Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Sociale Dienst Oost Achterhoek

Beleidsregels bijzondere bijstand 2020 gemeente Berkelland

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieSociale Dienst Oost Achterhoek
OrganisatietypeRegionaal samenwerkingsorgaan
Officiële naam regelingBeleidsregels bijzondere bijstand 2020 gemeente Berkelland
CiteertitelBeleidsregels bijzondere bijstand 2020 gemeente Berkelland
Vastgesteld doordagelijks bestuur
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. artikel 32 van de Wet werk en bijstand
  2. artikel 33 van de Participatiewet
  3. artikel 34 van de Participatiewet
Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-2020Nieuwe regeling

19-12-2019

bgr-2019-1058

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsregels bijzondere bijstand 2020 gemeente Berkelland

Het Dagelijks Bestuur van de Sociale Dienst Oost Achterhoek;

Gelet op het bepaalde in de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht;

 

BESLUIT:

vast te stellen.

De Beleidsregels bijzondere bijstand 2020 gemeente Berkelland

 

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet (Pw) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

  • 2.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      De wet: Participatiewet;

    • b.

      Dagelijks Bestuur: het dagelijks bestuur van de Sociale Dienst Oost Achterhoek;

    • c.

      Inkomen: inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de wet;

    • d.

      Bijzonder inkomen zoals bedoeld in artikel 33 van de wet;

    • e.

      Vermogen: vermogen zoals bedoeld in artikel 34 van de wet;

    • f.

      Voorliggende voorziening: de voorziening als bedoeld in artikel 5 onder e en artikel 15 van de wet;

    • g.

      Bijzondere bijstand: de bijstand, bedoeld in artikel 5 aanhef en onder d van de wet, de individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36, en de individuele studietoeslag, bedoeld in artikel 36b van de wet;

    • h.

      Bijstandsnorm: de norm zoals bedoeld in artikel 5 onder c van de wet;

    • i.

      Draagkracht: het gedeelte van het inkomen en vermogen dat door de belanghebbende aangewend dient te worden voor bijzondere kosten;

    • j.

      Draagkrachtperiode: de periode waarover de financiële draagkracht van een belanghebbende wordt vastgesteld;

    • k.

      SDOA: Sociale Dienst Oost Achterhoek;

    • l.

      IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

    • m.

      IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

    • n.

      Bbz: Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004

Artikel 2 Afwegingskader

  • 1.

    Bij het leveren van maatwerk is het de bedoeling om aan te sluiten bij wat de belanghebbende nodig heeft om verder te komen. Het is daarom van belang om te starten bij de belanghebbende en de wet te gebruiken als instrument bij het ondersteunen van de belanghebbende. De onderstaande stappen kunnen hierbij helpen:

    • a.

      Situatieschets

    • b.

      Wat wil de belanghebbende bereiken? / Wat wil de medewerker met de belanghebbende bereiken?

    • c.

      Is de Participatiewet de juiste wet?

    • d.

      (On)mogelijkheden

    • e.

      Wettelijke regels

  • 2.

    De zeer dringende redenen zoals beschreven in artikel 16 van de wet kunnen ruimer worden geïnterpreteerd met behulp van het in lid 1 beschreven stappenplan voor maatwerk.

Artikel 3 Aanvraag en recht op bijzondere bijstand

  • 1.

    Belanghebbenden kunnen een aanvraag bijzondere bijstand bij SDOA indienen via een daartoe door het Dagelijks Bestuur vastgesteld aanvraagformulier.

  • 2.

    Het Dagelijks Bestuur kan besluiten het recht op bijzondere bijstand in specifieke situaties ambtshalve vast te stellen.

  • 3.

    Een inwoner behoort tot de kring der rechthebbenden van bijzondere bijstand wanneer hij woonachtig is in gemeente Berkelland, 21 jaar of ouder is en een inkomen heeft dat gelijk is aan of minder dan 110% van de voor hem geldende bijstandsnorm.

  • 4.

    In afwijking van lid 3 wordt bij de kostendelersnorm uitgegaan van de geldende norm als ware het geen kostendeler betreft.

Artikel 4 Tijdstip van aanvragen

  • 1.

    Een aanvraag om bijzondere bijstand moet zijn ontvangen binnen een termijn van één maand gerekend vanaf de datum van de nota of een ander bewijsstuk waarmee de bijzondere kosten worden aangetoond.

  • 2.

    Het vorige lid is niet van toepassing op de kosten genoemd in artikel 17 van deze beleidsregels. Aanvragen voor duurzame gebruiksgoederen moeten worden gedaan voordat de kosten worden gemaakt.

