Regeling vervallen per 01-01-2012

Verordening Toeslagen en Verlagingen Veldhoven 2010

Geldend van 01-11-2010 t/m 31-12-2011

Intitulé

Verordening Toeslagen en Verlagingen Veldhoven 2010

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze verordening wordt verstaan onder:

    • a.

      de Wwb: de Wet werk en bijstand;

    • b.

      de WIJ: de Wet investeren in jongeren;

    • c.

      belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken;

    • d.

      norm: de normen als bedoeld in paragraaf 3.2 van Hoofdstuk 3 van de WWB en de normen als bedoeld in Hoofdstuk 4 van de WIJ;

    • e.

      ouder: de vader of moeder als bedoeld in respectievelijk de artikelen 1:197 en 1:198 van het Burgerlijk Wetboek;

  • 2.

    Tenzij anders is bepaald, wordt aan de in deze verordening gehanteerde begrippen die betekenis toegekend die in de onder lid 1 a en b genoemde wetten.

  • 3.

    De in deze verordening genoemde percentages worden berekend over de gehuwdennorm als genoemd in artikel 21 van de Wet werk en bijstand.

Artikel 1.1 Doelgroepafbakening

De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. In geval van gehuwden gelden de bepalingen van de verordening zodra één van beide echtgenoten 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar is.

Hoofdstuk 2 Categorieën

Artikel 2 Categorieaanduiding

  • Voor belanghebbenden aan wie bijstand of een inkomensvoorziening kan worden verleend, geldt voor wat betreft de toepassing van deze verordening een categorieaanduiding.

    De categorieën worden aangeduid als:

    a. alleenstaande;

    b. alleenstaande ouder;

    c. gehuwden.

Hoofdstuk 3 Criteria voor het verhogen van de norm

Artikel 3 Toeslagen alleenstaande en alleenstaande ouders

    • 1.

      De norm wordt voor de alleenstaande of alleenstaande ouder verhoogd met een toeslag. De toeslag bedraagt minimaal 5% en maximaal 20%.

    • 2.

      De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt 20% voor de alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft.

    • 3.

      De toeslag bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de alleenstaande of de alleenstaande ouder in wiens woning uitsluitend inwonende kinderen verblijven:

      • a.

        20%, indien geen van deze kinderen een inkomen heeft dat hoger ligt dan het in artikel 21 onderdeel a van de WWB genoemde normbedrag;

      • b.

        14%, indien tenminste één kind een inkomen heeft gelijk aan of hoger dan het in artikel 21 onderdeel a van de wet genoemde normbedrag.

    • 4.

      De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt 5%, indien de alleenstaande of de alleenstaande ouder inwoont bij de ouders.

    • 5.

      De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder op wie het tweede, derde of vierde lid niet van toepassing is:

      • a.

        14%, indien een zakelijke overeenkomst inzake het gebruik van de woning wordt aangetoond;

      • b.

        5%, indien geen zakelijke overeenkomst inzake het gebruik van de woning wordt aangetoond.

Hoofdstuk 4 Criteria voor het verlagen van de norm of de toeslag

Artikel 4 Verlaging gehuwden

    • 1.

      De norm wordt lager vastgesteld indien de gehuwden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het kunnen delen van deze kosten met een ander.

    • 2.

      De verlaging als bedoeld in het eerste lid:

      • a.

        vindt niet plaats voor de gehuwden in wier woning uitsluitend inwonende kinderen verblijven, indien deze kinderen elk een inkomen hebben dat lager ligt dan het in artikel 21 onderdeel a van de WWB genoemde normbedrag.

      • b.

        bedraagt 6% voor de gehuwden in wier woning uitsluitend inwonende kinderen verblijven, indien tenminste één kind een inkomen heeft gelijk aan of hoger dan het in artikel 21 onderdeel a van de WWB genoemde normbedrag of voor de jongere in artikel 26 onder b van de WIJ.

    • 3.

      De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt 15% voor de gehuwden die inwonen bij de ouder(s).

    • 4.

      De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de gehuwden waarop het tweede of derde lid niet van toepassing is:

      • a.

        6%, indien een zakelijke overeenkomst inzake het gebruik van de woning wordt aangetoond;

      • b.

        15%, indien geen zakelijke overeenkomst inzake het gebruik van de woning wordt aangetoond.

Artikel 5 Verlaging schoolverlaters

    • 1.

      In afwijking van het bepaalde in artikel 3 wordt de norm en/of de toeslag voor de alleenstaande tot 27 jaar lager vastgesteld indien recent de deelname is beëindigd aan onderwijs of beroepsopleiding:

      • a.

        waarvoor aanspraak bestond op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF) of op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; dan wel;

      • b.

        indien de belanghebbende op de eerste dag van het kalenderkwartaal waarin de beëindiging plaats vond jonger was dan 27 jaar en de voor werkzaamheden beschikbare tijd voor ten minste 19 uur per week in beslag werd genomen door het onderwijs of de beroepsopleiding, tenzij het betreft een scholing of opleiding welke door het college aan belanghebbende is aangeboden als noodzakelijke re-integratievoorziening.

    • 2.

      Van een recente beëindiging van de deelname aan onderwijs of beroepsopleiding als bedoeld in het eerste lid is sprake zolang nog geen periode van een half jaar is verstreken, gerekend vanaf het tijdstip van die beëindiging.

    • 3.

      De periode bedoeld in het tweede lid wordt opgeschort, indien er in deze periode opnieuw onderwijs of een beroepsopleiding als bedoeld in het eerste lid wordt aangevangen. Indien deze onderwijsperiode zes maanden of langer heeft geduurd, vangt een nieuwe periode aan zoals bedoeld in het tweede lid.

    • 4.

      De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt het verschil tussen de van toepassing zijnde norm inclusief de toeslag als bedoeld in artikel 3, en de van toepassing zijnde inkomensvoorziening als bedoeld in artikel 33 van de WWB.

    • 5.

      De verlaging vindt bij voorrang plaats op de toeslag.

Artikel 6 Verlaging indien geen woonkosten

  • Indien een woning bewoond wordt waaraan voor belanghebbende geen (overige) woonkosten verbonden zijn, wordt de norm en/of de toeslag verlaagd met: - 9% in geval er geen sprake is van woonkosten - 6% in geval er geen sprake is van overige woonkosten.

Artikel 7 Verlaging 21- en 22-jarige alleenstaande

    • 1.

      Indien artikel 5 niet van toepassing is, wordt in afwijking van artikel 3:

      • a.

        de norm voor alleenstaande van 21 jaar niet verhoogd met een toeslag;

      • b.

        de norm voor een alleenstaande van 22 jaar wordt verhoogd met een toeslag van 10%, behalve indien sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3, vierde lid of vijfde lid onderdeel b.

    • 2.

      Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien de belanghebbende voor onbepaalde tijd is ontheven van alle verplichtingen als bedoeld in artikel 9 lid 1 van de Wwb of artikel 45 van de Wij.

Hoofdstuk 5 Slotbepalingen

Artikel 8 Hardheidclausule

  • Het college kan in bijzondere omstandigheden afwijken van het bepaalde in deze verordening.

Artikel 9 Citeertitel

  • Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening Toeslagen en Verlagingen Veldhoven 2010.

Artikel 10 Intrekking verordening

  • De verordening “Toeslagen en Verlagingen Wet werk en bijstand Veldhoven 2009” wordt ingetrokken.

Artikel 11 Inwerkingtreding

  • Deze verordening treedt in werking op 1 november 2010.