  • c.

    jaar: een kalenderjaar;

  • d.

    openbare weg, zoals bedoeld in, hoofdstuk II van de Wegenwet;

  • e.

    openbare aankondiging: alle tot het publiek gerichte mededelingen welke erop gericht zijn de belangstelling van het publiek te trekken van hetgeen wordt aangekondigd.

 

Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam "reclamebelasting" wordt, binnen het gebied zoals nader aangewezen in de bij deze verordening behorende bijlage, een directe belasting geheven ter zake van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg.

 

Artikel 3 Belastingplicht

  • 1.

    De reclamebelasting wordt geheven van de gebruiker van de onroerende zaak:

    • a.

      die in gebruik is als detailhandel en/of horeca,

    • b.

      niet zijnde een benzinestation of detailhandel gericht op autoverkoop of -reparatie,

    • c.

      waarop en/of waarbij ten minste één reclameobject wordt aangetroffen.

  • 2.

    Indien de onroerende zaak geen gebruiker kent en op of bij de onroerende zaak één of meer reclameobjecten worden aangetroffen, wordt de verschuldigde belasting geheven van de eigenaar van de onroerende zaak.

 

Artikel 4 Vrijstellingen

De reclamebelasting wordt niet geheven voor openbare aankondigingen:

  • a.

    die korter aanwezig zijn dan 13 weken en binnen het belastingtijdvak niet worden vervangen, opgevolgd of gecontinueerd door andere openbare aankondigingen;

  • b.

    die als algemene bewegwijzering waarmee een algemeen belang wordt gediend, kunnen worden aangemerkt;

  • c.

    die door de gemeente of in opdracht van de gemeente is geplaatst of aangebracht, indien en voor zover de openbare aankondiging geschiedt ter uitvoering van de publieke taak;

  • d.

    die door (semi-)overheden of culturele, maatschappelijke of daarmee gelijk te stellen lichamen met ideële doelstellingen zijn aangebracht en betrekking hebben op activiteiten die uitsluitend een cultureel, maatschappelijk, charitatief of ideëel belang dienen;

  • e.

    aangebracht door of namens winkeliersverenigingen of centrummanagement, waarbij het reclameobject uitsluitend bestaat uit een vlag, banier of zuil met de naam van de winkeliersvereniging of het centrummanagement;

  • f.

    aangebracht op bouwterreinen, voor zover deze opschriften rechtstreeks betrekking hebben op de op dat terrein in uitvoering zijnde bouwwerkzaamheden;

  • g.

    die door politieke partijen zijn aangebracht en die een ideëel belang dienen;

  • h.

    bestemd voor de verkoop of verhuur van onroerende zaken, indien deze aanwezig zijn in de onmiddellijke nabijheid van de te verkopen of te verhuren zaak;

  • i.

    aangebracht op scholen, zorginstellingen, ziekenhuizen, kerken en moskeeën, en die betrekking hebben op de functie van het gebouw.

 

Artikel 5 Maatstaf van heffing en belastingtarief

  • 1.

    De reclamebelasting wordt geheven per onroerende zaak op basis van de waarde zoals bepaald op grond van Hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ).

  • 2.

    In afwijking van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

  • 3.

    Het belastingbedrag bedraagt bij een WOZ-waarde tot en met € 200.000 - € 1.000,-.

  • 4.

    Het belastingbedrag bedraagt bij een WOZ-waarde van € 200.001 tot en met € 500.000 - € 1.500,-.

  • 5.

    Het belastingbedrag bedraagt bij een WOZ-waarde van € 500.001 tot en met € 1.500.000 - € 2.000,-.

  • 6.

    Het belastingbedrag bedraagt bij een WOZ-waarde van meer dan € 1.500.000 - € 3.000,-.

  • 7.

    Indien de vastgestelde WOZ-waarde voor het betreffende jaar wordt verminderd, wordt de aanslag reclamebelasting ambtshalve verminderd indien de lagere WOZ-waarde leidt tot een lager belastingbedrag voor de reclamebelasting.

  • 8.

    Indien de onroerende zaak in de loop van het belastingjaar ontstaat bedraagt het belastingbedrag € 1.000,-.

 

Artikel 6 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

  • 1.

    De belastingschuld ontstaat bij het begin van het belastingtijdvak.

  • 2.

    Indien de belastingplicht na het begin van het belastingtijdvak aanvangt, ontstaat de belastingschuld bij de aanvang van de belastingplicht.

  • 3.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt, is de reclamebelasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde reclamebelasting als er in dat jaar, na het tijdstip van de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 4.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, wordt de aanslag op verzoek van belastingplichtige verminderd met zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde reclamebelasting als er in dat jaar, na het tijdstip van de beëindiging van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

 

Artikel 7 Belastingtijdvak

Het belastingtijdvak is gelijk aan het kalenderjaar.

 

Artikel 8 Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de tweede maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 20.000,— en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen, waarbij de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

  • 3.

    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

 

Artikel 9 Kwijtschelding

Bij de invordering van de reclamebelasting wordt geen kwijtschelding verleend.

 

Artikel 10 Inwerkingtreding

  • 1.

    De Verordening Reclamebelasting Woonboulevard Sliedrecht 2019 van 18 december 2018 wordt ingetrokken met ingang van de in lid 4 genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2.

    Deze verordening kan worden aangehaald als: “Verordening Reclamebelasting Woonboulevard Sliedrecht 2020”.

  • 3.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

  • 4.

    De datum van ingang van heffing is 1 januari 2020.

 

 

Vastgesteld in de openbare vergadering van de raad

van de gemeente Sliedrecht op 10 december 2019.

De griffier, De voorzitter,

mr. R.P.A. van Aalst drs. A.P.J. van Hemmen

Bijlage behorende bij de Verordening Reclamebelasting Woonboulevard Sliedrecht 2020