  • 3.

    In afwijking van lid 1 wordt de bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten toegekend vanaf maximaal zes maanden vóór de datum van de nota voor de bewindvoeringskosten, aanvangende op de eerste dag van de maand.

Artikel 5 Vaststellen maandinkomen

  • 1.

    Het inkomen wordt vastgesteld met toepassing van artikel 31 van de wet.

  • 2.

    Als maandinkomen wordt in aanmerking genomen het inkomen over de maand waarin de kosten voor het eerst zijn gemaakt.

  • 3.

    Bij wisselende inkomsten wordt voor het vaststellen van het maandinkomen het gemiddelde genomen van het inkomen over de maand waarin de kosten zijn gemaakt alsmede de onmiddellijk daaraan voorafgaande twee maanden.

  • 4.

    De huurtoeslag wordt voor de draagkrachtberekening in aanmerking genomen.

  • 5.

    Bij de berekening van de draagkracht worden noodzakelijke (wettelijke) betalingsverplichtingen zoals alimentatie, eigen bijdrage Wet langdurige zorg of andere noodzakelijke betalingsverplichtingen in de berekening van het inkomen meegenomen.

  • 6.

    De terugbetalingsverplichtingen in verband met schulden worden niet als betalingsverplichting aangemerkt zoals bedoeld in het vorige lid.

Artikel 6 Draagkracht

  • 1.

    De draagkracht wordt vastgesteld met inachtneming van het inkomen en het vermogen.

  • 2.

    Vermogen anders dan het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34, lid 2, sub a en b, van de wet wordt voor de vaststelling van de draagkracht volledig in aanmerking genomen.

  • 3.

    De waarde van een in eigendom van belanghebbende zijnde auto en of ander motorvoertuig boven een gezamenlijke waarde van € 7.000, - wordt toegerekend aan het vermogen.

  • 4.

    De individuele inkomenstoeslag en de individuele studietoeslag worden voor de vaststelling van de draagkracht niet in aanmerking genomen.

  • 5.

    Indien belanghebbende zich in de voorbereidende fase bevindt of is toegelaten tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) of een minnelijk schuldregelingstraject volgt, wordt tijdens de fase van voorbereiding en gedurende een periode van 36 maanden vanaf de start van de toelating tot de WSNP of het schuldregelingstraject geen draagkracht aanwezig geacht.

Artikel 7 Draagkrachtpercentages

  • 1.

    Tot een inkomen van 110% van de geldende bijstandsnorm is er geen draagkracht. Voor het inkomen van € 125,- daarboven geldt een draagkracht van 20%. Voor inkomens meer dan 110% van de geldende bijstandsnorm + € 125,- geldt een draagkracht van 50% voor het netto meerinkomen (inkomen en bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag).

  • 2.

    Bij de woonkostentoeslag wordt de draagkracht vastgesteld op 100% van het netto-inkomen boven de voor betrokkene geldende bijstandsnorm.

  • 3.

    De draagkracht wordt in één keer verrekend tenzij het gaat om periodieke kosten. Dan wordt de draagkracht per maand verrekend.

Artikel 8 Draagkrachtperiode

  • 1.

    Gedurende de periode dat een uitkering op grond van de Participatiewet, IOAW of IOAZ wordt ontvangen, heeft men geen draagkracht, op voorwaarde dat het vermogen dat toelaat. Dit geldt eveneens voor een uitkering op grond van het Bijstandsbesluit Zelfstandigen.

  • 2.

    Voor pensioengerechtigden (Algemene Ouderdoms Wet (AOW-leeftijd), de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA) en Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Wet Werk en Arbeidsondersteuning Jonggehandicapten (Wajong), wordt de draagkracht eenmaal vastgesteld, tenzij dit onbillijk blijkt te zijn.

  • 3.

    De draagkracht in het inkomen wordt voor alle aanvragers met andere inkomsten vastgesteld voor een periode van drie jaar, aanvangende op de eerste dag van de maand waarin de bijstandsaanvraag wordt ingediend.

  • 4.

    Indien binnen de vastgestelde periode van drie jaar een nieuwe bijstandsaanvraag wordt ingediend, blijft de al eerder vastgestelde draagkracht voor die periode gelden.

  • 5.

    De draagkracht wordt telkens vastgesteld voor een periode van drie jaar op het tijdstip waarop de voorafgaande periode is verstreken.

Artikel 9 Opnieuw vaststellen van de draagkracht

  • 1.

    De draagkracht wordt binnen de vastgestelde periode herzien, indien wijziging van de omstandigheden (zoals gezinssamenstelling / inkomen) daartoe aanleiding geeft.

  • 2.

    Rechthebbenden zijn verplicht, zoals beschreven in artikel 17 lid 1 van de Participatiewet, uit eigen beweging wijzigingen in het inkomen of vermogen door te geven.

Artikel 10 Ingangsdatum periodieke bijzondere bijstand

  • 1.

    De periodieke bijzondere bijstand gaat in per de 1e van de maand waarin de aanvraag is ontvangen.

  • 2.

    Indien de kosten op dat moment nog niet verschuldigd zijn, gaat de bijstand in per de 1e van de maand waarin de kosten zich voordoen.

Artikel 11 Kostensoorten

Er bestaat geen allesomvattende lijst van bijzondere kostensoorten. De bijzondere kosten vloeien voort uit de bijzondere omstandigheden. Er zijn enkele kostensoorten die nadere inkadering noodzakelijk maken.

Artikel 12 Bijzondere bijstand aan jongeren van 18 tot en met 20 jaar voor levensonderhoud

  • 1.

    Voor jongeren van 18, 19 of 20 jaar heeft de wetgever aparte bijstandsnormen in het leven geroepen. In sommige gevallen zijn deze bijstandsnormen voor deze personen niet toereikend om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Het verstrekken van aanvullende bijzondere bijstand behoort dan tot de mogelijkheden.

  • 2.

    Een persoon van 18, 19 of 20 jaar heeft recht op bijzondere bijstand voor zover zijn noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de norm genoemd in de Participatiewet en deze persoon voor deze kosten geen beroep kan doen op zijn ouders, omdat;

    • a.

      De middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn, of;

    • b.

      De ouders van de persoon redelijkerwijs hun onderhoudsplicht aan de persoon niet te gelde kan maken.

    • c.

      De toe te kennen bijzondere bijstand wordt beperkt tot een aanvulling tot de norm (exclusief vakantietoeslag die geldt voor een 21-jarige).

    • d.

      Indien een jongere in een instelling verblijft geldt voor hem de jongerennorm, exclusief vakantietoeslag.

    • e.

      Het gestelde in lid c en d gelden niet als de jongere aantoonbaar hogere kosten van bestaan heeft, waardoor aanvulling tot de uitkeringsnorm niet afdoende is om in de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien.

Artikel 13 Bijzondere bijstand voor woonkosten

  • 1.

    Heeft men buiten eigen toedoen geen recht op (volledige) huurtoeslag en bewoont men een woning / woonwagen, waarop de Wet op de huurtoeslag en de ministeriële ‘regelingen huurtoeslaggrenzen’ van toepassing is, dan kan een woonkostentoeslag ter hoogte van de (theoretische) huurtoeslag worden toegekend voor maximaal 12 maanden.

  • 2.

    Bij de vaststelling / berekening dient gebruik gemaakt te worden van de site www.toeslagen.nl. De op basis van lid 1 berekende toeslag geldt ook voor bewoners van een eigen huis, die in bijstand behoevende omstandigheden verkeren. Voor hen geldt dat de van toepassing zijnde belastingteruggave wordt gezien als een voorliggende voorziening. Deze wordt op de bijstand in de woonkosten in mindering gebracht.

  • 3.

    Rechthebbenden met een eigen woning kunnen ook voor woonkostentoeslag in aanmerking komen.

Artikel 14 Verhuisvoorwaarde

  • 1.

    Binnen 12 maanden na aanvang van de woonkostentoeslag dient men passende woonruimte aanvaard te hebben (met een huur waarop de Wet op de huurtoeslag van toepassing is). Dit geldt zowel voor huizen met een huur boven de maximale huur als voor eigen woningen.

  • 2.

    Zolang de woonkostentoeslag voldaan wordt uit de ruimte binnen de krediethypotheek wordt geen verhuisverplichting opgelegd.

  • 3.

    Indien een verhuisvoorwaarde is opgelegd en men verhuist verwijtbaar niet, dan vervalt het recht op bijzondere bijstand in de woonkosten.

  • 4.

    Heeft men ondanks aantoonbare serieuze pogingen, of op grond van dringende individuele omstandigheden niet aan de verhuisvoorwaarde kunnen voldoen, dan kan verlenging van de bijzondere bijstand met 1 x 12 maanden worden toegekend.

  • 5.

    Indien de krediethypotheek volledig is benut en de woonlasten bevinden zich nog steeds boven de maximale huur, dan wordt alsnog een verhuisverplichting opgelegd.

  • 6.

    Aan belanghebbenden aan wie een verhuisverplichting is opgelegd kan zo nodig bijstand (om niet) worden verleend in de noodzakelijke kosten van verhuizing (transport) en een deel van de noodzakelijke kosten van stoffering of herinrichting (rekening houdend met de reserveringscapaciteit vanaf het moment dat men op de hoogte was van de noodzaak om te verhuizen).

  • 7.

    De mogelijke vergoeding van de kosten van stoffering of herinrichting gelden alleen indien men in het werkgebied van de Sociale Dienst Oost Achterhoek blijft wonen.

  • 8.

    Verhuist men naar een plaats buiten het werkgebied van de Sociale Dienst Oost Achterhoek dan is de gemeente waar men gaat wonen de aangewezen gemeente om een vergoeding aan te vragen. Dit geldt niet voor de transportkosten. Hiervoor kan ook bij vertrek buiten het werkgebied van de Sociale Dienst Oost Achterhoek bijzondere bijstand worden verstrekt.

Artikel 15 Bijzondere bijstand voor rente- en aflossingsverplichtingen

  • 1.

    Indien een belanghebbende een naar het oordeel van het Dagelijks Bestuur noodzakelijke lening heeft afgesloten en om redenen niet kan voldoen aan de rente- en aflossingsverplichtingen is bijzondere bijstand mogelijk in aanvulling op de aanwezige aflossingscapaciteit.

  • 2.

    Het aflossingsbedrag voor het terugbetalen van een vordering, niet zijnde vorderingen ontstaan als gevolg van schending van de inlichtingenplicht, wordt bij uitkeringsgerechtigden en bij belanghebbenden die uitstromen naar werk, op 6% van de toepasselijke netto grondslag of uitkering vastgesteld. Dit aflossingsbedrag mag echter nooit hoger zijn dan het verschil tussen de (bijstands-)norm en de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

  • 3.

    De in lid 1 bedoelde bijzondere bijstand wordt verstrekt gedurende maximaal 36 maanden.

  • 4.

    Voor noodzakelijke bijzondere kosten, die zich voordoen tijdens de periode waarin een lening wordt afgelost, wordt bijstand om niet verstrekt.

Artikel 16 Bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen

  • 1.

    Duurzame gebruiksgoederen behoren tot de algemene kosten van levensonderhoud en dienen uit het inkomen te worden bekostigd. Daarvoor dient te worden gereserveerd of geleend.

  • 2.

    Indien een belanghebbende niet in staat is geweest te reserveren wegens bijzondere omstandigheden zoals opgenomen in artikel 35, lid 1 van de wet, het om noodzakelijke gebruiksgoederen gaat en er geen sprake is van verwijtbaarheid, kan bijzondere bijstand worden verstrekt in de vorm van borgstelling, lening bij de Stadsbank en in uitzonderlijke gevallen bijstand om niet of een combinatie van deze vormen van verstrekking.

  • 3.

    Als uitzondering op lid 2 geldt dat de Stadsbank niet als een voorliggende voorziening geldt wanneer de aanvrager langer dan 3 jaar een inkomen geniet dat niet hoger is dan 110% van de voor hem geldende bijstandsnorm.

  • 4.

    Voor de bepaling van de maximale hoogte van de vergoeding wordt gebruik gemaakt van de prijzengids van het NIBUD, waarbij in het geval van volledige woninginrichting 50% van de opgenomen prijzen als leidraad wordt genomen.

  • 5.

    Bij de uitvoering van dit artikel worden ook gebruikte goederen met een garantiebepaling als een adequate oplossing gezien.

  • 6.

    De bepaling van de noodzaak en het voorzien in een oplossing gebeurt met toepassing van artikel 10 van deze beleidsregels.

Artikel 17 Duurzame gebruiksgoederen

  • 1.

    Bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen wordt verstrekt voor de noodzakelijke vervanging van de navolgende goederen:

    • Wasmachine;

    • Diepvries;

    • Magnetron;

    • Koelkast;

    • Kooktoestel of gasfornuis;

    • Bed matras (1- of 2-persoons);

    • Stofzuiger.

  • 2.

    Is vervanging niet noodzakelijk dan kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de kosten van reparatie. De reparatiekosten dienen in verhouding te staan tot de waarde van het duurzame gebruiksgoed.

  • 3.

    Niet genoemde duurzame gebruiksgoederen komen in het algemeen niet voor bijzondere bijstandsverlening in aanmerking.

Artikel 18 Woninginrichting

  • 1.

    Kosten verbonden aan het inrichten van een woning vallen onder de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en komen in de regel niet in aanmerking voor bijstand. Deze dient de inwoner te bekostigen door reservering dan wel gespreide betaling achteraf. Wordt er bijstand verstrekt voor woninginrichting dan dienen de duurzame gebruiksgoederen te worden verstrekt in de vorm van een leenbijstand.

  • 2.

    Inwoners die voor het eerst zelfstandig woonruimte betrekken hebben geen recht op (leen)bijstand voor woninginrichting. Dit geldt niet voor inwoners die in het kader van de taakstelling huisvesting statushouders een woning betrekken.

  • 3.

    Aan het verstrekken van leenbijstand zijn de volgende voorwaarden verbonden:

    • i.

      De noodzaak wordt individueel beoordeeld en getoetst;

    • ii.

      Per huishouden wordt eenmalig tot een maximumbedrag leenbijstand verstrekt, hiertoe behoort ook de bijstand die door een andere gemeente is verstrekt.

  • 4.

    De kosten van verf en behang worden tot de inrichtingskosten gerekend.

  • 5.

    Of de aanvrager het betreffende bedrag daadwerkelijk besteedt aan de voor de inrichting noodzakelijke kosten wordt geverifieerd aan de hand van nota’s.

  • 6.

    Om de woninginrichting te kunnen betalen, kan de bijstand in de vorm van voorschotten worden verstrekt.

Artikel 19 Vergoeding voor maaltijdvoorziening

  • 1.

    De belanghebbende die aangewezen is op een (warme) maaltijdvoorziening omdat hij/zij daar zelf om redenen niet in kan voorzien, komt in aanmerking voor een tegemoetkoming in de kosten van één warme maaltijd per dag.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt als volgt bepaald: de prijs van de (warme) maaltijdvoorziening onder aftrek van de gemiddelde kosten per dag van een warme maaltijd volgens de van toepassing zijnde Nibud-prijzengids. De uitkomst is het bedrag van de vergoeding per dag.

  • 3.

    De vergoeding van de maaltijd bedoeld in lid 2 bedraagt na aftrek van de jaarlijks te actualiseren eigen bijdrage maximaal € 6,- per persoon per dag.

  • 4.

    De eigen bijdrage zoals bedoeld in lid 3 wordt ieder kalenderjaar geactualiseerd op basis van de NIBUD-prijzengids.

  • 5.

    Bezorgkosten en fooien worden niet vergoed.

  • 6.

    De bepaling van de noodzaak en het voorzien in een oplossing gebeurt met toepassing van artikel 2 van deze beleidsregels.

  • 7.

    Een aan de aanvrager toegekende individuele inkomenstoeslag wordt daarbij niet aangemerkt als een voorliggende voorziening.

Artikel 20 Taxipas Zoov

  • 1.

    De belanghebbende die een Wmo-indicatie heeft, krijgt de mogelijkheid om een vergoeding voor de taxipas van Zoov aan te vragen.

  • 2.

    Vanuit de bijzondere bijstand wordt een vergoeding verstrekt voor de kosten van de Zoov-pas die bij belanghebbende in rekening worden gebracht.

Artikel 21 Hardheidsclausule

  • 1.

    In gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien beslist het Dagelijks Bestuur van de SDOA.

  • 2.

    Het Dagelijks Bestuur van de SDOA kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, als toepassing daarvan tot ongewenste situaties leidt.

Artikel 22 Overgangsrecht

  • 1.

    De ‘Beleidsregels Bijzondere bijstand en minimabeleid in 2015 en volgende jaren’ worden ingetrokken gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze beleidsregels 2020, maar blijven van toepassing op aanvragen die voor de datum van inwerkingtreding zijn ingediend en waarbij toepassing van die beleidsregels voor de belanghebbende gunstiger is dan toepassing van de beleidsregels 2020.

  • 2.

    Mocht toepassing van de ingetrokken beleidsregels zoals bedoeld in lid 1 niet gunstiger zijn, dan worden deze beleidsregels 2020 toegepast.

Artikel 23 Inwerkingtreding en citeerartikel

  • 1.

    De Beleidsregels bijzondere bijstand 2020 gemeente Berkelland treden in werking met ingang van 1 januari 2020, onder gelijktijdige intrekking van de beleidsregels Bijzondere bijstand en minimabeleid in 2015 en volgende jaren.

  • 2.

    Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als: ‘Beleidsregels bijzondere bijstand 2020 gemeente Berkelland’.

Aldus besloten in de vergadering van het Dagelijks Bestuur van de Sociale Dienst Oost Achterhoek, gehouden op 19 december 2019,

De voorzitter,

J.B.M. Hoenderboom

De secretaris,

T.A. Beijer